direct naar inhoud van Regels

Groenewoud 2008, 7e Herziening (Tatraweg 80)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2020012-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

 

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de (vervangende) nieuwbouw van van het Koning Willem II College aan de Tatraweg 80 te Tilburg. De vervangende nieuwbouw van de oudbouw van het Koning Willem II College komt voort uit de besluitvorming van de raad in november 2019 in het kader van het Meerjaren Integraal Huisvestingsplan Onderwijs voor het voortgezet onderwijs. De gebouwdelen van de school uit 2003 blijven staan. De nieuwbouw zal zich meer richting de Tatraweg verplaatsen.

 

Op de vrijkomende locatie in het oostelijk deel van het plangebied is een kindcentrum (0-13 jaar) voorzien. Een kindcentrum omvat een basisschool in combinatie met kinderopvang (0-4 jaar) en buitenschoolse opvang. Voor het kindcentrum is een gymzaal noodzakelijk. Het MBO-onderwijs van de Onderwijsgroep heeft daarnaast behoefte aan een extra gymzaal voor haar sportactiviteiten. Om die reden worden op de locatie Tatraweg twee sporthallen gerealiseerd in plaats van de vier bestaande gymzalen van het Koning Willem II College. Daarmee komen we tevens tegemoet aan de behoefte vanuit sport aan meer binnensportruimte in de stad.   

 

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat het terrein van het bestaande Koning Willem II College en een deel van de ten noorden hiervan geleden sportvelden. Het plangebied wordt globaal begrensd door bebouwing aan de Ringbaan-Zuid in het noorden, de Matterhornstraatin het oosten, de Eifelweg in het zuiden en de Tatraweg / de woonwijk Zuiderkwartier in het westen.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van twee bestemmingsplannen, te weten:

1.4 Ruimtelijke en functionele structuur

Ruimtelijke structuur

Om in de toekomst kwalitatief goed onderwijs te kunnen blijven geven moet het sterk verouderde schoolgebouw van het Koning Willem II College ingrijpend verbouwd worden. Omdat daarbij als uitgangspunt is geformuleerd dat tijdens de verbouwing de lessen in het gebouw doorgang moeten kunnen vinden, is er sprake van een gefaseerde uitvoering en past de uiteindelijke nieuwbouw niet meer binnen de contouren van het oude vigerende bestemmingsplan. Gevolg hiervan is dat er aan de westzijde van het plangebied meer schoolbebouwing bij komt en dat er aan de oostzijde van het plangebied juist ruimte vrij komt.

 

Aan de westzijde en aan de zuidzijde van het plangebied is voor het nieuwe gebouwencomplex een groene rand geprojecteerd, die stedenbouwkundig een essentieel onderdeel is van het plan. Deze groene rand krijgt een robuuste, kwalitatieve invulling, met landschappelijke waarden. Ook wordt hier de wateropgave opgelost. Parkeren wordt hier niet toegestaan door middel van een aanduiding “-p” op de verbeelding. De groene rand draagt bij aan een representatieve uitstraling van het gebouwencomplex aan de hoofdwegen (de Tatraweg en de Eifelweg) en zorgt voor een goede kwalitatieve overgang naar de woonbuurt Zuiderpark. Ook aan de uitstraling van het gebouwencomplex van het Koning Willem II College zelf worden hoge eisen gesteld, met een hoge architectonische kwaliteit die voortborduurt op en aansluit op de markante architectuur van het bestaande schoolgebouw.

 

Zoals gezegd ontstaat er door de hierboven beschreven operatie ruimte aan de oostzijde van het plangebied. In de zuidoostelijke hoek van het plangebied wordt een openbaar speelveld geprojecteerd, dat behalve door het Koning Willem II College ook gebruikt kan worden door bewoners van de aanliggende wijk Groenewoud. Op deze wijze draagt de herontwikkeling van het plangebied ook bij aan de leefbaarheid in deze PACT-wijk. Ten noorden van het geprojecteerde speelveld is nog nader in te vullen ruimte. Mogelijk wordt hier een nieuwe basisschool gerealiseerd, waardoor de “doorlopende leerweg” tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs ook fysiek gestalte zou kunnen krijgen.

 

Sport is een belangrijk programmapunt bij de herontwikkeling van het Koning Willem II College. Er komen twee hallen met elk drie zalen, gesitueerd aan de noordwestelijke zijde van het nieuwe gebouwencomplex. Dit betekent een forse uitbreiding van de sportcapaciteit ten opzichte van de huidige situatie, waardoor ook niet aan het Koning Willem II College gerelateerde sportclubs hier gebruik van kunnen maken, één en ander in aansluiting op het sportklimaat van Stappegoor.

 

De (hoofd-) ontsluiting van het Koning Willem II College voor autoverkeer vindt plaats vanaf de Tatraweg. Om dit verkeerskundig goed te kunnen afwikkelen zijn twee in/uitritten voorzien door de eerder genoemde groene ranarkeren vindt aansluitend aan de ontsluiting plaats, in de noordwestelijke hoek van het plangebied, landschappelijk ingepast door middel van de groene rand. De Eifelweg en de Tatraweg zijn twee belangrijke bestaande assen voor langzaam verkeer. De Eifelweg maakt onderdeel uit van de in het Koersdocument Stappegoor genoemde centrale oost/west-as voor langzaam verkeer tussen Groenewoud en Stappegoor. In het Koersdocument is daarnaast ook een nieuwe oost/west-as voor langzaam verkeer opgenomen, de noordelijke oost/west-as. Deze noordelijke oost/west as loopt dwars door het plangebied heen en is op de verbeelding met een aanduiding aangegeven. Deze as verbindt Groenewoud met Stappegoor (Zuiderpark, Apennijnenzone, Stappegoorboulevard en mogelijke de toekomstige woonbuurt op het terrein van de voormalige Koning Willem II-kazerne). Het grootste deel van de fietsenstalling van het Koning Willem II College wordt opgelost in de noordwestelijke hoek van het plangebied, gekoppeld aan het eerder beschreven parkeerterrein. Deze fietsenstalling is bereikbaar vanaf de genoemde nieuwe oost/west-as.

 

Onderzocht is de schaduwwerking van de nieuw geprojecteerde bouwvlakken op de woonbebouwing in Zuiderpark. Daarbij is tevens een vergelijking gemaakt met het 25 meter hoge bouwvlak uit het oude bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat de schaduwwerking op de representatieve datum 21 maart tamelijk beperkt is en op die datum tussen 8.00 en 9.00 uur in de ochtend uit Zuiderpark verdwijnt . Daarbij wordt tevens geconcludeerd dat de schaduwwerking op Zuiderpark in de nieuwe situatie gunstiger is dan in de oude situatie met het 25 meter hoge bouwvlak. Aan de oostzijde en zuidzijde van het plangebied wordt de op basis van het bestemmingsplan mogelijke schaduwwerking aanzienlijk verkleind doordat de bouwhoogte wordt verlaagd van 25 meter naar 15 meter.  

 

[image] 

[image] 

 

 

Technische infrastructuur

Er zijn geen kabels of leidingen bekend die vanuit externe veiligheid invloed hebben op de herziening. Wel bevinden zich aan de randen van het plangebied doorgaande kabels en leidingen en in het plangebied huisaansluiting voor het Koning Willem II-college.

 

 

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Rijk

 

2.1.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

 

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

 

Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

 

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten.

 

De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen.

2.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

 

In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland.

 

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

 

De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.

 

Hoe werkt de NOVI?

Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,

  2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en

  3. Afwentelen wordt voorkomen.

 

Belangrijkste keuzes in de NOVI

 

Uitvoering van de NOVI

Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.

2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.

 

De vervangende nieuwbouw van de oudbouw van het Koning Willem II College komt zoals aangegeven voort uit de besluitvorming van de raad in november 2019 in het kader van het Meerjaren Integraal Huisvestingsplan Onderwijs voor het voortgezet onderwijs. Het betreft hier vervangende nieuwbouw van 6.000 m2 onderwijsruimte en de vier bestaande gymzalen van de school. De gebouwdelen van de school uit 2003 blijven staan.  Omdat op het perceel in de toekomst tevens een kindcentrumwordt gerealiseerd (in het kader van de onderwijscampus 0-18 jaar), waarvoor een gymzaal noodzakelijk is, en het MBO-onderwijs van de Onderwijsgroep behoefte heeft aan een extra gymzaal voor haar sportactiviteiten, worden binnen het plangebied twee sporthallen (= zes zaaldelen) gerealiseerd in plaats van de vierbestaande gymzalen van het Koning Willem II College. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan de behoefte vanuit sport aan meer binnensportruimte in de stad. Deze toevoeging aan sportruimte past binnen de criteria van het afwegingskader accommodaties (vastgesteld in februari 2020 in het kader van het beleidskader 'Sport en Bewegen, meedoen is winnen'). Er is een aantoonbare behoefte aan meer ruimte voor binnensport in Tilburg en er ligt een knelpunt in de beschikbare capaciteit. In 2018 is een onderzoek uitgevoerd door het Mulierinstituut 'Ruimte voor binnensport in Tilburg' (zie bijlage 10, rapport januari 2019). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat we in Tilburg in vergelijking met andere steden een normatief tekort hebben aan sporthallen/-zalen. Ook door sportverenigingen wordt zowel een kwantitatief als kwalitatief tekort aan ruimte voor binnensport ervaren. Er zijn verenigingen die moeten uitwijken naar accommodaties buiten Tilburg omdat ze in de stad geen geschikte accommodatie kunnen vinden.

 

Op de te slopen locatie komt in de toekomst (na 2023) een kindcentrum 0-13 jaar. Hiertoe wordt op termijn de dislocatie van basisschool Panta Rhei van de Don Sartostraat verplaatst naar het terrein van het Koning Willem II College. Dit maakt onderdeel uit van de plannen om op deze locatie een onderwijscampus 0-18 jaar te realiseren (kinderopvang, basisschool, school voor voortgezet onderwijs).

2.2 Provincie

 

2.2.1 Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

 

De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2022) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De Interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze Interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm.

 

Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.

2.2.2 Interim omgevingsverordening

De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. De veordening is nadien meerdere malen gewijzigd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.

 

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.

 

Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt.

 

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).

 

De locatie is gelegen binnen het werkingsgebied Stedelijk gebied, binnen de onderverdeling stedelijk concentratiegebied (zie onderstaande figuur). De ontwikkeling kan gezien worden als een duurzame stedelijke ontwikkeling. De nieuwbouw wordt voorzien van zonnepanelen en wordt, zoals beschreven onder 1.4 landschappelijk ingepast (inclusief waterberging).

 

[image] 

2.3 Gemeente

 

2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

 

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

  1. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

  2. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

  3. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

2.3.2 Koersdocument Stappegoor

Het Koersdocument Stappegoor is op 26 september 2019 vastgesteld. Het koersdocument is de onderlegger voor een integrale gebiedsontwikkeling van Stappegoor. De locatie Koning Willem II college is meegenomen in het koersdocument.

 

Om ook in de toekomst optimaal onderwijs te kunnen blijven geven heeft het Koning Willem II College adequate huisvesting nodig. Hiertoe dient het college te worden verbouwd, waarbij de ambitie is uitgesproken om op de locatie op twee onderdelen programmatisch uit te breiden. Enerzijds is dat het toevoegen van primair onderwijs (basisschool) op de vrijkomende locatie van het huidige schoolgebouw en anderzijds de ambitie om de zaalcapaciteit uit te breiden zodat behalve behoefte aan de eigen sportbehoefte ook onderdak geboden kan worden een deel van het sporten van de onderwijscampus (Fontys) en aan niet-onderwijs gerelateerde sportvereningen. Daarbij is het ook de ambitie om een openbaar speelveld te realiseren langs de Eifelweg, mede ten behoeve van de aanliggende woongebieden van de wijk Groenewoud.

 

[image] 

[image] 

 

 

 

 

 

Het voorliggend bestemmingsplan is een vertaling van de ambities t.a.v. het Koning Willem II College zoals opgenomen in het koersdocument. Ook wat betreft de wens om binnen Stappegoor zelf in te zetten op goede verbindingen voor langzaam verkeer. Binnen het plangebied is een zone aangeduid waarbinnen de noordelijke oost-west as vorm kan krijgen.

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.

Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

3.3.1 Historische geografie

3.3.2 Archeologie

3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

3.3.4 Conclusie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat er geen bezwaar tegen de planontwikkeling.

 

Voor wat betreft de archeologie moet er rekening mee gehouden worden dat in aansluiting op een verkennend booronderzoek ook een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk zal zijn om de aan- of afwezigheid van archeologische resten vast te stellen.

3.4 Groen en speelruimte

 

3.4.1 Bomenbeleid Tilburg

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 

Bomenverordening

De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.

 

Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.

 

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.

3.4.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

3.4.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de

mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

 

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

3.4.4 Nota Ruimte voor Buitenspelen

Naar aanleiding van de ambities uit de Kadernota Jeugd en de behoefte aan algemene voorwaarden ten aanzien van richtlijnen voor de aanleg van speelplekken is de nota Ruimte voor Buitenspelen (2003) opgesteld. Doel van de nota is dat de jeugd als volwaardige medegebruikers van de openbare ruimte wordt geaccepteerd. Spelen is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een kind. De nota geeft o.a. een analyse van de formele speelruimte in Tilburg weer. Algemene voorwaarden ten aanzien van speelruimte (veiligheid, bereikbaarheid, spreiding, ruimtegebruik, inrichting) en programmering van de spelenplannen en inrichtingseisen van speelruimte komen aan de orde. Een minimumnorm voor formele speelruimte wordt gesteld om voldoende speelruimte te kunnen garanderen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen transformatiegebieden (> 50 woningen), nieuwbouw en bestaande bouw.

 

Transformatiegebieden

Er worden twee stappen doorlopen:

  1. per hectare uitgegeven gebied wordt 300m2 van de ruimte gereserveerd voor formele speelruimte;

  2. de huidige grondoppervlakte aan formele speelruimte per kind bedraagt voor Tilburg 7,2m2. Naar aanleiding van het aantal kinderen woonachtig in het transformatiegebied wordt bepaald hoeveel formele speelruimte er in een wijk/buurt gerealiseerd dient te zijn.

 

Nieuwbouw

Bij nieuwbouwgebieden wordt uitgegaan van stap 1. De inrichting van de formele speelplekken wordt gedaan aan de hand van de actieradius voor speelplekken. In de toekomst zal dit wordt gedaan naar aanleiding van gegevens vanuit het woningbouwprogramma waarmee een schatting gemaakt zal kunnen worden van het aantal kinderen dat in de nieuwbouwwijk komt te wonen (dit wordt in het kader van de uitvoering van de nota Ruimte voor Buitenspelen uitgewerkt).

 

Bestaande stad

Voor de bestaande stad wordt uitgegaan van een standstill-situatie. Dit betekent dat het bestaande oppervlak voor buitenspelen niet (verder) mag afnemen.

Bij nieuwe stedenbouwkundige plannen dient reeds bij de nota van uitgangspunten (programma van eisen) de speelruimtenormering - zoals hierboven beschreven - te worden meegenomen. Dit geldt zowel voor gemeentelijke als particuliere plannen. Op deze manier worden formele speelplekken al vroegtijdig in het ontwerpproces meegenomen.

3.4.5 Groen en speelruimte in plangebied

Aan de westzijde en aan de zuidzijde van het plangebied is voor het nieuwe gebouwencomplex een groene rand geprojecteerd, die stedenbouwkundig een essentieel onderdeel is van het plan. Deze groene rand krijgt een robuuste, kwalitatieve invulling, met landschappelijke waarden.

 

In de zuidoostelijke hoek van het plangebied wordt een openbaar speelveld geprojecteerd, dat behalve door het Koning Willem II College ook gebruikt kan worden door bewoners van de aanliggende wijk Groenewoud. In de regels wordt opgenomen dat minimaal een bepaald percentage van het gebied ingericht wordt als openbaar speelveld.

3.5 Verkeer en parkeren

 

3.5.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

3.5.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

3.5.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' (bijlage 1) zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

3.5.4 Verkeer en parkeren in dit bestemmingsplan

Omliggende wegenstructuur:

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. Aan de noordzijde ligt Ringbaan Zuid. Een gebiedsontsluitingsweg met een maximaal toegestane snelheid van 70 km/h. Nabij de locatie, aan de zuidwestzijde ligt de Stappegoorweg. Dit is een gebiedsonstuitingsweg met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/h. De overige straten rondom het gebied zijn erftoegangswegen met een maximaal toegestane snelheid van 30 km/h.

 

Ontsluiting van het plangebied:

De ontsluiting kan plaatsvinden op de omliggende erftoegangswegen. Om overlast aan de bestaande woonomgeving te voorkomen dient de ontsluiting voor autoverkeer geconcentreerd te worden op de Eifelweg of op de Tatraweg. Een directe aansluiting op Ringbaan zuid voor autoverkeer is niet mogelijk.

In de rapportages “Herontwikkeling Koning Willem II College Tilburg, Berekeningen parkeren en verkeersgeneratie” (bijlage 2) en “Verkeersonderzoek Zuiderpark” (bijlage 3) van Goudappel Coffeng is de verkeersafwikkeling van het extra verkeer als gevolg van de planontwikkeling onderzocht, alsmede het effect op de naastgelegen woonwijk Zuiderpark. De extra verkeersproductie als gevolg van de ontwikkeling is ca. 230 mvt/etmaal, waarvan ca. 20 mvt in de spits. Deze aantallen kunnen goed door de bestaande infrastructuur kunnen worden afgewikkeld.

 

Fietsroutes:

Het plangebied is zeer goed bereikbaar met de fiets. Direct tegen de locatie aan ligt aan de west en aan de zuidzijde een fietsroute welke is uitgevoerd als vrijliggend fietspad in twee richtingen. Aan de westzijde betreft het een sternetfietsroute. Aan de zuidzijde een secundaire fietsroute.

Ter hoogte van de locatie wordt Ringbaan Zuid gekruist met behulp van verkeerslichten. Op 400 meter afstand ligt een fietstunnel onder Ringbaan Zuid, welke aansluit op de sternetfietsroute Stappegoorweg - Trouwlaan.

Op het terrein zelf wordt aan de noordzijde een fiets- en voetgangersverbinding ingepast, welke voorziet in de langzaam verkeersverbinding van Groenewoud met Stappegoor en het Koning Willem II college.

 

Openbaar vervoer:

Het gebied is met openbaar vervoer bereikbaar. De dichtstbijzijnde bushalte ligt ter hoogte van de locatie aan de Eifelweg. Daarnaast liggen aan de Stappegoorweg op loopafstand twee haltes.

 

Afvalinzameling:

Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld. De bereikbaarheid van het perceel voor het BAT vindt eveneens plaats via de Tatraweg.

 

Parkeren:

Parkeren moet op eigen terrein worden gerealiseerd. Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan het vigerend parkeerbeleid van de gemeente Tilburg en concreet aan de vastgestelde normen van de gemeente Tilburg zoals vastgelegd in de parkeernotitie gemeente Tilburg 2017.

 

In de rapportage Herontwikkeling Koning Willem II College Tilburg, Berekeningen parkeren en verkeersgeneratie”van Goudappel Coffeng is berekend dat voor het beoogd programma op het maatgevend moment een aantal van 124 parkeerplaatsen benodigd is. Daarin wordt in het plangebied voorzien.

 

Fietsstalling plaatsen:

Fietsen van werknemers, scholieren en bezoekers moeten gestald worden op eigen terrein. Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Voor het bepalen van het aantal in te passen fietsstallingsplaatsen dient een inschatting van de behoefte te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW (zie de CROW Kennisbank). Deze verwachte stallingbehoefte is een richtlijn. Bij het indienen van de vergunningsaanvraag voor een bouwplan moet de initiatiefnemer aangeven op welke manier wordt voorzien in voldoende fietsstallingsvoorzieningen. Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

 

4.1 Inleiding

 

4.2 Milieueffectrapportage

 

4.2.1 Algemeen

 

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet

worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad. a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig.

 

Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie o.a. uitspraak RvS ECLI:NL:RVS:2019:1879). De vervangende nieuwbouw in combinatie met de sporthallen kunnen worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

 

ad b.

Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft De Regte Heide op 7,7 km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling

Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 4). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten

 

Op 5 januari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.

4.3 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren. Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude. De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels.

 

Binnen dit plan wordt de herontwikkeling van een middelbare school en twee sporthallen mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkelingen gelden conform de VNG systematiek de volgende richtafstanden:

Gezien de combinatie van omliggende bedrijvigheid, de maatschappelijke functie van het Koning Willem II College, maar ook woningen kan uitgegaan worden van een ‘gemengd gebied’ en kunnen de richtafstanden met een stap verkleind worden. Op basis daarvan wordt aan de richtafstanden voor onderwijs en sporthallen/velden voldaan. Daarmee bestaat er vanuit Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering voor het plan.

 

Andersom geredeneerd wordt ook voldaan aan de richtafstanden van de bestaande bedrijven in de omgeving van dit plan. De planlocatie ligt buiten de richtafstanden (voor gemengd gebied) en vormt daarmee geen belemmering voor deze bedrijven.

 

Geitenmoratorium

In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.

 

De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.

Dit houdt in dat:

  1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;

  2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;

  3. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;

  4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;

  5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.

Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.

 

De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen binnen 2km van een geitenhouderij. Daarmee is het geitenmoratorium niet van toepassing.

4.4 Externe veiligheid

 

4.4.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

 

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);

  2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;

  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

4.4.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In de bij dit plan gevoegde Verantwoording groepsrisico – Koning Willem II college Tilburg, bureau Kragten, 18 november 2020 (bijlage 5) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het (toxisch) invloedsgebied van de rijksweg A58 en van het spoor Breda-Tilburg. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.

4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

4.4.4 Conclusie en restrisico

Het plangebied ligt binnen het (toxisch) invloedsgebied van de rijksweg A58 en van het spoor Breda-Tilburg. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Verantwoording groepsrisico – Koning Willem II college Tilburg, bureau Kragten, 18 november 2020).

 

De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 15 december 2020 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

4.5.1 Wegverkeerlawaai

Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Het betreft een middelbare school.

Deze geluidgevoelige bestemming wordt gerealiseerd binnen wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen") respectievelijk hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer:

 
Ingevolge de Wgh geldt voor nieuwe woningen een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Voor de herontwikkeling van de middelbare school is een akoestisch onderzoek uitgevoerd getoetst (Bijlage 6, rapport Goudappel Coffeng, ‘Herontwikkeling Koning Willem II College - Verkeersgerelateerde Milieueffecten’, rapportnr. SOVOT 006828.20200622.R1.02, d.d. onbekend). en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh plaatsgevonden.

 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in dit onderzoek ook de geluidbelasting als gevolg van de Tatraweg (30 km/u) meegenomen. Deze weg is niet gezoneerd conform de Wet Geluidhinder.

 

Als gevolg van de Rijksweg A58, Stappegoorweg/Eifelweg en de Ringbaan-Zuid wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op (delen van) de middelbare school overschreden. De maximale overschrijding per weg bedraagt:

 

De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden.

 

Vanwege de berekende geluidbelastingen wordt een Hogere Waardenprocedure doorlopen. Voor de Rijksweg A58 en de Stappegoorweg/Eifelweg dienen Hogere Waarden van 51 dB aangevraagd te worden. De randvoorwaarden uit het Hogere Waardenbeleid van de gemeente Tilburg dienen daarbij in acht genomen te worden. Daarnaast dient voldaan te worden aan de voorwaarden uit het bouwbesluit voor wat betreft de binnenniveaus van geluidgevoelige ruimten in een school. Voor leslokalen en theorielokalen bedraagt de maximaal toelaatbare binnenwaarde 28 dB en voor theorievaklokalen 33 dB.

 

Indirecte planeffecten

Naast de geluideffecten op de middelbare school is ook het effect van de planontwikkeling op de woningen in de directe omgeving van het plan in beeld gebracht. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in (Bijlage 5, rapport Goudappel Coffeng, ‘Herontwikkeling Koning Willem II College - Verkeersgerelateerde Milieueffecten’, rapportnr. SOVOT 006828.20200622.R1.02, d.d. onbekend).

 

De in dit plan opgenomen ontwikkeling leidt tot een maximale toename van de geluidniveaus in de omgeving van 0,7 dB. Daarmee bestaat er vanuit dit oogpunt geen bezwaar tegen dit plan.

4.5.2 Railverkeerlawaai

Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Het betreft een middelbare school. Deze geluidgevoelige bestemming is niet gelegen binnen de zone van een van een spoortraject. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing.

4.5.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

4.5.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.6 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de herontwikkeling van een middelbare school en de realisatie van twee sporthallen. Een school is een luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

 

De effecten op de luchtkwaliteit van dit plan zijn beoordeeld en getoetst (Bijlage XXX, rapport Goudappel Coffeng, ‘Herontwikkeling Koning Willem II College - Verkeersgerelateerde Milieueffecten’, rapportnr. SOVOT 006828.20200622.R1.02, d.d. onbekend).

 

Op basis van de resultaten wordt het volgende geconcludeerd:

 

Vanuit de Wet milieubeheer bestaan er, voor wat betreft luchtkwaliteit, dan ook geen bezwaren tegen dit plan.

4.7 Geur

 

4.7.1 Industriële geurhinder

Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.

 

Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

 

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.

 

In de omgeving van dit plan bevinden zich geen bedrijven met een relevante geuremissie. Vanuit het aspect industriële geur is er daarmee geen bezwaar tegen dit plan.

4.7.2 Agrarische geurhinder

Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

 

In de omgeving van dit plan bevinden zich geen bedrijven met een relevante geuremissie. Vanuit het aspect agrarische geur is er daarmee geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Voor de bestemmingsplanfase worden er geen grote verontreinigingen verwacht die de uitbreidingsplannen belemmeren. Er is nu nog geen onderzoek noodzakelijk. Dit is pas aan de orde bij het aanvragen van een omgevingsvergunnning voor de locatie.

 

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.9 Natuur en ecologie

 

4.9.1 Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

4.9.2 Analyse plangebied

 

Natura 2000-gebieden

Het plangebied bestaat uit het Koning Willem II College te Tilburg. Het bestaat uit het schoolgebouw, verschillende bijgebouwen en de omgeving daarvan met enkele groenelementen en verharding. Het grasveld ten noordwesten van het schoolgebouw valt eveneens binnen de begrenzingen van het plangebied . De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een herontwikkeling van de panden binnen het plangebied. Daarnaast dient de overige ruimte herontwikkeld te worden. Voor de ontwikkeling is door bureau Econsultancy een quickscan (bijlage 7) uitgevoerd waarin aan de Nederlandse natuurwetgeving wordt getoetst.

 

Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening

Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Regte Heide op 7,7 kilometer afstand tot het plangebied. Gezien deze afstand tot Natura 2000-gebiden zijn effecten als gevolg van fysieke aantasting, aantasting door verstoring van licht, geluid, trilling en menselijke activiteit op voorhand uit te sluiten. Negatieve effecten als gevolg van de uitstoot van stikstof zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Voor de gebruiksfase van het plangebied is reeds een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 6 en 8). Uit deze berekening blijkt, dat de gebruiksfase van het plangebied geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden heeft als gevolg van de uitstoot van stikstof. Voor de aanlegfase is eveneens een stikstofberekening uitgevoerd (bijlage 11). Hieruit blijkt dat de berekende totale emissie aan stikstof tijdens de bouw redelijk aannemelijk is. Het is aanvaardbaar om in te stemmen met de rapportage indien de stageklasse IV als aanbestedingseis wordt opgenomen bij de uitvoering.

 

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 800 en 950 meter van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.

 

Soortenbescherming

Vleermuizen

Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. Wij adviseren de initiatiefnemer om gebruik te maken van de gebiedsgerichte ontheffing van de gemeente.

 

In de door Econsultancy aangeleverde quickscan wordt, naast mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen, ook gesproken van verblijfplaatsen in bomen. Verblijfplaatsen in bomen vallen niet onder de gebiedsgerichte ontheffing van de gemeente. Voor deze (mogelijke) verblijfplaatsen is dan ook aanvullend onderzoek nodig. Wij adviseren om te starten met een holte-inspectie met boomcamera (endoscoop). Middels een dergelijke inspectie kan bepaald worden of de boomholte daadwerkelijk in gebruik kan zijn door vleermuizen. Indien daarbij blijkt dat de holte niet geschikt is als verblijf, is een nader vleermuisonderzoek niet noodzakelijk. Indien wél blijkt dat de holte door vleermuizen als verblijf gebruikt kan worden is nog nader onderzoek nodig. Indien daarbij blijkt dat de holte inderdaad door vleermuizen in gebruik is, is aanvullend op de gemeentelijke gebiedsgerichte ontheffing een ontheffing nodig voor het te vernietigen verblijf in de boomholte. Er kan, rekening houdende met de omgeving van de holte, ook gekozen worden om de boom te ontzien. Daarmee voorkomt de initiatiefnemer dat een langdurig onderzoeks- en mogelijk ook ontheffingstraject doorlopen moet worden. Wij adviseren om voor de omgang met deze boomholte een ecologisch adviesbureau te vragen om advies.

 

Tot slot worden in de quickscan van Econsultancy vliegroutes voor vleermuizen aangehaald. Deze mogen evenmin vernietigd/beschadigd of verstoord worden. Door bomenrijen aan de randen van het plangebied te ontzien bij de werkzaamheden en hier eveneens geen verlichting naar uit te laten stralen, kunnen negatieve effecten op deze vliegroutes voorkomen worden. Indien dat niet mogelijk is, dient ook naar vliegroutes een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Eventueel moet dit opgevolgd worden met een ontheffingstraject.

 

Broedvogels

Conform de quickscan van Econsultancy is de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in het plangebied uit te sluiten. Hier zijn dan ook geen aanvullende onderzoeken of maatregelen voor nodig. In het plangebied zijn echter beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.

 

Andere soorten

De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.

 

Conclusie

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

 

5.1 Bestaand watersysteem

De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1.

Kenmerk

In plangebied

Stroomgebied

Nieuwe Leij

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg

Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel

Oppervlaktewater: waterschap De Dommel

Bruto oppervlakte

Ca. 4 ha

Terreinhoogte

Variërend tussen NAP+13,6 m en NAP+14,8 m

Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)

Ca. NAP+12,1 m

Ontwateringdiepte

Tussen 1,5 m en 2,7 m

Bodem

Sterk lemig, matig fijn zand

Riolering

gemengde riolering (Tatraweg en Eifelweg)

Afkoppelgebied

Niet van toepassing

Oppervlaktewater

Niet van toepassing

Keur beschermde gebieden

Beperkt invloedsgebied Natura 2000, zie afbeelding 1

Tabel 1; Gebiedskenmerken

 

 

 [image]

Afbeelding 1; Locatie plangebied ten opzichte van de beschermingsgebieden keur

 

In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als schoolcampus, parkeerterrein, voetbalveld en groenzone. Verharde oppervlakken voeren af naar het riool. Regenwater wat valt op onverharde oppervlakken infiltreert naar het grondwater. In de omliggende straten is gemengde riolering aanwezig. Afvalwater en regenwater worden getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg.

5.2 Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

 

Toekomstige situatie

Het bestaande schoolgebouw wordt gesloopt. De nieuwbouw voor de school zal opschuiven in westelijke richting en er komt een (extra) sporthal. Het parkeren voor de school en de sporthal(len) vindt in het noordelijk en zuidoosteliijk deel van het plangebied plaats. Het terrein rondom de nieuwbouw wordt landschappelijk ingepast. De nieuwe situatie maakt een toename van verharding in het plangebied mogelijk. Het gewijzigde bestemmingsplan geeft binnen het bouwvlak ruimte voor maximaal 19.310m² aan verharding en aanvullend binnen de bestemming maatschappelijk maximaal 5.910m². De totale maximale verharding voor de nieuwe situatie komt hiermee op 25.220m².

5.3 Duurzaam watersysteem

De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:

 

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.

 

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied Natura 2000 (zie afbeelding 1). Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still. Door de ligging binnen de invloedsfeer van Natura 2000 gebieden zijn nieuwe grondwateronttrekkingen niet toegestaan en geldt er een beregeningsbeleid. Ook in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is draineren van het plangebied uitgesloten.

5.4 Regenwatersysteem

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn:

Alle beetjes helpen, andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.

 

In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg.

  

Voor de nieuwe situatie is op basis van de maximale afvoerende oppervlakken sprake van 25.220m² verharding. De maximale waterbergingsopgave voor het plangebied wordt daarmee vastgesteld op 25.220m² * 0,06m = 1.513 m³. Uitgangspunt hierbij is dat alle verharde oppervlakken volledig afwateren. Door de toepassing van groene daken, halfverhardingen en verhardingen die rechtstreekse afwateren op groenzones in het plangebied kan de werkelijk afwaterende oppervlakte worden bepaald.

 

Het vaststellen van deze oppervlakte en daarmee de werkelijke bergingsopgave en de invulling van deze opgave in het plangebied worden voorgelegd en afgestemd met gemeente Tilburg.

 

De voorgenomen invulling van de waterberging voor het plangebied is een retentiezone aan de noordwestzijde van het plangebied. Vanuit de retentie kan water infiltreren in de bodem. Een overloop van de waterbergingsvoorziening kan worden aangebracht op de riolering. In overleg met gemeente Tilburg moet worden vastgesteld of de overloop kan worden aangesloten op de regenwaterriolering in de Matterhornstraat (t.p.v. de aansluiting op de Eifelweg) of dat deze op de gemengde riolering dient plaats te vinden.

 

Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.

 

Huishoudelijk afvalwater

Het afvalwater dient te worden afgevoerd via de aanwezige riolering rondom het plangebied. In overleg met gemeente Tilburg moet worden nagegaan of de beschikbare bestaande rioolaansluitingen hergebruikt kunnen worden. De vormgeving en locatie van eventuele nieuwe aansluitingen moeten in overleg met de gemeente worden bepaald.

5.5 Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 6 Opzet planregels

 

6.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Standaard plansystematiek

 

6.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.

 

In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.

 

Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

 

6.2.2 Bouwhoogte

Binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, mogen de hoofdgebouwen een bouwhoogte bereiken variërend van 9 m¹ tot maximaal 15 m¹ hoog. De goothoogte is niet nader bepaald wat betekent dat de goot- en bouwhoogte gelijk zijn. De bouwvlakken mogen daarbij volledig bebouwd worden.

6.3 Bestemmingen en aanduidingen

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:

 

Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:

 

 

 

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg

 

8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 28 februari 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Met dit bestemmingsplan zijn geen provinciale belangen gemoeid. In het regulier ambtelijk werkoverleg met de provincie is het bestemmingsplan ter sprake gekomen en is niet gebleken dat er een noodzaak was tot formeel vooroverleg.

 

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

8.3 Omgevingsdialoog

In afwijking van de Richtlijn Omgevingsdialoog en conform het besluit van de stuurgroep Stedelijke Ontwikkeling is er geen informatieavond gehouden, maar is de omgeving door middel van een bewonersbrief en een online presentatie op de website van de gemeente Tilburg geinformermeerd over de ontwikkeling. Omwonenden hebben de mogelijkheid gekregen om via e-mail vragen te stellen en opmerkingen te maken. Van de ingekomen reacties en het antwoord hierop is een verslag gemaakt welke als bijlage 9 bij dit bestemmingsplan is gevoegd.

8.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er 15 zienswijzen ingediend. Deze worden in de onder bijlage 12 opgenomen Notitie behandeling zienswijzen zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.

N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober