St. Elisabeth Ziekenhuis e.o. 2009, 2e herziening (verplaatsing OCL)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2022019-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van een school voor speciaal onderwijs aan de Hilvarenbeekseweg te Tilburg.
De initiatiefnemer is voornemens om het huidige gebouw van het Onderwijscentrum Leijpark (OCL), dat zich nu bevindt ten noordoosten van het ziekenhuiscomplex, in fases te verplaatsen naar de bezoekersparkeerplaats van het ziekenhuis dat ten westen van het ziekenhuis gesitueerd is. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan “St. Elisabeth ziekenhuis e.o. 2009” de bestemming ‘Verkeer-Verblijf’. De bouw van een school past niet in dit bestemmingsplan.
Het is noodzakelijk om het OCL te verhuizen naar een nieuwe, grotere locatie. De uitbreiding van de school is nodig, omdat het aantal leerlingen de afgelopen jaren fors is toegenomen. Bovendien is het ruimtegebruik per leerling in de afgelopen jaren flink toegenomen.
Het OCL is een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. De school richt zich specifiek op leerlingen met een beperking en ontwikkelt zich steeds meer als specialist voor leerlingen met complexe problematiek.
Het OCL bestaat onder andere uit:
Ernstig Meervoudige Beperking-leerlijn (EMB) voor kinderen van 4 tot en met 20 jaar;
Speciaal Onderwijs (SO) voor kinderen van 4 tot en met 13 jaar;
Voorbereidend Middelbaar Beroeps Onderwijs (VMBO) voor leerlingen vanaf 12 jaar;
Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) voor leerlingen vanaf 12/13 jaar tot 20 jaar met het profiel dagbesteding of arbeid;
Zorg in Onderwijs (ZiO) voor extra ondersteuning bij onderwijs in de vorm van persoonlijke verzorging of begeleiding bij activiteiten.
Deze mix van onderwijsstromingen en -voorzieningen vraagt om veel samenwerking tussen partijen en een multidisciplinaire aanpak.
Daarnaast heeft het OCL zich de afgelopen jaren doorontwikkeld tot een kind- en jongerencentrum waar de school samen met haar zorgpartners geïntegreerde zorg en onderwijs aanbiedt aan de doelgroep van de school. Hiervoor heeft de school (in samenwerking met haar zorgpartners) meer ruimte nodig, die niet meer beschikbaar is op de huidige locatie van de school.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat een deel van het huidige bezoekersparkeerplaats van het Elisabeth-Tweesteden- Ziekenhuis (hierna ETZ) en wordt globaal begrensd door de Professor van Buchemlaan, de Hilvarenbeekseweg en het terrein van het ziekenhuis.
Het plangebied is momenteel een parkeerplaats voor bezoekers van het naastgelegen ziekenhuis. In de omgeving van het plangebied liggen woningen en groen. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van het Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis (ETZ) ten oosten. Ten zuiden zijn enkele vrijstaande woningen aanwezig, deze liggen in een boomrijke omgeving. Hier stroomt ook De Leij. Ten westen bevindt zich nog een andere grote parkeerplaats en ten noorden is de woonwijk ‘Groenewoud’ gesitueerd.
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan “St. Elisabeth ziekenhuis e.o. 2009” vastgesteld door de gemeenteraad van Tilburg op 4 juli 2011.
1.4 Uitgangspunten planvorming
Huidige situatie
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, ten zuidoosten van het stadscentrum van Tilburg. In de huidige situatie is ter plaatse het bezoekersparkeerterrein van ETZ Elisabeth gesitueerd.
Toekomstige situatie
Dit bestemmingsplan maakt de verplaatsing van het Onderwijscentrum Leijpark mogelijk. OCL is nu gevestigd aan de Prof. Stoltehof 1. Door de groei van de laatste jaren is er een gebrek aan ruimte voor zowel logistiek als ruimte om les te geven aan de kinderen en ruimte om te spelen voor de kinderen.
Ruimtelijke structuur
Voor de realisatie van het nieuwe Onderwijscentrum wordt de huidige structuur en opzet van het gebouw losgelaten. In plaats daarvan sluit het gebouw aan bij het campusmodel met een gridstructuur met losse gebouwen in het groen, rondom een centraal gebouw. Door dit model hebben de beoogde gebouwen het karakter van paviljoens, gesitueerd aan een centrale as die bestaat uit een hoger gebouw. Omdat het onderwijs qua zorg en regionale functie aansluit bij het karakter van het ziekenhuis is het logisch dat het centrum een plek op de campus krijgt. Zo kan er een uitwisseling plaatsvinden tussen het centrum en de andere functies op de campus als het gaat om medische uitwisseling maar ook in ruimtelijke zin.
Deze ruimtelijke opzet laat het toe om de groene kwaliteiten rondom het plangebied optimaal te benutten en te integreren binnen het plangebied. De groene kwaliteiten rondom het plangebied zijn grofweg op te delen in vier karakters, te weten het Leijpark, de poelenzone, de Leij beekzone en de wadizone. Deze karakters worden met elkaar verbonden door middel van een padenstructuur rondom en tussen de gebouwstructuur, alsmede door drie waterrijke stromen (De Leij, wadi en poelen). In de navolgende afbeelding worden achtereenvolgend de vier karakters, de padenstructuur en de waterstromen weergeven. Tevens kan op deze afbeelding het voorlopige campusmodel van de beoogde bebouwing worden herkend.
Masterplan ziekenhuis incl nieuwbouw OCL (bron aanvulling ontwikkelleidraad HNS)
Het gebouw (de verschillende fases van het gebouw) zijn zo gesitueerd dat ze enerzijds de stedelijke structuur van de Broekhovenseweg en de historische verbinding tussen Tilburg en Hilvarenbeek (dat nu een fietspad met bomen is ) begeleiden. Anderzijds zijn de gebouwen onderdeel van de Zorgcampus en vormen ze een westelijke beëindiging/omarming van de campus.
Het gebouw is zo gepositioneerd aan de Prof. Van Buchemlaan dat het fungeert als verbinding tussen de stad en de campus en de Professor van Buchemlaan aan de zuidkant begeleidt.
Toekomstige bebouwing
De bebouwing zal bestaan uit twee aan elkaar geschakelde vierkante bouwblokken van maximaal vier bouwlagen (exclusief technische installaties op het dak), welke zijn beoogd met een binnenplaats die dienst kunnen doen als binnentuin, daktuin of patio. De bebouwing kent (inclusief technische installaties) een maximale bouwhoogte van 16 meter). Voorliggend bestemmingsplan zorgt voor voldoende flexibiliteit om de paviljoens in een later stadium verder uit te werken.
Het OCL gebouw wordt niet midden op het terrein gepositioneerd i.v.m. de efficiënte inrichting van de buitenruimte en het parkeren. Het 1e gebouw van OCL (fase 1) wordt in de noordhoek van het terrein geplaatst. Hier heeft het gebouw een positie aan zowel het lint als de parkway, met oriëntatie op het lint. De gebouwen hebben een transparante plint, in ieder geval aan de zijde van de parkway van de Prof. van Buchemlaan en het lint.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022019-e001_402001.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022019-e001_402001.jpg)
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022019-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022019-e001_402002.png)
Het gebouw kent vier verschillende zijdes die aansluiten op het karakter van de directe omgeving. Voor het gebouw geldt dat het aan de oostzijde een open en meer publieke karakter heeft naar de stedelijke lijn van het fietspad, hier is ook de speelplaats gelegen die aansluit op de rest van de groene structuur van de campus. De westzijde sluit aan op de parkeerplaats waar vooral het halen en brengen direct tegen het gebouw is georganiseerd, de entree van de school, de informele/dagelijkse entree is aan deze zijde gesitueerd. De noordzijde van het gebouw sluit aan op het karakter van de Professor van Buchemlaan, hier is ook de entree van het parkeren voor het centrum gelegen en het parkeren voor de bezoekers gesitueerd. Aan de zuidzijde sluit het gebouw aan de uitloper van de Campus.
Uitgangspunten verkeer en parkeren
De hoofdentree van het OCL ligt aan de Prof van Buchemlaan. Er komt een extra ontsluiting aan de Hilvarenbeekseweg. Het parkeren voor de bezoekers van de school ligt aan zijde van de Prof. van Buchemlaan. Het parkeren voor het halen en brengen is strak georganiseerd en gesitueerd tegen de westzijde van het gebouw om loopafstanden zo kort mogelijk te maken en het halen en brengen zo overzichtelijk mogelijk te maken. Het parkeren voor bezoekers van het ziekenhuis (in de tussenfase) en het personeel ligt op een meer landschappelijke manier om de school en de halen- en brengzone heen. Het volgt de boog van de Hilvarenbeekseweg. Voor een verdere onderbouwing van de verkeersafwikkeling en de parkeeropgave wordt verwezen naar paragraaf 3.5.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.
Hoe werkt de NOVI?
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
Afwentelen wordt voorkomen.
Belangrijkste keuzes in de NOVI
een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;
de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;
de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;
de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;
het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Uitvoering van de NOVI
Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.
De verplaatsing van het onderwijscentrum raakt geen rijksbelang.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking
getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch
wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is
op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de
inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van
de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op
doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels
opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en
deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan
bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing
zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe
ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet
een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een
of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde
projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.
Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van
de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro
vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de
bij het Barro behorende kaarten.
De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van
strijdigheid met nationale belangen.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
SAB heeft een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (SAB (2020), Toets Ladder voor duurzame verstedelijking, Onderwijs centrum Leijpark, Tilburg, Projectnummer: 220323, d.d. 20 oktober 2022 zie bijlage 1) opgesteld. In deze toets wordt geconcludeerd dat de verplaatsing en uitbreiding van het Onderwijscentrum Leijpark in zowel een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnen het verzorgingsgebied voorziet. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen.
2.1.4 Crisis- en herstelwet
Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) in werking getreden. Deze wet heeft tot doel procedures te vereenvoudigen, uitvoering van projecten te versnellen en daarmee de werkgelegenheid in de bouw te stimuleren. De wet introduceert aangepaste (procedure)regels voor zogenoemde ontwikkelingsgebieden.
Toetsing
Op 21 maart 2020 is de vijfde tranch van de Regeling Crisis- en herstelwet in werking getreden. Onderhavig plangebied is in deze tranch opgenomen, waarmee gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden die de Chw biedt. Deze benoeming biedt ruimte om flexibel om te gaan met de faseerbaarheid van het plan, mede in de context van milieunormen. Verder kan gebruik worden gemaakt van globale planregels en biedt artikel 7c van de Chw de mogelijkheid om onderzoeken uit te stellen. Concreet wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden om normen uit het bestemmingsplan uit te werken in beleidsregels. Deze zijn opgenomen in de Ontwikkelleidraad Zorgcampus - beleidsregels ruimtelijke structuur - 20 juni 2022 met aanvulling Onderwijscentrum Leijpark - aanvulling voor ontwikkelleidraad zorgcampus van 20 april 2023; ( bijlage 15 ).
2.2 Provincie
2.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2023) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.
Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.
De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden.
De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.
Toetsing.
De verplaatsing is een onderdeel van de ontwikkeling van de Zorgcampus. De verplaatsing is voorzien in bestaand stedelijk gebied, waardoor aangesloten wordt bij het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en is met de combinatie van zorg, onderwijs en aanvullende voorzieningen ook sprake van meervoudig ruimtegebruik. Deze verplaatsing sluit aan bij de ambities en kernwaarden uit de Brabantse Omgevingsvisie.
2.2.2 Interim omgevingsverordening
De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.
Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).
Specifiek voor het plangebied geldt:
In algemene zin geldt voor ontwikkelingen dat voldaan moet worden aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5). Dit bestaat uit het rekening houden met een zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6), de waarden in een gebied (artikel 3.7) en meerwaardecreatie (artikel 3.8). Aangezien de verplaatsing is voorzien in bestaand stedelijk gebied en voldoet aan de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking geldt dat sprake is van een zorgvuldig ruimtegebruik. Ook wordt de ontwikkeling ingepast in de bestaande ruimtelijke c.q. landschappelijke structuren en sluit het aan op de aard, schaal en maat van haar omgeving. Zo wordt rekening gehouden met de verschillende waarden in het plangebied en haar omgeving.
Het perceel ligt in stedelijk gebied, concentratiegebied. De verplaatsing van de school past hierbinnen.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Toetsing
Het plangebied waar de locatie onderdeel vanuit maakt wordt nadrukkelijk benoemd in de Omgevingsvisie Tilburg. Het plangebied is onder de regiostrategie aangewezen als 'Zorgcluster Leijpark' en daarmee één van de drie stedelijke knooppunten uit de Omgevingsvisie. Zorg is de grootste werkgever in Tilburg, met ruim 18% van de werkgelegenheid in 2014. In de Omgevingsvisie wordt de volgende ambitie geschetst voor 2040: De regio Hart van Brabant is onderscheidend op zorggebied. De sterke economische positie van de zorgsector heeft Tilburg verder uitgebouwd door belangrijke kernactiviteiten te concentreren en faciliteren in Tilburg-Zuid, met het Leijpark als natuurlijk hart. Het OCL is specifiek voor leerlingen met een beperking en ontwikkelt zich steeds meer als specialist voor leerlingen met complexe problematiek. Deze functie past zeer goed in het Zorgcluster Leijpark.
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.2.1 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
3.2.2 ontwikkelleidraad Zorgcampus
Op basis van het Masterplan voor de nieuwbouw van het ETZ is een ontwikkelleidraad opgesteld (HNS Landschapsarchitecten (2021), Ontwikkelleidraad Zorgcampus. Beleidsregels ruimtelijke structuur, 22 juni 2022), waarin de ruimtelijke uitgangspunten en ontwerpprincipes voor de toekomstige stedenbouwkundige opzet en de buitenruimte van de campus zijn vastgelegd. Deze Ontwikkelleidraad Zorgcampus, beleidsregels ruimtelijke structuur dient als toetsingskader op het moment dat er een vergunning wordt aangevraagd voor het bouwen of voor het aanleggen van bijvoorbeeld verharding, beplanting en watergangen. Dit geldt voor alle organisaties die gevestigd zijn binnen de plangrenzen van de campus. Deze Ontwikkelleidraad Zorgcampus, beleidsregels ruimtelijke structuur is door de raad als beleidsregel bij het bestemmingsplan vastgesteld. In het kader van dit bestemmingsplan wordt een aanvulling op de ontwikkelleidraad vastgesteld.
De aanvraag omgevingsvergunningen worden voorgelegd aan een kwaliteitsteam die de aanvraag toetst aan de Ontwikkelleidraad Zorgcampus, beleidsregels ruimtelijke structuur. Het kwaliteitsteam bewaakt de integrale kwaliteit van de ruimtelijke ontwikkeling (landschap, stedenbouw, architectuur, ecologie, water en verkeer) zoals deze is opgenomen in de Ontwikkelleidraad Zorgcampus - beleidsregels ruimtelijke structuur - 20 juni 2022 met aanvulling Onderwijscentrum Leijpark - aanvulling voor ontwikkelleidraad zorgcampus van 20 april 2023. Het kwaliteitsteam bestaat uit vertegenwoordigers van de gemeente, waterschap en ETZ en omvat de vakdisciplines ecologie, landschap, water, stedenbouw + projectleiders ETZ en gemeente. De voorzitter en 50% van de leden is onafhankelijk.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.3.1 Historische geografie
Het plangebied ligt in een dekzandlandschap op de flank van het beekdal van de Leij. Vanaf het Neolithicum ontstaat veen. In de Late Middeleeuwen is het beekdal ontgonnen. Ten westen van het plangebied bevindt zich ter hoogte van de Berglandweg vermoedelijk de locatie van het 14e-eeuwse Huis Broekhoven.
In de 19e eeuw en 20e eeuw is het plangebied grotendeels weiland. Rond 1980 wordt de huidige parkeerplaats aangelegd. Bij deze ontwikkeling zijn de sloten gedempt en is het terrein een meter of meer opgehoogd.
De weg naar Hilvarenbeek vanaf Broekhoven heet op de kaart van Diederik Zijnen uit 1760 de Broekhovensche Dyk en voorbij de Rivier De Ley heet het de Weg van Diessen na Tilborg. Parallel hiermee liep ten westen de Gemeenen Dyk vanaf het Eselven over de Ley vervolgend in de Weg van Hilvarenbeek na Tilborg en lopend door de Beeksche Duynen (Beekse Bergen). Door de gemeenteraad werd in 1900 de huidige Hilvarenbeekseweg (met een iets andere loop) nog Broekhoven genoemd, lopende Van de 'Vogelenzang' tot de grensscheiding met Hilvarenbeek, als straatnaam vastgesteld.
In de directe nabijheid van het plangebied lagen sinds de 19e eeuw de textielfabrieken van Pieter van Dooren (wolspinnerij) en de daarnaast gelegen kunstwolfabriek De Wolkat. Beide fabrieken werden tussen 1975 en 1979 gesloopt om plaats te maken voor de parkeerterreinen en nieuwbouw van het Sint Elisabethziekenhuis waarmee rond 1980 gestart wordt. Het tracé van de Hilvarenbeekseweg moest daarvoor iets omgelegd worden. In 1982 wordt het ziekenhuis in gebruik genomen.
3.3.2 Archeologie
In 2022 is door Bureau voor Archeologie uit Utrecht een inventariserend onderzoek voor het gehele plangebied uitgevoerd: Bureau voor Archeologie Rapport 1240. Prof van Buchemlaan - Hilvarenbeekseweg, Tilburg, gemeente Tilburg: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase. (bijlage 2) Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied.
Het verkennend booronderzoek bevestigt dat het plangebied in een beekdal ligt. Bewoningsmogelijkheden in dit dal zijn minimaal geweest. Er wordt dus geen sporenniveau van een nederzettingsterrein of van een kampement verwacht. Wel kan het dal gebruikt zijn voor de visvangst, jacht en het verzamelen van voedsel. Eventuele resten hiervan zouden nog bewaard kunnen zijn in zones waar nog veen aanwezig is. Het oorspronkelijke maaiveld is echter nergens intact en van het onderliggende veen resteert een dun vaak amorf pakket. De kans dat behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn wordt daarom als klein
ingeschat. Geadviseerd wordt het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden
aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Evenuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Tilburg.
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
In of in de zeer directe nabijheid van het plangebied liggen geen beschermde monumenten, geen MIP-panden en geen panden of objecten met cultuurhistorische waarde.
Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant: het plangebied of de directe omgeving daarvan zijn niet als in enigerlei opzicht waardevol gekarteerd.
Historische vlak- en lijnelementen: iets ten noorden van het plangebied bevindt zich het Leijpark. Dit park werd tussen 1934 en 1939 als werkelozenproject aangelegd naar ontwerp van de tuin- en landschapsarchitect Leonard A. Springer.Het park kan gezien worden als een cultuurhistorisch waardevolle groenstructuur.
De met dit plan beoogde ontwikkeling heeft geen effecten op de waarden van het park.
3.3.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie en monumenten bestaat er geen bezwaar tegen deze ontwikkeling. Er worden geen beschermde of anderszins waardevolle objecten of structuren aangetast. Gelet op de resultaten van het archeologisch onderzoek van het plangebied worden hier geen intacte bewoningssporen verwacht en is geen verder archeologisch onderzoek noodzakelijk.
3.4 Groen en speelruimte
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer
bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is
onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2021
Bomenbeleid:
beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2021
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
3.4.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomenverordening 2021
De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming
door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.
Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente
Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Wet natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming
(Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van
de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij
velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie
Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod
opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal
houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde
plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van
de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen
in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of
herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan is de BWZ-kaart verwerkt in de Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.
De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor
het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit
het hart van de desbetreffende boom.
Bomen binnen invloedsfeer van het plan
Aan de zijde waar het plan aan de Hilvarenbeekseweg grenst (zuid- en westzijde) zijn bomen binnen de plangrens in een brede berm aanwezig. De bomen hebben de beleidstatus Eco-waarde. Voor deze bomen geldt dat deze enkel gekapt kunnen worden indien sprake is van een zeer zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang en alle alternatieven met behoud van de bomen overwogen, maar redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn. De overige bomen binnen het plan hebben een basiswaarde. Er is een bomeninventarisatie opgesteld (zie bijlage 3).
Basiswaarde bomen op het terrein
Ter plaatse van het bouwvlak en aangrenzend in te richten terrein zijn in de huidige situatie bomen in verharding aanwezig. De bomen hebben een basiswaarde. Binnen de kaders van de Bomenverodening 2021 kan ontheffing op het verbod tot kap verleend worden voor deze bomen, in de ontheffing worden vervolgens verplichtingen tot compensatie en aanplant van nieuwe bomen opgelegd. Er worden circa 70 bomen gekapt omdat deze conflicteren met het bouwvlak, de te realiseren parkeerplaats, paden en wegen. Bomen op de huidige parkeerplaats welke ingepast kunnen worden bij inrichting van het terrein blijven in die nieuwe situatie behouden, dit wordt in de uitwerking van de terreininrichting nader onderzocht. Ter compensatie van de kap worden circa 90 nieuwe bomen aangeplant.
Eco waarde bomen in berm
Om het terrein veilig te ontsluiten wordt een uitrit gemaakt welke aansluit op de Hilvarenbeekseweg. Met het oog op behoud van Eco-waarde bomen wordt de meest geschikte locatie en vorm gezocht waarbij geen of maximaal 3 bomen gekapt worden. Indien sprake is van kap vindt een compensatie plaats door aanplant van nieuwe bomen in deze berm.
3.4.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn.
3.4.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en
versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie
van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een
duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet
worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de
groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en
groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon
waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap,
heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene
beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).
3.4.4 Agenda groen in de stad
De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit.
Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad).
3.4.5 Stadsnatuurkaart 2040
De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld.
Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt.
Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk.
Beoordeling;
Zie paragraaf 4.9.3
3.4.6 Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg
We krijgen in Nederland en dus ook in Tilburg te maken met steeds extremer weer. Het gaat vaker en harder regenen, er komen meer en langere hittegolven en de bodem droogt steeds verder uit. De veranderingen gaan gepaard met overlast en schade voor mens en natuur en zet de leefbaarheid van de stad onder druk.
Doel van de uitvoeringsagenda (vastgesteld door het college op 30 juni 2020) is bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten. De gemeente heeft daarnaast een zelfstandige opgave op het gebied van klimaatadaptatie bij eigen projecten, bij het meegeven van randvoorwaarden bij stedelijke ontwikkeling en een rol in het verankeren van klimaatadaptatie in andere beleidsvelden en organisaties. Er zijn zes doelstellingen geformuleerd om klimaatbestendiger te worden:
Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied;
Robuuste groen- blauwe structuren;
Een koele woonomgeving;
Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld;
Klimaatbestendige bedrijventerreinen;
Klimaatbewustwording en Koel gedrag.
Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp:
Zorg voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen;
Zorg voor ‘koelte-eilanden’ en koele looproutes;
Zorg dat regenwater infiltreert op de plek waar het valt, dan droogt de bodem niet uit;
Zorg voor waterbergingsruimte om extreme buien op te vangen;
Gebruik groen als basis en verharding waar nodig.
3.5 Verkeer en parkeren
3.5.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.5.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.5.3 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2023', parkeernormen voor de auto en voor de fiets
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen.
3.5.4 Toegespitst op dit plan
De verkeersontsluiting voor de nieuwbouw van OCL wordt zo ingericht dat het halen en brengen (kiss and ride) van kinderen gescheiden plaatsvindt van het parkeren voor bezoekers en personeel van het OCL. Hiermee wordt duidelijkheid gecreëerd en hiermee kunnen de kinderen worden afgezet en opgehaald zo veilig mogelijk en zo dicht bij mogelijk bij het schoolgebouw.
Hiervoor is een verkeersonderzoek opgesteld, zie bijlage 4, waarin per fase en voor verschillende scenario’s berekeningen zijn opgenomen over het aantal benodigde parkeerplaatsen, kruispuntberekeningen met wachttijden, verkeersafwikkeling, het aantal benodigde in/uitritten en opstelruimtes.
Er komen in het nieuwe plan veel meer parkeerplaatsen dan in de huidige situatie; voor de totale nieuwbouw OCL worden 330 parkeerplaatsen aangelegd, waaronder 110 ten behoeve van het halen en brengen van de kinderen, dit is inclusief de taxistandplaatsen. In fase 1 komen er 40 plaatsen voor taxi’s en 10 voor bezoekers. Het aantal (kiss and ride) parkeerplaatsen is gebaseerd op het aantal leerlingen en vergeleken met situaties elders in het land, waar per leerling 0,17 (kiss and ride) parkeerplaats gehanteerd is.
Het personeel parkeert in de eindsituatie op het huidige bezoekersterrein van ETZ en in fase 1 op conform de de huidige situatie (Dokter Bloemenlaan).
De taxi’s en auto’s (ouders) rijden in en uit via de bestaande in/uitrit van het grote bezoekersterrein van het ziekenhuis (ETZ). De bezoekers van het ziekenhuis worden in fase 1 naar de bestaande in/uitrit (nu nog personeel ETZ) aan de Hilvarenbeekseweg geleid. Ook komt er een nieuwe uitgang (alleen uitrijden) op de Hilvarenbeekseweg tussen de Prof. van Buchemlaan en de loopbrug bedoeld voor bezoekers ETZ.
In de eindsituatie wordt de nieuwe uitgang ook gebruikt voor het halen en brengen en een éénrichtingscircuit gemaakt zodat het verkeer goed en veilig afgewikkeld kan worden via twee uitgangen. In fase 1 is de bestaande in/uitrit aan de Prof. van Buchemlaan voor OCL voldoende.
Het ETZ heeft een parkeerplan opgesteld hoe per fase van de ontwikkelingen rondom het ETZ zelf en de verplaatsing van de school voldoende parkeerplaatsen beschikbaar blijven voor zowel personeel als bezoekers, zie bijlage 4.
ETZ heeft voldoende aan 550 parkeerplaatsen voor bezoekers (nu 650 plaatsen beschikbaar). Door de nieuwbouw van OCL vervallen bezoekersplaatsen van ETZ. Deels wordt dit gecompenseerd door 94 parkeerplaatsen voor personeel aan de zijde Hilvarenbeekseweg te gaan gebruiken voor bezoekers. Daarnaast worden diverse maatregelen genomen om de behoefte aan het aantal bezoekersparkeerplaatsen terug te brengen, zie bijlage 4.
De nieuwbouwplannen van OCL sluiten goed aan bij de nieuwe ontwikkelingen voor langzaam verkeer vanuit de Broekhovenseweg/Hilvarenbeekseweg en de fietsstructuur over het terrein van de Zorgcampus. Aan de oostzijde komt een fietsenstalling die bereikbaar is via het bestaande fietspad, zodat het auto- en fietsverkeer wordt gescheiden. De voetpaden leiden allemaal naar een centrale as. Dit zorgt voor een veilige route vanuit de busjes naar de entree van de school. Op de centrale as heeft men voorrang ten opzichte van het gemotoriseerde verkeer.
Aan de Prof. van Buchemlaan ligt het ETZ Elisabeth Busstation waar 2 stadslijnen en een streeklijn langskomen met een frequente dienstregeling (overdag 6 bussen/uur naar het treinstation). Tevens is er een bushalte aan de Hilvarenbeekseweg nabij de huidige hoofdingang van het ziekenhuis. Hiermee is het terrein goed ontsloten met het openbaar vervoer.
Conclusie
Voor zowel de 1e fase als de eindsituatie kan een goede en veilige verkeerssituatie worden gecreëerd. Er vindt een scheiding plaats tussen het halen en brengen van de kinderen, het parkeren voor personeel en langzaam verkeer, met name door het verkeer af te wikkelen over meerdere in- en uitgangen. Hiermee vindt drukverdeling plaats en zijn de wachttijden voor het verlaten van het parkeerterrein acceptabel.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Inleiding
4.2 Milieueffectrapportage
4.2.1 Algemeen
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet
worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.
ad. a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke
activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt
zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig.
Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de
concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene
wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879).
ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft
derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied
betreft “Kampina & Oisterwijkse Vennen" op 3,1 kilometer van het plangebied.
Met het project wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Een toename van stikstofemissie is mogelijk te verwachten.
4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling
Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 5). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg heeft besloten dat voor de verplaatsting van OCL naar het parkeerterrein ETZ geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.
4.3 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren. Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude.
De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels.
In het kader van Bedrijven en Milieuzonering is een aanvullend onderzoek uitgevoerd (Quick scan bedrijven en milieuzonering verplaatsing Onderwijscentrum Leijpark, SAB, kenmerk: 220323, datum: 13-9-2022) bijlage 6
Het projectgebied bevindt zich ten zuidoosten van de Tilburgse bebouwde kom. De locatie grenst aan het Tilburgse ziekenhuis. Ter plekke van het onderzoeksgebied ligt momenteel de bezoekersparkeerplaats van het ETZ.
Er zijn meerdere functies aanwezig in de buurt van het projectgebied. Ten noorden van de Professor van Buchemlaan en ten zuiden van de Hilvarenbeekseweg zijn woonfuncties aanwezig. Aan de zuidzijde van de snelweg zijn enkele gronden bestemd voor bedrijvigheid, agrarisch en ook wonen. De gronden van het ziekenhuis zijn bestemd voor maatschappelijke doeleinden. Daarnaast is de planlocatie gelegen binnen de invloedssfeer (en wettelijke geluidzone) van de A58 (hoofdinfrastructuur).
Derhalve is er in de directe omgeving van de ontwikkellocatie zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van een afwisseling van functies. De omgeving kan daarom als een ‘gemengd gebied’ getypeerd worden. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNG-procedure dienen te worden aangehouden, met verlaging van één afstandsstap (met uitzondering van het aspect ‘gevaar’).
Uitwaartse zonering
Ten aanzien van hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling op de omliggende hindergevoelige functies wordt geconcludeerd dat er aan de richtafstanden voor gemengd gebied wordt voldaan. Deze afstanden worden in alle gevallen in de maximaal planologische situatie voldaan.
Inwaartse zonering
Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er aan de richtafstanden voor gemengd gebied wordt voldaan. Deze afstanden worden in bijna alle gevallen in de maximaal planologische situatie voldaan. Enkel voor de bestemming ‘maatschappelijk’ van het bestemmingsplan ‘St. Elisabeth ziekenhuis e.o. 2009, 1e herziening’ wordt pas in de feitelijke situatie voldaan.
Gebaseerd op bovenstaande conclusies vormt bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.
Dit houdt in dat:
wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;
kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;
met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;
nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;
de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
De locatie is gelegen binnen 2 kilometer van een aantal geitenhouderijen. Het geitenmoratorium van de gemeente Tilburg gaat primair over woningbouw, maar enkele specifieke gevoelige bestemmingen (waaronder kinderopvang) worden ook benoemd. De onderwijslocatie betreft specifiek een onderwijsvoorzieining, maar het kan niet uitgesloten worden dat bij de ontwikkeling van OCL geen kinderopvang gerealiseerd wordt.
Omdat het de verplaatsing betreft van de huidige onderwijsvoorziening (welke ook reeds binnen 2km van dezelfde geitenhouderijen ligt) én het een binnenstedelijke inbreidingslocatie betreft levert het geitenmoratorium geen beperking op voor de voorgenomen vestiging van OCL op de planlocatie.
4.4 Externe veiligheid
4.4.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.4.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In de bij dit plan gevoegde Quick scan Externe Veiligheid (bijlage 7) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda – Tilburg en de rijkswegen A58/A65. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.
4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;
Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;
Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
4.4.4 Conclusie en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda – Tilburg en de rijkswegen A58/A65. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico).
De brandweer Midden -en West Brabant heeft op 13 februari 2023 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief;
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied;
De bereikbaarheid van het plangebied is goed;
Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem) en NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen;
De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Het bouwwerk dient voorzien te zijn van een afsluitbare mechanische ventilatie. De BHV-ploeg zal hiervoor worden geïnstrueerd en regelmatig oefenen. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk;
De brandweer voldoet niet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Voor overschrijdingen van de opkomsttijd wordt directe alarmering naar de meldkamer toegepast en zal de BHV-ploeg hulpdiensten begeleiden.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
4.5.1 Wegverkeerlawaai
De nieuwe onderwijslocatie wordt gerealiseerd binnen wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen") respectievelijk hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer:
• Rijksweg A58 en A65;
• Hilvarenbeekseweg, Professor van Buchemlaan en Leijweg (50 km/uur);
• Berglandweg (deels 50/deels 30 km/uur);
Ingevolge de Wgh geldt voor onderwijslocaties een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Voor de oprichting van de onderwijslocatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (“Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai – Tilburg Onderwijscentrum Leijpark”, SAB, projectnr. 220323, versie 1, dd. 14 april 2023) bijlage 9 en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh plaatsgevonden.
Ten gevolge van de autosnelwegen A58 en A65 wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor Rijkswegen overschreden. Vanwege deze overschrijding dienen de zuidoostgevels van de onderwijslocatie ‘doof’ te worden uitgevoerd. Voor de zuidwestelijke en noordoostelijke gevels wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden en dient een Hogere Waardenbesluit genomen te worden.
Als gevolg van de Hilvarenbeekseweg en Professor van Buchemlaan wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB voor gemeentelijke wegen wordt niet overschreden. Als gevolg hiervan dient een Hogere Waardenbesluit genomen te worden.
Als gevolg van de Berglandweg en de Leijweg wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden.
Bij het vaststellen van een HW besluit is het Hogere Waardenbeleid van de gemeente Tilburg van toepassing. Voor onderwijslocaties volgen hier geen aanvullende voorwaarden uit ten aanzien van geluidluwe gevels en/of geluidluwe buitenruimten. Wel dient middels een aanvullend onderzoek gevelisolatie bij de vergunningaanvraag bouwen aangetoond te worden dat de eisen ten aanzien van het binnenniveau conform het Bouwbesluit worden gerespecteerd. Eventuele geluidisolerende maatregelen die volgen uit dit onderzoek zullen worden geborgd in de vergunning.
4.5.2 Railverkeerlawaai
De nieuwe onderwijslocatie ligt niet binnen het "aandachtsgebied" van het spoortraject Tilburg-
’s-Hertogenbosch/Eindhoven of Breda-Tilburg. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing
4.5.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw.
4.5.4 Luchtvaartlawaai
Geluidzones Gilze-Rijen
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
Landingsplaats Traumahelikopter
In de omgeving van het plangebied is een landingsplaats aanwezig voor een traumahelikopter (t.b.v. het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis (ETZ)).
Het Activiteitenbesluit bevat regels voor de inzet van traumahelikopters in het kader van spoedeisende medische hulpverlening.
De geluidvoorschriften van de artikelen 2.17 tot en met 2.22 van het Activiteitenbesluit zijn niet van toepassing op het gebruik van traumahelikopters (vanwege het spoedeisende karakter van de vluchten met traumahelikopters). In plaats daarvan gelden de voorschriften van paragraaf 3.3.6 "Het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen".
De voorschriften bevatten een grenswaarde voor het geluidsvermogen van een traumaheli en gedragsvoorschriften ter beperking van geluidhinder. De voorschriften zijn zodanige opgesteld dat deze de inzet van traumahelikopters bij spoedeisende hulpverlening niet belemmeren. Ook voorkomen ze onnodige geluidsoverlast door het beperken van het gebruik van traumahelikopters voor niet medisch urgente doeleinden. Het is niet mogelijk om met maatwerkvoorschriften andere of aanvullende voorschriften voor helikopters voor te schrijven.
In de voorschriften is onderscheid gemaakt tussen helitraumacentra en andere ziekenhuizen. De locatie ETZ in Tilburg betreft geen helitraumacentra, en valt daarmee onder ‘andere ziekenhuizen’.
Het bronvermogenniveau van een helikopter bij een helitraumacentrum mag niet hoger zijn dan 140 dB(A). Niet-helitraumacentrum hebben geen traumahelikopters in eigen beheer. Daarom gelden bij een niet-helitraumacentrum geen eisen voor het geluidsvermogenniveau. Ondanks dat deze eis niet gesteld kan worden voor deze locatie, voldoen de huidige vloot van Nederlandse traumaheli’s volledig aan dit maximale bronvermogenniveau.
In de huidige situatie is de landingsplaats gelegen op ca. 250 meter van de planlocatie. In verband met de nieuwbouwplannen van het ETZ zal de landingsplaats verplaatst worden. In de toekomstige situatie zal de landingsplaats op ca. 400 meter van de planlocatie gesitueerd worden. De aanvlieg- en vertrekroutes zal in de toekomstige situatie niet over de planlocatie voor OCL liggen.
4.6 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De planlocatie is gelegen binnen 300 meter van de A58 ligt. Daarmee is het “Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteitseisen” van toepassing. Op basis daarvan is een nieuwe vestiging van een onderwijslocatie binnen 300 meter van een Rijksweg niet mogelijk, tenzij aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan.
Om deze randvoorwaarden te toetsen is een luchtkwaliteitsonderzoek (Onderzoek luchtkwaliteit
Tilburg, Onderwijscentrum Leijpark, SAB, Projectnummer: 220323. datum: 7-4-2023) bijlage 10 uitgevoerd. Hiermee is de haalbaarheid van de vestiging van het OCL op de beoogde nieuwe locatie getoetst ten aanzien van luchtkwaliteit. De randvoorwaarden zijn getoetst en de conclusie is dat daaraan voldaan wordt:
Op de beoogde planlocatie is geen sprake van dreigende overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen als gevolg van de A58;
De beoogde aanleg/reconstructie van de nieuwe Leijweg en Dr. Bloemenlaan leidt niet tot een (dreigende) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen op de beoogde locatie;
De planontwikkeling zelf voldoet aan het NIBM (Niet In Betekenende Mate) criterium.
Daarmee vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7 Geur
4.7.1 Industriële geurhinder
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
In de omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie aanwezig. De planontwikkeling maakt ook geen functies mogelijk met een industriële geuremissie. Daarmee is industriële geur geen belemmering voor deze ontwikkeling.
4.7.2 Agrarische geurhinder
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
In de omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven met een relevante agrarische geuremissie aanwezig. De planontwikkeling maakt ook geen functies mogelijk met een agrarische geuremissie. Daarmee is agrarische geur geen belemmering voor deze ontwikkeling.
4.8 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar.
In opdracht van SAB zijn een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd. In 2022 is door De Klinker B.V. een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd om te ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken (kenmerk K2220212, d.d. 19 oktober 2022). De resultaten van dat onderzoek duidden op meerdere verontreinigingen, waarbij de samenhang tussen de verontreinigingen en de doorkijk naar realisatie van de nieuwe bestemming nog voor te veel hiaten zorgde.
Om met het oog op de omgevingsvergunningen de gebruiksmogelijkheden tot het terrein beter in beeld te krijgen heeft Antea Group begin 2023 opdracht gekregen tot het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek (kenmerk 0483615.100, d.d. 31 maart 2023 bijlage 11).
De in het voorgaande onderzoek aangetoond verontreinigingen zijn in het onderzoek van Antea Group verder in beeld gebracht:
Centraal op het terrein is ook na afronding van het onderzoek van Antea Group nog sprake van een sterke grondverontreiniging met PAK, waarvan de omvang - en daarmee de noodzakelijke vervolg acties in het kader van de Wbb - niet bekend is. De betreffende grondverontreiniging bevindt zich ter plaatse van de voorgenomen bebouwing;
Zuidwestelijk op het terrein, nabij de inrit vanuit de Professor van Buchemlaan is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen in de grond. De verontreiniging is voldoende in beeld en zal bij voorgenomen graafwerkzaamheden met een saneringsplan moeten worden gesaneerd;
Lokaal zijn verder sterke verontreinigingen aangetoond, waarbij is vastgesteld dat deze een omvang hebben van minder dan 25 m3 sterk verontreinigde grond. Dat betekent dat hier geen sprake is van een geval en volgens de Wbb geen sanerende handelingen noodzakelijk zijn;
Behoudens de aangetroffen verontreinigingen zijn in de bodem diverse bijmengingen met puin aangetroffen. Puin is in principe verdacht op de aanwezigheid van asbest en gezien die verdachtmaking niet met het bodemonderzoek is weerlegt blijft dit wel een aandachtspunt
Behoudens genoemde rapporten is van de omgeving van het terrein bekend dat op het terrein van Berglandstraat 22 sprake is van een beschikte grondwaterverontreiniging met VOCl. Deze vlek reikt niet tot het terrein van de herontwikkeling. Bij bronnering vormt het wel een aandachtspunt (kenmerk AA085534936, d.d. 29 maart 2021).
Resume van uitgevoerde onderzoeken en projectie op bestemmingsplantoets:
Milieutechnisch (bodem)onderzoek Hilvarenbeekseweg (ong.) Tilburg, De Klinker B.V., kenmerk K2220212, d.d.: 19 oktober 2022.
Aanvullend bodemonderzoek Hilvarenbeekseweg ong. te Tilburg, Antea Group, kenmerk 0483615.100, d.d. april 2023.
Met uitzondering van de grondverontreiniging met PAK ter plaatse van de toekomstige bebouwing én de puinhoudende bijmengingen in de bodem vormen de resultaten geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanherziening. De grondverontreiniging met PAK is nog niet voldoende in beeld, waardoor geen uitspraak kan worden gedaan met betrekking tot risico’s voor het toekomstig gebruik. Betreft het puin in de bodem is niet bekend of ter plaatse risico’s zijn ten aanzien van asbest. Er moet daarom aanvullend onderzoek worden uitgevoerd, gericht op beide aspecten.
Conclusie
Ter plaatse van het plangebied is bodemverontreiniging aangetoond. Hierbij is op het moment van opstellen van de bodemparagraaf niet voldoende onderzoek uitgevoerd om een geval van ernstige bodemverontreiniging uit te sluiten (PAK ter plaatse van geplande bebouwing) en is al wel vastgesteld dat buiten het bouwvlak sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvoor bij vergraving sanerende handelingen noodzakelijk zijn (zware metalen nabij inrit). Ook is niet bekend of sprake is van asbesthoudend puin in de bodem. In het bestemmingsplan is een voorwaarde opgenomen waar in staat dat het gebied geschikt moet worden gemaakt voor het toekomstige gebruik. Aan die voorwaarde moet worden voldaan alvorens men met grondwerkzaamheden mag starten. Tevens zal een saneringsplan verplicht zijn. De inrichting van het saneringsplan is afhankelijk van de invulling van de voorwaarden, de uiteindelijke bouwplannen en de inrichting van het gebied.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
4.9 Natuur en ecologie
4.9.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.9.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen
Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.
4.9.3 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op circa 3 kilometer afstand. Omdat negatieve effecten op voorhand niet uit te sluiten zijn heeft er een stikstoftoets plaatsgevonden, waarbij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase getoetst zijn.
Uit de Aerius-berekeningen blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op voorwaarde dat tijdens de sloop en bouw (naast elektrisch handgereedschap) uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van de in de Aerius-berekening genoemde mobiele bronnen.
Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ongeveer 175 meter van het plangebied en betreft de Ecologische Verbindingszone van de Leij. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Er zijn geen effecten op het Natuurnetwerk Brabant te verwachten.
Soortenbescherming
Op 7 september 2022 is er een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd (bijlage 12). Er zijn geen beschermde natuurwaarden aangetroffen. Het plangebied betreft een grotendeels verhard terrein (parkeerterrein) met bomen in rijen.
Grenzend aan het plangebied staan bomenrijen die van belang zijn als groenstructuur voor vleermuizen. Het is van belang dat deze structuren behouden blijven vliegroute voor vleermuizen. Daarnaast zijn de noord- en westelijke groenstructuren onderdeel van de stadsnatuurkaart 2040, het gemeentelijk ecologisch netwerk.
In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat de extra aan te leggen uitrit richting de Hilvarenbeekseweg niet breder mag zijn van 5 meter. Deze afstand is door de vleermuizen prima te overbruggen.
Binnen het plangebied zijn geen nesten van zoogdieren of jaarrond beschermde vogels waargenomen. Wel is het mogelijk dat er vogels in de aanwezige beplanting kan nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.
Natuurinclusief bouwen
Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient aan getoond te worden dat voldaan wordt aan het puntensysteem natuurinclusief bouwen.
Conclusie
Er zijn geen effecten op beschermde natuurgebieden te verwachten mits er gewerkt wordt met de in de berekening opgevoerde apparaten.
Effecten op beschermde natuurwaarden zijn redelijkerwijs uit te sluiten, mits de bestaande bomenstructuur grenzend aan het plangebied behouden blijft en er bij het verwijderen van bomen binnen het plangebied rekening gehouden wordt met het broedseizoen van vogels. De ontwikkeling biedt gelegenheid om invulling te geven aan het puntensysteem natuurinclusief bouwen.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023
Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de
gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil
bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk
afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te
stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor,
hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens
de basis voor de gemeentelijke rioolheffing.
Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken.
Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen,
langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen
aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen
behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd
voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard
oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de
wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het
verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te
beperken.
<50 m2: geen regenwateropgave
50 m2 - 150 m2:
indien niet vergunningplichtig: geen regenwateropgave
indien wel vergunningplichtig: regenwateropgave volgens tabel 1
>150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022019-e001_402003.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022019-e001_402003.jpg)
Tabel 1 - regenwateropgave
De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette
waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de
kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.
5.2 Bestaand watersysteem
De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1.
Tabel 1. Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
In plangebied
|
|
Stroomgebied |
De Leij
|
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel |
|
Bruto oppervlakte |
Ca. 2 ha
|
In de huidige situatie is het plangebied ingericht als parkeerplaats en is er geen oppervlaktewater aanwezig. Wel ligt er direct ten oosten van het plangebied een retentievijver. Het regenwater van de parkeerplaats wordt naar deze vijver afgevoerd, vanuit deze vijver wordt het vertraagd afgevoerd naar de Nieuwe Leij.
Ten zuiden van de zorgcampus ligt de Nieuwe Leij. Deze heeft een EVZ status. Hiervoor wordt, in nauwe samenwerking met het waterschap, een inrichtingsvisie opgesteld die aansluit bij de ontwikkeling op de zorgcampus.
5.3 Beleidskader
Het waterschap De Dommel omschrijft de koers en ambities voor de periode 2022-2027 in het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2022 - 2027'. In dit plan is beschreven hoe het waterschap toewerkt naar een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Hierbij zijn de volgende drie disciplines van belang:
Elke druppel vasthouden en laten infiltreren waar deze valt
Functie past zich aan aan het bodem- en watersysteem
Wat schoon is moet schoon blijven
Het beleid uit het waterbeheerplan is verder uitgewerkt in de ‘Keur’. Hierin staan gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot de waterhuishouding. De regels uit de keur hebben tot doel de doorstroming van de wateren te waarborgen, overstromingen te voorkomen, droogte tegen te gaan en de leefbaarheid met en rondom het water te kunnen blijven garanderen.
De Tilburgse 'Omgevingsvisie 2040' is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn de algemene uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
De omgevingsvisie en het klimaatbeleid zijn uitgewerkt in het 'Programma Water en Riolering' (PWR) 2020-2023. Momenteel wordt gewerkt aan een PWR voor de planperiode 2024-2028. Het beleid in het nieuwe PWR is grotendeels ongewijzigd t.o.v. het PWR van de planperiode 2020-2023. Ook het nieuwe PWR is gericht op een klimaatbestendige en aantrekkelijke gemeente. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken.
Voor de ontwikkeling van het OCL geldt het watercompensatiebeleid van 60mm over het totale verhard oppervlak. De opgave van 60 mm heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken.
5.4 Duurzaam watersysteem
Oppervlaktewater en regenwater
De ontwikkeling ‘zorgcampus’ zal lang duren. Er wordt daarom niet alleen gekeken naar de huidige situatie en de eindsituatie maar ook naar de ‘tijdelijke’ situatie die in dit geval wellicht meer dan tien jaar zal duren. Ook in deze periode moet het watersysteem voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden.
De waterhuishouding is, in samenhang met de waterhuishouding van de rest van de zorgcampus, uitvoerig beschreven in het rapport ‘waterparagraaf OCL Zorgcampus te Tilburg, 12 april 2023, RHDHV’ (zie bijlage 16). In dit rapport is het gehele ETZ-OCL terrein onderverdeeld in drie deelgebieden die ieder naar een andere kant afwateren en zodoende als het ware drie stroomgebieden vormen. Het OCL-gebouw bevindt zich in deelgebied “West” en wordt in samenhang met de andere ontwikkelingen in dit deelgebied uitgewerkt. Dit zijn o.a. de Wever en Libra gebouw en het OK-complex.
De tijdelijke situatie omvat de bouw van het eerste deel van de OCL, Wever en Libra en het OK-complex. Voor deze verharde oppervlakken geldt een waterbergingsopgave van 60 mm. Ook worden in deze fase beide retentievijvers gedempt door de bouw van de spoedeisende hulp en de rotonde, deze dient voor de helft te worden gecompenseerd in dit deelgebied. In totaal bedraagt de bergingsopgave voor deze ontwikkeling 1.875 m3 Deze wateropgave kan geheel worden geborgen in de Bomenlaan en sloot aan de westzijde van het OCL. (zie voor onderbouwing de bijlage ‘Waterparagraaf OCL Zorgcampus te Tilburg, RHDHV, 12 april 2023’).
In de eindsituatie is er nauwelijks nog iets over van de huidige bebouwing en verharding. Het hele verharde oppervlak wordt als nieuw beschouwd en krijgt een bergingsopgave van 60 mm. Het stedenbouwkundige plan is nog in ontwikkeling daarom is hier met een overschatting van het toekomstige verharde oppervlak gerekend. Compensatie van de bergingsvijver is niet meer nodig, het hierop afwaterende oppervlak is verwijderd of heeft elders een berging van 60 mm. Het OK-complex watert niet meer af naar een centrale waterberging op het ETZ-terrein. Het verharde oppervlak voor het OCL is in de eindsituatie echter sterk uitgebreid ten opzicht van de tijdelijke situatie omdat nu ook de parkeerplaats opnieuw is aangelegd en daarom een waterbergingsopgave van 60 mm krijgt. In totaal bedraagt de wateropgave voor dit deelgebied in de eindsituatie 1.825 m3. Deze hoeveelheid kan, net als in de tijdelijke situatie, worden geborgen in de Bomenlaan en de sloot. (zie voor onderbouwing de bijlage ‘Waterparagraaf OCL Zorgcampus te Tilburg, RHDHV, 12 april 2023’).
Grondwater
Tijdens het bodemonderzoek dat door De Klinker Milieuadviesbureau in oktober 2022 is verricht is de grondwaterstand aangetroffen tussen 2.3 en 2.6 m-mv. Let wel, dit betreft een momentopname. Op basis van de beschikbare grondwaterstandsgegevens is de grondwaterstandsfluctuatie op de onderzoekslocatie niet vast te stellen. Normaliter stijgt de grondwaterstand in deze periode om rond maart/april de maximale stand te bereiken.
Volgens grondwatergegevens van de gemeente ligt de GHG in het zuiden van het plangebied op NAP +11,5 m. Dit is ca. 2 meter onder het bestaande maaiveld.
5.5 Watertoets
Bij de totstandkoming van de waterparagraaf, en de onderliggende onderzoeken, is het waterschap nauw betrokken. Ook gedurende het vervolgtraject van de ontwikkeling zorgcampus en OCL zal het waterschap betrokken worden.
Deze waterparagraaf is voor een voorlopig advies voorgelegd aan waterschap De Dommel.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
6.1 De innovatiebepaling van de Crisis- en herstelwet
In de aanloop naar de invoering van de Omgevingswet heeft de wetgever het wenselijk gevonden dat gemeenten kunnen experimenteren met de nieuwe mogelijkheden van het omgevingsplan. Daarom is in artikel 2.4 Chw de mogelijkheid opgenomen om ten behoeve van innovatie af te wijken van bepaalde wettelijke voorschriften. Deze innovatiebepaling is verder uitgewerkt in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw). In dit besluit is voor specifieke locaties bepaald van welke wettelijke voorschriften kan worden afgeweken. Voorliggend plangebied valt onder de reikwijdte van artikel 7c BuChw. Op grond van de bepaling kan in het kader van het platform 31-experiment 'Flexibele bestemmingsplannen' worden afgeweken van de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening.
In de regels van dit plan wordt artikel 7c lid 6 BuChw toegepast door de uitleg van de toepassing van bevoegdheden in dit bestemmingsplan afhankelijk te stellen van beleidsregels. Met deze bepaling wordt vooruitgelopen op de vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteiten die na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in een omgevingsplan kan worden opgenomen. In de volgende paragrafen worden ingegaan op de systematiek van de regels van dit bestemmingsplan en op welke wijze de innovatiemogelijkheden uit de Crisis- en herstelwet zijn toegepast.
6.2 Wijze van bestemmen
Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, de planregels en een verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen nader worden ingevuld: via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding, bestaande uit een lijn, een figuur, een lettercode et cetera. Via een aanduiding wordt in de planregels iets specifieks geregeld. Dit kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook eigen regels hebben;
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
6.3 Algemene methodiek
Verbeelding
Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen worden opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).
Planregels
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Inleidende regels: in dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de planregels (artikel 2) bepaald;
Bestemmingsregels: in dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Het betreft regels voor het toegestane gebruik en bouwregels. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen, achter de bestemmingsregels. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld;
Algemene regels: in dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel en algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings-, wijzigings-, procedure- en overige regels;
Overgangs- en slotregels: in het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
6.3.1 Beschrijving van de hoofdbestemmingen
In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
'Groen';
'Maatschappelijk'
'Groen'
De bestemming groen bevat hoofdzakelijk bepalingen ten behoeve van de bestaande groenvoorzieningen. In deze bestemming zijn de aanduiding brug, voor de bestaande voetgangersbrug richting het Wolkatterrein en weg, voor de aan te leggen extra uitrit naar de Hilvarenbeekseweg opgenomen. Bij die laatste aanduiding is bepaald dat de inrit maximaal 5 meter breed mag zijn
'Maatschappelijk'
De gronden binnen de bestemming 'Maatschappelijk' mogen worden gebruikt ten behoeve maatschappelijke voorzieningen waaronder een school.
De maximale bouwhoogte en het maximale bebouwingspercentage voor bouwwerken binnen deze bestemming zijn op de verbeelding weergegeven.
In deze bestemming wordt gebruik gemaakt van de innovatiemogelijkheden uit de Crisis- en herstelwet. Een omgevingsvergunning voor bouwen ten behoeve van deze bestemming kan alleen worden verleend als de activiteit waarvoor wordt gebouwd past binnen de beleidsregel Ontwikkelleidraad Zorgcampus - beleidsregels ruimtelijke structuur - 20 juni 2022 met aanvulling Onderwijscentrum Leijpark - aanvulling voor ontwikkelleidraad zorgcampus van 20 april 2023.
6.3.2 Algemene regels en Beleidsregels
In de algemene regels van het bestemmingsplan zijn een aantal bepalingen opgenomen die een nadere toelichting behoeven.
Ondergrondse bouwwerken
Binnen het plangebied mogen gronden die zijn bebouwd geheel worden aangewend voor ondergrondse bouwwerken, tenzij elders in de regels is bepaald dat ondergrondse bouwwerken niet zijn toegestaan.
Voor onbebouwde gronden geldt dat 40% van de oppervlakte mag worden aangewend voor ondergrondse bouwwerken, tenzij elders in de regels is bepaald dat ondergrondse bouwwerken niet zijn toegestaan.
Beschermwaardige bomen
Binnen 15 m van beschermenswaardige bomen mogen geen werkzaamheden uitgevoerd worden die de boom kan schaden. Werkzaamheden zijn alleen toegestaan indien hiervoor een omgevingsvergunning is verkregen waarbij getoetst is of de boom geen schade zal ondervinden.
Beleidsregels
Er is een algemene regel opgenomen waardoor ook bij werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden. Hierdoor dient ook bij werkzaamheden voor de inrichting van het terrein getoetst te worden aan de beleidsregel 'Ontwikkelleidraad Zorgcampus - beleidsregels ruimtelijke structuur - 20 juni 2022 met aanvulling Onderwijscentrum Leijpark - aanvulling voor ontwikkelleidraad zorgcampus van 20 april 2023.
In de planregels wordt voor de uitleg van de toepassing van de in het plan opgenomen bevoegdheid verwezen naar de beleidsregel 'Ontwikkelleidraad Zorgcampus - beleidsregels ruimtelijke structuur - 20 juni 2022 met aanvulling Onderwijscentrum Leijpark - aanvulling voor ontwikkelleidraad zorgcampus van 20 april 2023. Deze beleidsregels worden door de gemeenteraad vastgesteld en mogen alleen door de gemeenteraad worden gewijzigd.
Als de beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, wordt bij de toepassing van de beleidsregels rekening gehouden met de wijziging(en).
6.3.3 Parkeren
Gronden binnen het bestemmingsplan mogen uitsluitend worden gebruikt als kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Hierbij moet worden voldaan aan de parkeernormen en rekenmethode, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen en rekenmethode.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Dit bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een te realiseren ontwikkeling op gemeentelijke grond. Het verhaal van kosten die de gemeente moet maken is 'anderszins verzekerd' door de gemeentelijke gronduitgifte. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald.
Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de grondexploitatie, die is opgenomen in de gemeentelijke begroting. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 1 mei 2023 gepubliceerd in het gemeenteblad.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Aangezien met deze ontwikkeling geen provinciale en rijksbelangen zijn gemoeid is het concept-ontwerpbestemmingsplan niet ingebracht in het vooroverleg.
8.3 Omgevingsdialoog
Op 12 april 2023 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond gehouden in het Onderwijscentrum Leijpark. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Een verslag van de avond is bijgevoegd (bijlage 14.
8.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan bestemmingsplan St. Elisabethziekenhuis e.o. 2009, 2e herz. (Verplaatsing OCL) heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 12 juni 2023 tot en met 24 juli 2023. Er is 1 zienswijze ingediend.
De zienswijze is van een bewoner van de Ringbaan Zuid. De zienswijze heeft met name betrekking op de verkeersdrukte op die plek en de geluidsoverlast van dien. De ervaren verkeersdrukte en geluidoverlast waar de betreffende bewoner woont zal door vaststelling van dit plan niet wezenlijk wijzigen.
In de nota behandeling zienswijzen (bijlage) wordt op de zienswijze ingegaan. De conclusie hieruit is dat de zienswijze niet leidt tot aanpassing van het plan.