direct naar inhoud van Regels

Bedrijventerrein Kraaiven 2008, 4e herziening (Kraaivenstraat naast 13)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2019014-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor het planologisch mogelijk maken van de uitbreiding van het bestaande automobielbedrijf aan Kraaivenstraat 13. Het verzoek gaat over de locatie Kraaivenstraat ongenummerd (naast nummer 13) te Tilburg.

 

Initiatiefnemer is eigenaar van de locatie Kraaivenstraat 13 te Tilburg. Op deze locatie is het bedrijf Skoda/Seat van Mossel Tilburg gevestigd. Van Mossel specialiseert zich in verkoop en reparatie van de automerken Seat en Skoda. Afgelopen jaren is de verkoop van personenauto’s fors gestegen. Belangrijke aanjager van deze stijging zijn de leaseactiviteiten van Van Mossel. Nu de mogelijkheid is ontstaan om ook Seat en Skoda via de leasebedrijven van Van Mossel af te nemen is naast de reguliere verkoop ook de vraag naar Seat en Skoda leasewagens enorm gestegen. De wens van Van Mossel is om de verkoop- en leaseactiviteiten van alle Seat en Skoda auto’s in Tilburg te centraliseren.

 

Het huidige bedrijfspand aan Kraaivenstraat 13 bevat alle benodigde faciliteiten zoals werkplaats, wasstraat, administratie, kantoren en bedrijfsrestaurant. Er is echter behoefte aan een grote uitbreiding van de showroom en spreekkamers ten behoeve van de verkoopactiviteiten. Het huidige perceel kent geen mogelijkheden voor een dergelijke uitbreiding. Beoogd wordt dan ook om het bedrijf aan Kraaivenstraat 13 uit te breiden op het braakliggend terrein direct ten zuiden hiervan, Kraaivenstraat ong. De uitbreidingslocatie aan Kraaivenstraat ong., is in het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kraaiven 2008’ thans bestemd als ‘Bedrijventerrein’ met onder andere een ‘bouwvlak’ en de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.2’.

 

Ter plaatse wordt een detailhandelsbedrijf in de vorm van autobedrijf binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kraaiven 2008’ niet toegestaan. Het plan is derhalve strijd met het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kraaiven 2008". Binnen het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kraaiven 2008" zijn géén mogelijkheden opgenomen om binnenplans af te wijken (op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 1 Wabo). Ook is het niet mogelijk om af te wijken middels een kleine buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2 (kruimelgeval).

 

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat het perceel kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie AE, nummers 184,185 (beide gedeeltelijk) plaatselijk bekend Kraaivenstraat ongenummerd te Tilburg. Het plangebied is gelegen aan de noordkant van Tilburg op bedrijventerrein Kraaiven. Op figuur 1 is de ligging van het plangebied in Tilburg te zien en figuur 2 geeft het plangebied in groter detail weer. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Kraaivenstraat in het oosten, de Jules de Beerstraat in het zuiden en het perceel aan Kraaivenstraat 13 in het noorden. De planlocatie heeft een oppervlakte van 4.090 m2. De uitbreiding van de showroom heeft een oppervlakte van 2.050 m2.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1 - ligging plangebied in Tilburg (rode stip)

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2 - ligging plangebied

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan Kraaiven 2008, vastgesteld door de gemeenteraad op 12 oktober 2009 en onherroepelijk geworden op 16 januari 2010.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Ruimtelijke structuur

Bedrijventerrein Kraaiven is vanaf 1960 gefaseerd aangelegd. Medio 1995 is het uitgebreid met de "autoboulevard" langs de Midden Brabantweg. In 2016 is de autoboulevard uitgebreid met een ontwikkeling aan de overzijde van de Kraaivenstraat (Kraaivenstraat 13). Het nu voorliggende plan behelst een uitbreiding van laatstgenoemde ontwikkeling.

 

Het bedrijventerrein Kraaiven heeft aan de oost- en de zuidzijde duidelijke begrenzingen in de vorm van belangrijke "infrastructurele lijnen". Daarbij gaat het respectievelijk om de Midden Brabantweg en het Wilhelminakanaal. Aan de west- en noordzijde is de begrenzing wat diffuser. Kraaiven grenst hier aan (bos-) gebieden, veelal met natuurwaarden. Achter deze (bos-) gebieden liggen respectievelijk de (verlengde) Baron van Voorst tot Voorstweg en de Burgemeester Letschertweg. Het plangebied ligt langs de Kraaivenstraat, in het oosten van Kraaiven, aan de autoboulevard aldaar.

 

De stedenbouwkundige structuur van Kraaiven kan omschreven worden als een gridstructuur met veelal lange rechte straten waarlangs de bedrijfskavels met bedrijfsbebouwing zijn gesitueerd. Het plangebied van onderhavige herziening betreft zo'n bedrijfskavel. Veel van de straten, waaronder de Kraaivenstraat, die direct ten oosten van het plangebied ligt, hebben een flinke bomenstructuur die van grote waarde is voor de ruimtelijke kwaliteit.

2.2 Functionele structuur

Kraaiven betreft een bedrijventerrein. Het oostelijke deel van Kraaiven, tussen de Kraaivenstraat en de Midden Brabantweg betreft de zogenoemde "autoboulevard", waar autobedrijven gevestigd zijn. Het plangebied van de onderhavige herziening is te beschouwen als een uitbreiding van deze "autoboulevard". Voor de nadere stedenbouwkundige motivatie wordt hierbij verwezen naar paragraaf 4.2.1.

 

Het plangebied ligt aan en wordt ontsloten door de Kraaivenstraat. De Kraaivenstraat is een zijstraat van de Zevenheuvelenweg, de centrale ontsluitingsweg van Kraaiven. De Zevenheuvelweg op zijn beurt sluit aan op het (boven-) stedelijke wegennet. In het oosten op de Midden Brabantweg en in het westen op de Swaardvenstraat en de Dongenseweg.

2.3 Omgevingsvisie

In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 wordt Kraaiven niet als knooppunt benoemd, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het modern-industrieel cluster Vossenberg-Loven, waar een specifiek profiel aan gekoppeld wordt. Dit betekent niet dat Kraaiven vanuit het oogpunt van economie en werkgelegenheid onbelangrijk is. Als gemengd bedrijventerrein is Kraaiven geschikt voor een breed scala aan middelgrote bedrijven zoals het (auto-) bedrijf uit de onderhavige planherziening.

2.4 Technische infrastuctuur

Binnen het plangebied bevinden zich geen ondergrondse technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie. De enige kabels/leidingen die binnen het plangebied voorkomen zijn bestaande huisaansluitingen. Aandachtspunt is nog wel de aanwezigheid van een trafo aan de Jules de Beerstraat.

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 3 - Technische infrastuctuur

 

2.5 Beoogde situatie

 

2.5.1 Inleiding

Beoogd wordt de planlocatie in gebruik te nemen ten behoeve van een uitbreiding van het bedrijfspand gesitueerd aan Kraaivenstraat 13. Deze uitbreiding aan Kraaivenstraat ong. voorziet slechts in uitbreiding van de showroom, alle andere faciliteiten zijn ruimschoots aanwezig in het bestaande pand. De beoogde uitbreiding van de showroom heeft een bruto vloeroppervlak van 2.050 m2. De uitbreiding van de bestaande showroom sluit in hoogte, kleur- en materiaalgebruik naadloos aan op het bestaande pand en de gevels wijken qua opbouw en indeling niet af van die van het bestaande pand. De te realiseren uitbreiding vormt derhalve, ook qua architectuur, een eenheid met het bestaande pand. De showroom bestaat uit één grote open ruimte.

 

2.5.2 Noodzaak uitbreiding

Van Mossel is nog altijd groeiende en derhalve op zoek naar uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf. De wens van Van Mossel is om de verkoop- en leaseactiviteiten van alle Seat en Skoda auto’s in Tilburg te centraliseren. Een belangrijk aspect daarbij is dat centralisatie van diverse disciplines ook kostenbesparend werkt. Het huidige pand te klein voor de gewenste bedrijfsvoering en derhalve wordt dit uitbreidingsplan gepresenteerd. De noodzaak hiervoor uit zich onder andere in een tekort aan showroomruimte.

 

Onderzocht is, of gebruik gemaakt kon worden van alternatieve, bestaande locaties. Deze blijken in de Kraaivenstraat niet voorhanden. Beschikbare panden voldoen niet aan bouwkundige randvoorwaarden of bieden niet de gewenste uitstraling. Uitbreiding van het bestaande pand leidt niet tot leegstand elders op het bedrijventerrein.

 

Splitsing van het bedrijf naar twee afzonderlijke percelen is niet wenselijk en zal niet ten goede komen aan de verkeerskundige situatie in de omgeving van de planlocatie. De planlocatie biedt ook ruimte om Van Mossel in staat te stellen om alle logistieke activiteiten, inclusief het manoeuvreren, parkeren en laden en lossen van auto’s op eigen terrein uit te voeren. Een bijkomend voordeel is dat de planlocatie ook bereikbaar is via de Jules de Beerstraat, wat een positieve uitwerking heeft op de verkeerskundige situatie in de Kraaivenstraat.

 

 

 

2.5.3 Visualisatie

Navolgend zijn enkele figuren opgenomen die een weergave geven van de beoogde situatie na herontwikkeling. Zowel het bestaande pand aan Kraaivenstraat 13 als de uitbreiding ter plaatse van de planlocatie zijn hierbij weergegeven.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 8: Beoogde nieuwe situatie bovenaanzicht (1)

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 [image]

 

 

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk

 

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

 

Relatie met het plan

Er is geen ruimtelijk relevant beleid geformuleerd dat relevant is voor (de omgeving van) het plangebied.

 

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking

getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch

wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is

op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de

inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van

de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

 

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op

doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels

opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en

deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan

bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

 

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een

bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

 

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing

zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe

ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet

een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een

of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde

projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

 

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.

Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van

de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro

vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de

bij het Barro behorende kaarten.

 

 

 

Relatie met het plan

De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen.

 

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

 

Inleiding

Artikel 3.1.6, tweede lid, Bro, verplicht in het geval dat een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen in de toelichting bij het plan. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

 

Op 21 april 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking vastgesteld. De nieuwe ladder is op 1 juli 2017 in werking getreden. Het uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van overprogrammering en de negatieve ruimtelijke gevolgen van leegstand. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

 

Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als een “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Beoogd wordt het perceel aan Kraaivenstraat ong. in gebruik te nemen ten behoeve van de uitbreiding van de huidige autoshowroom. De voorziene herontwikkeling dient te worden gezien als ‘stedelijke ontwikkeling’, waartoe de Ladder voor duurzame verstedelijking dient te worden toegepast. De toelichting dient een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit betekent dat de aard en de omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van de beschrijving van en het overleg over de behoefte.

 

Toets aan ladder

Van Mossel betreft een bedrijf uit de autobranche dat zich richt op verkoop, lease en onderhoud van auto's. Verkoop van auto's is een klassieke perifere-detailhandelsfunctie. In Tilburg bestaat op basis van het bestaande detailhandelsbeleid één gebied dat specifiek is gethematiseerd voor vestiging van automobielbedrijven, namelijk de Autoboulevard Kraaiven gelegen langs de Midden Brabantweg. Beoogd wordt een braakliggende kavel, aan de westzijde van de Midden Brabantweg, in gebruikte nemen voorde uitbreiding van de bestaande autoshowroom aan Kraaivenstraat 13. De planlocatie aan Kraaivenstraat ong. is reeds bestemd als ‘Bedrijventerrein’, echter is detailhandel ter plaatse niet toegestaan. Ten behoeve van de herontwikkeling wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3° Wabo verkregen. Na verkrijging van de omgevingsvergunning zal de ontwikkeling in de eerste herziening van het bestemmingsplan ter plaatse worden opgenomen. Middels het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kraaiven 2008, 3e herziening (Kraaivenstraat 13)’ is ter plaatse van de locatie Kraaivenstraat 13 tevens een detailhandelsfunctie toegestaan. Beoogd wordt om het daaraan grenzende perceel, de planlocatie Kraaivenstraat ong., op soortgelijke wijze in gebruik te nemen. Middels de uitbreiding van op het perceel Kraaivenstraat ong. wordt voorkomen dat het terrein langere tijd braak ligt. Dergelijke braakliggende terreinen maken een bedrijventerrein immers onaantrekkelijk en heeft weerslag op de naaste buren. Het bedrijventerrein Kraaiven biedt nog voldoende mogelijkheden voor bedrijven in de categorieën die toegelaten zijn ter plaatse. De uitbreiding zal dus niet ten koste gaan van bedrijven die zich nog op het bedrijventerrein Kraaiven willen vestigen.

 

De wens van Van Mossel is om de verkoop- en leaseactiviteiten van alle Seat en Skoda auto’s in Tilburg te centraliseren. Hiervoor is het huidige pand te klein en derhalve wordt dit uitbreidingsplan gepresenteerd. Het naast het bestaande gebouw gelegen perceel voorziet in de gewenste uitbreidingsmogelijkheden voor Van Mossel. De uitbreiding van de showroom kan worden gerealiseerd op het betreffende perceel, dat voorts ook voldoende ruimte biedt om Van Mossel in staat te stellen om alle logistieke activiteiten, inclusief het laden en lossen van auto’s op eigen terrein uit te voeren. Een bijkomend voordeel is dat het perceel ook bereikbaar zal zijn via de Jules de Beerstraat, wat de doorstroming in de Kraaivenstraat ten goede zal komen.

 

De Kraaivenstraat betreft een ruime industriestraat met aan weerszijden grote bomen (laanbegroeiing), en begrenst de autoboulevard aan de westzijde. Gelet op de ligging van de planlocatie aan de westzijde van de Kraaivenstraat mag zowel uit economisch oogpunt als vanuit planologisch oogpunt worden gesteld dat deze locatie deel uitmaakt van de autoboulevard welke gelegen is tussen de Kraaivenstraat en de Midden Brabantweg. De bestaande laanbeplanting met grote bomen zorgt ten opzichte van het bestaande cluster met automobielbedrijven voor de gewenste representatieve uitstraling en maakt dat deze locatie vanuit economisch en ruimtelijk oogpunt deel uitmaakt van de autoboulevard. Ook vanaf de kruising met de Midden-Brabantweg is de locatie goed zichtbaar. Het uitbreiden van het autobedrijf, en dan met name de showroom op deze locatie kan de uitstraling van de autoboulevard daarom verder versterken. De gewenste uitbreiding voorziet tevens in extra werkgelegenheid bij Van Mossel en draagt bij aan een forse omzetstijging.

 

Het bundelen van meerdere automobielbedrijven in elkaars nabijheid heeft een positief effect op de uitstraling van de autoboulevard en biedt voordelen voor de consument. De regionale behoefte wordt daarmee opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied en leidt tegelijkertijd tot kwaliteitsverbetering van de omgeving, doordat een braakliggend perceel wordt benut. Voor autobedrijven is spreiding van het aanbod van groot belang. Belangrijk in deze is dat de importeur in grote mate de geografische spreiding en het aantal verkooppunten bepaalt. Dit wordt mede gedaan om overaanbod te voorkomen. Getracht wordt het aanbod voor Skoda en Seat in deze regio te concentreren ter plaatse van de planlocatie.

 

In het RRO zijn afspraken gemaakt over de ontwikkelingsmogelijkheden van nieuwe bedrijventerreinen tot 2022. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) afgesproken dat de autoboulevard Kraaiven met circa 3 hectare netto kon worden uitgebreid. Het bedrijventerrein past daarmee binnen regionaal programma te ontwikkelen bedrijventerreinen 2011 t/m 2022.

 

Op 18 april 2016 heeft de raad een aanvulling op de detailhandelsvisie vastgesteld en heeft daarbij onder meer besloten om bestaande (perifere) detailhandel in de Kanaalzone en op Loven waar mogelijk te verplaatsen en te clusteren. Daarbij is het volgende overwogen:

De huidige autoboulevard Kraaiven is in omvang en aanbod onderscheidend. Hier is een herkenbaar cluster van autogerelateerde detailhandel en bedrijvigheid gevestigd. Er zijn geen vrije kavels meer beschikbaar. Versterking is (beperkt) mogelijk door aan de andere zijde van de Kraaivenstraat middels transformatie autobedrijvigheid mogelijk te maken. Deze mogelijkheid zal echter niet voor alle autobedrijven een passende oplossing bieden.

 

Gesteld kan worden dat middels de beoogde herontwikkeling een regionale behoefte wordt opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied en een passende ontwikkeling is in het kader van de ladder duurzame verstedelijking.

3.3 Provincie

 

3.3.1 Structuurvisie

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Onderdelen uit de visie zijn opgnomen in de Verordening ruimte.

 

3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014

Provinciale Staten hebben op 10 juli 2015 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Sinds de vaststelling zijn er diverse besluiten tot kaartaanpassingen genomen en zijn er wijzigingen in de regels en de naamgeving van de verordening doorgevoerd. Deze wijzigingen zijn verwerkt in de geconsolideerde versie.

 

In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.

 

Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

 

Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.

 

Het plangebied

In de Verordening Ruimte is het plangebied opgenomen als bestaand stedelijk gebied. Gelet op de ruimtelijke impact van het plan in relatie tot provinciaal niveau, zijn er geen provinciale belangen aan de orde.

 

In de Verordening Ruimte zijn ook enige bepalingen opgenomen voor bestaande bedrijventerreinen en kantoorlocaties.

De provincie legt in het ruimtelijk beleid sterk de nadruk op een duurzame inrichting van bedrijventerreinen en kantorenlocaties. Onder duurzaamheid wordt verstaan:

 

Doorwerking in bestemmingsplan

Volgens de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is het plan gelegen in stedelijk gebied.

Het gaat bij deze planontwikkeling om wijziging van het huidige gebruik van het perceel in medegebruik ten behoeve van perifere detailhandel in auto's op een bestaand bedrijventerrein. De locatie naast Kraaivenstraat 13 - ter grootte van 4.700 m² - is direct gelegen tegenover de bestaande autoboulevard gelegen langs de Midden Brabantweg en gelegen naast Kraaivenstraat 13 wat in gebruik is als garagebedrijf. De locatie kan beoordeeld worden als een onderdeel van en deel uit makende van het cluster van automobielbedrijven dat gelegen is tussen de Kraaivenstraat en de Midden Brabantweg. In het vigerende bestemmingsplan heeft het gehele perceel de bestemming 'Bedrijventerrein'. Ook binnen het nieuwe bestemmingsplan is op het perceel de bestemming 'Bedrijventerrein' gelegd (met een aanduiding 'detailhandel perifeer') waarbij omzetting naar andere bedrijfsmatige activiteiten, voor zover passend binnen het bestemmingsplan, mogelijk blijven. De beschikbare bedrijfsruimte wordt zo optimaal benut.

 

Vestiging van het automobielbedrijf op deze locatie is in overeenstemming met de Verordening ruimte (art. 4.4, sub 4, onder c) waarin is opgenomen:

4. Onder oneigenlijk ruimtegebruik als bedoeld in het derde lid, onder e, wordt bij een middelzwaar- en zwaar bedrijventerrein verstaan het gebruik voor:
a. bedrijfswoningen;
b. bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen en leisurevoorzieningen, tenzij deze direct verband houden met een of meer op het desbetreffende terrein gelegen bedrijven en deze zoveel mogelijk geclusterd zijn gesitueerd;
c. andere bedrijven dan bedoeld onder b en behorend tot de milieucategorie 1 en 2, met uitzondering van een bedrijf met een omvang van meer dan 5000 m2.

Het initiatief voldoet aan sub b (clustering met de bestaande automobielbedrijven aan de autoboulevard) aan de Verordening ruimte.

 

 

Interim omgevingsverordening

 

De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.

 

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.

 

Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de definitieve verordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld.

 

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).

 

Aangezien de interim omgevingsverordening beleidsneutraal is en het initiatief voldoet aan de Verordening ruimte, wordt eveneens voldaan aan de interim omgevingsverordening.

3.4 Gemeente

 

3.4.1 Omgevingsvisie 2040

 

De 'Omgevingsvisie Tilburg 2040' is op 21 september 2015 door de raad worden vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende sorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

 

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

 

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

 

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

 

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

 

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 wordt Kraaiven niet als knooppunt benoemd, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het modern-industrieel cluster Vossenberg-Loven, waar een specifiek profiel aan gekoppeld wordt. Dit betekent niet dat Kraaiven vanuit het oogpunt van economie en werkgelegenheid onbelangrijk is. Als gemengd bedrijventerrein is Kraaiven geschikt voor een breed scala aan middelgrote bedrijven zoals het (auto-) bedrijf uit de onderhavige planherziening.

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten

Het plan “Bedrijventerrein Kraaiven 2008, 3e herziening (Kraaivenstraat 13)” uit 2016 heeft de ontwikkeling van een autobedrijf van de merken Skoda en Seat op het perceel Kraaivenstraat 13 mogelijk gemaakt. Hiermee is de principiële stap gezet om de autoboulevard, die zich aanvankelijk alleen langs de Midden Brabantweg bevond, uit te breiden aan de overzijde van de Kraaivenstraat. Daarmee is het ook gemotiveerd om te stellen dat de autoboulevard inmiddels aan beide zijden van de Kraaivenstraat is gelegen.

De ontwikkeling die in het onderhavige plan aan de orde is, betreft een uitbreiding van het genoemde autobedrijf op het adres Kraaivenstraat 13. Deze ontwikkeling past binnen de actuele zienswijze op de autoboulevard aan beide zijden van de Kraaivenstraat en moet derhalve gezien worden als een versterking van de autoboulevard die op haar beurt als een vanuit ruimtelijk oogpunt wenselijke clustering c.q. centralisering van een groot aantal automerken gezien wordt.

Gezien het feit dat de planuitwerking naadloos past binnen de stedenbouwkundige opzet van bedrijventerrein Kraaiven, is er ook geen ruimtelijk bezwaar tegen dit plan. De Kraaivenstraat betreft een ruime industriestraat met aan weerszijden groenstroken met grote bomen (laanbegroeiing). Dit geldt in iets mindere mate ook voor de Jules de Beerstraat, die de zuidelijke plangrens vormt. De bestaande groenzones en laanbeplanting met grote bomen zorgt voor de gewenste representatieve uitstraling.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

4.3.1 Historische geografie

Voor de ontwikkeling van Kraaiven als bedrijventerrein, bestond het landschap uit ontgonnen heide in het oosten, de Kraaivensche Akkers en een gedeeld heide-bosbestand in het westen. Het oorspronkelijk reliëf bestond uit lokaal verstoven dekzand met als bepalende elementen dekzandruggen en laagten met bijbehorende vennen. De Kraaivensche Akkers lagen grotendeels op de hoge, droge oostelijke zandgronden en hoorden bij de historische linten Langstraat en Kraaivenschetraat, waarlangs de bebouwing zich concentreerde.

 

Het Industrieterrein Noord, het Kraaiven, is genoemd naar de oude woonbuurt en akkergebied: dat Creijven. De gemeenschappelijke heide ten westen hiervan waar het industrieterrein grotendeels op ligt, wordt in de stukken tussen 1530 en 1550 niet met name genoemd, maar heette gewoon de ‘gemeint’. Dat dit akkergebied nog steeds ven wordt genoemd, wil zeggen dat al deze akkers daar ontgonnen zijn uit een grazige heide.

 

Hoewel de toenmalige nederzettingsstructuur oorspronkelijk een verspreid karakter vertoond moet hebben, was er ook sprake van een zekere bewoningsconcentratie langs het tracé van de oude Kraaivensestraat (ter hoogte van de huidige Kraaivenstraat) en in mindere mate ook langs het tracé van de voormalige Langstraat (ruwweg tussen Hasseltplein en kruising Zevenheuvelenweg - Swaardvenstraat).

 

Ten zuiden van het Kraaiven, rond het Hasseltplein en de Hasseltse Kapel, lag de kern van het gehucht de Hasselt. Vanuit deze nederzetting werd het Kraaiven gesticht, evenals de Stokhasselt. De Stokhasselt lag een kleine kilometer ten oosten van het Kraaiven, geconcentreerd langs de voormalige Stokhasseltsestraat. Beide nederzettingen lagen langs een waterloop. Bij het Kraaiven was dat de Sloprijt die iets ten westen van de oude Kraaivensestraat stroomde (ongeveer tussen de Buijellestraat-De Kroonstraat en de huidige Kraaivenstraat). In het geval van de Stokhasselt was het de Stokhasseltse Waterloop die precies langs de Stokhasseltsestraat stroomde.

 

Ten westen en noorden van het voormalige gehucht Kraaiven werd het grondgebied begrensd door heidegronden. De voormalige Langstraat kwam uit op de heide en heette daar ook Hei Eind. Ook het verlengde van de oude Kraaivensestraat, de voormalige Postelstraat, kwam uit op de heide. Tussen de Langstraat en de Kraaivensestraat lagen de Kraaivensche Akkers. Ook aan de andere zijden van de genoemde straten strekten de akkers zich nog een stukje uit.

 

De herinrichting van het gebied in de tweede helft van de twintigste eeuw betekende de teloorgang van de historische structuur. Een groot deel van de terreinen werd geëgaliseerd en de historische lijnen werden vervangen door een rechtlijnig functioneel stratenpatroon. Relicten van het landschap in het plangebied Kraaiven zijn tot op heden de Dongenseweg en de IJpelareweg en de stuifzanden op de gronden van Charlotte-Oord.

 

Met de aanleg van het bedrijfsterrein in de periode vanaf 1950 is het plangebied grotendeels geëgaliseerd.

 

4.3.2 Archeologie

 

In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen in de (Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Het plangebied is niet gekarteerd op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Het plangebied is gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting.

 

In het kader van het vigerende beheersbestemmingsplan voor het industrieterrein Kraaiven werd in opdracht van de gemeente Tilburg een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd door BILAN-Fontys Hogescholen (BILANRAPPORT 2003/26). Het onderzoek bestond onder meer uit een bureaustudie voor het gebied Kraaiven. Het gebied is gelegen te midden van hogere zandgronden. De gronden in Kraaiven zijn nog bedekt door een laag stuifzand of door een esdek. Deze factoren waren aanwezig vóór de aanleg van het industrieterrein. Het gebied had toen dan ook een hoge archeologische waarde, hetgeen ondersteund wordt door de vondsten die in de jaren tussen 1957 en 1975 door amateurarcheologen zijn gedaan. In het onderzoeksgebied zijn immers nederzettingssporen aangetroffen uit het laat -paleolithicum en het Mesolithicum. Daarnaast bevonden zich in het gebied tenminste zes grafheuvels uit de bronstijd die al in de negentiende eeuw waren afgegraven.

 

In het onderzoeksgebied hebben in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk bodemverstorende activiteiten plaatsgevonden. Door de egalisatie van de terreinen bij het bouwrijp maken en de aanleg van de infrastructuur is de oorspronkelijke bodemopbouw in delen van het gebied sterk aangetast. Dit is echter zeker niet overal het geval en geldt ook in mindere mate voor dieper gelegen, archeologisch interessante lagen en vindplaatsen.

4.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

 

In het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.

 

De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In het plangebied komen geen panden voor uit die periode.

 

Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het Wilhelminakanaal dat in de periode 1917-1919 werd aangelegd. Het kanaal krult ten noorden en oosten om de toenmalige bebouwde kom van Tilburg heen en doorsneed de bestaande historische structuren. Het kanaal zelf kan beschouwd worden als een historisch-geografische lijn van hoge waarde.

 

Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.

4.3.4 Vertaling naar het bestemmingsplan

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.

 

Voor wat betreft de archeologie geldt in het bestemmingsplan een onderzoekplicht bij bodemverstoringen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,6 meter onder peil.

 

De vloeren van het bouwproject worden ondiep worden aangelegd. Hierdoor is de uiteindelijke schadelijke verstoring door heipalen en funderingsbalken zo beperkt, dat archeologisch onderzoek niet nodig is. De volgende maten genoemd zijn daarbij van belang:

Bij de voorgenomen uitbreiding zullen de verstoringen dieper dan 0,5m (zeer) plaatselijk zijn:

- funderingspalen rondom, rond 0,3 m, 6,36 m lang

- funderingsbalken rondom, breed 0,35 m, 0,6 m hoog

De beganegrondvloer is totaal incl. isolatie 0,35m hoog en verstoort de bodem dus niet

4.4 Groen en biodiversiteit

 

4.4.1 Bomennota Tilburg boomT

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boomwaardezoneringskaart

 

4.4.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

 

4.4.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

 

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

4.5 Bedrijvigheid

 

4.5.1 Kadernota Ruimte voor Bedrijven

 

Het doel van de nota is het oplossen van de knelpunten op korte termijn en het reserveren van voldoende ruimte op langere termijn om in de vraag naar bedrijventerreinen te kunnen voorzien. In de nota is de behoefte aan bedrijventerreinen in kaart gebracht. De behoefte is sterk afhankelijk van de conjunctuur en alleen globaal te ramen. De feitelijke ontwikkelingen ten aanzien van de vraag naar en het aanbod van nieuwe bedrijventerreinen worden gevolgd door middel van voortgangsrapportages. Op basis daarvan wordt het ontwikkelingsprogramma voor nieuwe bedrijventerreinen periodiek geactualiseerd, zowel kwantitatief als kwalitatief.

 

In de Voortgangsrapportage Bedrijventerreinen 2004 is de segmentering enigszins aangepast. Nieuwe bedrijventerreinen worden in drie segmenten verdeeld (kwalitatief):

 

Het segment lokaal gemengd is te zien als verbijzondering van het segment kleinschalig gemengd en is te vinden in de dorpen en in woonwerkgebieden in het stedelijke gebied. Binnen de typen grootschalig en kleinschalig gemengd worden twee subtypen onderscheiden en wel standaardterreinen en hoogwaardige terreinen.

 

4.5.2 Regionale Agenda Werken

De lokale programmering van bedrijventerreinen wordt vanwege de provinciale verordening Ruimte vanaf 2012 op regionaal niveau afgestemd met de Hart van Brabant gemeenten. In december 2011 zijn de regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld in het bestuurlijke Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van de regio Hart van Brabant met de provincie Noord-Brabant. De regionale afspraken bedrijventerreinen bevat de programmering van nieuwe bedrijventerreinen in de regio Hart van Brabant en wordt jaarlijks in december herbevestigd of herijkt.

 

De regionale afspraken bedrijventerreinen zijn gebaseerd op een prognose voor de ruimtevraag naar nieuwe bedrijventerreinen die tenminste één keer per bestuursperiode door de provincie wordt opgesteld. Die prognose wordt aangevuld met gegevens over reeds bouwrijpe beschikbare kavels, restlocaties, strategische reserves, transformatie- en herstructureringsplannen.

 

In opdracht van de provincie zijn in 2014 nieuwe prognoses voor de ruimtevraag naar bedrijventerreinen opgesteld, op basis waarvan in 2015 de kwalitatieve ruimtevraag nader in beeld is gebracht. In juni 2016 is de visie bovenregionale afstemming zeer grootschalige logistiek vastgesteld. Op basis van deze stukken hebben de Hart van Brabant gemeenten en de provincie bij het RRO van 7 juli 2016 de principes voor de nieuwe regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld. Vervolgens is een aantal elementen nader uitgewerkt en bij het RRO/gecombineerd portefeuillehoudersoverleg ROV/EZ&RT van 22 september 2016 vastgesteld.

 

De hoofdlijnen van de regionale afspraken bedrijventerreinen zijn als volgt:

 

Over de programmering van de grootschalige logistiek is een akkoord bereikt tussen regio en provincie over de terreinen Wijkevoort (Tilburg), Zwaluwenbunders (Tilburg) en Haven Acht (Waalwijk). Voor de andere bedrijventerreinen is een overzicht vastgesteld met daarop:

 

De behoeftebepaling en handelswijze volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking is uitgangspunt om als regio en provincie met elkaar te zorgen voor het zicht houden en borgen van voldoende ruimte.

 

Relatie met het plan

Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk op het bedrijventerrein Kraaiven. De regionale afspraken aangaande uitbreiding van oppervlakte zijn dus niet van toepassing op de ontwikkeling.

4.6 Detailhandel

 

4.6.1 Visie detailhandel

Uitgangspunten

In de visie Detailhandel gemeente Tilburg (2013) is de volgende doelstelling voor de detailhandel geformuleerd:

Tilburg streeft naar een toekomstbestendige detailhandelsstructuur, gericht op kwaliteit en vitaliteit van detailhandelslocaties. Wij willen een antwoord geven op vragen uit de markt en vertalen consumentenbehoeften in maatregelen die nodig zijn om de detailhandelsstructuur attractief en vitaal te houden. Onze focus richt zich daarbij vooral op de bestaande structuur.

 

In deze visie worden kwaliteit en vitaliteit van de detailhandelsstructuur centraal gesteld. Bij een kwalitatief hoogwaardige structuur voorzien de winkelgebieden samen in een aantrekkelijk aanbod, zodat inwoners en bezoekers voor al hun aankopen en bezoekmotieven (recreatief winkelen, thematisch winkelen, boodschappen doen, doelgerichte aankopen) terecht kunnen in de stad. Een vitale winkelstructuur kenmerkt zich door toekomstbestendige en ook op termijn krachtige en levendige kern- en ontmoetingslocaties die bijdragen aan het behoud en versterken van de winkelstructuur. Zowel bij kwaliteit als vitaliteit zijn de behoeften van de consument leidend. Uitgangspunt blijft de focus op de bestaande concentraties, waarbij voor perifere locaties de in eerdere beleidsnota's gekozen en in bestemmingsplan vastgelegde branchering het uitgangspunt blijft.

 

Winkelen en boodschappen doen

Traditioneel kennen we verschillende lagen in de detailhandelsstructuur. Afdalend in omvang en attractiviteit van een functie van regio- tot buurtniveau. Deze gelaagdheid is zowel voor de concept omgevingsvisie 2040 van Tilburg als deze Detailhandelsvisie het uitgangspunt. Voor de Binnenstad staat gastvrijheid en kwaliteit centraal. Bij de wijkcentra staat de functie winkelen centraal terwijl voor de buurtwinkelcentra ontmoeten centraal staat. Voor de linten is de nadruk gelegd op boodschappen doen in combinatie met bezoek aan speciaalzaken, waarbij ook verdere menging van functies mogelijk is. Naast detailhandel zijn dat andere op consumentengerichte functies als kapsalons en adviseurs, maar ook zorgverleners.

 

Grootschalige en perifere detailhandelsvestigingen

Naast winkels met het accent op dagelijkse boodschappen of meer recreatief en vergelijkend winkelen zijn er ook verschillende, verspreid gelegen, locaties voor grootschalige en perifere detailhandelsvestigingen die meer doelgericht worden bezocht. Deze bieden ruimte aan detailhandel in de sfeer van bijvoorbeeld woninginrichting, bouwmarkten en tuincentra. Op deze locaties zijn uitsluitend detailhandelsactiviteiten toegestaan die vallen onder de hoofdbranches: sport/spel, tuincentrum (plant en dier), bruin- & witgoed, fiets & auto-accessoires, doe-het-zelf/bouwmarkten, wonen, auto/boot/caravan. Daarnaast mogen de winkels in deze centra producten verkopen uit andere hoofdbranches, mits ze verwant zijn aan de hoofdactiviteit van de betreffende winkel en deze ondergeschikt is. Winkels in de centra dienen een minimale omvang te hebben van 1.000 m2 v.v.o. winkelruimte. Daarvan mag met een beperkt aantal kleinere winkels afgeweken worden als dat voor de completering van een themacentrum nodig is.

 

De belangrijkste PDV-locaties zijn Vossenberg-Oost (doe-het-zelf/bouwmarkten, keukens, sanitair), Autoboulevard Kraaiven, Leypark/AaBé (woninginrichting, keukens, sanitair, doe-het-zelf/bouwmarkten, bruin- & witgoed, fiets & auto-accessoires), Bosscheweg (woninginrichting, keukens, sanitair, doe-het-zelf/bouwmarkten), en Leyendaal (doe-het-zelf/bouwmarkten, woninginrichting, keukens, sanitair). Voorgenomen locaties zijn De Groene Kamer (tuincentrum en beperkt sport) en Zwaluwenbunders (doe-het-zelf/bouwmarkten en tuincentra (plant en dier), bedoeld voor verplaatsers).

 

Nieuwe ontwikkelingen

Trends, ontwikkelingen, consumentengedrag en de behoefte van retailers krijgen een prominente plek in de Tilburgse detailhandelsstructuur. Met dat in het achterhoofd stimuleren we het behoud van kansrijke gebieden, kijken we kritisch naar de ontwikkelrichting van kwetsbare gebieden en willen we zo komen tot een goede kwalitatieve en kwantitatieve spreiding van het aanbod over de stad. De blik is vooral gericht op de bestaande winkelgebieden. Als we de huidige markt willen volgen zullen we incidenteel zeker ook ruimte moeten kunnen bieden aan ontwikkelingen buiten de bestaande locaties. Onze doelstelling is daarmee de kwaliteit en vitaliteit van de bestaande structuur te versterken en te voldoen aan de wens van de consument.

Op trafficlocaties (zoals stations, bedrijventerreinen, ziekenhuizen of andere drukbezochte locaties waar veel mensen om andere redenen dan winkelen komen) blijft een beperkte mogelijkheid voor detailhandel aanwezig. In bijzondere gevallen kan de gemeente detailhandel buiten winkelcentra toestaan, stellen, bijvoorbeeld waar het gaat om beperkte detailhandelsactiviteiten betrekking hebbende op en ondergeschikt aan een sportinstelling zoals bij een ijsbaan of (voetbal)stadion.

Waar mogelijk worden afhaalpunten (van internetwinkels) gefaciliteerd binnen de bestaande structuur, daarbij wordt als uitgangspunt genomen dat bedrijventerreinen geen logische vestigingsplaats zijn voor internetwinkels.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ruimtelijke vertaling of relatie met voorgenomen ontwikkeling

Binnen de detailhandel nemen autobedrijven en autodealers een bijzondere plaats in. In de kengetallen over ontwikkelingen in de detailhandel ontbreekt deze branche. Dit is de reden dat de autoboulevard ontbreekt op bovenstaande kaart. Juridisch is er sprake van een bijzondere vorm van perifere detailhandel, waarbij in de meeste gevallen naast de verkoop van auto's ook een (klein) deel aan werkplaats aanwezig is.

 

De locatie bevindt zich aan dezelfde straat als waar aan de andere zijde de autoboulevard Kraaiven is gevestigd. Met het toevoegen van de aanduiding 'detailhandel perifeer' aan de bestemming 'Bedrijventerrein' vindt versterking van het bestaande cluster, gelegen langs de Midden Brabantweg, plaats. Daarmee is deze ontwikkeling passend in het detailhandelsbeleid dat versterking van bestaande clusters als uitgangspunt heeft.

4.7 Verkeer en parkeren

 

4.7.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg: Samen op weg naar 2040

 

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

 

4.7.2 Hoofdlijnen Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.

 

4.7.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

 

Relatie met het plan

Voorliggend plan maakt een autoshowroom mogelijk. Uitgangspunt is dat er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Voor de uitbreiding van een automobielbedrijf gelden de volgende parkeernormen:

Showroom: 1,1 parkeerplaats per 100 m2 bruto vloeroppervlak. Het bruto vloeroppervlak van de uitbreiding beslaat 2.050 m2. Dit betekent dat ten behoeve van de uitbreiding 23 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden.

 

 

Binnen de planlocatie worden 75 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 30 aan de voorzijde van het pand aan de Kraaivenstraat en 45 aan de achterzijde. De parkeerplaatsen staan deels ten dienst voor bezoekers en deels voor demo- en bedrijfsauto’s.

Parkeerplaatsen achter elkaar zien wij niet als bruikbaar voor bijvoorbeeld bezoekers en personeel. Deze kunnen uiteraard wel goed gebruikt worden om auto's uit te stallen. In de bestaande situatie zijn 72 parkeerplaatsen op deze manier bruikbaar. Dat betekent een toename van 34 plaatsen. Dat is dus ruim voldoende om de extra vraag van 23 te voldoen.

 

Onderstaand figuur geeft een overzicht van de te realiseren parkeerplaatsen binnen de planlocatie.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur: Beoogde plattegrond van de planlocatie, met daarbij het bestaande pand in grijs weergegeven, met daarbij een weergave van de parkeerplaatsen

 

De overige parkeerplaatsen die op tekening staan aangegeven hebben betrekking op stalling van hoofdzakelijk nieuwe auto's en huurauto's. Uitwisseling met deze parkeerplaatsen ten behoeve van bezoekers en personeelsleden is daarnaast ook mogelijk. Hiermede voldoet het plan ruimschoots aan de gestelde parkeernormen.

 

 

4.8 Overige onderwerpen

 

4.8.1 UMTS

 

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft de raad nieuw beleid voor de plaatsing van zendmasten voor mobiele telefoons (GMS en UMTS) vastgesteld. (Internationale) gezondheidsraden geven aan dat zendmasten geen risico vormen voor de gezondheid. Desondanks wil de gemeente Tilburg zendmasten op een zo verantwoord mogelijke manier inpassen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen vergunningsvrije en vergunningsplichtige zendmasten.

 

Zendmasten tot vijf meter mogen vergunningsvrij geplaatst worden. Jaarlijks ontvangt de gemeente een plaatsingsplan van de gezamenlijke aanbieders van mobiele telefonie. Daaruit blijkt waar reeds masten zijn geplaatst en waar masten eventueel gewenst zijn. Met aanbieders van mobiele telefonie is de afspraak gemaakt dat zij de masten zo veel mogelijk op ´niet gevoelige bestemmingen´ plaatsen, zoals kantoren, bedrijven en hoogspanningsmasten. Wanneer een aanbieder van mobiele telefonie een mast wenst te plaatsen op een woongebouw, dient dit vooraf gemeld te worden aan de gemeente. Bovendien heeft de aanbieder toestemming nodig van de eigenaar van het betreffende gebouw. Met omwonenden hoeft, volgens de regels uit het nationale zendmastenbeleid, niet gecommuniceerd te worden over de plaatsing van een zendmast.

 

Zendmasten van vijf meter of hoger zijn vergunningsplichtig. Deze masten mogen niet in woonwijken worden geplaatst. Buiten de woonwijk wordt de meest geschikte locatie gezocht, waarbij de criteria uit de nota Zendmasten worden gehanteerd. (Zicht)hinder van masten wordt voorkomen en er is aandacht voor landschappelijke inpassing en esthetiek. Omwonenden ontvangen een bewonersbrief en er vindt eventueel een inloopavond plaats (afhankelijk van de locatie). Wanneer het bevoegde gezag toch besluit een omgevingsvergunning te verlenen voor een zendmast in een woonwijk, dan wordt dit aan de raad gemeld.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet

worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke

activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt

zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig.

 

Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. (zie o.a. uitspraken RVS ECLI:NL:RVS:2017:694 /ECLI:NL:RVS:2018:348 ). In dit bestemmingsplan is sprake van een toevoeging van perifere detailhandel. De functiewijziging gaat niet gepaard met een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte. Gelet daarop is er geen sprake van een (wijziging van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit mer.

 

ad b.

Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft

derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied

bevindt zich op circa 5 km van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

 

Uit hoofdstuk 5 en 6 van deze plantoelichting blijkt overigens dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.

5.3 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Het toevoegen van de mogelijkheid voor perifere detailhandel heeft geen impact op de milieubelasting in de omgeving. De milieucategorie wijzigt niet ten opzichte van het vigerend plan. Voor omliggende woningen kan daarmee nog steeds een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.

5.4 Externe veiligheid

 

5.4.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);

2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;

3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

 

5.4.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In de bij dit plan gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico (zie Bijlage Inventarisatie risicobronnen en verantwoording ) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg - Vught. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.

 

Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een gemengd gebied. Binnen een gemengd gebied gelden de volgende voorwaarden:

• Bedrijventerreinen waar onder voorwaarden kwetsbare objecten mogelijk zijn;

• Plaatsgebonden risicocontouren liggen binnen inrichtingsgrenzen en gronden met bestemming verkeer, groen en of water;

• Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;

• Beheersbaarheid op orde.

 

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

 

Conclusie en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg - Vught. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde Bijlage Inventarisatie risicobronnen en verantwoording . De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies (zie Bijlage Brandweeradvies Veiligheidsregio Midden en West-Brabant ). De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.5 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

5.6 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

 

Weg- en railverkeerslawaai

Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.

De normen uit de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing.

 

Industrielawaai

In het plangebied is op de percelen de vestiging van bedrijven gelijk of kleiner aan milieucategorie
4.2 toegestaan. De ontwikkeling is gelegen op het gezoneerd industrieterrein Kraaiven. Uitgangspunt is dat de geluidbelasting op de zone van alle bedrijven tezamen niet meer mag zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde.

 

Door moBuis consult is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het akoestisch rapport d.d. 27 augustus 2019 met documentnummer 6318.02 (zie Bijlage Rapport geluiduitstraling ) blijkt dat ruimschoots voldaan wordt de normstelling van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De nieuwe situatie is tevens getoetst aan de zone door de zonebeheerder. Uit de zonetoets blijkt dat de nieuwe situatie inpasbaar is binnen de zone.

 

Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

5.7 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in het omzetten van een bedrijvenbestemming naar een bedrijvenbestemming met aanduiding Perifere detailhandel. Hierdoor kan het plan aannemelijk worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

5.8 Geur

 

5.8.1 Industriële geurhinder

De te realiseren bebouwing wordt niet aangemerkt als geurgevoelig object voor industriële geur. Daarom zijn er geen belemmeringen met betrekking tot de realisatie van onderhavig plan.

5.8.2 Agrarische geurhinder

In en nabij het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig die van invloed zijn op het woon- en leefklimaat.

5.9 Bodem

 

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar.

 

Er is geen bodemonderzoek aangeleverd doch er zijn genoeg bodemgegevens bekend: zie navolgend onder 'Bodemkwaliteit plangebied'.

 

Naast het bovengenoemde, landelijk erkende onderzoeksprotocol is voor de paragraaf en de herontwikkeling verder van belang:

 

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg (specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg). In deze context en de navolgende wordt opgemerkt dat in Noord-Brabant, zo ook in Tilburg, regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen worden zonder direct aanwijsbare bron. Dergelijke verhoogde waarden zijn eerder regel dan uitzondering, hebben een diffuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd en ruimte variëren. Conform de nota zijn verhoogde waarden aan (zware) metalen, met name nikkel, koper, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondgehalten te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu;

 

Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Industrie' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren d.w.z., er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit. Grond uit deze zone kan alleen worden toegepast worden in een zone met dezelfde kwaliteit ('Industrie')

 

Uitdrukkelijk wordt verwezen naar het de 'Nota bodembeheer gemeente Tilburg'. Daarin staat beschreven wat de (on-)mogelijkheden en uitzonderingen zijn van de toepassing of hergebruik van gebiedseigen grond van een mindere kwaliteit. De actuele/werkelijke grondkwaliteit wordt behandeld 'Bodemkwaliteit Plangebied' (navolgend).

 

De navolgende onderzoeken (2) en Plan van Aanpak (1) zijn relevant:

Aanleiding onderzoek: Bouwvergunning voor showroom,

Aanleiding NO: afperking van de eerder aangetroffen verontreiniging met VOCL in de bodem;

Aanleiding: sanering van een spot olie van ca. 20m3 in verband met en begeleiding van de funderingsaanleg en schroefpalen t.p.v. voornoemde grondverontreiniging en een diepere bodem, met name grondwaterverontreiniging met VOCL's.

Genoemde bodemdocumenten zijn als bijlagen toegevoegd.

 

Naast de hierboven, bij het Plan van Aanpak genoemde sterke bodemverontreinigingen bevat grond en grondwater in wisselende combinaties licht tot soms matig verhoogde gehalten aan diverse stoffen.

 

Conclusie

Voor de bodem ter plaatse van het plangebied is er op basis van de (voldoende) vastgestelde, algemene bodemkwaliteit geen risico voor de volksgezondheid en/of het milieu, die de ontwikkeling belemmeren. Voor de 2 sterke bodemverontreinigingen geldt dat door een vorm van bodemsanering de locatie geschikt is te maken voor het beoogde gebruik. Afhankelijk aan de hand van de gekozen en door bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb) goed te keuren saneringsvariant(en) zijn er na sanering meer of minder gebruiksbeperkingen. Gelet op het bouwplan, een autoshowroom met een betonnen vloer, een verhard buitenterrein en de ligging in een bedrijventerrein, zal een gebruiksbeperking in het dagelijks gebruik geen hinder opleveren (o.a. geen contactmogelijkheden).

Op aanvoer van grond of afvoer van overtollige, ten hoogste licht verontreinigde grond, is het landelijk Besluit bodemkwaliteit van toepassing, het 'Tijdelijk Handelingskader PFAS' en de gemeentelijke bodembeheerplan / bodemkwaliteitskaart, indien de overtollige grond binnen Tilburg wordt hergebruikt/toegepast.

5.10 Natuur en ecologie

 

5.10.1 Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

5.10.2 Analyse plangebied

 

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op ruim 5 km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Desalnietemin is er een berekening in Aerius gemaakt naar stikstof (zie Bijlage rapport stikstofdepositie ). Hieruit volgt dat in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase er geen sprake is van stikstofdepositie.

 

Natuurbescherming in Verordening ruimte

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 800 m ten noorden van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.

 

Soortenbescherming

Het plangebied ligt braak en is grotendeels onbegroeid. Desondanks kunnen in ruigtebegroeiingen vogels tot broeden komen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Eventueel aanwezige ruigtebegroeiingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.

De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.

 

 

 

 

 

Conclusie

Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.

 

Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

 

 

6.1 Bestaand watersysteem

 

De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. Het plangebied is in de bestaande situatie deels in gebruik als bedrijventerrein en deels braakliggend.

 

Kenmerk

In plangebied

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg

Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel

Oppervlaktewater: waterschap De Dommel

Bruto oppervlakte

ca. 4.685 m²

Terreinhoogte

Bestaand bedrijf (perceel 183) tussen NAP+13,2m en NAP+ 13,4m

Braakliggende percelen 184 en 185 tussen NAP+13,1m en NAP+14,4m

Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)

ca. NAP+ 11,1m

Ontwateringdiepte

Minimaal 2,0m

Bodem

Sterkzandige leemlenzen dikker dan 1m

Riolering

Gemengde riolering

Afkoppelgebied

Niet van toepassing

Oppervlaktewater

Niet relevant, Wilhelminakanaal op ruim 400m afstand van het plangebied

Keur beschermde gebieden

Niet relevant (zie afbeelding 1)

Tabel 1. Gebiedskenmerken

 

In de omgeving van het plangebied is gemengde riolering aanwezig. Het afvalwater en het regenwater worden gecombineerd ingezameld en getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg.

 

Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en dan ook onverhard. Het betreft de totale oppervlakte ad 4.685 m². De ontwikkeling houdt echter in zowel het plangebied als het naastliggende perceel 183. Dat perceel is in gebruik als een garagebedrijf, dat volledig verhard is: bedrijfsgebouw en terreinverhardingen. In tabel 2 zijn de bestaande oppervlakken weergegeven van de gehele ontwikkeling.

 

Oppervlakken *

Onverhard (m²)

Verhard (m²)

Totaal

(m²)

Daken

0

1.560

1.560

Erfverharding

0

3.030

3.030

Onverhard

4.685

0

4.685

Totaal (m²)

4.685

4.590

9.275

Tabel 2. Afvoerende oppervlakken in de bestaande situatie

 

* Bron: KRT en luchtfoto

 

 [image]

Afbeelding 1. Ligging plangebied ten opzichte van de keur beschermde gebieden. Het plangebied is weergegeven met een rode arcering

 

6.2 Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020 (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

6.3 Toekomstige situatie

De voorgenomen bestemmingsplanwijziging voorziet in de vervanging en uitbreiding van het bestaande bedrijf van perceel 183 op de nu braakliggende delen van het plangebied. In tabel 3 zijn de afvoerende oppervlakken weergegeven. De totale afwaterende verharde oppervlakte neemt toe met 4.685 m².

 

Oppervlakken *

Onverhard (m²)

Verhard (m²)

Totaal (m²)

Bedrijfsgebouw

0

3.800

3.800

Terreinverharding

0

5.475

5.475

Totaal (m²)

0

9.275

9.275

Tabel 3. Afvoerende oppervlakken in de plansituatie

 

* Bron: tekening plattegrond bouwplan

 

Duurzaam watersysteem

De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:

 

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte ruim voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.

 

Grondwater

Door de bodemsamenstelling kan het regenwater lokaal stagneren in zijn neerwaartse weg naar het grondwater. In dat geval blijft het regenwater 'hangen' in de bodem. Er kunnen zogenaamde schijngrondwaterspiegels ontstaan. Dat water kan zorgen voor overlast. Om dat te voorkomen is het mogelijk ondiepe drainage aan te leggen binnen het plangebied. Deze drainage mag geen water afvoeren onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), namelijk NAP+11,1m. De afvoer van het gedraineerde water wordt aangesloten op de regenwaterafvoer.

 

Regenwater

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren).

Mogelijkheden hiervoor zijn:

Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.

 

Doordat in de toekomstige situatie verhard oppervlak wordt aangebracht, kan minder water infiltreren. Om te voorkomen dat water te snel wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater moet het water binnen het plangebied worden geborgen en infiltreren. Hierbij wordt gestreefd naar een hydrologisch neutrale situatie waarbij word voorzien in een waterberging van 60 mm voor de verharde oppervlakte, conform de Keur van het waterschap De Dommel. Deze berging is verplicht als de afvoerende oppervlakte boven 2.000 m² toeneemt.

 

Ook vanuit de gemeente Tilburg is / wordt in 2019 beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De voorgenomen bergingsopgave bedraagt ook 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Voor de toename aan verharding betreft dit het hydrologisch neutraal ontwikkelen van het plangebied. Met de aanvullende compensatie voor de te vervangen oppervlakte draagt het plangebied bij aan het hydrologisch positief (her)ontwikkelen van Tilburg.

 

Het nieuwe beleid houdt in dat beide nieuwbouw en vervanging van bestaande bebouwing een waterbergingsopgave hebben, op basis van de totale af te wateren oppervlakte in de nieuwe situatie, namelijk 9.275 m². Deze waterbergingsopgave bedraagt dan ook 557 m³. Als invulling wordt de toepassing van ondergrondse waterbergende voorzieningen binnen de grenzen van de totale ontwikkeling en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. De voorziening(en) kunnen worden voorzien van een overloop op het de riolering.

 

Er moet worden voorkomen dat het regenwater verontreinigd raakt.

Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.

 

Afvalwater

Het bedrijfsmatige afvalwater wordt afgevoerd via de bestaande riolering. De afvoer wordt aangesloten op de bestaande gemengde riolering in de Kraaivenstraat of de Jules de Beerstraat.

6.4 Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Conform deze aanpak kan het watertoetsproces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Bestemmingen en aanduidingen

In het bestemmingsplan is enkel de bestemming ' bedrijventerrein' opgenomen, zoals in het vigerende plan ook al het geval was. Binnen deze bestemming mogen zich bedrijven met een milieucategorie zoals vermeld op verbeelding en/of regels zich vestigen.

 

Binnen de bestemming 'bedrijventerrein' zijn de volgende aanduidingen opgenomen:

7.3 Bouw- en gebruiksregels

Het laatste hoofdstuk heet 'Overgangs- en slotregels'. Hier is het overgangsrecht te vinden met het betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

 

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Gebruiksregels

Binnen de bestemming worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

Binnen het plan is tevens de aanduiding 'detailhandel perifeer' opgenomen ten behoeve van de verkoop van auto's.

 

Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
In de regels zijn specifieke regels opgenomen ter bescherming van de buiten het plangebied aanwezige bestaande bomen.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.

 

Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog en vooroverleg

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 6 september 2019 gepubliceerd in de Staatscourant.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het bestemmingsplan ligt in stedelijk gebied. Het project waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld heeft een beperkte ruimtelijke impact. Er zijn geen provinciale of rijksbelangen mee gemoeid.

Met het Waterschap de Dommel is afgesproken om in dit geval een vereenvoudigde procedure te volgen. Dat houdt in dat het wateradvies bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan wordt verstrekt.

9.3 Omgevingsdialoog

Op 6 augustus 2019 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een bericht naar omliggende bedrijven gestuurd. Daarbij is aangegeven dat een uitbreiding van het garagebedrijf aan Kraaivenstraat 13 noodzakelijk is en is het plan bijgevoegd. Op het bericht is door twee bedrijven positief gereageerd. Er zijn geen bezwaren naar voren gebracht. De rapportage van de burgerparticipatie is als bijlage toegevoegd (zie Bijlage Omgevingsdialoog ).

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 24 februari tot en met 6