Buitengebied Haaren, 7e herziening (Hooghoutseweg 14)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor een functiewijziging van een bouwvla op het adres Hooghoutseweg 14 in Biezenmortel. Hier is een agrarisch bedrijf gevestigd (rundvee- en pluimveehouderij) in combinatie met de nevenfunctie statische opslag (caravanstalling). In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ is sprake van een bouwvlak ten behoeve van (intensieve) veehouderij en met één bedrijfswoning. Op locatie is een beeldbepalende langgevelboerderij aanwezig, met agrarische bedrijfsgebouwen. Naast deze agrarische opstallen is er bovendien sprake van een ruim verhard buitenterrein ten behoeve van buitenopslagen o.a. in de vorm van kuilplaten en vaste mestopslag.
Het voorliggend plan ziet op beëindiging en herbestemming van het agrarisch bedrijf. De herbestemming ziet op de inpandige splitsing van de langgevelboerderij tot twee wooneenheden. Daarbij wordt het woongedeelte in de langgevelboerderij omgezet naar burgerwoning, wordt in het stalgedeelte één woning toegevoegd, blijft de bestaande caravanstalling van 930m2 behouden (voor statische opslag) en wordt één vrijstaande woning ten westen van de langgevelboerderij toegevoegd.
Om de beschreven functiewijziging mogelijk te maken wordt gebruik gemaakt van de provinciale beleidsregel Maatwerk Omgevingskwaliteit Noord-Brabant. Daarbij wordt onder meer voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt natuur aangelegd ter versterking van het aangrenzende Natuurnetwerk Brabant. Ook wordt, in het kader van splitsing van de boerderij vastgelegd dat de hoofdvorm van het pand en de gevelindeling, vanwege de beeldbepalende kwaliteiten daarvan, behouden blijft.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat de percelen kadastraal bekend als Udenhout, sectie E, nummers 5886 en 5887 en plaatselijk bekend Hooghoutseweg 14. Het plangebied ligt in Biezenmortel, ten zuiden van de Hooghoutseweg. Ten oosten van het perceel bevindt zich de woning aan de Hooghoutseweg 16. Ten zuiden van het perceel ligt een beek, de Kolenvenseloop, aan zuidelijke zijde begrensd door de Nieuweweg, een onverhard pad. Ten westen van het plangebied bevindt zich een agrarisch perceel. Op onderstaande afbeeldingen is de ligging van het plangebied te zien.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402000.png)
Afbeelding: ligging plangebied in Tilburg
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402001.png)
Afbeelding: luchtfoto en kadastralekaart plangebied![i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402002.png)
Afbeelding: luchtfoto plangebied (rode ster) in omgeving
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan vervangt ter plaatse van het adres Hooghoutseweg 14 het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaren' en de partiële herziening 'Buitengebied Haaren, correctieve herziening' en 'Buitengebied, herziening 2020'. Op deze locatie is de enkelbestemming 'agrarisch' opgenomen, met een agrarisch bouwvlak, en zijn ook de functies 'gemengd landelijk gebied', 'intensieve veehouderij', 'boomteeltontwikkelingsgebied', 'behoud en herstel watersystemen', 'NatuurNetwerk Brabant ecologische verbindingszone, 'stalderingsgebied', en 'reconstructiewetzone-verwevingsgebied' van toepassing.
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
Gebiedsbeschrijving
De locatie is gelegen in het buurtschap Hooghout, dat al bestaat sinds het begin van de vorige eeuw. Het buurtschap ligt in de buurt van natuurgebied de Leemkuilen op een overgang tussen landschapstypen. Ten zuiden van de Hooghoutseweg hebben we te maken met late heideontginningen, natte condities en een karakteristieke, rigide verkaveling met bosvlakken. Verder zien we aan deze zijde van het buurtschap (voormalige) hakhoutpercelen, weides, bosjes en (elzen)singels. In deze natte zone is, in het vigerend bestemmingsplan Buitengebied Haaren, een ecologische verbindingszone aangeduid ten zuiden van (en aansluitend op) het plangebied. Deze EVZ verbindt de Leemkuilen met natuur in de omgeving van Helvoirts Broek. De EVZ is in het plangebied echter niet aanwezig. Er zijn ook geen bestaande afspraken over realisatie.
Ten noorden van de Hooghoutseweg is het landschap droger. We zien hier een brokkelige verkavelingsstructuur met verschillende stegen naar het noorden. Aan de westzijde is de omgeving
lommerrijk en charmant. Hier vinden we verschillende fraaie bomenrijen.
Het buurtschap bestaat van oorsprong uit 3 a 4 clusters van bebouwing nabij kruispunten van de Hooghoutseweg met stegen naar het noorden. Het meest westelijke cluster is nu onderdeel van landpark Assisië. De bebouwing in deze clusters oriënteerde zich van oorsprong op de stegen, later is de bebouwing zich meer op de Hooghoutseweg gaan richten. Daarna is er ook bebouwing ten zuiden, en direct aan, de Hooghoutseweg gekomen.
Ontwikkelingsrichting
Op dit moment is het (gemeentegrensoverschrijdend) Koersdocument voor de gebiedsontwikkeling Oostflank in voorbereiding, beoogd wordt dat dit koersdocument in maart 2024 wordt vastgesteld. Een toekomstbestendige en duurzame en natuurinclusieve ontwikkeling van de noordoostelijke flank van Tilburg wordt hierin nagestreefd. De sanering van een voormalig agrarisch bedrijf, dat anders in verval raakt, sluit hier goed bij aan. Ook het kleinschalig en goed ingepast toevoegen van twee woningen en het versterken van het Natuurnetwerk Brabant dat grenst aan aan het plangebied, past bij de beoogde visie in het Koersdocument.
Stedenbouw en ontwikkeling
Het voorliggende initiatief voorziet in de splitsing van een voormalige boerderij en de bouw van een nieuwe woning. Circa 1433m2 voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, en natuur wordt ontwikkeld. Op de onderstaande afbeelding is de huidige en de beoogde inrichting van het perceel te zien. Het perceel Udenhout, sectie E, nummer 5886, maakt geen deel uit van de beoogde landschappelijke inrichting. Dit betreft een heel klein en smal perceel, met daarop een schuilhokje voor een enkele hobbydieren, dat in eigendom en gebruik is van de naastgelegen woning op nummer 16. Bij een toekomstige wijziging van het omgevingsplan kan worden vastgelegd dat dit stukje grond bij dat perceel hoort.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402003.png)
Afbeelding: situatie van links naar rechts: oud - nieuw (zie ook bijlage 1 en2 voor vergroot beeld)
Op het huidig perceel is er voldoende ruimte voor de bouw van een extra, vrijstaande woning. Het nieuwe perceel kan zowel ruim als breed genoeg worden gemaakt. Verder worden er ook oude opstallen gesloopt.
De nieuwe woning wordt aan de weg geplaatst en uitgevoerd met een in het gebied passende maatvoering. Dit is een langgerekt volume bestaande uit één bouwlaag met kap. De maximale goothoogte van dit volume is doelbewust op 4 meter gelegd, zodat de nieuwe woning verwantschap heeft met de bestaande boerderij.
Technische infrastructuur
Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijk
relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones, zoals
bijvoorbeeld kabels, leidingen of hoogspanningsverbindingen).
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.
Hoe werkt de NOVI?
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
Afwentelen wordt voorkomen.
Belangrijkste keuzes in de NOVI
een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;
de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;
de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;
de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;
het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Uitvoering van de NOVI
Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten.
De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
Met dit bestemmingsplan worde2 extra woningen mogelijk gemaakt. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeen dat een bestemmingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt.
2.2 Provincie
2.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning op 1-1-2024) echt klaar te zijn, is er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.
2.2.2 Interim omgevingsverordening
De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bijvoorbeeld bestemmingsplannen en besluiten).
Gemengd landelijk gebied
Specifiek voor het plangebied geldt dat het hele gebied is gelegen in het gemengd landelijk gebied. Het plangebied bevat de volgende aanduidingen:
geen attentiezone waterhuishouding
diep grondwaterlichaam
sanerings- en verplaatsingslocatie RBV
bescherming Natura2000
stalderingsgebied
behoud en herstel van watersystemen
gemengd landelijk gebied
teeltondersteunende kassen
norm wateroverlast buiten stedelijk gebied
De voor de voorliggende ontwikkeling relevante aanduidingen komen hieronder aan bod:
(Gemengd) landelijk gebied
In landelijk gebied staat het provinciaal beleid, weergegeven in de Interim omgevingverordening, alleen bestaande burger- en bedrijfswoningen toe. Artikel 3.69 biedt echter de mogelijkheid:
een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning te gebruiken (als overtollige bebouwing wordt gesloopt en er geen splitsing plaatsvindt);
een beeldbepalende woonboerderij te splitsen (indien een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel en de beeldbepalende boerderij wordt behouden).
Voorliggend plan maakt gebruik van deze mogelijkheden:
De voormalige agrarische bedrijfswoning wijzigt van functie naar een burgerwoning. Overtollige bebouwing wordt gesloopt. Splitsing in twee woningen vindt wel plaats, maar wordt verantwoord via een passende versterking van de omgevingskwaliteit. Dit wordt in de volgende paragraaf (2.2.3) nader toegelicht.
RBV-locatie
Op deze locatie is in het verleden de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (hierna: RBV) toegepast. Dit beleid was ingezet om ondernemers in staat te stellen te stoppen met hun intensieve veehouderij. Met de regeling werden zoveel mogelijk productierechten (mestrechten) uit de markt genomen om een evenwicht op de mestmarkt te bereiken. Naast het uit de markt nemen van mestrechten konden agrariërs in aanmerking komen voor een vergoeding voor de (op)stallen en een subsidie bij sloop van de stallen.
Op Hooghoutseweg 14 is de pluimveehouderij-tak van het bedrijf met gebruikmaking van de RBV-regeling gestopt. Daarna bleef het bedrijf actief in zoogkoeien, jongvee en vleesstieren.
In het voorliggend plan wordt de agrarische functie, alsook de aanduiding 'intensieve veehouderij' in het onderliggend bestemmingsplan, verwijderd. De nieuwe functie wordt Wonen (burgerwoonbestemmingen).
De meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit, (dit betreft de voormalige vergunde situatie d.d. 26 april 2016), betrekking hebbende op de onderstaande dieraantallen, zullen niet meer van toepassing zijn na vaststelling van het voorliggend bestemmingsplan en zal ingetrokken worden.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402004.png)
Behoud en herstel watersystemen
Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Provinciaal milieu- en waterplan. Dit is gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in het verleden in de reconstructie- en gebiedsplannen waren aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. In deze gebieden is het beleid vanuit een regionaal belang gericht op behoud, verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem.
In het voorliggend plan wordt rekening gehouden met deze aanduiding. Het plangebied grenst aan zuidelijke zijde aan de watergang waarop de aanduiding behoud- en herstel van watersystemen is gestoeld. Door de natuurontwikkeling die deel uitmaakt van het voorliggend plan, wordt flora en fauna rondom de beek versterkt. De natuurontwikkeling wordt in onderstaande onderbouwing ten behoeve van het maatwerk omgevingskwaliteit nader uitgewerkt. In de planregels is ook een regeling opgenomen (algemene aanduiding 'overige zone- behoud en herstel van watersystemen) gericht op bescherming en herstel van het natuurlijk watersysteem.
2.2.3 Maatwerk Omgevingskwaliteit
De voorliggende ontwikkeling ziet op het saneren van een voormalig agrarisch bedrijf, bijbehorende sloop, uit de markt nemen van stikstofrechten, het ontwikkelen van natuur in aansluiting op het Natuurnetwerk Brabant, het splitsen van een beeldbepalend pand en het oprichten van een extra woning. Om dit mogelijk te maken wordt gebruik gemaakt van artikel 3.78 IOV Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit. In deze paragraaf wordt onderbouwd hoe dit vorm wordt gegeven.
2.2.3.1 Algemeen
De genoemde maatwerkregeling, 3.78 IOV, omvat de onderstaande voorwaarden. Per voorwaarde wordt toegelicht hoe het voorliggend plan hier vorm aan geeft:
3.78, lid 1
De ontwikkeling heeft volledig tot doel een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert;
Dit plan ziet op het saneren van een rundveehouderij en akkerbouwbedrijf, waarvan de eigenaar beoogt dit te beëindigen. Door saneren en herinrichting van het voormalig bouwvlak wordt verloedering voorkomen en wordt bijgedragen aan de versterking van het Natuurnetwerk Brabant, dat grenst aan het plangebied.
De realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd;
Over het plangebied en de inrichting die nu beoogd wordt, zijn geen andere afspraken gemaakt.
De ontwikkeling draagt door meerwaardecreatie aanzienlijk bij aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woon- en leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden;
In het kader van de voorliggende ontwikkeling vindt sloop plaats en natuurontwikkeling welke het aangrenzende NNB versterkt. Dit wordt in nader onderbouwd in paragraaf 2.2.3.3
Tevens is er sprake van splitsing, en daarmee het behoud, van een beeldbepalend pand. Ook hierover volgt in een aparte paragraaf de benodigde onderbouwing: paragraaf 2.2.3.4.
De ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77;
Het saneren van een agrarisch bedrijf dat in de toekomst niet meer in gebruik zal zijn, behoud van een beeldbepalend pand en natuurontwikkeling sluiten uitstekend aan bij de beoogde ontwikkeling van het gebied rondom Hooghoutseweg 14. Hier wordt gestreefd naar een toekomstbestendig, duurzaam en natuurinclusief buitengebied van Tilburg. In paragraaf 1.4 is dit nader onderbouwd.
Er is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt;
De twee nieuwe woonbestemmingen borgen een toekomstbestendige functie. De middelen die hiermee gegenereerd worden, worden ingezet voor de sloop en natuurontwikkeling binnen het plangebied.
De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen;
De ontwikkeling draagt bij aan een toekomstbestendige situatie op Hooghoutseweg 14, waarbij de functiewijziging naar Wonen en Natuur zeker stellen dat de ruimtelijke effecten van het voormalig agrarisch bedrijf verkleind worden.
Bij de uitwerking van het plan worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit , onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
De beoogde natuurontwikkeling is door een gespecialiseerd bedrijf, Van Doren tuin & landschap in Udenhout, nader uitgewerkt. Via het wettelijk vooroverleg is het plan voorgelegd aan deskundigen van de provincie Noord-Brabant.
3.78, lid 2
De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd.
Als de activiteit de realisatie van een woning betreft:
De woning wordt opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied (in een bebouwingsconcentratie of als logische afronding daarvan)
De locatie Hooghoutseweg 14 is gelegen in een bebouwingslint. Door het saneren van het agrarisch bedrijf wordt de verstening op deze plek in de bebouwingsconcentratie teruggedrongen.
De fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit , is qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel;
Dit is het geval en wordt in paragraaf 2.2.3.2 nader onderbouwd.
In overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte is onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort;
De onwikkeling van een ruimte voor ruimte kavel (waarbij kwaliteitsverbetering ter plekke niet meer nodig is, door de aankoop van een (volledige) bouwtitel, is op deze locatie onwenselijk. Juist de kwaliteitswinst ter plekke maakt het toevoegen van een woning aanvaardbaar. Zonder de middelen die dit voor deze plek genereert is de sloop en natuurontwikkeling niet haalbaar. Ter aanvulling op de maatregelen die in paragraaf 2.2.3.2 in beeld worden gebracht is wel een deeltitel ter waarde van €20.000 aangekocht. Deze is toegevoegd in bijlage 3 van deze plantoelichting.
Als de ontwikkeling mede tot doel heeft een milieubelastende activiteit te saneren:
Alle aanwezige rechten en toestemmingen, waaronder de verleende vergunningen, moeten zijn ingetrokken;
De vergunning van 26 april 2016 wordt ingetrokken na vaststelling van voorliggend plan. Het houden van dieren zal ook worden verhinderd door de woonbestemmingen.
2.2.3.2 Situatie oud-nieuw en berekening
In het kader van de regeling voor Maatwerk omgevingskwaliteit is een berekening gemaakt, toegesneden op de voorliggende ontwikkeling.
Hieronder zijn de afbeeldingen te zien van de bestaande en beoogde situatie (zie ook paragraaf 1.4 van deze plantoelichting, vergrote afbeeldingen zijn tevens te vinden in bijlage 1en 2 van deze plantoelichting):
Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet er onder meer sprake zijn van voldoende kwaliteitsverbetering in de omgeving. De financiele vertaling daarvan is in onderstaande tabel in beeld gebracht.
In bijlage 4 is een totaaloverzicht van de kwaliteitsverbetering maatwerk omgevingskwaliteit te vinden, met daarin:
- een weergave van de ingevulde provinciale rekenmodule kwaliteitsverbetering maatwerk omgevingskwaliteit;
- het onderstaand aanvullend overzicht van de berekening kwaliteitsverbetering;
- de optelsom van de kosten voor de te nemen maatregelen die invulling geven aan de berekeningen.
Overzicht berekening investering en maatregelen:
Bovenstaande tabel toont aan met welke maatregelen de omgevingskwaliteit ten gevolge van de beoogde ontwikkeling wordt versterkt. Het betreft sloop, inleveren van stikstofrechten, opvullen van kelders onder voormalige stallen met zand, aanleg en onderhoud van nieuwe natuur. Dit laatste wordt in onderstaande tabel en in de volgende paragraaf nader toegelicht.
Berekening invulling maatregelen:
2.2.3.3 Nadere toelichting natuurontwikkeling
In deze paragraaf wordt toegelicht hoe de natuur, die in voorgaande paragrafen in beeld gebracht is, aansluit op het aangrenzend Natuurnetwerk Brabant.
Analyse projectgebied in relatie tot directe omgeving
Op de natuur-beheertypenkaart van de provincie is te zien dat de twee bestaande bosgebieden in de directe omgeving, (bruin gekleurd in onderstaande afbeelding) zijn aangeduid als ‘N16.04 Vochtig bos met productie’ en de geel gekleurde gebieden zijn aangeduid als ‘N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland’. De prioritaire soorten langs EVZ de Koolevense waterloop zijn boomkikker en kleine ijsvogelvlinder.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402008.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402008.jpg)
Toelichting op prioritaire soorten
Kleine ijsvogelvlinder
De kleine ijsvogelvlinder is een kwetsbare standvlinder die vooral hoog in de bomen leeft. De habitat bestaat uit gevarieerde, vochtige gemengde (loof)bossen. De vlinder vliegt onder andere in de halfschaduw op open plekken en langs bosranden.
Boomkikker
De boomkikker is een kleine grasgroene kikker met zuignapjes aan het einde van vingers en tenen, waardoor hij goed kan klimmen. Buiten de voortplantingstijd leven boomkikkers op het land en ook tijdens de voortplantingstijd zitten ze overdag vaak in de oevervegetatie of aangrenzend struweel. Ze overwinteren op het land. De boomkikker heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’ en stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. Als landhabitat zijn vooral zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties, vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang.
Toelichting inrichtingsplan
In het ontwerp is gekozen om evenwijdig aan de EVZ (Koolevense waterloop) een zone van 25 meter breed in te richten voor de natuur. De zone bestaat hoofdzakelijk uit kruiden- en faunarijk gras met daarin gelegen een 500 m2 grootte amfibieënpoel, voorzien van natuurvriendelijke flauwe oevers. Voor onder andere de boomkikker is de noordoever bewust minder steil gemaakt en aan de zuidzijde van de poel bewust geen hoge beplanting gepland, zodat de oevers goed door de zon beschenen kunnen worden. Aan de noord-oostzijde van het plangebied wordt een bestaande 5,00 mtr brede struweelbeplanting verbreed tot 25,00 mtr., zodat hier een robuust landschapsele¬ment ontstaat. Aan beide zijden wordt tegen de perceelsgrens, evenwijdig aan de bestaande watergangen, deels aanwezige houtwallen en struweelbeplanting gehandhaafd en daarnaast versterkt door deze structuren uit te breiden. Aan de oostzijde is tussen de 10,00 mtr brede struweel¬haag en het bestaande pad kruiden- en faunarijk gras voorzien, waardoor een natuurlijke zone ontstaat van totaal ruim 37,00 mtr. breedte. De overgang tussen de twee elementen zal geleidelijk zijn en bestaan uit een mantel-zoom vegetatie. Aan de westzijde van het plangebied zal een be-staande houtwal worden verlengd tot aan de EVZ, zodat een verbinding ontstaat tussen de hout¬wal en het bosgebied.
Onderbouwing maatregelen
Het plan voorziet in variatie aan openheid en beschutting, diversiteit in soorten en biedt een goede habitat voor de doelsoorten zoals omschreven in de ambitie van de provincie. Doel van het NNB en de ecologische verbindingszones is het creëren van een fijnmazig natuurnetwerk en het ver¬binden van landschappen. Structuren en landschapselementen welke haaks op de EVZ gelegen zijn, zoals in dit plan de houtwallen, struweelhagen en kruiden- en faunarijk gras, kunnen zeker bijdragen aan het aantakken van losse landschapselementen en bosgebieden in het gebied, in dit geval ten noord-westen van het plangebied. Deze verbindende elementen zorgen namelijk voor een koppeling tussen de verschillende aanwezige losse landschapselementen in de omgeving en versterken daarmee het NNB. Niet alleen voor de EVZ-doelsoorten, maar ook voor bijvoorbeeld vleermuizen. Daardoor zijn deze groenelementen net zo belangrijk dan de elementen die evenwij¬dig aan de EVZ worden toegevoegd.
Daarbij speelt tevens mee dat aan de zuidzijde de elementen evenwijdig aan een B-watergang gepositioneerd zijn, waardoor een grotere diversiteit aan flora en fauna kan ontstaan. Aan de noordzijde grenst het stuk nieuwe natuur aan een C-watergang, welke gevoed wordt middels schoon hemelwater dat wordt afgekoppeld vanaf de daken van de gebouwen.
Voor de boomkikker is, naast het te realiseren voortplantingswater, een landhabitat nodig in de vorm van onder andere braamstruweel. Voor de boomkikker is het prima als deze buiten de 25-me¬terstrook van de EVZ komt te liggen. Het is namelijk niet wenselijk als de 25-meterstrook langs de EVZ helemaal vol wordt gezet met braam, omdat variatie/diversiteit gewenst is. Ook landschappelijk is het niet wenselijk dat daar een harde grens komt tussen de EVZ en het overige landschap.
Andere soorten die profiteren van het ‘aantakken’ van de EVZ op het omliggende cultuurland¬schap, zijn bijvoorbeeld marterachtigen (wezel, bunzing, steenmarter, das) en vleermuizen.
Geconcludeerd kan worden dat de voorgestelde natuur- en landschapselementen zoals in het plan zijn opgenomen, waaronder de houtwallen/stuweelhagen en kruiden- en faunarijk gras, direct en indirect wel degelijk een positieve bijdrage leveren aan het versterken van zowel de EVZ als van het Natuur Netwerk Brabant. Daarnaast passen deze landschapselementen bij de ambities van de natuur-beheertypenkaart ‘Vochtig bos met productie’ en ‘Kruiden- en faunarijk grasland’ én is de inrichting van meerwaarde voor het versterken van het leefgebied van de gewenste doelsoorten langs ‘EVZ de Koolevense waterloop’, in dit geval de kleine ijsvogelvlinder en de boomkikker.
2.2.3.4 Nadere toelichting beeldbepalend pand
In paragraaf 2.2.3.1 wordt benoemd dat de voormalige agrarische bedrijfswoning, de voormalige boerderij, wordt gesplitst. In dat kader wordt gebruik gemaakt van de regeling voor het splitsen van een beeldbepalendpand. In paragraaf 2.2.3.2 is hiervoor een bijdrage van €62.500,- verrekend. Dat het hier gaat om een beeldbepalende boerderij, blijkt uit de 'Redengevende omschrijving met waardestelling hooghoutseweg 14 te Biezenmortel', opgesteld door het Monumentenhuis Brabant, in 2020 (zie bijlage 5). Hierin wordt de boerderij uit 1951 in beeld gebracht. Er wordt onder meer geconcludeerd dat de boerderij van belang is vanwege de gaafheid en de herkenbaarhed van de hoofdvorm en indeling van de gevels. Het metselwerk en de dakbedekking kennen hoge gaafheid. In relatie tot de cultuurhistorische en architectuurhistorische waarden is er sprake van enige zeldzaamheidswaarde op lokaal niveau.
Via een voorwaardelijke verplichting in de planregels van voorliggend plan, wordt geborgd dat de hoofdvorm en gevelindeling van de boerderij in stand blijft.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
2.3.2 Beleidsregels particuliere woningbouwinitiatieven en functiewijziging in het landelijk gebied
Op 7 november 2023 zijn de beleidsregels 'particuliere woningbouwinitiatieven en functiewijziging in het landelijk gebied' vastgesteld. Hierin wordt toegelicht aan welke initiatieven in het buitengebied medewerking kan worden verleend en welke voorwaarden daarbij gelden. Aan deze uitgangspunten wordt niet volledig voldaan. Het resterend bouwvlak voor de 3 woningen is iets te ruim en bij een van de woningen blijft een gebouw voor statische opslag aanwezig van 930m2, waar in de regeling 600m2 wordt benoemd.
Voor het voorliggend plan wordt gebruik gemaakt van de maatwerkregeling. Het initiatief, dat al geruime tijd in voorbereiding is, omvat een zeer wenselijke ontwikkeling. Een bestaande veehouderij (in werking) wordt gesaneerd, er wordt circa 1400m2 voormalige bedrijfsbebouwing gesaneerd en nieuwe natuur aangelegd.
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.2.1 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.3.1 Historische geografie
Omstreeks de vierde eeuw van onze jaartelling is in onze streken sprake van een klimaatsverandering. Het landklimaat verandert in een zeeklimaat. Het water krijgt de overhand in de natuur. Al het onbedijkte land beneden de zeespiegel komt onder water staan. Het laaggelegen westelijk Brabant wordt drassig land. Er vormen zich vele kleine riviertjes zoals Aa, Dieze, Reusel, Lei, Nemer, Donge, Leibeek en - over Biezenmortels grond- de Zandleij. Er zijn keer op keer grote overstromingen. Meer landinwaarts, boen de zeespiegel, wordt het Brabants landschap vooral bepaald door uitgestrekte bossen, ontstaan in de periode van het landklimaat. Midden-Brabant ligt op de grens van beide landschappen. Zo'n grens is natuurlijk geen strakke lijn, maar een brede strook. Dan weer droog, dan weer onder water. Het is moerassig land met afwisselende begroeiing. Soms diepe moerputten. Soms onbegaanbare moerasgebieden (de Brand). Soms berkenbossen (Berkel). Soms wat hoger en droger gelegen gronden (Hooghout, Haaren). Zo kan ook Biezenmortel worden gekarakteriseerd. Vooral drassig land, moerasachtig; vandaar de naam "mortel", afgeleid van 'moer' en 'moeras'. In de directe omgeving kunnen zich nog bossen ontwikkelen, waarop het woorddeel 'hout' van Udenhout en Hooghout duidt. Maar Biezenmortel ligt iets lager, is natter, staat vaker onder water, en leent zich slechts voor begroeiing met het dunne hoogopgroeiende riet- of biesgewas. Zo betekent Biezenmortel: met riet (of biezen) begroeide drassige grond.
In de veertiende eeuw zijn Udenhout en Biezenmortel nog altijd niet meer dan een moeilijk toegankelijk moerassig gebied, met een enkele doorgaande weg, ten noordwesten van Oisterwijk. Langzaamaan wordt het gebied wat droger door het oprukken van de Loonse en Drunense duinen. Het gebied behoort in de nieuwe bestuurlijke indeling tot het kwartier van Oisterwijk. Vanaf de veertiende eeuw wordt het gebied gestructureerd vanuit enkele hoeven ontgonnen met lange stroken gescheiden door paden en stroken.
De Hooghoutseweg verwijst naar de hoger gelegen buurt 'het Hooghout' dat zo al werd aangeduid voordat het latere landgoed 'het Hooghout' is ontstaan. Brabants Hoek is wel een verwijzing naar een landgoed, en wel dat van de familie Brabants. De weg grenst aan de voormalige gemeint van Haaren en is genoemd naar het gehucht Hooghout en enkele bijeen liggende boerderijen.
3.3.2 Archeologie
Het plangebied ligt in een gebied met een lage archeologische waarde. Daarvoor gelden op basis van het huidige bestemmingsplan geen verdere archeologische bepalingen.
Op basis van de huidige archeologische informatie rondom het plangebied, is er geen reden om hiervan af te wijken. Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden sporen of resten worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologie. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt bij de Minister. In de praktijk kan deze melding het beste gedaan worden bij de archeologen van gemeente Tilburg (het bevoegde gezag).
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten. Op circa 900 meter ten westen van het plangebied bevindt zich het grotendeels van rijkswege beschermde complex van Huize Assisië dat omstreeks 1903 werd aangelegd en waarbinnen zich diverse beschermde monumenten bevinden.
Hooghoutseweg 7 (vanaf 1850) en 17-19 (18e-eeuw) zijn langgevelboerderijen die zijn aangewezen als beschermde gemeentelijke monumenten.
Hooghoutseweg 13 en 15 zijn langgevelboerderijen die zijn opgenomen in het provinciale Monumenten Inventarisatie Project (MIP).
In 2020 is door het Monumentenhuis Brabant b.v. een cultuurhistorisch onderzoek van de te herbestemmen boerderij uitgevoerd. De boerderij is een uit 1951 daterende langgevelboerderij naar ontwerp van architectenbureau M.J. van de Nieuwelaar uit Haaren. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de boerderij enige cultuurhistorische en architectuurhistorische waarden heeft en van belang is vanwege de gaafheid en herkenbaarheid van de hoofdvorm. Inpandig zijn vrijwel geen monumentwaarden aanwezig. Via voorliggend bestemmingsplan wordt de betreffende woonboerderij gesplitst in twee wooneenheden. Daarbij wordt via een voorwaardelijke verplichting in de planregels geborgd dat de beeldbepalende kwaliteiten van het pand duurzaam in stand worden gehouden.
Historische structuren.
Op 550 meter ten noorden van het plangebied is de spoorlijn Tilburg-’s-Hertogenbosch gelegen. De exploitatie van de lijn begon in 1881. Op 650 meter ten zuiden van het plangebied loopt de huidige N65 die in de jaren vanaf 1825 werd aangelegd als deel van een oost-westweg van Tholen naar Grave (later Nijmegen).
Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.
3.3.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. De herbestemming van de boerderij uit 1951 draagt bij aan het behoud van cultureel erfgoed.
Voorwaarde voor herbestemming met behoud van de cultuurhistorische en architectuurhistorische waarde is dat de nog oorspronkelijke detaillering van metselwerk, gevelopeningen en dakvorm en -bedekking (zoals aangeduid in het onderzoek van het Monumentenhuis Brabant b.v.) in het nieuwe plan gehandhaafd blijft en dat voor het plan door de gemeentelijke omgevingscommissie (tevens monumentencommissie) een positief advies is afgegeven.
Voor wat betreft de archeologie is er vanwege de lage archeologische verwachting geen vervolgonderzoek noodzakelijk.
Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden sporen of resten worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologie. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt bij de Minister. In de praktijk kan deze melding het beste gedaan worden bij de archeologen van gemeente Tilburg (het bevoegde gezag).
3.4 Volkshuisvesting
Woonvisie, Woonagenda, Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek en update stedelijke ontwikkelings- strategie 2021
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie.
Woonadvies specifiek voor plangebied
De voorgenomen ontwikkeling / bouw van een woning aan de Hooghoutseweg 14 Biezenmortel verlangt vanwege het beperkte aantal geen toetsing of onderbouwing volgens de Ladder voor Duurzame stedelijke ontwikkeling.
Alhoewel toetsing niet nodig is, kan wel worden gesteld dat het plan past in de gemeentelijke woningbouwopgave en voldoet aan de beleidsdoelen-Wonen in de WoonVisie en de Woonagenda 2020-2025, met name wat betreft het leveren van een bijdrage in de opgave grondgebonden wonen in een dorps woonmilieu.
Voor het verder verloop van de planontwikkeling wordt aanbevolen de woningen levensloopbestendig te ontwerpen en te laten voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen.
3.5 Groen en speelruimte
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2021
Bomenbeleid:
beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2021
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
3.5.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomenverordening 2021
De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.
Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco-,hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
De GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Wet natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan is de BWZ-kaart verwerkt in de Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.
De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.
3.5.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn.
3.5.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteitneemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter tebeschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).
3.5.4 Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg
We krijgen in Nederland en dus ook in Tilburg te maken met steeds extremer weer. Het gaat vaker en harder regenen, er komen meer en langere hittegolven en de bodem droogt steeds verder uit. De veranderingen gaan gepaard met overlast en schade voor mens en natuur en zet de leefbaarheid van de stad onder druk.
Doel van de uitvoeringsagenda (vastgesteld door het college op 30 juni 2020) is bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten. De gemeente heeft daarnaast een zelfstandige opgave op het gebied van klimaatadaptatie bij eigen projecten, bij het meegeven van randvoorwaarden bij stedelijke ontwikkeling en een rol in het verankeren van klimaatadaptatie in andere beleidsvelden en organisaties. Er zijn zes doelstellingen geformuleerd om klimaatbestendiger te worden:
Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied;
Robuuste groen- blauwe structuren;
Een koele woonomgeving;
Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld;
Klimaatbestendige bedrijventerreinen;
Klimaatbewustwording en Koel gedrag.
Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp:
Zorg voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen;
Zorg voor ‘koelte-eilanden’ en koele looproutes;
Zorg dat regenwater infiltreert op de plek waar het valt, dan droogt de bodem niet uit;
Zorg voor waterbergingsruimte om extreme buien op te vangen;
Gebruik groen als basis en verharding waar nodig.
3.6 Verkeer en parkeren
3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
Met betrekking tot het voorliggend initiatief wordt het parkeren op eigen terrein opgevangen. Er is voldoende ruimte voor het realiseren van voldoende parkeerplaatsen bij de woningen.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.2 Milieueffectrapportage
4.2.1 Algemeen
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet
worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.
ad. a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig.
Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879). Gelet hierop wordt de bouw van 1 woning niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de toevoeging van 1 woning, maar het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing is te beperkt om aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op 700 meter afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.
4.3 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren. Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude.
De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels.
In het kader van Bedrijven en Milieuzonering is een aanvullend onderzoek (BMZ) opgesteld ten behoeve van deze ontwikkeling. De resultaten en conclusies van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage ‘Veehouderijen en milieuzonering (geur) i.r.t. ontwikkeling Hooghoutseweg 14, Biezenmortel’, LS Plan & Advies, referentie 1817-7, d.d. juli 2023 (zie bijlage 6).
Uit het onderzoek BMZ volgt dat de ontwikkeling niet zorgt voor beperkingen in de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. De drie woningen in de beoogde situatie in het plangebied voldoen aan alle richtafstanden voor de aspecten geluid, stof en gevaar en aan de wettelijke normafstanden voor het aspect geur. Er wordt een ruimschoots voldoende afstand gerespecteerd (≥ 50 meter) ten opzichte van de rand van het bouwvlak van het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf. Bovendien zijn bestaande dichterbij gelegen woningen reeds maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
Daarnaast volgt uit het onderzoek dat er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De richtafstanden uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, dan wel de voorgeschreven afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer worden ruimschoots behaald. Hierdoor is er in beginsel reeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen in het plan.
Daarnaast is er sprake van een aanvaardbare achtergrondbelasting van geur. Deze is in het plangebied momenteel aan te merken deels als ‘Goed’ (achtergrondbelasting 3 - 7 OUE/m3) en deels als ‘Zeer goed’ (achtergrondbelasting 0 - 3 OUE/m3). Zodra de activiteiten van de veehouderij op de planlocatie zelf zijn beëindigd zal deze in het gehele plangebied zelfs ‘Zeer goed’ worden.
Daarmee is er op de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, bezien vanuit het aspect veehouderijen en milieuzonering.
Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.
Dit houdt in dat wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;
kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;
met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;
nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;
de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
De planlocatie is gelegen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Het planvoornemen betreft de omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar reguliere burgerwoning (en splitsing binnen het bestaand pand) en het toevoegen van een nieuwe woning. Onderdeel van het plan is de bedrijfsbeëindiging van de veehouderij (rundvee- en pluimvee) op de planlocatie. Hiermee valt deze ontwikkeling in voldoende mate binnen de criteria van het tweede beslispunt uit het geitenmoratorium. De voorliggende ontwikkeling wordt niet mogelijk gemaakt via de ruimte-voor-ruimte regeling, maar via de regeling voor maatwerk omgevingskwaliteit, die nog niet bestond toen het geitenmoratrium werd vastgesteld. De benodigde omgevingskwaliteit wordt daardoor niet geborgd via de aankoop van een titel, maar via de bedrijfsbeeindiging, via sloop en natuurontwikkeling. Dit impliceert dat de verbetering van de omgevingskwaliteit die voor deze ontwikkeling nodig is, ter plekke wordt gerealiseerd. Dat is volledig in lijn met het uitgangspunt 2, dat ook gebaseerd is op winst van ruimtelijke kwaliteit in Tilburg.
4.4 Externe veiligheid
4.4.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.4.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In de bij dit plan gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico (zie bijlage 7)zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de transportassen rijksweg A65 en de spoorlijn Tilburg - Vught. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.
Bestrijdbaarheid
De bestrijdbaarheid moet op twee aspecten worden beoordeeld:
- is het rampscenario te bestrijden;
- is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren.
Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de relevante transportroutes is enkel het toxisch scenario relevant en nader beschouwd.
Toxisch scenario
Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagen lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.
Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is.
Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen.
Opkomsttijd brandweer
De opkomsttijd van de brandweer bedraagt 12 minuten vanaf de brandweerkazerne Udenhout. Dit is gelijk aan de zorgnorm voor nieuwe situaties (12 minuten). Daarnaast zij in de directe omgeving 3 brandkranen aanwezig.
Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen functies bedoeld voor groepen niet-zelfredzame personen opgenomen.
Vluchtmogelijkheden
Het plangebied wordt via de bestaande wegenstructuur (Hooghoutseweg in noordoostelijke en zuidwestelijke richting) goed ontsloten, waardoor het gebied goed te ontvluchten is.
Ventilatie
Bij blootstelling aan een toxisch gas is ‘schuilen’ vaak de beste wijze van zelfredzaamheid. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Conform het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.31 – regelbaarheid) moet de mechanische ventilatie (bij nieuwbouw) uitgeschakeld kunnen worden. Met name als zich een calamiteit met een gifwolk voor doet.
Alarmering
Van belang is dat bewoners in geval van een incident tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het plangebied ligt niet binnen het dekkingsgebied van een WAS-installatie. In de plaats van een WAS-installatie biedt mobiele alarmering via NL-Alert de mogelijkheid om de aanwezigen in het gebied tijdig te waarschuwen.
Risicocommunicatie
Door actief te communiceren over risico’s zal de zelfredzaamheid worden vergroot. Op dit moment vindt communicatie plaats via de Atlas van de Leefomgeving, en via apps die informatie verschaffen over het plaatsvinden van een incident en het handelingsperspectief zoals Alert4All. Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats. De aanwezige personen worden niet gezien als verminderd zelfredzaam.
4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid is het gebied rondom Biezenmortel nog niet opgenomen. Gezien het karakter van het gebied waarin het plangebied is gelegen, wordt aangesloten bij de gebieden rondom Udenhout en Berkel-Enschot (zoals wel zijn opgenomen in de beleidsvisie). Het gebied waarin het plangebied ligt wordt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:
- kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;
- geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
- bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
- bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;
- beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.
4.4.4 Conclusie en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van meerdere transportroutes gevaarlijke stoffen. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen.
Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van de rijksweg A65 en de spoorlijn Tilburg - Vught is de verantwoordingsplicht ingevuld. Voor de verantwoording is het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt (zie bijlage 8). De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief;
de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied;
de bereikbaarheid van het plangebied is goed;
goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Atlas van de Leefomgeving, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
het plangebied ligt niet in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), wel biedt NL-Alert de mogelijkheid de aanwezigen in het gebied tijdig te waarschuwen;
de aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk;
de brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
4.6.1 Wegverkeerlawaai
De nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen") respectievelijk hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer:
• Hooghoutseweg;
Ingevolge de Wgh geldt voor nieuwe woningen een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Voor de oprichting van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Herontwikkeling Hooghoutseweg 14 te Biezenmortel’, Gbs Milieuadvies, rapportnr. R2023.018, v1, d.d. 19 mei 2023) (zie bijlage 9)en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh plaatsgevonden.
Geconcludeerd wordt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege wegverkeerslawaai wordt overschreden. De maximaal te ontheffen waarde wordt niet overschreden. De maximaal berekende geluidbelasting op een van de woningen uit het plan bedraagt 50 dB. Daarmee zijn conform het Hogere Waardenbeleid van de gemeente Tilburg geen aanvullende randvoorwaarden vereist. Wel dient een Hogere Waardenbesluit genomen te worden. Het ontwerpbesluit voor hogere grenswaarden is toegevoegd als bijlage bij de planregels. Dit ontwerpbesluit ligt gelijktijdig met dit bestemmingsplan ter visie.
4.6.2 Railverkeerlawaai
Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Het betreft 3 woningen. Deze geluidgevoelige bestemmingen zijn niet gelegen binnen de zones van de spoortrajecten Tilburg-Breda, Tilburg-Eindhoven of Tilburg-'s-Hertogenbosch. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing.
4.6.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.6.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.6.5 Stiltegebied/Attentiezone
Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied.
4.6.6 Trillingen
Het plangebied ligt buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder redelijkerwijs gezien niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.
4.7 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in het behoud van 1 woning en het toevoegen van 2 woningen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur
4.8.1 Industriële geurhinder
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie. Het planvoornemen zelf maakt geen functies mogelijk met een relevante industriële geuremissie. Daarmee vormt industriële geur geen belemmering voor dit plan.
4.8.2 Agrarische geurhinder
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. De planlocatie is gelegen in de voormalige gemeente Haaren. De gemeente Haaren kende wel een eigen geurverordening. Het planvoornemen is getoetst aan de geurverordening van de voormalige gemeente Haaren.
De conclusies uit het uitgevoerde geuronderzoek zijn reeds toegelicht in paragraaf 4.3 Milieuhinder Bedrijven.
Het planvoornemen zorgt niet voor beperkingen in de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. De drie woningen in de beoogde situatie in het plangebied voldoen aan alle richtafstanden voor de wettelijke normafstanden voor het aspect geur. Bovendien zijn bestaande dichterbij gelegen woningen reeds maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
Daarnaast volgt uit het onderzoek dat er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Er is op de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, bezien vanuit het aspect geur. Zodra de activiteiten van de veehouderij op de planlocatie zelf zijn beëindigd zal deze in het gehele plangebied zelfs ‘Zeer goed’ worden.
Agrarische geur vormt daarmee geen beperking voor dit plan.
4.9 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar.
Voor de beoogde bestemmingswijziging is door de aanvrager een bodemonderzoek aangeleverd:
Verkennend bodemonderzoek Hooghoutseweg 14 Biezenmortel, Bodem-inzicht, kenmerk B 3258, 26 juli 2023 (zie bijlage 10). In het bodemonderzoek zijn verdachte deellocaties zoals brandstoftanks, spoelplaatsen en opslag bestrijdingsmiddelen onderzocht, tevens het overige terrein. De akkers op het westelijk deel zijn echter niet onderzocht.
De resultaten van de grond- en grondwatermonsters alsmede het asbestonderzoek, tonen geen overschrijdingen van de toegestane waarden aan. Asbest is niet aangetoond in het asbestverdachte materiaal.
Conclusie
De maximaal licht verhoogde gehalten vormen geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanherziening. Strikt genomen moeten bij een toekomstig gevoeliger gebruik alle betreffende locaties worden onderzocht. Voor het westelijk deel (toekomstige EVZ) is dat niet gebeurd. Gezien het huidige gebruik (akker) en de resultaten van het overige terrein, wordt dat in dit geval niet als problematisch beschouwd.
4.10 Natuur en ecologie
4.10.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.10.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen
Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.
4.10.3 Gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten
Met de Tilburgse gebiedsontheffing gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels worden de procedures in het kader van de Wet natuurbescherming en de Wabo vereenvoudigd. Om de gebiedsontheffing te kunnen toepassen zijn soortenmanagementplannen (SMP) opgesteld en worden de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in kaart gebracht. De gebiedsontheffing en bijbehorende SMP’s zijn erop gericht de instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Alle projecten (van de gemeente en van derden) die onder de werking van de SMP vallen, kunnen profiteren van de gebiedsontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is.
4.10.4 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ongeveer 700 meter afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Leemkuilen, onderdeel van het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied, als gevolg van externe effecten zoals licht, geluid, e.d., op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Ook effecten door stikstofdepositie kunnen op basis van de uitgevoerde AERIUS-berekening uitgesloten worden (zie bijlage 11). Voor de ruimtelijke procedure is voldoende onderbouwd dat zowel de aanleg als het gebruik van de 3 woningen niet tot een depositie van 0,01 mol N/ha/jaar of meer leidt. Daarmee is aannemelijk dat significante effecten als gevolg van stikstof op Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten en is de haalbaarheid van het plan voldoende onderbouwd.
Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening
Het plangebied grenst aan het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Aan de zuidzijde van het perceel, op ongeveer 100 meter afstand van het plangebied, ligt een ecologische verbindingszone welke onderdeel is van het Natuurnetwerk Brabant. De sloop van enkele van de bestaande gebouwen, de splitsing van de bestaande langgevelboerderij en het realiseren van één extra woning hebben geen negatief effect op het Natuurnetwerk Brabant. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn redelijkerwijs uit te sluiten.
Aan de zuidzijde van het perceel vindt een landschappelijke inrichting plaats ter versterking van de ecologische verbindingszone.
Soortenbescherming
Op 24 mei en 7 juli 2023 heeft is een onderzoek naar flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage 12). Uit de quickscan komt duidelijk naar voren dat erin de bebouwing geen holtes aanwezig zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen of nesten voor (jaarrond beschermde) vogels. Ook zijn er geen sporen of verblijfplaatsen van marterachtigen waargenomen. Het voorkomen van beschermde soorten kan hierdoor worden uitgesloten.
Wel kunnen er in de aanwezige beplanting algemene broedvogels aanwezig zijn. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Een deel van deze beplanting zal worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken of door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.
Conclusie
Voor zowel vanuit de gebieden als de soortenbescherming zijn er geen belemmeringen om het plan uit te voeren. Voorwaarde hierbij is dat er voldoende rekening gehouden wordt met broedvogels, door buiten het broedseizoen te werken of de aanwezige beplanting vooraf te snoeien.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023
Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing.
Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken.
<50 m2: geen regenwateropgave
50 m2 - 150 m2:
indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave
indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1
>150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1
Tabel: Regenwateropgave
De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.
5.2 Bestaand watersysteem
De belangrijkste kenmerken van het gebied en perceel zijn weergegeven in tabel 1. Het te ontwikkelen plangebied is gesitueerd op het kadastrale perceel 5887 en is in de bestaande situatie in gebruik en deels verhard.
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel |
|
Bruto oppervlakte planlocatie |
11.600 m² |
|
Terreinhoogte |
Globaal tussen NAP+8,17m en NAP+8,50m |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
Ca. NAP+7,7m |
|
Ontwateringdiepte |
Globaal Tussen 0,47m en 0,70m |
|
Bodem |
Zandige leemlenzen dikker dan 1 meter |
|
Riolering |
Vuilwater op drukriolering |
|
Afkoppelgebied |
Niet van toepassing |
|
Oppervlaktewater |
Aan de zuidzijde van het perceel ligt een A-watergang (ZL20_HO22, Kolenvenseloop), zie afbeelding 1 |
|
Keur beschermde gebieden |
Invloedgebied Natura 2000, zie afbeelding 2 |
Tabel: Gebiedskenmerken
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402010.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402010.jpg)
Afbeelding: Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van oppervlaktewater
![i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402011.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2022017-e001_402011.jpg)
Afbeelding: Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur
In de Hooghoutseweg is drukriolering aanwezig. In de bestaande situatie wordt het regenwater van verharde oppervlakte verwerkt in het terrein of afgevoerd naar oppervlaktewater. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem.
5.3 Beleidskader
Het Provinciale “Regionale Water en Bodem Programma” (RWP) 2022 – 2027 heeft als doel een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Rode draad is het herstel van de systeemwerking. Het water en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.
Waterschap De Dommel heeft zijn actuele waterbeleid opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). In dit programma staat een watertransitie centraal die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. De transitie heeft drie leidende principes: 1) elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2) functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; 3) wat schoon is moet schoon blijven.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
5.4 Duurzaam watersysteem
De ontwikkeling betreft de beëindiging van de intensieve veehouderij, de sloop van ca. 1500m2 aan voormalig agrarische bedrijfsbebouwing en verwijderen van ca. 2.300 m2 aan kuilplaten, buitenopslag etc. De bestaande langgevelboerderij wordt gesplitst in twee woningen waarbij aan het westelijke deel een nieuw bijgebouw van ca. 200 m2 wordt opgericht.
Tevens gaat er een ontwikkeling plaatsvinden van een vrijstaande kavel ten westen van de bestaande langgevelboerderij.
Voor de nieuwe situatie van Hooghoutseweg 14 wordt uitgegaan van aangenomen verhardingspercentage zoals opgenomen in onderstaande tabel.
|
Oppervlakken |
Oppervlak (m²) |
Afvoerend (%) |
Afvoerend (m2) |
|
Bebouwing (nieuw of gewijzigd) |
1.803 |
100 |
1.803 |
|
Erf |
8.660 |
10 |
866 |
|
Totaal |
10.463 |
|
2.669 |
Tabel: Afvoerende oppervlakken in de plansituatie
Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
voldoende ontwateringdiepte;
de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden;
aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
Grondwater
De bestaande maaiveldhoogte lijkt op sommige terreindelen niet te voldoen aan de minimale ontwatering voor bebouwing. Voor lagere terreindelen zal maaiveldophoging benodigd zijn.
Regenwater
Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren).
Mogelijkheden hiervoor zijn:
Minder terrein verharden.
Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen;
Groene daken;
Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.;
Waterdoorlatende verharding;
Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.
In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe/gewijzigde situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg.
Op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie (2.669 m²) is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op totaal ca. 160 m³. De opgave dient bij verdere uitwerking mogelijk te worden bijgesteld op basis van de werkelijke afvoerende verharde oppervlakken. De verharde oppervlakte kan verder worden gereduceerd door de toepassing van groene daken en doorgroeibare verhardingen en door tuinverhardingen in de tuin zelf te verwerken.
Als invulling van de waterberging wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als groene-/waterbergende daken, wadi, greppel of verlaagde groenzone als kansrijk gezien. De voorziening(en) worden voorzien van een overloop op het oppervlaktewater in overleg met waterschap de Dommel.
Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.
Huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater kan in overleg met gemeente Tilburg worden afgevoerd via de bestaande drukriolering in de Hooghoutseweg. Wel dient in overleg met de gemeente te worden getoetst of de aanwezige persleiding voldoende capaciteit heeft voor de toename van afvalwater.
5.5 Watertoets
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
6.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Bouw- en gebruiksregels
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Wijzigingsbevoegdheid
Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.
6.3 Systematiek bestemmingen
In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen
In dit artikel is omschreven wat in het voorliggend plan onder een aantal van de in de regels gebruikte
begrippen wordt verstaan.
Wijze van meten
In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van het voorliggend plan moet worden
gemeten.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Agrarisch
Een agrarische bestemming houdt in dat een woning of object -met agrarische bestemming- alleen voor agrarische doeleinden gebruikt mag worden.
Natuur
Ter plaatse van de delen van het plangebied die bedoeld zijn voor de kwaliteitsverbetering landchap in de vorm van nieuwe en/of versterkte natuur is deze bestemming opgenomen.
Water
Ter plaatse van delen van het plangebied die bedoeld zijn voor onder andere waterberging is deze bestemming opgenomen.
Wonen-Buitengebied
De regeling voor Wonen-Buitengebied is gelegen op de plekken waar de woningen en de bijbehorende erven zijn gesitueerd. Binnen deze bestemmingen kunnen de hoofdgebouwen binnen de bouwvlakken worden opgericht.
Waarde-Archeologie
Ter instandhouding en bescherming van in de grond verwachte archeologische waarde is de
dubbelbestemming waarde archeologie toegevoegd aan de planregels.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van bijvoorbeeld bouwen of
afwijkingsmogelijkheden. Deze regels gelden aanvullend op de regels in de artikelsgewijze bestemmingen in
hoofdstuk 2.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Deze op grond van de Wet ruimtelijke ordening verplichte bepalingen geven vorm en inhoud aan het
overgangsrecht voor bestaande bouwwerken en bestaand gebruik.
Slotregel
Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Bgb Haaren, 7e herz. (Hooghoutseweg 14) op 16 december 2022 gepubliceerd in het digitaal Gemeenteblad van gemeente Tilburg.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het concept‐ontwerpbestemmingsplan is in het kader van vooroverleg, onder vermelding van een
reactietermijn van zes weken, verzonden aan de provincie Noord‐Brabant. Conform werkafspraken tussen de gemeente Tilburg en waterschap De Dommel, toetst het waterschap dit voorliggend plan in de ontwerpfase.
In het kader van dit vooroverleg heeft de provincie Noord-Brabant op 8 november gereageerd op het plan. Samengevat wordt gesteld dat het plan voorstelbaar is, maar nog niet in overeenstemming is met de Interim Omgevingsverordening. Dit betreft de volgende punten:
Er is nog niet duidelijk op welke wijze de splitsing van de boerderij wordt onderbouwd (ruimte voor ruimte, regeling voor behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle panden, of de regeling voor het splitsen van een beeldbepalend pand);
In de plantoelichting wordt wel de toepassing van de regeling 'maatwerk omgevingskwaliteit' benoemd, maar de toelichting hierop is erg summier;
In dit kader wordt specifiek aandacht gevraagd voor de aansluiting bij de ontwikkelingsrichting van het gebied en de wijze waarop de natuur in het plangebied aansluit op het Natuurnetwerk Brabant;
Voor wat betreft de bijdrage van natuurontwikkeling aan het voor omgevingskwaliteit te leveren maatwerk, mag alleen die natuur verrekend worden die aansluit op de instandhoudingsdoelstellingen van de natuurdoeltypen van de aansluitend gelegen natuur;
Voor de berekening van het maatwerk is niet gebruik gemaakt van de rekenmodule van de provincie, dit heeft wel de voorkeur;
In relatie hiermee wordt opgemerkt dat met verkeerde uitgangspunten voor het verrekenen van zand en stikstof gerekend is.
8.3 Omgevingsdialoog
De initiatiefnemer heeft in mei 2023 ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatiebrief uitgereikt aan 15 adressen in de omgeving. In de informatiebrief was het bouwplan opgenomen met een reactieformulier om gelegenheid te bieden tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Er zijn geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt of vragen gesteld. Een verslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 13.
8.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 27 december 2023 tot en met 6 februari 2024 ter visie gelegen. De provincie Noord-Brabant heeft een zienswijze op het plan gegeven, waterschap De Dommel heeft ambtelijk gereageerd. In de Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen (zie bijlage 14) zijn de ontvangen opmerkingen samengevat en van een reactie voorzien. Ook is hierin beschreven welke aanpassingen ambtshalve zijn verwerkt.