direct naar inhoud van Regels

Centrum Zuid 2008, 4e herziening (Oude dijk 9)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2019025-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Enkele jaren geleden is gestart met een grote transformatie van het kloostercomplex van de Zusters van Liefde aan de Oude Dijk te Tilburg. Directe aanleiding voor deze transformatie was de urgente huisvestingsproblematiek van de in Huize Mater Misericordiae (HMM) wonende zusters. Dit in de jaren '80 van de vorige eeuw gerealiseerde woon-zorggebouw voldeed niet meer aan de wensen en eisen als gevolg van de toenemende zorgbehoefte van de zusters en de normen die voor deze zorg gelden. Daarnaast nam het aantal zusters af waardoor op termijn leegstand dreigde voor delen van HMM. Overheidsbeleid, gericht op het scheiden van wonen en zorg heeft gevolgen voor de verzorgingshuizen in heel Nederland: de consequenties van dit gewijzigde overheidsbeleid zijn meegenomen in de transformatieopgave. De transformatie voorzag in de realisatie van circa 40 (zorg)woningen en 24 intramurale zorgwoningen voor de zusters, sloop van de middelvleugel van het woonzorgcomplex Huize Mater Misericordiae realisatie van circa 36 huur- en 24 koopappartementen.

 

Onlangs is besloten om de Sint Jozefmavo (Rijksmonument) te herontwikkelen tot 13 appartementen en sloop van bijgebouwen en nieuwbouw van 9 appartementen in 3 à 4 lagen. De herontwikkeling van de voormalige Sint Jozefmavo tot 13 appartementen is inmiddels vergund via een zogenaamde kruimelgevallenregeling. De realisatie hiervan is inmiddels in volle gang. De nieuwbouw van 9 appartementen past niet in het geldende bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het huidige bestemmingsplan nodig. Hiervoor is het onderhavige bestemmingsplan opgesteld. Daarin is tevens de voormalige Sint Jozefmavo met 13 appartementen in meegenomen.

1.2 Het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Oude Dijk 9 en omvat de gronden waar de nieuwbouw van 9 appartementen plaats gaat vinden én de gronden waar vergunning voor is verleend om de voormalige Sint Jozefmavo te herontwikkelen tot 13 appartementen. Er is voor gekozen om de gronden van de voormalige Sint Jozefmavo mee te nemen in dit plan omdat deze gronden nog een maatschappelijke bestemming hebben in het vigerend bestemmingsplan en die bestemming belemmerend kan werken voor de realisatie van 9 appartementen. Het gehele gebied krijgt een woonbestemming.

 

[image] 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 [image]

Ligging plangebied

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Centrum Zuid 2008, vastgesteld op 20 april 2009 en onherroepelijk op 23 juni 2010. De bouw van 9 appartementen op deze locatie past niet in het bestemmingsplan Centrum Zuid 2008. Het perceel heeft daarin de bestemming Maatschappelijk. Het bestaande pand is gesloopt en hiervoor in de plaats komen 9 appartementen. Met deze herziening wordt het bouwen en gebruik als woningen mogelijk.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Ruimtelijke analyse

Het kloostercomplex Oude Dijk bepaalt samen met andere grootstedelijke functies (stadskantoor, bibliotheek, concertzaal, schouwburg, station, werkplaats spoorzone) en pleinen de bijzondere (binnen)stedelijke ruimten die zich van de woonblokken onderscheiden. Ze is deel van het Tilburgse collectief geheugen en haar wordingsgeschiedenis. Het klooster van de Zusters van de Liefde is een uniek ensemble dat binnen het stedelijk veld de broodnodige verstilling brengt, maar ook het groengehalte van de binnenstad bepaalt. Bij dit katholiek erfgoed gaat het zowel over gebouwen als de daarbij horende buitenruimten. Tezamen vertellen zij het verhaal van religie, onderwijs en zorg, dat zo belangrijk en kenmerkend is voor Tilburg. Het complex ligt als een groene oase aan de rand van de Tilburgse Binnenstad. Ondanks de centrale ligging heeft het complex een beperkte fysieke relatie met de stad. Het vormt een eiland. Dit heeft enerzijds te maken met het besloten karakter dat alle kloosters per definitie hebben. Het woord klooster is niet voor niets afgeleid van het Latijnse woord voor afsluiting: claustrum. Anderzijds heeft het geïsoleerde karakter te maken met het feit dat de stad in de loop van de tijd haar rug consequent naar het klooster heeft gekeerd. Ten noorden bevindt zich de parkeerplaats van het Louis Bouwmeesterplein dat alleen maar achterkanten kent, alsmede de achterzijde van de schouwburg met laad- en losplaats. Ten oosten, aan de Oude Dijk, bevindt zich de achterzijde van het kunstcluster. Aan de zuidzijde bevond zich ten slotte het dichte betonnen bouwvolume van de gymzaal van de St. Jozefmavo. Deze gymzaal was tevens de reden waarom het stadspark zo’n ongelukkige verbinding heeft met de oostelijk gelegen binnenstad. De toegang vanuit de Stadstraat liep namelijk achter de gymzaal langs. In de omliggende openbare ruimte ligt een kans om het kloostercomplex uit haar isolement te halen. De uitdaging daarbij is om de toegankelijkheid te verbeteren zonder de besloten en private kloostersfeer geweld aan te doen.

 

De bebouwing is grofweg onder te verdelen in twee delen: de oudbouw van eind negentiende en begin twintigste eeuw en de “nieuwbouw” uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. De oudbouw is cultuurhistorisch zeer waardevol en is inmiddels een rijksmonument. Zij bestaat uit de langgerekte bebouwing langs de Oude Dijk die onder meer het provincialaat, kapellen en musea, het nieuwe Ontmoetingscentrum met logeergelegenheid en het zogenaamde Oude Ontmoetingscentrum bevat. Dit voormalige ontmoetingscentrum is als enige onderdeel van de oudbouw niet meer in gebruik.

De St.Jozef-mavo maakte, net zoals het huidige stadspark, tot de jaren tachtig van de vorige eeuw onderdeel uit van het monumentale deel van het kloostercomplex. De school was tot voor kort nog in eigendom van de congregatie, echter was zij losgesneden van het klooster door de inmiddels gesloopte tussenliggende gymzaal en de doorgang naar het stadspark.

2.2 Nieuwe situatie

Omgeving

Het gehele complex is de laatste jaren al grotendeels gefaseerd herontwikkeld van een ensemble van bestaand en nieuw dat voortborduurt op de historische typologie van de bebouwing. Door de ontwikkeling in fases is de tuin zoveel mogelijk ontzien van nieuwbouw.

 

Fase 1 is inmiddels ontwikkeld en bestaat uit twee onafhankelijk van elkaar functionerende bouwdelen die tezamen twee nieuwe hoven creëren bij het Oude Ontmoetingscentrum (Oude OC) alsmede een attractieve oostelijke entree naar het stadspark realiseren vanuit de binnenstad.

 

Bouwdeel 1A wordt gevormd door een U-vormig bouwvolume dat bestaat uit een herbestemming van het Oude OC in combinatie met een 4-laagse dwarsvleugel aan de zuidzijde. Dit bouwvolume huisvest een kleinschalige woonzorgvoorziening met 24 plaatsen voor de zusters met een intensieve zorgbehoefte, zowel somatisch als psychogeriatrisch.

 

Bouwdeel 1B bestaat uit een lineair appartementengebouw van 4 bouwlagen dat tegen de westzijde van het woonzorggebouw is geplaatst. Recent is de gymzaal tussen het Oude OC en het voormalige Theresialyceum gesloopt. In deze nieuwbouw bevinden zich 40 appartementen voor zelfstandig wonende zusters. Het gebouw is verbonden met het woonzorggebouw om een goede (thuis)zorgtoegankelijkheid te realiseren. Daarnaast is het gebouw verbonden met de kapel en het moederhuis waarin zich een algemene ontmoetingsruimte bevindt.

 

Fase 2 bestaat uit twee nieuwe appartementengebouwen die tezamen met de bestaande westvleugel van HMM een nieuw woonhof definiëren. Het nieuwe hof functioneert als schakel tussen binnenstad en Kloostertuin. Het hof opent zich richting het Louis Bouwmeesterplein en heeft twee openingen richting de Kloostertuin. Op deze manier wordt de Kloostertuin ontsloten vanuit de binnenstad zonder dat het besloten en afsluitbare karakter ervan wordt aangetast. De nieuwe toegang tot de private kloostertuin wordt, zolang de zusters woonachtig zijn in het kloostercomplex, niet opengesteld. Op de middellange termijn is een gereguleerde openstelling van de kloostertuin als ‘semi-openbaar’ gebied denkbaar.

 

Door de herontwikkeling ontstaat er een verbetering van de aantakking en zichtlocatie van de Kloostertuin op de stad (met behoud besloten en afsluitbaar privé karakter van de kloostertuin zolang de zusters er woonachtig zijn).

Er ontstaat een nieuwe volwaardige entree naar het stadspark op de plaats waar voorheen een gymzaal was gesitueerd.

 

Sint Jozefmavo

Naast bodenstaande ontwikkeling van het kloostercomplex, wordt de voormalige Sint Jozefmavo herontwikkeld voor woningbouw (13 appartementen) en wordt ten zuiden van de Sint Jozefmavo 9 appartementen gerealiseerd. De voormalige Sint Jozefmavo is een rijksmonument. De verbouwing tot appartementen is in volle gang en is vergund via de kruimelgevallenregeling. De ten zuiden van het monumentale pand gelegen bebouwing bevat niet monumentale delen en zijn reeds gesloopt.

 

De niet monumentale delen zijn niet van architectonische waarde en zijn verstorend zowel voor de zichtbaarheid van het monumentale pand als voor de zichtbaarheid van het park vanuit de straat, daarom is sloop van deze gebouwen vanuit ruimtelijk oogpunt zeer wenselijk. Nieuwbouw is voorgesteld op een gedeelte van het gebied waar de inmiddels gesloopte niet monumentale gebouwen liggen. Stedenbouwkundig gezien is dit een logische locatie, binnen de al bestaande bebouwde contouren, voor de realisatie van nieuwbouw.

De realisatie van meer parkruimte is niet noodzakelijk. Het park is groot genoeg en de entree naar het park vanuit het noorden wordt aanzienlijk verbeterd door de sloop van de gymzaal (8 meter ten noorden van het schoolgebouw). Het is daarom veel belangrijker dat de nieuwe ontwikkeling sterk naar het park georiënteerd is, en dat het park vanuit de straat zichtbaar wordt. Nieuwbouw dient in schaal, positie, oriëntatie en bouwkundige expressie meer aansluiting te vinden bij de rest van het monumentale kloostercomplex en de monumentale school. Een belangrijke motivatie om nieuwbouw toe te voegen is dat nieuwe functies een positieve betekenis voor de levendigheid en sociale veiligheid van het park kunnen hebben. Een toevoeging van een bescheiden programma wordt gezien als een mogelijkheid om de dynamiek en sociale controle rondom deze plek te versterken.

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stadspark

Het stadspark Oude Dijk zal vanuit de gemeentelijke Binnenstadsvisie 21e eeuw meer openbaarheid krijgen, waardoor er in het park meer "reuring" kan ontstaan en daarmee, in lijn met dit beleid, meer ruimte voor andere (maatschappelijke en/of horeca-)functies in het stadspark. In de Binnenstadsvisie zijn ontwikkelingen met betrekking tot het stadspark voorzien, met mogelijke toename van het openbaar gebruik van het stadspark en navenante toename van andere functies. Om horeca en maatschappelijke functies in het park mogelijk te maken dient een planologische procedure gevoerd te worden. Dat wordt niet in het onderhavige bestemmingsplan opgenomen.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Rijk

 

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

 

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking

getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch

wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is

op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de

inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van

de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op

doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels

opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en

deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan

bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

 

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een

bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

 

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing

zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe

ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet

een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een

of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde

projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.

Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van

de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro

vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de

bij het Barro behorende kaarten.

 

De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van

strijdigheid met nationale belangen.

 

3.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.

 

Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van 9 woningen mogelijk gemaakt. Uit de jurisprudentie blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. In de overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724 ) is aangegeen dat een bestemmingsplan dat voorziet in niet meer dan 11 woningen in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt.

3.2 Provincie

 

3.2.1 Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

 

De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld (zie hiernoder).

 

Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen.

 

3.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een

actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke

onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar

2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet

rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke

ordening biedt.

 

3.2.3 Interim omgevingsverordening

De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november

2019) waarin de bestaande regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de

Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening,

Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de

Verordening wegen.

 

In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.

 

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de

genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen

nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder

vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.

 

Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze

definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden,

in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige

planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en

instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v.

bestemmingsplannen en besluiten).

 

Aangezien de interim omgevingsverordening beleidsneutraal is en het initiatief voldoet aan de Verordening

ruimte, wordt eveneens voldaan aan de interim omgevingsverordening.

3.3 Gemeente

 

3.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

 

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

 

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

 

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

 

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

 

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad: Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

3.3.2 Structuurvisie linten oude stad

De Structuurvisie linten is vastgesteld omdat de huidige bestemmingsplannen onvoldoende de gewenste kwaliteit in de linten te sturen. Naast ruimtelijke aspecten (o.a. hoogte/ breedte nieuwbouw) is ook de eenzijdige gerichtheid van ontwikkelaars op appartementen een punt van zorg. Er wordt (te) kolossaal (in hoogte en breedte) gebouwd, winkels verdwijnen, er is steeds meer leegstand, historische panden worden gesloopt en er is een gebrek aan kwaliteit van de openbare ruimte. Kortom, de linten gaan in zijn algemeenheid in sfeer en functie achteruit en de roep om meer bijsturing wordt steeds luider. Algemene wens is te komen tot een introductie van een nieuwe manier van omgaan met de linten (dit gaat niet alleen om het bouwen, maar ook om de contacten met bewoners, ondernemers, de inrichting openbare ruimte etc.). Deze manier moet meer bijdragen en beter aansluiten op het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost. De linten zijn erg belangrijk voor de economie van Tilburg. Circa 10% van de werkgelegenheid en 21% van het aantal winkels (met 17% van de winkelvloeroppervlakte) bevinden zich in de linten. De goede bereikbaarheid, de sterke menging van functies en de aanwezigheid van bekende winkels zijn sterke punten.

In de structuurvisie wordt een onderscheid gemaakt tussen bedrijvige en rustige linten:

  1. bedrijvige linten: Bedrijvige linten kenmerken zich door relatief veel doorgaand verkeer met veel bedrijven en winkels (meer dan 20%). Samen met de ringbanen vormen de 'bedrijvige linten' het huidige ontsluitingssysteem voor auto's in de Oude Stad;

  2. rustige linten: In deze linten ligt het accent op de functie wonen (min. 80 %). De bedrijvigheid is hier ondergeschikt.

 

Doelen

De doelen met betrekking tot rustige en bedrijvige linten in de Oude Stad zijn de volgende:

  1. bescherming van de historische structuur en het erfgoed, alsmede aandacht voor de historische uitstraling van de linten: naast behoud van de meest waardevolle beeldbepalende ensembles kan de historie in de linten als randvoorwaarde, inspiratiebron of referentie voor nieuwe ontwikkelingen benut worden;

  2. vergroten van de herkenbaarheid van de linten en hun identiteit (openbare ruimte en verkeer;

  3. introductie van een nieuwe manier van bouwen die meer bijdraagt aan het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost;

  4. behoud en stimulering van de dynamiek van de bedrijvige linten: onder dynamiek wordt verstaan de combinatie van doorgaand verkeer en de aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid winkels en bedrijven (meer dan 20%);

  5. behoud en bevordering van de diversiteit van het wonen aan de linten met respect voor de historische perceelsgewijze bouwwijze van woningen en door beperking van de mogelijkheden van appartementenbouw.

 

Visie en uitvoeringsprogramma

De visie op de linten volgt de drie thema's ruimtelijke ordening (met de subthema's detailhandel/bedrijvigheid, wonen, cultuurhistorie en stedenbouw), openbare ruimte en samenwerking met partijen op de linten.

 

 

Ruimtelijke ordening:

I Detailhandel/bedrijvigheid

 
- maatregelen detailhandel/bedrijvigheid

A. De dynamiek concentreren in bedrijvige linten

B. Stimuleren de broedplaatsfunctie in bedrijvig linten

C. Investeren in samenwerking tussen overheid en ondernemers

 

II Wonen

 
- maatregelen wonen

A. Aanpassing van de functie wonen in bestemmingsplannen

B. Aanpassing van richtlijnen bouwbreedte en bouwhoogte (K1,'korrel overig')

C. Stimuleren van nieuwe woonvormen

 

III Cultuurhistorie

 
- maatregelen cultuurhistorie

A. Planologisch vastleggen van cultuurhistorische ensembles

B. Formaliseren in de systematiek van de beheerbestemmingsplannen

C. Visie linten effectueren binnen specifieke planologische mogelijkheden

D. Stimuleren van hergebruik van waardevolle ensembles en monumenten

E. Investeren in uitstraling en communicatie van/over de linten

 

IV Stedenbouw

  1. de korrel, maat en schaal van de bebouwing

  2. aanwijzing van ensembles

  3. aandacht voor de overgang van de linten naar de buurt

  4. benadrukken van het verschil tussen monofunctionele woongebieden achter de linten en rustige en bedrijvige linten door een andere manier van bouwen (bijv. grotere diversiteit of meer stedelijke woningtypes aan de bedrijvige linten)

  5. aandacht voor diversiteit in de linten

 
- maatregelen stedenbouw

A. Beperking van de bouwbreedte en bouwhoogte

B. Niet alleen kijken naar de bebouwingswand, maar naar de volledige diepte van het perceel

C. Ondergronds parkeren is niet verplicht. Het is wel verplicht om parkeerplaatsen mee te verkopen.

D. Door het beschermen van ensembles verwanding (= te lange en brede gebouwen) tegengaan

 

V Openbare ruimte

 
- maatregelen openbare ruimte

A. Afstemmen van evt. hogere eisen in de bedrijvige linten met beheer en onderhoud bedrijvige linten

B. Groen waar het kan

C. Meer aandacht voor het verblijfskarakter

D. Efficiënter omgaan met parkeren

E. Toepassen van principeprofielen voor rustige en bedrijvige linten

F. Bij herinrichting linten aansluiten op het Meerjarenprogramma

 

VI Samenwerking

  1. bedrijvigheid op bedrijvige linten vitaal houden

  2. gezamenlijke laagdrempelige projecten opzetten

 
- maatregelen samenwerking

Voortzetten lintenmanagement op de Korvelseweg en Besterdring

 [image]

 

Structuurvisie Linten oude stad: bedrijvige en rustige linten

 

 

Onderhavige locatie is gelegen aan een rustig lint en past binnen bovenstaande maatregelen.

 

3.3.3 Binnenstadsvisie 21e eeuw

Op 11 juli 2017 stelde het college van B&W de economisch-ruimtelijke visie voor de binnenstad van de 21e eeuw vast. De titel is: 'Tilburg Next, de binnenstad van Tilburg is klaar voor de 21ste eeuw'. De binnenstadvisie geeft antwoord op de vraag: 'Hoe krijgen we het voor elkaar om een dynamische, aantrekkelijke en toekomstgerichte binnenstad te realiseren?' We willen namelijk een binnenstad die aantrekkelijk, bereikbaar en concurrerend is.

 

In de binnenstadvisie is aangegeven dat het stadspark Oude Dijk meer openbare gebruiksmogelijkheden en levendigheid zal krijgen, waardoor er in het park in lijn met dit beleid, meer ruimte voor andere (maatschappelijke en/of horeca)functies in het stadspark kan ontstaan. Hierdoor zal er meer reuring en drukte ontstaan in vergelijking met de huidige situatie.

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

4.2.1 Hoogbouw

In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007.

 

Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.

 

De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan.

 

Het onderhavige plan laat geen gebouwen hoger dan 15 meter toe.

4.2.2 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.

Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

Historische geografie.

Het gebied rondom de Oude Dijk bestond grotendeels uit weidegronden in het ter plaatse brede beekdal van de Korvelse Waterloop. Het beekdal had zich relatief diep ingesneden (circa 12 m +NAP) in het plateau waarop de belangrijkste nederzettingen en akkergebieden van Tilburg lagen en dat in hoogte varieert van circa 13 m +NAP langs het beekdal tot circa 16 m +NAP bij Kerk en Korvel. Binnen het gebied lagen drie geïsoleerde hoogten waarop de Sint-Dionysiuskerk, de aangrenzende Oude Markt en ‘t Heike lagen.

De belangrijkste wegen bij het plangebied zijn reliëfgerelateerd en volgen de oevers van het beekdal. Dit kan een indicatie zijn voor de hoge ouderdom van deze routes. Het plangebied, en het beekdal, werden van noord naar zuid doorkruist door twee dijken; de Ouden en Nieuwen Dyk. Binnen dit stadsdeel waren dit de enige plaatsen waar de Korvelse Waterloop kon worden overgestoken. Dit verklaart ook meteen het naamsdeel –dyk (hoger gelegen weg) en bevestigt het feit dat het gebied vroeger nat en laaggelegen was.

 

De gronden in het plangebied behoorden deels tot het laatmiddeleeuwse akkercomplex van Heuvel en Kerk en gingen in het zuiden over in de gemeint die zich uitstrekte tot Oerle en Broekhoven. Het grootste deel van het plangebied bestond echter uit weidegronden die vroeger deel uitmaakten van de gemeint Kerkckven. De aanduiding gemeint verwijst naar de inferieure kwaliteit van de grond, waardoor te verklaren valt dat juist hier, op een afgelegen of niet gebruikte locatie, in 1691 de schuilkerk werd gesticht. Uitgezonderd de nederzettingen langs de randen (Haringseind, Kwetterie, ’t Heike en ’t Ven) bleef het grootste deel van het plangebied lange tijd onbebouwd. Pas in de loop van de achttiende eeuw, mogelijk al iets eerder, werd midden in het gebied aan de Nieuwendyk (Bisschop Zwijsenstraat) bebouwing opgetrokken. In de negentiende eeuw werd deze bebouwing uitgebreid en verrees ook bebouwing aan de Oude Dijk en tussenliggende straten, en langs de straten ten westen van het plangebied. Het kloostercomplex van de door Joannes Zwijsen gestichte congregatie van de Zusters van Liefde wordt in de periode vanaf 1834 (eerste fase van de bebouwing aan de Kloosterstraat) in vrijwel alle daaropvolgende decennia sterk uitgebreid en aangepast aan de steeds toenemende ruimtebehoefte van de congregatie die ook te relateren valt aan de onderwijs- en zorgtaken van de zusters. Het meest imposante deel bevindt zich aan de westelijke zijde van de Oude Dijk waar een langgerekt bouwdeel bijna de gehele straatwand in beslag neemt. Het complex is in al die tijd sterk aan transformatie door sloop en nieuwbouw onderhevig geweest. Voor het laatst op grote schaal in de jaren vanaf 1980 toen een groot zorgdeel aan de Kloostertraat werd gebouwd. Voor een uitvoerige wordingsgeschiedenis van het complex wordt hier verwezen naar het in 2010 door BAAC uitgevoerde bouwhistorische onderzoek: M.C. van Dam en drs. E.R.A. Smits: Tilburg, Oude Dijk 1, Waardestellende bouwhistorische opname BAAC rapport B-10.0072, April 2010. Van belang voor de ruimtelijke context van het nieuwe plan is het gegeven dat in 1985 de congregatie ongeveer de helft van de tuin -het zuidelijke deel met de voormalige weilanden en speelterreinen- afstond aan de stad. Het geheel werd omgevormd tot stadspark.

 

Archeologie.

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen in de AMK. Het plangebied is niet gekarteerd op de IKAW. Het plangebied is gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting. De waterlopen vormden in combinatie met de drooggelegen dekzandruggen de voorwaarden voor de bewoningsgeschiedenis van Tilburg. Visrijke wateren, vruchtbare beekdalen en hoger gelegen bos- heidegronden vormden voor de mens gunstige omstandigheden voor hun bestaan. Dit is onder andere gebleken uit archeologische vondsten van een jachtkamp uit het Mesolithicum (middensteentijd, ca 4000 v. Chr) en Middeleeuwse bewoningssporen, die gevonden zijn bij archeologische opgravingen ter hoogte van het huidige Kunstcluster (ten noorden van de vroegere bedding van de Korvelse waterloop, tussen de Oude Dijk en de Bisschop Zwijsenstraat). Zie hiervoor: BILAN rapport: ‘2006/165, Van De Boog tot De Keel, Tilburg, beheerbestemmingsplan, "Oude Stad zuidwest 2008", Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek’.

 

Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen.

De vooroorlogse delen van het kloostercomplex en het voormalige schoolgebouw aan de Oude Dijk 9 zijn op 14 december 2001 aangewezen als monument in de zin van de Monumentenwet 1988 onder nr. 52190. De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In het plangebied komen geen panden voor uit die periode. Aan de omliggende straten liggen diverse panden uit de periode 1850-1940. Dit betreft voornamelijk kleinschalige woningbouw. Historische structuren: in de nabijheid van het plangebied zijn vooral het niet meer als zodanig in het landschap afleesbare beekdal van de Korvelse waterloop en de Oude Dijk van belang. Hoewel de inrichting en omvang van de tuin van het kloostercomplex diverse malen zijn aangepast, kan hieraan nog steeds een hoge waarde worden toegekend. Voor een uitvoerige beschrijving van de historische groenwaarden wordt hier verwezen naar het in 2014 in opdracht van de gemeente Tilburg uitgevoerde onderzoek: Albers Adviezen Historische Parken/ Anja Guinée Landschapsarchitectuur/ Ecologisch Adviesbureau Maes; Tuin van de Congregatie der Zusters van Liefde en Park Oude Dijk te Tilburg, cultuurhistorie en ecologie. Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.

Conclusie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen beschermde structuren of objecten aangetast.

 

Wat betreft archeologie, dient de verwachting in het plangebied op de ARWATI-kaart van hoog naar laag bijgesteld te worden gezien de landschappelijke ligging van het plangebied in het diepste deel van het dal van de voormalige Korvelse waterloop. Er is geen vervolgonderzoek nodig in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan en er hoeft geen dubbelbestemming archeologie opgenomen te worden.

4.4 Volkshuisvesting

De voorgenomen ontwikkeling en bouw van 9 appartementen aan de Oude Dijk 9 (locatie  voormalige Jozefmavo) verlangt vanwege het beperkte aantal geen toetsing of onderbouwing ingevolge de Ladder voor Duurzame stedelijke ontwikkeling.

 

Het plan past in de gemeentelijke woningbouwopgave en voldoet aan de beleidsdoelen in de Woonvisie 2015, met name wat betreft het leveren van een bijdrage aan de opgave ruime 0-tredewoningen nabij voorzieningen. Voor het verder verloop van de planontwikkeling wordt aanbevolen de woning(en)  levensloopgeschikt te ontwerpen en te laten voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen.

4.5 Groen en speelruimte

 

4.5.1 Bomenbeleid Tilburg

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 

Bomenverordening

De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.

 

Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.

 

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)

In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.

De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom, met uitzondering van plekken waar reeds bebouwing stond.

 

Voor het gebied is een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd welke gericht is op 12 bomen op en om het terrein (zie bijlage 5). hierin is onder meer beschreven dat er een bomenwacht wordt ingezet tijdens de werkzaamheden rondom boom 1 (aan Oude Dijk) en dat er een goede drukspreidende constructie komt onder de aan te leggen inrit nabij de boom. Ook het afzetten van de groeiplaats tijdens alle werkzaamheden is belangrijk. Verder is het van belang dat boom 1 niet opgekroond wordt maar zo minimaal mogelijk gesnoeid als nodig voor behoud van de boom(kroon).

4.5.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

4.5.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

 

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

 

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

 

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

4.5.4 Nota Ruimte voor Buitenspelen

Naar aanleiding van de ambities uit de Kadernota Jeugd en de behoefte aan algemene voorwaarden ten aanzien van richtlijnen voor de aanleg van speelplekken is de nota Ruimte voor Buitenspelen (2003) opgesteld. Doel van de nota is dat de jeugd als volwaardige medegebruikers van de openbare ruimte wordt geaccepteerd. Spelen is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een kind. De nota geeft o.a. een analyse van de formele speelruimte in Tilburg weer. Algemene voorwaarden ten aanzien van speelruimte (veiligheid, bereikbaarheid, spreiding, ruimtegebruik, inrichting) en programmering van de spelenplannen en inrichtingseisen van speelruimte komen aan de orde. Een minimumnorm voor formele speelruimte wordt gesteld om voldoende speelruimte te kunnen garanderen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen transformatiegebieden (> 50 woningen), nieuwbouw en bestaande bouw.

 

Transformatiegebieden
Er worden twee stappen doorlopen:

  1. per hectare uitgegeven gebied wordt 300m2 van de ruimte gereserveerd voor formele speelruimte;

  2. de huidige grondoppervlakte aan formele speelruimte per kind bedraagt voor Tilburg 7,2m2. Naar aanleiding van het aantal kinderen woonachtig in het transformatiegebied wordt bepaald hoeveel formele speelruimte er in een wijk/buurt gerealiseerd dient te zijn.

 

Nieuwbouw
Bij nieuwbouwgebieden wordt uitgegaan van stap 1. De inrichting van de formele speelplekken wordt gedaan aan de hand van de actieradius voor speelplekken. In de toekomst zal dit wordt gedaan naar aanleiding van gegevens vanuit het woningbouwprogramma waarmee een schatting gemaakt zal kunnen worden van het aantal kinderen dat in de nieuwbouwwijk komt te wonen (dit wordt in het kader van de uitvoering van de nota Ruimte voor Buitenspelen uitgewerkt).
Bestaande stad
Voor de bestaande stad wordt uitgegaan van een standstill-situatie. Dit betekent dat het bestaande oppervlak voor buitenspelen niet (verder) mag afnemen. Bij nieuwe stedenbouwkundige plannen dient reeds bij de nota van uitgangspunten (programma van eisen) de speelruimtenormering - zoals hierboven beschreven - te worden meegenomen. Dit geldt zowel voor gemeentelijke als particuliere plannen. Op deze manier worden formele speelplekken al vroegtijdig in het ontwerpproces meegenomen.

4.6 Verkeer en parkeren

 

4.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

4.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

4.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

[image]In het plangebied worden ten behoeve van de te realiseren woningen op eigen terrein tenminste 19 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen worden onder en binnen de contour van de nieuwbouw van de koopappartementen gerealiseerd. Dit aantal is ruim voldoende om in de parkeerbehoefte van bewoners te voorzien. Parkeren voor bezoekers vindt plaats in het openbaar gebied.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieueffectrapportage

 

5.2.1 Algemeen

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet

worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

  2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke

activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt

zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid

worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.

beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer

dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het

plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk

genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na

het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.

 

ad b.

Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft

derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied

bevindt zich op meer dan 4 kilometer van het plangebied. Vanwege de afstand leidt stikstofdepositie niet tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied. Dit wordt in paragraaf 5.10 onderzocht en beoordeeld.

 

Er heeft een vormvrije mer beoordeling plaatsgevonden. Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is

van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.

 

Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.

5.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling

De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen:

  1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven.

  2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

 

Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.:

Voor deze ruimtelijke onderbouwing/ dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.-beoordelingsplichtig is, te weten:

- D11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

 

Het beoogde bestemmingsplan behelst de herbestemming van de voormalige Jozefmavo aan de Oude Dijk 9 te Tilburg. Er worden 9 nieuwbouwappartementen gerealiseerd op een inmiddels gesloopt deel van Jozefmavo. In het te behouden monumentale deel van de Jozefmavo (rijksmonument) worden 13 appartementen gerealiseerd. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet m.e.r.-plichtig.

Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit.

 

Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen.

 

Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling.

Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-MER als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op ruime afstand van gebieden die wel als Natura 2000-gebied zijn aangewezen:

- Kampina & Oisterwijkse Vennen 4,0 km

- Regte Heide & Riels Laag 4,5 km

- Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen 6,8 km

- Kempenland-West 8,0 km

 

Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN).

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen EHS en Natura2000-gebieden te verwachten. Ook tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zullen niet aan de orde zijn. Significante gevolgen kunnen daarom worden uitgesloten. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf Natuur/ecologie.

Bovenstaande conclusie wordt gestaafd door Aeriusberekeningen die voor andere projecten in de gemeente Tilburg gemaakt zijn. Zo resulteert een berekening (Aeriuskenmerk RRBCd17f6jfY d.d. 24-10-2019 / RQyJU7r9VSKk d.d. 24-10-2019) voor een project aan de Professor van Buchemlaan te Tilburg, dat dichter bij de Natura-2000 gebieden ligt en met 23 nieuwbouwappartementen qua omvang en stikstofproductie groter is dan het onderhavige bestemmingsplan in een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr. Op basis van dit vergelijkingsmateriaal wordt het maken van een Aeriusberekening voor het onderhavige bestemmingsplan niet noodzakelijke geacht.

 

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies:

-belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk;

- belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

 

De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 Wet milieubeheer. De criteria betreffen:

  1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken;

  2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn;

  3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben;

  4. Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit.

 

Toetsing:

1. Fysieke kenmerken van het plan/project:

Het plan heeft betrekking de realisatie van 9 nieuwbouw appartementen en 13 appartementen in het te behouden monumentale deel van de voormalige Jozefmavo (rijksmonument)

2. Plaats van het plan/project:

Het plan/project wordt uitgevoerd op een locatie die tot enkele jaren geleden in gebruik was als locatie voor de Jozefmavo. Na realisatie gaat het plan gebruikt worden als woonlocatie.

Het plan is niet gelegen nabij gevoelig gebied, zoals het Natuurnetwerk Noord-Brabant of een ecologische verbindingszone.

3. Kenmerken van de potentiele effecten:

Het plan/project betreft het realiseren van 9 nieuwbouwwoningen en 13 woningen in het bestaande rijksmonument. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten.

 

Bodem:

Het plan heft geen negatieve gevolgen voor de bodem. Uit bodemonderzoek is tevens gebleken dat de locatie geschikt is voor de beoogde bestemming.

 

Archeologie en cultuurhistorie:

Het plan wordt gerealiseerd in een bestaand pand en op terrein dat reeds verstoord is door bebouwing die hier voorheen gestaan heeft. De archeologische waarde is derhalve laag.

Cultuurhistorisch is het rijksmomument van grote waarde. Er is een bouwhistorisch verkenning gedaan door BAAC (rapport B-18.0149). Voor de herbestemming en verbouwing van het rijksmonument is een omgevingsvergunning verleend (kenmerk: Z-HZ_WABO-2018-04826 / 1145850). Deze vergunning is inmiddels onherroepelijk.

 

Water

De locatie was voorheen een geheel verhard schoolplein. Door de planontwikkeling neemt het verhard oppervlakte in het plangebied af. Dit is gunstig voor de waterhuishouding. Daarnaast zal, als gevolg van de planontwikkeling, hemelwater en vuilwater gescheiden aangeboden worden. Tot op heden was er sprake van een niet gescheiden rioolstelsel.

 

Natuur/Ecologie

Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de plaatselijke biodiversiteit, door toename van de hoeveelheid groen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal de biodiversiteit door het plan eerder versterkt worden. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest nabijgelegen gebied betreft het gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Dit ligt op ca. 4,0 kilometer afstand. Veel Natura 2000 gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbeschermingvergunning (Wnb-vergunning). Gelet op de beperkte ingreep en de grote afstand tot het Natura-2000 gebied, zijn er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op het natuurgebied.

Bovenstaande conclusie wordt gestaafd door Aeriusberekeningen die voor andere projecten in de gemeente Tilburg gemaakt zijn. Zo resulteert een berekening (Aeriuskenmerk RRBCd17f6jfY d.d. 24-10-2019 / RQyJU7r9VSKk d.d. 24-10-2019) voor een project aan de Professor van Buchemlaan te Tilburg, dat dichter bij een Natura-2000 gebied ligt en met 23 nieuwbouwappartementen qua omvang en stikstofproductie groter is dan het onderhavige bestemmingsplan in een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr. Op basis van dit vergelijkingsmateriaal wordt het maken van een Aeriusberekening voor het onderhavige bestemmingsplan niet noodzakelijke geacht.

 

 
Geluid:

De voorgenomen bestemming- en functiewijziging heeft een positief effect op het aspect geluid. De verwachte geluidsoverlast voor de omgeving ligt voor de functie school vele malen hoger dan voor de functie wonen.

 

Luchtkwaliteit:

De voorgenomen bestemmingsplanwijziging heeft geen negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het gasverbruik neemt aanzienlijk af doordat de nieuw te bouwen appartementen voorzien worden van warmtepompen.

 

Geurhinder:

De voorgenomen bestemmingsplanwijziging leidt niet tot enige toename van geurhinder voor de omgeving.

 

(Externe) veiligheid:

De voorgenomen bestemmingsplanwijziging vormt heeft geen gevolgen voor veiligheid van de omgeving.

 

Conclusies en advies

Het doel van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van het voorliggende plan. Gelet op de kenmerken van het plan/project, de locatie van het plan/project en de kenmerken van de potentiele effecten moet worden geconcludeerd dat het plan/project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving ervan Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.-procedure. Besloten is dan ook om geen een milieueffectrapport voor dit plan/project aan de Oude Dijk 9 op te stellen (zie bijlage 4).

5.3 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Binnen het plangebied zijn deels al woningen toegestaan middels een kruimelgevallen-procedure. In de omgeving zijn voornamelijk woningen aanwezig en nog een maatschappelijke voorziening. Voor de maatschappelijke voorziening verderop in de straat is aansluiting gezocht bij de lijst functiemenging ivm de aanpandige woningen. Hierdoor zullen in het pand geen zware milieubelastende activiteiten mogelijk zijn. Daarmee is binnen dit plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

 

Geitenmoratorium

In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.

 

De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld.

Dit houdt in dat:

  1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;

  2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;

  3. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;

  4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;

  5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.

Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.

 

Het plan ligt niet binnen 2 km van een geitenhouderij.

5.4 Externe veiligheid

 

5.4.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);

  2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;

  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

 

5.4.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In de bij dit plan gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg - Vught en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.

 

5.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:

 

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

 

5.4.4 Conclusies en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg - Vught en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.5 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

5.6 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

 

5.6.1 Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft 9 woningen. De appartementen liggen in de geluidszone van de Bisschop Zwijssenstraat (50 km/h) en de Primus van Gilsstraat (50 km/h). Met het geluidmodel van de gemeente Tilburg (prognosejaar 2030) is een berekening gemaakt naar de optredende geluidbelasting van deze wegen.

 

In onderstaand plaatje is de geluidbelasting weergegeven van de Bisschop Zwijssenstraat en de Primus van Gilsstraat samen (prognose jaar 2030) inclusief de aftrek van 5 dB volgens artikel 110g Wet geluidhinder. De geluidbelasting bedraagt maximaal 31 dB op waarneemhoogte 4,5 meter, 32 dB op 7,5 meter en 35 dB op 10,5 meter. Dit betekent dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor beide zoneplichtige wegen wordt gerespecteerd.

 

Aangehouden verkeersgegevens Bisschop Zwijssenstraat:

 

 [image]

 

Asfalttype: SMA NL-8

Aangehouden verkeersgegevens Primus van Gilsstraat

 [image]

 

Asfalttype: referentiewegdek

Berekende geluidbelastingen bij het nieuw te bouwen woonblok op 4,5, 7,5 en 10,5 meter hoogte
inclusief aftrek 5 dB op basis van artikel 110g Wgh.

 

5.6.1.1 Goede ruimtelijke ordening

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de totale cumulatieve geluidbelasting van omliggende wegen in kaart gebracht waaronder ook de 30 km/h wegen. In het plaatje hieronder zijn de berekende geluidbelastingen weergegeven van alle wegen samen. De verkeersintensiteit op de Oude Dijk is dusdanig laag (<500 mvt/etmaal) dat deze niet relevant wordt geacht.

 

 

Uit bovenstaand plaatje blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting maximaal 56 dB bedraagt. De Nieuwstraat is hierbij maatgevend. Uitgaande van een gevelwering tussen de 20 dB en 25 dB is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

 

De gehanteerde verkeersgegevens voor de nabij gelegen Nieuwstraat zijn:

 

 [image]

 

Wegdek: klinkers, niet in keperverband

 

5.6.2 Railverkeerslawaai

Binnen het plangebied zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing.

5.6.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

5.7 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 9 appartementen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

5.8 Geur

Industriële geur

In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

 

Agrarische geur

In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

5.9 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar.

 

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. In deze context en de navolgende wordt opgemerkt dat in Noord-Brabant, zo ook in Tilburg, regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen worden zonder direct aanwijsbare bron. Dergelijke verhoogde waarden zijn eerder regel dan uitzondering, hebben een diffuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd en ruimte variëren. Conform de nota zijn verhoogde waarden aan (zware) metalen, met name nikkel, koper, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondgehalten te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu.

 

Bodembeheerplan (Bodemkwaliteitskaart)

Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Wonen' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren dat wil zeggen, er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit. Grond uit deze zone kan worden toegepast in de eigen zone of een zone met dezelfde kwaliteit ('Wonen') en in de zone 'Industrie'.

 

Uitdrukkelijk wordt verwezen naar het de 'Nota bodembeheer gemeente Tilburg'. Daarin staat beschreven wat de (on-)mogelijkheden en uitzonderingen zijn van de toepassing of hergebruik van ge-biedseigen grond van een mindere kwaliteit. De actuele/werkelijke grondkwaliteit wordt behandeld 'Bodemkwali-teit Plangebied' (navolgend).

 

Bodemkwaliteit Plangebied

In november 2019 is er een bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Oude Dijk 9-11 te Tilburg, ABO-Milieuconsult, rapport-kenmerk ANL19-4674, 5 december 2019 (TBG rapportcode AA085532724), zie bijlage 2).

Het gehele bestemmingsplangebied is onderzocht, met de volgende kant-tekeningen. De bodem onder het te handhaven pand, Oude Dijk 9, de voormalige, rijks monumentale 'St Jozef-MAVO (hoofdgebouw)' is niet onderzocht. Gelet op een voorgenomen interne verbouwing, de gebruikshistorie en de resultaten van de rondom uitgevoerde bodemonderzoeken, is dat niet noodzakelijk.

 

Aan de Oude Dijk 9 heeft een gymzaal gestaan. Die is gesloopt en daar heeft bodemonderzoek plaats gevonden. Aan de zuidzijde van Oude Dijk 9 heeft een later aangebouwde vleugel van de MAVO gestaan. Deze is inmiddels gesloopt. Op basis van het onderzoek kan worden gesteld dat de zintuiglijk niet schone grond - de bovengrond bevat bodemvreemde bijmengingen met structureel (baksteen-)puin en incidenteel met verbrandingslakken en asbestverdacht plaatmateriaal: dit kan duiden op een bodemverontreiniging - bevat overwegend licht verhoogde gehalten aan, in wisselende samenstellingen, de zware metalen lood, kobalt, nikkel, zink, kwik en koper (ook matig ver-hoogd) en incidenteel ook PAK, minerale olie, PFOS en asbest.

 

In Noord-Brabant worden regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen zonder direct aanwijsbare bron (verhoogde achtergrondgehalten). Dergelijke verhoogde achtergrondgehalten zijn eerder regel dan uitzondering, hebben een dif-fuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd en ruimte variëren. Conform de gemeentelijke nota 'In goede aarde' zijn verhoogde concentraties aan (zware) metalen, met name nikkel, ko-per, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondwaarden te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu.

 

Tijdens de uitvoering van de bodemonderzoeken zijn op de locatie (maaiveld) asbest plaatmateri-aal1 en in de grond asbest verdachte puinbijmenging waargenomen. Deze zijn onderzocht: het plaatmateriaal bevat hechtgebonden asbest, de puinhoudende grond bevat geen asbest.

 

De overwegend licht verhoogde gehalten aan diverse stoffen in de grond (voornamelijk) en grondwater vormen geen belemmering voor het voorgenomen gebruik 'Wonen', al dan niet met (sier-)tuin, en eventueel over te dragen Openbare ruimte. Er hoeft aanvullend geen vervolgonderzoek plaats te vinden en er hoeven geen bijzondere (beperkende) bodemvoorwaarden in de vergunning te worden opgenomen.

5.10 Natuur en ecologie

Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde soorten (Flora- en faunawet). Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

 

Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

 

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

 

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

Er zijn drie mogelijkheden:

 [image]

Analyse plangebied

Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: Kampina & Oisterwijkse Vennen, Regte Heide & Riels Laag, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en Kempenland-West (op respectievelijk 4,0, 4,5, 6,8 en 8 km afstand van het plangebied). De Kampina & Oisterwijkse Vennen liggen het dichtst bij: ca. 4,0 km afstand van het plangebied.

 

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen EHS en Natura2000-gebieden te verwachten. Ook tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zullen niet aan de orde zijn. Significante gevolgen kunnen daarom worden uitgesloten.

 

Bovenstaande conclusie wordt gestaafd door Aeriusberekeningen die voor andere projecten in de gemeente Tilburg gemaakt zijn. Zo resulteert een berekening (Aeriuskenmerk RRBCd17f6jfY d.d. 24-10-2019 / RQyJU7r9VSKk d.d. 24-10-2019) voor een project aan de Professor van Buchemlaan te Tilburg, dat dichter bij de Natura-2000 gebieden ligt en met 23 nieuwbouwappartementen qua omvang en stikstofproductie groter is dan het onderhavige bestemmingsplan in een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr. Op basis van dit vergelijkingsmateriaal wordt het maken van een Aeriusberekening voor het onderhavige bestemmingsplan niet noodzakelijke geacht.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden.

De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten.

 

Natuurnetwerk Brabant

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is het Natuurnetwerk Brabant (ook bekend als Ecologische Hoofdstructuur) begrensd. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot het Natuurnetwerk Brabant.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Brabant is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van het Natuurnetwerk Brabant worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor welke begrensd zijn als Natuurnetwerk Brabant. De dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant gebieden zijn gelegen op ruime afstand afstand van het plangebied.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Brabant in de omgeving. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Brabant en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant.

 

Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het Natuurnetwerk Nederland. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Groenblauwe mantel. De dichtstbijzijnde Groenblauwe bevindt zich op ruime afstand van het plangebied.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Groenblauwe mantel. Het plangebied ligt niet in de Groenblauwe mantel en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel.

 

Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

 

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

 

In het geval voor Tilburg is er een gebiedsontheffing afgegeven voor de oude stad. Dit houdt in dat er een ontheffing geldt voor de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft het verstoren van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, gierzwaluw en de huismus. Voorwaarde om gebruik te maken van deze gebiedsontheffing is het werken volgens het bijbehorende soortenmanagementplan.

 

Analyse plangebied

Het plangebied is braakliggend. Er staat geen bebouwing op. In de directe nabijheid staan wel diverse bomen.

 

Conclusie

Ten behoeve van de gebiedsontheffing Flora- en faunawet heeft de gemeente Tilburg in 2013 onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw in de Oude Stad uitgevoerd. Het plangebied ligt in dit (onderzoeks)gebied. De geplande werkzaamheden zullen tot gevolg hebben dat mogelijke verblijfplaatsen van bovengenoemde soorten zullen verdwijnen of worden verstoord. Om gebruik te kunnen maken van de gebiedsontheffing van de gemeente Tilburg zullen hier extra voorzieningen getroffen moeten worden om het verblijfplaatsen aanbod van de vleermuizen, gierzwaluwen en/of huismussen te waarborgen. Dit kan gedaan worden door het aanbrengen van nestkasten voor de gierzwaluw en huismus, of het plaatsen van vogelvides. Voor vleermuizen kunnen ook kasten ingebouwd worden, of er kan worden gekozen om delen van het gebouw en spouwmuur bewust toegankelijk te maken voor vleermuizen door bijvoorbeeld open stootvoegen die toegang verschaffen tot een spouwmuur. Tevens dient er buiten de kwetsbare periode voor vleermuizen gewerkt te worden tenzij hiervoor de in het soortenmanagementplan beschreven maatregelen zijn getroffen.

Het plangebied is potentieel geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. Het treffen van voorzorgsmaatregelen om verstoring tijdens uitvoering van de geplande activiteiten te voorkomen is hiervoor nodig. In gebruik zijnde nesten van algemene vogels zijn strikt beschermd, daarbuiten mogen ze worden verwijderd. Uitgangspunt is dat de geplande activiteiten alleen kunnen worden uitgevoerd indien bezette nesten van algemene vogels niet worden verstoord. Om deze reden wordt geadviseerd te starten met de werkzaamheden in de periode 1 sept - 1 maart (buiten het vogelbroedseizoen). Afgestemd op de feitelijke planning van het project dienen de exacte voorzorgsmaatregelen te worden bepaald.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

 

Bestaand watersysteem

De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. Het plangebied betreft een voormalige bedrijfslocatie.

 

Kenmerk

In plangebied

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg

Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel

Oppervlaktewater: waterschap De Dommel

Bruto oppervlakte

ca. 2.560 m²

Terreinhoogte

ca. NAP+13,4 m

Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)

ca. NAP+12,2 m

Ontwateringdiepte

Ca. 1,2 m

Bodem

Sterk lemig, matig fijn zand

Riolering

Gemengde riolering

Het bestaande schoolgebouw is afgewaterd m.b.v. een gescheiden systeem

Afkoppelgebied

Blauwe aders Moerenburg

Oppervlaktewater

Op ca. 600m bevindt zich de Piushaven. Zie afbeelding 1

In naastliggend park is een siervijver aanwezig

Keur beschermde gebieden

Het plangebied valt in het Beperkt invloedgebied Natura 2000. Zie afbeelding 2

Tabel 1 Gebiedskenmerken

 

 [image]

Afbeelding 1: Locatie plangebied ten opzichte van oppervlaktewater. Met een rood vlak is het plangebied aangegeven.

 

 

 

 [image]

Afbeelding 2; Locatie plangebied ten opzichte van de beschermingsgebieden keur

 

In de Oude Dijk is een gemengde riolering aanwezig. Het afvalwater en het regenwater worden gecombineerd ingezameld en getransporteerd naar de Moerenburgcomplex, en daar wordt het afvalwater verpompt naar zuiveringsinstallatie Tilburg, in beheer van waterschap De Dommel. In de nabije toekomst wordt een regenwaterriolering aangelegd in Oude Dijk. Bij het recentelijk verbouwde monumentale gebouw is het regen- en vuilwater inpandig gescheiden.

 

De bebouwing van het plangebied is recent gesloopt. In de situatie voor de sloop was er sprake van een grotendeels verhard terrein. In tabel 2 zijn de oppervlakten weergegeven.

 

Oppervlakken *

Niet-afvoerende oppervlakte (m²)

Afvoerende

oppervlakte (m²)

Totaal (m²)

Dak

0

1.545

1.545

terrein

0

1.015

1.015

Totaal (m²)

0

2.560

2.560

Tabel 2 Afvoerende oppervlakken bestaande situatie

* Bron: KRT en luchtfoto

 

Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

 

De Tilburgse 'Omgevingsvisie 2040' is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn de algemene uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Uitwerking ervan en van het klimaatbeleid vindt plaats in het 'Programma Water en Riolering' (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. Daarbij wordt de lijn van vGRP 2016-2019 geactualiseerd, aangevuld en aangescherpt in vier speerpunten:

De vastgestelde basisopgaven spelen in op duurzaamheid, energietransitie, enz. en anticipeert op de nadelige klimaatverandering. Het vastgestelde beleid stelt daarom hoogwaardige eisen aan bestaande stedelijke gebieden, nieuwe verstedelijking en het beheer van de openbare ruimte.

 

Toekomstige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Oude Dijk te Tilburg. Op de voormalige schoollocatie wordt de bouw mogelijk gemaakt van negen woonappartementen. De afvoerende oppervlakken voor de nieuwe situatie zijn bepaald op basis van de verbeelding en de bijbehorende regels. In tabel 3 zijn deze oppervlakken weergegeven.

 

Oppervlakken *

Niet-afvoerende oppervlakte (m²)

Afvoerende

oppervlakte (m²)

Totaal (m²)

Dak

0

1.275

1.275

terrein

885

400

1.285

Totaal (m²)

885

1.675

2.560

Tabel 3; Afvoerende oppervlakten in de plansituatie

* Bron: verkaveling nieuwbouw Jozef Mavo

 

Duurzaam watersysteem

De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:

 

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte ruim voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.

 

De omgeving van het perceel is gevoelig voor wateroverlast bij extreme neerslag. De gemeente adviseert de terreinhoogten aansluitend op de bestaande openbare ruimte en aangrenzende percelen en de vloerhoogten minimaal 15 à 20 cm hoger te kiezen in verband met mogelijke effecten van extreme neerslag.

 

Door de ligging binnen de invloedsfeer van Natura 2000 gebieden (zie afbeelding 2) mag de waterhuishouding niet nadelig beïnvloed worden. Daarom zijn nieuwe grondwateronttrekkingen of diepe drainage niet toegestaan. Er geldt ook een beregeningsbeleid.

 

Regenwater

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren).

Mogelijkheden hiervoor zijn:

Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.

 

Aan de hand van het nieuwe beleid wordt van iedere ontwikkeling verlangd dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De vastgestelde bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg.

  

De noordelijke helft van het plangebied is recentelijk gerealiseerd: de voormalige school is verbouwd en daarbij is de afvoer van afval- en regenwater gescheiden. Het terrein wordt heringericht en daarmee vergroend. De zuidelijke helft is een nieuw gebouw, dat samen met het verharde terrein een naar schatting af te wateren oppervlak heeft van 680 m². Op basis van deze afvoerende oppervlakken in de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op 41 m³. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. De voorziening(en) kunnen worden voorzien van een overloop. Voorlopig wordt die overloop aangesloten op de riolering en in de toekomst op de regenwaterleiding die aangelegd wordt in het kader van het plan blauwe aders.

 

Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.

 

Huishoudelijk afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater van de woningen wordt afgevoerd via de bestaande riolering in de Oude Dijk.

 

Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Conform deze aanpak kan het watertoetsproces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten.

7.2.1 Bouwvlak en tuin

De bestemmingen kennen een bouwvlak. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt uit de planregels en geldt voor de bebouwing die gehandhaafd blijft. Het tweede wordt op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. Dit is opgenomen waar de nieuwbouw is voorzien.

7.2.2 Bouwhoogte - Goothoogte

De toegelaten bouw- en goothoogte is afgestemd op de bestaande bebouwing en het nieuwbouwplan. De maximale hoogte is 13 meter voor het meest zuidelijke nieuwbouwdeel en 13,5 meter voor het bestaande noordelijk gelegen pand.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.

In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

 

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels

Het plan geeft het college de bevoegdheid om afwijking van de bouwregels toe te staan om zodoende op ondergeschikte delen maatwerk te kunnen verrichten.

 

Gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven.

 

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

Anti-dubbeltelregel

Dit artikel bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

Algemene bouwregels

Dit artikel bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij beschermde bomen.

Algemene gebruiksregels

In dit artikel staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.

Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld. In dit geval betreft dat de luchtverkeerszone.

Algemene afwijkingsregels

Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in dit artikel.

Algemene wijzigingsregels

Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in dit artikel.

Overige regels

Burgemeester en wethouders zijn middels dit artikel bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden nabij beschermde bomen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

 

8.1 Uitvoerbaarheid

De verbouw en de nieuwbouw, die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, wordt geheel door de initiatiefnemer (Van der Wegen Bouwontwikkeling BV) bekostigd.

 

Met de initiatiefnemer is een exploitatieovereenkomst en een overeenkomst tegemoetkoming in planschade gesloten. In de overeenkomst tegemoetkoming in planschade is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door ontwikkelaar. In de exploitatieovereenkomst zijn de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan de begeleiding van dit plan opgenomen, de bijdrage voor het fonds bovenwijkse voorzieningen alsmede de kosten voor de benodigde aanpassingen in het openbaar gebied. Daarnaast betaalt de initiatiefnemer de gebruikelijke legeskosten ten behoeve van de opstelling van een nieuw bestemmingsplan.

 

Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.

 

Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 6 september 2019 gepubliceerd in gemeenteblad en staatscourant.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Omdat er geen rijks- of provinciale belangen betrokken zijn bij dit bestemmingsplan is het plan niet ingestuurd voor vooroverleg.

9.3 Omgevingsdialoog

Op maandag 16 december 2019 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond gehouden in de voormalige Jozefmavo aan de Oude Dijk 9. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen.

 

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 6 juli 2020 tot en met 17