direct naar inhoud van Regels

Reeshof Oost 2010, 2e herziening (Bergeijkstraat)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2021028-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

 

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van een nieuw gezondheidscentrum inclusief 55 appartementen op de locatie aan Bergeijkstraat 20 te Tilburg. Het betreft het perceel sectie AF, 496.

 

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met dit bestemmingsplan kan de verplaatsing van het Gezondheidscentrum Reeshof, dat nu aan de Dubbeldamstraat is gesitueerd, worden verwezenlijkt. Het bestaande gezondheidscentrum is te klein en verouderd. Op de locatie wordt een nieuw toekomstbestendig zorgcentrum gerealiseerd. De bouw van 55 appartementen is een waardevolle toevoeging aan de wijk Gesworden Hoek. De appartementen zijn door hun ligging en woningtype aantrekkelijk voor de oudere doelgroep. Tegelijkertijd zal op de vrijgekomen locatie aan de Dubbeldamstraat een gastenhuis worden gerealiseerd. Dit betreft een kleinschalige zorgformule voor mensen met dementie. Voor de locatie Dubbeldamstraat zal een aparte procedure worden gevolgd.

1.2 Het plangebied

 

Het projectgebied bestaat uit een braakliggend terrein aan de Bergeijkstraat 20 in Tilburg. Het terrein is begroeid met bloemen en aan de rand staan bomen. Om het projectgebied bevinden zich woonhuizen, een school en winkels. In de woonwijken liggen enkele sloten. Aan de zuidkant van het projectgebied ligt een fietspad met aan weerszijde bomen. Aan de oostkant bevind zich een sloot met daarachter een speeltuin. Het Huibevenpark en het Wandelbos-Zuid bevinden zich ten zuidwesten en zuidoosten, respectievelijk. Ten noorden van projectgebied loopt het Wilhelminakanaal. In Figuur 1 is de globale ligging van het projectgebied weergegeven. [image]

 

 

Figuur 1. Globale ligging van het projectgebied.

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van bestemmingsplan Reeshof Oost 2010. Dit plan is vastgesteld op 10-01-2013. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Gemengd'. In het verleden was op deze locatie een basisschool aanwezig.

1.4 Ruimtelijke en functionele structuur

 

Het stadsdeel Reeshof kent naast het hoofd(winkel)centrum Heyhoef  een aantal kleinere centrumgebieden. Eén van die centrumgebieden betreft het Centrumgebied Reeshof Oost, waartoe het plangebied Bergeijkstraat 20 behoort. Het Centrumgebied Reeshof Oost bestaat uit een aantal zones. Aan de noordzijde ligt het winkelcentrum Buurmalsenplein. Ten zuiden daarvan vinden we de basisschool De Fonkel en de gymzaal. Ten zuiden daar weer van ligt het plangebied Bergeijkstraat 20, momenteel een onbebouwd braakliggend terrein, nadat hier jaren geleden een schoolgebouw is gesloopt.

 

Het Centrumgebied Reeshof Oost wordt aan de zuidzijde begrensd door de Langendijk, een oude landweg met mooie grote oude bomen, die bij de aanleg van Reeshof tot hoofdfietsroute is omgevormd. Aan de andere zijde van de Langendijk, aan de Dubbeldamstraat, is momenteel het Gezondheidscentrum Reeshof  gesitueerd. Dit bestemmingsplan voorziet er in dat dit Gezondheidscentrum verplaatst kan worden naar nieuwbouw in het plangebied Bergeijkstraat 20. [image]

 

 

Met de “overstap” van het Gezondheidscentrum naar de locatie Bergeijkstraat 20 wordt daarnaast zowel een functionele als ruimtelijke versterking van het Centrumgebied Reeshof Oost beoogd.

 

In functioneel opzicht ontstaat er op deze wijze een sterke concentratie van belangrijke voorzieningen in het Centrumgebied Reeshof Oost. Een belangrijk punt hierbij is dat er door de onmiddellijke nabijheid sprake is van een grotere wisselwerking tussen het Gezondheidscentrum en de basisschool. Het achterliggende idee is dat men zo beter kan inspelen op de sociale problematiek die met name aanwezig is in Gesworen Hoek. Daarnaast is de bouw van de ruim 55 appartementen een waardevolle toevoeging die bijdraagt aan de versterking van de functionele structuur van het Centrumgebied Reeshof Oost. De appartementen zijn door hun woningtype en door hun ligging direct bij voorzieningen bijzonder aantrekkelijk voor de oudere doelgroep, waarvoor in Reeshof weinig specifieke mogelijkheden aanwezig zijn. Ook zorgt het toevoegen van appartementen voor meer beleving en een verhoogde sociale controle en veiligheid in het Centrumgebied Reeshof Oost. En niet in de laatste plaats leveren deze appartementen ook een goede bijdrage aan onze gemeentelijk woningbouwopgave.

 

 [image]

Ruimtelijk gezien zorgt de bouw van het Gezondheidscentrum en de appartementen voor het opheffen van een braakliggend terrein en daarmee sowieso voor een ruimtelijke versterking van het Centrumgebied Reeshof Oost. Zie bovenstaand model fase 1. Hierbij wordt aan de noordzijde een parkeerterrein geprojecteerd, dat tevens kan dienen als ontmoetingsplek voor de bezoekers van het Gezondheidscentrum en de basisschool. [image]

 

 

Dit plan is zo ontworpen dat in de toekomst, bij een eventuele transformatie van de andere plandelen van het Centrumgebied Reeshof Oost, een verdere ruimtelijke kwaliteitsverbetering mogelijk is. De toekomst van de basisschool en de gymzaal hangt samen met de besluiten die naar alle waarschijnlijkheid op niet al te lange termijn genomen worden ten aanzien van de algehele onderwijshuisvesting. Als nieuwbouw een optie is voor het verouderde schoolgebouw en de verouderde gymzaal, dan kan in fase 2 bij een herschikking in de ruimte in aansluiting op het parkeerterrein van fase 1 een groter plein gerealiseerd worden met parkeren en een groen plantsoen. Zie bovenstaand model fase 2. Van belang daarbij is ook dat er een goede verbindingsroute gerealiseerd wordt die aansluit op (de toegangen tot) het winkelcentrum.

 

Het winkelcentrum staat momenteel door zijn vrij gesloten bebouwingsstructuur “met de rug” naar de zuidelijkere delen van het Centrumgebied Reeshof Oost. Wellicht liggen er in de toekomst kansen om dit structureel te verbeteren bij een eventuele transformatie van het winkelcentrum (fase 3), zodat het Buurmalsenplein ruimtelijk optimaal aansluit op de zuidelijkere delen van het Centrumgebied Reeshof Oost en er één samenhangend centrumgebied kan ontstaan.

 

De locatie Dubbeldamstraat, waar het Gezondheidscentrum nu nog is gevestigd, zal na het vertrek van het Gezondheidscentrum worden herontwikkeld . Het plan is om hier een woonzorghuis te bouwen, in de vorm van nieuwbouw die qua bebouwing aansluit op Huibeven.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Rijk

 

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking

getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch

wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is

op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de

inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van

de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op

doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels

opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en

deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan

bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

 

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een

bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

 

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing

zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe

ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet

een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een

of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde

projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.

Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van

de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro

vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de

bij het Barro behorende kaarten.

 

De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van

strijdigheid met nationale belangen.

2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.

 

De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose In de periode 2020-2030 moet Tilburg volgens de actuele prognoses van de provincie (september 2020) met 14.000 woningen groeien. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De netto bouwopgave tot 2030 bedraagt daarmee meer dan 1.400 woningen per jaar aangezien we ook onttrekkingen moeten compenseren. In de stedelijke ontwikkelstrategie waar momenteel aan gewerkt wordt zullen we de concrete opgave nader duiden.

 

De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Vanwege de gewenste kwalitatieve samenstelling daarvan, zoals de behoefte aan verschillende woonmilieus, komt het zeer beperkt voor dat daarbij ook locaties buiten het bestaand stedelijk gebied verkend worden. Gelet op de toegenomen groeibehoefte verkennen we in de genoemde stedelijke ontwikkelstrategie of de behoefte aan ontwikkelingen buiten stedelijk gebied nodig is.

 

Het plan tot de bouw van 55 woningen aan de Bergeijkstraat past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context en is opgenomen in de planlijst (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Over de samenhang van dit plan met de kwalitatieve woningbouwopgave verderop meer.

2.2 Provincie

 

2.2.1 Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

 

De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.

 

2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een

actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke

onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar

2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet

rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke

ordening biedt.

2.2.3 Interim omgevingsverordening

De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.

 

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.

 

Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.

 

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).

 

Het plan is gelegen in bestaand stedelijk gebied. De interim omgevingverordening is geen belemmering voor het bestemmingsplan.

2.3 Gemeente

 

2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiatiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

3.2.1 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.

Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

3.3.1 Historische geografie

Het plangebied maakte van oudsher deel uit van een groot, vrijwel onontgonnen gebied met moerasgronden, vennen en heide. Het gebied liep vanaf het zuidoosten geleidelijk af naar het zeer brede, ondiepe beekdal van de Donge en de landscheiding in het westen van het plangebied. Het overige reliëf in het gebied was gerelateerd aan de vennen en plassen, zoals de Hoge Witsie en de Witbrand. Vanwege de drassige omstandigheden was het gebied moeilijk toegankelijk en slechts te doorkruisen via enkele paden over de natuurlijke hoogten, zoals de Langendijk en de Korte Dijk (de huidige Reeshofdijk). Vanaf de Middeleeuwen is men op kleine schaal begonnen het gebied te ontwateren door het middel van sloten. Ontginningen bestonden uitsluitend uit het creëren van wei- en hooilanden. Pas met de aanleg van het landgoed De Reijshof aan het eind van de achttiende eeuw werd het gebied meer gestructureerd ontwaterd. In de dorpsrekening van 1577 is er sprake van een Tilborchsche Broeck teynde den Langhen Dyck. Op de kaart van D. Zijnen uit 1760 is deze Langen Dyk naar de Rivier De Donge aan gegeven. De loop van de Langendijk naar de (Reitse) Hoeven en Hasselt langs de Lage Witsie is in de loop der eeuwen veranderd. Slechts een klein gedeelte volgt nog het oude tracé. De grootschalige ontginningen en de bouw van boerderijen vonden pas in het begin van de twintigste eeuw plaats, nadat het waterpeil was verlaagd. Aan de Langendijk bevinden zich enkele (voormalige) boerderijen die aan het eind van de jaren vijftig van de twintigste eeuw zijn opgebouwd voor boerenbedrijven die ten behoeve van de aanleg van de wijk Het Zand van de Reitse Hoevenstraat werden uitgeplaatst naar het buitengebied. Vanaf het einde van de jaren zeventig is men begonnen met de aanleg van het stadsdeel De Reeshof, waarna het gebied in hoog tempo is volgebouwd. Met de aanleg van deze wijken is het plangebied grotendeels geëgaliseerd.

3.3.2 Archeologie

In tegenstelling tot andere stadsdelen van Tilburg voldoet het plangebied niet of slechts deels aan een aantal historisch-landschappelijke criteria dat kansen biedt aan vroege bewoning of deze althans doet vermoeden. Het gaat hierbij om elementen zoals de nabijheid van water, de afwisseling van het reliëf (met name het voorkomen van hoger gelegen locaties), de bodemgesteldheid en de voormalige aanwezigheid van oude structuren die een aanduiding kunnen zijn van oude bewoningspatronen. De huidige inzichten in het plangebied wijzen erop dat dit geen of slechts een sporadische bewoningsgeschiedenis kent.

 

De archeologische verwachting, zoals aangeduid op de ArWaTi, is op basis van het in 2010 door Fontys-BILAN uitgevoerde cultuurhistorisch en archeologisch onderzoek: H. van Dijk; Van Lang Laar tot Groenven. Tilburg (NB) – Reeshof Oost-Drijflanen. Archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek, Tilburg: Fontys Hogescholen, en nader toegespitst per periode (Nieuwe tijd, Middeleeuwen, Romeinse tijd-late ijzertijd, vroege ijzertijd-bronstijd en steentijd). De verwachting per periode geeft echter een historische situatie weer, waarbij geen rekening is gehouden met moderne en submoderne verstoringen die gepaard zijn gegaan met de snelle urbanisatie van het plangebied in de twintigste eeuw. Voor de aanleg van de uitbreidingswijken is het gebied grotendeels geëgaliseerd.

 

Het plangebied ligt in een gebied met een lage archeologische waarde. Daarvoor gelden op basis van het huidige bestemmingsplan geen verdere archeologische bepalingen en archeologisch vervolgonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Op basis van de huidige archeologische informatie rondom het plangebied, is er geen reden om hiervan af te wijken. Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden sporen of resten worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologie. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt bij de Minister. In de praktijk kan deze melding het beste gedaan worden bij de archeologen van gemeente Tilburg (het bevoegde gezag).

3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.

 

Ruim ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich het sinds 2004 beschermde gemeentelijk monument: Kamerikstraat 5 (Voorheen Reeshofweg 15) dat ook op de MIP-lijst voorkomt. Planrealisatie heeft geen nadelige effecten voor dit monument. De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In het plangebied komen geen panden voor uit die periode.

 

Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig. In of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen groenstructuren voor waaraan cultuurhistorisch belang moet worden gehecht.

3.3.4 Conclusie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. Voor wat betreft de archeologie is er op de planlocatie vanwege de lage archeologische verwachting geen vervolgonderzoek noodzakelijk.

3.4 Volkshuisvesting

 

3.4.1 Woonvisie, woonagenda, kwalitatief woningbehoefteonderzoek en update stedelijke ontwikkelstrategie

Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. In de update stedelijke ontwikkelstrategie (januari 2018) zijn accenten gelegd ten aanzien van de kwalitatieve opgaven die we zien in de gemeente.

3.4.2 Woonadvies specifiek voor plangebied

Ten aanzien van de kwalitatieve opgave waar we als stad voor staan benoemen we hier specifiek een aantal kwaliteiten waar we vanuit bovengenoemde kaders waarde aan hechten.

3.4.3 Passende huisvesting ouderen

In de woonvisie en woonagenda hebben we veel aandacht voor zelfredzaamheid. Door het aanbod aan voor ouderen geschikte woonvormen (levensloopbestendig / nultreden, gezamenlijke ruimte) toe te voegen dragen we bij aan het langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. De ligging van dit complex bij het gezondheidscentrum en het winkelcentrum is daar bovendien heel geschikt voor: zorg en welzijn zijn nabij.

3.4.4 Betaalbare (huur) woningen

In het bijzonder bij grotere gebiedsontwikkelingen wordt aangestuurd op een aandeel goedkope woningen. Bij deze ontwikkeling is afgesproken dat ten minste 10% van de woningen een middeldure huur heeft waarbij de Verordening Middenhuur Tilburg 2019 van toepassing is.

3.4.5 Politiekeurmerk Veilig Wonen

Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid.

 

Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving.

3.5 Groen en speelruimte

 

3.5.1 Bomenbeleid Tilburg

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 

Bomenverordening

De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.

 

Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.

 

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)

In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.

De juridisch-planologische bescherming bestaat voor dit bestemmingsplan uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. Het bouwverbod is niet van toepassing indien voor de betreffende boom een kapvergunning is verleend. Daarnaast kan af worden geweken van het bouwverbod, indien uit een BoomEffectAnalyse blijkt dat de betreffende boom door de bouw of uitvoering van het werk geen onherstelbare schade wordt toegebracht.

 

Voor de ontwikkeling is een bomeninventarisatie uitgevoerd en een BoomEffectanalyse (zie bijlage). Een groot deel van de beoordeelde bomen staat in een bosplantsoen bestaande uit voornamelijk Spaanse eik, Valse acacia en knotwilgen. Van de 57 beoordeelde bomen hebben er 46 een goed of iets verminderde conditie met een toekomstverwachting van meer dan 15 jaar. 11 bomen hebben een sterk verminderde conditiie of zijn reeds afgestorven. De ecologisch waardevolle knotwilgen langs het fietspad hebben een levensverwachting van meer dan 15 jaar en blijven behouden.

 [image]

Figuur: conditie bomen

 

Bij de inpassing van het nieuwbouwplan is rekening gehouden met de meest waardevolle bomen in de omgeving.

Langs de Langendijk zijn zeer waardevolle bomen aanwezig, deze worden behouden en het plan komt op voldoende afstand van deze bomen. Naast deze bomenrij is een kleine rij met knotpopulieren aanwezig, ook deze kunnen behouden blijven in het plan. Ten noorden van de knotpopulieren is een rijtje bomen aanwezig welke bestaan uit zaailingen. Deze zijn minder waardevol en structuurbepalend en zullen gekapt worden voor de bouw.

[image]Aan de zuidoostzijde van het plan zijn ook veel waardevolle bomen aanwezig. Deze zullen ook voor het grootste deel behouden blijven. De architectuur van het gebouw reageert op deze locatie op de bestaande bomen doordat aan deze zijde een laag deel van het gebouw komt waar de boomkronen niet in conflict komen met de toekomstige bebouwing.

 

Figuur: te behouden bomen

 

Aan de Bergeijkstraat worden de bestaande bomen vervangen voor nieuwe bomen en op het nieuwe parkeerterrein worden ook extra bomen toegevoegd waardoor een zo groen mogelijke uitstraling gemaakt wordt.

3.5.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

3.5.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de

mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

 

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

 

Stadsnatuurkaart 2040

Op basis van de stadsnatuurkaart 2040 is de ecologische structuur voor soorten binnen het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg vastgesteld (Agenda Groen). Grenzend aan het perceel, langs de Langendijk, ligt zo’n ecologische structuur. Om de functionaliteit van de stedelijke ecologische structuur te garanderen en de functionaliteit van de bomenstructuur voor vleermuizen te behouden wordt een minimaal 12 meter brede verstoringsvrije groene zone aangehouden aan de zuidkant van het perceel, zoals opgenomen in de verbeelding. Aanvullend dienen de volgende voorwaarden te worden opgenomen:

 

Inrichtingsplan

Voor een goede landschappelijke inpassing van de ontwikkeling is een inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage).[image]

 

Figuur: inrichtingsplan

 

3.6 Verkeer en parkeren

 

3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

 

3.6.4 Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020

Het Tilburgs beleid voor de fiets ia vastgelegd in “Tilburg Fietst!, de Tilburgse Fietsagenda 2020”, welke door het college is vastgesteld op 8 december 2020.

De fietsagenda is één van de vijf uitwerkingen van de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 (MAT2040) en de MobiliteitsAgenda 013. Hierin is de doelstelling opgenomen dat tweederde van de verplaatsingen binnen de stad in 2040 op actieve wijze plaatsvindt (lopen en fietsen). Fietsen is inclusief, draagt bij aan een duurzame stad en is cruciaal in gezondheidspreventie. De fietsagenda verbindt het Tilburgs fietsbeleid met het Regionaal Fietsbeleidsplan 2016-2020 (regio Hart van Brabant), met de Samenwerkingsagenda BrabantStad Fiets 2019-2022 (de vijf Brabantse steden, de provincie NoordBrabant en BUas) en met het landelijke Tour de Force 2e etappe Schaalsprong Fiets (samenwerking tussen het Ministerie van I&W, IPO, VNG/F10, vervoerregio’s en diverse organisaties waaronder de ANWB en de RAI Vereniging).

3.6.5 Verkeer en parkeren in dit bestemmingsplan

 

3.6.5.1 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in Tilburg Reeshof, in de wijk Gesworen Hoek in de hoek van de Bergeijkstraat en de Langendijk.

3.6.5.2 Fietsroutes

Het plangebied wordt ontsloten via de sternetfietsroute Langendijk en de secundaire fietsroute Bergeijkstraat.

3.6.5.3 Wegenstructuur en ontsluiting

Het plangebied is vanaf de noordzijde ontsloten vanaf de Buurmalsenlaan en via de Bemmelstraat.

Alle straten zijn erftoegangswegen met een maximaal toegestane snelheid van 30 km/h.

3.6.5.4 Openbaar vervoer

Het gebied is goed met openbaar vervoer bereikbaar. Op loopafstand ligt op de Buurmalsenlaan een bushalte.

3.6.5.5 Parkeren

De ontwikkeling moet voldoen aan het parkeerbeleid van Tilburg, zoals vastgelegd in de parkeernotitie gemeente Tilburg. In het rapport “Verkeersonderzoek GC Reeshof (007519.20210413.R1.05)” (zie bijlage) is

de parkeerbehoefte in de huidige situatie en de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie onderzocht. De bestaande appartementen aan de Bergeijkstraat, de sporthal, basisschool De Fonkel en het gezondheidscentrum aan de Gennepstraat vragen theoretisch om 57 parkeerplaatsen op het drukste moment, in de avond op een werkdag. Er zijn op dit moment 108 parkeerplaatsen aanwezig in de omgeving, die bestemd zijn voor de genoemde functies. Dat betekent theoretisch dat er 51 parkeerplaatsen onbezet blijven.

 

In de toekomstige situatie verhuist het gezondheidscentrum naar de Bergeijkstraat en zal het verdubbelen qua omvang. Daarnaast worden er 55 appartementen voor ouderen gerealiseerd. Op de locatie van het huidige gezondheidscentrum is er sprake van de mogelijke ontwikkeling van een woonzorghuis met 40 wooneenheden voor dementerende ouderen. Ten behoeve van deze ontwikkelingen worden volgens het inrichtingsplan 51 extra parkeerplaatsen aan de Bergeijkstraat gerealiseerd.

 

Door deze ontwikkelingen zijn er in de toekomstige situatie op het drukste moment (een werkdagavond) 148 parkeerplaatsen nodig. Dit zijn 91 parkeerplaatsen meer dan in de huidige situatie bezet worden. Uitgaande van 51 nieuwe parkeerplaatsen in de Bergeijkstraat, betekent dit dat er nog een totale restopgave bestaat van 40 parkeerplaatsen.

 

 [image]

 

 

 [image]

 

Om aan de parkeereis tegemoet te komen worden op eigen terrein 51 parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt gebruik gemaakt van de bestaande restcapaciteit in openbare ruimte. Om gebruik te mogen maken van de restcapaciteit in de omgeving, dient de parkeerdruk, inclusief de ontwikkeling meegerekend, minder dan 85% bedragen. Aangezien er in de huidige situatie 57 parkeerplaatsen bezet worden, is er nog ruimte om 34 parkeerplaatsen te bezetten binnen de gestelde voorwaarde. Dit betekent nog een uiteindelijke restopgave van 6 parkeerplaatsen. Om aan de resterende parkeereis van 6 parkeerplaatsen tegemoet te komen wordt een oplossing gezocht in het inzetten van deelmobiliteit of in het realiseren van extra parkeerplaatsen in openbaar gebied. Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt een concrete oplossing aangeleverd.

3.6.5.6 Laden en lossen en afvalinzameling

Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld. De containers moeten dusdanig geplaatst zijn dat de vuilniswagen niet hoeft te steken en altijd vooruit kan rijden, zowel bij arriveren als bij het wegrijden.

3.6.5.7 Noodhulpdiensten

Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.

3.6.5.8 Maatregelen omliggende wegenstructuur

De toevoeging van programma levert extra verkeersbewegingen op. De gevolgen van deze toename van verkeer zijn doorgerekend door Goudappel (Verkeersonderzoek GC Reeshof (007519.20210413.R1.04)). De extra verkeersproductie als gevolg van de ontwikkeling bedraagt theoretisch ca. 1.000 mvt/etmaal. Deze toename kan verkeerskundig gezien door de bestaande infrastructuur worden verwerkt.

 

 

 

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

 

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Milieueffectrapportage

 

4.2.1 Algemeen

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet

worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad. a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke

activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt

zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig.

 

ad b.

Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft

derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied

betreft Loonse en Drunense Duinen op 7,7km van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling

 

Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 11). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten

 

Op 2 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het initiatief bouwen van 54 appartementen en een gezondheidscentrum gelegen aan de Bergeijkstraat geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.

4.3 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd (zie bijlage 1). Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren. Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude. De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels.

 

Geluid

In de directe omgeving van het plangebied is een school gesitueerd. Vanwege deze school is een akoestisch onderzoek uitgevoerd vanwege de geluidbelasting (met name stemgeluid van spelende kinderen) op de voorgenomen planontwikkeling. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport ‘Akoestisch onderzoek v1.0 naar de geluidbelasting vanwege het schoolgebouw De Fonkel op het gezondheidscentrum Reeshof, Bergeijkstraat, 5043 BB Tilburg’, opgesteld door Het Geluidburo, kenmerk 5543 BB - XX WO 001 28.07.2021 V1.0, d.d. 22 juli 2021. (BIJLAGE 2).

 

Aanvullend is een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels van het te realisere gezondheidscentrum uitgevoerd. . De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de notitie ‘Geluidwering gevel zorgcentrum De Reeshof te Tilburg’, opgesteld door Het Geluidburo, kenmerk 5043 BB - XX - N001 10-08-2021 V1.0, d.d. 10 augustus 2021.(BIJLAGE 3).

 

De geluidbelasting als gevolg van de school, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang op het plan is onderzocht. Hoewel de belangrijkste bron van geluid stemgeluid betreft, wat conform het activiteitenbesluit uitgesloten is van beoordeling, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch een toetsing uitgevoerd conform de normering uit het normenstelsel van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten.

Uit het onderzoek blijkt dat op de 55 appartementen de normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de piekniveaus niet worden overschreden.

Uit het onderzoek blijkt dat bij het gezondheidscentrum de normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de piekniveaus wel worden overschreden, zowel voor stap 2 als stap 3 uit de VNG beoordelingssystematiek.

 

Geadviseerd wordt daarom om aanvullende gevelisolatiemaatregelen te treffen, waarmee een goed akoestisch binnenklimaat gegarandeerd kan worden in het gezondheidscentrum. In het aanvullend onderzoek gevelisolatie zijn de te treffen maatregelen opgenomen. Daarbij wordt opgemerkt dat de gehanteerde normering 5 dB strenger is dan de wettelijke norm uit het bouwbesluit. Gezien de privacy gevoeligheid en het feit dat een deel van het gezondheidscentrum gebruikt zal worden voor jeugd- en psychische gezondheidszorg wordt deze strengere eis (en daarmee zwaardere isolatiemaatregelen) sterk aanbevolen.

Middels de geadviseerde gevelisolatiemaatregelen is een goed akoestisch klimaat in het gezondheidscentrum geborgd. Daarmee is er geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling op basis van milieuhinder van omliggende bedrijven.

Geitenmoratorium

In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.

 

De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.

Dit houdt in dat:

  1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;

  2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;

  3. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;

  4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;

  5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.

Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.

 

Het plangebied ligt niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Het geitenmoratorium vormt daarmee geen beperking voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.4 Externe veiligheid

 

4.4.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

 

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);

  2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;

  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

 

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

4.4.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In de bij dit plan gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van ID Logistics Benelux B.V., Versteijnen Logistic Services B.V. en de spoorlijn Breda - Tilburg. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage 7.

4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:

 

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

4.4.4 Conclusie en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee risicovolle inrichting en één transportroute gevaarlijke stoffen. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van ID Logistics Benelux B.V., Versteijnen Logistic Services B.V. en de spoorlijn Breda - Tilburg is de verantwoordingsplicht ingevuld. Voor de verantwoording is het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

4.6.1 Wegverkeerlawaai

De appartementen en het gezondheidscentrum zijn niet gelegen binnen de zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wgh voor wat betreft wegverkeerslawaai.

4.6.2 Railverkeerlawaai

Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Het betreft 55 appartementen en en gezondheidscentrum. Binnen het plangebied zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van een van de spoortrajecten Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing.

4.6.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

 

4.6.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.6.5 Stilgebied en Attentiezone

Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied.

4.6.6 Trillingen

Het plangebied ligt buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder redelijkerwijs gezien niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.

4.7 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 55 appartementen en een gezondheidscentrum. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur

 

4.8.1 Industriële geurhinder

Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.

 

Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

 

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.

 

In de directe omgeving van het plan bevinden zich geen bedrijven met een significante industriële geuremissie. Ook de planontwikkeling zelf kent geen significante geuremissie. Daarmee is industriële geur geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.8.2 Agrarische geurhinder

Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

 

In de directe omgeving van het plan bevinden zich geen bedrijven met een significante agrarische geuremissie. Daarmee is agrarische geur geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.9 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

4.9.1 Aanleiding

De aanleiding is de geplande bouw van een gezondheidscentrum en 56 appartementen. Op dit moment is het perceel in gebruik als openbaar groen. Het toekomstige gebruik zal dus gevoelig worden ten opzichte van het huidige gebruik.

 

O.a. de ligging van de locatie is weergegeven in ingevoegd locatiekaartje. [image]

 

4.9.2 Bodemonderzoek

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar.

 

In het bodeminformatiesysteem zijn voor de locatie 2 bodemonderzoeken bekend; BK bodem, kenmerk 144238, d.d. 23-2-2015 en Antea, kenmerk 0437840.198, d.d. 25-5-2020. In het bodemonderzoek van BK uit 2015 is een beperkte verontreinigingsspot met koper op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie geconstateerd. De omvang is beperkt, een saneringsplan is niet nodig. Voor het overige zijn in dit onderzoek maximaal licht verhoogde gehaltes aangetroffen. In het bodemonderzoek van Antea zijn voor alle parameters in grond- en grondwater maximaal licht verhoogde gehaltes gemeten.

4.9.3 Conclusie

Op basis van de beschikbare bodemrapporten worden er geen belemmeringen geconstateerd voor de beoogde bestemmingswijziging. Beide onderzoeken kunnen eventueel ook voor de aanvraag om een omgevingsvergunning worden gebruikt, mits de maximale geldigheidsduur van 5 jaar in acht wordt genomen.

4.10 Natuur en ecologie

 

4.10.1 Wettelijke kaders

 

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

 

Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzij benadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

 

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

4.10.2 Analyse plangebied

 

Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Loonse en Drunense Duinen op 7,7 kilometer afstand. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

 

Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 242 meter afstand van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.

Soortenbescherming
Op 14 juli 2021 heeft er een quick scan flora en fauna plaatsgevonden (bijilage 4).In de quick scan komt naar voren dat door de afwezigheid van bebouwing dat beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen of huismus en gierzwaluw uitgesloten kunnen worden. Verblijfplaatsen van vleermuizen of andere beschermde soorten worden niet verwacht.

 

In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.

 

De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.

 

Gemeentelijk beleid
Op basis van de stadsnatuurkaart 2040 is de ecologische structuur voor soorten binnen het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg vastgesteld (Agenda Groen). Grenzend aan het perceel, langs de Langendijk, ligt zo’n ecologische structuur. Om de functionaliteit van de stedelijke ecologische structuur te garanderen en de functionaliteit van de bomenstructuur voor vleermuizen te behouden wordt een minimaal 12 meter brede verstoringsvrije groene zone aangehouden aan de zuidkant van het perceel, zoals opgenomen in de verbeelding. Aanvullend dienen de volgende voorwaarden te worden opgenomen:

4.10.3 Conclusie

Ten aanzien van beschermde gebieden zijn er geen belemmeringen om het plan uit te voeren. Voor wat betreft de flora en fauna dient er een groenstrook van minimaal 12 meter aangehouden te worden, vrij van bebouwing, gemeten vanaf het fietspad. Daarnaast worden er een aantal voorwaarden opgenomen om de functionaliteit van de ecologische structuur te kunnen behouden en garanderen.

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

 

5.1 Bestaand watersysteem

De belangrijkste kenmerken van het gebied en het perceel zijn weergegeven in tabel 1. Het te ontwikkelen perceel is in de bestaande situatie niet meer in gebruik en onverhard, hoewel het in het verleden wel verhard is geweest.

 

Kenmerk

In plangebied

Stroomgebied

Donge

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg

Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel

Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta

Bruto oppervlakte

Totaal: 4.016 m2

Terreinhoogte

Tussen NAP+8,5 m en NAP+9,0 m

Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)

ca. NAP+7,6 m

Ontwateringdiepte

1,1 à 1,4 m

Bodem

Zwak lemig, matig fijn zand

Riolering

Gescheiden riolering

Afkoppelgebied

Niet van toepassing

Oppervlaktewater

In de Reeshof bevinden zich watergangen bijhorend bij de gescheiden riolering. Langs de oostelijke perceelsgrens loopt een A watergang van dit watersysteem, zie afbeelding 1

Keur beschermde gebieden

Niet van toepassing, zie afbeelding 2

Tabel 1; Gebiedskenmerken

 

[image] 

Afbeelding 1; Locatie plangebied ten opzichte van oppervlaktewater. Met een rode cirkel is het perceel aangegeven

 [image]

 

Afbeelding 2; Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur.

 

Aan de westzijde van het perceel is gescheiden riolering aanwezig. Hoewel er in het verleden afvoerende verharde oppervlakte aanwezig is geweest, is in de bestaande situatie geen sprake van afvoerende verharde oppervlakte. Het regenwater infiltreert op het perceel in de bodem tot het grondwater.

 

5.2 Toekomstige situatie

De ontwikkeling betreft het oprichten van een gezondheidscentrum en 55 appartementen op het perceel. Voor de nieuwe situatie uitgegaan van de volgende gegevens:

Oppervlakken*

Oppervlakte (m²)

Verhardingspercentage (%)

Verhard (m2)

Bouwvlak

2.020

100

2.020

Gemengd

48

100

48

Verkeer/Verblijf

1.711

70

1.198

Groen

237

0

0

Totaal (m²)

4.016

 

3.266

Tabel 2; Afvoerende oppervlakken in de plansituatie

* Bron: verbeelding en ontwerpvoorstel nieuwe situatie

5.3 Beleidskader

Het waterschap De Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan 'Grenzeloos Verbindend' 2016 - 2021 vastgesteld op 14 oktober 2015. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico’s beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Het plan is gericht op het bereiken van de volgende doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.4 Duurzaam watersysteem

De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:

 

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. Ten opzichte van bestaand maaiveldniveau is de ontwateringsdiepte voldoende en zijn geen maatregelen benodigd.

Bij verdiepte bouwdelen is er sprake van onvoldoende ontwateringsdiepte waardoor maatregelen moeten worden genomen om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Ondergrondse bouwdelen worden waterdicht uitgevoerd. Ook verlaagde maaivelden buiten de bouwdelen worden waterdicht uitgevoerd tot minimaal 15 á 20 cm boven bestaand maaiveldniveau waarmee ook oppervlakkige inloop van regenwater naar het verlaagde maaiveld wordt voorkomen.

 

Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.

De gemeente adviseert de terreinhoogten aansluitend op de bestaande openbare ruimte en aangrenzende percelen en de vloerhoogten minimaal 15 à 20 cm hoger te kiezen in verband met mogelijke effecten van extreme neerslag.

5.5 Regenwater

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren).

Mogelijkheden hiervoor zijn:

Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.

 

In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg.

  

Op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie (3.266 m²) geldt voor het totale plangebied een bergingsopgave van ca. 196 m³. De opgave wordt bijgesteld op basis van de werkelijk afwaterende verharde oppervlakte van het plan.

De verharde oppervlakte kan worden gereduceerd door de toepassing van bijvoorbeeld groene daken, doorgroeibare verhardingen en door het water van terreinverhardingen in de omliggende groenstroken te verwerken.

Als invulling van de waterbergingsopgave wordt naast de toepassing van blauwe daken de ondergrondse waterberging onder het parkeerterrein als kansrijk gezien. De waterbergingsvoorziening wordt voorzien van een overloop op het oppervlaktewatersysteem. De locatie en vormgeving van deze overstort dient te worden vastgesteld in overleg met gemeente Tilburg en waterschap Brabantse Delta.

 

Regenwater dat valt op verlaagde maaivelden wordt met behulp van een pomp opgevoerd om verder af te kunnen stromen.

 

Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.

5.6 Huishoudelijk afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater van het nieuwe plan kan worden afgevoerd via de bestaande vuilwaterriolering aan de westzijde van het perceel.

5.7 Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. Deze bouwplannen worden daarom beschouwd als maatwerk. Conform deze aanpak kan het watertoetsproces verkort doorgelopen worden. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Opzet planregels

 

6.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Bestemmingen en aanduidingen

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:

 

Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn onder andere woningen (zowel gestapeld als grondgebonden) en maatschappelijke instellingen (waar het zorgcentrum onder valt) mogelijk.

 

Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:

 

Ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen-uitgesloten' mogen geen woningen worden gerealiseerd. In dit gedeelte van het plangebied wordt het zorgcentrum gebouwd.

 

Daarnaast ligt op een gedeelte van het plangebied, binnen de bestemming Groen, de dubbelbestemming waarde-ecologie. Op de stadsnatuurkaart 2040 is dit gebied aangeduid als ecologisch structuur. Om de functionaliteit van de stedelijke ecologische structuur te garanderen en de functionaliteit van de bomenstructuur voor vleermuizen te behouden wordt een minimaal 12 meter brede verstoringsvrije groene zone aangehouden aan de zuidkant van het perceel.

6.3 Bouw- en gebruiksregels

 

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Bij de gebruiksregels in dit bestemmingsplan is opgenomen dat minimaal 10% van de woningen in middeldure huur dient te zijn bestemd.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

 

 

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Dit bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een te realiseren ontwikkeling op gemeentelijke grond. Voor de beoogde ontwikkeling heeft de gemeenteraad een grondexploitatie vastgesteld. De gemeente verkoopt de grond aan ontwikkelaar . Zij gaan een nieuw gezondheidscentrum en 55 (zorg)appartementen realiseren. De gemeente maakt het openbare gebied woonrijp. Uit de opbrengst van de grondverkoop zijn de kosten (woonrijp maken en PAK) van de gemeente gedekt.

 

Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer.

 

Gezien het bovenstaande wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht en is het kostenverhaal verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is zodoende niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg

 

8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Reeshof Oost 2010, 2e herziening (Bergeijkstraat) op 11 december 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Omgevingsdialoog

In juni 2020 heeft ontwikkelaar de omgevingsdialoog opgestart. Er is een klankbordgroep opgericht. De buurt wordt op gezette tijden geinformeerd middels nieuwsbrieven (C-punt) en een website www.c-punt.nl. Met de klankbordgroep zijn vier online bijeenkomsten geweest. Tijdens de bijeenkomsten zijn de gezamenlijke standpunten van de buurtbewoners afgestemd, de resultaten van het verkeesonderzoek gedeeld en het aangepaste ontwerp besproken. De sfeer in de klankbordgroep was positief en constructief.

 

Daarnaast zijn er 2 bewonersavonden georganiseerd, 1 online en op 18 oktober 2021. De vragen die zijn gesteld tijdens de bewonersavonden zijn genoteerd en beantwoord. De meeste vragen gingen over de verkeers- en parkeersituatie in de buurt. Hiertoe is een verkeersonderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn gedeeld.

 

Het volledige verslag van de omgevingsdialoog is te vinden in de bijlage 10 bij dit bestemmingsplan.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft van maandag 2 augustus 2021 tot en met maandag 13 september 2021 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Er zijn twee schriftelijke zienswijzen ingekomen. De zienswijzen zijn binnen de termijn ingekomen en daarmee ontvankelijk. De zienswijzen zijn ongegrond en leiden niet tot aanpassingen in het bestemmingsplan. Verwezen wordt naar de “Notitie behandeling zienswijzen bestemmingsplan ‘Reeshof Oost 2010, 2e herziening (Bergeijkstraat)” (bijlage 12).

 

Ambtelijk zijn ambtelijk enkele wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd. Het gebouw is 2 meter naar het westen uitgebreid waardoor het mogelijk wordt een inpandige container- of fietsenberging te realiseren.