direct naar inhoud van Regels

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2019024-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend om de beoogde ontwikkeling aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg juridisch-planologisch mogelijk te maken.

 

Initiatiefnemer is voornemens om het bestaande gebouw aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg te transformeren. In de huidige situatie bevindt zich hier een voormalig datacentrum welke leeg is komen te staan. Met het beoogde initiatief wordt het pand getransformeerd en uitgebreid. De kelder en de plint van het pand zullen bestemd zijn voor publieke functies op het gebied van onderwijs, maatschappelijk werk, sport en/of bedrijfsleven. Daarnaast zal het pand op de verdiepingen voorzien in 96 studentenwoningen. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient de bestaande tweede verdieping te worden verwijderd en zullen er drie nieuwe bouwlagen worden op gebouwd.

 

De beoogde ontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Om de planontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggende toelichting voorziet in een ruimtelijke onderbouwing voor de beoogde ontwikkeling.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen op het perceel aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg en is bekend onder de kadastrale gemeente Tilburg, sectie AB, perceel 2165. Het plangebied wordt begrensd door de kadastrale grens en heeft een oppervlakte van 3.580 m².

 

De betreffende locatie bevindt zich ten westen van het stadscentrum van Tilburg, nabij de universiteit van Tilburg. In het gebied tussen de Professor Verbernelaan en de Professor Cobbenhagenlaan, ten zuiden van het plangebied, zijn verscheidene universiteitsgebouwen gesitueerd.

 

Ten westen van het plangebied, op een afstand van circa 530 m, ligt een groot park (sterrenbos De Oude Warande). Ten oosten van het plangebied bevindt zich een grasveldje met enkele bomen en ten noorden van het plangebied is een kinderopvang gesitueerd. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Professor Verbernelaan.

 

Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.[image]

 

Globale ligging plangebied (witte cirkel, bron: Google Maps)[image]

 

Globale plangrens plangebied (witte omkadering, bron: Google Maps)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerende bestemmingsplan 'Reit 2007'. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk vastgesteld op 20 november 2009. Daarnaast gelden de bestemmingsplannen 'Tilburg, Parkeerregeling 2017' (vastgesteld op 07-08-2018) en 'Tilburg, Terrasregels 2019' (vastgesteld op 01-07-2019) voor de gronden van het plangebied.

 

In het bestemmingsplan 'Reit 2007' zijn de gronden van het plangebied voorzien van de bestemming 'Kantoren'. Daarnaast beschikt het plangebied over de nadere aanduiding 'bijzonder bouwregime'. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Reit 2007'.

 

[image] 

Uitsnede vigerende bestemmingsplan 'Reit 2007' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gebieden die op de plankaart staan aangegeven als 'K' zijn bestemd voor de functie kantoren. Hieronder wordt verstaan een samenstel van activiteiten, waarbij het accent ligt op het verrichten van administratieve handelingen ten behoeve van het voeren of leiden van een onderneming of organisatie, het verlenen van diensten waaronder zakelijke dienstverlening, het verrichten van onderzoek, welke door een vestiging of bundeling van vestigingen worden verricht in een geheel van ruimten die zijn ondergebracht in een specifiek daarvoor ingericht kantoor. Daarnaast zijn de gebieden die zijn aangegeven met 'K' tevens bestemd voor vergader- en conferentiecentra, expositie-, beurs- en tentoonstellingsruimten, restaurants, logies/hotel- en congresaccommodatie, kantines en andere bijbehorende voorzieningen.

 

Voor de nadere aanduiding 'bijzonder bouwregime' is een maximaal bebouwingspercentage en maximale bouwhoogte opgenomen. Het maximaal bebouwingspercentage binnen het deelvlak in het plangebied is 100% en de maximale bouwhoogte is 17 m. Buiten het deelvlak geldt een maximaal bebouwingspercentage van 0% en een maximale bouwhoogte van 0 m.

 

De beoogde woningen passen niet binnen de bestemmingsomschrijving van 'Kantoren' tevens wordt met de beoogde ontwikkeling de maximaal toegestane bouwhoogte van 17 m binnen het deelvlak overschreden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een partiële herziening van het bestemmingsplan waarmee de beoogde transformatie juridisch-planologisch wordt mogelijk gemaakt.

1.4 Leeswijzer

De huidige en de toekomstige situatie in het plangebied worden in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het project onderbouwd met betrekking tot de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens de opzet van de planregels beschreven. Hoofdstuk 6 bevat de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de omgevingsdialoog, waarbij de uitkomsten van het vooroverleg en een verslag van de tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediende zienswijzen zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

 

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is in het plangebied een gebouw aanwezig met een bebouwingsoppervlakte van circa 1.100 m². Het gebouw betreft een voormalig datacentrum en is in de huidige situatie leegstaand.

Op het achtererf is een groot parkeerterrein aanwezig, welke voorziet in 69 parkeerplaatsen. Het parkeerterrein is ontsloten op de Professor Verbernelaan via een oprit aan de oostzijde van het bestaande gebouw.

 

Het plangebied is grotendeels omzoomd door groen. Aan de zuidzijde van het plangebied, voor de voorgevel van het bestaande gebouw is een groene haag aanwezig. Aan zowel de oostzijde als de westzijde van het plangebied is het plangebied begrensd door een bomenrij.

 

Navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van het plangebied.[image]

 

Bestaande bebouwing zuidwestzijde (bron: Google Street View)[image]

 

Bestaande bebouwing noordzuidzijde (bron: Google Street View)[image]

<LIE>

Huidige situatie plangebied achterzijde/noordzijde (bron: Google Street View)

De navolgende afbeelding toont de gevelaanzichten van het voormalige datacentrum in de bestaande situatie.[image]

 

Bestaande situatie gevelaanzichten voormalig datacentrum (bron: SW Architecten BV)

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens om het bestaande pand aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg te transformeren en uit te breiden. Met de beoogde ontwikkeling zijn er in totaal 96 zelfstandige studentenwoningen beoogd. Daarnaast zal de kelder en de begane grond bestemd worden voor publieke functies op het gebied van onderwijs, sport (waaronder fitness), recreatie, maatschappelijk werk en/of bedrijfsleven. Detailhandel en horeca in de plint zijn ongewenst en niet mogelijk.

Voor de ontwikkeling van de woningen en de andere beoogde functies dient de bestaande tweede verdieping van het gebouw verwijderd te worden en zullen er vier nieuwe lagen op gebouwd worden. Daarmee krijgt het beoogde gebouw in totaal vijf verdiepingen.

 

Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de beoogde transformatie.[image]

 

Aanzicht beoogde transformatie (bron: Storimans Wijffels architecten bv)[image]

 

Aanzicht beoogde transformatie (bron: Storimans Wijffels architecten bv)

Door het verwijderen van de tweede bouwlaag en het optoppen met vier nieuwe bouwlagen krijgt het gebouw een bouwhoogte van circa 23m. In onderhavig bestemmingsplan zal ten opzichte van de huidige situatie de bouwhoogte voor het hoofdgebouw met 6m toenemen. Navolgende afbeelding toont een doorsnede van de beoogde transformatie van het bestaande gebouw.[image]

 

Doorsnede beoogde transformatie bestaande bebouwing (bron: SW Architecten BV)

Met de beoogde ontwikkeling worden in totaal 46 parkeerplaatsen gerealiseerd. In de kelder is een fietsenberging voorzien waar voldoende ruimte zal zijn voor in totaal 96 fietsen. Het overige deel van de kelder zal gebruikt worden ten behoeve publieke functies op het gebied van onderwijs, maatschappelijk werk, sport en/of bedrijfsleven.

 

Aan de oostzijde van het gebouw bevindt zich een trappenhuis en een lift. Aan de westzijde van het gebouw is tevens een trappenhuis voorzien welke zal dienen als vluchttrap.

De kelder en begane grond biedt ruimte voor verschillende publieke invullingen. Op de eerste tot en met de vijfde verdieping worden in totaal 96 studentenwoningen gerealiseerd. De beoogde woningen hebben een oppervlakte van ca. 30 m².

 

Navolgende afbeelding toont de plattegrond van de eerste verdieping.[image]

 

Plattegrond beoogde situatie eerste verdieping (bron: SW Architecten BV)

 

Navolgende afbeelding toont de plattegrond van de tweede verdieping. De indeling van de tweede verdieping is vergelijkbaar met de derde verdieping. [image]

 

Plattegrond beoogde situatie tweede verdieping (bron: SW Architecten BV)

Navolgende afbeelding toont de plattegrond van de vierde verdieping, waarbij de indeling vergelijkbaar is met de vijfde verdieping. [image]

 

Plattegrond beoogde situatie vierde verdieping (bron: SW Architecten BV)

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Nationaal beleid

 

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.

 

De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

 

Planspecifiek

Het plangebied ligt in een gebied waar de nationale belangen 'ruimte voor militaire terreinen en activiteiten' (Nationaal belang 12) en 'een excellente ruimtelijke-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in een goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie' (Nationaal belang 1) van toepassingen zijn. Gezien de beperkte aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is Nationaal belang 1 niet van belang voor onderhavig initiatief. Wel dient rekening gehouden te worden met de regels voor 'ruimte voor militaire terreinen en activiteiten' met betrekking tot maximale hoogte van objecten. Dit wordt nader beschreven in toelichting paragraaf 3.1.2.

 

In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 en 1 juli 2014 op onderdelen aangevuld.

 

Planspecifiek

Zoals genoemd in voorgaande paragraaf valt het plangebied binnen het gebied dat is aangewezen als militair luchtvaartterrein. Daarmee is het Nationale belang 'ruimte voor militaire terreinen en activiteiten' van toepassing. Het plangebied maakt onderdeel uit van het obstakelgebied rondom Vliegbasis Gilze-Rijen. Voor obstakelgebieden geldt een maximaal toelaatbare hoogte van objecten (zie bijlage). Met de beoogde ontwikkeling wordt de maximaal toelaatbare hoogte niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat het Nationaal belang 'ruimte voor militaire terreinen en activiteiten' geen problemen vormt voor de beoogde ontwikkeling.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

 

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

  1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

  2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

  3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

 

Planspecifiek

Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt.

 

Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 96 woningen en is daarmee aan te merken als nieuwe stedelijk ontwikkeling. Derhalve zal navolgend de behoefte van de ontwikkeling worden onderbouwd.

 

De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio maken de gemeenten periodiek samen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit mei 2017.

 

In de periode 2017-2027 bedraagt de bouwopgave voor Tilburg ruim 9.600 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudenverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Wanneer en waar nodig worden er regionaal ook kwalitatieve afspraken gemaakt, getuige de afspraak waarbij Tilburg van de eigen opgave 730 woningen beschikbaar stelt aan een drietal buurgemeenten ter verwezenlijking van hun programmadoelen tussen 2009 en 2019.

 

Zeker tot 2025 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld zo’n 1.000 woningen per jaar, dit gecorrigeerd voor circa 200 w/jr. sloop. De effectieve vraag –uitgeoefend door de woonconsument– ligt gemiddeld op 850-900 woningen per jaar; het gemeentelijke bouwprogramma is hierop afgestemd. Het plan tot de bouw van in totaal 96 woningen past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context.

 

Met de beoogde ontwikkeling wordt er bijgedragen aan de behoefte van voldoende studentenwoningen. Het is voor de gemeente belangrijk om te investeren in deze doelgroep omdat Tilburg de studenten ook graag na hun afstuderen wil binden aan de stad. Tilburg zorgt daarom dat er voldoende studentenwoonruimte beschikbaar is. Daarbij wil de gemeente voorkomen dat dit ten koste gaat van het aanbod in de reguliere (betaalbare) voorraad. Met de beoogde transformatie van het voormalige datacentrum wordt er extra woonruimte gecreëerd voor studenten zonder dat dit ten koste gaat van de reguliere woningvoorraad.

Daarmee blijven reguliere betaalbare woningen onder andere beschikbaar voor afgestudeerde studenten. De beoogde ontwikkeling draagt derhalve bij aan de woningbehoefte in Tilburg.

3.2 Provinciaal beleid

 

3.2.1 Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

 

De visie noemt één basisopgave en een viertal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s.

Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er alvast een interim omgevingsverordening opgesteld. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening staat nu als ontwerp op ruimtelijkeplannen.nl. De omgevingsverordening Noord-Brabant is nog niet vastgesteld. In de navolgende paragraaf zal derhalve nog worden uitgegaan van Verordening ruimte Noord Brabant.

 

Planspecifiek

Onderhavige ontwikkeling heeft met name betrekking op 'Brabantse energietransitie' en 'concurrerende, duurzame economie'. Met de beoogde transformatie van het voormalige datacentrum aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg wordt er bijgedragen aan de Brabantse energietransitie. De ontwikkeling betreft een duurzame ontwikkeling waarbij er zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van het bestaande gebouw. Daarnaast zal er zo veel mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame materialen. De beoogde woningen worden voorzien van een goede isolatie en worden gasloos ontwikkeld. Op deze manier wordt er bijgedragen aan de reductie van broeikasgassen.

 

De hoofdopgave 'werken aan een concurrerende, duurzame economie' krijgt invulling met de beoogde transformatie doordat er geïnvesteerd wordt in vestigingsmogelijkheden voor studenten. Door studenten een aantrekkelijke woonlocatie te bieden nabij de campus wordt er indirect geïnvesteerd in het versterken van kennis- en innovatiekracht.

3.2.2 Verordening ruimte Noord Brabant

De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.

 

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.

 

Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).

 

Planspecifiek

Relevante informatie uit de verordening die betrekking heeft op het plangebied is o.a. dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het besluitvlak 'Structuur - Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied' en de aanduiding 'stalderingsgebied'.

 

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de Verordening ruimte. [image]

 

Uitsnede Kaart: Verordening ruimte (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Dit is in onderhavige situatie het geval, de beoogde ontwikkeling ligt binnen het besluitvlak dat het bestaand stedelijk gebied aanduidt. Met de beoogde ontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied zo goed mogelijk benut door transformatie en herontwikkeling. Tevens wordt door compact gebruik, het combineren van verschillende functies en optopping het ruimtegebruik geïntensiveerd.

 

De aanduiding 'Stalderingsgebied' heeft betrekking op de vestiging of omschakeling naar een hokdierhouderij. Voornoemde is niet van belang en vormt tevens geen belemmering voor onderhavig initiatief.

 

Geitenmoratorium

In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.

 

De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zogenaamde omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat:

  1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan;

  2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen;

  3. met initiatiefnemers afspraken worden gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;

  4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij;

  5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.

 

Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan.

 

Het initiatief ligt niet binnen 2 km van een geitenhouderij.De Verordening ruimte staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg.

3.3 Gemeentelijk beleid

 

3.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn:

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Planspecifiek

De beoogde ontwikkeling sluit bij verschillende aspecten van de omgevingsvisie van Tilburg aan. Er wordt met de beoogde transformatie aangesloten bij de Brabantstrategie door aantrekkelijk, bereikbaar en concurrerend te zijn. Hieraan wordt invulling gegeven door een bestaand leegstaand pand te transformeren en een nieuwe functie toe te kennen waardoor aan de directe leefomgeving een kwaliteitsimpuls wordt gegeven. Het aspect bereikbaarheid van/naar andere steden is voor onderhavig initiatief niet direct van belang. Wel zorgt de realisatie van studentenwoningen in de nabijheid van de universiteit Tilburg voor een goede bereikbaarheid van de universiteit en daarmee beperking van verkeersbewegingen/gebruik van openbaar vervoer richting de universiteit.

 

Daarnaast draagt de ontwikkeling indirect bij aan een concurrerende stad door te investeren in woonruimte voor studenten in de nabijheid van het stedelijk knooppunt 'Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing'. Tot slot wordt er aangesloten bij de stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat. Door een leegstaand pand weer een nieuwe functie toe te kennen wordt de kwaliteit van de wijk verbeterd. De ontwikkeling kan bijdragen aan dynamiek en ondernemerschap in de wijk, maar ook aan veiligheid, ontmoeting en sociale binding in de wijk.

 

 

De beoogde transformatie van het voormalige datacentrum is niet in strijd met de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en vindt aansluiting bij verschillende strategieën uit de visie.

3.3.2 Welstandsnota Tilburg 2017

Op 1 januari 2017 is de Welstandsnota Tilburg in werking getreden. De welstandsnota geeft richtlijnen, criteria en tips voor burgers, architecten ontwikkelaars die in de gemeente Tilburg willen bouwen en dient als leidraad om te komen tot een optimale omgevingskwaliteit. De nota is een geactualiseerde versie van de welstandsnota 2012. Vanwege de vaststelling van de Omgevingsvisie 2040, de structuurvisie Linten en vanwege de landelijke ontwikkelingen en voorbereidingen op de komst van de Omgevingswet was een actualisatie nodig.

Doel van de welstand- en monumententoets is het behartigen van het publieke belang door en voor de gemeente Tilburg. Het is van belang dat initiatieven een toegevoegde waarde leveren aan de stad en de kwaliteit daarvan.

 

Het welstandsbeleid beoogt niet alleen een bestuurlijk kader te bieden voor een wettelijke taak, de welstandstoetsing, maar ook stimulerend te zijn voor ruimtelijk kwaliteitsbesef bij de particuliere opdrachtgevers in het bouwproces.

 

In een snel veranderende wereld is het zorgvuldig omgaan met het bestaande, met oog op herkenbaarheid, identiteit en menselijke maat een terugkerend thema. Ook de verschuiving van nieuwbouw naar meer en meer aandacht voor transformatie en renovatie speelt daarin een rol.

De welstandstoets wordt -qua zwaarte- afgestemd op functie en karakter van de omgeving. Daarbij worden drie niveaus onderscheiden: volledige welstandstoets, 'lichte' welstandstoets en welstandsvrij.

 

Planspecifiek

Voor onderhavig plangebied is de 'lichte' welstandstoets van toepassing. De 'lichte' welstandstoets omvat de overige stedelijke beheergebieden en het buitengebied. Het zijn gebieden waarvan de ruimtelijke structuur en de gebouwen in mindere mate beeldbepalend zijn voor de stad, ten dele wél voor buurt of wijk. Van nieuwbouwplannen in deze gebieden mag gevraagd worden dat zij niet alleen op zichzelf redelijk zijn, maar ook dat zij bestaande ruimtelijke kwaliteiten in de omgeving respecteren. Kortom: een voldoende kwaliteit is hier de norm.

 

Tilburg is opgedeeld in verschillende deelgebieden. Elk gebied heeft een eigen karakteristiek en kwaliteit. Het plangebied valt gedeeltelijk binnen het deelgebied 'planmatige clusterbebouwing'. Kenmerken voor de visuele uitstraling van dit gebied is de uniformiteit, veroorzaakt door de projectmatige totstandkoming van het stedenbouwkundig plan en de woningbouw. Het stedenbouwkundig beleid is gericht op handhaving en verbetering van de bestaande kwaliteiten. Voor deze typologie zijn de volgende criteria van belang in relatie tot de beoogde ontwikkeling:

 

Met de beoogde transformatie wordt er aangesloten bij voornoemde criteria. In de huidige situatie is het bestaande pand in afwijking van de rest van de woonwijk in maat en schaal. Met de transformatie blijft het huidige stedenbouwkundig beeld zoveel mogelijk behouden. De aanpassingen aan de gevel en de optopping zal qua architectuur aansluiten bij de huidige architectuur. Door de gevel van de nieuwe bouwlagen een lichte kleur te geven en in te laten springen door middel van balkons vormt het een subtiel geheel op de bestaande bouwlagen. Tevens wordt hierdoor de oorspronkelijke bebouwing geaccentueerd.

 

Het parkeerterrein achter de bebouwing is aangemerkt als 'opengebied'. Omdat hier geen veranderingen plaatsvinden en de bestaande openheid behouden blijft zijn er geen belemmeringen vanuit de welstandsnota.

Daarnaast valt het gehele plangebied binnen het gebied dat is aangewezen als 'knoop: Tilburg University Campus'. Door de beperkte hoogte van de beoogde ontwikkeling wordt er geen afbreuk gedaan aan het landmark 'Universiteit Tilburg'.

 

Geconcludeerd wordt dat er wordt aangesloten bij de criteria uit de Welstandsnota Tilburg 2017.

3.3.3 Woonvisie Tilburg 2015

Het gemeentelijk woonbeleid (zowel kwantitatief als kwalitatief) volgt primair uit de vierjaarlijkse Woonvisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. Ondanks accentverschuiving naar de bestaande woningvoorraad is de nieuwbouwopgave voor Tilburg nog steeds een belangrijk thema, gegeven de natuurlijke aanwas, gezinsverdunning en immigratie.

 

Centraal in de Woonvisie Tilburg 2015 staat de gemeentelijke opgave te voorzien in een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, zodat zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen en trends (w.o. demografie, individualisering/keuzevrijheid, zelfredzaamheid & zorg, identiteit/beleving en duurzaamheid); dit geldt zowel de woning als de woonomgeving(/ woonmilieu). De beleidsagenda van de Woonvisie Tilburg 2015 kent een viertal speerpunten/hoofdambities.

 

De eerste is behoud resp. verbetering van de aantrekkelijkheid van de stad, zodat iedere (Til)burger passende woonruimte kan vinden waar men wil, binnen een van de woningmarktgebieden; voorwaarde hiervoor een gedifferentieerd woningaanbod, met verschillende woningtypen, prijsklassen, woonmilieus en "woonwerelden".

 

Een tweede belangrijke ambitie is de betaalbaarheid van het wonen. Het realiseren van voldoende betaalbaar woningaanbod heeft prioriteit. Dit te bewerkstelligen via efficiënter benutten van de voorraad en selectief toevoegen van nieuwbouw.

 

Duurzaamheid is het derde speerpunt. Dit geldt met name verduurzaming van de bestaande woningvoorraad, gericht op een lager energiegebruik en verbetering van de bruikbaarheid.

 

Een laatste beleidsuitgangspunt betreft de versterking van de samenhang wonen-welzijn-zorg, gericht op waarborging/bevordering van de zelfredzaamheid van de (Til)burgers, mede op grond van een (beter) levensloopbestendige woningvoorraad en -omgeving.

 

Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften/klantvraag wordt gebruik gemaakt van een woonmilieutypologie. Hierbij wordt primair –naar analogie van de rijksoverheid– onderscheid gemaakt naar vijf woonmilieus, namelijk: Centrum-stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-Stedelijk, (Centrum-)Dorps en Landelijk, daarbij is –ook in díe volgorde– sprake van een afnemende woningdichtheid en nabijheid c.q. toegang tot voorzieningen, resp. (OV)bereikbaarheid. Deze indeling wordt waar nodig binnengemeentelijk verbijzonderd en/of verbonden met leefstijlkenmerken c.q. "woonwerelden" van bewoners.

 

Planspecifiek

In Nederland blijft de bevolking volgens prognoses van het Centraal Bureau voor Statistiek tot 2030 groeien, daarna is het onzeker. De bevolking in Tilburg groeit naar verwachting door tot 2040, waarbij ook in Tilburg de groei door geboorte afneemt en de groei door binnen- en buitenlandse migratie toeneemt. De woningbehoefte groeit zelfs harder door het toenemend aantal eenpersoonshuishoudens. Studenten maken onder andere deel uit van het aantal eenpersoonshuishoudens. In de omgeving Kennis-as (Universiteit -Spoorzone) is een toenemende behoefte aan huisvesting voor (internationale) studenten. De gemeente Tilburg streeft naar voldoende beschikbare studentenwoonruimten. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan voldoende woonruimte voor studenten in de nabijheid van de universiteit.

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

4.2.1 Hoogbouw

In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007.

 

Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.

 

De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan.

 

Planspecifiek

De bouwhoogte neemt in onderhavig plan met ca. 6m toe ten opzichte van de huidige situatie tot een hoogte van ca. 23m. Derhalve dient het plan getoetst te worden op de lokale effecten van de hoogbouw. Er dient daarbij ingegaan te worden op het gebiedsprofiel en het projectprofiel In het gebiedsprofiel wordt het plangebied in zijn stedelijke context beschreven. In het projectprofiel wordt nader ingegaan op het project zelf. Navolgend vindt deze toetsing plaats.

 

Gebiedsprofiel

 

Ruimtelijke oriëntatie

Het gaat bij onderhavig initiatief om de aanpassing van een bestaand pand. Daarmee tast het initiatief de oriëntatie in de stad niet aan. Wel accentueert de optopping van het gebouw het oorspronkelijke pand, wat bijdraagt aan de herkenbaarheid. Dit bevordert de leesbaarheid van de stad.

 

Silhouet/skyline

In het kader van het silhouet/de skyline van Tilburg dienen alleen hoogbouwinitiatieven van 35 m en hoger beschouwd te worden. Voorliggend plan betreft geen zodanig initiatief.

 

Inpassing in omgeving

In toelichting paragraaf 3.3.2 is aangetoond dat de beoogde planontwikkeling geen afbreuk doet aan de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving. Daarbij is bij het ontwerp van de aanpassingen aan het pand zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de huidige architectuur. Het bestaande pand wijkt al in maat en schaal af van de directe omgeving. Deze afwijking wordt niet significant versterkt met voorliggend plan. Verder blijkt uit toelichting paragraaf 4.3.1 dat het plan geen afbreuk doet aan cultuurhistorische waarden.

 

Draagvlak en functiemenging

Er wordt beoogd enkele publieke voorzieningen mogelijk te maken in de kelder en plint van het gebouw. Omdat er tevens studentenwoningen in het gebouw zijn beoogd is er sprake van functiemenging, wat als wenselijk gezien wordt. Daarbij leveren de nieuwe studentenwoningen een positieve bijdrage aan het draagvlak voor vervoersknooppunten, zoals station Tilburg Universiteit, en voor de voorzieningen in de omgeving.

 

Projectprofiel

 

Windhinder

Vanwege het realiseren van hoogbouw aan de Prof. Verbernelaan 35 te Tilburg is door SIMSTUDIO een windhinderonderzoek uitgevoerd (23 juni 2020, zie bijlage 1) Aan de hand van de NEN8100 is inzicht verschaft in het windklimaat op straatniveau. Uit het onderzoek zijn de volgende conclusies naar voren gekomen.

 

De kwaliteitsklasse rondom het gebouw is klasse A en gedeeltelijk klasse B, beide zijn een goed windklimaat voor doorlopen.

 

Tussen de twee hoge gebouwen ten zuiden van het onderzochte gebouw treedt een verhoogde windsnelheid op welke effect heeft op het windklimaat ten oosten van het gebouw.

 

De wind die voornamelijk vanuit de richting Zuid-Zuid-West tot West-Zuid-West wordt door de voorliggende en achterliggende laagbouw en begroeiing ‘omhoog’ gehouden. De hoogbouw ten zuiden heeft nauwelijks effect op de directe omgeving van het onderzochte gebouw.

 

Er kan gesteld worden dat er een goed windklimaat verwacht wordt rondom de ontwikkeling. Er treedt geen windgevaar op rondom het onderzochte gebouw op Professor Verbernelaan 35.

 

Schaduwwerking

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Buro SRO een bezonningsstudie opgesteld (26 maart 2020, zie bijlage 2). Hierin is bekeken wat de effecten zijn van de voorgenomen ontwikkeling op het gebouw zelf en op de omliggende bebouwing. In deze bezonningsstudie is aangesloten op de zogenaamde 'Haagse-norm'. Uit de bezonningsstudie zijn de volgende conclusies naar voren gekomen.

 

Woningen aan de professor Verbernelaan

Voor de woningen aan de Professor Verbernelaan, welke direct ten westen naast de planlocatie zijn gelegen, treedt er geen verslechtering op. De bezonningssituatie voor deze woningen blijft ongewijzigd.

 

Woningen aan de Martinitorenstraat

Voor de woningen aan de Martinitorenstraat ontstaat er een beperkte verslechtering. In de ochtend in de maanden februari, maart, september en oktober krijgt een aantal woningen schaduw op hun voorgevel door de nieuwbouwontwikkeling. Vanaf 12.00 uur is de schaduw volledig verdwenen en is de situatie weer vergelijkbaar met de bestaande situatie. De voorgevel van deze woningen voldoet daarmee ruimschoots aan de Haagse-norm gezien deze gevel meer dan twee uur zon per dag krijgt.

 

Woningen en wijkgebouw aan de Westertorenlaan

De woningen gelegen aan de Westertorenlaan ondervinden geen extra schaduwwerking van de nieuwbouwontwikkeling aan de Professor Verbernelaan. De bezonningssituatie voor deze woningen blijft ongewijzigd.

 

Voor het wijkgebouw wijzigt de situatie wel. In de maanden februari, maart en oktober treedt er een beperkte verslechtering op vanaf 9.00 uur ‘s ochtends tot ca. 14.30 uur. In september treedt er een zeer beperkte verslechtering op vanaf 13.30 uur tot ca. 15.00 uur in de middag. Al met al voldoet de gevel daarmee ruimschoots aan de Haagse-norm gezien deze meer dan twee uur zon per dag krijgt

 

Woningen aan de schreierstorenstraat

De appartementen gelegen aan de Schreierstorenstraat ondervinden in zeer beperkte mate extra schaduwwerking van de nieuwbouwontwikkeling. De eerste drie bouwlagen ondervinden een zeer beperkte schaduwwerking in de maanden februari en oktober vanaf ongeveer 14.00 uur tot 16.00 uur. De gevels van deze appartementen voldoen daarmee ruimschoots aan de Haagse-norm gezien deze gevels meer dan twee uur zon per dag krijgen.

Geconcludeerd kan worden dat met de beoogde ontwikkeling voldaan wordt aan de Haagse normen en dat de schaduwwerking van het gebouw geen belemmeringen veroorzaakt.

 

Uitzicht

Het verhogen van het gebouw met ca. 4,5 m heeft nauwelijks invloed op de uitzichten van de omliggende gebouwen. Tussen de woningen aan de Martinitorenstraat en de beoogde appartementen is een groenstrook met bomen aanwezig waardoor met het verhogen van het gebouw het uitzicht niet verder belemmerd wordt. De woningen aan de Schreierstorenstraat kijken in zuidelijke richting uit op het gebouw. Deze woningen kijken echter ook uit op het achtergelegen hogere flatgebouw. Gesteld kan worden dat het uitzicht niet verder belemmerd wordt.

 

Privacy

Aan de westzijde van het gebouw bevinden zich aan de Martinitorenstraat op een afstand van ca. 17 m woningen. Hiermee wordt niet voldaan aan de gestelde afstand van 25 m in de handreiking hoogbouw van de gemeente Tilburg. De rij bomen tussen de nieuwe appartementen en woningen zorgt ervoor dat er voldoende privacy is. De appartementen in het flatgebouw ten zuiden zijn niet gericht op de nieuwe appartementen. Hiermee is de privacy voldoende geborgd.

 

Schaalsprong

Rond het plangebied is zowel hoogbouw als laagbouw aanwezig. Ten zuiden van het plangebied zijn flats gesitueerd met een bouwhoogte van 30 tot 75 m. Het ophogen van het gebouw met ca. 4,5 m zal geen negatieve effecten hebben op de omgeving.

 

Plint/openbare ruimte/openbaar groen

In de plint van het gebouw is ruimte voor publieke functies op het gebied van onderwijs, maatschappelijk werk, sport en/of bedrijfsleven. Deze functies in de plint zullen de omgeving en de openbare ruimte levendiger maken waardoor de kwaliteit van de omgeving zal verbeteren.

 

Verkeer en parkeren

In toelichting paragraaf 4.5 wordt ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren.

 

Ruimtelijke kwaliteit

De hoofdvorm van het gebouw blijft behouden. Voor de bovenbouw wordt er gebruik gemaakt van licht gevelmateriaal in de kleur rood (bijv. aluminium gevelbeplating, rockpanel of stucwerk). Het gebouw wordt opgeknapt en ondergaat een kwaliteitsverbetering. Tevens wordt de achtergelegen parkeerplaats heringericht met meer groen. Gesteld kan worden dat de ruimtelijke kwaliteit verbeterd wordt.

4.2.2 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

4.3.1 Cultuurhistorie

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

 

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

 

Planspecifiek

Rond de jaren twintig van de twintigste eeuw vond een langzame toename aan bebouwing plaats in de omgeving van het plangebied. Met name langs de Bredaseweg werd veel gebouwd. Echter bestond de omgeving van het plangebied tot ver in de jaren vijftig uit agrarische gronden. In de jaren zestig is het gebied veranderd in een woonwijk.

 

Het gebouw aan de Professor Verbernelaan 35 is geen gemeentelijk of rijksmonument. De dichtstbijzijnde monumenten bevinden zich aan de Professor Cobbenhagenlaan 17-19 en Academielaan 9 ten noorden van het plangebied. Het betreft een de 'Studentenkerk Maranatha' en het 'Voormalig Studentenhuis en Mensa'. De beoogde transformatie van het gebouw aan de Professor Verbernelaan 35 heeft verder geen invloed op de cultuurhistorische waarden van de monumenten in de omgeving. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden.

4.3.2 Archeologie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

 

Planspecifiek

Uit de plankaart van het vigerende bestemmingsplan blijkt dat het plangebied niet wordt aangemerkt als verwachtingsgebied voor archeologische waarde. Bovendien is er voor de beoogde transformatie van het voormalige datacentrum geen sprake van werkzaamheden waarbij de grond geroerd zal worden. Het aspect archeologie is derhalve niet van belang en vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg.

4.4 Groen en speelruimte

 

4.4.1 Bomenbeleid Tilburg

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 

Bomenverordening

De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.

 

Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.

 

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

 

Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)

In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.

4.4.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

4.4.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

 

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

 

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

 

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

 

Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

4.5 Verkeer en parkeren

 

4.5.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

4.5.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

4.5.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

 

Planspecifiek

 

Parkeren

Aan de hand van het functieprogramma, de gemeentelijke parkeernormen en aanwezigheidspercentages is een parkeerbalans opgesteld (zie bijlage 3). Voor de commerciële plint is nog geen exacte invulling bekend, hiervoor zijn verschillende scenario's in de parkeerbalans uitgewerkt.

 

Binnen de ontwikkeling zijn op dit moment 46 parkeerplaatsen voorzien. Uit de berekening blijkt dat de parkeervraag voor de woningen binnen de ontwikkeling (afgerond) 19 parkeerplaatsen bedraagt. Rekening houdend met dubbelgebruik heeft de ontwikkeling bij de invulling van de commerciële ruimte met functie kantoor of dienstverlening voldoende parkeercapaciteit om op alle momenten in de week te voorzien in de parkeervraag. Hierbij is sprake van restcapaciteit binnen de ontwikkeling. Enkel bij invulling van de gehele commerciële ruimte als sportfunctie (sportschool/dansstudio) ontstaat een tekort aan parkeercapaciteit op eigen terrein van 23 parkeerplaatsen. Echter zal de totale beschikbare ruimte nooit volledig gebruikt gaan worden voor sport. Dit kan dan ook gezien worden als een 'worst-case scenario'.

 

Het aantal te realiseren parkeerplaatsen wordt volgens maatwerk afgestemd op de functie van de kelder en de plint. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om aan het benodigde aantal parkeerplaatsen te voldoen, waarbij tevens een gemeenschappelijke groene buitenruimte kan worden gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.

 

Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend op de dan aangevraagde functies. Getoetst wordt aan de op dat moment geldende gemeentelijke parkeernormen en parkeerbeleid. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal een inrichtingsplan worden overlegd, waarbij rekening wordt gehouden met de benodigde parkeerplaatsen en daarbij een gemeenschappelijk groene buitenruimte.

 

Naast de parkeereis voor auto's bestaan er ook normen (wettelijke) normen voor het stallen van fietsen. Vaak wordt daarbij aansluiting bij het Bouwbesluit 2012 gezocht. Voor verbouwing/uitbreiding van een bestaand pand, waarvan bij het onderhavige plan sprake is, gelden ingevolge het Bouwbesluit 2012 geen voorschriften voor een (fietsen)berging. Ondanks dat feit verwacht de gemeente dat initiatiefnemers bij transformatie- en herontwikkelingsprojecten hun verantwoordelijkheid nemen om te voorzien in voldoende en goede fietsparkeergelegenheid. Bij voorliggend initiatief wordt beoogd in de kelder in voldoende stallingsruimte voor bewoners te voorzien. Voor bezoekers van de publieke voorzieningen en de woningen komt buiten een fietsenstalling te staan.

 

Verkeer

Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.

 

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

 

Met de beoogde ontwikkeling worden er 96 studentenwoningen gerealiseerd. Daarnaast zal de kelder en begane grond een invulling krijgen voor publieke of maatschappelijke doeleinden. Voor de berekening van het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie is gebruik gemaakt van de gegevens van CROW (publicatie 381). Bij de berekening is uitgegaan van 'rest bebouwde kom' in 'zeer sterk stedelijk gebied'. Navolgende tabel toont het aantal verkeersbewegingen per etmaal.

 

 

verkeersbewegingen per etemaal

aantal/m2

totaal verkeersbewegingen per etmaal

Studentenwoning

1

96

96

Kantoor (100m2 bvo)

4,05

582

23,6

Commerciele dienstverlening (100m2 bvo

7,65

580

44,4

Fitnessstudio/sportschool (100 m2 bvo)

26,25

580

146,5

totaal

 

 

310,5

 

Omdat er nog niet duidelijk is welke invulling de kelder en op de begane grond (in totaal 1.742 m² bvo) specifiek zullen krijgen is er in de berekening uitgegaan van een evenwichtige verdeling tussen een kantoorfunctie, commerciële dienstverlening en een sportfunctie. In de werkelijkheid kan de verkeersgeneratie lager uitvallen als kantoren een groter aandeel hebben of hoger uitvallen als het overwegend een sportfunctie krijgt.

 

Door de aanwezigheid van station Universiteit Tilburg op ca. 300 m en bushalte Conservatoriumlaan op ca. 350 m is de kans groot dat het het aantal verkeersbewegingen in werkelijkheid lager uitvalt dan de norm die gehanteerd is, doordat bewoners, medewerkers en bezoekers met de trein of bus komen. Hier kan echter niet vanuit gegaan worden in de berekeningen.

 

De beoogde ontwikkeling zorgt conform de gegevens van het CROW voor een verkeersgeneratie van circa 311 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het plangebied wordt ontsloten via de Professor Verbernelaan. De bestaande intensiteit op de Professor Verbernelaan is ca. 6000 mvt/etmaal. Doordat het verkeer over twee richtingen verspreidt is de toename dus per saldo ongeveer de helft. De toename bedraagt daarmee ca. 2,6%. De weg heeft voldoende capaciteit om deze groei te kunnen verwerken. Een groot gedeelte van het verkeer zal naar verwachting richting de Statenlaan en Conservatoriumlaan gaan. Hier zal het verkeer opgaan in het heersende verkeersbeeld en verspreidt het verkeer zich in verschillende richtingen. Er worden derhalve geen verkeersproblemen verwacht. Bovendien is het verkeer ten behoeve van het voormalige datacentrum komen te vervallen.

 

Verder komen er door de ontwikkeling nog andere verkeersstromen op gang, namelijk fietsverkeer en verkeer voor afvalinzameling. Er verandert niets aan de verkeerssituatie rondom het gebouw, waardoor het gebouw via alle zijden bereikbaar blijft. Fietsers kunnen daardoor vanuit de bergingen in de kelder en vanuit de buitenstalling in alle richtingen wegfietsen. Op omliggende wegen is voldoende capaciteit deze fietsstromen op te vangen. Ook de vrachtwagen die afval komt ophalen kan de ingang van het pand via alle zijden bereiken. Daarnaast is de bereikbaar ook voldoende voor hulpdiensten in het geval van een calamiteit; het pand is immers via alle zijden te bereiken en op en rondom het parkeerterrein zijn voldoende opstelplekken.

 

Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1 Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het

Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:

  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;

  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;

  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;

  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

 

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.

 

Planspecifiek

Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (zie bijlage 4). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Daarnaast is een stifstofdepositieberekening opgesteld (zie bijlage 10).

 

Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten.

 

Op 8 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het initiatief om 96 studentenwoningen mogelijk te maken, gelegen aan de Prof. Verbernelaan 35 te Tilburg, geen milieueffectrapportage (m.e.r.) hoeft te worden opgesteld.

5.2 Milieuhinder bedrijven

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

 

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

 

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

 

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. De omgeving van het plangebied wordt, gezien de ligging nabij diverse bedrijven en/of instellingen, aangemerkt als een gemengd gebied.

 

Planspecifiek

Onderhavig plan voorziet in de omzetting van een voormalig datacentrum naar een gemengd programma van publieke functies en wonen. De beoogde ontwikkeling van de woningen betreft een milieugevoelige bestemming, derhalve dient getoetst te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking bedrijven en milieuzonering in de omgeving van het plangebied. Daarnaast dient er getoetst te worden of de beoogde woningen bedrijven niet hinderen in de bedrijfsvoering.

 

Door de ligging van het plangebied in de nabijheid van de campus kan het plangebied en de directe omgeving worden aangemerkt als een gemengd gebied. Daarmee kunnen de gelden richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Er zijn geen bedrijven gesitueerd in de directe omgeving van het plangebied die een belemmering kunnen vormen voor het beoogde initiatief. Wel zijn er in de nabijheid van het plangebied verschillende maatschappelijke inrichtingen aanwezig. Direct achter het plangebied is een kinderopvang gesitueerd. Volgens de VNG-lijst (2009) valt een kinderopvang onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 m in gemengd gebied. Met een afstand van circa 30 m wordt er voldaan aan de richtafstand.

Daarnaast bevinden zich ten zuiden van het plangebied verscheidene universiteitsgebouwen. De kleinste afstand van het plangebied tot het terrein van de universiteit bedraagt circa 16 m. Het dichtstbij gelegen universiteitsgebouw bevindt zich op een afstand van circa 65 m. De richtafstand voor deze inrichting is in gemengd gebied 10 m. Daarmee wordt er voldoende afstand gehouden met de beoogde ontwikkeling. Bovendien betreft het hier de ontwikkeling van studentenwoningen. De bewoners zullen derhalve zelf gebruik maken van de campus van de universiteit. Daarbij zijn er tevens studentenwoningen op de campus aanwezig met een kortere afstand tussen universiteitsgebouwen en woningen.

 

Voor de beoogde voorzieningen in de kelder en op de begane grond van het voormalig datacentrum zal er rekening mee worden gehouden dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Er zullen uitsluitend functies toegestaan worden met de categorie A conform de lijst 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging'. Functies op het gebied van onderwijs, sport (waaronder fitness), recreatie, maatschappelijk werk en/of bedrijfsleven zijn toegestaan. In een gemengd gebied geldt bij dergelijke functies een richtafstand van 0 m, waarmee gesteld kan worden dat de functies het woon- en leefklimaat van zowel de studentenwoningen als de omliggende woningen niet belemmeren.

Er kan geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners. Bovendien zal de beoogde transformatie van het voormalige datacentrum geen belemmering vormen voor bedrijven of instellingen.

5.3 Externe veiligheid

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

 

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

 

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar

Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

 

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

 

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

 

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

 

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

 

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

 

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

 

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

 

Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

 

Planspecifiek

Met de transformatie van het voormalige datacentrum naar een gevarieerd programma van publieke functies en woningen is er sprake van kwetsbare inrichtingen. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

 [image]

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omcirkeld, bron: Risicokaart.nl)

Uit de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied het basisnet spoor gelegen is. Het spoor bevindt zich op een afstand van circa 215 m. Voor het betreffende spoortraject geldt een plaatsgebonden risicoafstand (PR 10-6) van 8 m en een plasbrandaandachtsgebied van 30 m. Het plangebied valt niet binnen deze gebieden. Tevens valt het plangebied buiten de 200 m-zone waarvoor een berekening van het groepsrisico uitgevoerd dient te worden. Wel valt het plangebied binnen het invloedsgebied (4.000 m) van het basisnet spoor en de A58, derhalve dient een verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden.

 

Gesteld kan worden dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpverleningsdiensten via zowel de Professor Verbernelaan, de Conservatoriumlaan en de Statenlaan. Ook de risicobron is via verschillende aanvals-wegen (Hogeschoollaan, Vijverpad, Conservatoriumlaan en Statenlaan) bereikbaar wanneer er sprake is van een calamiteit. De risicobronnen en het plangebied zijn, indien nodig, vanuit verschillende windrichtingen bereikbaar. Gezien het plan de transformatie van een bestaand pand betreft, zal de planvorming geen invloed hebben op de bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van de risicobronnen. Een eventueel aanwezig of aan te brengen mechanische ventilatie kan centraal afsluitbaar gemaakt worden. Hiermee kan de ventilatie van het gehele gebouw in geval van een incident met toxische stoffen op het spoor of de weg afgesloten worden.

 

De beoogde herontwikkeling van het voormalige datacentrum biedt voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Vluchtroutes zullen zichtbaar en duidelijk worden aangeduid. Daarnaast zijn er vluchtwegen aan zowel de oost- als westzijde van het pand en is er een mogelijkheid voor schuilen in de kelder wanneer dit nodig is. Bovendien zullen de bewoners van de beoogde appartementen studenten betreffen die zelfredzaam zijn.

 

Conform de gemeentelijke 'Beleidsvisie Externe Veiligheid' is het plangebied aangeduid als 'luw gebied'. Een 'luw gebied' kan gekenmerkt worden door hoge dichtheden van personen en activiteiten zoals wonen, recreëren, scholen, kantoren, zorginstellingen en hotels. Ontwikkelingen op of nabij bestaande risicovolle (Bevi-) inrichtingen, veelal LPG-stations, moeten kritisch beoordeeld worden. Nieuwe Bevi- inrichtingen zijn niet mogelijk. De meest relevante gebiedskenmerken in luwe gebieden zijn:

 

Er bevinden zich verder geen andere transportroutes voor gevaarlijke stoffen, buisleidingen of risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied.

 

Ten aanzien van het aspect externe veiligheid kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het standaard advies 2020 van de Brandweer midden en west Brabant is van toepassing (zie bijlage 5).

5.4 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

 

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt de realisatie van 96 woningen mogelijk gemaakt. Woningen worden volgens de Wet geluidhinder aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Aangezien de woningen binnen de geluidszone van de Conservatoriumlaan gerealiseerd worden en zich op relatief korte afstand van het spoor bevinden, is er door Adviesbureau van der Boom een akoestisch onderzoek uitgevoerd (10 maart 2020, zie bijlage 6). Navolgend worden resultaten van het onderzoek genoemd.

 

Wegverkeer

De geluidbelasting door wegverkeer op de Conservatoriumlaan bedraagt ten hoogste 51 dB op de oostgevels na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt alleen overschreden op de oostgevel in rekenpunt 1 en 2 door wegverkeer op de Conservatoriumlaan. De oostgevel van het woongebouw wordt uitgevoerd zonder te openen delen. In het akoestisch onderzoek is gesteld dat deze gevel als ‘dove gevel’ conform de Wet Geluidhinder wordt aangemerkt en is er geen toetsing uitgevoerd op deze gevel. Het akoestisch onderzoek bevat wel de rekenresultaten op deze gevel. Omdat deze gevel in dit bestemmingsplan niet als dove gevel (conform de Weg Geluidhinder) wordt bestemd, wordt (in tegenstelling tot hetgeen gemeld in het akoestisch rapport) wel een Hogere Waarde voor wegverkeer verleend. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer wordt overschreden met maximaal 3 dB (maximale geluidbelasting 51 dB). Er wordt een hogere waarde aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Conservatoriumlaan. (zie bijlage).

 

De geluidbelasting door wegverkeer op de Professor Cobbenhagenlaan bedraagt ten hoogste 37 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden.

 

Railverkeer

De hoogste geluidbelasting door railverkeer op de ontwikkeling bedraagt ten hoogste 58 dB op de bovenste twee verdiepingen in de rekenpunten 8 en 9. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt op deze geluidbelaste gevels overschreden. De maximale hogere waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Er zijn hogere waarden voor railverkeer op deze locatie nodig.

 

Hogere waarden railverkeer

Door bronmaatregelen kan de geluidbelasting alleen tegen zeer hoge kosten met ten hoogste 3 dB worden gereduceerd. Bronmaatregelen zijn daarmee niet doelmatig. Afschermende maatregelen zijn alleen doelmatig bij een 6-verdiepingen hoog geluidscherm over de volle breedte van het gebouw. Deze maatregel is stedenbouwkundig ongewenst. Er wordt een hogere waarde van 58 dB aangevraagd voor de veertien appartementen op de hoogste verdieping grenzend aan de noordgevel van het gebouw (zie bijlage).

 

Toets gemeentelijk hogere waarden beleid

De gemeente stelt dat de bouw op geluidbelaste locaties mogelijk is, op voorwaarde dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dat houdt in dat elke woning beschikt over een geluidluwe gevel en een buitenruimte.

 

Bij de veertien éénkamerwoningen waarvoor een hogere waarde nodig is, is een geluidluwe gevel niet mogelijk omdat de woningen maar één buitengevel hebben. Een andere indeling van het gebouw is niet mogelijk. Er is derhalve een ontheffing van het gemeentelijk beleid nodig.

 

De veertien éénkamerwoningen hebben een oppervlak van minder dan 50 m². Er kan dan in een nieuwbouwsituatie worden volstaan met een gemeenschappelijke buitenruimte. In de situatie waarbij een gebouw wordt getransformeerd (verbouwsituatie) kan worden volstaan met het rechtensverkregen niveau. In dit geval is derhalve geen buitenruimte vereist.

 

Toetsing 'goede ruimtelijke ordening'

De gecumuleerde geluidbelasting door wegverkeer bedraagt 59 – 63 door wegverkeer op de éénkamerwoningen aan de zuidgevels. In de situatie waarbij een gebouw wordt getransformeerd (verbouwsituatie) kan worden volstaan met het rechtensverkregen niveau. In dit geval is derhalve geen buitenruimte vereist. Geen enkele woning beschikt dan ook over een buitenruimte. Voor de woningen is maatwerk nodig. In ieder geval dient de geluidwering van de woningen te voldoen aan het Bouwbesluit.

 

Eis geluidwering

Omdat in de huidige situatie sprake is van een datacentrum kan conform het Bouwbesluit art 3.18 mogelijk worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Het rechtens verkregen niveau komt er in de praktijk op neer dat het huidige niveau gehandhaafd moet blijven, waarbij er van wordt uitgegaan dat de kwaliteit van het bouwwerk ten tijde van de oorspronkelijke oprichting of evt. verbouw aan de toen geldende normen voldeed. Er zijn dan geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

5.5 Lucht

In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

 

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

 

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

 

Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.

 

Besluit gevoelige bestemmingen

Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.

 

Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.

 

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

 

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.

 

In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

 

Planspecifiek

Met de beoogde transformatie van het gebouw aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg kan de ontwikkeling, gezien de beperkte aard en omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.

 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van NSL Monitoring (Rijksoverheid) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plangebied (rekenpunt 14836) bedragen respectievelijk 19,3 µg/m³, 11,8 μg/m³ en 26,6 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden.

 

Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde transformatie aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg.

5.6 Bodem

In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.

 

Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.

 

Planspecifiek

Met de beoogde ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt. Daarmee is er sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. Echter zijn de beoogde woningen niet grondgebonden. De kelder en begane grond worden gebruikt voor publieke en maatschappelijke functies waar mensen niet langer dan 2 uur zullen verblijven. Voor zowel de kelder als de begane grond is er geen sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. Bovendien zijn er geen bodemingrepen nodig doordat het hier gaat om een bestaand pand, waarvan de betonnen vloeren gehandhaafd worden. De locatie maakt geen onderdeel uit van gronden met een geval van 'ernstige' bodemverontreiniging. Een verkennend bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

5.7 Natuur en ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

 

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

 

Planspecifiek

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden aan de Wet natuurbescherming. Vanuit ecologie zijn soortenbescherming en gebiedsbescherming van belang. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Derhalve is er door Blom Ecologie (17 september 2019, zie bijlage 7) een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg. De conclusies van dit onderzoeken worden navolgend beschreven.

 

Soortenbescherming

De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er hoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

 

Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 4,5 km ligt het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag, op circa 6,6 km Kampina & Oisterwijkse Vennen en op circa 7 km Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een voortoets en/of 'nee, tenzij'- toets is niet noodzakelijk.

Omdat de stikstofuitstoot die gegenereerd wordt met de beoogde ontwikkeling (bouwfasen en gebruiksfase) mogelijk van invloed is op Natura 2000-gebieden moet er een berekening van de verwachte stikstofdepositie uitgevoerd worden. Deze berekening wordt als aparte bijlage aangeleverd.

 

Houtopstanden

Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

 

De volgende maatregelen dienen in acht te worden genomen:

 

Het plan kan een positieve bijdrage leveren aan het 'Soortenmanagementplan Oude Stad (SMP)' van de gemeente Tilburg. Het SMP heeft als doel om de populaties van gebouwbewonende diersoorten te versterken, waardoor de kaders bij sloop van gebouwen vereenvoudigd kunnen worden. Het is vanuit de SMP wenselijk (niet wettelijk verplicht) om het gebouw te voorzien van faunavoorzieningen voor vleermuizen en gierzwaluwen.

 

Conclusie

De beoogde ontwikkeling leidt, mits voornoemde algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Professor Verbernelaan 35 te Tilburg uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

 

6.1 Beleidskader

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

 

Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

 

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

 

Waterwet

Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.

 

Beleid waterschap De Dommel

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020 (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

 

Keur en uitvoeringsregels

Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

Maar ook aan:

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.

 

Riolering en afkoppelen

Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het waterschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het waterschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

 

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

6.2 Watertoets

Met de beoogde transformatie blijft het verhard oppervlak nagenoeg gelijk aan de huidige situatie. Het huidige parkeerterrein blijft namelijk behouden en het bebouwd oppervlak neemt niet toe, er is immers enkel sprake van optopping. De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is niet significant. Er zijn voor de ontwikkeling dan ook geen compensatiemaatregelen vereist.

 

Voor de afvoer van afvalwater en hemelwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. De grondwaterstand en de ontwateringsdiepte is voldoende diep voor de functie. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De locatie is gevoelig voor extreme neerslag. Met het verhogen van de drempel ten opzicht van het straatpeil wordt de kans op inpandige waterschade beperkt.

 

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Standaard plansystematiek

 

7.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het bouwvlak mag volledig worden volgebouwd.

 

In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningsvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

7.2.2 Bestemmingen en aanduidingen

In het bestemmingsplan is de volgende bestemming aanwezig:

 

Gemengd:

Deze bestemming is opgenomen omdat binnen deze bestemming zowel woningen als commerciële en maatschappelijke functies, kantoren en sport mogelijk is. Daarnaast past ook de oprit en het parkeerterrein binnen de bestemming 'Gemengd'.

 

Binnen deze bestemming zijn de volgende aanduidingen gebruikt:

 

Functieaanduidingen:

 

Maatvoeringsaanduiding:

 

Gebiedsaanduiding:

 

Er zijn geen dubbelbestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan.

7.2.3 Bouw- en gebruiksregels

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Gebruiksregels

Daarnaast worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

 

Planspecifiek

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist.

 

Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer.

 

Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieueffectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan 'Professor Verbernelaan 35' op 6 september 2019 gepubliceerd in het gemeenteblad.

9.2 Omgevingsdialoog

Ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog zijn omwonenden in de conceptfase geinformeerd. Op 17 juni 2020 zijn omwonenden schriftelijk geinformeerd over de ontwikkeling met de mogelijkheid reacties te geven. Daarnaast is op 14 juli 2020 een informatieavond gehouden in Conferentiecentrum Boerke Mutsaers .Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de beoogde ontwikkeling. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Een verslag van de gehele omgevingsdialoog is weergegeven in bijlage 8 van de toelichting. Hierin zijn onder andere de vragen en opmerkingen van omwonenden en andere belanghebbenden opgenomen, met daarbij de reactie van de initiatiefnemer en gemeente.

9.3 Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingslan heeft van maandag 28 september 2020 tot en met maandag 9 november 2020 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Zienwijzen konden worden ingediend door een ieder. Bij de gemeente zijn gedurende de periode van tervisie legging 2 zienswijzen ingekomen. De zienswijzen zijn tijdig ingekomen en zodoende ontvankelijk. In bijlage 11, notitie behandeling zienswijze bestemmingsplan 'Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)' is een zakelijke puntsgewijze samenvatting van de ingekomen zienswijzen opgenomen en het standpunt van de gemeente hierover. De zienswijzen zijn ongegrond en leiden niet tot aanpassing van