direct naar inhoud van Regels

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 7e herziening (van Ginnekenweg 12)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2020043-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

 

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Dit bestemmingsplan is opgesteld voor behoud van het pand gelegen aan Van Ginnekenweg 12 te Udenhout, hierna 'Heerkenshuis' genoemd. Op deze locatie was tot 2017 een steenfabriek aanwezig. Deze steenfabriek is een belangrijke economische factor geweest in de naoorlogse ontwikkeling van Udenhout. Het natuurgebied 'De Leemputten' is ontstaan vanwege de kleiwinning voor de steenfabricage in deze fabriek. In 1993 is ter plaatse de steenfabricage gestopt. Het leegstaande complex is in 2007 gekocht door de stichting Brabants Landschap. Brabants Landschap is bezig met het omvormen van het complex tot een natuurterrein. De locatie van de voormalige steenfabriek vormt een belangrijke schakel voor een natuurverbinding tussen het Nationaal Park Loonse en Drunense Duinen en Nationaal Landschap Het Groene Woud. Brabants Landschap heeft hierbij gekozen voor een natuurontwikkeling waarbij de historische functie van het gebied zichtbaar blijft. De steenfabriek is inmiddels gesloopt. De buitencontouren, de aanwezige betonvloer en een stuk smalspoor zijn daarbij behouden, zodat de contouren afleesbaar blijven in het landschap.

 
Het gebouw is bij vaststelling van het bestemmingsplan 'Buitengebied De Groene Zoom 2012' (peildatum in werkingtreding eind maart 2013) echter wegbestemd wegens onbekendheid van de hoge cultuurhistorische waarden. Het gebouw heeft thans dan ook de enkelbestemming 'Natuur' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Attentiegebied NNB'. Op basis van het overgangsrecht mag het bestaand legaal gebruik worden voortgezet, mits dit niet langer wordt onderbroken dan 1 jaar en mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. De showroom annex kantoorruimte van de steenfabriek zijn sinds de peildatum eind maart 2012 in gebruik als kantoorruimte. Sinds eind maart 2013 is sprake van onafgebroken voortgezet gebruik dan niet naar zijn aard en omvang is vergroot. Dit gebruik is conform het overgangsrecht toegestaan. In dit bestemmingsplan wordt het toegestane gebruik verankerd in een bestemmingsplan. Ook hierbij is er geen sprake van wijziging van het gebruik in aard en omvang.

 
De herbestemming van Heerkenshuis leidt tot het behoud en voortgezet gebruik van deze bebouwing, die cultuurhistorisch waardevol is. Het gebouw kent zelfstandig maar zeker ook als onderdeel van het steenfabriekcomplex aantoonbaar cultuurhistorische waarden.

 
Binnen het plangebied is ook een uitkijkpunt gelegen binnen het NNB (Natuur Netwerk Brabant). Dit uitkijkpunt wordt middels een aanduiding bestemd. Dit is mogelijk op grond van artikel 3.18 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

 
Voor de beoogde bestemming van Heerkenshuis is herziening van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Hiervoor is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Het plangebied

Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern Udenhout op het terrein voor de voormalige steen-fabriek van Udenhout. Navolgende figuur geeft een topografische kaart van de omgeving weer waarop de ligging van voormalig fabrieksterrein, met daarbinnen Heerkenshuis aangeduid.

 [image]

Figuur 1: Topografische kaart met de ligging van het voormalig fabrieksterrein (in blauw) en het her te bestemmen pand (in rood)

 

Navolgende figuur betreft een luchtfoto met de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving.

[image]Figuur 2: Luchtfoto met de ligging van het voormalig fabrieksterrein (in blauw) en het her te bestemmen pand (in rood)

 

Heerkenshuis wordt bestemd conform bestaand gebruik, zijnde als kantoren en gezamenlijke ruimte met daarbij aansluitend een terrein voor parkeren en een uitzichtpunt. Het plangebied is gelegen binnen het kadastrale perceel gemeente Udenhout, sectie E, nummer 3665. Het kadastrale perceel heeft een omvang van 126.360 m². Het plangebied heeft hierbinnen een omvang van 957 m². Dit betreft het bestaande pand met een omvang van 590 m², het parkeerterrein met een omvang van 265 m² en een uitkijkpunt met een oppervlakte van maximaal 50 m² met bijbehorend platform van maximaal 30 m². Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kadastrale kaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

 [image]

Figuur 3 : Beeld van kadastrale situatie binnen het plangebied

 

1.3 Voorgaand plan

Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied De Groene Zoom 2012'. Dit bestemmingsplan is 4 februari 2013 vastgesteld en vanaf eind maart 2013 onherroepelijk. Het plangebied is hierin bestemd als 'Natuur', met de dubbelbestemming 'Waterstaat – Attentiegebied NNB'. Daarnaast is het plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding: 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied'. Navolgende figuur geeft een beeld van het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied.

 

[image]Figuur 4: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied De Groene zoom 2012' met daarop met een rode marker aangegeven het uitzichtpunt en het kantoorpand met aansluitend het parkeerterrein Heerkenshuis

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Huidige situatie

 

2.1.1 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen binnen het gebied 'De Leemputten'. De Leemputten, een gebied met een omvang van 86 hectare ligt in Biezenmortel, direct ten zuidoosten van Udenhout, tussen de afslag van de N65 en spoorlijn Tilburg-Nijmegen. Het terrein beslaat twee gemeenten: de gemeente Tilburg en de gemeente Haaren. Het voormalig fabrieksterrein ligt in de gemeente Tilburg. Het terrein is in bezit van het Brabants Landschap. De leemputten zijn hier destijds gegraven vanwege de dikke pakketten goede kwaliteit leem die hier voorkwamen. Het gebied vormt samen met de verderop gelegen Loonse en Drunense Duinen een Natura-2000 gebied en maakt deel uit van het Natuur Netwerk Nederland.

 

Het plangebied is gelegen aan Van Ginnekenweg 12 te Udenhout. Navolgende figuur geeft een luchtfoto met de ligging van het cultuurhistorisch waardevolle pand Heerkenshuis, het parkeerterrein en het uitzichtpunt. Op de luchtfoto is duidelijk de contour van de gesloopte steenfabriek terug te zien, waarin het uitzichtpunt gelegen is. Het gebouw aan de zuidkant van de voormalige fabriek betreft het pand dat in gebruik is als kantoorruimte. Dit gebouw is met een blauwe marker aangegeven.

 

 [image]

Figuur 5: Luchtfoto met het 'weg'bestemde pand Heerkenshuis, het parkeerterrein en de contouren van de voormalige steenfabriek met uitzichtpunt. Het te bestemmen pand is met een blauwe marker aangeduid

2.1.2 Huidige plannen en invulling voormalig fabrieksterrein

Brabants Landschap is eigenaar van het plangebied gelegen aan Van Ginnekenweg 12 te Udenhout. Het Brabants Landschap is bezig met het omvormen van het complex tot een natuurterrein. Het terrein van de voormalige steenfabriek vormt een belangrijke schakel voor een natuurverbinding tussen het Nationaal Park Loonse en Drunense Duinen en Nationaal Landschap Het Groene Woud.

 
Brabants Landschap heeft hierbij gekozen voor een natuurontwikkeling in de vorm van aanleg en ontwikkeling van bloemrijke graslanden en een omzoming van het terrein met hout- en bossingels. De graslanden worden omrasterd en begraasd. De historische functie van het gebied als voormalige steenfabriek blijft in het gebied afleesbaar. De contouren van de voormalige steenfabriek zijn daartoe zichtbaar gebleven in de vorm van 30 cm hoge buitenmuurtjes. Op de tevens nog aanwezige betonvloer vestigen zich (korst)mossen en na verloop van tijd in de scheuren en spleten ook grassen, kruiden en bomen. Eén van de vloeren is bedekt met een dikke leemlaag en daarmee tot leefgebied van de boomkikker geworden. Daarnaast komt in het natuurgebied ook kamsalamander voor. Buiten de contouren is de asfaltverharding op het terrein verwijderd. Behalve de contouren en de betonvloeren van de fabriek blijft ook een stuk smalspoor behouden. Het voormalige transformatorgebouw wordt veranderd in een uitzichtpunt. De Van Ginnekenweg, die over het terrein loopt, wordt ingericht als wandel- en fietsroute. Met uitzondering van kleine informatieborden op het terrein, worden geen aanvullende voorzieningen aangebracht om recreatie verder te bevorderen (zoals extra parkeerplaatsen, afvalbakken, bankjes en picknicktafels) anders dan de huidige voorzieningen. De route van het wandel- & fietspad loopt langs het Heerkenshuis over de Van Ginnekenweg en buigt dan af naar de voormalige spoorlijn. De Van Ginnekenweg blijft definitief voor alle verkeer afgesloten aan de zijde Brabantsehoek. Navolgende figuur geeft een beeld van het terrein na herinrichting.

 

 [image]

Figuur 6: Inrichting huidige situatie met in het midden de contouren van de voormalige steenfabriek en de uitkijktoren en in het zuiden 'Heerkenshuis'

2.1.3 Kantoorruimten

 

2.1.3.1 Algemeen

Heerkenshuis is in het vigerende bestemmingsplan wegbestemd en onder het overgangsrecht behouden en in gebruik gebleven als kantoorruimte. Hierna wordt de totstandkoming en invulling van het gebouw toegelicht.

2.1.3.2 Architect

Het pand aan Van Ginnekenweg 12 is ontworpen door de architect Noud Heerkens. Als zoon van een aannemer volgde Noud Heerkens de Ambachtsschool en de Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten in Tilburg. Heerkens bouwde en verbouwde naar schatting 4.000 woningen, boerderijen, bedrijfspanden, zorginstellingen en scholen in Tilburg en omgeving. Tot zijn bekendere werken behoren de Andreasschool (destijds de St. Paschalisschool) aan het Lourdesplein, woningen aan de Ringbaan-Oost en Veldhovenring, een kruisgebouw aan de Lage Witsiebaan, het voormalig tehuis voor dak- en thuislozen De Klinkert aan de Reitse Hoevenstraat en basisscholen in de wijken het Wandelbos en ´t Zand. Voor zichzelf ontwierp hij een markant woonhuis aan de Lourdesstraat 2a. Dit woonhuis (uit 1953) en de naastgelegen woning aan de Ringbaan-Oost 451-451a (uit 1951) zijn recentelijk als gemeentelijk monument aangewezen.

 

Noud Heerkens overleed in 2009 op 94-jarige leeftijd, na een werkzaam leven van zeventig jaar. Bij zijn dood besloeg zijn archief meer dan 120 meter aan documenten, bouwtekeningen, verslagen, boekjes, mappen en plannen. Om een goed oordeel te krijgen over de waarde van het archief, werden deskundigen uit verschillende disciplines geraadpleegd. Een kunsthistoricus, een oud-archivaris, een architect en mensen uit de beeldende en monumentale kunst bogen zich over het archief. Zij constateerden dat het archief de maatschappelijke ontwikkelingen van de twintigste eeuw nauwgezet weerspiegelt, zoals de crisis, wederopbouw en toegenomen welvaart. Maar ook specifieke ontwikkelingen zoals die binnen de stedenbouw, de ruimtelijke ordening en innovaties in de bouwpraktijk zijn goed zichtbaar in het archief. Zij kwamen tot de conclusie dat de cultuurhistorische waarde ervan groot is. Een selectie uit het archief werd overgedragen aan het Regionaal Archief Tilburg.

2.1.3.3 Heerkenshuis

Heerkenshuis werd in 1976-1977 gebouwd. Het gebouw werd ontworpen in 1975-1976. De oplevering van het pand vond plaats in 1977. Het gebouw bestond uit een centrale expositieruimte, waaromheen vijf kleine kantoren waren gesitueerd, alsmede een zitje en een blok met toiletten, garderobe en een keuken. Een trap leidde vanuit de expositieruimte naar een kleine verdieping met een tweede zitje annex documentatieruimte en een ruimte voor de cv-installatie. Het gebouw kenmerkte zich door het gebruik van afgeronde hoeken en variatie in bouwhoogten. Navolgende figuur geeft een foto van het pand direct na de bouw, in 1977.

 

 [image]

Figuur 7 : Heerkenshuis net na de bouw 1977

 

2.1.3.4 Inpandige waarden

In de documentatieruimte op de verdieping van het expositiegebouw werd een kunstwerk geplaatst naar ontwerp van Theo van Amstel. Het kunstwerk bestaat uit een mozaïek van diverse soorten baksteen. Theo van Amstel was tekenaar, beeldhouwer, schilder en vormgever. Hij genoot zijn opleiding aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam en aan de RK. Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten in Tilburg. Theo Van Amstel was vooral beroemd vanwege zijn mozaïeken in baksteen. Zijn werk hangt in tal van overheidsgebouwen door heel Nederland, zoals stadhuizen, scholen, postkantoren en gerechtsgebouwen. Zijn werk werd geplaatst op diverse locaties in Son en Breugel, zoals de steenfabriek (uit 1958), basisschool De Springplank (uit 1959), zijn eigen woonhuis (uit 1962), de voormalige Boerenleenbank (uit 1962), het gemeentehuis (uit 1963) en het voormalig politiebureau (uit 1966). Ook is zijn werk geplaatst in de (stations)postkantoren van Eindhoven (uit 1961, verloren gegaan), Uden en Meppel (uit 1971), het voormalige arbeidsbureau in Eindhoven en naar verluidt ook in het Gemeentehuis in Tilburg. Navolgende geven foto's van de kunstwerken van Theo van Amstel, aanwezig in Heerkenshuis.

 [image]

 [image]

Figuur 8: kunstwerk mozaïekwerken van Theo van Amstel, aanwezig in Heerkenshuis

2.1.4 Uitzichtpunt

Binnen het plangebied is het voormalig fabrieksgebouw gesloopt. Een restant is blijven staan. Dit restant wordt getransformeerd tot uitzichtpunt. Navolgende figuur geeft foto's van dit tot uitzichtpunt te verbouwen gebouw in de huidige situatie weer.

 [image]

Figuur 9: Uitzichtpunt op het voormalig fabrieksterrein in de huidige situatie

 

2.2 Beoogde situatie plangebied

 

2.2.1 Inleiding

Het plangebied aan Van Ginnekenweg 12 (ook wel genoemd 'Heerkenshuis') blijft behouden ten behoeve van voortzetting van het huidig gebruik zijnde kantoorruimte voor een natuurbeherende organisatie. Dit gebruik past in de omgeving en draagt bij aan een duurzaam behoud van het gebouw en aan de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve functie van het gebied.

 

Heerkenshuis kent thans de enkelbestemming 'Natuur' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Attentiegebied NNB'. Beoogd wordt ten behoeve van het voortgezette gebruik een maatschappelijke bestemming toe te kennen aan Heerkenshuis. Het gebruik wordt naar aard en omvang niet vergroot.

2.2.2 Invulling van het plangebied

Binnen het plangebied wordt Heerkenshuis gebruikt als kantoorruimten met gezamenlijke ruimte. Dit gebruik beperkt zich zoveel mogelijk tot de uren tussen zonsopkomst en -ondergang. Waarbij een uitzondering gemaakt wordt voor vrijwilligersorganisaties op het gebied van natuur, milieu en landschap, zoals nu bijvoorbeeld de huidige gebruikers Vogelwerkgroep Midden-Brabant en Ecologische Kring die wel na zonsondergang doch uiterlijk tot 24.00u het gebouw mogen gebruiken. Anders dan een koffie automaat, worden in en om het pand anders dan voor eigen gebruik van de huurders geen horecavoorzieningen aangebracht (zoals een bar, drankenopslag, binnen- of buitenterras en keuken).

 

Wel is de bedoeling dat het pand naast kantoorruimte, ook een meer maatschappelijke functie krijgt. Met enige regelmaat zullen de gevestigde natuurbeherende organisaties publieksactiviteiten organiseren. Deze publieksactiviteiten zullen kleinschalig van aard zijn en de natuur en de rust respecteren. Tevens wordt er door Brabants Landschap actief op toegezien dat geen overlast voor de omwonenden plaatsvindt; door bijvoorbeeld versterkte muziek en spraak, achterlating van zwerfvuil, wildparkeren van voertuigen of gevaarlijke situaties door gemotoriseerd verkeer. Grootschalige activiteiten (zoals bijvoorbeeld de in 2019 georganiseerde 'Week van het Landschap') zullen niet, dan wel slechts op incidentele basis plaatsvinden. In dat geval worden de omwonenden op voorhand en persoonlijk geïnformeerd en, wordt zo nodig, een separate evenementenvergunning aangevraagd.

 

Hiermee wordt het pand duurzaam herbenut voor een functie die past en conform het huidige gebruik. Cultuurhistorische waarden worden beschermd en behouden.

2.2.3 Cultuurhistorische waardenstelling

Bestemming van het pand binnen het plangebied vindt plaats ter behoud van cultuurhistorische waarden van het Heerkenshuis. Deze waarden zijn vastgelegd in de cultuurhistorische waardestelling van bureau De Onderste Steen. Dit rapport d.d. 2 april 2019 behoort als bijlage bij deze toelichting. De cultuurhistorische waarden van het pand zijn omschreven in paragraaf van deze toelichting.

2.2.4 Inpassing in de omgeving

Het plangebied maakt onderdeel uit van het voormalig fabrieksterrein van de steenfabriek. Rondom het terrein zijn de voormalige leemputten gelegen. De voormalige leemputten hebben zich ontwikkeld tot een afwisselend landschap met plassen, natte graslanden, struwelen, houtwallen, dijkjes en dijken met lanen. De dijken en dijkjes, vaak met beplanting rond de plassen herinnert eraan dat het gebied niet natuurlijk is ontstaan, maar is afgegraven. Het gebied kent een rijke vegetatie en is een aantrekkelijk leefgebied voor vogels, kleine zoogdieren en amfibieën waaronder de boomkikker en kamsalamander.

 

Brabants Landschap is eigenaar van het plangebied en het voormalig fabrieksterrein waarin het plangebied gelegen is. Voor dit voormalig fabrieksterrein is reeds een plan voor landschappelijke inpassing en realisatie en instandhouding van natuur opgesteld en gerealiseerd. Het plangebied is hierin gelegen en opgenomen. Navolgende figuur geeft een beeld van inpassing van het fabrieksterrein en hierbinnen het plangebied.

 

 [image]

Figuur 10: Inpassing en natuurontwikkeling van het voormalig fabrieksterrein en daarbinnen Heerkenshuis gelegen

 

De natuurlijke en landschappelijk invulling van het voormalig fabrieksterrein wijzigt niet met deze herbestemming en inpassing van het gebouw blijft met deze herbestemming ongewijzigd.

2.2.5 Uitzichtpunt

Binnen het plangebied wordt een uitzichtpunt gerealiseerd. Het ontwerp is opgesteld op basis van de navolgende uitgangspunten:

Navolgende tekeningen geven een beeld van het uitzichtpunt in de huidige en de beoogde situatie.

 

 [image]

Figuur 11: Zuidwestgevel (voorzijde) in de huidige en beoogde situatie

 

 [image]

Figuur 12: Zuidoostgevel in de huidige en beoogde situatie

 

 [image]

Figuur 13: Noordoostgevel in de huidige en beoogde situatie

 

 [image]

Figuur 14 : Noordwestgevel in de huidige en beoogde situatie

 

Het ontwerp van het uitzichtpunt op schaal is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

2.2.6 Ontsluiting en parkeren

 

2.2.6.1 Ontsluiting

Heerkenshuis is ontsloten via de Van Ginnekenweg. Deze weg betreft een wandel- en fietsontsluiting. De weg wordt voor wat betreft autoverkeer slechts gebruikt om het Heerkenshuis te bereiken. Bij Heerkenshuis wordt de bestaande parkeerplaats bestemd voor parkeren bij het pand.

2.2.6.2 Parkeren

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en is de berekeningsmethode vastgelegd. Het plangebied is gelegen in zone D. Het plangebied wordt positief bestemd als kantoorruimte. Navolgende tabel geeft een uitsnede van de tabel met parkeernormen voor werken.

 

 [image]

Tabel 1: Tabel met parkeernormen voor kantoren

 

De omvang van het pand heeft een vloeroppervlak van circa 590 m². Hiervan wordt een omvang van circa 205 m² gebruikt als kantoor. De overige m² betreft gemeenschappelijke ruimten ten behoeve van deze kantoren. Navolgende tabel geeft een beeld van omvang van parkeerbehoefte binnen het plangebied.

 

Functie

Parkeernorm per 100 m² bvo

Aantal parkeerplaatsen

Kantoren

2,3

5

Gemeenschappelijke ruimte bij kantoren

0,8

3

Totale parkeerbehoefte

 

8 parkeerplaatsen

Tabel 2: Parkeerbehoefte binnen het plangebied

 

Binnen het plangebied is een parkeerterrein met een omvang van 265 m² aanwezig. Hierbinnen is ruimte voor het parkeren van 10 auto's.

2.2.7 Beoogde planologische situatie

Bij bestemming van de kantoren binnen het plangebied in de regels van dit bestemmingsplan verankerd dat de cultuurhistorische waarden van Heerkenshuis behouden blijven. Het plangebied wordt bestemd als 'Maatschappelijk' met een specifieke functieomschrijving in de regels. Daarnaast zijn het bijbehorende parkeerterrein en het uitzichtpunt binnen het plangebied opgenomen en aangeduid met de aanduiding 'parkeerterrein' dan wel 'specifieke vorm van natuur – uitzichtpunt'.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk

 

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie

Het Rijk heeft de Nationale Omgevingsvisie opgesteld voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. De nationale belangen zijn in veel gevallen sectoraal. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. Deze vier integrale prioriteiten betreffen:

 
In deze vier prioriteiten komen complexe, omvangrijke en dringende opgaven samen, die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Centraal in te maken afwegingen tussen belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen. Om aan dit afwegingsproces richting te geven worden drie afwegingsprincipes gehanteerd. Deze zijn:

  1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;

  2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;

  3. Afwentelen wordt voorkomen.

 
Dit bestemmingsplan heeft door omvang en aard van de ontwikkeling geen betrekking op de geformuleerde nationale belangen. Met deze ontwikkeling blijft een cultuurhistorisch waardevol pand voor de toekomst behouden en kan het bestaande gebruik worden voortgezet. Dit draagt uiteraard op micro niveau wel bij aan de ontwikkeling van een toekomstbestendig landelijk gebied.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond Rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. In het Barro staat aan welke regels (Rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan.

 

In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat onder andere een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.

 

Er zijn geen kaders uit het Barro die een directe invloed hebben op de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen.

 

Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Herbestemmen, waarbij vastgoed door functiewijziging een nieuw leven krijgt, kan een alternatief bieden voor leegstand en sloop. Denk aan het herbestemmen van kantoren, winkels en scholen naar de functie wonen. Ook voor gebouwen met monumentale waarde kan herbestemming uitkomst bieden.

 

Het huidige gebruik positief bestemmen van vastgoed is in beginsel 'laddervrij', omdat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is geen sprake van een gewijzigde aard en omvang van het gebruik. Er is eveneens geen sprake van uitbreiding van de bebouwing of het intern realiseren van meer oppervlakte. Juist het behoud van het huidige karakteristieke gebouw en het kunnen voortzetten van het bestaande gebruik is het doel van deze bestemming.

3.3 Provincie

 

3.3.1 Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: 'Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit'. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Daarna volgt een doorvertaling in een omgevingsverordening en programma's. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling speelt het de volgende aandachtspunten een rol.

 

De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden en wordt een bestaande locatie herbenut.

3.3.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

 

3.3.2.1 Inleiding

In navolging van de Brabantse Omgevingsvisie is op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. In deze interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al waar mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening Noord-Brabant is relatief beleidsarm ten opzichte van de Verordening ruimte Noord-Brabant. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de nieuwe Brabantse Omgevingsvisie zijn meegenomen.

 
De Interim omgevingsverordening Noord Brabant is een planologische verordening waarin eisen gesteld worden aan op te stellen ruimtelijke plannen en vormt een direct toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het hoofddoel van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is het beleidsneutraal samenvoegen van de bestaande verschillende verordeningen die gaan over de fysieke leefomgeving. In navolgende subparagrafen wordt ingegaan op de aanduidingen van het plangebied in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en wordt de beoogde besteming van Heerkenshuis getoetst aan de regels van deze Interim omgevingsverordening.

3.3.2.2 Relatie met de structuurvisie

De onderwerpen die in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan, komen uit de Brabantse Omgevingsvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. Deze Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

3.3.2.3 Aanduiding plangebied op kaarten Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid met 'Beperkingen veehouderij' en 'Stalderingsgebied'. Deze bestemming ziet niet toe op ontwikkelingen in de veehouderij. De regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant betreffende de aanduidingen 'Beperkingen veehouderij' en 'Stalderingsgebied' hebben dan ook geen invloed op de beoogde bestemming.

 

Daarnaast is het plangebied aangeduid als gelegen binnen het 'Natuur Netwerk Brabant' en 'Attentiezone waterhuishouding'. Navolgende figuur geeft een beeld van de aanduiding van het plangebied op de kaart met instructieregels voor natuur en stiltegebieden.

 

 [image]

Figuur : Uitsnede kaart met instructieregels voor natuur en stiltegebieden uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant waarop het plangebied met een zwarte belijning is aangeduid

 

In navolgende paragrafen wordt de herbestemming getoetst aan de regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3.2.4 Regels voor eerbiedigende werking bestaande planologische mogelijkheden

In artikel 9.8 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn regels opgenomen waarin de eerbiedigende werking van bestaande planologische mogelijkheden is verankerd. In dit artikel is nadrukkelijk bepaald dat bestaand, rechtmatig planologische gebruik wordt gerespecteerd en kan worden voortgezet. Ook niet benutte planologische mogelijkheden worden met deze bepaling gerespecteerd. Hierna is artikel 9.8 opgenomen.

 

Artikel 9.8 eerbiedigende werking bestaande planologische mogelijkheden

Lid 1

Bestaande planologische mogelijkheden, waaronder het feitelijk gebruik van gronden en opstallen die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig worden uitgeoefend, worden gerespecteerd en kunnen worden voorgezet.

Lid 2

Onder bestaande planologische mogelijkheid, zoals een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, wordt verstaan:

  1. datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wet ruimtelijke ordening toestaat, met inbegrip van datgene wat nadien wordt toegestaan op grond van een:

  2. uitwerking van het geldend bestemmingsplan, als dat niet ouder is dan tien jaar, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, Wet ruimtelijke ordening, of

  3. besluit van de gemeente als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter;

  4. datgene waarvan handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is.

 

Een bestaande planologische mogelijkheid is datgene wat op grond van het vigerende bestemmingsplan 'bestaand' is. Op grond van vaste jurisprudentie betekent 'bestaand' datgene wat rechtstreeks op grond van het bestemmingsplan is toegelaten zonder toepassing van flexibiliteitsbepalingen. Het is evident dat sprake is van een bestaand gebouw. Er zijn bouwvergunningen verleend. Ongeacht de vigerende bestemming is handhaving wegens strijdigheid met de bestemming niet mogelijk.

 

Heerkenshuis is door de vorige eigenaar in gebruik genomen als kantoor met bijbehorende parkeerruimte. Dit gebruik op peildatum eind maart 2013 valt onder het overgangsrecht. Na het vertrek van deze vorige eigenaar heeft Brabants Landschap Heerkenshuis eind 2017 als kantoor met parkeerruimte in gebruik genomen. Er is sprake van een onafgebroken voortgezet gebruik dat naar aard en omvang niet is vergroot. Ook de bestaande bebouwing Heerkenshuis valt onder het overgangsrecht. Dit bestemmingsplan leidt niet tot nieuwvestiging. Dit is ook overlegd met de provincie Noord-Brabant bij voorbespreking van het plan.

3.3.2.5 Regels voor nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant

Het plangebied is aangeduid als gelegen in het Natuur Netwerk Brabant. Beoogd wordt om ter plaatse van de overblijvende bestaande bebouwing op het fabrieksterrein (het trafohuisje) een uitzichtpunt te realiseren. Dit is mogelijk op grond van artikel 3.18 lid 1 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Dit artikellid is hierna volledigheidshalve opgenomen.

 

Artikel 3.18 nieuwe ontwikkeling in het natuur netwerk brabant

Lid 1

Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.

 
In de toelichting op dit artikel is het volgende opgenomen:

Het betreft een mogelijkheid voor het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatieve medegebruik daarvan. In de praktijk bestaat hieraan behoefte. De verplichting tot vestiging op een bestaand bouwperceel, die in het algemeen geldt, stuit hier op onnodige bezwaren. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het oprichten van een brandtoren in een natuurgebied of een picknickbankje in een bosgebied. Voorwaarde voor het toelaten is dat er geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB optreedt.

 
Realisatie van het uitzichtpunt op deze bestaande bebouwing past binnen de regels van artikel 3.18 lid 1. Er is geen sprake van aantasting van het areaal Natuur Netwerk Brabant dat in samenhang met deze ontwikkeling plaatsvindt is kleinschalig. Het plangebied is in eigendom van stichting Brabants Landschap en maakt onderdeel uit van realisatie van natuurontwikkeling. Het behoud van Heerkenshuis is in deze inrichting meegenomen. Het terrein De Leemkuilen en het gebied is geheel landschappelijk en natuurlijk ingepast.

 

3.3.2.6 Artikel 3.26 Attentiegebied waterhuishouding

Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding 'Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant', hiertoe zijn navolgende regels opgenomen:

 

Attentiezone waterhuishouding

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.

Lid 2

Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over:

  1. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;

  2. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;

  3. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;

  4. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.

 
De bestemming van het plangebied heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. De bestaande parkeervoorziening bestaande uit een open klinkerverharding wordt positief bestemd.

3.3.2.7 Zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap

In artikel 3.90 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een zorgplicht voor gemeenten opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit bij de voorbereiding en verankering van een ruimtelijke ontwikkeling. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet duidelijk zijn hoe omgegaan wordt met het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de naaste omgeving. Een bijzonder aspect hierbij is het principe van zuinig ruimtegebruik.

 

Tevens is bepaalt dat een ruimtelijke ontwikkeling dient te leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze kwaliteitsverbetering dient te passen binnen de hoofdlijnen van de door de gemeente voorgenomen ontwikkeling van het gebied. De 'Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap, De rood-met-groen koppeling' van de provincie Noord-Brabant biedt informatie om invulling te geven aan het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap. In de handreiking wordt een basisinspanning van 20% van de waardevermeerdering van de grond redelijk geacht. Er zijn drie categorieën geformuleerd. Dit betreft de navolgende categorieën:

 

Positieve bestemming van het plangebied betreft een ontwikkeling die een beperkte impact op de omgeving heeft. Er is reeds sprake van een bestaand pand dat hergebruikt wordt conform het bestaande toegestane voortgezette gebruik. Er is sprake van een categorie 2 ontwikkeling. Hiermee dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Bestemming van Heerkenshuis geschiedt ter behoud van dit pand en voortgezet gebruik door een natuurbeherende organisatie en gebeurt in samenhang met herinrichting van het voormalig fabrieksterrein naar natuur. De inpassing van Heerkenshuis is ook in deze inrichting meegenomen. Met deze investeringen wordt ook ruimschoots voldaan aan de regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap.

3.4 Gemeente

 

3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

 

3.4.1.1 Inleiding

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

  1. de Brabantstrategie

  2. de Regiostrategie

  3. de Stadsstrategie.

3.4.1.2 Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

 

De vier stedelijke knooppunten:

  1. Binnenstad van de 21e eeuw

  2. Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing

  3. Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven

  4. Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant

 
De drie stadsregionale parken zijn:

  1. Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven

  2. Stadsregionaal park Stadsbos013

  3. Stadsregionaal park Noord.

Het plangebied ligt binnen Landschapspark Pauwels.

3.4.1.3 De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn:

 
De twee ecologische verbindingszones:

3.4.1.4 De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

3.4.1.5 Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

3.4.1.6 Herontwikkeling van het plangebied in relatie tot de Omgevingsvisie

In de structuurvisie wordt de vorming van een robuust ecologisch en recreatief netwerk omarmd. Om de natuur te versterken wordt ingezet op natuurcompensatie, natuuraanleg, beekherstel en aanleg van recreatieve voorzieningen. De gemeente werkt hierbij samen met andere partners, zoals ondernemingen en natuurbeschermingsorganisaties. Het slopen van de voormalige steenfabriek in Udenhout en deze omzetten naar natuur wordt als concreet project benoemd met Brabants Landschap als trekker. De gemeente Tilburg participeert hierin. Het plangebied is gelegen in het Groene Woud. In de Omgevingsvisie is het volgende opgenomen:

 

“In het hart van de Brabantse metropool ligt Nationaal Landschap Het Groene Woud, een groot, fraai Central Park dat belangrijk is voor het vestigingsklimaat en de leefbaarheid van BrabantStad. Om de verbinding met de landschappen in het buitengebied te versterken investeert Tilburg in drie stadsregionale parken aan de rand van de stad. Ze maken Tilburg aantrekkelijker om te wonen en te werken. In de stadsregionale parken stimuleren we ondernemerschap en recreatief medegebruik.”

 

Dit wordt als volgt nader omschreven in de Omgevingsvisie:

 

"De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. De biodiversiteit is beschermd; niet door het beschermen van individuen, maar door het beschermen van soorten. Bij natuurontwikkeling is er ook meer ruimte voor menging met andere functies: dit komt de aantrekkelijkheid van de stad ten goede. Natuur is geen reservaat, maar is open voor medegebruik en toegankelijk voor de inwoners van onze stad."

 

Door bestemming van het cultuurhistorisch waardevol pand Heerkenshuis wordt ondernemerschap, passend bij de natuurfunctie, gestimuleerd.

 

3.4.2 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP)

Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het vervolg van de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Daarin geeft Tilburg haar beleidsmatige invulling aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in het vGRP.

3.4.3 Welstandsnota Tilburg 2017

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

 
Doel van de welstand - en monumententoets is het behartigen van het publieke belang door en voor de gemeente Tilburg. Het is van belang dat initiatieven een toegevoegde waarde leveren aan de stad en de kwaliteit daarvan. In een snel veranderende wereld is het zorgvuldig omgaan met het bestaande, met oog op herkenbaarheid, identiteit en menselijke maat een terugkerend thema. Ook de verschuiving van nieuwbouw naar meer en meer aandacht voor transformatie en renovatie speelt daarin een rol.

 
Het plangebied is gelegen in welstandgebied 2 waarmee de bestaande situatie nu normstellend is. Is er sprake van een nog gaaf architectonisch/stedenbouwkundig totaalbeeld, dan is het doel die kwaliteit minimaal te behouden. Is er sprake van een minder gaaf totaalbeeld, waarin al een diversiteit aan ingrepen heeft plaatsgevonden, dan is meer vrijheid toegestaan. Er wordt, in tegenstelling tot in het niveau 1 gebied, hier niet ingezet op een kwaliteitsimpuls maar op beheer en behoud.

 
Wethouder M. heeft Jacobs tijdens de startbijeenkomst inzake Van Gogh Nationaal Park i.o. op 10-10-2019 het Heerkenshuis de status van eerste gemeentelijk monument van na 1965 toegekend.

3.5 Regio

 

3.5.1 Concept masterplan Van Gogh Nationaal park Brabant

Het Masterplan Van Gogh Nationaal park Brabant is een wenkend perspectief én een uitnodiging aan alle Brabanders om samen (verder) te werken aan het Brabantse landschap van de toekomst, tot in het hart van de dorpen en steden.

 
Nederland werkt aan een nieuw en ambitieus programma voor Nationale Parken. De nieuwe Nationale Parken zijn robuuster, sterker en van internationale allure. De focus is breder. De versterking van natuur en landschap blijf topprioriteit. Maar in de nieuwe parken spelen beleefbaarheid, de versterking van de economie en betrokkenheid van inwoners, vrijwilligers en ondernemers een prominente rol. In het Van Gogh Nationaal Park vallen de innovatieve metropolitane kenniseconomie van Brainport en BrabantStad samen met prachtige natuurgebieden, het kleinschalige Brabantse landschap én de tastbare erfenis van Van Gogh. Het Van Gogh Nationaal Park is mensenwerk, een beweging: een gebied waar overheden, vrijwilligers, maatschappelijke organisaties, ondernemers en bewoners samen werken aan het landschap van de toekomst. Die combinatie maakt het gebied uniek. Het Van Gogh Nationaal Park vertelt een internationaal onderscheidend verhaal.

 
Het Van Gogh Nationaal Park

 
De integrale aanpak in Van Gogh Nationaal Park draagt bij aan behoud, ontwikkeling en ontsluiting van cultuurhistorisch erfgoed, zoals dat van Van Gogh. Het zorgt voor de ontsluiting van het verhaal van Van Gogh en dat van ander erfgoed. Binnen het plangebied wordt cultuurhistorisch waardevol erfgoed bestemd en beschermd. De bestemming van het uitzichtpunt draagt bij aan beleving van de natuurwaarden in de directe omgeving.

 

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 
Het plangebied betreft een locatie in het buitengebied van de gemeente Tilburg. De bebouwing is solitair gelegen. Er volgen geen voorwaarden voor welstand uit het welstandsbeleid van de gemeente Tilburg. In dit bestemmingsplan zijn de cultuurhistorische waarden van het pand beschermd en verankerd.

4.3 Archeolgie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

4.3.1 Ontstaan van het dorp Udenhout

Udenhout is gelegen in een dekzandlandschap ter plaatse van een slenk. In de oude dekzanden, die werden afgezet in deze slenk, ontstonden door verspoelingen ingesloten leemlagen. Deze zandige leem komt bij Udenhout aan de oppervlakte. Ten noorden van Udenhout ontstond door ontbossing en intensieve beweiding een groot stuifzandcomplex, de Loonse en Drunense Duinen. Tussen dorp en duinen ontwikkelde zich, als gevolg van de slechte afwatering ter plaatse door de aanwezigheid van de leemlagen, een uitgestrekt broeklandschap (onder andere de Brand). Dit nog steeds bestaande broeklandschap sloot aan op de ontginningen die vanuit de nederzetting Udenhout plaatsvonden. Aanvankelijk bestond Udenhout uit niet veel meer dan een van west naar oost lopende straat, de 'Cruysstraat', gelegen ten westen van het gehucht Winkel. De straat vormde een verbinding tussen de noord-zuid gerichte wegen van Oisterwijk naar Heusden en van Oisterwijk naar Waalwijk. Langs deze straat vormde zich door clustering van boerderijen geleidelijk aan een uitgestrekte nederzetting. Ondanks de aansluiting op het verharde wegennet omstreeks 1850 en de aanleg van de spoorlijn Tilburg-'s-Hertogenbosch in 1881 breidde het dorp zich maar geleidelijk uit.

4.3.2 Ontstaan van de steenfabriek

Het plangebied is gelegen op het terrein van de voormalige steenfabriek. De aanwezige leemlagen in de bodem leverden de grondstof voor enkele steenfabrieken. In 1849 werd door de gebroeders Verhoeven een steenbakkerij opgericht, die onder andere stenen leverde voor het nieuwe raadhuis (A. van Veggel, 1849). In de tweede helft van de negentiende eeuw volgden nog meer steenfabrieken, waaronder de machinale steenfabriek van de firma De Rooij en Weijers, opgericht in 1890. Zij hadden gronden aangekocht van de oude Perwijshoeve 'bij de molen', ten oosten van de spoorlijn, strekkende van de Kreitenmolenstraat tot aan de Heusdensebaan. Door onenigheid over de te volgen koers, stapte Bartje de Rooij in 1897 uit het bedrijf en begon een nieuwe steenfabriek aan de Haarensebaan (steenfabriek Sint Joseph). De 'oude' steenfabriek ging verder als Steenfabriek Weijers. Navolgende figuur geeft een beeld van deze steenfabriek in circa 1900.

 

 [image]

Figuur 16: Foto van de steenfabriek circa 1900

 

In 1918 stopte Weijers met het bedrijf en werd de fabriek overgenomen door een groep industriëlen onder leiding van de Bredase ondernemersfamilie Stulemeijer. Men maakte er een N.V. van met een notering aan de Amsterdamse effectenbeurs en er kwam geld vrij voor nieuwe investeringen. In 1929 werd steenfabriek Sint Joseph aangekocht en maakte men van beide fabrieken één groot bedrijf, met vijf ovens en met kilometers lange rijen drooghutten. Steenfabriek Udenhout ontwikkelde zich tot een van de grootste steenfabrieken van Nederland. In 1965 produceerde de fabriek 110.000 stenen per werkdag, ofwel 28 miljoen stenen per jaar. In die tijd werd gemiddeld één op de vijftig huizen in Nederland gebouwd met stenen uit Udenhout. Navolgende figuur geeft een kaart met de steenfabriek en het fabrieksterrein in circa 1960.

 [image]

Figuur 17: Uitsnede historische atlas (1960), waarop de steenfabriek, de steenbakkerij en de ontgraven leemkuilen zichtbaar zijn

 

Eind jaren zestig ontstond er overproductie in de baksteenindustrie en kwamen er noodzakelijkerwijs saneringen. De eerste twee grote saneringsgolven kon Steenfabriek Udenhout weerstaan, maar de derde niet. In 1973 kwam de fabriek door een vijandelijke overname van aandelen in vreemde handen. Na een reeks overnames en fusies sloot de fabriek in 1992 haar deuren. Exploitatie van de steenfabriek heeft grote invloed gehad op het veranderende landschap. In navolgende figuur is het ontstaan van de Leemputten in beeld gebracht.

 

 [image]

Figuur 18: Beeld van het ontstaan van de Leemputten rondom het fabrieksterrein van de steenfabriek

 

In 2007 kwam het complex in handen van stichting Brabants Landschap, die de fabriek in 2017 liet afbreken. Navolgende luchtfoto geeft het fabrieksterrein en de bijbehorende gronden weer voor sloop van de bebouwing.

 

 [image]

Figuur 19: Luchtfoto van het voormalig fabrieksterrein, waarop Heerkenshuis gelegen is (aangeduid met een ster) en de omliggende gronden

 
Om de historie van het gebied herkenbaar te houden werden de 'contouren' van de voormalige fabriek behouden en in het landschap zichtbaar gemaakt en werden een stuk smalspoor, een transformatorgebouw en Heerkenshuis behouden.

4.3.3 Archeologie

 

4.3.3.1 Wetgeving

In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

 
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied. De bepalingen van deze wet zijn per 1 juli 2016 (gedeeltelijk) overgegaan in de erfgoedwet. Op basis van deze wetten zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed.

4.3.3.2 Archeologische monumentenzorg gemeente Tilburg

De volgende kaart betreft een uitsnede van de kaart 'Formeel beschermd erfgoed' van de gemeente Tilburg. Het plangebied is gelegen binnen het 'Nationaal Park Het Groene Woud'.

 [image]

Figuur 20: Kaart 'Formeel beschermd erfgoed' gemeente Tilburg (bron: omgevingsvisie Tilburg 2040), waarop de ligging van het plangebied indicatief is aangeduid

 

4.3.3.3 Beoordeling archeologische waarde van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied geldt deels de basisverwachting en deel een hoge verwachting. Navolgende figuur geeft de archeologische verwachting ter plaatse van het plangebied weer.

 [image]

Figuur 21: Archeologische verwachtingskaart Tilburg waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

 

Heerkenshuis is deels aangeduid als een terrein met een onbekende verwachtingswaarde en deels als een gebied met een hoge verwachtingswaarde. Dit bestemmingsplan is opgesteld ter behoud en borging van het behoud van het bestaand pand en realisatie van een uitzichtpunt bovenop een bestaand bouwwerk. Een bestaande parkeerplaats wordt bestemd. Er vindt geen roering van gronden plaats. Het plan heeft geen verlies van archeologische waarden tot gevolg.

4.3.4 Cultuurhistorie

Door bureau De Onderste Steen is een cultuurhistorische waardestelling voor het plangebied opgesteld Deze cultuurhistorische waardestelling d.d. 15 april 2019 behoort als bijlagebij deze toelichting. In deze toelichting zijn fragmenten uit deze waardestelling opgenomen. Daarnaast zijn hierna de waardering en conclusie uit dit rapport overgenomen.

 

"Cultuurhistorische waarden

De ontmoetings- en expositieruimte aan de Van Ginnekenweg 12 in Udenhout is in 1976-1977 gebouwd als onderdeel van de Steenfabriek Udenhout. Deze steenfabriek was destijds een van de grootste steenfabrieken van Nederland en voor Udenhout en omstreken economisch van groot belang. Ook heeft de aanwezigheid van de steenfabriek blijvend gevolgen gehad voor de inrichting van het landschap; het afgraven van de benodigde klei heeft geleid tot de zogenaamde 'Leemkuilen', een waterrijk gebied ten oosten van de voormalige steenfabriek. Het voormalige fabrieksterrein wordt momenteel getransformeerd tot natuurgebied. Het vormt hiermee een belangrijke schakel tussen het Nationaal Park Loonse en Drunense Duinen en Nationaal Landschap Het Groene Woud. Met uitzondering van enkele restanten, zoals betonvloeren, de contouren, het transformatorgebouw en wat smalspoor, is de voormalige ontmoetings- en expositieruimte het enige gebouw van de steenfabriek dat intact is gebleven. Het gebouw vertegenwoordigt hiermee een hoge cultuurhistorische waarde.

 
Architectuur- en kunsthistorische waarden

De voormalige ontmoetings- en expositieruimte is op een bijzondere wijze vormgegeven, rekening houdend met de functie van het gebouw en de omgeving. De grote, gesloten expositieruimte wordt omringd door enkele kleinere (kantoor-)ruimten, van waaruit het omliggende landschap goed zichtbaar is, vooral dankzij het gebruik van vensters die tot aan de grond doorlopen. Zowel het aflopende dak en de ronde hoeken, als de gebruikte materiaalafwerking (met afwisselend gestuukt en schoon metselwerk), aluminium kozijnen en een houten afwerking van het plafond zijn kenmerkend voor de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Het gebouw neemt een belangrijke plaats in binnen het oeuvre van Noud Heerkens, een architect die in Tilburg en omstreken een belangrijke stempel op de architectuur heeft gedrukt. Het kunstwerk in het vertrek op de verdieping is kenmerkend voor het werk van de regionale kunstenaar Theo van Amstel. Het kunstwerk is onlosmakelijk met het gebouw verbonden en vormt er een wezenlijk onderdeel van. Zowel de architectonische, als de kunsthistorische waarde van de voormalige ontmoetings- en expositieruimte is hoog.

 

Stedenbouwkundige en ensemblewaarden

Stedenbouwkundig gezien vertegenwoordigt het gebouw weinig waarde. Het ligt aan een onverharde weg, midden in een landschap dat nog in ontwikkeling is. Wel is er sprake van een redelijk hoge ensemblewaarde met de resten van de steenfabriek, te weten de betonvloeren, de contouren, het transformatorgebouw en het smalspoor.

 
Gaafheid/herkenbaarheid

In de loop der tijd heeft het gebouw enkele wijzigingen ondergaan. De plavuizen vloeren en de ronde, gemetselde plantenbak zijn verdwenen en enkele kozijnen en de trapleuning zijn vervangen, dan wel aangepast. De oorspronkelijke lichtkoepels zijn vervangen door replica's. Desondanks verkeert het gebouw nog in oorspronkelijke staat. De gaafheid (en hiermee de herkenbaarheid) van het gebouw zijn derhalve redelijk hoog te noemen.

 
Zeldzaamheid

ver het fenomeen 'expositieruimtes' (al dan niet in relatie tot steenfabrieken) is tot op heden - voor zover bekend - geen onderzoek gedaan. Dit betekent dat er ook geen landelijke of provinciale inventarisaties bestaan. Het is dus niet bekend hoeveel van dergelijke gebouwen zijn gebouwd en in welke periode, waar ze staan en welke er nog over zijn.

 
Conclusie

De publieke waardering voor dit type erfgoed is tot op heden laag, hetgeen vooral te wijten is aan een gebrek aan onderzoek in combinatie met een geringe ouderdom. Toch zien we dat de belangstelling voor erfgoed uit de periode vanaf 1965 toeneemt. 'Geringe ouderdom' is steeds minder een belemmering om cultuurhistorie te herkennen en mee te wegen. De vroeger gehanteerde 50-jarennorm voor de aanwijzing tot monumenten is al geruime tijd losgelaten. Na onderzoeken naar architectuur uit de periode 1940-1965, richten steeds meer overheden en andere (erfgoed)organisaties zich op de daaropvolgende periode: 'Post 1965'. Zo werd vorige jaar in Amsterdam een kantoorgebouw uit 1983-1987 aangewezen als gemeentelijk monument. De ontmoetings- en expositieruimte aan de Van Ginnekenweg 12 in Udenhout vertegenwoordigt een hoge ultuurhistorische en architectuurhistorische waarde. Dit, in combinatie met een redelijk hoge ensemblewaarde en de redelijk hoge mate van gaafheid, leidt er toe dat het gebouw als 'zeer waardevol' gekenmerkt kan worden. Behoud van het gebouw, inclusief het aanwezig muurkunstwerk, is daarom aan te bevelen.

 
Wanneer men besluit om tot behoud/herbestemming over te gaan, wordt aanbevolen om enkele kenmerkende aspecten van het complex te respecteren en in een eventueel nieuw ontwerp te integreren. Het gaat om:

 

Navolgende figuur geeft een beeld van de invulling van het pand met de grote gesloten expositieruimte in het midden en de naar buiten gerichte kantoorruimten hieromheen. Deze structuur blijft ongewijzigd behouden.

 

 [image]

Figuur 22 : Plattegrond van de begane grond van Heerkenshuis

 

Om te verankeren dat cultuurhistorische waarden binnen het plangebied behouden blijven is in de regels van dit bestemmingsplan is instandhouding van de cultuurhistorische waarden conform het waardestellingsrapport als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Hiermee is instandhouding van het cultuurhistorisch waardevol pand voor de toekomst geborgd.

4.4 Volkshuisvesting

Deze ontwikkeling heeft geen consequenties voor volkshuisvesting. Dit plan ziet toe op behoud van een bestaand pand als kantoorruimte.

4.5 Groen en speelruimte

Deze ontwikkeling heeft geen consequenties voor groen en speelruimte. Dit plan ziet toe op behoud van een bestaand pand als kantoorruimte. De omliggende gronden worden ingericht als natuur. Hiervoor zijn de kaders reeds bekend en het plan is in uitvoering.

4.6 Bedrijvigheid

Binnen het plangebied wordt een bestaand pand bestemd als kantoorruimte, conform het huidig gebruik. In paragraaf 5.3 wordt dit nader toegelicht.

4.7 Verkeer en parkeren

 

4.7.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

 

4.7.1.1 Inleiding

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

4.7.1.2 Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

4.7.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

4.7.3 Nota parkeernormen Tilburg 2017

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

 

In paragraaf van deze toelichting is toegelicht hoe ontsluiten en parkeren binnen het plangebied plaatsvindt. Het parkeren vindt plaats op een bestaande parkeervoorziening.

 

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde milieuaspecten.

5.2 Milieueffectrapportage

 

5.2.1 Inleiding

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

  2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

5.2.2 M.e.r. (beoordelings)plichtige activiteit

In de bijlage 1 bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto bedrijfsvloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig.

5.2.3 Passende beoordeling

Binnen het plangebied zijn geen Natura-2000 of NNN-gebieden aanwezig. Het plangebied is gelegen op korte afstand van het Natura-2000 gebied 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De ontwikkeling ziet toe op het positief bestemmen van het voortgezet gebruik van een bestaand cultuurhistorisch pand binnen de bestaande omvang. De aard en omvang van het gebruik en van de bebouwing wordt niet vergroot.

 

Er heeft een vormvrije mer-beoordeling plaatsgevonden. Deze beoordeling is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.

5.2.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze herbestemming.

5.3 Milieuhinder bedrijven

 

5.3.1 Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst 'Bedrijven en Milieuzonering' worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een gebied wordt als 'gemengde gebied' getypeerd als functiemenging de boventoon voert in het gebied of als functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met een hoge aanwezigheid van agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.

 

Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen.

5.3.2 Beoogde bedrijvigheid binnen het plangebied

Het plangebied is gelegen aan van Ginnekenweg 12 te Udenhout. Dit betreft de voormalige ontmoetings- en expositieruimte met kantoren (Heerkenshuis) op het terrein van de voormalige steenfabriek. De steenfabriek is gesloopt en Heerkenshuis wordt gebruikt als kantoorruimte.

 

Dit betreft bedrijvigheid met de milieucategorie 1. Er is geen impact op de omgeving voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid. De maximaal aan te houden richtlijnafstand bij een categorie 1 bedrijf bedraagt 10 meter. De locatie is gelegen op een terrein, dat eveneens als het plangebied is eigendom is van Brabants Landschap en dat als natuur bestemd is. Er zijn geen woningen of andere gevoelige bestemmingen gelegen binnen de aan te houden richtlijnafstand van 10 meter in de omgeving van het plangebied, waarmee voldaan wordt aan de richtlijnafstand.

5.3.3 Bedrijven rondom het plangebied

 

5.3.3.1 Bedrijven in de omgeving

Het plangebied is gelegen op een afstand van 178 meter van bedrijventerrein Kreitenmolen. Dit betreft een bedrijventerrein met een variatie aan bedrijven voor wat betreft aard en schaal. Op het bedrijventerrein zijn ook bedrijfswoningen aanwezig. Op de locatie waar geen nadere functieaanduiding is opgenomen kunnen bedrijven aanwezig zijn die zijn genoemd in de bij het bestemmingsplan gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten met categorieën 2 tot en met 3.2, met dien verstande dat risicovolle inrichtingen en inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht jo. artikel 41 van de Wet geluidhinder, niet zijn toegestaan. Bij een bedrijfscategorie 3.2. geldt een aan te houden richtlijnafstand van 100 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen deze afstand. Binnen het bedrijventerrein zijn ook bedrijven met een milieucategorie van 4.1 aanwezig. Het plangebied is gelegen op een afstand van 270 meter tot het dichtstbij het plangebied gelegen bedrijf met de aanduiding 'bedrijf tot en met de milieucategorie 4.1'. Hiermee wordt voldaan aan de richtlijn Bedrijven en milieuzonering.

5.3.3.2 Spuitzones

ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. De omgeving van het plangebied is bestemd als 'Natuur' en het terrein wordt beheerd door de eigenaar natuurbeschermingsorganisatie Brabants Landschap. Er is geen sprake van spuitzones in de omgeving van het plangebied.

5.4 Exerne veiligheid

 

5.4.1 Verantwoordingsplicht

 

5.4.1.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan.

5.4.1.2 Vervoer gevaarlijke stoffen

Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zwaar ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op de 1 miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden.

5.4.1.3 Besluit externe veiligheid buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.

5.4.2 Beleidsvisie externe veiligheid

Met de Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de stad. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. Deze visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de plankaart externe veiligheid gemeente Tilburg, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

 

 [image]

Figuur 23: Plankaart externe veiligheid gemeente Tilburg, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

 

Het plangebied is gelegen in 'luwe gebieden'. Het gebied betreft een risicoluw natuurgebied. Risico's zijn hier met mate toegestaan. Risico's in beperkte mate blijven in het agrarische buitengebied mogelijk, zolang ze andere woningen/ inrichtingen niet hinderen.

5.4.3 Beoordeling van het plangebied

 

5.4.3.1 Risicovolle inrichtingen

Het plangebied is op de risicokaart van de Provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicocontour van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

 [image]

Figuur 24 : Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

 

Binnen een afstand van meer dan 500 meter rondom het plangebied zijn geen inrichtingen in het kader van de externe veiligheidsnormen aanwezig waarbij sprake is van een in acht te nemen risicocontour.

5.4.3.2 Buisleidingen

Op een afstand van 1.200 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich een buisleiding. Het plangebied is gelegen buiten de plaatsgevonden risico-contour en het invloedsgebied.

5.4.3.3 Transport

Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Het plangebied bevindt zich op circa 350 meter van een spoorlijn. De spoorlijn Tilburg-Vught heeft een toxisch invloedsgebied van >4.000 meter, waarmee het plangebied binnen het invloedsgebied gelegen is.

 

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-Vught. Deze spoorlijn kent geen plasbrandaandachtsgebied en 10-6/jr plaatsgebonden risicocontour. Het groepsrisico bedraagt minder dan 10% van de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt niet significant toe. Er is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

5.4.3.4 Beperkte verantwoording groepsrisico

Inleiding

In de toelichting bij een bestemmingsplan dient indien het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op:

  1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en

  2. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

 
Voor het plangebied geldt vanuit externe veiligheid een beperkte verantwoordingsplicht groepsrisico vanuit artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes vanwege de ligging binnen het toxisch invloedsgebied van verschillende transportroutes gevaarlijke stoffen. Dit betreft de ligging van het plangebied ten opzichte van het spoor traject Tilburg-Vught en de ligging van het plangebied ten opzichte van de A65.

 
De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de Beleidsvisie Externe Veiligheid.

 
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

 

Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. De meest effectieve veiligheidsmaatregel in relatie tot risico's vanuit externe veiligheid is echter het centraal afsluitbaar maken van de mechanische ventilatie. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) en NL-Alert als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.

5.5 Geluid

 

5.5.1 Wegverkeer

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van spoor- en wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van(spoor) wegen. De reikwijdte van de Wet geluidhinder is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder geldt niet voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:

 
Het plangebied is gelegen aan Van Ginnekenweg 12. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk. Derhalve hoeft niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wet geluidhinder middels een akoestisch onderzoek.

5.5.2 Railverkeer

Op een afstand van 350 meter tot het plangebied is de spoorverbinding Tilburg-'s Hertogenbosch gelegen. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk. Derhalve hoeft niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wet geluidhinder middels een akoestisch onderzoek.

5.6 Lucht

 

5.6.1 Inleiding

Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. De hierin opgenomen programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

5.6.2 Regeling niet in betekende mate

Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term 'niet in betekenende mate'. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Dit bestemmingsplanplan maakt hergebruik van een cultuurhistorische pand mogelijk maakt ter behoud hiervan, zonder uitbreiding van de bestaande bebouwing. Gezien de hoge drempelwaarden voor ontwikkelingen in tegenstelling tot de kleinschaligheid van deze bestemming kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip 'Niet In Betekenende Mate' valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.

5.6.3 Achtergrondconcentratie fijn stof

Fijn stof (PM10 en PM2,5) is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal, cementdeeltjes en bijvoorbeeld stukjes afgesleten autoband of wegdek. Fijn stof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende gassen in de lucht. De gemiddelde hoeveelheid (concentratie) fijn stof in Nederland is hoger in het zuiden, nabij grotere steden en bij grote industriegebieden. Fijn stof is een vorm van luchtvervuiling en heeft een ongunstig effect op de gezondheid van mensen. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10, dan wel 2,5 micrometer (µg) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst en daardoor met een verschillende chemische samenstelling. Verkeer, industrie en landbouw zijn de belangrijkste bronnen. Op grond van de Wet milieubeheer gelden voor fijn stof de volgende grenswaarden:

 
De achtergrondconcentratie voor fijnstof is de totale concentratie van alle bronnen per vak van 1 kilometer bij 1 kilometer. De achtergrondconcentratie wordt jaarlijks bepaald door de emissies van veehouderijen, industrieën en verkeer bij elkaar opgeteld. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de door het RIVM gepubliceerde kaart, waarbij de achtergrondconcentratie fijn stof PM10 voor het plangebied is weergegeven.

 
[image]

Figuur 25 : Uitsnede kaart achtergrondconcentratie PM10 met daarop de ligging van het plangebied aangeduid

De achtergrondconcentratie PM10 binnen het plangebied bedraagt 18,94 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 40 µg/m³.

 

Navolgende figuur betreft een uitsnede van de door het RIVM gepubliceerde kaart, waarbij de achtergrondconcentratie fijn stof PM2,5 voor het plangebied is weergegeven.

 

 [image]

Figuur 26 : Uitsnede achtergrondconcentratie PM2,5, met daarop de ligging van het plangebied aangeduid

 

Voor het plangebied is de achtergrondconcentratie PM2,5 ter plaatse van het plangebied 11,4 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 25 µg/m³.

5.6.4 Achtergrondconcentratie stikstof

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

 

Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.

 

 [image]

Figuur 27 : Uitsnede achtergrondconcentratie NO2, met daarop de ligging van het plangebied aangeduid

 

Ter plaatse van de planlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 18,99 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.

5.6.5 Besluit gevoelige bestemmingen

Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Deze AMvB beperkt de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale- en Rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof en stikstofdioxide. Dit zijn voornamelijk kinderen, ouderen en zieken. Scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen en bijbehorende terreinen betreffen hierbij gevoelige bestemmingen. De bestemming binnen het plangebied als kantoor betreft geen bestemming waarop het besluit gevoelige bestemmingen betrekking heeft.

5.7 Geur

 

5.7.1 Inleiding

Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige bestemmingen dient in het kader van het aspect 'geur' antwoord gegeven te worden op de vragen:

5.7.2 Veehouderijen in de omgeving van het plangebied

In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven met hokdieren aanwezig. Op een afstand van circa 380 meter ten noorden van het plangebied is aan Brabantsehoek 16 een kleinschalige melkveehouderij met 20 koeien gelegen. Het plangebied is gelegen buiten de aan te houden afstand van 50 meter tot dit bedrijf. De dichtstbijzijnd gelegen veehouderij met hokdieren betreft de veehouderij aan Winkelstraat 2a gelegen op een afstand van circa 480 meter tot het plangebied. Het dichtstbijzijnd gelegen veehouderijbedrijf ten zuiden van het plangebied betreft de kleinschalige veehouderij aan Haarensebaan 3, gelegen op een afstand van circa 580 meter tot het plangebied. Ten oosten en ten westen van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen.

5.7.3 Voorgrondbelasting

Gezien het ontbreken van veehouderijbedrijven in de directe omgeving en de afstand van het plangebied tot veehouderijen in de wijdere omgeving is de voorgrondbelasting niet maatgevend bij deze bestemming. Bestemming van het plangebied is in het kader van de voorgrondbelasting derhalve geen bezwaar.

5.7.4 Achtergrondbelasting

De achtergrondbelasting wordt berekend met het programma V-Stacks gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting zijn de veehouderijen binnen een twee kilometer rondom het plangebied beoordeeld. De invoergegevens van de bedrijven voor het programma V-Stacks gebied zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant d.d. 9 januari 2020. Dit betreft het bestand van de veehouderijen binnen de gemeenten Tilburg en Haaren. De gegevens voor de berekening zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Aangezien sprake is van een berekening van de huidige situatie is de maximaal vergunbare emissie voor de bedrijven gelijk gesteld aan de vergunde emissie in de bestaande situatie. Hierna zijn de resultaten van de berekening van achtergrondbelasting weergeven.

 

Berekende ruwheid: 0,27 m

Meteo station: Eindhoven

Rekenuren: 10 %

Rasterpunt linksonder x: 138 994 m

Rasterpunt linksonder y: 401 175 m

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend

Punt

x-coördinaat

Y-coördinaat

Geurbelasting (oue/m³)

W

139 994

402 175

4,596

Z

140 017

402 167

4,603

O

140 023

402 189

4.723

N

140 009

402 198

4,764

Tabel 3: Beeld van achtergrondbelasting binnen het plangebied

 

Binnen het plangebied is met een maximale achtergrondbelasting van 4,8 een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig in het kader van de achtergrondbelasting.

5.8 Gezondheid

 

5.8.1 Inleiding

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. De GGD adviseert het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico.

5.8.2 Beoordeling van het plangebied

Binnen twee kilometer tot het plangebied is een geitenhouderij gelegen. Daarmee is formeel het geitenmoratorium van toepassing. Gezien de geplande herbestemming is er geen sprake van realisatie van woningbouw of een zorgfunctie. Daarmee is er vanuit het geitenmoratorium geen belemmering.

5.9 Bodem

 

5.9.1 Inleiding

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

 

Binnen het plangebied is een bouwvergunning verleend voor Heerkenshuis. Het pand is in gebruik genomen als kantoor en dit gebruik wordt voortgezet. Er is geen bodemonderzoek noodzakelijk bij voortgezet bestaand gebruik.

5.10 Natuur en ecologie

 

5.10.1 Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk 'Natura 2000-gebieden' (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk 'soorten' (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk 'houtopstanden' (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het Rijk naar de provincies verschoven.

 
Het hoofdstuk 'Natura 2000-gebieden' heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 
Het hoofdstuk 'soorten' heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzij benadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de "ja-mitsbenadering". De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

5.10.2 Analyse plangebied

 

5.10.2.1 Gebiedsbescherming

Natura 2000- gebied

Het plangebied is bijna aansluitend aan 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen' gelegen op circa 17 meter afstand daarvan. Het Natura 2000- gebied 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen' bevat een aantal zeer stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten. Navolgende figuur betreft een beeld van de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebied 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen.

 [image]

Figuur 28: Ligging plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden

 

Stikstofdepositie

Effecten van geluid, licht en trilling kunnen uitgesloten worden omdat de instandhoudingsdoelen daarvoor niet gevoelig zijn en omdat de effecten van de beoogde ontwikkeling dusdanig beperkt zijn dat deze ecologisch niet meetbaar zijn. In de beoogde situatie vindt door positieve bestemming van het pand als kantoor binnen het plangebied geen toename van stikstofemissie door verkeersbewegingen plaats door gebruikers van het pand. De toename aan verkeersbewegingen door de uitkijktoren zijn eveneens nihil. Recreanten zullen niet speciaal voor de uitkijktoren naar het plangebied komen, maar deze toren bezoeken tijdens een geplande wandeling. Er is door plaatsing van de toren geen verkeersaantrekkende werking. Het natuurgebied wordt al door recreanten gebruikt. Voor deze uitstoot is een Aerius berekening uitgevoerd. Deze berekening is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit deze berekening blijkt dat de herbestemming geen effect heeft groter dan 0,00 mol per hectare per jaar.

 

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied is gelegen in het Natuur Netwerk Brabant. Binnen dit Natuur Netwerk Brabant is het plangebied aangeduid als gelegen in en Natte Natuurparel. De bestemming is zeer kleinschalig van aard en omvang. Bestaand gebruik als kantoorruimte wordt voortgezet en bestemd. Dit gebruik vindt plaats door natuur beherende instanties ter behoud van het binnen het plangebied aanwezige cultuurhistorisch waardevol pand Heerkenshuis.

 

Een bestemming die plaatsvindt binnen een Natte Natuurparel mag geen negatief effect op de waterhuishouding hebben. Door het voortgezette gebruik binnen het bestaand pand in zelfde aard en omvang is hiervan binnen het plangebied ook geen sprake. Met de beoogde bestemming is geen sprake van aantasting van 'wezenlijke waarden en kenmerken' van het NNB-gebied.

 

Voor herbestemming van het plangebied is een streefbeeld voor inrichting van de natuur opgesteld, die recht doet aan cultuurhistorische waarden en die past binnen de aansluitend gelegen natuur. Het streefbeeld zoals omschreven in paragraaf 2.2.4 van deze toelichting wordt ook als zodanig op de provinciale kaart met natuurtypen voor dit gebied aangeduid als gewenst natuurdoeltype voor dit gebied.

5.10.2.2 Soortenbescherming

De bestemming heeft geen gevolgen voor beschermde soorten. Na bestemming van een voormalig trafohuisje naar het uitzichtpunt dient in de aanvraag om omgevingsvergunning te worden aangetoond dat geen aantasting van flora- en fauna waarden plaatsvindt. Een bestaande parkeerplaats met 10 plaatsen wordt bestemd conform huidig toegestaan gebruik.

 

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

 

6.1 Bestaand watersysteem

 

6.1.1 Gebiedskenmerken

Het plangebied maakt onderdeel uit van het voormalig terrein van de steenfabriek De Leemkuilen. De jarenlange leemwinning heeft duidelijke sporen achter gelaten in het landschap. Grote delen van het terrein behorende bij deze steenfabriek zijn diep afgegraven en plas geworden. Tussen de grotere en kleinere plassen lopen de hoger gelegen dijken van waar uit de ontginningen georganiseerd waren. Navolgende figuur geeft een beeld van de totstandkoming van de plassen na afgraving.

 

 [image]

Figuur 29: Beeld van tot standkoming van plassen ter plaatse van de afgravingen

 

6.1.2 Bodem en oppervlaktewater

De bodem rondom het plangebied betreft een: zandige, humusarm en basenrijk (kalkrijk) substraat bodem met een aanzienlijke hoeveelheid puin en steenslag. Binnen het plangebied wordt een bestaand pand bestemd conform het bestaande toegestane gebruik. Er is geen sprake van oppervlaktewater binnen het plangebied.

6.2 Beleidskader

 

6.2.1 Waterschapsbeleid

Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016-2021 vastgesteld op 22 december 2015. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016-2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico's beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit). Inzet is gericht op het bereiken van de doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel, die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

6.2.2 Keur

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Dommel van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Navolgende figuur betreft een weergave van de keurkaart met daarop het plangebied aangeduid.

 

 [image]

Figuur 30: Beeld van tot leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied

 

6.2.3 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

 

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m².

 

Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

6.3 Watertoets

 

6.3.1 Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder.

6.3.2 Verwerking van hemelwater binnen het plangebied

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren) in zijn weg tussen de afvoerende oppervlakken en het oppervlaktewatersysteem. Mogelijkheden hiervoor zijn:

 
In 2019 is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De voorgenomen bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie.

 
Binnen het plangebied is geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Ter behoud en bescherming van een cultuurhistorisch waardevol pand blijft het pand in de huidige aard en omvang behouden. Het bestaande parkeerterrein is in een open klinkerverharding uitgevoerd zodat hemelwater ook op het parkeerterrein infiltreert in de bodem. Dit wijzigt ook niet met dit bestemmingsplan.

6.3.3 Afvalwater

Binnen het plangebied wordt een bestaand pand hergebruikt. Er is geen sprake van een wijziging in omgang met afvalwater binnen het plangebied. Er is sprake van een gescheiden waterstelsel.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Bestemmingen en aanduidingen

 

7.2.1 Inleiding

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:

Deze bestemmingen worden in navolgende paragrafen nader toegelicht.

 

Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:

Hierna worden de gehanteerde bestemmingen nader toegelicht.

7.2.2 Maatschappelijk

Ter plaatse van Heerkenshuis wordt het bestaande en voortgezette gebruik als kantoor bestemd. Heerkenshuis wordt begrensd op de maatvoering van het bestaande pand en het huidige gebruik. Te behouden cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn middels een voorwaardelijke verplichting beschermd.

7.2.3 Natuur

Binnen de bestemming 'Natuur' met de aanduiding 'parkeerterrein' wordt dit terrein gebruikt voor parkeren van 10 auto's. Deze omvang aan parkeerruimte is noodzakelijk bij gebruik van het pand als kantoorruimte.

7.2.4 Waterstaat - Attentiegebied NNB

De gronden met deze dubbelbestemming zijn tevens bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van hydrologische waarden.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

 

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog en overleg

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. Dit plan is op 11 december 2020 gepubliceerd.

9.2 Overleg ex artikel 1.3.1 Bro

Het plan is door de initiatiefnemer/natuurbeherende organisatie ambtelijk besproken met de provincie Noord-Brabant, waarna dit bestemmingsplan is opgesteld.

 

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is verzonden naar de in artikel 1.3.1 Bro genoemde overleginstanties. Onderstaand zijn de vooroverlegreacties samengevat weergegeven.

Op 22 april 2021 is het concept-ontwerpbestemmingsplan aangemeld bij de provincie in het kader van het wettelijk vooroverleg. Het ingevulde formulier over de in het voorontwerp betrokken ruimtelijke aspecten gaf voor de provincie geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het wettelijk vooroverleg kan dan ook als afgerond worden beschouwd.

Het voorontwerpplan is op 28 april 2021 voor gelegd aan waterschap De Dommel. Bij mail van 5 mei 2021 gaf het waterschap aan dat het plan geen directe effecten heeft op de waterhuishouding omdat het gaat om het vastleggen van de bestaande situatie. Het waterschap stemt daarom in met dit plan in het kader van de watertoets.

9.3 Omgevingsdialoog

Het plangebied is solitair gelegen binnen het terrein van stichting Brabants Landschap. Brabants Landschap is tevens eigenaar en initiatiefnemer voor deze herbestemming. Een omgevingsdialoog is gevoerd. In navolging daarvan is dit bestemmingsplan op enkele punten aangepast en aangevuld. De weergave van de omgevingsdialoog is opgenomen in een verslag. Dit verslag is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen. Op het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen binnengekomen.
Bronvermelding

Teksten en figuren/foto's uit deze toelichting, met name voor wat betreft cultuurhistorie, de ontstaansgeschiedenis en herinrichting van het voormalige fabrieksterrein zijn ontleend aan: