Groenewoud 2008, 8e herziening (Pater van den Elsenplein)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan Groenewoud 2008 ingediend ten behoeve de realisatie van een nieuw gezondheidscentrum en een woontoren aan het Pater van den Elsenplein te Tilburg. De herstructurering van het Pater van den Elsenplein, die in gang werd gezet met verplaatsing van de supermarkt, de bouw van nieuwe woningen daarboven en een herinrichting van de openbare ruimte (vormgegeven in het bestemmingsplan Groenewoud 2008, 6e herziening), wordt daarmee voltooid.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat Pater van den Elsenplein 86-90 en de naastgelegen openbare ruimte. Het gaat daarbij om de kadastrale percelen gemeente Tilburg, sectie Y, nummers 1555, 2019 en 2531 (gedeeltelijk).
![i_NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001_402000.png)
Afbeelding: ligging Pater van den Elsenplein in Tilburg
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan vervangt ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan Groenewoud 2008.
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
Het Pater van den Elsenplein was oorspronkelijk als een open geheel met een groen karakter te ervaren. In de
jaren 70/80 zijn een supermarkt en andere kleine bebouwing in deze openbare ruimte gerealiseerd. De ruimte
was vanaf dat moment versnipperd en minder overzichtelijk. De nog onbebouwde ruimte werd grotendeels
door parkeerfaciliteiten bezet en heeft daarom een heel stenig karakter gekregen. De leefbaarheid en
veiligheid van het plein kwamen onder andere vanwege deze indeling onder druk te staan.
Met de verplaatsing van de supermarkt naar de rand van het plein en de herinrichting van de openbare ruimte aan de supermarktzijde is een begin gemaakt met het terugbrengen van een plein met pleinwanden en het open en uitnodigende karakter daarvan.
Het nu voorliggende plan voltooit de herstructurering van het plein. Er wordt een modern gezondheidscentrum gerealiseerd, dat de gedateerde huisartsenpraktijk vervangt. Daarnaast wordt in de lokale woningbehoefte voorzien door het oprichten van een woontoren (hoogbouw). Wat openbare ruimte betreft wordt aansluiting gezocht bij hetgeen reeds is gerealiseerd op het plein.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. In de periode 2020-2040 is er behoefte aan 25.000 extra woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De sterkste groei vindt plaats in de jaren tot 2030. In de update stedelijke ontwikkelingsstrategie 2021 stellen we ons tot doel dat de netto bouwopgave tot 2030 gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar bedraagt.
De update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen september 2021 geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd, in aansluiting op de uitgangspunten van de NOVI (Nationale Omgevingsvisie). De strategie bevat richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien.
Het plan tot de bouw van maximaal 40 middeldure huurwoningen in de wijk Groenewoud aan het Pater van den Elsenplein past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context en is opgenomen in de planlijst (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Ruimtelijk past dit plan binnen de in de update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen geformuleerde strategie. Over de samenhang van dit plan met de kwalitatieve woningbouwopgave verderop meer.
2.2 Provincie
2.2.1 Brabantse omgevingsvisie
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:
De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?
Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.
2.2.2 Interim omgevingsverordening
De provincie heeft een Interim omgevingsverordening (IOV) vastgesteld (25 oktober 2019, in werking getreden op 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de IOV zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De IOV is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.
Specifiek voor het plangebied geldt dat er geen bijzondere verplichtingen aan de orde zijn op basis van de IOV.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.2.1 Hoogbouw
In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007. In 2023 is de Handreiking nogmaals aangepast.
Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.
De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan.
Het voorliggende plan voorziet o.a. in een woontoren van 33 meter hoog, die niet in het vigerende bestemmingsplan past. E.e.a. is derhalve getoetst aan de Handreiking Hoogbouw en akkoord bevonden. De motivering hiervoor luidt als volgt:
Het plangebied ligt aan het Pater van den Elsenplein in Groenewoud en maakt onderdeel uit van de beoogde oost-westverbinding tussen het ziekenhuis en Stappegoor. Deze ‘ruggengraat’ vormt een ruimtelijke- en programmatische verbinding tussen Groenewoud en Stappegoor. De toevoeging van een woontoren en gezondheidscentrum versterkt deze ruggengraat en geeft een kwaliteitsimpuls aan het gebied. Daarbij dragen de appartementen als woontypologie bij aan de gewenste differentiatie in de woonvoorraad van de wijk.
Het toevoegen van een hoogte-accent op deze plek draagt bij aan de markering van het hart van de wijk en de heldere omkadering van het Pater van den Elsenplein. De situering in de knik van de Broekhovenseweg-Oude Hilvarenbeekseweg geeft het wijkhart een gezicht aan het lint en legt de verbinding tussen het plein en de doorgaande weg. De positionering van de gebouwen zorgt voor een gewenste ruimtelijke beëindiging van het Pater van den Elsenplein als tegenspil van de nieuwbouw aan de overkant.
Het plan bestaat uit twee gebouwen met een hoogte-accent van 10 verdiepingen aan de noordkant. De gebouwen worden verbonden door een doorlopende plint waardoor er een binnenplein gecreëerd wordt en er een uniform ensemble ontstaat. Daarbij wordt de openbare ruimte rondom het gebied meegenomen in het ontwerp waardoor er een samenhangend geheel ontstaat met de omgeving. De verkennende gemeentelijke zonnestudie laat zien dat de hoogte van de gebouwen geringe impact hebben en dat voldaan wordt aan de gestelde Haagse norm voor hoogbouw.
Windhinder
Ten behoeve van het plan is een onderzoek uitgevoerd naar windhinder. Dit is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. Aan de hand van dit onderzoek is geconculdeerd dat sprake is van een kwalitatief aanvaardbaar leefklimaat. Het windonderzoek laat zien dat er nergens een slecht windklimaat (Klasse E) of windgevaar ontstaat. De rest van het gebied kent een goed windklimaat. In de noordwestelijke hoek voor Pater van Elsenplein 1 en 2 ontstaat er een matig windklimaat, maar gezien het feit dat deze plek geen verblijfsfunctie als hoofdactiviteit heeft en de groei van de jonge bomen in de toekomst een afschermde werking zal hebben, met positieve impact op het windklimaat, kan dit worden geaccepteerd.
3.2.2 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.3.1 Historische geografie
Het plangebied ligt in de wijk Groenewoud, in het zuiden van de bebouwde kom van Tilburg. Het plangebied bevindt zich op het meest zuidelijke deel van de hoge akkergronden van De Keel, Eselven en Broekhoven die de zuidelijkste uitloper vormden van het grootste, centrale akkercomplex van Tilburg (De Schijf). Er zijn aanwijzingen dat in dit gebied al in de twaalfde eeuw, maar zeer waarschijnlijk nog eerder, ontginningen plaatsvonden. De hoge akkergronden van Tilburg werden in het zuiden begrensd door het brede beekdal van de Oude en Nieuwe Leij.
De wijk Groenewoud werd van noordwest naar zuidoost doorsneden door een aantal dijken die het beekdal van de Oude en Nieuwe Leij overstaken. Dit waren, van oost naar west, de Gemeene Dyk en de Broekhovenschen Dyk (nu deel van de Oude Hilvarenbeekseweg). De nederzettingen in Groenewoud, De Keel, Eselven/Groenewoud en Broekhoven, lagen bij het begin van deze verhoogde wegen. Tot ver in de twintigste eeuw bleef het plangebied onderdeel van een overwegend agrarisch gebied.
Rond 1920 werd ten noorden van Broekhoven een kleine wijk gebouwd (Vogeltjesbuurt) die later werd uitgebreid. Na de Tweede Wereldoorlog volgde nieuwbouw ten westen van de Broekhovenseweg (Vissenbuurt, omgeving Jan Truijenlaan - Groenewoudstraat).
De eerste fase van de bebouwing van onderhavig plangebied dateert van het begin van de jaren ´20 van de twintigste eeuw.
3.3.2 Archeologie
Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een AMK-Terrein.
In 2022 is voor het plangebied een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Boer, E.A.M. de, 2022: Gemeente Tilburg, Plangebied Pater van den Elsenplein te Tilburg. Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). (’s-Hertogenbosch; BAAC-rapport V-21.1051).
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied deel uitmaakt van de rand van een dekzandrug/-welving langs het beekdal van de Katsbogte en de Nieuwe Leij. Dergelijke gebieden op een landschappelijke gradiënt vormden van oudsher aantrekkelijke vestigingsgebieden. Dit blijkt ook uit de archeologische waarnemingen in de omgeving, die betrekking hebben op archeologische waarden uit het mesolithicum en de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd.
Het plangebied was lange tijd in gebruik als bouwland. Als gevolg van eeuwenlange verploeging zal de top van de natuurlijke bodem in de (oude) bouwvoor zijn opgenomen. Vanaf de 15 eeuw is door plaggenbemesting op de akkers een dik humeus cultuurdek ontstaan (plaggendek). In het begin van de 20e eeuw is het oostelijke deel van het plangebied in gebruik genomen als erf/tuin met bijgebouwen behorende bij de bebouwing langs de Broekhovensche Weg.
In de jaren vijftig van de 20e eeuw is het plangebied deel gaan uitmaken van een uitbreidingswijk en zijn de erven verkleind of is de oude bebouwing gesloopt. Het terrein maakt deel uit van een groenstrook in de wijk (Pater van den Elsenplein). Vermoedelijk zal voorafgaand aan de aanleg het gebied zijn geëgaliseerd, waardoor het plaggendek in meer of mindere mate zal zijn afgetopt. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden en de aanleg van kabels en leidingen, zal de bodem in meer of mindere mate verstoord zijn. Vanaf de jaren tachtig hebben in het noordelijke deel van het plangebied bouwwerkzaamheden plaatsgevonden, waardoor de bodem lokaal zal zijn verstoord.
Op basis van het bureauonderzoek geldt er voor het gehele plangebied een lage verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars uit het paleolithicum-neolithicum. Voor vindplaatsen van landbouwers uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen geldt een hoge verwachting. Voor de late middeleeuwen-nieuwe tijd geldt, met uitzondering van de erven langs de oostkant van het plangebied (hoge verwachting) een lage verwachting.
Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied tot in de top van de C-horizont is afgetopt. De humeuze bovengrond is als gevolg van (sub)recente verstoring sterk heterogeen. Er is geen Laag van Usselo aangetroffen. Hieruit is de conclusie getrokken dat het (potentieel) archeologisch niveau niet aanwezig is (Laag van Usselo) of verstoord is (top dekzand). Op basis hiervan is de verwachting bijgesteld naar laag.
Op basis van de resultaten van het archeologische bureau- en booronderzoek (verkennende fase) heeft het bevoegd gezag, gemeente Tilburg, besloten dat er voor de voorgenomen ontwikkeling geen verder archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Binnen het bestemmingsplan hoeft geen dubbelbestemming Waarde Archeologie te worden opgenomen.
Wel geldt altijd dat dat er tijdens de werkzaamheden sporen of resten kunnen worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologisch erfgoed. Is dat het geval, dan dient daarvan zo spoedig melding te worden gemaakt; dit staat in de Erfgoedwet (art.5.10). Officieel moet de vondst worden gemeld bij de minister, in de praktijk kunt u dit ook doen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via het vondstmeldingsformulier (zie: Vondstmeldingsformulier (cultureelerfgoed.nl). Daarmee wordt de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem.
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
In het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
In of in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen beschermde monumenten.Ruim ten oosten van het plangebied is aan de Oude Hilvarenbeekseweg 66 een rijksmonumentaal boerderijcomplex gelegen dat gebouwd werd naar ontwerp van de Tilburgse architect Jos Donders.
De wijkopzet is onderdeel van het partiële uitbreidingsplan Broekhoven. Dit plan pas in 1954-1955 vastgesteld en goedgekeurd en was een uitwerking van de stedenbouwkundige uitgangspunten van het nooit vastgestelde Uitbreidingsplan in Hoofdzaak uit 1947 (geënt op het in de jaren dertig bedachte plan in Hoofdzaken dat in 1940 werd vastgesteld; hierbij werd al uitgegaan van een inwoneraantal van 200.000 in het jaar 2000). Groenewoud komt tot stand volgens de wijkgedachte, die in het naoorlogse Tilburg nog steeds een van de leidende stedenbouwkundige principes was. De wijkgedachte werd verondersteld een heilzame werking op de samenleving te hebben. De stad moest worden opgebouwd uit wijken die volledig zelfstandig waren. Binnen die wijken kon een overzichtelijk ruimtelijk kader worden geboden met een eigen karakter en een wijkraad als kern van de wijkorganisatie. Daarom worden in Groenewoud slechts zoveel woningen opgenomen dat het woongebied voldoende groot zal zijn om zelfstandig tot ontwikkeling te komen en de stichting van een parochie mogelijk te maken. Scholen worden gezien als de kern van de wijk. De wijken dragen ook in de naoorlogse periode een duidelijk Rooms-katholiek stempel. In opdracht van de directeur van Publieke Werken (gemachtigde van het gemeentebestuur) wordt in 1953 vergunning aangevraagd voor de bouw van 185 woningen, 2 winkelwoonhuizen en één bovenwoning. Het model is het bestaand standaardmodel nationale woningraad. Het ontwerp is van de Tilburgse BNA-architect, F. van Meerendonk (Goirkestraat 112) en ir. G. Beekers b.i. Voor de Forelstraat ontwierp architectenbureau Jos Donders in 1959, 29 woningwetwoningen. Aan de zuidzijde van het Pater van den Elsenplein werden vanaf 1956, 8 winkel-woonhuizen en 18 woonhuizen gerealiseerd naar ontwerp van de architecten Ouborg en van der Wegen, in opdracht van aannemer H. Cools. De panden Don Sartostraat, 1, 3, 5, 7, 31, 33 zijn opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de provincie Noord- Brabant. De nrs, 1 tot en met 9, woonhuizen gebouwd in 1933 naar ontwerp van Ouborg en Van der Wegen. Deze woonhuizen zijn nog redelijk gaaf, maar hoewel kenmerkend voor hun ontstaanstijd, beschikken ze niet over bijzondere architectuur- of cultuurhistorische waarden. Van dit woningtype is nog tamelijk veel bewaard in Tilburg.De nrs. 31 en 33, woonhuizen uit omstreeks 1910 zijn eveneens MIP-panden, maar bevinden zich buiten het plangebied. Pius X-kerk. Gebouwd door architect Hurks in 1956. De parochie was een afsplitsing van Broekhoven, op zijn beurt een afsplitsing van Korvel. Paus Pius X (Don Sarto) was paus van 1903 tot en met 1914. In 1954 werd hij als eerste paus sinds 400 jaar heilig verklaard (vooral vanwege zijn strijd tegen de modernisten in de kerk). Het kerkgebouw is gesloopt in 2002 en vervangen door een woningcomplex van bureau Luijten-Smeulders.De herkenbaarheid en ruimtelijkheid van het Pater van de Elsenplein als wijkhart heeft te flink te lijden gehad door de omzetting van de groene inrichting in een meer stenige met parkeerplaatsen en winkels.
3.3.4 Conclusie
Er bestaan geen bezwaren tegen de ontwikkeling uit oogpunt van cultuurhistorie en archeologie. Wel geldt altijd dat dat er tijdens de werkzaamheden sporen of resten kunnen worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat het gaat om archeologisch erfgoed. Is dat het geval, dan dient daarvan zo spoedig melding te worden gemaakt; dit staat in de Erfgoedwet (art.5.10). Officieel moet de vondst worden gemeld bij de minister, in de praktijk kan men dit ook doen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via het vondstmeldingsformulier (zie: Vondstmeldingsformulier (cultureelerfgoed.nl). Daarmee wordt de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem.
3.4 Volkshuisvesting
Woonvisie, Woonagenda, Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek en update stedelijke ontwikkelingsstrategie 2021
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie.
Woonadvies specifiek voor plangebied
In de wijk Groenewoud zien veel grondgebonden woningen (81%), onderverdeeld in 40% koop en 60% huur. Meer dan de helft van de woningen (54%) is corporatiebezit. In tegenstelling tot de rest van het woningmarktgebied stond het overgrote deel van de woningen er al voor 2000 (87%). Met 14% van de huishoudens in de sociale minimacategorie scoort de wijk slecht vergeleken met de rest van Tilburg. Groenewoud is onderdeel van de PACT-aanpak van de gemeente Tilburg, waarmee beoogd wordt de leefbaarheid te vergroten. Het percentage ouderen ligt hoger dan het Tilburgse gemiddelde en het aanbod aan nultreden woningen voor ouderen is beperkt.
Het woningbouwprogramma met maximaal 40 middeldure huurwoningen voor o.a. de doelgroep ouderen sluit daarmee goed aan op de gewenste ontwikkeling in de wijk Groenewoud. De locatie bij het winkelcentrum en de directe nabijheid van het gezondheidscentrum maakt deze locatie in het bijzonder geschikt voor de doelgroep ouderen.
We adviseren de woningen levensloopbestendig en nultreden uit te voeren. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving.
In paragraaf 2.1.1. (Ladder voor) Duurzame verstedelijking hebben we omschreven op welke wijze we regionaal afspraken maken over nieuwbouw en hoe het plan zich verhoudt tot de plancapaciteit en deze afspraken.
3.5 Groen
3.5.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer
bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is
onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet
te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld
en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken
rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2021
Bomenbeleid:
beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2021
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening
De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming
door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening.
Boomwaarde zoneringskaart (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente
Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco-,hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de
Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming
(Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van
de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij
velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie
Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod
opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal
houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde
plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van
de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen
in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van deBomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of
herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan is de BWZ-kaart verwerkt in de Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.
Specifiek voor de onderhavige ontwikkeling geldt dat als gevolg van de voorgenomen bouw van gezondheidscentrum + woontoren 14 bomen gekapt dienen te worden, aangezien deze bomen op de locatie van de nieuwbouw staan, en dat nog eens 14 bomen gekapt moeten worden als gevolg van de herinrichting van het openbaar gebied. In het exploitatiegebied van het gezondheidscentrum komen 10 nieuwe bomen terug. Puur kijkend naar deze fase van de herstructurering van het plein verdwijnen dus 28 bomen er komen er 10 bomen terug. Daarnaast is er nog sprake van een flinke vergroening (ontharding) van het Pius X pleintje. Meer bomen zijn op dit deel van het plein niet mogelijk, omdat het plan voorziet in parkeren op maaiveld, voorziet in een aantal verblijfsplekken (met spelen) en rekening houdt met wadi’s in openbare ruimte voor het opvangen van hemelwater. Het ontwerp van de herstructurering van het Pater vd Elsenplein als geheel, dus inclusief het reeds gerealiseerde deel in de eerste fase van de herstructurering, kent echter een hele andere (positieve) verhouding tussen te kappen en nieuwe bomen. Op dit schaalniveau worden in totaal 69 bomen gekapt (waarvan 41 reeds gekapt) en komen er 85 terug (waarvan er al 75 zijn aangeplant in de eerste fase). De herstructurering van het Pater van den Elsenplein als totaalproject leidt derhalve tot een vergroening en een toename van het aantal bomen (toename van 16 stuks netto). Zie voor dit alles de bij de plantoelichting gevoegde "kaptekening".
3.5.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
3.5.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteitneemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter tebeschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en
versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie
van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een
duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet
worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de
groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en
groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon
waargenomen worden.In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).
3.5.4 Agenda groen in de stad
De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad). Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad).
3.5.5 Stadsnatuurkaart 2040
De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk.
3.5.6 Uitvoeringsagenda Koel Tilburg
Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze
stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom willen we dat de stad leefbaar
blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder
uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een
Koel Tilburg. De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragenaan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de
Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet.
Ieder initiatief of ontwikkeling moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld. De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2020-2023 (zie paragraaf 5.1). De beleidsregels worden juridisch verankerd in onder andere bestemmingsplanregels en Handboek Openbare Ruimte.
3.6 Verkeer en parkeren
3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.6.3 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2023'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen.
3.6.4 Projectspecifieke aspecten
Functies
Op het Pater van de Elsenplein wordt op de plaats van de bestaande huisartsenpraktijk, apotheek en fysiotherapiepraktijk een appartementencomplex gebouwd met daarin 40 woningen. Naast dit appartementencomplex wordt een nieuw gezondheidscentrum gebouwd.
Ontsluiting
Het plangebied wordt omsloten door het Pater van de Elsenplein, de Visserijstraat, Forelstraat en Don Sartostraat. Dit zijn erftoegangswegen met een maximaal toegestane snelheid van 30 km/u. Het Pater van de Elsenplein is een secundaire fietroute en sluit aan op de gebiedsontsluitingsweg Broekhovenseweg, die op zijn beurt weer aansluit op de Ringbaan Zuid. Een van de hoofdontsluitingswegen van Tilburg.
Openbaar vervoer:
Op loopafstand liggen bushaltes langs de Oude Hilvarenbeekseweg en Broekhovenseweg.
Afvalinzameling:
Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld.
Verkeersgeneratie
De planontwikkeling geeft een bepaalde verkeersgeneratie. In onderstaande tabel is bepaald wat de verkeersgeneratie is van de afzonderlijke bouwblokken. Hiervoor zijn kencijfers van het CROW “ASVV 2021” gehanteerd. Tilburg is aangemerkt als “sterk stedelijk”. De locatie ligt in de zone “rest bebouwde kom”. De CROW-richtlijnen kennen een bandbreedte voor de verkeersgeneratie. Voor onderstaande berekening is uitgegaan van de minimale kant van de bandbreedte. Hier is voor gekozen omdat de gemeentelijke parkeernormen ook afgeleid zijn van de minimale kant van de bandbreedte van de CROW parkeernormen.
Nieuw
|
Functie |
aantal |
verkeersgeneratie |
Totaal |
|
Gezondheidscentrum |
27 |
23,3 |
629,1 |
|
Apotheek |
1 |
125,4 |
125,4 |
|
Fysiotherapie |
4 |
13,9 |
55,6 |
|
Woningen |
40 |
3,2 |
128 |
|
Totaal |
|
|
938 |
Bestaand
|
Functie |
aantal |
verkeersgeneratie |
Totaal |
|
Gezondheidscentrum |
6 |
23,3 |
139,8 |
|
Apotheek |
1 |
125,4 |
125,4 |
|
Fysiotherapie |
7 |
13,9 |
97,3 |
|
Totaal |
|
|
362 |
Toename
|
Functie |
aantal |
verkeersgeneratie |
Totaal |
|
Gezondheidscentrum |
21 |
23,3 |
489,3 |
|
Apotheek |
0 |
125,4 |
0 |
|
Fysiotherapie |
-3 |
13,9 |
-41,7 |
|
Woningen |
40 |
3,2 |
128 |
|
Totaal |
|
|
576 |
De ontwikkeling zorgt voor een verkeersgeneratie van 938 ritten per gemiddelde weekdag. Dit is niet de theoretische toename van de hoeveelheid verkeer. De huidige bestemming heeft verkeersgeneratie van 362 ritten per gemiddelde weekdag. De toegenomen verkeersgeneratie van 576 ritten is in dit geval de meest negatieve situatie. De verkeersgeneratie van 576 ritten kunnen zonder problemen afgewikkeld worden op de omliggende wegen. Door de verkeersgeneratie van de verschillende bouwblokken ontstaan geen problemen op het gebied van doorstroming of verkeersveiligheid op de omliggende wegen.
Parkeren
Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de vastgestelde normen van de gemeente Tilburg zoals vastgelegd in de nota parkeernormen 2023 van de gemeente Tilburg.
Volgens de nota parkeernormen 2023 ligt de planlocatie in zone C. Uit de parkeerberekening van de ontwikkeling blijkt dat het maatgevende moment (drukste moment) een werkdagochtend is en dat de parkeervraag op dat moment 81 parkeerplaatsen is wat tegenover de oude situatie een toename van 54 parkeerplaatsen is.
Voor het Pater van de Elsenplein is een integrale parkeerberekening gemaakt waarin de huidige parkeerbehoefte, de parkeerbehoefte van de supermarkt met appartementen en de parkeerbehoefte van deze ontwikkeling zijn meegenomen. Het maatgevende moment van het hele plein, inclusief deze ontwikkeling ligt dan op een koopavond. In totaal zijn er dan 204 parkeerplaatsen nodig wat een totale toename van 65 parkeerplaatsen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie betekent. Na herstructurering zijn op het gehele Pater van de Elsenplein 218 parkeerplaatsen aanwezig, waarvan er al 173 parkeerplaatsen zijn aangelegd. Met deze ontwikkeling worden nog 45 parkeerplaatsen aangelegd. Totaal zijn er in de nieuwe situatie 218 parkeerplaatsen aanwezig, waarmee het plan voldoet aan de parkeernorm.
Fietsparkeren
Bewoners van de appartementen stallen hun fietsen in eigen bergingen. Voor bezoekers van de appartementen moeten er voorzieningen zijn om 8 fietsen te plaatsen. Het maatgevende moment hiervoor is zaterdagavond.
Voor het gezondheidscentrum moeten er in totaal 73 voorzieningen zijn om fietsen te stallen, verdeeld in 42 plaatsen voor personeel en 31 plaatsen voor bezoekers.
De berekeningen voor auto- en fietsparkeren zijn toegevoegd in de bijlages.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.2 Milieueffectrapportage
4.2.1 Algemeen
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet
worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.
ad. a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke
activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt
zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. (beoordelings)plichtig. Er is sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ op ongeveer 3,3 kilometer afstand. Om juridisch zeker te zijn dat het project geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt, heeft er een AERIUS-toets plaatsgevonden, zowel voor de bouwfase als voor de gebruiksfase. Deze toetsen zijn als bijlage bij de plantoelichting gevoegd.Uit de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Het in gebruik hebben van het gezondheidscentrum en de woningen zal dan ook niet leiden tot mogelijke significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit de AERIUS-berekening voor de bouwfase blijkt hetzelfde voor de bouwfase. Beide berekeningen zijn als bijlage bij de plantoelichting gevoegd.
Duidelijk is dat de ontwikkeling niet leidt tot stikstofdepositie en dus geen significante effecten heeft voor Natura 2000-gebieden.
4.2.2 Vormvrije m.e.r beoordeling
Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen. De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Uit de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Het in gebruik hebben van het gezondheidscentrum en de woningen zal dan ook niet leiden tot mogelijke significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit de AERIUS-berekening voor de bouwfase blijkt hetzelfde voor de bouwfase.
Duidelijk is dat de ontwikkeling niet leidt tot stikstofdepositie en dus geen significante effecten heeft voor Natura 2000-gebieden. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten.
4.3 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. De VNG-publicatie is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-publicatie staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Het plan maakt een multidisciplinair gezondheidscentrum mogelijk met de bestemming maatschappelijk (milieucategorie 2). Daarnaast worden er binnen de functie wonen gestapeld woningen mogelijk gemaakt met in de plint dienstverlenende functies (milieucategorie 1). In de omgeving zijn verschillende functies naast elkaar aanwezig. Het gebied is daarom te categoriseren als een gemengd gebied. Hierdoor kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Hierdoor geldt er een richtafstand van 10 meter van de maatschappelijke functies tot de woningen. Aan de richtafstand van 10 meter wordt voldaan.
Geitenmoratorium
In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2).
Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.
De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmings-plannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat:
wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;
kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;
met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;
nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;
de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.
Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.
Het plangebied maakt woningen mogelijk en ligt op ca. 1500 meter van een geitenhouderij en is daarom getoetst aan de beleidslijn geitenmoratorium. Het plan betreft een wooninitiatief binnen stedelijk gebied en wordt daarom zonder meer toegestaan.
4.4 Externe veiligheid
4.4.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.4.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In de bij dit plan gevoegde Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-Vught, de spoorlijn Breda-Tilburg en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.
4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;
Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;
Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.
4.4.4 Conclusie en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg-Vught, de spoorlijn Breda-Tilburg en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De Brandweer Midden- en West- Brabant heeft d.d. 6 oktober 2021 advies uitgebracht. De relevante onderdelen uit dit advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief;
Aangezien het plan op >567 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe;
De bereikbaarheid van het plangebied is goed;
Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem). Dit biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen;
De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk;
De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumenten-vuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheids-contour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied.
4.6.1 Wegverkeerlawaai
Het plangebied voorziet in de realisatie van o.a. een appartementencomplex (geluidgevoelig object) en een gezondheidzorgcentrum. Binnen de bestemming Maatschappelijk waar het gezondheidscentrum komt, komen geen woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen. Voor de oprichting van het appartementencomplex is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd en heeft er een toetsing plaatsgevonden aan de normen van de Wgh en het gemeentelijk geluidbeleid d.d. april 2015. Naast de gezoneerde wegen zijn tevens de 30 km/uur wegen rondom het plangebied meegenomen in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten van het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar het rapport d.d. 24 maart 2022 (projectnummer 0475120, definitief revisie 00) opgesteld door Anteagroup.
De nieuwe appartementen worden gerealiseerd binnen zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen"). Dit betreft de Ringbaan Zuid en de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg. Voor nieuwe woningen geldt als wettelijke voorkeurgrenswaarde 48 dB. Indien de voorkeurgrenswaarde wordt overschreden, dient beoordeeld te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn. Als maatregelen niet mogelijk zijn of onvoldoende beperking van geluid bieden, kan een hogere waarde worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders voor een binnenstedelijke situatie van maximaal 63 dB.
Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat:
de wettelijke voorkeurgrenswaarde voor de Ringbaan Zuid niet wordt overschreden;
de wettelijke voorkeurgrenswaarde met 5 dB wordt overschreden voor de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor een binnenstedelijke situatie wordt niet overschreden;
de gecumuleerde geluidbelasting, exclusief toepassing van de wettelijke aftrek, maximaal 66 dB bedraagt ter plaatse van de noordgevel van de nieuwe appartementen. Maatgevende geluidbron hierbij is het verkeer op het Pater van den Elsenplein.
Maatregelen
Voor alle relevante wegen rondom het plangebied (Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg, Pater v.d. Elsenplein, Don Sartostraat) is onderzocht of er bronmaatregelen (lees geluidreducerende wegdekverharding) genomen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren tot bij voorkeur de voorkeurgrenswaarde. De toepassing van een bronmaatregel in de vorm van een stiller wegdekverharding op de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg verlaagt de geluidbelasting als gevolg van verkeer op deze weg ter plaatse van de geprojecteerde woontoren met circa 2 dB. Voor de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg blijft sprake van een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de oostelijke gevel van het bouwvlak op de 3de tot en met 10de bouwlaag. Mede gelet op het geringe geluidreducerend effect maar ook gelet op de investeringskosten van een nieuwe wegdekverharding wordt deze bronmaatregel als niet doelmatig gezien.
De toepassing van een bronmaatregel op het Pater van den Elsenplein en de Don Sartostraat verlaagt weliswaar de geluidbelasting als gevolg van verkeer op deze wegen ter plaatse van de geprojecteerde woontoren met enkele dB’s, maar de Don Sartostraat is een paar jaar geleden nog voorzien van een nieuwe wegdekverharding en het Pater van den Elsenplein is zeer recent opnieuw gereconstrueerd.
Het aanleggen van een nog stiller wegdektype wordt dan ook gezien als kapitaalvernietigend.
Maatregelen in de overdracht (toepassen geluidschermen) zijn vanuit stedenbouwkundige argumenten voor een binnenstedelijke situatie niet gewenst.
Gemeentelijk geluidbeleid april 2015
Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015. Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op geluid belaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon- en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen. Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen meer bedraagt dan 53 dB voor gezoneerde wegen. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op het nieuwe appartementengebouw niet meer bedraagt dan 53 dB t.g.v. het verkeer op de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg. Dit betekent dat er vanuit het gemeentelijk geluidbeleid geen aanvullende voorwaarden worden gesteld aan het nieuwe appartementencomplex.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat met name het verkeer op het Pater van den Elsenplein maatgevend is voor de hoogte van de gecumuleerde geluidbelasting op het nieuwe appartementengebouw. Gezien de hoogte van de gecumuleerde geluidbelasting wordt geadviseerd bij het ontwerpen van het gebouw rekening te houden met de positionering van de buitenruimtes. In analogie met het gemeentelijk beleid dienen de buitenruimtes zoveel mogelijk aan de geluidluwe zijden van het gebouw gesitueerd te worden. (definitie geluidluw: gecumuleerde geluidbelasting (Lcum), bepaald volgens bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, van maximaal 55 dB) Optioneel hierbij is om de buitenruimtes te voorzien van een dichte balustrade al dan niet gecombineerd met een (zeer) absorberend plafond om zo een geluidluwe buitenruimte (met daarachter gelegen een geluidluwe gevel) te realiseren waarmee het woon- en leefklimaat aanzienlijk wordt verbeterd. Gezien het feit dat de geluidbelasting afkomstig van verkeer op de niet-gezoneerde wegen in dit geval maatgevend is ten opzichte van verkeer op de gezoneerde wegen, is tevens het advies de gevelgeluidwering af te stemmen op de totale gecumuleerde geluidbelasting.
Om de appartementen akoestisch mogelijk te maken en te kunnen voldoen aan de normen van de Wgh, heeft het college van burgemeester en wethouders voor dit bestemmingsplan een hogere waarden besluit genomen dat bij het bestemmingsplan is gevoegd.
4.6.2 Railverkeerlawaai
De nieuwe woningen liggen ver buiten het "aandachtsgebied" van het spoortraject Tilburg-
's-Hertogenbosch. Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wgh/Besluit geluidhinder.
Trillingen
Het plangebied ligt ver buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder niet te verwachten is en onderzoek hierna niet noodzakelijk is.
4.6.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Het plangebied is niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering.
4.6.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.7 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van een o.a. een appartementencomplex en een gezondheidzorgcentrum. Het appartementencomplex kan gelet op het aantal appartementen die gerealiseerd worden, worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).
De verkeersgeneratie die toegekend kan worden aan het nieuwe gezondheidscentrum is van zodanige omvang dat deze ook kan worden aangemerkt als “niet in betekenende mate”. Hierbij opgemerkt dat een groot deel van het aantal verkeersbewegingen al plaatsvonden en toegekend kunnen worden aan de bestaande huisartsenpraktijk.
Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur
4.8.1 Industriële geurhinder
Er is geen sprake van industriële geurhinder in of nabij het plangebied.
4.8.2 Agrarische geurhinder
Er is geen sprake van agrarische geurhinder in of nabij het plangebied.
4.9 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar.
De aanleiding voor onderhavige planherziening is de geplande herinrichting en nieuwbouw op het perceel. Op dit moment is een huisartsenpraktijk op een deel van het bestemmingsplangebied gesitueerd. Voor het overige is het gebied in gebruik als openbaar groen. De huidige bebouwing zal worden gesloopt en deels zal nieuwbouw van een woontoren binnen het plangebied worden gerealiseerd. Het gebruik zal voor een deel dus gevoeliger worden ten opzichte van het huidige gebruik.
Ter plaatse van het bestemmingsplangebied is mogelijk een voormalige erfverharding in de bodem aanwezig. Voor het overige hebben voor zover bekend geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden
In 2021 is ter plaatse van het bestemmingsplangebied een bodemonderzoek (Anteagroup kenmerk 0461051.187, d.d.: 7-10-2021) uitgevoerd (bijgevoegd). In dit onderzoek zijn in boven- en ondergrond en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten gemeten. Deze gehalten vormen geen aanleiding voor het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek.
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek worden geen belemmeringen voor de beoogde bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van het gebied verwacht.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
4.10 Natuur en ecologie
4.10.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.10.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen
Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.
4.10.3 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’ op ongeveer 3,3 kilometer afstand. Het project heeft in de gebruiksfase een sterk verkeersaantrekkende werking, waardoor kan worden gesteld dat de stikstofdepositie mogelijk significant is. Om juridisch zeker te zijn dat het project geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt, heeft er een AERIUS-toets plaatsgevonden.
Uit de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Het in gebruik hebben van het gezondheidscentrum en de woningen zal dan ook niet leiden tot mogelijke significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 512 meter van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.
Soortenbescherming
Op 26 november 2021 heeft er een ecologische quick scan plaatsgevonden. Uit het onderzoek komt naar voren dat verblijfplaatsen van gierzwaluw en huismus in het plangebied en de huidige bebouwing kunnen worden uitgesloten. Het gebouw is wel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, waardoor deze niet kunnen worden uitgesloten.
Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht moeten nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen.
In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.
Conclusie
Ten aanzien van de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen om uitvoering te geven aan het plan. Voor wat betreft de soorten zal er gewekt moeten worden volgens de voorwaarden uit de gebiedsgerichte ontheffing. Als onderdeel hiervan is reeds een ecologisch werkprotocol opgesteld. In de toekomstige nieuwbouw zal naast het aanbrengen van voorzieningen voor vleermuizen ook het principe van natuurinclusief bouwen in acht genomen moeten worden.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023
Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de
gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil
bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk
afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te
stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor,
hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens
de basis voor de gemeentelijke rioolheffing.
Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken.
Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen,
langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen
aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen
behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd
voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard
oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de
wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het
verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te
beperken.
<50 m2: geen regenwateropgave
50 m2 - 150 m2:
indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave
indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1
>150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1
![i_NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001_402001.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001_402001.jpg)
Tabel 1 - regenwateropgave
De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette
waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de
kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.
5.2 Bestaand watersysteem
De belangrijkste kenmerken van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. Het te ontwikkelen plangebied bestaat uit meerdere kadastrale percelen en is in de bestaande situatie deels verhard en deels onverhard.
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel |
|
Bruto oppervlakte plangebied |
Totaal (deel)percelen 5.857 m2 |
|
Terreinhoogte |
Tussen NAP+14,1 m en NAP+14,6 m |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
ca. NAP+11,6 m |
|
Ontwateringdiepte |
Tussen 2,5 m en 3,0 m |
|
Bodem |
Sterk lemig, matig fijn zand |
|
Riolering |
Gemengde/Gescheiden riolering |
|
Afkoppelgebied |
Reserveringsgebied tracés en ruilgebieden |
|
Oppervlaktewater |
Er is geen oppervlaktewater in de nabijheid van het plangebied |
|
Keur beschermde gebieden |
Niet van toepassing (zie afbeelding 1) |
Tabel 1; Gebiedskenmerken
![i_NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001_402002.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001_402002.jpg)
Afbeelding 1; Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur
In de Don Sartostraat is gescheiden riolering aanwezig. In de Forelstraat, het Visserijplein en het Pater van den Elsenplein is gemengde riolering aanwezig, maar is het voornemen om binnen enkele jaren gescheiden riolering aan te leggen. Tussen het geplande gezondheidscentrum en de woontoren in is in het huidige park een gemengd riool aanwezig. In de bestaande situatie wordt het regenwater van verharde oppervlakte afgevoerd naar de gemengde riolering. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem.
|
Oppervlakken |
Oppervlak (m²) |
Verharding (%) |
Afvoerend (m2) |
|
Daken |
760 |
100 |
760 |
|
Elementenverharding |
1.360 |
100 |
1.360 |
|
Groen |
3.737 |
0 |
0 |
|
Totaal |
5.857 |
|
2.120 |
Tabel 2; Afvoerende oppervlakken in de bestaande situatie
5.3 Beleidskader
Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
Toekomstige situatie
De ontwikkeling betreft de sloop van de huidige huisartsenpraktijk en het realiseren van een woontoren en een gezondheidscentrum. In afbeelding 2 is de verbeelding van de gewijzigde bestemming weergegeven.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001_402003.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2020031-e001_402003.jpg)
Afbeelding 2; conceptverbeelding
Voor de verharding van de nieuwe situatie van de percelen wordt uitgegaan van aangenomen verhardingspercentages van de nieuwe situatie zoals opgenomen in tabel 3.
|
Oppervlakken |
Oppervlak (m²) |
Verharding (%) |
Afvoerend (m2) |
|
Woontoren |
767 |
100 |
767 |
|
Maatschappelijk |
1.431 |
100 |
1.431 |
|
Verkeer en verblijf |
3.074 |
70 |
2.469 |
|
Groen |
585 |
0 |
0 |
|
Totaal |
5.857 |
|
4.350 |
Tabel 3; Afvoerende oppervlakken in de plansituatie
5.4 Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
voldoende ontwateringsdiepte;
de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden;
aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
Regenwater
Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren).
Mogelijkheden hiervoor zijn:
Minder terrein verharden;
Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen;
Groene- en/of blauwe daken;
Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.;
Doorgroeibare verharding.
Andere/innoverende ideeën zijn mogelijk.
In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. Er wordt gestreefd naar een bergingsruimte voor 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding. Voor dit plan moet worden uitgegaan van een opgave van 60 mm voor de toename aan verhard oppervlak en een opgave van 20 mm voor vervangende verharding. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg.
Op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie (4.350 m²) geldt voor het plangebied de volgende bergingsopgave:
Toename verharding 2.230 m² x 0,06 m = ca. 134 m³
Vervangende verharding 2.120 m² x 0,02 m = ca. 43 m³
De totale bergingsopgave voor het plangebied komt hiermee op ca. 177 m³. Deze opgave dient bij verdere uitwerking mogelijk te worden bijgesteld op basis van de werkelijke afvoerende verharde oppervlakken. De verharde oppervlakte kan worden gereduceerd door de toepassing van groene daken en doorgroeibare verhardingen en door verhardingen direct in het groen af te wateren en verwerken.
Als invulling van de waterberging wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als groene-/waterbergende daken, wadi’s en greppels als kansrijk gezien, eventueel aangevuld met ondergrondse voorzieningen. De voorziening(en) wordt voorzien van een overloop op de regenwaterriolering. Deze overloop dient als een separate leiding te worden aangeboden.
Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.
Huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater kan worden afgevoerd via de bestaande riolering in de omliggende straten. In overleg met de gemeente moet worden vastgesteld of de bestaande gemengde riolering die door het plangebied loopt gehandhaafd kan en moet blijven.
5.5 Watertoets
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Dit bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een te realiseren ontwikkeling op gemeentelijke grond. Het verhaal van kosten die de gemeente moet maken is 'anderszins verzekerd' door de gemeentelijke gronduitgifte. Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de grondexploitatie, die is opgenomen in de gemeentelijke begroting. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg
7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 18 september 2020 gepubliceerd in het (digitale) Gemeenteblad.
7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het waterschap geeft volgens de geldende werkafspraken pas advies in de ontwerpfase.
Het concept-ontwerpbestemmingsplan is op 10 november 2023 (digitaal) voorgelegd aan de provincie. Uitkomst van die exercitie was dat het vooroverleg als afgerond kan worden beschouwd.
7.3 Omgevingsdialoog
Er is in de periode 2020-2023 een uitgebreide Omgevingsdialoog gevoerd, die heeft bestaan uit meerdere fases en componenten. Zie hiervoor het bij de plantoelichting gevoegde verslag. De Omgevingsdialoog heeft geleid tot enkele ondergeschikte aanpassingen van het plan, zoals het strakker begrenzen van het bouwvlak van de hoogbouw.
7.4 Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 18 december 2023 tot en met 29 januari 2024 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Gedurende de periode van tervisielegging zijn2 zienswijzen ingekomen. De zienswijzen zijn binnen de termijn ingekomen en daarmee ontvankelijk.
De zienswijzen zijn gedeeltelijk gegrond en leiden tot aanpassing van het plan. Verwezen wordt naar de Nota