Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2023004-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Opbouw
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, verbeelding en planregels. De verbeelding en de regels vormen de juridische basis van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsook de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen en aanduidingen weergegeven. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft geen juridische status maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan alsmede bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
De eigenaar van de gronden is voornemens 9 woningen te realiseren aan de Schoolmeesterstraat en Kattedoorn binnen de Overhoeken in Berkel-Enschot. In het initiële bestemmingsplan “Enschotsebaan-Zuid (woningbouw)” zijn voor delen van het plangebied wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Deze wetgevingszones hebben betrekking op de doorkruising van de bovengrondse hoogspanningsverbinding van TenneT. De beheerder van het hoogspanningsnet is bezig om een deel van haar bovengrondse hoogspanningsnet te vervangen door ondergrondse kabels. Met deze wijziging kan het college van burgemeester en wethouders de dubbelbestemming “Leiding – Hoogspanningsverbinding” verwijderen en de bestemming “Groen” wijzigen naar de bestemming “Woongebied” met de aanduiding “Bouwvlak”. Initiatiefnemer is echter voornemens om niet alleen invulling te geven aan de wijzigingsbevoegdheid maar ook het stedenbouwkundig plan van aangrenzende percelen wat aan te passen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Om deze reden wordt een partiele herziening van het vigerende bestemmingsplan om de juridisch planologische situatie voor het plangebied goed te kunnen regelen. De onderbouwing van de bestaande woongebieden is terug te vinden in bestemmingsplan “Enschotsebaan Zuid (woningbouw)”. De focus voor deze onderbouwing ligt daarom vooral op de wetgevingszones.
Hoewel de aanwezige hoogspanningsleiding nog niet is verwijderd, wordt met de onderhavige procedure beoogd om op de betreffende locaties de bestemming te wijzigen om woningbouw mogelijk te maken direct nadat de hoogspanningsleiding is verwijderd. De behoefte naar nieuwe woningen is groot en de initiatiefnemer wil zo snel mogelijk na het verwijderen van de bovengrondse hoogspanningsleiding de woningen realiseren.
Met de voorliggende toelichting wordt een basis gegeven voor bestemmingsplan waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied en hoe het bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening.
1.2 De planlocatie
Het plangebied maakt onderdeel uit van het dorp Berkel-Enschot in de gemeente Tilburg. De kavels waar de ontwikkeling (gedeeltelijk) plaatsvindt staan kadastraal bekend als gemeente Berkel, sectie A, nummers, 5587, 5588, 5589, 6300, 6318 en 6704, 6705, 6706, 4896. Het plangebied is gelegen in het zuidwestelijke deel van BerkelEnschot, nabij de N261. In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig, waaronder een basisschool en een sportschool. Op ongeveer 15 minuten loopafstand ligt de dichtstbijzijnde bushalte.
Op circa 500 meter afstand van het plangebied ligt bedrijventerrein Loven. De noordwestelijke beoogde woonlocatie is gelegen aan de Schoolmeesterstraat (vanaf hier ‘locatie 1’), de zuidwestelijke beoogde woonlocatie ligt aan de Kattedoorn (vanaf hier locatie 2). In figuur 1 is de ligging van de twee beoogde woningbouwlocaties weergegeven. Op locatie 1 zijn 5 woningen toegestaan. Op locatie 2 zijn 4 woningen toegestaan.
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan is een (partiële) herziening van het moederplan: Enschotsebaan-Zuid (woningbouw) (onherroepelijk per 8-3-2021)
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
Huidige situatie
De plangebieden hebben een centrale ligging in het plangebied Enschotsebaan-Zuid ten zuidwesten van de dorpskern Berkel en ten zuidwesten van Enschot. Rondom de planlocaties zijn de volgende functies aanwezig: woningen, basisschool met bijbehorende voorzieningen, agrarische bedrijven en agrarische gronden.
In de huidige situatie zijn de kavels braakliggend terrein. Gezien de ontwikkeling rondom de plangebieden is het terrein reeds bouwrijp gemaakt.
Toekomstige situatie
Initiatiefnemer is voornemens vijf woningen te realiseren aan de Schoolmeesterstraat, en vier woningen aan de Kattedoorn. Op onderstaande afbeelding is de toekomstige verkaveling te zien. Aan Kattedoorn worden vrijstaande woningen ontwikkeld. Aan de Schoolmeesterstraat wordt er een verdeling gemaakt van vrijstaande woningen en twee-onder-een-kap woningen.
1.5 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het beleid van verschillende overheden. In hoofdstuk 3 wordt de haalbaarheid van het plan getoetst aan de hand van planologische en milieuthema’s als archeologie, groen en verkeer. Hoofdstuk 4 gaat over de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het aspect water. Hoofdstuk 6 vormt de juridische toelichting van verschillende delen van het bestemmingsplan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te volgen procedure komen in hoofdstuk 7 aan de orde. Hoofdstuk 8 dient als conclusie waarin de planologische afweging van het initiatief wordt gemaakt.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid
Met de beleidsvisie externe veiligheid met de titel “Veilig en verantwoord ontwikkelen’ zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de stad. Met de visie geeft Tilburg vanuit de invalshoek externe veiligheid inrichting en uitwerking aan een verantwoord veilige, integrale invulling van ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening. In de visie is duidelijk gemaakt:
waar eventuele ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is;
waar in de stad geïnvesteerd moet worden in een beter niveau van preventie en bestrijding van rampen; • waar in de stad bestaande (woon)omgeving voldoet en waar de bestaande situatie kan worden verbeterd. De kernambitie van gemeente Tilburg is daarom: veilig en verantwoord ontwikkelen.
Doorwerking projectlocatie
In de gemeentelijke beleidsvisie wordt het plangebied aangemerkt als wettelijk- en luw (invloeds)gebied (figuur 5)
2.1 Rijk
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.
Hoe werkt de NOVI?
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
Afwentelen wordt voorkomen.
Belangrijkste keuzes in de NOVI
een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;
de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;
de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;
de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;
het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Uitvoering van de NOVI
Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden.
Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten.
Doorwerking plangebied
De voorliggende projectlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
Doorwerking plangebied
Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van 9 woningen mogelijk gemaakt. De overige woningen in het plangebied worden heringericht. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeven dat een bestemmingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Een laddertoets is daarmee niet aan de orde.
2.2 Provincie
2.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.
Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten.
Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.
De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden.
De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.
Doorwerking plangebied
Door de realisatie van 9 woningen en de herinrichting van het stedenbouwkundig plan wordt invulling gegeven aan bovengenoemde aandachtspunten.
2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.
2.2.3 Interim omgevingsverordening
De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (actualisatie 2022, 15 april 2022), in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.
Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).
Doorwerking plangebied
Beide plangebieden van dit bestemmingsplan liggen in bestaand stedelijk gebied; de interim omgevingsverordening stelt hieraan geen specifieke voorwaarden.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.2.1 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. In de Welstandsnota 2017 Tilburg wordt beschreven dat de Omgevingscommissie de taak heeft om ervoor te zorgen dat, naast de architectonische samenhang met de omgeving, in ieder geval op objectniveau de beeldkwaliteit wordt bewaakt. Welstandstoezicht is, in die gevallen, te zien als 'vangnet' voor een visuele basiskwaliteit. Op 16 maart en 20 juli 2022 heeft vooroverleg plaatsgevonden met de Omgevingscommissie van de gemeente Tilburg. Als gevolg van de bijeenkomst op 16 maart zijn de op,- en aanmerkingen doorgevoerd in het schetsontwerp en akkoord bevonden op 20 juli.
3.2.2 Stedenbouwkundige onderbouwing
Voor de ontwikkeling aan de Enschotsebaan-Zuid is een stedenbouwkundig plan opgesteld door LOS stadomland B.V. (april 2019). In dit plan wordt er tevens ingegaan op het beeldkwaliteitsplan. Dit beeldkwaliteitsplan geldt als het toetskader voor de beeldkwaliteit voor de totale ontwikkeling van Enschotsebaan-Zuid, waaronder onderhavige plangebieden (bijlage 1).
Met de ontwikkeling van 9 woningen wordt het stedenbouwkundig plan voor gewijzigd. Door deze herschikking wordt er invulling gegeven aan de wijzigingsgebieden. Op deze wetgevingszone is in het moederplan “Enschotsebaan-Zuid” 1 woning toegestaan. Met deze ontwikkeling wordt er een logischere indeling gecreëerd door twee woningen toe te voegen op deze zone. Het aantal woningen op het totale plangebied blijft ongewijzigd, slechts de verdeling van de woningen wordt veranderd. Deze ontwikkeling wijkt af van het eerder vastgestelde stedenbouwkundig plan, maar is wel in lijn met de visie van het gebied. De woningen dienen gebouwd te worden conform de gesteld eisen van het beeldkwaliteitsplan.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.3.1 Historische geografie
Het plangebied was in het verleden overwegend agrarisch in gebruik en wordt visueel omsloten door de huidige kern Berkel-Enschot in het oosten, de bebouwing langs de Bosscheweg in het zuiden en het dijklichaam van de Burgemeester Bechtweg in het westen. Vooral het dijklichaam is daarbij een erg dominant element in het landschap. Verspreid in het gebied is bebouwing aanwezig. Door de aanwezigheid van bovenstaande elementen heeft het projectgebied een kleinschalig en landelijk karakter. Alhoewel de Burgemeester Bechtweg is aangelegd, is de Enschotsebaan als monumentale dorpstoegangsweg nadrukkelijk aanwezig. De kenmerkende kransakkerstructuren ten westen van de oude kern van Berkel-Enschot lopen in delen van het gebied als vanzelfsprekend door in het bestaande dorp (Raadhuisstraat, Molenstraat, Hoolstraat). Met de kransakkerstructuur wordt bedoeld de kenmerkende structuur van wegen welke fijnmazig door het akkerlandschap lopen en deze akkers omzomen. De Enschotsebaan vormt een karakteristiek lint in het gebied en vormt van oudsher de verbinding van het dorp met het platteland. De Enschotsebaan is dan ook een cultuurhistorische waardevolle drager van het gebied, zowel in ruimtelijke als in functionele zin. Het geeft de identiteit van het gebied aan. Het gehele profiel van deze weg, inclusief bomenrijen en bermsloten, en de bebouwing speelt daarbij een rol.
3.3.2 Archeologie
Het plangebied voor Enschotsebaan-Zuid heeft een hoge verwachtingswaarde. Daarom zijn ten behoeve van het bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw) diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd:
2019 bureauonderzoek westelijk deel (BEZ1863) (bijlage 2)
2020 proefsleuven westelijk deel en nadere opgraving (Archol rapport 494) (bijlage 3)
De locatie aan de Schoolmeesterstraat is onderzocht in het bureau- en proefsleuvenonderzoek. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er een hoge archeologische verwachting geldt voor het plangebied Enschotsebaan-Zuid. Resultaten van diverse archeologische onderzoeken in de directe omgeving en in vergelijkbare landschappelijke setting wijzen voor onderhavig plangebied op eventuele archeologische resten uit de gehele periode mesolithicum t/m vroege Nieuwe tijd, met een hoge kans op het aantreffen van resten uit de late preshistorie en middeleeuwen – Nieuwe tijd. Op grond van de bovenstaande verwachting is een vervolgonderzoek gedaan in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Het onderzoek heeft geresulteerd in de onderscheiden van zes sporenclusters. Het plangebied aan de Schoolmeesterstraat ligt niet in een van deze sporenclusters. Het plangebied aan de Kattedoorn is reeds vrijgegeven op het gebied van archeologie. Archeologische resten of vondsten zijn niet te verwachten. Een nader onderzoek is niet benodigd.
Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen gevolgen heeft voor het planvoornemen.
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader. Binnen het plangebied zijn er geen monumenten gelegen. De boerderij aan de Enschotsebaan nr. 27 (bouwjaar 1880) is in het verleden wel geclassificeerd als cultuurhistorisch waardevol. Dit pand blijft in de onderhavige ontwikkeling gehandhaafd. Er zijn binnen het plangebied geen bomen aanwezig die zijn opgenomen in de Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB).
3.3.4 Conclusie
Vanuit de historische geografie, archeologie en cultuurhistorie zijn mogelijke relevante plandelen reeds uitputtend onderzocht en (indien nodig) beschermd in het bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw). Voor onderhavig bestemmingsplan volgen hieruit geen verdere kaders.
3.4 Volkshuisvesting
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie.
Centraal in de Woonagenda staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. Ten aanzien van de kwalitatieve opgave waar Tilburg als stad voor staat zijn er een aantal kwaliteiten waar vanuit de Woonagenda en de opgave in de stad waarde aan wordt gehecht.
Doorwerking plangebied
Gemeentelijke woningbouwopgave
Het plan past binnen het de gemeentelijke woningbouwopgaven en voldoet aan de beleidsdoelen-Wonen in de woonvisie en de woonagenda 2020-2025. Het draagt namelijk bij aan het leveren van half-vrijstaande woningen in een dorps woonmilieu.
Aantrekkelijk wonen
Gemeente Tilburg hecht veel waarde aan de aantrekkelijkheid van de omgeving. In de wijken zijn er diverse doelgroepen te vinden. Door de realisatie van 9 woningen worden er meer verschillende soorten mensen aangetrokken naar de woonwijk. Dit zal ervoor zorgen dat de wijk een aantrekkelijk karakter krijgt.
Politiekeurmerk Veilig Wonen
Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving. Het plan Enschotsebaan-Zuid zal aan de criteria van het PKVW voldoen.
3.5 Groen en speelruimte
3.5.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er te veel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2021
Bomenbeleid
beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2021
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening
De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.
Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart). Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant.
Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan is de BWZ-kaart verwerkt in de Boomwaardekaart (bijlage bij de regels 2). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze kaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.
De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. Voor de planlocatie hebben deze maatregelen geen effect, aangezien er geen beschermingswaardige bomen in een straal van 15 meter rondom het plangebied staan.
3.5.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
3.5.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied: in het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur': biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit: zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).
3.5.4 Agenda groen in de stad
De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad).
3.5.5 Stadsnatuurkaart
De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld.
Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt.
Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk.
3.5.6 Uitvoeringsagenda Koel Tilburg
Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom willen we dat de stad leefbaar blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een Koel Tilburg.
De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragen aan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet.
Ieder initiatief of ontwikkeling moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld. De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2020-2023 (zie paragraaf 5.1). De beleidsregels worden juridisch verankerd in onder andere bestemmingsplanregels en Handboek Openbare Ruimte.
3.5.7 Conclusies
Deze kaarten, agenda’s en nota’s vormen de beleidskaders t.a.v. groen in de omgeving. Aan de Schoolmeesterstraat wordt een stuk grond met de bestemming ‘Groen’ veranderd naar de bestemming ‘Woongebied’ (zie figuur 4). In vigerend bestemmingsplan zijn op twee deelgebieden de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Deze herbestemming is daarmee een rectificatie op vigerend plan. Daarnaast hebben de groenstroken geen beschermwaardige bomen of structuren. Binnen het overige plangebied bevinden zich geen beschermwaardige bomen of structuren. De ontwikkelingen op de planlocaties moeten voldoen aan de doelstellingen van de uitvoeringsagenda koel Tilburg en de Nota Biodiversiteit.
3.6 Verkeer en parkeren
3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
Ontsluiting van de planlocaties in Enschotsebaan-Zuid Autoverkeer
De planlocaties worden voor het autoverkeer aangesloten op de Enschotsebaan. Via de Kerkstraat kan vervolgens snel de Bosscheweg worden bereikt. De Enschotsebaan biedt verder een ontsluiting richting de N261 via de Zwartrijt en de Koningsoordlaan.
Openbaar vervoer
De huidige busverbinding naar Tilburg ligt aan de Bosscheweg of Kerkstraat. Beide busstations liggen op ca. 400 meter van het plangebied. Op groter afstand is in het plangebied Koningsoord nabij het nieuwe winkelcentrum een ruimtereservering opgenomen voor een nieuw NS-station aan de spoorlijn Tilburg-Den Bosch. De situering hiervan maakt een ruimtelijke koppeling mogelijk tussen het dorpscentrum en het mogelijk nieuwe station.
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
Doorwerking plangebied
Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Er is geen afname in parkeergelegenheid met deze wijziging. Op alle kavels worden parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De volledige parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgevangen. Er is geen verlies van parkeerplaatsen in openbaar gebied.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Milieueffectrapportage
Het voornemen dient te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. waaruit blijkt of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER) en de bijbehorende procedure (m.e.r.) is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten waarbij het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft.
Doorwerking projectlocatie
Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet. Op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ bevindt zich op ongeveer 2150 meter van het plangebied. Gezien de afstand (>500 meter) en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit natura 2000gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.
4.2 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG-brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Doorwerking projectlocatie
Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren. Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude.
De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels.
De richtafstanden van de meest nabij gelegen bedrijven liggen niet over de twee percelen van dit planvoornemen. Daarmee kan ervan uitgegaan worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bedrijven en Milieuzonering vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.
4.2.1 Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat:
wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;
kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;
nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
Doorwerking projectlocatie
Binnen 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen geitenhouderijen. Daarmee is het geitenmoratorium niet van toepassing.
4.3 Externe veiligheid
4.3.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid
Met de beleidsvisie externe veiligheid met de titel “Veilig en verantwoord ontwikkelen’ zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de stad. Met de visie geeft Tilburg vanuit de invalshoek externe veiligheid inrichting en uitwerking aan een verantwoord veilige, integrale invulling van ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening. In de visie is duidelijk gemaakt:
waar eventuele ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidsverhogende condities dat mogelijk is;
waar in de stad geïnvesteerd moet worden in een beter niveau van preventie en bestrijding van rampen; • waar in de stad bestaande (woon)omgeving voldoet en waar de bestaande situatie kan worden verbeterd. De kernambitie van gemeente Tilburg is daarom: veilig en verantwoord ontwikkelen.
Doorwerking projectlocatie
In de gemeentelijke beleidsvisie wordt het plangebied aangemerkt als wettelijk- en luw (invloeds)gebied (figuur 5)
![i_NL.IMRO.0855.BSP2023004-e001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2023004-e001_402005.png)
Een gedeelte van het plangebied ligt in een luw (woon)gebied. Voor deze gebieden geldt dat geen nieuwe risicovolle inrichting in of direct naast de woongebieden mogen komen. Een stedelijke verdichting binnen het invloedsgebied van 150 meter vanaf het ondergrondse reservoir en het LPG-vulpunt is niet gewenst. In en rondom het plangebied bevindt zich geen LPG vulpunt of ondergronds reservoir. Het plangebied valt binnen het wettelijk invloedsgebied van het treinspoor. Hier wordt later in het hoofdstuk aandacht aan besteed.
Om in kaart te brengen welke mogelijke relevante risicobronnen aanwezig zijn in en rondom het plangebied voor de gehele woningbouwontwikkeling, is een QuickScan externe veiligheid opgesteld (bijlage 4). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek weergegeven.
Transport over het water
Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een waterweg. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over water vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.
Transport over de weg
Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen weg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel bevindt het plangebied zich binnen een afstand van minder dan 200 meter van de N261. Op basis van de vuistregels uit de HART is geconcludeerd dat de 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico derhalve niet kwantitatief inzichtelijk hoeft te worden gemaakt. Wel geldt voor deze weg een verantwoording van het groepsrisico.
Ook bevindt het plangebied zich binnen in het invloedsgebied van de A65 en A58, waardoor de risico’s als gevolg van de transporten over deze weg moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Transport over het spoor
Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen spoorweg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Wel bevindt het plan zich binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg aansl. – Vught, waardoor de risico’s als gevolg van de transporten over deze spoorlijn moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op een afstand van circa 400 meter westelijk van het plangebied is de spoorlijn Tilburg aansl. – Boxtel gelegen. Ook deze spoorlijn is opgenomen in he Basisnet spoor. Gezien de ruimtelijke scheiding vormt het plaatsgebonden risico en het PAG van dit spoor geen aandachtspunten voor de planvorming en is het niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken.
Buisleidingen
Het plangebied bevindt zich niet binnen de 1%-letaliteitsafstand van buisleidingen. Ten aanzien van de K1-leiding die in de nabijheid van het plangebied ligt, is geconcludeerd dat gezien de personendichtheid er geen sprake is van een groepsrisico. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen derhalve geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.
Naast de buisleidingen zijn ook hoogspanningsleidingen van belang. In het (rijks)beleid rond hoogspanningsleidingen spelen twee zones een rol; de indicatieve zone en de belemmeringenstrook. Op grond van het voorzorgbeginsel, heeft het ministerie van VROM met een brief d.d. 3 oktober 2005 gemeenten, provincies en netbeheerders geadviseerd om nieuwe situaties waarbij kinderen worden blootgesteld aan magneetveld hoger dan 0,4 micro Tesla (jaargemiddelde) zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. ‘Zoveel als redelijkerwijs mogelijk’ houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. De voor- en nadelen en de specifieke lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat er besloten wordt om dergelijke functies toch binnen de zone toe te staan. Gemeenten, provincies en het rijk moeten hierbij hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het maken van keuzes. Een magneetveldzone is een zone waarbinnen geen woningen, scholen, kinderopvang en crèches gewenst zijn.
Het plangebied valt binnen de veiligheidszone van enkele belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones). Het gaat hierbij om:
Bovengrondse 150 kV hoogspanningsverbinding van TenneT: De hoogspanningsmasten hebben veel invloed op de indeling van het gebied. Binnen de veiligheidszone is het niet toegestaan om woningen te realiseren. Deze hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een ondergrondse verbinding. Dit nieuwe tracé loopt niet over het plangebied, en dus is het mogelijk om woningen te realiseren binnen dit gebied. De voorgaande bestemming van deze zone was ‘Groen’.
Ondergrondse 10 kV middenspanning van ProRail: ten westen van de planlocaties ligt een ondergrondse 10 kV leiding van ProRail.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2023004-e001_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2023004-e001_402006.png)
Een aandachtspunt is de 150 kV hoogspanningsleiding die door het plangebied loopt. Deze heeft een 2x 17,5 meter brede belemmeringsstrook. Tevens heeft de hoogspanningsleiding een indicatieve zone, zoals deze voor de 150 kV is berekend. Uit onderzoek Herberekening specifieke magneetveldzone t.h.v. Enschotsebaan, Kapstol 15130, januari 2016 (bijlage 5) blijkt dat tussen specifieke vak segmenten 109 en 110 een afstand van 2 X 45 meter in dit geval aangehouden kan worden. Dit is de zogenaamde indicatieve zone. Er kan daarom afgeweken worden van de ‘gebruikelijke’ 2 X 80 meter. Dit onderzoek geeft tevens weer dat er voor vak segmenten 110 en 111 een afstand van 2 X 40 meter aangehouden kan worden. De woonbestemmingen in dit bestemmingsplan worden gerealiseerd zodra de bovengrondse hoogspanningsleiding verwijderd is en de ondergrondse leiding in gebruik is genomen. Er is dan geen sprake van een belemmering.
Belemmeringenstrook/zakelijke rechtstrook
Daarnaast is er de belemmeringenstrook of wel de zakelijke rechtstrook. Binnen deze zone is in principe geen bebouwing (of werkzaamheden) toegestaan en is altijd schriftelijke toestemming van de netbeheerder noodzakelijk. Deze zone is kleiner dan de indicatieve zone en is opgenomen om onder meer het onderhoud aan leidingen te kunnen plegen. De verbinding en masten dienen te allen tijde bereikbaar te zijn en blijven vanaf de openbare weg met groot materieel. Bij een belemmeringenstrook (2 X 17,5 meter) waarbinnen geen bebouwing is toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de leidingbeheerder.
Ook bij het realiseren van een openbaar verblijf dient terughoudend te worden omgegaan door de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding. Ook zijn er restricties op het gebruik van bomen met betrekking tot de hoogspanningsleiding. In het ruimtelijk ontwerp voor het gehele gebied Enschotsebaan Zuid is rekening gehouden met deze beschermingszone, door geen woningen binnen deze zone te plannen.
Inrichtingen
Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico's als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.
4.3.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
De transporten over de weg (N261, A65 en A58) en de spoorlijn Tilburg – aansluiting Vught dienen in het kader van het groepsrisico verantwoord te worden. Windmill Milieu en Management heeft in 2018 een inventarisatie en verantwoording uitgevoerd naar de ontwikkeling aan de Enschotsebaan-Zuid te Berkel-Enschot (bijlage 6)
4.3.3 Conclusie en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A65, A58 en het treinspoor Tilburg – ‘s-Hertogenbosch. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico’s blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden- en West Brabant heeft 8 maart 2018 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
Beheersbaarheid: de brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen.
Zorgnorm: de brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen.
Bestrijdbaarheid per scenario: ten aanzien van de bereikbarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.
Mobiliteit van de aanwezigen: Binnen het plangebied worden geen functies specifiek voor minder zelfredzame personen gerealiseerd.
Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen: Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten.
Risicocommunicatie: In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie.
Ventilatie: Woningen dienen voorzien te worden vanuit afsluitbare mechanische ventilatie (artikel 3.31 regelbaarheid, Bouwbesluit)
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico’s en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.4 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk. Deze zijn dan ook niet voorzien in het plan.
4.5 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
4.5.1 Wegverkeerlawaai
De nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen") respectievelijk hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer:
Burgemeester Bechtweg.
Ingevolge de Wgh geldt voor nieuwe woningen een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Voor de oprichting van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (“Enschotsebaan in Berkel Enschot”, Akoestisch onderzoek Wijzigingsbevoegdheden, d.d. 24 oktober 2022, kenmerk NOT221915-25-01, Buro DB.) en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh plaatsgevonden (bijlage 7)
De voorkeurgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Voor het perceel aan de Schoolmeesterstraat wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt hier 50 dB. Voor dit perceel dient een HW besluit genomen te worden. Het ontwerpbesluit Hogere waarden is als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan (bijlage 8). Gezien de beperkte overschrijding gelden er geen aanvullende voorwaarden conform het gemeentelijk HW beleid.
Voor het perceel aan de Kattedoorn wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden.
30 km/uur wegen
In het kader van goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidbelasting als gevolg van de aanwezige 30 km/uur wegen ook in beeld gebracht. De maximale geluidbelasting hiervan bedraagt, op het perceel aan de Schoolmeesterstraat, 56 dB. Voor het perceel aan de Kattedoorn bedraagt de maximale geluidbelasting 58 dB. Omdat er is gerekend op de perceelsgrenzen, en de woningen niet direct op de perceelsgrens gebouwd mogen worden, zal de werkelijke geluidbelasting lager zijn.
Ten gevolge van het geluid van de 30 km/uur-wegen wordt geadviseerd bij het perceel aan de Schoolmeesterstraat aan de zuidoostzijde van het perceel een afstand wegas-gevel van ten minste 9 meter in acht te nemen. Daarmee wordt voldaan aan een geluidniveau voor een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat.
Ten gevolge van het geluid van de 30 km/uur-wegen wordt geadviseerd bij het perceel aan de Kattedoorn aan de noordwest van het perceel een afstand wegas-gevel van ten minste 12 meter in acht te nemen. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.5.2 Railverkeerlawaai
De nieuwe woningen liggen niet binnen het "aandachtsgebied" van een spoortraject. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing. Railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.
4.5.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw.
4.5.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. Luchtvaartlawaai vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.5.5 Trillingen
Het plangebied ligt buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder redelijkerwijs gezien iet te verwachten is en onderzoek hiernaar niet noodzakelijk is.
4.5.6 Stiltegebied/Attentiezone
Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied.
4.6 Luchtkwaliteit
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
Doorwerking projectlocatie
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 9 woningen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.7 Geur
4.7.1 Industriële geurhinder
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
Doorwerking projectlocatie
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een significante industriële geuremissie. Industriële geur vormt daarmee geen belemmering voor dit planvoornemen.
4.7.2 Agrarische geurhinder
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V- Stacks model). Dit geldt voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijke norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
Doorwerking projectlocatie
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een significante agrarische geuremissie. Agrarische geur vormt daarmee geen belemmering voor dit planvoornemen.
4.8 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
Bodembeheerplan (Bodemkwaliteitskaart)
Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Wonen' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren d.w.z., er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit. Grond uit deze zone kan worden toegepast in worden in de eigen zone of een zone met dezelfde kwaliteit ('Wonen') en in de zone 'Industrie'.
Doorwerking plangebied
Voor het gehele plangebied Enschotsebaan Zuid is een verkennend bodemonderzoek gedaan door SGS Search BV (bijlage 9). Door middel van het uitgevoerde onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Specifiek voor het plangebied gelden de volgende resultaten:
De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met organische chloorbestanddelen (DDD’s en drins). De ondergrond blijkt niet verontreinigd te zijn. In het grondwater zijn in alle peilbuizen licht verhoogde haltes aan xylenen gemeten. Plaatselijk zijn licht verhoogde gehalten aan nikkel, zink, barium, en naftaleen gemeten in het grondwater. De grond is licht verontreinigd met OCB’s. De verontreiniging met OCB’s in de bovengrond is waarschijnlijk te relateren aan de agrarische bedrijfsactiviteiten. De resultaten van de asbestanalyse tonen aan dat de gewogen asbestconcentratie in de grond indicatief niet hoger is dan de detectiegrens.
Conclusie
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig c.q. toekomstig gebruik van de locatie. Uit de resultaten van de toetsing aan de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de bodem op de locatie voldoet aan de achtergrondwaarde De resultaten uit het bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanwijziging. Bij toekomstige aanvragen om bouwvergunning kan het betreffende onderzoek worden gebruikt, mits de maximale geldigheidstermijn van 5 jaar voor het onderzoek dan nog niet is overschreden.
4.9 Natuur en ecologie
4.9.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.9.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen
Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.
4.9.3 Gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten
Met de Tilburgse gebiedsontheffing gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels worden de procedures in het kader van de Wet natuurbescherming en de Wabo vereenvoudigd. Om de gebiedsontheffing te kunnen toepassen zijn soortenmanagementplannen (SMP) opgesteld en worden de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in kaart gebracht. De gebiedsontheffing en bijbehorende SMP’s zijn erop gericht de instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Alle projecten (van de gemeente en van derden) die onder de werking van de SMP vallen, kunnen profiteren van de gebiedsontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is.
4.9.4 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Op enige afstand van het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden, het betreft de de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (op ca. 4 km afstand ten noorden van het plangebied) en Kampina & Oisterwijkse Vennen (ca. 2 km ten zuiden van het plangebied). De gebieden behoren tot de hogere zandgronden en hebben habitats zoals stuifzandgronden, naaldbos, eikenbos, en zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen.
Door de afstand van 2 respectievelijk 4 km tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden is het initiatief ver genoeg verwijderd om directe effecten op Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten te kunnen veroorzaken door geluid, licht en trilling. De verstoring van vogels vindt pas plaats binnen ongeveer 200 meter. Heiwerkzaamheden die naast geluid ook trillingen veroorzaken hebben doorgaans een iets grotere verstoringsgevoelige afstand tot 1 km. De hoeveelheid extra licht door de ontwikkelingen op de het plangebied is nihil om effecten te veroorzaken op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Door de afstand van 2 á 3 km tussen de onderzoekslocatie en de Natura 2000-gebieden is het initiatief tevens ver genoeg verwijderd om directe effecten op habitattypen, Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten te veroorzaken door optische verstoring of verstoring door mechanische effecten.
Wel kan er mogelijk sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht. Om dit in beeld te brengen is voor plangebied Enschotsebaan Zuid een berekening gemaakt van de mogelijke stikstofdepositie (zowel bouw- als gebruiksfase) en eventuele effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bijlage 10 en bijlage 11). Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 200-gebieden., welke is toegevoegd bij het bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw); omdat voor het totale plangebied Enschotsebaan-Zuid geen relevante deposities zijn berekend, geldt dit ook voor onderhavig bestemmingsplan.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
De ontwikkeling vindt niet plaats in het NNN. Daarnaast zijn negatieve effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN ten gevolge van externe werking uitsloten. Aantasting van het NNN is uitgesloten. Nadere toetsing wordt niet noodzakelijk geacht.
Bescherming van houtopstanden
Voor het bouwrijp maken en het realiseren van negen woningen op braakliggend terrein worden geen bomen gekapt. De bescherming houtopstanden uit de Wet natuurbescherming hierbij niet van toepassing.
Soortenbescherming
Uit de QuickScan van EcoAssist, waarin het plangebied is onderzocht, zijn de volgende resultaten naar voren gekomen (bijlage 12).
Vogels
In de bomen binnen het plangebied en de verstoringszone van de werkzaamheden (75 m) zijn geen horsten van roofvogels of uilen aangetroffen. Ook zijn er geen nesten van ooievaars, roeken in de bomen aangetroffen. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig met pannendaken of andere ruimtes welke geschikt zijn als broedplaats voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4, zoals huismus en gierzwaluw. De aanwezigheid van nesten van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit deze categorie 1 t/m 4 zijn redelijkerwijs uitgesloten in het plangebied.
Huismussen, gierzwaluwen en roeken kunnen gebruik maken het plangebied om te foerageren. Ten tijde van het veldbezoek waren er algemene ruigtekruiden aanwezig die vermoedelijk opgekomen zijn na de sloop van de loods/bedrijfshal welke er voorheen stond. Het gehele omliggende stuk lag nu braak en bestond uit vergelijkbare ruigtevegetatie. Daarvan beslaat het plangebied slechts een klein percentage, maximaal 20%. Daarnaast is er nog volop blijvend groen aanwezig in de tuinen rondom het plangebied in de vorm van hagen en bomen maar ook tuinplanten en onkruiden. Dit in combinatie dat er van de genoemde soorten geen enkel dier foeragerend werd waargenomen bij het veldbezoek maakt dat het plangebied geen essentieel foerageergebied betreft. In het plangebied is er ook geen sprake van functioneel leefgebied van de huismus, gierzwaluw of roek aanwezig binnen het plangebied.
Geschikte broedplekken voor de grote gele kwikstaart, welke vaak onder bruggen, in nissen of tussen boomwortels op oevers broedt van stromende beken of kanalen, zijn niet aanwezig binnen het plangebied of binnen de verstoringszone van de werkzaamheden. De aanwezigheid van essentiële functies van het plangebied voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten zijn binnen het plangebied dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Naast jaarrond beschermde nesten uit categorie 1 t/m 4 hanteert provincie Noord-Brabant een lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten behorend tot categorie 5. Dat zijn broedvogels welke vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van de vogels met jaarrond beschermde nesten categorie 5 kunnen worden verwacht: ekster, koolmees, pimpelmees en spreeuw. Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van deze soorten aangetroffen in het plangebied.
Verder kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in stedelijk gebied broeden, zoals houtduif en merel.
Vleermuizen
Binnen het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied is op basis van de beperkte omvang van het plangebied uitgesloten. Verblijfplaatsen en vaste vliegroutes zijn binnen het plangebied en binnen de verstoringszone van de werkzaamheden op basis van de QuickScan uitgesloten. Huismussen, gierzwaluwen en roeken kunnen gebruik maken het plangebied om te foerageren. Door het ontbreken van bijzonder waardevol foerageergebied voor deze soorten in het plangebied is er ook geen sprake van functioneel leefgebied van de huismus, gierzwaluw of roek aanwezig binnen het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten dan ook niet waargenomen in het plangebied. Deze ontwikkeling leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vleermuizen.
Overige soorten
Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het plangebied niet te verwachten. De ontwikkeling in het plangebied leidt niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.
Conclusie
Op grond van de mogelijke effecten die kunnen optreden ten gevolge van de ontwikkeling in het plangebied blijkt dat deze niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient in alle gevallen rekening gehouden te worden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Beleidskader
Onderliggend Programma Water en Riolering (hierna te noemen: PWR) laat zien dat we als gemeente Tilburg terug- en vooruitkijken en verder bouwen aan een robuust en flexibel systeem. Het PWR, in de vorige planperiode bekend als het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is een goed planinstrument om mee te kunne bewegen met de trends en ontwikkelingen binnen dit vakgebied. Zo is er bijvoorbeeld sprake van meer extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en bewoners en verandering in wetgeving. Om mee te kunnen bewegen met de ontwikkelingen om ons heen is het wenselijk om het GRP periodiek te actualiseren. In 2015 is het GRP 2016-2019 vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Tilburg. De looptijd van dit GRP is aan het eind van 2019 ten einde. Daarom is voor de periode 2020-2023 een nieuw GRP opgesteld, met een naamswijziging en aangepaste opzet naar PWR. De reden hiervoor is dat deze naamgeving alvast voorsorteert op de Omgevingswet, die het opstellen van programma's voorschrijft. Het programma Water en Riolering vormt dan samen met andere nog op te stellen programma's zoals bijvoorbeeld geluid, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en overstromingsrisico's een samenhangend pakket van maatregelen ter bescherming en verbetering van de leefomgeving.
Sinds het in werking treden van het Bestuursakkoord Water (2010) werken we als gemeente Tilburg samen met waterschap Brabantse Delta, waterschap De Dommel, gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Heusden, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk en Waalwijk en Brabant Water binnen de werkeenheid Doelmatig Waterbeheer Hart van Brabant. Dit is een van de vier werkeenheden voor samenwerking aan doelmatig (afval)waterbeheer binnen de SWWB (Samenwerken aan Water in Midden en West Brabant). Voor deze samenwerking hebben we een samenwerkingsovereenkomst (SOK) opgesteld. Door samen op te trekken en kennis te delen kunnen we de waterketen zo optimaal mogelijk inrichten en profiteren van elkaars expertise en capaciteit. Ook na 2020, wanneer het Bestuursakkoord Water afloopt, gaan we door met het sturen op de 4k's (kwaliteit, kwetsbaarheid, kostenbesparing en klimaatadaptatie) en richten we ons op nieuwe thema's en het addendum Bestuursakkoord Water.
Met een aantal gemeenten binnen de werkeenheid Doelmatig Waterbeheer Hart van Brabant (Goirle, Oisterwijk en Tilburg), de waterbeheerders waterschap De Dommel en waterschap Brabantse Delta en drinkwaterbedrijf Brabant Water is besloten om voor de komende planperiode gezamenlijk een omgevingswetproof PWR op te stellen en hiervoor een blauwdruk te maken die binnen het samenwerkingsverband kan worden gebruikt. Het PWR krijgt hiermee een gemeenschappelijke basis met een 'couleur locale' voor gemeentespecifieke zaken. Om te komen tot een nieuw PWR hebben we het bestaande plan geactualiseerd op basis van gezamenlijke wensen, ambities en beleidskeuzes. Ook de financiele aspecten zijn herzien op basis van nieuwe inzichten en informatie.
Daarnaast geldt sinds 23 december 2021 het nieuwe Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) van het Waterschap De Dommel. Hiermee wordt de watertransitie in gang gezet: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving en zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, en de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moet veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.
5.2 Bestaand watersysteem / duurzaam watersysteem
Op moment van opstellen van dit bestemmingsplan wordt de omliggende wijk gerealiseerd. In het bestemmingsplan Enschotsebaan-zuid (wonen) is omschreven op welke wijze het watersysteem in de wijk wordt ingericht. Voor een toelichting hierop wordt naar dat bestemmingsplan verwezen; het in realisatie zijnde watersysteem vormt het bestaande systeem voor onderhavig bestemmingsplan.
5.3 Ambitie
In het Bestuursakkoord 'Gezond en gelukkig in Tilburg' 2018-2022 is opgenomen dat er onder de noemer 'Koel Tilburg' gewerkt wordt aan het realiseren van een klimaatbestendige stad in 2050. Hierbij gaat het vooral om het tegengaan van opwarming, wateroverlast en verdroging zowel in de bebouwde omgeving als in het omringende buitengebied en de natuur. Op het vlak van stedelijk waterbeheer wordt gesteld dat de ambitie om (binnen gerelateerde projecten) bij te dragen aan andere klimaatthema's dan wateroverlast zoals droogte, hittestress en biodiversiteit door meekoppelkansen te benutten en belanghebbenden bij elkaar te brengen. In combinatie met de reguliere onderhouds- en vervangingsmaatregelen wordt er naar gestreefd om het rioleringssysteem en de bijbehorende openbare ruimte zoveel mogelijk klimaatbestendig in te richten. Er wordt integraal afgestemd met andere disciplines (bijvoorbeeld ruimtelijke ordening en beheer openbare ruimte) en maken een gezamenlijke afweging. Hierbij wordt meegelift met zoveel mogelijk met geplande werkzaamheden in de openbare ruimte. Het gaat dan om het zichtbaar maken van water, het verhogen van de belevingswaarden en integratie van water en groen. We benutten de reikwijdte van de zorgplicht riolering om voor maatregelen die bijdragen aan een goed functionerend stedelijk watersysteem uren en middelen beschikbaar te stellen. Bij de klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte voor bestaand gebied wordt een stresstest uitgevoerd en voeren een risicodialoog uit om te komen tot maatwerkoplossingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen houden wij bij nieuwbouw rekening met de vloerpeilen zodanig dat er geen inpandige waterschade of waterschade bij omliggende bebouwing plaatsvindt bij de 70 mm/h bui uit het DPRA. Dit houdt in dat elke locatie maatwerk is. We stemmen de maatregelen en programmering af met de uitvoeringsagenda klimaatadaptatie.
Met de aanleg van de blauwe aders en waterparken zet de gemeente Tilburg een flinke stap in het voorkomen van natte voeten. Echter door klimaatverandering ontstaat een nieuwe opgave. Buien worden extremer en de frequentie waarmee zware buien optreden neemt toe. Om op de toekomst voorbereid te zijn en een goed woon- en vestigingsklimaat te behouden zijn nieuwe investeringen nodig. Extra en grote hoeveelheden regenwater moeten worden verwerkt om waterschade te voorkomen. Het ondergronds afvoeren van deze extremen is kostbaar, maar bovengrondse oplossingen voor berging vergen ruimte en zijn daardoor sterk afhankelijk van andere claims op de bovengrond. Door regenwater te accepteren tussen de straatbanden, in groenvoorzieningen en te bufferen in de bodem kunnen ook zwaardere buien worden verwerkt. Dit vergt nieuwe investeringen, maar biedt ook nieuwe kansen. Met de bovengrondse blauwgroene voorzieningen kan tevens een bijdrage leveren aan het oplossen van andere klimaat gerelateerde problemen zoals hittestress en langdurige droogte. Groen en water in de openbare ruimte hebben ook een gunstig effect op de gezondheid (meer bewegen, ontspanning) en kan bijvoorbeeld worden gecombineerd met natuurontwikkeling (ecologische verbindingen). Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het coalitieakkoord "Een gezond en gelukkig Tilburg". Daar waar bovengrondse oplossingen op korte termijn geen haalbare kaart zijn, bieden ondergrondse oplossingen uitkomst.
Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te kunnen inrichten introduceert de gemeente een regenwateropgave voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren zij nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad. 50 m2: geen regenwateropgave; 50 m2 - 150 m2: o Indien niet vergunningplichtig: geen regenwateropgave o Indien wel vergunningplichtig: regenwateropgave volgens onderstaande tabel: 150 m2: regenwateropgave volgens onderstaande tabel:
![i_NL.IMRO.0855.BSP2023004-e001_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2023004-e001_402007.png)
De opgave van 60 mm heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. De komende periode gaan we gebruiken om nauwlettend te voldoen aan de gestelde eisen. Daarbij volgen we wat haalbaar is (in de ruimte) en betaalbaar is (risico afgezet tegen verminderen schadelast, in combinatie met maatschappelijke voordelen, zoals berekend kan worden met tools als TEEB stad). Als blijkt dat de waterbergingsopgave redelijkerwijs niet mogelijk is, kan hiervan worden afgeweken (in overleg met onze gemeente). Eventueel kan hier een financiële voorwaarde aan worden verbonden (de opgave wordt dan afgekocht).
5.4 Watertoets
Het beleid voor Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen van Waterschap De Dommel is onder meer gericht op het vasthouden van water op het moment dat er sprake is van toename van verhard oppervlak. Als ondergrens hier-voor stelt het waterschap een toename van minimaal 500 m² aan verhard oppervlak. De oppervlakten van de beide locaties in dit bestemmingsplan bedragen 2.370 m² (Schoolmeesterstraat) en 2.260 m² (Kattedoorn), waar-mee dit minimum wordt behaald. Overigens zullen de kavels niet geheel worden verhard: gezien de ruime kavels blijft naar verwachting ca. 50% onverhard. Dit betekent dat er in de toekomstige situatie 2.315 m² verhard wordt.
Dit neemt niet weg, dat voor de compensatie van toename van het verhard oppervlak aansluiting gevonden kan worden in het watersysteem van de wijk. Dit kan op twee manieren:
• Op eigen kavel, door het realiseren van infiltratievoorzieningen op eigen terrein als dan niet in combinatie met groen dak;
• In het openbaar gebied, door het ontworpen watersysteem in geringe mate te vergroten.
De bergingsvraag is in beeld gebracht door LOS Stadomland in de totale ontwikkeling Enschotsebaan Zuid. Om de retentievraag te bepalen zijn in de plankaart verschillende ‘oppervlaktetypes’bepaald. Hieruit is gebleken dat er in totaal 72.885m² afwaterend oppervlak wordt toegevoegd. Met een retentievraag van 60 mm is er een ber-ging van 4.373 m³ benodigd. Het plangebied aan Kattedoorn (locatie 2) is reeds meegenomen in deze waterber-gingsopgave. Het plangebied aan de Schoolmeesterstraat (locatie 1) niet. Voor deze locatie is er een benodigde berging van 68 m³. Daarom zal voor de woningen aan de Schoolmeesterstraat gekozen worden voor regenwater-ging op eigen kavels. Dit is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.1 Standaard plansystematiek
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.
6.1.1 Bouwvlak en erf
De Tilburgse plansystematiek maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.
Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.
In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.
Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
6.1.2 Bouwdiepte
De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken.
6.1.3 Bouwhoogte
De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte:
Structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in:
Bedrijvige linten;
Rustige linten;
Hoofdstructuur nieuwe gebieden;
Overige gebieden.
Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling.
6.1.4 Goothoogte
De toegelaten hoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijkgesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd.
In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen.
6.1.5 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied:
Oppervlakte:
20m2 indien erf kleiner is dan 50m2;
40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2;
80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2;
100m2 bij erf vanaf 1000m2;
Bouwhoogte:
Maximaal 3m bij plat dak;
Bij schuin dak goothoogte maximaal 3m;
Bouwhoogte maximaal 4,5m.
N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen.
In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan: • 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²;
150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²;
200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²;
Terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.
6.2 Bestemmingen en aanduidingen
Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d. In het plan komen de volgende bestemmingen voor:
In de planlocaties bevinden zich de volgende bestemmingen:
Woongebied, voor de bouwblokken waar nieuwe woningen gerealiseerd gaan worden;
Wonen, voor de perceelscorrectie
Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:
Bouwvlak;
Specifieke bouwaanduidingen.
In hoofdstuk 3 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.
6.3 Bouw- en gebruiksregels
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
7.1 Economische uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Ten aanzien van het moederplan is een exploitatieovereenkomst gesloten waarbij een deel van de exploitatiebijdrage vastgelegd is. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Het plangebied aan de Schoolmeesterstraat valt buiten de bestaande exploitatieovereenkomst, hier is een aparte overeenkomst aangegaan. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorontwerp van het bestemmingsplan op woensdag 30 augustus 2023 aangemeld bij afdeling Ruimtelijke plannen van de leidingbeheerder TenneT TSO B.V. (TenneT). Op basis van deze stukken heeft TenneT van de mogelijkheid gebruik willen maken om een inspraakreactie in te dienen. Deze inspraakreactie hebben wij 11 oktober 2023 ontvangen. TenneT geeft aan om rekening te houden met de status van de dubbelbestemming die op een deel van de locaties ligt. TenneT geeft terecht aan dat de regels met betrekking tot de dubbelbestemming over de (bovengrondse) hoogspanningsverbinding niet volledig is overgenomen. De bovengrondse dubbelbestemming komt niet te vervallen wanneer de ondergrondse verbinding in gebruik is genomen, maar ook wanneer de bovengrondse buiten werking is gesteld én is geamoveerd. Vervolgens zal er ten behoeve van de ondergrondse verbinding een dubbelbestemming gelden (deels) binnen het plangebied. Kortom, er zal een dubbelbestemming blijven rusten op een deel van het plangebied. Het plan is naar aanleiding van deze reactie aangepast op een manier dat zowel de huidige als de toekomstige situatie met betrekking tot de hoogspanningsverbindingen geborgd is en blijft.
7.2.2 Omgevingsdialoog
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.6. Bro.
Om de belanghebbenden te informeren is er een brief opgesteld met daarin een beschrijving van de plannen (bijlage 13). In onderstaande tabel is te zien waar de brief naar is opgestuurd. De brief is 10 mei opgestuurd en de geadresseerden hebben 2 weken de tijd gehad om een reactie te geven. Op de brief zijn geen inhoudelijke reacties gekomen.
7.2.3 Zienswijzen
Het bestemmingsplan “Enschotsebaan-Zuid (woningbouw), 1e herziening (Kattedoorn en Schoolmeesterstraat)” met planidentificatie NL.IMRO.0855.BSP2023004 heeft met bijbehorende onderliggende stukken gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage gelegen, te weten van woensdag 27 december 2023 tot en met dinsdag 6 februari 2024. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn er geen zienswijzen ingebracht. We hebben een bericht ontvangen van Waterschap De Dommel waarin wordt aangegeven dat er geen bezwaren zijn tegen de voorgenomen nieuwbouw. Wel wordt opgemerkt dat de plantoelichting m.b.t. waterbergingsopgave moet worden aangepast, zodat het duidelijk maakt dat voor de woningen aan de Schoolmeesterstraat gekozen moet worden voor regenwaterberging op eigen kavel. Dit is inmiddels in de plantoelichting aangepast en is ook terug te vinden in Bijlage 14 Staat van wijzigingen.
Ten aanzien van aanpassingen aan de planregels en verbeelding wordt tevens verwezen naar de Staat van wijzigingen. Deze hebben o.a. betrekking op het opnemen van een dynamische verwijzing van de waterbergingsopgave uit het parapluplan Waterberging & grondwaterbescherming en het toevoegen van de