Biezenmortelsestraat 8 Biezenmortel, 3e herziening
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2020039-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor een bestaand recreatiebedrijf aan de Biezenmortelsestraat 8 te Biezenmortel. Het betreft het perceel UDH sectie E, nrs 5290 en , 5822 allen gedeeltelijk. Het verzoek betreft het splitsen van de cultuurhistorisch waardevolle langgevelboerderij in deels een bedrijfswoning tbv het recreatiebedrijf en deels een burgerwoning. Ook zal er een tijdelijke mantelzorgwoning in de langgevelboerderij worden gerealiseerd. Verder zullen de 8 logiekamers die zich thans in de langgevelboerderij bevinden verplaatst worden naar het bedrijfsgebouw ten zuiden van de langgevelboerderij. Verder is verzocht om de planologische mogelijkheid om de nog niet gerealiseerde recreatiewoningen (5) te schrappen en hiervoor in de plaats 12 Bed and Breakfastkamers te mogen realiseren in het bedrijfsgebouw ten zuiden van de langgevelboerderij. Hierdoor komt het nieuw te realiseren aantal Bed and Breakfastkamers op maximaal 20. Voor het overige blijft dit nieuwe plan vrijwel gelijk aan het voorgaande plan.
In paragraaf 1.3 wordt ingegaan op het voorgaande plan en in paragraaf 1.4 wordt meer specifiek ingegaan op het onderhavige nieuwe plan.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat een bestaand recreatiebedrijf met langgevelboerderij c.q. bedrijfswoning, een minicamping, 8 logieskamers in de bedrijfswoning, een boerderijwinkel, ondersteunende horeca waarbij hobbymatig schapen worden gehouden. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Biezenmortsestraat in het noorden en eigen weilanden/percelen in het oosten, het zuiden en het westen. Tennoorden/noord/oosten van het recreatiebedrijf liggen een aantal burgerwoningen en ten (zuid)westen liggen een tweetal agrarische bedrijven (boom- en plantenkwekerij). Een kleine twee kilometer ten noordwesten van het bedrijf ligt het natuurgebied De Loonse en Drunense Duinen.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2020039-e001_402000.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2020039-e001_402000.jpg)
Locatieaanduiding plangebied Biezenmortelsestraat 8 te Biezenmortel
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan vervangt:
het bestemmingsplan 'Partiele herziening buitengebied, Biezenmortelsestraat 8 Biezenmortel', vastgesteld op 2 febr. 2017.
Dit bestemmingsplan regelt een recreatiebedrijf bestaande uit:
max. één bedrijfswoning van ca. 380m2 met max. 100m2 aan bijgebouwen;
een minicamping met max. 25 plaatsen;
max. acht logieskamers binnen de bestaande langgevelboerderij/bedrijfswoning;
max. 5 vakantiewoningen van max. 100m2 met een gezamenlijke oppervlakte van max.400 m2;
een boerderijwinkel tbv verkoop lokale streekproducten van max. 100m2;
ondersteunenden horeca, incl. terras van max. 150m2;
een ontspanningsruimte (zit-/schuilgelegenheid) voor de campinggasten;
het houden van maximaal 27 schapen in de bestaande bebouwing van max. 507m2;
parkeerterrein;
landschappelijke inpassing;
De totale toegestane maximale oppervlakte bedrijfsgebouwen (Incl. bedrijfswoning en incl. de recreatiewoningen) is 1833m2;
In totaal staat het nu geldende bestemmingsplan 1933m2 aan gebouwen toe.
1.4 Nieuwe plan
De aanvraag bestemmingsplanherziening betreft:
De splitsing van de cultuur-historisch waardevolle langgevelboerderij c.q. bedrijfswoning in twee woningen. het westelijke deel blijft bedrijfswoning en het oostelijke deel wordt burgerwoning. Bij de burgerwoning mag max. 299m2 aan bestaande bijgebouwen aanwezig blijven. Verder wordt er een tijdelijke mantelzorgwoning in de langgevelboerderij gerealiseerd.
De bestaande minicamping met max. 25 plaatsen.
De (maximaal) 8 logieskamers in de bestaande langgevelboerderij vervallen omdat de langgevelboerderij wordt gesplitst in twee woningen. De mogelijkheid voor de (nog niet gebouwde) max. 5 vakantiewoningen vervallen eveneens. Hiervoor in de plaats mogen er maximaal 20 Bed and Breakfastkamers met eigen badkamer worden gebouwd. Per saldo wordt het aantal logiesplaatsen dus maar beperkt uitgebreid ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan.
De bestaande max. 60m2 aan sanitaire voorzieningen tbv de campinggasten.
De bestaande boerderijwinkel tbv verkoop lokale streekproducten van max. 100m2;
De bestaande ondersteunenden horeca, incl. terras van max. 150m2;
Een overkapping, zijnde een bouwwerk, geen gebouw zijnde, van 150m2 tbv zit-/schuilgelegenheid voor de gasten;
Het hobbymatig houden van schapen in een bestaand bedrijfsgebouw, deels ten behoeve van de woning en deels ten behoeve van de minicamping;
De totale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen bij de woning bedraagt max. 1348m2
parkeerterrein(en);
de borging van een reeds uitgevoerd landschappelijke inpassing.
De (juridische) afwijkingen ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan zijn:
1. de splitsing van de cultuur-historisch waardevolle langgevelboerderij c.q. bedrijfswoning in een bedrijfswoning en een burgerwoning. Plus het feit dat er een tijdelijke mantelzorgwoning in het pand wordt gerealiseerd.
2. Maximaal 20 Bed and Breakfastkamers met eigen badkamer. Echter hiervoor vervallen 8 logieskamers en 5 (nog niet gerealiseerde) vakantiewoningen.
1.5 Ruimtelijke en functionele structuur
De planlocatie ligt aan de Biezenmortelsestraat, een landelijke weg in het buitengebied die Udenhout met Helvoirt verbindt en waaraan het dorp Biezenmortel gesitueerd is. Aan de weg liggen verschillende boerenerven en burgerwoningen. Op het perceel Biezenmortelsestraat 8 ligt aan de voorkant het woonhuis/ langgevelboerderij en daarachter de bedrijvige functie, zijnde een boerderijcamping. het betreft dus een recreatieve functie. Vanuit stedenbouwkundig opzicht verandert er ruimtelijk niet heel veel: in de bestaande bebouwing van de langgevelboerderij wordt een tweede woning gerealiseerd en de bestaande bedrijfsgebouwen worden verbouwd. De beleving vanuit de Biezenmortelsestraat gezien blijft nagenoeg identiek. Ook de recreatieve functie blijft gelijk, zij het dat het aantal overnachtingsplaatsen van vakantiewoningen wordt gewijzigd in Bed and breakfastkamers in één bedrijfsgebouw, waardoor er weinig verandert ten opzichte van de huidige situatie. Uit het landschapsplan blijkt dat er groen is toegevoegd wat de plek veraangenaamd en ‘zacht’ inpast in het omringende landschap.
Technische infrastructuur
Binnen het plangebied bevinden zich géén belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones), die op de verbeelding weergegeven moeten worden.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.
De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.
Hoe werkt de NOVI?
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
Afwentelen wordt voorkomen.
Belangrijkste keuzes in de NOVI
een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;
de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;
de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;
de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;
het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Uitvoering van de NOVI
Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking
getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch
wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is
op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de
inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van
de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op
doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels
opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en
deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan
bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing
zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe
ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet
een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een
of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde
projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.
Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van
de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro
vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de
bij het Barro behorende kaarten.
De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van
strijdigheid met nationale belangen.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
Met dit bestemmingsplan wordt door de splitsing van de langgevelboerderij de realisatie van 1 woning extra mogelijk gemaakt. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeen dat een bestemmingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt.
Verder komen de maximaal 8 logieskamers in de bestaande langgevelboerderij te vervallen omdat de langgevelboerderij wordt gesplitst in twee woningen en worden deze maximaal 8 kamers verplaatst naar bestaande bebouwing achter de langgevelboerderij. Ook komt de mogelijkheid voor de (nog niet gebouwde) max. 5 vakantiewoningen te vervallen en hiervoor in de plaats mogen er maximaal 12 Bed and Breakfastkamers met eigen badkamer worden gebouwd in dezelfde bestaande bebouwing als waar de 8 logieskamers worden gebouwd. Totaal komen er dus maximaal 20 bed and breakfastkamers in bestaande bebouwing. Per saldo wordt het aantal logiesplaatsen dus maar beperkt uitgebreid ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan. Ook voor deze beperkte uitbreiding geldt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
2.2 Provincie
2.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas medio 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.
Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.
De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden.
De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.
2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke
onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet
rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke
2.2.3 Interim omgevingsverordening
De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.
Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2021 worden vastgesteld.
De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).
Specifiek voor het plangebied geldt:
Splitsing Woonboerderij
De woningsplitsing is gebaseerd op art. 3.69 sub b: de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuur historisch waardevolle bebouwing dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. In par. 3.3 wordt een verdere onderbouwing gegeven over het feit dat hier sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en dat de splitsing bijdraagt aan het behoud en/of herstel van deze bebouwing. Voor de woningsplitsing is een redengevende omschrijving gegeven over waarom het pand gesplists zou moeten worden. Deze redengevende omschrijving is bij het bestemmingsplan gevoegd. Ook is een landschappelijk inpassingsplan aangeleverd waarop te zien is hoe met de inrichting van het boerenerf wordt omgegaan.
Het plangebied ligt vrijwel volledig in de Attentiezone Stiltegebied. In hoofdstuk 4 Milieuaspecten onder de paragraaf Geluid wordt hier op ingegaan. Gezien de afstand van de burgerwoning c.q. het recreatiebedrijf tot het Stiltegebied ca. 130m resp ca. 150m wordt verondersteld dat de grenswaarde in acht wordt genomen.
Verder zijn de regels van een diep grondwaterlichaam van toepassing. Dit betekent dat boven, in of onder een Diep grondwaterlichaam is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Het onderhavige bestemmingsplan staat geen winning van koolwaterstoffen toe.
Het plangebied ligt in Gemengd Landelijk gebied. Dit betekent dat de vestiging van een geitenhouderij op het recreatiebedrijf is verboden. Op het bedrijf bevinden zich schapen. Het bedrijf heeft vergunning voor het houden van maximaal 27 vergunde schapen ouder dan 1 jaar, incl. lammeren tot 45 kg. Na realisatie van het plan neemt het aantal schapen bij het plan af tot hobbymatige omvang. De vestiging van een geitenhouderij is niet aan de orde.
Vanwege de aanwezigheid van de schapen zijn de regels van een zorgvuldige veehouderij van toepassing. Dit betekent dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij is verboden. Onder een veehouderij wordt verstaan een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. Dit verbod van toename van de bestaande oppervlakte van een dierenverblijf geldt niet wanneer voor de bouw van een nieuw dierenverblijf of gebruikswijziging van een bestaand gebouw naar dierenverblijf wordt voldaan aan de regels van een zgn. zorgvuldige veehouderij. Daarnaast geldt dat binnen gebouwen dieren alleen op de grond gehouden mogen worden. In het onderhavige plan is geen sprake van een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf.
Het plangebied ligt in Stalderingsgebied. Dit wil zeggen dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdierhouderijdieren door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden. Dit verbod geldt niet wanneer bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf een zgn stalderingsbewijs is overlegd. Onder hokdieren wordt verstaan een veehouderij uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij. Schapen vallen dus niet onder de zgn stalderingsregeling. Hoewel het bestemmingsplan ook andere dieren dan schapen toestaat hoeft de stalderingsregeling niet opgenomen te worden in de regels en verbeelding omdat het bestemmingsplan een toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte voor het houden van veehouderijdieren niet toegestaat. En derhalve ook niet voor schapen.
Het hele plangebied ligt in Attentiezone waterhuishouding. Hiervoor in de regels de dubbelbestemming Waterstaat attentiegebied NNB opgenomen. Deze regels strekken tot de bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.
Het plangebied ligt tevens deels in een Zone regionale waterberging. Het gaat hierbij om het zuidelijke deel van het plangebied en de zuidelijke 'slurf'. Hiervoor moet de dubbelbestemming Waterstaat-Waterberging opgenomen worden.
De beoogde bestemmingswijziging voldoet daarnaast aan de eisen omtrent kwaliteitsverbetering landschap (zie hieronder).
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening omvat de verplichting om bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied te komen tot een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit betekent dat de realisatie van een beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard moet gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkelingen in hoofdlijnen heeft beschreven. De toelichting op het bestemmingsplan bevat hiertoe een verantwoording van de wijze waarop de bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is gewaarborgd.
Over de wijze waarop de fysieke verbetering plaats moet vinden zijn in het regionaal overleg tussen de gemeenten in de regio Hart van Brabant en de provincie (RRO) op 26 november 2015 nadere afspraken gemaakt. Deze zijn vervat in de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant. ( Deze gelden ook voor Biezenmortel, zie Harmonisatiebesluit.) Er wordt gewerkt met een categorie indeling afhankelijk van de mate van ingreep in het gebied.
Ruimtelijke ontwikkelingen zijn ingedeeld in drie categorieën, waarbij:
Categorie 1 geen (of geen noemenswaardige) impact heeft op de omgeving;
Categorie 2 ontwikkelingen zijn die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben;
Categorie 3, ontwikkelingen waarbij sprake is van een (substantiële) inbreuk op het landschap.
De onderhavige ontwikkeling beperkt zich feitelijk tot de splisting van een cultuurhistorisch waardevol pand en een beperkte uitbreiding van de recreatiebestemming.
De splitsing van de langgevelboerderij valt in de categorie 1 omdat deze geen of geen noemenswaardige impact heeft op de omgeving.
De beperkte uitbreiding van de recreatiebestemming valt feitelijk onder een categorie 3 ontwikkeling zoals in het afsprakenkader hart van Brabant is gedefinieerd. Om te borgen dat bij de ontwikkeling voldoende kwaliteitsverbetering optreed voor het landschap zijn berekeningen uitgevoerd en is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De berekening en het inpassingsplan zijn bij de bijlagen van dit bestemmingsplan gevoegd. Om te borgen dat het landschappelijk inpassingsplan wordt uitgevoerd en wordt onderhouden zijn voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.
Conclusie ten aanzien van provinciaal beleid
Uit het bovenstaande blijkt dat wordt voldaan aan het provinciaal beleid.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Specifiek voor dit plan geeft de Omgevingsvisie aan:
Dat rond de oostzijde van Tilburg, Berkel-Enschot en Udenhout een regionale ecologische verbindingszone loopt. Deze ecologische verbindingszone loopt over het grondgebied van Biezenmortel en derhalve ook over het plangebied. Deze verbindingszone moet de hogere zandgronden (het Kempisch plateau) gaan verbinden met de lager gelegen kleigebieden aan de Maas. Deze zijn van cruciaal belangvoor het functioneren van het ecosysteem. De ecologische verbindingszone bestaat uit stapstenen in het bestaande landschap en agrarische productiegebied. Het is de bedoeling dat de natuur versterkt wordt via natuurcompensatie, natuuraanleg, beekherstel en aanleg van recreatieve voorzieningen. In het Masterplan Landschapspark Pauwels wordt dit nader uitgewerkt.
Kaart uit Omgevingsvisie Tilburg 2040.
Masterplan Landschapspark Pauwels
Op 25 februari 2019 heeft de gemeenteraad het Masterplan Landschapspark Pauwels vastgesteld. Het masterplan geeft een integraal beeld van de gewenste ontwikkeling van landschapspark Pauwels. Het hoofddoel van het masterplan is om landschapspark Pauwels te ontwikkelen tot een aantrekkelijk uitloopgebied voor bewoners en bezoekers van de stad en de omgeving. Het park is te beschouwen als de zuidelijke schil van de Loonse en Drunense Duinen (Van Gogh Nationaal Park) en is van belang om de druk op het Natura2000 gebied beter te verspreiden en het vestigingsklimaat van de stad te verbeteren. Het masterplan zorgt ervoor dat de ecologische, cultuurhistorische en recreatieve basiskwaliteiten van het gebied worden versterkt, dat er nieuwe kwaliteiten en recreatieve bestemmingen worden ontwikkeld, dat recreatieve, ecologische en water- netwerken op orde worden gebracht, dat de landbouw wordt verduurzaamd, barrières worden geslecht, en dat de aanwezige enclaves, zoals De Spinder en de vloeivelden bij het Noorderbos, op een aantrekkelijke manier onderdeel worden van het landschap.
Het gebied met een omvang van circa 6.500 hectare is gelegen tussen de noordelijke stadsrand van Tilburg en Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen. Aan de westkant wordt het gebied globaal begrensd door De Moer en in het noordwesten Kaatsheuvel. Aan de oostkant wordt hetgebied globaal begrensd door de N65, de Leemkuilen en Biezenmortel. Het gebied behoort gedeeltelijk tot de gemeente Tilburg, maar beslaat ook een deel van de gemeente Loon op Zand. Grote delen zijn in bezit en beheer van verschillende (natuurbeherende) organisaties en particulieren. Deze verschillende organisaties hebben allen ambities en opgaven in het gebied. Deze organisaties hebben daarom besloten verder samen op te trekken om opgaven zoveel mogelijk integraal uit te voeren. De partners van Pauwels bij de totstandkoming van het masterplan zijn de Efteling, Waterschap de Dommel, ZLTO, Waterschap Brabantse Delta, provincie Noord-Brabant, gemeente Loon op Zand, gemeente Tilburg, Natuurmonumenten, Brabants Landschap, en Midpoint Brabant Leisure.
Het masterplan benoemt zeven thema's die invulling geven aan de ambities en opgaven van de gemeente Tilburg en de andere Pauwels partners:
Cultuurhistorie: versterken van de basiskwaliteit van het cultuurlandschap;
Water: een beter zichtbaar en klimaat-robuust waternetwerk realiseren;
Recreatie: verbeteren van de recreatieve aantrekkelijkheid en de bereikbaarheid;
Natuur: vergroten van de kracht, de impact en aantrekkelijkheid van natuurgebieden;
Landbouw: verduurzamen van de landbouw met ruimte voor innovatie;
Energie: leveren van een waardevolle bijdrage aan de energietransitie;
Landschap: toevoegen van een parkachtige laag om de belevingswaarde van het landschap als geheel te vergroten.
Het onderhavige initiatief past binnen het streven om de recreatieve aantrekkelijkheid van het gebied te vergroten.
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.2.1 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.3.1 Historische geografie
Omstreeks de vierde eeuw van onze jaartelling is in onze streken sprake van een klimaatsverandering. Het landklimaat verandert in een zeeklimaat. Het water krijgt de overhand in de natuur. Al het onbedijkte land beneden de zeespiegel komt onder water staan. Het laaggelegen westelijk Brabant wordt drassig land. Er vormen zich vele kleine riviertjes zoals Aa, Dieze, Reusel, Lei, Nemer, Donge, Leibeek en - over Biezenmortels grond- de Zandleij. Er zijn keer op keer grote overstromingen. Meer landinwaarts, boven de zeespiegel, wordt het Brabants landschap vooral bepaald door uitgestrekte bossen, ontstaan in de periode van het landklimaat. Midden-Brabant ligt op de grens van beide landschappen. Zo'n grens is natuurlijk geen strakke lijn, maar een brede strook. Dan weer droog, dan weer onder water. Het is moerassig land met afwisselende begroeiing. Soms diepe moerputten. Soms onbegaanbare moerasgebieden (de Brand). Soms berkenbossen (Berkel). Soms wat hoger en droger gelegen gronden (Hooghout, Haaren). Zo kan ook Biezenmortel worden gekarakteriseerd. Vooral drassig land, moerasachtig; vandaar de naam "mortel", afgeleid van 'moer' en 'moeras'. In de directe omgeving kunnen zich nog bossen ontwikkelen, waarop het woorddeel 'hout' van Udenhout en Hooghout duidt. Maar Biezenmortel ligt iets lager, is natter, staat vaker onder water, en leent zich slechts voor begroeiing met het dunne hoogopgroeiende riet- of biesgewas. Zo betekent Biezenmortel: met riet (of biezen) begroeide drassige grond.
In de veertiende eeuw zijn Udenhout en Biezenmortel nog altijd niet meer dan een moeilijk toegankelijk moerassig gebied, met een enkele doorgaande weg, ten noordwesten van Oisterwijk. Langzaamaan wordt het gebied wat droger door het oprukken van de Loonse en Drunense duinen. Het gebied behoort in de nieuwe bestuurlijke indeling tot het kwartier van Oisterwijk. Vanaf de veertiende eeuw wordt het gebied gestructureerd vanuit enkele hoeven ontgonnen met lange stroken gescheiden door paden en stroken.
De Biezenmortelsestraat is een van de oudste oost-west lopende ontginningsassen van de boshoevennederzetting Udenhout.
De geschiedenis van deze hoeve gaat terug tot de veertiende eeuw. In 1748 staat er reeds een boerderij op de locatie van Biezenmortelsestraat 8, het gaat om een voorganger van de huidige boerderij.
De voorganger van de huidige boerderij is ingetekend op het Kadastraal minuutplan uit 1828 als huis, schuur en erf. De tuin ten zuidoosten en het bouwland ten noordoosten behoren ook tot de boerderij. Aan de noordoostelijke zijde van de boerderij loopt dan een pad naar de Winkelschestraat. Volgens de kadastrale leggerartikelen vindt er rond 1865 een afbraak en herbouw plaats. Het is echter onduidelijk of dit betrekking heeft op (delen van) de boerderij of de schuur. In
1894 wordt er een nieuwe boerderij gebouwd met een haaks volume aan de achterzijde. In 1913 raakt de boerderij beschadigd door een brand en moet deze deels herbouwd worden. De voor- en achtergevels van het bedrijfsgedeelte worden opnieuw opgetrokken en er wordt een bakhuis gebouwd tegen de achtergevel van het woongedeelte. Vermoedelijk wordt ook de dakconstructie vernieuwd. In 1915 wordt achter de boerderij een nieuwe schuur gebouwd.
3.3.2 Archeologie
Op de locatie Biezenmortelsestraat 8 geldt het bestemmingsplan Biezenmortelsestraat uit 2017. Hierin zijn geen voorwaarden omtrent de bescherming van archeologisch erfgoed opgenomen hoewel in het bestemmingsplan Buitengebied Haaren (herzien 2020) voor het omringende gebied sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologisch erfgoed.
In 2021 is de gemeente Haaren opgegaan in verschillende gemeenten. Het gebied van Biezenmortel en omgeving is aan gemeente Tilburg toegevoegd. Voor dit grondgebied is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in opdracht van gemeente Tilburg (Tilburg Biezenmortel. Archeologisch bureauonderzoek; auteur E. M. de Boo van Uijen; BAAC-rapport V-21.0099; juli 2021). Op basis hiervan is het mogelijk om tot een gespecificeerde archeologische verwachting te komen voor het plangebied. Voor de locatie Biezenmortelsestraat 8 geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologisch erfgoed dat dateert in de perioden neolithicum tot en met Romeinse tijd. Hierbij kan het gaan om nederzettingscomplexen, inclusief akkergronden en grafvelden. De hoge verwachting voor deze perioden is gebaseerd op de landschappelijke ligging. Tegelijkertijd is de ligging langs een historische ontginningsas, en informatie uit schriftelijke bronnen en kaartmateriaal aanleiding voor een hoge verwachting op het aantreffen van een huisplaats uit de late middeleeuwen en/of nieuwe tijd, al dan niet in combinatie met bijgebouwen en sporen van bewoning en gebruik.
De huidige bebouwing zal voor een deel van het plangebied hebben geresulteerd in verstoring van de ondergrond. In 2017 is voor het huidige bestemmingsplan ook een plan voor landschapsinrichting opgenomen; dit is inmiddels uitgevoerd; hierdoor is de ondergrond in die delen van het plangebied eveneens geroerd.
De grondingrepen in het nieuwe plan die consequenties kunnen hebben voor de archeologische waarden in het gebied zijn beperkt. Dit betreft de vergroting van de westelijke stal en de sloop van een schuur. Ter hoogte van de te slopen schuur is de ondergrond in het verleden al verstoord.
Omdat een groot deel van het plangebied in het verleden al bebouwd, en hiermee verstoord is geraakt, is het, ondanks de initiële hoge verwachting op het aantreffen van archeologisch erfgoed, niet meer nodig om een archeologische dubbelbestemming op te nemen voor het plangebied.
Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden sporen of resten worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologie. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt bij de Minister. In de praktijk kan deze melding het beste gedaan worden bij de archeologen van gemeente Tilburg (het bevoegde gezag).
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
In 2021 is door Monumentenhuis Brabant B.V. een redengevende omschrijving met waardestelling voor de boerderij Biezenmortelsestraat 8 opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat er sprake is van enige cultuurhistorische, en situationele waarden maar dat de architectuurhistorische waarden en de gaafheid/zeldzaamheid beperkt zijn vanwege de wijzigingen aan de boerderij.
Aan de Biezenmortelsestraat bevinden zich diverse panden die zijn opgenomen in het provinciale Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Dat zijn de nrs 8. 12, 1432, 38-40 en 65. Vrijwel steeds betreft het hier agrarische bebouwing uit het laatste kwart van de negentiende eeuw en het eerste kwart van de twintigste eeuw.
In het BAAC-rapport uit 2021: rapport V-21.0099 worden verder nog de panden Biezenmortelsestraat 31 en 65 vermeld als van cultuurhistorische waarde.
Historische structuren.
De Biezenmortelsestraat is samen met de Groenstraat (Udenhout) een belangrijke tot de veertiende eeuw teruggaande ontginningsas van de boshoevennederzetting Udenhout.
Op ca. 1500 meter ten zuidoosten van het plangebied is de spoorlijn Tilburg-’s-Hertogenbosch gelegen. De exploitatie van de lijn begon in 1881. Nog verder zuidelijk loopt de huidige N65 die in de jaren vanaf 1825 werd aangelegd als deel van een oost-westweg van Tholen naar Grave (later Nijmegen).
Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.
3.3.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. De opsplitsing van de boerderij biedt kansen de agrarische karakteristiek van dit gebied te behouden.
Voor wat betreft de archeologie is er geen dubbelbestemming waarde archeologie nodig omdat de bodem in het plangebied door eerdere bebouwing als verstoord beschouwd wordt.
Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden sporen of resten worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologie. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt bij de Minister. In de praktijk kan deze melding het beste gedaan worden bij de archeologen van gemeente Tilburg (het bevoegde gezag).
3.4 Volkshuisvesting
Op basis van de provinciale regeling splitsing van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ten behoeve van het behoud en/of herstel van deze bebouwing in meerdere woonfuncties wordt er één (burger)woning toegevoegd.
3.5 Groen en speelruimte
3.5.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2017
Beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2021
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening
De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.
Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.
De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.
3.5.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
3.5.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.
Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
Het groen en de in het plangebied aanwezige bomen worden beschermd via het landschappelijk inpassingsplan. Bescherming wordt geborgd via de bestemmingsplanregels.
3.6 Bedrijvigheid
In het onderhavige plan wordt een recreatiebedrijf (opnieuw) planologisch geregeld.
Het accommodatiebeleid heeft betrekking op nieuwe logies-initiatieven in Tilburg en omgeving en heeft als doel de beperkte marktruimte in te zetten voor een kwaliteitsverbetering.
Deze ontwikkeling heeft geen invloed op de marktruimte. De beoogde maximaal 20 bed and breakfastkamers komen in plaats van de huidige logiesvoorziening in de hoofdwoning en in plaats van de vergunde vakantiewoningen. Het aantal bedden zal hierdoor per saldo eerder afnemen dan toenemen.
Veehouderij
Verder is er een schapenstal aanwezig voor het hobbymatig houden van schapen. Vanwege regels vanuit de provinciale omgevingsverordening mag de oppervlakte van deze schapenstal niet worden vergroot.
Consequenties riolering
Duidelijk is dat de riolering ter plaatse van de Biezenmortelsestraat 8 geen 20 kamers/badkamers extra aan kan.
De oplossing is dat het vuilwater op eigen terrein en voor eigen rekening overdag tijdelijk wordt bufferen via een buffertank/bufferput met pomp.
De hoeveelheid vuilwater (en dus ook de omvang van de buffertank/bufferput) is afhankelijk van het aantal kamers/badkamers dat er uiteindelijk gaat komen.
De gemeente borgt de eventuele overbelasting van afvoer van het afvalwater op de riolering via de volgende voorwaarden in de regels van het bestemmingsplan:
Om aan te sluiten op het gemeentelijk drukrioolsysteem gelden de volgende eisen:
Persleidingen vanaf een pomp dienen middels een ontlastput op eigen terrein aangesloten te worden;
Lozen is alleen toegestaan in de nachtelijke uren 22.00 tot 6.00 uur;
Maximaal capaciteit van de lozing betreft 5 m3 per uur;
Maximum stroomsnelheid van de lozing is 2,5 m/s;
Het is niet toegestaan om regenwater aan te sluiten;
De locatie, diameter en diepteligging van de aansluiting dient, indien er een extra of nieuwe aansluiting moet komen, in overleg met de door de gemeente Tilburg geselecteerde aannemer te worden bepaald;
Het is niet toegestaan om rioolleidingen en/of riool gerelateerde objecten toe te passen buiten de perceelsgrens. Met uitzondering van de evt. nieuw aan te leggen aansluitleiding(en) op de openbare riolering, die wordt/worden gerealiseerd door de gemeente Tilburg geselecteerde aannemer.
3.7 Detailhandel
3.7.1 Visie detailhandel
Op 22 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Tilburg de beleidsnota “Tilburg Detailhandelsvisie 2019 vastgesteld. Op basis van deze beleidsnota wordt in principe geen nieuwe detailhandel buiten de aangewezen winkelgebieden (PDV-locaties, binnenstad, linten, buurt-, wijk- en dorpscentra) toegestaan. Detailhandel buiten de concentratiegebieden draagt niet bij aan een duurzame detailhandelsstructuur.
De beleidsnota biedt echter wel ruimte voor bijzondere vormen van detailhandel zoals boerderijwinkels, landwinkels of detailhandel als ondergeschikte activiteit bij de hoofdactiviteit. Het moet gaan om rechtstreekse verkoop van op het bedrijf geteelde of vervaardigde producten of daaraan gerelateerde of lokaal vervaardigde producten. De detailhandel moet ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit, in dit geval het recreatiebedrijf. En de maximale vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100m2.
Aan al deze voorwaarden wordt voldaan.
3.8 Horeca
3.8.1 Algemeen
De raad heeft op 30 januari 2017 het horecabeleid vastgesteld. Daarin is de volgende doelstelling opgenomen.
"Tilburg wil een gastvrije stad zijn. Met het nieuwe horecabeleid willen we een bijdrage leveren aan een horeca-aanbod dat aansluit bij de wensen van de bewoners en bezoekers van de stad. We kiezen voor horeca die een meerwaarde heeft voor de functie van gebieden, om daarmee de gastvrijheid van Tilburg te benadrukken. Daarnaast willen we binnen het beleid ruimte houden voor vernieuwing van het aanbod. De stad realiseert hiermee een horeca aanbod waarvoor mensen nu, en in de toekomst, naar Tilburg komen en er willen verblijven."
3.8.2 Horeca-categorieën
In het horecabeleid zijn categorieën opgenomen. Zo ontstaat de mogelijkheid om te sturen op de ontwikkeling van horeca die past bij het karakter van het gebied. Denk hierbij aan de wenselijkheid van daghoreca in winkelgebieden en het voorkomen van overlast van horeca die lang geopend is in gebieden waar ook (relatief veel) woningen aanwezig zijn. In het horecabeleid is daarom gekozen voor een nieuwe typering van horeca-categorieën waarmee aansluiting gezocht wordt bij het belangrijkste bezoekmotief van de consument en waarmee richting kan worden gegeven aan de ontwikkeling van horeca die aansluit bij de kwaliteiten van een specifiek gebied.
Categorie I (Daghoreca)
Horeca inrichting, met openingstijden gerelateerd aan de winkeltijden (daghoreca), niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar:
hoofdzakelijk (kleine etenswaren) en/of dranken worden verstrekt.
Voorbeelden zijn: thee & koffie-concepten, brood & lunchconcepten, ijs & yoghurt concepten. Daarnaast zijn ook concepten zoals omschreven bij categorie III mogelijk indien de openingstijden kunnen worden beperkt.
Categorie II (Droge horeca):
Horeca inrichting waar:
hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt.
Voorbeelden zijn aan te merken: fastfoodconcepten, healthy fastfoodconcepten, snackbars, shoarmazaken. Indien alcohol wordt verstrekt valt het bedrijf in categorie III.
Categorie III (Eetgelegenheden):
Horeca inrichting, niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar
hoofdzakelijk maaltijden worden verstrekt.
Voorbeelden zijn: restaurants, pizzeria's, all-you-can-eat-concepten, café-restaurant.
Categorie IV (Café - Barconcepten):
Horeca inrichting waar:
hoofdzakelijk dranken worden verstrekt, en waar eventueel in combinatie daarmee kleine etenswaren worden verstrekt.
Voorbeelden zijn: cafés, bars, pubs, bier-, wijn- en cocktailconcepten.
Categorie V (Uitgaan & Zalen):
Horeca inrichting waar:
hoofdzakelijk dranken worden verstrekt en entertainment wordt aangeboden, zoals (live) optredens en mechanische muziek.
Voorbeelden zijn: clubs, discotheken, feestcafés, uitgaansconcepten, zalen- en partycentra, danscafés, karaokebars. Combinatie met (onderdelen) van categorieën III en IV vallen ook binnen deze categorie.
Categorie VI (Verblijfshoreca):
Horeca inrichting waar:
hoofdzakelijk gelegenheid tot tijdelijk slaapverblijf wordt gegeven, en waar eventueel in combinatie daarmee maaltijden, dranken en/of kleine etenswaren worden verstrekt.
Voorbeelden zijn: hotels, motels en pensions.
3.8.3 Ondersteunende horeca
Horeca is ook een zeer wenselijk onderdeel van andere (maatschappelijke) voorzieningen zoals een schouwburg, buurthuis of sportvoorziening. Deze horeca staat ten dienste van een andere hoofdfunctie. Deze hoofdfunctie is dan ook opgenomen in het bestemmingsplan. Het schenken van alcohol is toegestaan middels een Drank- en Horecavergunning.
3.8.4 Maatregelen in bestemmingsplan
Hier is sprake van een recreatieve voorziening, namelijk een camping met maximaal 20 bed and Breakfastkamers. Voor de bed and breakfastgasten zal ontbijt geserveerd worden en evt. kleine maaltijden en een drankje voor alle gasten. Er is dus geen sprake van een zelfstandige horeca maar de horeca is ondersteunend aan de recreatieve hoofdfunctie. De horeca mag, inclusief terras, maximaal 150m2 groot zijn.
3.9 Verkeer en parkeren
3.9.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.9.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.9.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
Meer concreet geldt voor het onderhavige plangebied:
Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de Biezenmortelsestraat in het buitengebied van Biezenmortel.
Omliggende wegenstructuur:
De Biezenmortelsestraat is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximaal toegestane snelheid van 60 kilometer per uur.
Ontsluiting van het plangebied:
Het plangebied wordt doormiddel van twee bestaande inritten ontsloten via de Biezenmortelsestraat.
Parkeren
Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de vastgestelde normen van de gemeente Tilburg zoals vastgelegd in de parkeernotitie gemeente Tilburg 2017. De parkeereis dient opgelost te worden binnen het plangebied.
Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Voor het bepalen van het aantal in te passen fietsstallingsplaatsen dient een inschatting van de behoefte te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW. Zowel de parkeerbehoefte voor motorvoertuigen als voor fietsen wordt op eigen terrein opgevangen.
Noodhulpdiensten:
Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.2 Milieueffectrapportage
4.2.1 Algemeen
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet
worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.
ad. a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke
activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt
zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig.
Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de
concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene
wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879). Gelet
hierop wordt de bouw van 1 woning niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar
verandert het gebruik van het perceel door de toevoeging van 1 woning, maar het ruimtebeslag van de
voorziene bebouwing is te beperkt om aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject als
bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft
derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied
betreft De Loonse en Drunense Duinen op 200 meter afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.
4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling
Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 9). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten.
4.3 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
In de omgeving van het plangebied zijn een aantal bedrijven gelegen. Biezenmortelsestraat 4 (boomkwekerij), Biezenmortelsestraat 2 (hondenpension), Biezenmortelsestraat 7 (plantenkwekerij/hovenier) en de Biezenmortelsestraat 10 (loonbedrijf). De hoogste milieucategorie betreft 3.1. (fokken of houden van huisdieren en loonbedrijf), waarvoor een richtafstand van 50 meter wordt gehanteerd. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De agrarische gronden direct grenzend aan het plangebied zijn in eigendom van de initiatiefnemer.
Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.
Dit houdt in dat:
wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;
kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;
met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;
nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;
de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
Het plan betreft geen nieuw woningbouwinitiatief. Het gaat om het splitsen van een bestaande woning en realiseren van logies. De beleidslijn is niet van toepassing.
4.4 Externe veiligheid
4.4.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.4.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In de bij dit plan gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-Vught. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.
4.4.3 Conclusie en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg - ‘s-Hertogenbosch. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico).
De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 26 februari 2021 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief;
Aangezien het plan op >1.000 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe;
De bereikbaarheid van het plangebied is goed;
Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
De afstand tot het Waarschuwings- en Alarmerings-Systeem bedraagt ruimt 1 kilometer. Aangezien de woning niet binnen gehoorsafstand ligt, zal er voor alarmering gebruik moeten worden gemaakt van digitale alarmering via smartphone en internet. Bijvoorbeeld via NL-Alert;
De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Aanbevolen wordt om de toelating van de buitenlucht (centraal) te kunnen afsluiten. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk;
De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
4.6.1 Weg- enrailverkeerlawaai
De bestaande hoofdwoning waarin tevens de B&B is gehuisvest wordt opgesplitst in twee woningen. In de nieuwe situatie is sprake van een bedrijfswoning die onderdeel uitmaakt van het bestaand recreatiebedrijf en een zelfstandige burgerwoning. De opsplitsing van de hoofdwoning in twee woningen kan gezien worden als een situatie zoals bedoeld in artikel 76 lid 3 van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat niet aan de normen van de Wgh getoetst hoeft te worden voor wegverkeerslawaai. Omdat er geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt hoeft tevens niet getoetst worden aan de normen voor railverkeerslawaai.
Voor de activiteiten die onderdeel uitmaken van het bestaand recreatiebedrijf waaronder de oprichting van 20 nieuwe B&B kamers in de bestaande westelijke stal is de Wgh ook niet van toepassing omdat het niet om (de oprichting van) geluidgevoelige bestemmingen gaat.
In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting beschouwd.
Zowel de woningen als het recreatiebedrijf zijn op grote afstand van in de omgeving aanwezige (agrarische) inrichtingen gelegen. Deze inrichtingen zullen dan ook een zeer beperkte bijdrage hebben. Maatgevend voor de optredende geluidbelasting is de Biezenmortelsestraat. Aan de hand van het gemeentelijk geluidmodel (peiljaar 2030) is de geluidbelasting van deze weg bepaald. Uit de rekenresultaten blijkt:
dat de geluidbelasting op de noordgevel van de woningen maximaal 58 dB bedraagt;
dat beide woningen over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikken;
de geluidbelasting ter hoogte van de staanplaatsen van de minicamping en de B&B kamers maximaal 53 dB bedraagt;
dat voor de woningen en het recreatiebedrijf op grond van optredende geluidbelasting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening.
4.6.2 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
De woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld.
De burgerwoning ligt binnen de richtafstand van het recreatiebedrijf zoals gesteld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009. De geluidbelasting t.g.v. het recreatiebedrijf op de burgerwoning is beperkt van omvang. Enerzijds doordat een groot deel van de activiteiten binnen plaatsvinden (B&B, houden van geiten zonder mechanische ventilatie, ondergeschikte horeca), anderzijds doordat de burgerwoning geheel wordt afgeschermd van de mini-camping als gevolg van de aanwezige bebouwing. Het parkeren ten behoeve van de recreatieve voorzieningen (camping/B&B) vindt ook aan de westzijde van de inrichting plaats vindt. De verwachting is dat het recreatiebedrijf in dat geval kan voldoen aan de geluidnormen van stap 2 van de brochure voor gebiedstype gemengd gebied en de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat voor de burgerwoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.6.3 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.6.4 Stiltegebied
Het plangebied is gelegen binnen de attentiezone van het Stiltegebied Drunensche Duinen zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 01-03-2020). Om verstoring op het stiltegebied te voorkomen stelt de Interim omgevingsverordening een grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege de bijdrage van een locatiegebonden milieubelastende activiteit (inrichtingen) in de Attentiezone stiltegebied en vanwege een niet locatiegebonden geluidsbron (o.a. woningen) binnen de Attentiezone stiltegebied.
Als grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting:
vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in de Attentiezone stiltegebied geldt 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op 1,5 meter hoogte op de grens van het Stiltegebied. Deze grenswaarde is van toepassing op het recreatiebedrijf omdat de locatie van de activiteit 50 meter of meer van de grens van het stiltegebied ligt;
vanwege een niet locatiegebonden geluidsbron binnen de Attentiezone stiltegebied, geldt een geluidsniveau van 50 dB(A) LAeq, 24 uur, op de grens van het stiltegebied. Deze grenswaarde is van toepassing op de burgerwoning.
De afstand van de burgerwoning tot de grens van het stiltegebied bedraagt circa 130 meter. Gelet op deze afstand en het gegeven dat de werkzaamheden die toebedeeld kunnen worden aan het opsplitsen van de bestaande hoofdwoning tot twee woningen hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden, mag verondersteld worden dat de grenswaarde in acht wordt genomen.
De afstand van het recreatiebedrijf tot de grens van het stiltegebied bedraagt circa 150 meter.
De geluidbelasting t.g.v. het recreatiebedrijf is beperkt van omvang. Dit komt enerzijds omdat een groot deel van de activiteiten binnen plaatsvinden (B&B, houden van geiten zonder mechanische ventilatie, ondergeschikte horeca), anderzijds doordat er sprake is van een mini-camping met een beperkt aantal staanplaatsen van maximaal 25. Bovendien zijn er op het recreatiebedrijf geen permanente voorzieningen aanwezig zoals zwembaden, speeltuinen en animatieactiviteiten die veel geluid veroorzaken. Gelet op de afstand tot de grens van het stiltegebied en het gegeven dat het geluid afkomstig van het recreatiebedrijf akoestisch gezien van beperkte van omvang is mag verondersteld worden dat de grenswaarde in acht wordt genomen.
4.6.5 Trillingen
Trillinghinder is niet te verwachten.
4.7 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. De activiteiten van het recreatiebedrijf en de burgerwoning hebben een zeer beperkte bijdrage op de luchtkwaliteit. Gelet op de beperkte omvang van de camping en de B&B zal het aantal verkeersbewegingen beperkt zijn en zal de bijdrage t.g.v. het aantal verkeersbewegingen op de luchtkwaliteit niet in betekenende mate bijdragen. Daarnaast is er geen sprake van luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.
In de bijlage ‘Toelichting geur Biezenmortelsestraat 8’ is het aspect geur onderbouwd. De gewenste activiteiten (splitsing woonboerderij, houden van schapen en 20 Bed and breakfast voorzieningen) voldoen op de locatie aan de Biezenmortelsestraat 8 te Biezenmortel aan de eisen voor het aspect geur, het woon- en leefklimaat wordt daarom aanvaardbaar geacht. Nadere toetsing wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
4.9 Bodem
De aanleiding is de geplande splitsing van de boerderij in twee woningen en een (samengevat) beoogde bestemmingswijziging van de huidige stal in recreatieve verblijfsruimten. Op dit moment heeft het perceel een recreatieve bestemming met woning en stallen. Het gebruik zal dus gevoelig worden ten opzichte van het huidige gebruik als stal. De bestemming van de langgevelboerderij blijft qua gevoeligheid gelijk.
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar.
Er zijn geen bodemonderzoeken aangeleverd. In het bodeminformatiesysteem zijn ook geen bodemonderzoeken bekend. Tevens zijn geen gegevens beschikbaar met betrekking tot (ondergrondse) brandstofopslag op de locatie. Ook zijn er geen bodemonderzoeken bekend in de naaste omgeving van het bestemmingsplangebied.
Conclusie
Er is geen actueel bodemonderzoek beschikbaar voor het plangebied. Op basis van het historisch gebruik worden echter geen belemmeringen in de vorm van grootschalige bodemverontreiniging verwacht. Ook op basis van de bodemkwaliteitskaart worden geen belemmeringen verwacht. Daarom hoeft, ondanks het gevoeliger gebruik van de stallen, in deze fase geen bodemonderzoek te worden ingediend.
Voor een Wabo-omgevingsvergunningsactiviteit '(ver-)bouwen van bouwwerk', kan eventueel wel een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 (VO) worden verlangd. In hoeverre een bodemonderzoek bij een bouwvergunning wordt geëist, is afhankelijk van de aard van de bouwplannen.
4.10 Natuur en ecologie
4.10.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.10.2 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Het plangebied aan de Biezenmortelsestraat 8 te Biezenmortel ligt op 200 meter afstand van wettelijk beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Loonse en Drunense Duinen. Binnen het bestemmingsplan worden opnieuw recreatieve functies mogelijk gemaakt. Ten opzichte van de referentiesituatie neemt de stikstofemissie in het gebruik niet tot nauwelijks toe. Daarnaast is in de bouwfase enkel sprake van inpandige verbouwing. Hierdoor zijn significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden als gevolg van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten.
Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 100 meter van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien de werkzaamheden en de zeer beperkte externe invloed daarvan redelijkerwijs uit te sluiten.
Soortenbescherming
De woning kan geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Echter doordat er geen wijziging plaatsvind aan de bestaande buitenmuren zullen er geen verblijfplaatsen verloren gaan, waardoor negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Binnen de te slopen stal zijn geen sporen of uitwerpselen van beschermde soorten aangetroffen. Door de openheid en een dak van golfplaten zijn deze ook niet te verwachten. In het plangebied zijn geen beplantingen aanwezig in de directe omgeving van de te slopen opstal waar vogels in kunnen nestelen.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen vanuit ecologisch oogpunt om de woning te splitsen, het asbest dak te vervangen en de aanwezige rundveestal te slopen. Wanneer de muur en spouwmuur van de woning worden gewijzigd dient onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen plaats te vinden.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Bestaand watersysteem
De belangrijkste kenmerken van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. In de huidige situatie is op het perceel een woning met bijgebouwen en erfverharding aanwezig.
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Stroomgebied |
Zandleij |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel |
|
Bruto oppervlakte |
12.000 m² |
|
Terreinhoogte |
Ca 8,1 tot 8,5 m+NAP |
|
Riolering |
Drukriool (alleen vuilwater) |
|
Afkoppelgebied |
Niet van toepassing |
|
Oppervlaktewater |
Aan de oost- en zuidzijde van het perceel ligt een A-watergang |
Tabel 1; Gebiedskenmerken
In de huidige situatie is het perceel deels bebouwd en verhard. Regenwater dat valt op verharde oppervlakken wordt op het perceel verwerkt. Regenwater dat valt op onverharde oppervlakken infiltreert naar het grondwater. Het perceel is aangesloten op drukriolering. Afvalwater wordt getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel.
5.2 Beleidskader
Waterschap De Dommel heeft zijn actuele waterbeleid opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). In dit programma staat een watertransitie centraal die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. De transitie heeft drie leidende principes: 1) elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; 2) functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; 3) wat schoon is moet schoon blijven. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
Toekomstige situatie
Met het bestemmingsplan wordt geen nieuwe verharding mogelijk gemaakt. Wel maakt het meer recreatief verblijf mogelijk.
5.3 Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
voldoende ontwateringdiepte;
de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
Regenwater
Het bestemmingsplan maakt geen uitbreiding van het verharde oppervlak mogelijk. De regenwatersituatie blijft daardoor onveranderd. Het regenwater mag, net als in de huidige situatie, niet worden aangesloten op het drukriool in de Biezenmortelsestraat.
Huishoudelijk afvalwater
De ontwikkeling maakt een toename van recreatief verblijf mogelijk. Daarmee kan ook de hoeveelheid huishoudelijke afvalwater toenemen. Dit zal vroegtijdig moeten worden kortgesloten met de gemeente.
Oppervlaktewater
Aan de oost- en zuidzijde van het perceel ligt een A-watergang van Waterschap De Dommel. Langs dit water moet een strook van vijf meter worden vrijgehouden voor onderhoud van de watergang.
5.4 Watertoets
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is zeer beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
6.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Standaard plansystematiek
6.2.1 Bouwvlak en erf
De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) werkt met bestemmingen en bouwvlakken binnen deze bestemming.
Het bouwvlak komt in principe dus bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.
Buiten het bouwvlak mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.
6.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan:
75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²;
150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²;
200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²;
terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.
6.3 Bestemmingen en aanduidingen
In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:
Agrarisch;
Recreatie;
Wonen-Buitengebied.
Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:
horeca;
bedrijfswoning;
detailhandel;
kampeerterrein;
parkeerterrein;
terras;
bouwvlak;
landschapswaarden;
maatvoeringsvlak;
maximum bebouwd oppervlakte (m2).
Daarnaast zijn de volgende dubbelbestemmingen aanwezig:
Leiding - Leidingstrook
Waarde - Archeologie 2
Waterstaat - Attentiegebied NNB
Waterstaat - Waterberging
Toelichting Bestemmingen:
Recreatie
Deze bestemming is toegekend aan de gronden behorend bij het gevestigde recreatiebedrijf. Binnen deze bestemming is meer specifiek, middels aanduidingen, de locatie van diverse activiteiten ten behoeve van het recreatief bedrijf geregeld.
Agrarisch
Deze bestemming is toegekend aan een gronden, liggend om het recreatieve bedrijf. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling is binnen deze bestemming, middels aanduiding “landschapswaarden” mede de aanleg en instandhouding van landschapselementen geregeld.
Wonen-Buitengebied
Deze bestemming is toegekend aan de gronden ten behoeve van de afgesplitste burgerwoning in het buitengebied.
Leiding – Leidingstrook
In de gronden met bestemming “Leiding – Leidingstrook” liggen een waterleiding, gasleiding, brandstofleiding en rioolpersleiding. Ter bescherming en instandhouding van deze ondergrondse leidingen voorziet deze bestemming in een aanlegstelsel.
Waarde - Archeologie 2
In de gronden met bestemming “Waarde – Archeologie 2” wordt verwacht, gelet op de voorgeschiedenis van deze gronden dat er archeologische waarden aanwezig zijn. Ter bescherming van deze Archeologische Waarden voorziet deze bestemming in een aanlegstelsel.
Waterstaat - Attentiegebied NNB
De voor 'Waterstaat - Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant' aangewezen gronden zijn in verband met de waterhuishouding in Brabant mede bestemd voor het behoud, herstel, beheer en/of ontwikkeling van hydrologische waarden.
Waterstaat – Waterberging
De voor 'Waterstaat - Waterberging)' aangewezen gronden zijn in verband met de waterhuishouding in Brabant mede bestemd ten behoeve van tijdelijke waterberging/opvang.
6.4 Bouw- en gebruiksregels
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, buiten bouwvlak, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Biezenmortelsestraat 8 Biezenmortel, 3e herziening op 11 december 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het concept-ontwerpbestemmingsplan is verzonden naar de de provincie Noord Brabant en het Waterschap De Dommel.
Hieronder worden de overlegreacties met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van Burgemeester en wethouders wordt vermeld.
Provincie Noord-Brabant
De provincie heeft aangegeven in beginsel postief te staan tegenover de ontwikkeling en gesteld dat deze uitbreiding voorstelbaar is zonder grote gevolgen voor de omgeving.
Splitsing woonboerderij
In verband met de voorgenomen splitsing van de woonboerderij, ten behoeve van het behoud en/herstel van culuurhistorische waarde is verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken ter beoordeling van of voldaan wordt aan de provinciaal gestelde voorwaarde voor splitsing van de woonboerderij. Verzocht is om de redengevende omschrijving, bouwtekeningen van de bestaande en toekomstige toestand en een gedetaileerde inrichtingsschets van het boerenerf.
standpunt van het college:
De initiatiefnemer heeft het momumentenhuis brabant verzocht om een redengevende omschrijving ter onderbouwing van de woningsplitsing. Deze is bij het plan gevoegd. Daarnaast heeft de initiatiefnemer een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waaruit de inrichting van het boerenerf blijkt.
Kwaliteitsverbetering van het Landschap
De provincie is van oordeel dat de ontwikkeling deels valt onder een categorie 3 ontwikkeling zoals deze in het afsprakekader hart van Brabant is gedefinieerd en dat voor deze uitbreiding dus een landschappelijk inpassingsplan met bijhorende berekening is vereist. Verzocht wordt de bijhorende berekening bij het plan te voegen.
standpunt van het college: in verband met de correctie, uitbreiding van de recreatieve bestemming heeft de initiatiefnemer ter compensatie van de waardevermeerdering van de gronden berekeningen uit laten voeren een een landschappelijk inpassingsplan aangeleverd.
waterhuishouding:
Volledigheidshalve is ogpemerkt dat nog geen advies van het waterschap bij het plan is bijgevoegd.
standpunt van het college: in het kader van het wettelijk vooroverleg hebben we over het plan advies gevraagd aan het waterschap de Dommel.
Waterschap de Dommel
Rioolpersleiding - leidingstrook
Aan de zuidzijde van de Biezenmortelsestraat 8 ligt een rioolpersleiding parallel aan de weg. Ter bescherming van deze leiding wordt verzocht de rioolpersleiding te beschermen middels de planregels.
standpunt college:
Middels de planregels wordt in de dubbelbestemming Leiding - Leidingstrook de rioolpersleiding beschermd.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Vanaf 1 januari 2022 geldt het nieuwe Waterbeheerprogramma 2022-2027. Verzocht is om dit te benoemen in de plantoelichting.
Standpunt college: in de plantoelichting nemen we het nieuwe beleidskader van het waterschap op.
8.3 Omgevingsdialoog
Op 12 januari 2021 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informerende brief gestuurd naar de omwonenden om ze op de hoogte te stellen van het beoogde bouwplan. In de verstrekte informatie is ingegaan op het initiatief, het bouwplan, de reden waarom de omwonenden de informerende brief ontvangen, het vervolgtraject en op welke wijze ze kunnen reageren op de verkregen informatie. Uit het verslag van de omgevingsdialoog blijkt, dat alle ontvangen reacties van omwonenden positief zijn. De omgevingsdialoog heeft niet geleid tot aanpassing aan het plan.
8.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 19 september 2022 tot en met 30 oktober 2022. Tijdens deze periode is een zienswijze ingediend door de Provincie Noord-Brabant.