Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 3e herziening (Uiterste Stuiver West 3)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van een niet-agrarisch bedrijf in het sorteren, wassen, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische producten aan de Uiterste Stuiver-West 3 in Tilburg. Het betreft het perceel sectie Tilburg AG, nummers 7634, 7636, 7793, 7798 en 8076 gedeeltelijk.
Met dit plan wordt de bestaande agrarische bestemming omgezet naar een bedrijfsbestemming. De bestaande agrarisch loods op het perceel (600 m2) wordt gesloopt waarna een nieuw bedrijfsgebouw gebouwd wordt voor de nieuwe niet-agrarische doeleinden. De omvang van het beoogde bedrijfsoppervlakte bedraagt 5.000 m2. Het beoogde bedrijfsgebouw heeft een omvang van maximaal 1.500 m2.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat het agrarisch bouwvlak met de omliggende gronden aan de Uiterste Stuiver-West 3 in Tilburg. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Vierbundersweg (N632) ten noorden/oosten en de Uiterste Stuiver-West ten zuiden/westen. Ten oosten van het plangebied liggen tot natuur bestemde gronden.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402000.png)
Afbeelding 1: Ligging plangebied
1.3 Voorgaande plannen
Voor het plangebied gelden twee bestemmingsplannen. Op een klein gedeelte in het noorden van het perceel geldt het bestemmingsplan 'Noordwesttangent (Dalem Zuid – Vossenberg West)'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Tilburg op 12 oktober 2009. Voor het grootste gedeelte behoort het perceel tot het voormalige grondgebied van de gemeente Dongen. Het geldende bestemmingsplan aldaar betreft het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Dongen op 5 november 2009.
Het gedeelte van het perceel in het bestemmingsplan 'Noordwesttangent (Dalem Zuid - Vossenberg West)' heeft de bestemming 'Verkeer'. Het gedeelte van het perceel in het bestemmingsplan 'Buitengebied' heeft onder andere de bestemmingen 'Agrarisch', 'Verkeer' en 'Water'. Ter plaatse van de bestaande loods op het terrein is een bouwvlak aangegeven (1.217 m2). De bestemming 'Water' midden op het perceel betreft een voormalige watergang die bij de aanleg van de rotonde heroverwogen en verplaatst is naar de oostkant.
Het beoogd bedrijf in het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische producten betreft een niet-agrarische functie en is derhalve in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Ook is uitbreiding van de bedrijfsfunctie tot 5.000 m2 met een maximum bebouwd oppervlak van 1.500 m2 niet rechtstreeks toegestaan binnen het vigerend planologisch regime.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402001.png)
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplannen ‘Noordwesttangent (Dalem Zuid – Vossenberg West)’ en ‘Buitengebied’'
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
Ruimtelijke structuur
Het plangebied Uiterste Stuiver-West 3 maakt deel uit van het buitengebied van Tilburg. Het perceel ligt op korte afstand van de Burgemeester Letschertweg (N260) en bedrijventerrein Vossenberg. Ten noorden van het perceel ligt de rotonde Uiterste Stuiver/Vierbundersweg. De Vierbundersweg is de verbindingsweg tussen de Burgemeester Letschertweg en het dorp Dongen.
De Burgemeester Letschertweg, Vierbundersweg, en de zuidelijker gelegen Wilhelminakanaal zijn dominante elementen in de hoofdstructuur. De Burgemeester Letschertweg vormt een harde grens tussen bebouwd stedelijk gebied en het agrarische buitengebied. Door de aanleg van de Burgemeester Letschertweg, de rotonde en de aansluiting van de Vierbundersweg op de Burgemeeste Letschertweg is het gebied veranderd. Het perceel is hierdoor ingeklemd geraakt tussen Vierbundersweg, Uiterste Stuiver en Uiterste Stuiver-West.
Functionele structuur
In de directe omgeving bevinden zich diverse agrarische-, agrarisch verwante- en niet-agrarische bedrijven.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten.
De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. In dit kader is het initiatief getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zie bijlage 1. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief qua aard vergelijkbaar is met de nevenfuncties die het vigerende planologisch regime bij recht en via afwijkingsbevoegdheden mogelijk maakt. Ook is er via een binnenplanse afwijking voor bepaalde nevenactiviteiten reeds een bedrijfsgebouw van 1500m2 toegestaan. Qua aard en omvang maakt het initiatief, ten opzichte van het geldende bestemmingsplan dus geen nieuwe planologische functiewijziging mogelijk. Verdere toetsing aan de Ladder is derhalve niet noodzakelijk.
2.2 Provincie
2.2.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: 'Samenwerken aan kwaliteit'. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
2.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening is op 1 augustus 2023 voor het laatst gewijzigd.In deze Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels m.b.t. de fysieke leefomgeving samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie.
In de Interim omgevingsverordening staan omgevingswaarden, algemene regels die de gemeente rechtstreeks binden (rechtstreeks werkende regels) en regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen (instructieregels). In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Interim omgevingsverordening de gemeenten wèl rechtstreeks.
Specifiek voor het plangebied geldt: “Landelijk gebied”.
Toets van het plan aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Het perceel aan de Uiterste Stuiver-West 3 is gelegen in het Landelijk gebied. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geeft voor de locatie het werkingsgebied ‘groenblauwe mantel’ aan.
In de IOV (Interim Omgevingsverordening) worden agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven alleen passend geacht binnen het Gemengd Landelijk Gebied (artikel 3.61 Iov). Hieruit kan impliciet worden afgeleid dat vestiging van dergelijke functies niet passend is binnen het gebied met groenblauwe waarde welk gebied hier van toepassing is. In de toelichting van de Iov is echter bij artikel 3.61 opgenomen dat binnen de groenblauwe mantel toch agrarisch-technische bedrijven toelaatbaar zijn, mits sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en voldaan wordt aan de eisen van artikel 3.73. Dit artikel heeft betrekking op de vestiging van een niet-agrarische functie (niet zijnde een agrarisch technische of agrarisch verwant bedrijf) in het landelijk gebied.
Artikel 3.73 - Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied
Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Lid 1
de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;
overtollige bebouwing wordt gesloopt;
de vestiging heeft geen betrekking op:
een kantoor met baliefunctie;
lawaaisport;
mestbewerking.
Lid 2
er wordt geborgd dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:
over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;
welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;
dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;
dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.
De beoogde ontwikkeling van het landelijke gebied betreft een gemengde plattelandseconomie met in hoofdzaak een agrarische economie met daarbij passende bestemmingen. Het bedrijf is sterk aan het landelijk gebied gebonden, doordat het zich richt op het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische landbouwproducten. Deze producten worden vanaf het land, rechtstreeks met trekker en oplegger of per vrachtwagen naar de het bedrijf gebracht. Het ligt daarom in de rede om het bedrijf in het landelijk gebied te vestigen, omdat er op bedrijfsterreinen niet altijd is voorzien in de bereikbaarheid met agrarische machines en werktuigen. Deze zijn langzamer dan bijvoorbeeld vrachtverkeer en hebben veel manoeuvreerruimte nodig. Dit belemmert de aldaar gelegen industrieën aanzienlijk in de doorstroming en veiligheid van hun transportbewegingen.
Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein. Als vuistregel houdt de provincie hiervoor nog steeds een maximale omvang van 5.000 m2 en een bedrijfsfunctie tot maximaal milieucategorie 2 aan.
De vestiging van het agrarisch technisch hulpbedrijf is kleinschalig. Weliswaar is er sprake van een behoorlijke oppervlakte, maar de oppervlakte is fors kleiner dan de op grond van de Iov maximaal toegestane oppervlakte van een agrarisch-technisch bedrijf. In het bestemmingsplan is een bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ opgenomen met een omvang van 5.000 m2. Hierin wordt voorzien in de realisatie van een bedrijfsgebouw met een omvang van ten hoogste 1.500 m2. Daarnaast is er geen verdere groei van het bedrijf mogelijk, zowel met betrekking tot de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing als met betrekking tot de oppervlak van de bestemming ‘Bedrijf’. De bedrijfsbestemming is immers ingeklemd tussen verkeers-, natuur- en groenbestemmingen en kan dus niet meer groeien. Daarnaast is ook de aard van het bedrijf (een bedrijf in categorie 2) vastgelegd zodat omschakeling naar een zwaarder agrarisch-technisch bedrijf niet mogelijk is. Hiermee is de vestiging van dit bedrijf gewaarborgd.
Welke effecten de ontwikkeling heeft op andere aspecten en hoe het initiatief bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit wordt verderop in deze toelichting uiteen gezet.
Het betreft een bestaand bedrijf dat niet wordt gesplitst in twee of meer zelfstandige bedrijven. Er is geen overtollige bebouwing op het perceel aanwezig. Het bedrijf heeft geen zelfstandige kantoorfunctie met balie en betreft geen lawaaisport en/of mestbewerking.
Er kan derhalve worden geconcludeerd dat er aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.73 van de Iov wordt voldaan.
In bovenstaande verantwoording is onderbouwd dat aan de voorwaarden van artikel 3.73 van de Iov wordt voldaan. Het gaat erom dat er in groenblauwe mantel geen nieuwe grootschalige bedrijvigheid plaatsvindt. Hier wordt met deze ontwikkeling invulling aan gegeven.
Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering landschap
Zoals omschreven in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant dient Iedere ontwikkeling in Landelijk gebied gepaard te gaan met kwaliteitsverbetering landschap. Over de wijze waarop hieraan kan worden voldaan zijn door gemeente en provincie gezamenlijk afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in het document ' werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap' .
Er dient een investering van 20% van de waardevermeerdering van de grond te worden gedaan. Deze investering dient te worden gedaan in landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap. Door de gemeente is een berekening opgesteld om de waardevermeerdering van de grond te bepalen, zie Bijlage 2. Deze berekening is gebaseerd op de grondprijzen zoals deze door de gemeente zijn vastgesteld.
Er kan op meerdere manieren invulling worden gegeven aan kwaliteitsverbetering van het landschap. In dit geval is gekozen voor de optie: landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken. Landschapselementen die worden toegevoegd om de beeldkwaliteit en de overgang naar het omliggende landschap te versterken, mogen hierin meegenomen worden. Hoe de bebouwing en het bestemmingsvlak landschappelijk worden ingepast blijkt uit het stedenbouwkundig- en landschappelijk inpassingsplan dat als Bijlage 3 aan deze toelichting is toegevoegd. Een meer uitgebreide beschrijving van de stedenbouwkundige aspecten is te vinden onder paragraaf 3.2.
Uit Bijlage 4 blijkt de waarde die deze investering in kwaliteitsverbetering vertegenwoordigd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing resulteert in een ruime extra kwaliteitswinst bovenop de kwalitatieve investering van 20% die redelijk wordt geacht. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd middels de bestemming ‘Groen ’ op de verbeelding en door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie;
de Regiostrategie;
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw;
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en –toepassing;
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven;
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant.
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg – Koningshoeven;
Stadsregionaal park Stadsbos013;
Stadsregionaal park Noord.'
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid;
Zorgcluster Leijpark;
Duurzaam energielandschap Noord.
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied;
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten;
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig;
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk;
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding;
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners;
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal;
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar;
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen;
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken.
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Toets van het plan aan de Omgevingsvisie
Het plangebied is gelegen in een overgangsgebied tussen het Modern Industrieel Cluster Vossenberg – Loven en een agrarisch gebied dat is aangewezen als ecologische verbindingszone, nabij en een regionale verbinding met knooppunt. De regio Hart van Brabant is gelegen op een belangrijke logistieke corridor in Europa. Vanwege de ideale ligging ten opzichte van weg, spoor en water vormt de regio een (inter)nationale 'hub' (logistieke hotspot). De logistieke sector is dan ook van groot economisch belang voor de regio. Het biedt werkgelegenheid en trekt veel aanverwante bedrijvigheid aan. Het is de ambitie om de hotspot en hubfunctie verder uit te bouwen. De kwaliteit van de aan te trekken logistieke activiteiten is daarin belangrijk. Het gaat niet om de 'doorgeeffunctie', maar om de toegevoegde waarde. De value added logistics en services zijn van belang om de kwetsbaarheid op de langere termijn te verkleinen.
Het beoogde bedrijf behoort tot de value added logistics en services. De focus van het bedrijf ligt op het vinden van een perfecte match tussen klant, biologisch product en teler. Die zoektocht vindt plaats over de hele wereld en heeft zodoende geleid tot internationale samenwerkingsprojecten. Vanwege de centrale ligging van Tilburg in de Benelux, Frankrijk en Duitsland en de goede bereikbaarheid vanuit de havens van Rotterdam, Antwerpen en Hamburg sluit de vestiging van het bedrijf ter plaatse dan ook goed aan bij de omgevingsvisie voor het Modern Industrieel Cluster Vossenberg – Loven. Door het bedrijf zorgvuldig landschappelijk in te passen, wordt de overgang van het cluster naar de ecologische verbindingszone geoptimaliseerd.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402002.png)
Afbeelding 3: Uitsnede Omgevingsvisie Tilburg 2040 (plangebied wit omcirkeld)
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.2.1 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
De locatie aan de Uiterste Stuiver valt onder categorie 'buitengebied' 'niveau 2'. Dit houdt in een lichte welstandstoetsing , op basiskwaliteit. De bestaande situatie is hierin normstellend. Van nieuwbouwplannen in deze gebieden mag gevraagd worden dat zij niet alleen op zichzelf redelijk zijn, maar ook dat zij de bestaande ruimtelijke kwaliteit in de omgeving respecteren. Kortom een voldoende kwaliteit is hier de norm.
3.2.2 Stedenbouwkundige motivering
Als nadere uitwerking van het principe verzoek uit 2015 is ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit een onderzoek Flora &Fauna uitgevoerd en een stedenbouwkundige plan gemaakt. In deze analyse zijn het plangebied van 7.800m² en de directe omgeving op diverse aspecten geanalyseerd en is een stedenbouwkundig ontwerp opgesteld. Het stedenbouwkundig plan is tot stand gekomen in overleg met de stedenbouwkundige en de secretaris van de welstandscommissie van de gemeente Tilburg.
De ruimtelijke kwaliteit in deze variant blijft gewaarborgd omdat:
de oorspronkelijke verkavelingsstructuur bepalend blijft voor de inrichting van het terrein en de situering van de gebouwen;
het door trekken van de groenstructuur aan de oostzijde zorgt voor versterking en afscherming van de ecologische verbinding;
de oriëntatie van het gebouw op de rotonde blijft, waardoor de rotonde stedenbouwkundig begeleid wordt door het gebouw;
er een groene wand aan de zuidk
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402003.png)
Afbeelding 4: (definitief) stedenbouwkundig plan
Architectuur
De gekozen uitgangspunten voor een hoogwaardige inpassing en uitstraling op deze zichtlocatie dienen te worden doorgezet in de architectonische uitwerking van het gebouw. Bij welstandstoetsing gaat men onder andere uit van een zogenaamde 'schilbenadering'; een beoordeling van de naar het publieke domein gekeerde zijden. Over het algemeen gaat dit over de voorzijde van een gebouw, normaliter zijn de achterzijde en zijgevels minder relevant. Gezien de ligging en benadering van deze locatie zijn meerdere zijden gericht naar de openbare ruimte en daarmee beeldbepalend.
Hiermee is rekening gehouden in het ontwerp van het nieuwe bedrijfsgebouw. Het archetype van de agrarische loods heeft ten grondslag gelegen aan de planvorming. Aspecten als een fraaie eigentijdse vormgeving passend in een landelijke context op deze zichtlocatie spelen een belangrijke rol. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van een strakke, sobere detaillering en een natuurlijk en duurzaam materiaalgebruik.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402004.png)
Afbeelding 5: Impressie nieuw bedrijfspand aan de Uiterste Stuiver-West 3
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.3.1 Historische geografie
Ligging: De planlocatie ligt in het westen van de gemeente Tilburg in het gebied 'De Wildert'.
Geografie: Het terrein ligt van oudsher aan de rand van een groot heidegebied. Deze voormalige Tilburgsche Heide vormde het middendeel van een uitgestrekt heidegebied ten westen van Tilburg tussen de gemeenten Loon op Zand, Dongen, Hulten en Riel. Het glooiende heidegebied met lokale landduinen was van oorsprong doorspekt met grote, relatief ondiepe vennen zoals de Blaak, de Witten Brand, De Hoge en lage Witsie, het Zwartven en het Leikeven, evenals talrijke kleinere drassige laagten zoals de Stoorblaak bij het Kraaiven. De eerste grote (her)ontginning van de heide vond plaats ca. 1760 met de inrichting van het landgoed van Charles de Rey (Rey´s Hof), De nattere gronden langs de Donge, waren eertijds ruigte en werden gaandeweg in gebruik genomen als grasland.
Het perceel ligt op een dekzandrug waar van oudsher landbouw mogelijk was omdat deze gronden hoger gelegen zijn.
Geomorfologie: Het terrein is gelegen op een dekzandrug (oud bouwlanddek).
Bodemgesteldheid: veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand.
Historisch grondgebruik: in de eerste helft van de twintigste eeuw ligt de planlocatie nog op een oud bouwlanddek met ten noorden en zuiden heidegronden. Vanaf medio twintigste eeuw neemt het agrarisch gebruik toe en na WOII ontstaan als gevolg van ruilverkavelingen steeds grotere aaneengesloten kavels.
Vanaf de Middeleeuwen is men op kleine schaal begonnen het gebied ten zuiden van het plangebied te ontwateren door het middel van sloten. Ontginningen bestonden uitsluitend uit het creëren van wei- en hooilanden. De grootschalige ontginningen en de bouw van boerderijen vonden pas in het begin van de twintigste eeuw plaats, nadat het waterpeil was verlaagd.
Aan het einde van de jaren zeventig van de twintigste eeuw is begonnen met de aanleg van het stadsdeel De Reeshof bedrijventerrein Vossenberg, waarna het gebied in hoog tempo is volgebouwd. De westelijke rondweg (Burgemeester Letschertweg) werd in 2012 voltooid.
Huidig grondgebruik: Het terrein is in gebruik voor agrarische functies.
3.3.2 Archeologie
Om de archeologische verwachting van het plangebied te specificeren is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vervat in het rapport 'Tilburg, Uiterste Stuiver West3. Gemeente Tilburg (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO), kenmerk: Transect-rapport 2544, d.d. 02-03-2020' (bijlage 5).
Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting geldt op het aantreffen van (nederzettings)resten uit het Jong-Paleolithicum B tot en met de Late Middeleeuwen. Voor wat betreft de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten.
Binnen het plangebied hebben destructieve en diepgaande landbouwtechnieken plaatsgevonden, die de ondergrond tot een diepte van circa 1,5 tot 2,0 m onder het maaiveld (-Mv) hebben aangetast. Ter plaatse van de huidige bebouwing is de bodem tot funderingsdiepte (circa 60 cm -Mv) geroerd. Op basis van het bureauonderzoek is echter niet vast te stellen tot welke diepte de ondergrond daadwerkelijk is verstoord en of het voor archeologie relevante niveau daarmee is verstoord. Resten uit het Jong-Paleolithicum B kunnen namelijk dieper in het Pleistocene dekzand worden verwacht. Om dit vast te stellen is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd de vorm van een archeologisch booronderzoek. De resultaten hiervan zijn vervat in het rapport 'Tilburg, Uiterste Stuiver West3. Gemeente Tilburg (NB). Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, kenmerk: Transect-rapport 2697, d.d. 12-06-2020' (bijlage 6).
Op basis van het booronderzoek is te concluderen dat het plangebied zich op een dekzandwelving bevindt. Het archeologisch relevante niveau wordt gevormd door de top van het pleistocene zand. De top van het pleistocene zand bevindt zich tussen 70 en 110 cm -Mv. Als gevolg van de herontwikkeling in het plangebied vinden verstoringen tot 80 en 160 cm -Mv plaats met een totaaloppervlak van 2650 m2. Deze bevinden zich grotendeels in de zone waar sprake is van een archeologische verwachting. Ook onder de bestaande bebouwing kunnen nog intacte archeologische resten aanwezig zijn. Deze is namelijk tot 60 cm -Mv gefundeerd. Gezien de diepte van de toekomstige verstoringen (80 – 160 cm -Mv) en de diepteligging van het archeologisch relevante niveau (70-110 cm -Mv) zal de herinrichting tot een onevenredige aantasting van mogelijk aanwezige archeologische resten kunnen leiden.
Er wordt door het archeologisch onderzoeksbureau geadviseerd om ter plaatse van de beoogde bodemverstoringen een vervolgonderzoek uit te voeren. Gezien de verwachting op met name grondsporen kan dit het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voor een dergelijk onderzoek moet een Programma van Eisen worden opgesteld, die door de bevoegde overheid (de gemeente Tilburg) moet worden goedgekeurd.
De bevoegde overheid (de gemeente Tilburg) onderschrijft het advies van het archeologisch onderzoeksbureau dat op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is in het kader van de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden. Als daarbij een behoudenswaardige vindplaats wordt aangetroffen dienen de archeologische resten ter plekke van de voorgenomen bodemverstoring vervolgens in de bodem te worden behouden of te worden opgegraven.
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
In het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In het plangebied komen geen panden voor uit die periode.
Historische structuren: Binnen het plangebied liggen geen historische structuren. Het plangebied ligt aan de Uiterste Stuiver-West. Deze weg gaat mogelijk terug op een zeer oud padenpatroon.
Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.
3.3.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. Voor wat betreft de archeologie dient er een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden hiertoe is een dubbelbestemming waarde archeologie opgenomen.
3.4 Groen en speelruimte
3.4.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024;
Beoordelingscriteria houtopstanden;
Nota 'overige houtopstanden';
Boomwaarde zoneringskaart 2024;
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen.
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening
De Bomenverordening Tilburg 2024 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Boomwaarde zoneringskaart 2024 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco- of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Gemeente Tilburg 2024. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Toets van het plan aan het Bomenbeleid Tilburg
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. Blijkens de BWZ-kaart zijn in het plangebied geen bomen met een eco- en hoofdwaarden en monumentale bomen aanwezig. Bovendien worden met het initiatief geen bomen geveld, uitsluitend aangeplant. Vanuit het bomenbeleid van de gemeente Tilburg zijn er dus geen bezwaren tegen de geplande ontwikkeling.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402005.png)
Afbeelding 6: BWZ-kaart 2017 gemeente Tilburg (plangebied rood omcirkeld)
3.4.2 Stadsnatuurkaart 2040
De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de ‘Stadsnatuurkaart’ die samen met de ‘agenda groen in de stad’ in 2016 eerder is vastgesteld.
Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt.
Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk.
In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een agrarisch bouwvlak met een beperkte gebruikskwaliteit en biodiversiteit. Middels het zorgvuldig gekozen landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied wordt aansluiting gezocht bij de ecologische zone die langs de tangent loopt richting het noorden. Het oostelijk deel van het plangebied vormt op die manier een stapsteen naar de overkant van de Uiterste Stuiver en verder. De kop van de locatie – aan de westelijke zijde – krijgt een groen en blauw accent. Door de bomenlaan aan de zuidzijde van het plangebied wordt een verbinding gelegd tussen de oostelijke en westelijke groenstructuren. Door een combinatie van landschapselementen en een gebouw met een groen dak/gevel ontstaat langs de Vierbundersweg/Uiterste Stuiver een robuuste groene wand, waarin het gebouw een accent is.
Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
Afbeelding 7: uitsnede kaart Stadsnatuur 2040 (plangebied rood omcirkeld
Conform de kaart Stadsnatuur 2040 ligt het plangebied niet in of nabij ecologische structuren of zones, stapstenen of ecologische corridors. Zoals reeds is toegelicht in voorgaande paragraaf ligt ten oosten van het plangebied echter wel degelijk een ecologische zone die langs de tangent loopt richting het noorden. Middels het zorgvuldig gekozen landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied wordt hierbij aansluiting gezocht. In de keuze voor het sortiment en de aantallen is rekening gehouden met de biodiversiteit. De groenstrook aan de noordzijde van het plangebied wordt gecombineerd met een waterberging om het hemelwater in op te vangen dat terecht komt op het verhard oppervlak. Hierdoor wordt een hydrologisch positieve bijdrage geleverd aan de klimaatadaptatie. Het initiatief sluit hiermee goed aan bij de ‘Stadsnatuurkaart 2040’.
3.4.3 Puntensysteem voor natuur- en groeninclusief bouwen
Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is. Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden.
De beoogde ontwikkeling voorziet op de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw, hiervoor wordt middels het puntensysteem berekend hoeveel groen- en natuurinclusieve maatregelen er genomen moeten worden. Om te bepalen wat het ambitieniveau (de te behalen punten) is, worden de volgende 4 stappen doorlopen.
Bepalen wijktype/stadzones
De locatie is gelegen in het buitengebied.
Bepalen omgang en reikwijdte project
De ontwikkeling betreft een nieuwbouwproject met een oppervlakte aan bebouwing van circa 1.500 m2 en een bouwhoogte van circa 11 meter. Hierdoor wordt de omvang van het project ingedeeld als ‘middelgroot project’.
Bepalen ambitie
De ambitiescore bij een ‘middelgroot project’ betreft minimaal 50% van het totaal te behalen punten. Dit wil zeggen voor het gevel/ dak gebouw een score van minimaal 5 punten, voor verblijven in de gebouwen minimaal 7 punten en voor de omgeving van het gebouw minimaal 9 punten.
Bepalen maatregelen en score
Per maatregelen kunnen tussen de 1 en 5 punten worden behaald met het uitvoeren van de beschreven minimale inspanning. Hier bovenop kunnen extra punten behaald worden door het uitvoeren van extra inspanning. Een verplichte maatregel is het laten opstellen van een ecologisch advies met bijhorend beheerplan, dit advies is opgesteld met beheermaatregelen.
De natuurinclusieve maatregelen met nadere onderbouwing en beheerplan is opgenomen in bijlage 7. De maatregelen zijn tevens weergegeven op een situatietekening van de beoogde inpassing inclusief puntentelling, zie bijlage 8. De te nemen maatregelen zijn goed voor een totaal van 26 punten, waardoor ruimschoots wordt voldaan aan de benodigde puntenscore van 21.
3.5 Bedrijvigheid
3.5.1 Nota Verspreide Bedrijvigheid
Verspreide bedrijven zijn bedrijven die niet op bedrijventerreinen, binnenwijkse bedrijventerreinen of in het centrum zijn gevestigd. Het gaat dus om bedrijven in woongebieden of gemengde gebieden (nota Verspreide Bedrijvigheid, 2002). Verspreide bedrijvigheid is van wezenlijk belang voor de Tilburgse economie. Daar werken veel mensen en voor de zakelijke dienstverlening zijn woonmilieus en gemengde milieus zelfs de belangrijkste vestigingsplaats. Daarom is behoud en versterking van deze vestigingsplaatsen vanuit economisch oogpunt zeer gewenst. Vanuit de woonfunctie bezien blijkt dat de aanwezigheid van die typen bedrijvigheid tussen woningen goed is in te passen en maar weinig overlast veroorzaakt. Voor een bepaalde groep woonconsumenten geldt dat ze een duidelijke voorkeur hebben voor een woonmilieu met meer functiemenging en allerlei voorzieningen in de omgeving.
De grootste bijdrage van de gemeente aan het ontstaan en behoud van passende bedrijvigheid is het voeren van een planologisch beleid dat zoveel mogelijk ruimte biedt voor bedrijvigheid, zonder problemen in de woonomgeving te veroorzaken. Drie zaken zijn hierbij bepalend:
de aard van het bedrijf, en daarmee samenhangend de te verwachten hinder voor de omgeving;
het gewenste woonmilieu ter plaatse;
ruimte op basis van het bestemmingsplan.
De Nota verspreide bedrijvigheid maakt bij nieuwe bestemmingplannen in dit opzicht onderscheid in verschillende soorten woongebieden:
woongebieden met lage functiemenging;
woongebieden met gemiddelde functiemenging;
woongebieden met hoge functiemenging;
concentratiegebieden.
In geografische zin wordt ernaar gestreefd om in élke woonwijk plekken aan te wijzen waar kleinschalige bedrijvigheid de ruimte krijgt. Onder andere bufferzones tussen woongebieden en bedrijventerreinen, de directe omgeving van winkelcentra of voorzieningenclusters en geluidsbelaste locaties zijn logische plekken waar bedrijvigheid kan worden toegelaten. Om tot concretisering van functiemenging te komen is een ´basiskaart functiemenging wonen en verspreide bedrijvigheid´ uitgewerkt, waarop zogenaamde ´kansenzones´ voor ruimtelijk-functionele mogelijkheden voor functiemenging zijn weergegeven. Deze kansenzones zijn bestaande straten of woonblokken waarin functiemenging met verspreide bedrijvigheid nadrukkelijk gewenst is. Op basis van deze informatie kan de gemeente nog gerichter sturen op een grotere functiemenging in die gebieden die zich daar voor lenen.
Aangezien het plangebied niet is gelegen in een woongebied is de locatie niet benoemd in de nota verspreide bedrijvigheid. Wanneer de kenmerken van de verschillende typen kansenzones worden beschouwd kan echter worden geconcludeerd dat de omgeving van het plangebied het meest overeen komt de kansenzone Ringbanen. De kenmerken van deze kansenzone worden beschreven als:
'De Ringbanen vormen een zichtlocatie voor auto- en fietsverkeer. De bereikbaarheid is goed. Omdat deze wegen een belangrijke stroomfunctie hebben is parkeren langs de weg veelal niet wenselijk of niet mogelijk. Daar waar sprake is van ventwegen of waar parkeerplaatsen op een andere manier aanwezig zijn (via een uitrit of zijweg) en waar mogelijkheden zijn tot inbreiding/ herstructurering, kunnen bedrijven worden ingepast.'
Het plangebied heeft een agrarische bedrijfsbestemming, die met het initiatief wordt herbestemd tot een bedrijfsfunctie richt op het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische landbouwproducten. In paragraaf 2.2.2 is reeds uiteen gezet waarom vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein niet in de rede ligt en waarom het dus zeer wenselijk is om het bedrijf in het landelijk gebied te vestigen. Verder betreft de Uiterste Stuiver-West een ventweg, die aansluit op de Vierbundresweg/Uiterste Stuiver. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te parkeren. De stroomfunctie van de rondweg zal met het initiatief dus niet verloren gaan. Hier wordt in navolgende paragraaf verder op ingegaan.
Door een zorgvuldig gekozen stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing wordt er voor gezorgd dat het zicht vanaf de Vierbundersweg/Uiterste Stuiver op de locatie wordt vormgegeven als een robuuste groene wand, waarin het gebouw een accent is. Hierdoor zorgt de herstructurering van de locatie voor een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Vestiging van het niet-agrarische bedrijf ter plaatse is dus passend in de Nota verspreide bedrijvigheid.
3.6 Verkeer en parkeren
3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
Mobiliteitsaanpak plangebied
De locatie is vanaf de Vierbundersweg bereikbaar via de Uiterste Stuiver. Op basis van de informatie is het uitgangspunt dat de logistiek wordt afgewikkeld door trekkers met oplegger of per vrachtwagen, beide zware motorvoertuigen. Daar komt het personenautoverkeer dan nog bij. Met behulp van de rekentool van het CROW is berekend dat het aantal verkeersbewegingen per dag 116 is. Voor deze ontwikkeling is dat aantal als volgt opgebouwd:
34 zware motorvoertuigen (trekker en oplegger/vrachtwagen) per dag = 68 verkeersbewegingen
12 parkeerplaatsen voor personenauto's, elke dag 2 keer gebruikt = 48 verkeersbewegingen
Fietsroute:
De weg is de fietsverbinding tussen de lokale hoofdfietsroute Vierbundersweg en de sternetfietsroute Voldijk op Vossenberg. Voor fietsers is op deze straat een fietstunnel onder de Vierbundersweg, daar waar deze aansluit op de Letschertweg, aanwezig. Het is onderdeel van het hoofdfietsroute. Het is daarmee een belangrijke schakel voor fietsverkeer tussen Dongen en Tilburg.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402007.png)
Afbeelding 8: Fietsroute
Rijbaan uiterste Stuiver:
De Uiterste stuiver is een smalle weg van nog geen 5 meter breed. Zowel de aansluiting op de Vierbundersweg als de bocht in de Uiterste Stuiver zelf zijn te krap voor zowel een trekker met oplegger als een vrachtwagen. De aansluiting op de Vierbundersweg is uitgevoerd als een krappe zijstraat aansluiting.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402008.png)
Afbeelding 9: Ontsluiting Uiterste Stuiver
Om het passeren van twee vrachtwagens/trekkers met opleggers mogelijk te maken en voldoende veiligheid voor de fietsers te garanderen moet de rijbaan worden verbreed tot minimaal 6,5 meter. Gezien de lage kans op ontmoetingen van tegemoetkomend verkeer kan de bestaande rijbaan worden verbreed door bijvoorbeeld graskeien. Met deze verbreding wordt ook de bocht in de Uiterste Stuiver voldoende breed voor zware motorvoertuigen. Voorwaarde is dat de berm niet kapot wordt gereden bij het passeren. Voor fietsers moeten op de rijbaan voldoende ruimte blijven. Zware motorvoertuigen moeten de fietsers op een veilige manier kunnen passeren, ook daarvoor is voldoende wegbreedte noodzakelijk.
Manoeuvreerruimte:
Binnen het plangebied wordt voldoende manoeuvreerruimte aangelegd om zware motorvoertuigen op een zo efficiënt mogelijke manier toegang te geven tot de laaddocks. Het is voor initiatiefnemer namelijk wenselijk dat de laad- en losperiode zo kort mogelijk is. Dit houdt in ieders geval in dat er voldoende ruimte wordt gecreëerd om de zware motorvoertuigen vanaf de Uiterste Stuiver vooruit het terrein op te kunnen laten rijden en eveneens bij het verlaten van het terrein vooruit weg te kunnen laten rijden.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd is.
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.6.3 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2023'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2023' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen.
In de Nota Parkeernormen 2023 is de locatie aan de Uiterste Stuiver-West 3 voor wat betreft het bepalen van de parkeernorm gelegen in zone D in Tilburg. Daarnaast wordt er geparkeerd op eigen terrein, het dient voorkomen te worden dat er wordt geparkeerd in de openbare ruimte. Voor een arbeidsextensief bedrijf geldt voor deze zone een parkeernorm van 0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Voor een bedrijf met een maximale oppervlakte van 1500 m2 zijn 12 parkeerplaatsen benodigd. Op het perceel is voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren. In totaal zullen er op het terrein 18 parkeerplaatsen als zodanig worden aangelegd.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de van toepassing zijnde milieuaspecten.
4.2 Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.
ad a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r-beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.
ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' is op ongeveer 6,2 km van het plangebied gelegen. Vanwege de afstand leidt alleen stikstofdepositie tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied. Dit wordt in paragraaf 4.11.2 onderzocht en beoordeeld.
Er heeft een vormvrije mer beoordeling plaatsgevonden (bijlage 9). Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.
4.3 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
De inrichting binnen het initiatief valt onder SBI-code 46217, 4631 (groothandel in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen) waarvoor de volgende richtafstanden gelden; 30 meter geluid, 30 meter geur, 10 meter Stof en 50 meter Gevaar. De afstand van 50 meter voor gevaar bepaald dat de inrichting in milieucategorie 3.1 valt. Echter blijkt uit de 'Onderbouwing milieucategorie van K+ adviesgroep, kenmerk QR/QR/M18 581.802.1, d.d. 24 oktober 2019' (bijlage 10) dat er binnen de inrichting geen opslag ruimte aanwezig is voor gevaarlijke stoffen en dat als koudemiddel voor de koeling een synthetisch middel wordt gebruikt. Voor dit koudemiddel geldt op basis van het activiteitenbesluit geen gevaarcontour. De contour voor gevaar komt hiermee te vervallen. De grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten geur en geluid worden dan bepalend. Volgens de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering geldt dat bij een richtafstand van 30 meter er sprake is van een milieucategorie 2 inrichting. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde uit de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
De dichtstbij gelegen burgerwoning is gelegen op circa 250 meter van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied is een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf aanwezig op circa 55 meter. Binnen de richtafstand van 30 meter liggen dus geen woningen of andere gevoelige bestemmingen.
Voor de indirecte hinder is bij de bestaande woningen gekeken naar de geluidbelasting van de verkeersaantrekkende werking. Vanuit een worst-case benadering is hiervoor aangenomen dat alle verkeersbewegingen met zware motorvoertuigen van en naar de inrichting met vrachtwagens plaatsvinden. Uit de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de schrikkelcirculaire niet zal worden overschreden.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde bedrijfsfunctie op gepaste afstand van gevoelige functies in de omgeving is gelegen.
4.4 Externe veiligheid
4.4.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.4.2 Verantwoordingsplicht
De verantwoording van het toxisch scenario is beschreven in de notitie 'Externe veiligheid, toxisch scenario spoor, kenmerk: QR/QR/M18 581.801.1, d.d. 24 oktober 2019' (bijlage 11). Door de eisen die op grond van het bouwbesluit worden gesteld aan nieuwe gebouwen zal sprake zijn van goede bescherming tegen indringing van toxisch gas. De luchtbehandelinginstallatie zal worden voorzien van een veiligheidssysteem zodat de luchtbehandelinginstallatie met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld.
4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Het plan voldoet aan de randvoorwaarden uit de beleidsvisie voor transportasgebieden. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
4.5 Kabels, leidingen en straalpaden
Op 29 mei 2019 is een KLIC-melding gemaakt bij het kadaster, zie bijlage 12. Hieruit blijkt dat er binnen en aan de randen van het plangebied enkele kabels en leidingen zijn gelegen. Bij de sanering van de bestaande bebouwing en bij de realisatie van de beoogde bebouwing zal rekening worden gehouden met deze kabels en leidingen.
In of nabij het plangebied lopen geen planologisch relevante straalpaden.
4.6 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
4.6.1 Weg- en railverkeerlawaai
Een bedrijfsgebouw met een industriefunctie en een kantoorfunctie is geen geluidgevoelige bestemming. Dit betekent dat in het kader van de Wet geluidhinder er geen eisen worden gesteld aan de optredende gevelbelastingen. Ook in het kader van het Bouwbesluit 2012 worden geen eisen gesteld met betrekking tot bescherming tegen geluid van buiten. Omdat het bedrijfsgebouw langs een drukke weg komt te liggen en in het plan ook werkruimten worden gerealiseerd is het wel wenselijk om te weten hoe hoog de geluidbelasting zal zijn en op grond daarvan desgewenst toch maatregelen te treffen zodat de geluidbelasting in de kantoren kan worden teruggebracht tot een acceptabel niveau en daarmee een fijn werkklimaat kan worden gerealiseerd.
Ten aanzien van de te verwachten optredende gevelbelasting vanwege het wegverkeer is ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bedrijfsbestemming Uiterste Stuiver 3 West te Tilburg, kenmerk M18 581.401, d.d. 23 oktober 2018’ (Bijlage 13) uitgevoerd. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de kantoren de gevelbelasting maximaal 65 dB bedraagt. Er is sprake van een verhoogde geluidbelasting. Om voor een prettig werkklimaat te kunnen zorgen wordt geadviseerd om een aanvullend akoestisch onderzoek te laten uitvoeren naar de treffen gevelmaatregelen.
4.6.2 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
Ten aanzien van de geluidhinder afkomstig van de beoogde bedrijfsopzet is ‘Akoestisch onderzoek geluiduitstraling bedrijfsbestemming Uiterste Stuiver 3 West te Tilburg, kenmerk M18 581.401.1, d.d. 24 oktober 2019’ (Bijlage 14) uitgevoerd. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het bedrijf en het equivalent geluidniveau vanwege de verkeersaantrekkende werking voldoet aan de 50 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 2 van de VNG. Ter plaatse van de bestaande woningen voldoen de geluidbelastingen eveneens. Vanuit een worst-case benadering is hiervoor aangenomen dat alle verkeersbewegingen met zware motorvoertuigen van en naar de inrichting met vrachtwagens plaatsvinden. Hiermee is aangetoond dat bij de bestaande woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.
4.6.3 Luchtverkeerslawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.7 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.
Binnen de inrichting kunnen op beperkte schaal emissies naar de lucht plaatsvinden. Dit betreft o.a. de het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische producten. In het Activiteitenbesluit milieubeheer dat van toepassing is op de inrichting zijn aan deze activiteiten voorschriften verbonden. Het aantal motorvoertuigbewegingen die de inrichting aandoen kunnen worden gekenmerkt als "niet in betekenende mate". Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.8 Geur
4.8.1 Industriële geurhinder
Er worden geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3 wordt aan de richtafstand voor geur voldaan. Hiermee is in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.8.2 Agrarische geurhinder
Er worden geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.
4.9 Volksgezondheid
Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen.
Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten:
Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen;
Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf;
Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof.
Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden.
Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie.
In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico's onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III' gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is.
Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.
Naar aanleiding van het VGO-onderzoek heeft de provincie Noord-Brabant op 7 juli 2018 een tijdelijk geitenmoratorium ingesteld om te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Hieruit reist in het kader van een goede ruimtelijke ordening de vraag of er bij het ontwikkelen van nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, dan ook rekening gehouden moet worden met de omgekeerde werking. Hoe kan immers een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoner geborgd worden en is het vanwege de risico's voor de volksgezondheid wel wenselijk om nieuwe gevoelige functies op te richten nabij geitenhouderijen?
Binnen een afstand van 2 kilometer van het plangebied zijn geen actieve geitenhouderijen gelegen. Aan de Heibloemstraat 1 te De Moer was in het verleden een geitenhouderij gevestigd, maar dit bedrijf houdt al geruime tijd geen geiten meer. Het bedrijf heeft op 13 januari 2011 een melding gemaakt in het kader van de AMvB opslag en transport ten behoeve van de statische opslag van caravans. Verder wordt er binnen het plangebied ook geen gevoelige functie opgericht. Het gaat om de realisatie van een niet-agrarisch bedrijf in het sorteren, wassen, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische producten. Het geitenmoratorium en de omgekeerde werking ervan heeft dus geen effect op het initiatief.
4.10 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
In het kader van de geplande bestemmingsplanwijziging en herinrichting van de locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 15). Op grond van de beschikbare gegevens (resultaten vooronderzoek, zintuiglijke waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk en de analyseresultaten) kan het volgende worden geconcludeerd:
In zowel de boven- als ondergrond zijn geen parameters in een verhoogd gehalte gemeten. Er bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond derhalve geen belemmering tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging.
In beide onderzochte bovengrondmonsters is analytisch geen asbest aangetoond. Er bestaat ten aanzien van de asbest derhalve geen belemmering tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging.
Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium bevat. Aangezien met betrekking tot de verhoogde concentratie geen antropogene bron bekend is, is barium vermoedelijk van nature in een verhoogde concentratie in het grondwater aanwezig. De gemeten concentratie overschrijdt de streefwaarde in geringe mate en vormt geen belemmering tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging. Het uitvoeren van nader onderzoek is niet noodzakelijk.
De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, ons inziens, milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn tegen de geplande herinrichting van het terrein en de geplande bestemmingsplanwijziging.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
4.11 Natuur en ecologie
4.11.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzij-benadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.11.2 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ op circa 6,2 km van het plangebied. Gezien deze afstand zijn er geen storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling te verwachten.
Om aan te tonen dat er met het initiatief geen sprake is van een toename in stikstofdepositie is vanuit een worst-case scenario middels het rekenprogramma AERIUS het gecumuleerde effect van de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling in één berekening bepaald. De resultaten hiervan zijn terug te vinden in Bijlage 16. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van het initiatief geen sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarnaast is het gecumuleerde effect van de realisatie en gebruiksfase van de ontwikkeling in één berekening in één en hetzelfde jaar doorgerekend. Daaruit bleek ook dat er geen sprake was van een toename van de stikstofdepositie.
Daarmee kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling leidt tot de aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied en de betreffende instandhoudingsdoelen in gevaar komen. Een passende beoordeling hoeft derhalve niet opgesteld te worden.
Natuurbescherming in Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Het plangebied ligt buiten het NNB (voorheen Ecologische Hoofdstructuur), zoals begrensd op de kaarten van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op het NNB. Het plangebied ligt wel binnen de groenblauwe mantel. De hiermee beschermde landschappelijke en waterhuishoudkundige waarden worden beschermd door het plangebied te voorzien van een landschappelijke inpassing en voldoende waterbergingscapaciteit.
Soortenbescherming
Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is de 'Notitie quickscan flora en fauna' opgesteld (bijlage 17). In de notitie wordt het volgende geconcludeerd:
Beschermde gebieden:
Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zullen aantasten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig.
Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig.
Beschermde soorten:
In het plangebied zijn voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten afwezig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van – in dezen - algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.
Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen of als essentieel functioneel leefgebied van habitatrichtlijnsoorten. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming betreffen de habitatrichtlijnsoorten is niet nodig.
Aangezien de reeds uitgevoerde quickscan flora en fauna gedateerd is, is er een nieuw onderzoek uitgevoerd. Brabant Eco heeft middels een bezoek aan het plangebied de eventueel aanwezige flora en fauna in beeld gebracht. De geactualiseerde quickscan flora en fauna is opgenomen in bijlage 17. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied nog steeds ongeschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen van habitatrichtlijnsoorten.
Aanvullend onderzoek naar nationaal beschermde soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden, of daar direct aan voorafgaand. Tevens is het advies om sloop- en bouwwerkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren.
4.11.3 Landschappelijke inpassing
Het bedrijf wordt landschappelijk ingepast in de omgeving, het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in onderstaande afbeelding, het volledige plan is opgenomen in bijlage 3. Het plangebied ligt gedeeltelijk in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Deze vormt onderdeel van een noordzuid-gerichte zone die het gebied ten zuiden van de snelweg verbindt met het gebied aan de noordzijde. Deze verbinding is gebonden aan de waterloop die hier onder de weg doorloopt. Het beheertype van de ecologische verbindingszone naast de waterloop bestaat vooral uit ‘kruiden- en faunarijk graslanden’. Deze vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties: van de voedselarme kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. De landschappelijke inpassing bestaat daarom deels uit het inzaaien met een mengsel voor kruiden- en faunarijk grasland. Door verschralingsbeheer wordt een zo schraal mogelijke vegetatie nagestreefd. Er wordt aangesloten bij de beheertypen zoals de provincie die nastreeft in de Natuurbeheerkaart voor NNB.
Een deel van het kruiden- en faunarijk grasland wordt gerealiseerd in de waterberging. Deze waterberging is vormgegeven met een dieper deel waar het eerste water in geborgen wordt, zodat bij de meeste buien de kruidenrijke vegetatie droog blijft. Het talud is aan de noordzijde flauw zodat er een gradient ontstaat van nat naar droog. Het zaadmengsel dat gezaaid wordt in de wadi is bestendig tegen korte overstromingen en langdurige droogte.
Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Ook zijn in de omgeving de NNB-beheerstypen ‘houtsingel’ en ‘droog bos met productie’ aanwezig. Om hierop aan te sluiten is gekozen om binnen het plangebied een houtsingel met enkele bomen op te nemen. Singels zijn vaak insectenrijk en vormen met het kruidenrijk grasland een gevarieerd jachtgebied voor vleermuizen. Bovendien zijn singels onderdeel van het leefgebied van diverse vogels en zoogdieren. Ten slotte zorgen deze natuurtypen ervoor dat de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen en voorzieningen verzacht worden: Ze worden geheel of gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Ook de toepassing van groene gevels draagt hieraan bij. Om de laanbeplanting te versterken worden er op de ontbrekende locaties laanbomen aangeplant in de wegberm. De aanplant van deze laanbomen is opgenomen in de berekening kwaliteitsverbetering en wordt verzekerd middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Derhalve is het de verantwoordelijkheid van initiatiefnemers de laanbeplanting te versterken.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402009.png)
Afbeelding 10: Uitsnede landschappelijk inpassingsplan
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Bestaand watersysteem
Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van 5.000 m2. De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 1: Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Stroomgebied |
Dongestroom |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: n.v.t., IBA Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta |
|
Terreinhoogte |
oostzijde: 6,1 m + NAP |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
120 cm –mv (4,9 m + NAP) |
|
Bodem |
Leemarm en zwak lemig fijn zand Toplaag is humusarm tot humeus met een dikte van 0,5 - 1 m |
|
Verhard oppervlak |
614 m2 dak 695 m2 terrein |
|
Riolering |
Vuilwater: afwezig, aangesloten op IBA Regenwater: omliggende gronden/oppervlaktewater |
|
Oppervlaktewater |
A-water aan de zuidzijde langs het perceel, vervult een aan- en afvoerfunctie van overtollig water voor de direct omgeving. |
|
Beschermde gebieden |
Op een gedeelte van het perceel is aan de oostzijde beschermd gebied waterhuishouding gelegen. |
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402010.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402010.png)
Afbeelding 11: Locatie plangebied ten opzichte van oppervlaktewaterlichamen
5.2 Beleidskader
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor waterbeheer op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners.
Kaderrichtlijn Water (KRW)
De weging van het waterbelang omvat ook toetsing op basis van de KRW-doelstellingen zoals gesteld door de Europese Unie. Het toetsingskader uit het waterbeheerprogramma 2022-2027 (bijlage 7 – Toetsingskader VTH) is gebruikt voor de toetsing en hoe er omgegaan moet worden met wijzigingen die de KRW-doelstellingen (mogelijk) raken.
Omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of melding
Het waterschap heeft een eigen waterschapsverordening en Legger. Daarin staan verboden en geboden voor werkzaamheden die gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem, waterveiligheid of de waterkwaliteit. Daarnaast heeft het waterschap nog toegespitst beleid en beleidsregels op verschillende thema's uit het waterbeheerprogramma. Voor activiteiten die raken aan onze waterschapsverordening en/of Legger is veelal een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit noodzakelijk. In sommige gevallen vallen werkzaamheden onder een algemene regel, waardoor deze werkzaamheden onder voorwaarden vrijgesteld zijn van de vergunningplicht. De waterschapsverordening en de Legger zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Programma water en riolering 2024-2027 (PWR)
In het PWR is het gemeentelijk beleid vastgelegd ten aanzien van Water en riolering. Belangrijke uitgangspunten zijn dat hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater en het afkoppelen van verhard oppervlak. In het buitengebied wordt kleinschalige nieuwbouw aangesloten op de drukriolering of IBA’s (individuele behandelingssystemen afvalwater). Lozing van regenwater hierop is niet toegestaan. Voor een meer duurzame en milieuvriendelijkere inrichting van de afvalwaterketen wordt er gedacht aan hergebruik van afvalwater.
Als gevolg van het veranderende klimaat is de bestaande situatie vaak niet bestand tegen hevige buien en
langdurige droogte. Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te
minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een
regenwateropgave. Voor uitbreidingen is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging. Per categorie van werkzaamheden worden criteria gesteld, voor ruimtelijke plannen gelden de volgende regenwateropgaves (zie ook onderstaande tabel):
Als totaal verhard oppervlak kleiner is dan 50 m2 is er geen waterbergingsopgave
Als het totaal verhard oppervlak tussen de 50 m2 en 200 m2 is wordt er onderscheid gemaakt tussen vervanging en toename. Voor “m2 vervanging” geldt een opgave van 10 mm voor “m2 toename” geldt een opgave van 20mm.
Voor een totaal verhard oppervlak van meer dan 200 m2 geldt een waterbergingsopgave van 60 mm.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402011.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402011.jpg)
* De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niets mee gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave
*** Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar)
Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen
De gemeente Tilburg wil dat elk nieuwbouwproject voorbereid is op de toekomst en dat er klimaatbestendig wordt gebouwd. In ‘Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen 2022’ zijn eisen opgenomen per wijktype. Hierbij wordt gestuurd op het minimaliseren van het aandeel verharding, het maximaliseren van het aandeel groen,
schaduw op looproutes en buffering en infiltratie van regenwater. Elke nieuwbouwontwikkeling in de
gemeente Tilburg moet voldoen aan deze klimaatscores. Voor het wijktype ‘bedrijventerrein’ worden de volgende klimaatscores gehanteerd:
Max. 90% oppervlakte verharding
Minimaal 10% oppervlakte groen
Schaduw van bomen op looproutes dient 30% te bedragen
Verwerking van regenwater is 60 mm/m2
5.3 Duurzaam watersysteem
Er vindt een verruiming van de bouwontwikkeling plaats. In het plan wordt het huidige bouwvlak vergroot waardoor het dakoppervlak vergroot wordt van 614 m2 naar 1.500 m2. Ook wordt terreinverharding aangelegd. Het gehele plangebied kan worden voorzien van terreinverharding (3.500 m2). In dat geval neemt de afwatering van het verharde terrein toe.
Bij veranderingen in de waterhuishouding van het plangebied moet er zoveel mogelijk regenwater vastgehouden en geborgen worden. Dat kan bijvoorbeeld door de een groot deel van het binnenterrein niet direct af te wateren naar de omliggende sloten, maar het regenwater opvangen in een retentiesloot of vijver, waar het water infiltreert in de bodem. Conform de waterschapsverordening dient er bij een toename van meer dan 500 m² oppervlakte bebouwing of erfverharding aangesloten op het oppervlaktewater, een bergingsvoorziening van minimaal 600 m³/ha netto oppervlakte te worden gerealiseerd, om te voorkomen dat het oppervlaktewatersysteem overbelast wordt. De eis van het gemeentelijk beleid is strikter, bij alle ontwikkelingen waar sprake is van toename verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden.
Bij eventuele bouwontwikkelingen zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
De nieuwe vloerpeilen moeten bepaald worden, zodanig dat de minimale ontwateringhoogten 90 cm bedraagt, gemeten vanaf de onderkant van de vloerplaat;
De nieuwe terreinhoogten moeten aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
De water- en vochtigheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen, als het regenwater valt op de afvoerende oppervlakten van daken en verharding en verder afstroomt;
De vuil- en regenwaterafvoer van nieuwe bouwdelen moet gescheiden worden aangeleverd;
De afvoer van het vrijkomende vuilwater wordt aangesloten op een IBA. Er wordt daartoe in opdracht van de gemeente een IBA geïnstalleerd op basis van eisen van het waterschap Brabantse Delta. De lozing daarvan kan naar de A-watergang van het waterschap.
Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreem neerslag (o.a. voldoende bouwhoogte ten opzichte van GHG, zie ook PWR 2024-2027);
Het regenwater dat vrijkomt bij de nieuwe verharde oppervlakken moet binnen het plangebied worden vastgehouden voor infiltratie en/of vertraagde afvoer.
Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren) in zijn weg tussen de afvoerende oppervlakken en de infra voor inzamelen (bergen) zoals de riolering, de blauwe aders, wadi's, enz. Mogelijkheden hiervoor zijn:
Zo weinig mogelijk afvoerende oppervlakken inrichten (ontharden);
Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen;
Groene daken;
Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.;
Waterdoorlatende verharding.
'Alle beetjes helpen'; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.
Enkele aspecten die verder van toepassing zijn op (de omgeving van) het plangebied:
De bestaande watergangen direct ten noorden en ten zuiden van het plangebied vervullen een afwateringsfunctie voor de wegen en een ontwateringsfunctie voor het aangrenzende terrein. Dit betreffen grotendeels geen A- of B-watergang, enkel deels aan de zuidzijde van het plangebied is een A-watergang gelegen. Ten behoeve van de nieuwe westelijke inrit is een overkluizing over de bestaande watergang ten zuiden van het plangebied benodigd. Met het initiatief wordt de overkluizing ten behoeve van de bestaande inrit over de A-watergang verwijderd. Hiermee wordt voldaan aan de vereiste compensatieplicht.
Er ligt in de bestaande situatie een bestemming 'Water' midden over het perceel. Deze watergang is bij de aanleg van de rotonde heroverwogen en verplaatst naar de oostkant, langs het Natuur Netwerk Brabant. De bestaande A-watergang en poel aan de zuid- en oostzijde van het perceel behoren eveneens tot dit Natuur Netwerk Brabant. De A-watergang heeft tevens een ontwaterende functie. De poel en de watergang worden derhalve intact gelaten.
5.4 Watertoets
Voor de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffe kunnen zich ophopen in het (bodem)watersysteem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de (bodem)waterkwaliteit en ecologie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen zoveel mogelijk in acht worden genomen. Voor werkzaamheden aan waterstaatswerken of binnen de bijbehorende beschermingszones zal een watervergunning worden aangevraagd. Zo dient de bestaande inrit inclusief duiker verwijderd te worden uit de A-watergang, waarbij het A-water met omliggend profiel wordt hersteld.
Met het initiatief vindt er een toename in verhard oppervlak plaats als gevolg van het nieuwe bedrijfsgebouw van 900 m2 en de extra erfverharding van maximaal 2.900 m2. Binnen de projectlocatie zijn reeds bestaande verhardingen aanwezig welke bestaan uit 600 m2 dakoppervlakte en 700 m2 erfverharding. Op grond van de gemeentelijke eis geldt hiervoor een bergingseis van 60 l/m2 verhard oppervlak. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt deels voorzien van een sedumdak met een oppervlakte van 250 m2, waardoor er een verlichting geldt van deze bergingsplicht. Conform de ‘Klimaatscores Nieuwbouwontwikkelingen 2022’ mag er voor een groen dak met sedum de mate waarin oppervlakte meetelt als verharding gecorrigeerd worden met 0,5, indien het dak een waterberging heeft tussen de 15 en 29 mm. Zodra de waterberging meer bedraagt dan 30 mm hoeft het sedumdak niet te worden aangemerkt als verharding. Worst-case wordt er gerekend met een sedumdak welke voor 50% wordt meegerekend in de verharding, 125 m2 verharding in de plaats van 250 m2 ter plaatse van het sedumdak. Dit betekent dat er ten behoeve van de afwatering van het nieuwe bedrijfsgebouw voorzien moet worden in een waterberging van 29 m3 (= 475 m2 x 60 l/m2). Voor wat betreft de erfverharding moet worden voorzien in een waterberging van maximaal 174 m3 (= 2.900 m2 x 60 l/m2). Dit is afhankelijk van het type en de oppervlakte van de erfverharding die uiteindelijk zal worden aangelegd. Mogelijk zal (gedeeltelijk) gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding, waardoor hemelwater wat hierop terecht komt ter plaatse, direct kan infiltreren in de bodem. Dit betreft dan halfverharding waar het hemelwater kan infiltreren, welke voor 50% mag worden meegeteld als onverhard oppervlak. Als worst-case scenario wordt ervanuit gegaan dat de aan te leggen erfverharding geen halfverharding betreft.
Ten behoeve van de afwatering van het hemelwater dat in de beoogde situatie op het verhard oppervlak terecht komt zal in combinatie met de ter plaatse voorziene landschappelijke inpassing een retentievoorziening worden aangelegd aan de westzijde van het plangebied. De retentievoorziening zal worden voorzien van een noodoverstort en eventueel een knijpvoorziening (wanneer de infiltrerende werking van de bodem onvoldoende blijkt te zijn) op de A-watergang aan de zuidzijde van het te bouwen bedrijfsgebouw, dit is ook aangegeven in het landschappelijk inpassingsplan. Bij de realisatie van de retentievoorziening zal rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit Afbeelding 12 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand in de groenstrook aan de noordzijde van het plangebied tussen 60 en 120 cm beneden maaiveld. Dit betekent dat de retentievoorziening bij een maximale bergingscapaciteit van 205 m3 een omvang moet krijgen van circa 228 m2. De uitvoering van de waterberging is opgenomen in onderstaande afbeelding, deze situatietekening inclusief doorsnede van de waterberging opgenomen in bijlage 18. Er is op de beoogde locatie dus voldoende ruimte op te voorzien in de benodigde waterberging.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402012.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402012.png)
Afbeelding 12: Uitsnede Bodematlas 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand' provincie Noord-Brabant
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402013.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402013.png)
Afbeelding 13: Situatietekening retentievoorziening
Naast hemelwater ontstaat er in de beoogde situatie ook huishoudelijk afvalwater. Uiteraard zullen de bedrijfsprocessen zodanig geoptimaliseerd worden dat de lozingen die hierdoor ontstaan tot een minimum beperkt worden. Zoals gezegd is binnen het plangebied momenteel alleen helemaal geen drukriolering aanwezig. De dichtstbijzijnde drukriolering waar op geloosd kan worden binnen de gemeente Tilburg ligt op circa 600 meter. De gronden tussen deze aansluiting en het plangebied zijn in eigendom van derden. Gezien de grote afstand en afspraken die gemaakt zullen moeten worden over beheer en onderhoud acht de gemeente Tilburg het niet wenselijk om het plangebied op de drukriolering aan te sluiten. Er is derhalve gezocht naar alternatieven. Het huishoudelijk afvalwater dat binnen de inrichting ontstaat zal worden geloosd via een minizuivering (IBA).
Op locatie is reeds een grondwaterbron aanwezig en in gebruik, echter wordt de bestaande bron verplaatst ten behoeve van de beoogde ontwikkeling. Dit betreft een kleine onttrekkingsactiviteit met een doorloop van minder dan 10 m3/uur. Er is geen sprake van een nieuwe drinkwatervoorziening, alleen de bestaande grondwaterbron wordt verplaatst, zie onderstaande tekening. Met de drinkwatervoorziening wordt er voldaan aan de eisen met betrekking tot volksgezondheid, dit wordt afgestemd met Brabant Water. Tevens wordt het voorspoelwater aangevuld via deze grondwateronttrekking, waarbij de doorstroom van 10 m3/uur niet wordt overschreden.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402014.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2019005-c001_402014.png)
Afbeelding 14: Situatietekening nieuwe locatie grondwaterbron
Wat betreft de ‘Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen 2022’ worden er eisen gesteld aan een bedrijventerrein. Het plangebied bestaat in de beoogde situatie voor circa 50% uit verharding (dakoppervlak en (half)erverharding) en voor circa 50% uit grond welke bestemd is voor groen en natuur. Het aandeel aan groenvoorzieningen bedraagt minimaal 10% binnen het plangebied, waaronder een bomenrij welke zorgt voor schaduw. Bij een bedrijventerrein zijn er geen specifieke looproutes zoals bijvoorbeeld wordt gezien bij een woningbouwproject. Zoals bovenstaand getoetst wordt er gerekend met 60 liter per m2 aan verharding, waardoor wordt voldaan aan de gestelde bergingseis voor hemelwater. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch positief (her)ontwikkelen van Tilburg.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
6.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening).
6.2 Bestemmingen en aanduidingen
In het bestemmingsplan zijn de volgende (dubbel)bestemmingen aanwezig:
Bedrijf;
Groen;
Natuur;
Verkeer;
Waarde - Archeologie.
Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:
Functieaanduidingen:
Specifieke vorm van bedrijf – landbouwproducten verwerkend bedrijf;
Bedrijfswoning uitgesloten.
Gebiedsaanduidingen:
Geluidzone – industrie;
Luchtvaartverkeerszone;
Veiligheidszone – aandachtsgebied vervoer gevaarlijke stoffen.
Binnen de bestemming 'Bedrijf' mag een bedrijf met een milieucategorie van in principe 1 en 2 aanwezig zijn. Op de locatie is de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – landbouwproducten verwerkend bedrijf' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding mag een landbouwproducten verwerken bedrijf aanwezig zijn, zoals in de begripsbepalingen verder is omschreven. Binnen de bestemming mag geen bedrijfswoning aanwezig zijn. Dit wordt geborgd middels de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten'.
De bestemming 'Groen' is bestemd voor groenvoorzieningen zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan. De bestemming 'Natuur' is bestemd voor de instandhouding en versterking van de landschappelijke en natuurwaarde van het gebied. Binnen deze bestemmingen kunnen geen gebouwen worden gebouwd.
De gebiedsaanduiding Geluidzone-industrie is noodzakelijk vanwege het nabij gelegen bedrijventerrein De Wildert. Dit ligt binnen de gemeente Dongen.
Binnen de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerszone' mag, ter voorkoming van gevaar voor het luchtvaartverkeer van de vliegbasis Gilze-Rijen, niet hoger worden gebouwd dan 115 meter.
De gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone-aandachtsgebied vervoer gevaarlijke stoffen' is noodzakelijk vanwege de nabij gelegen Noordwest tangent.
6.3 Bouw- en gebruiksregels
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
In de gebruiksregels van de bestemming 'bedrijf' is een gebruiksverbod opgenomen, waarmee het gebruik als bedrijf niet is toegestaan wanneer de landschappelijke inpassing niet is aangelegd dan wel in stand wordt gehouden.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist.
Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Verder is in een exploitatie-overeenkomst afspraken vastgelegd over de reserve bovenwijkse voorzieningen, de grondverkoop en de kosten voor de wegverbreding. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 8 Burgerparticipatie en overleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 26 april 2019 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het conceptbestemmingsplan is op 10 december 2020 bij de provincie Noord-Brabant aangemeld in het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro. Hierbij zijn de provinciale belangen geinventariseerd. De provincie geeft in haar reactieformulier aan dat deze ruimtelijke aspecten geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen. het wettelijk vooroverleg kan dan ook als afgerond worden beschouwd.
Het conceptbestemmingsplan is verder op 10 december 2020 , onder vermelding van een reactietermijn van vier weken, verzonden naar de ondergenoemde overleginstanties: provincie Noord-Brabant, ministerie van Defensie, waterschap Brabantse Delta, Tennet en college van B&W van Dongen.
Provincie Noord-Brabant heeft de ruimtelijke belangen geinventariseerd via het inventarisatieformulier en op 10 december 2020 aangegeven dat daarmee het wettelijk vooroverleg is afgerond.
Waterschap Brabantse Delta heeft bij brief van 12 januari 2021, verzonden 13 januari 2021, een positief wateradvies gegeven.
En Tennet heeft via mail van 14 december 2020 aangegeven dat zij geen opmerkingen hebben.
De overige instanties hebben niet gereageerd.
8.3 Omgevingsdialoog
De gemeente Tilburg heeft in november 2024 de richtlijn omgevingsdialoog gepubliceerd. Middels deze richtlijn wordt bepaald wat voor impact de ontwikkeling op de omgeving heeft, en welke doorwerking dit heeft op het infomeren van de omwonenden.
Door de ontwikkelaar is de omgeving over de plannen geïnformeerd een en ander volgens hetgeen is opgenomen in de Richtlijn Omgevingsdialoog. De ontwikkelaar is bij de direct omwonenden langsgegaan in het voorjaar van 2021. Van de gevoerde gesprekken en beantwoording van de vragen is een verslag gemaakt. Het verslag is als Bijlage 19 toegevoegd aan deze toelichting.
N.B. In verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de reacties in het kader van de burgerparticipatie geanonimiseerd weergegeven.
8.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 27 september tot en met 8 november 2021. Tijdens deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend.Deze zienswijzen zijn samengevat en beantwoord door de gemeente in de Nota van zienswijzen.
N.B. In verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen geanonimiseerd weergegeven.
Bijlagen bij de toelichting
Bijlage 1: Toets Ladder duurzame verstedelijking
Bijlage 2: Berekening waardevermeerdering gronden
Bijlage 3: Landschappelijk inpassingsplan
Bijlage 4: Waarde kwaliteitsverbetering landschap
Bijlage 5: Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 6: Inventariserend veldonderzoek
Bijlage 7: Maatregelen natuurinclusief bouwen
Bijlage 8: Situatietekening met natuurinclusieve maatregelen
Bijlage 9: Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 10: Motivering bedrijven en milieuzonering
Bijlage 11: Onderzoek externe veiligheid
Bijlage 12: KLIC-melding
Bijlage 13: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 14: Akoestisch onderzoek industrielawaai
Bijlage 15: Bodemonderzoek
Bijlage 16: Notitie stikstofverantwoording
Bijlage 17: Notitie quickscan flora en fauna
Bijlage 18: Situatietekening en doorsnede retentievoorziening
Bijlage 19: Verslag omgevingsdialoog