direct naar inhoud van Regels

Buitengebied De Zandleij 2012, 11e herziening (Schoorstraat 59)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2019003-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de herbestemming van de locatie aan Schoorstraat 59 te Udenhout Op deze locatie is een intensieve veehouderij aanwezig en bestemd. Deze veehouderij wordt herbestemd en er worden twee Ruimte voor Ruimte woningen gerealiseerd. Het betreft het perceel gemeente Udenhout, sectie A, nummer 1102 gedeeltelijk. De voormalige bedrijfsbestemming krijgt een passende andere herbestemming, zijnde een bedrijf voor statische opslag met een ondergeschikte recreatieve functie met bijbehorende bedrijfswoning plus twee Ruimte voor Ruimte woningen.

 

Het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan bestemd als 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf'. Ter plaatse is een varkensbedrijf gevestigd. Beoogd wordt om op de locatie twee woningen op te richten in het kader van de regeling 'Ruimte voor Ruimte'. De bouwtitels Ruimte voor Ruimte worden verworven via de sloop van eigen bedrijfsbebouwing aan Schoorstraat 59 en inlevering van de bijbehorende milieurechten. De zuidelijk gelegen Ruimte voor Ruimte woning zal gaan fungeren als bedrijfswoning bij de resterende niet-agrarische functie en de huidige bedrijfswoning wordt herbestemd naar reguliere burgerwoning in het buitengebied. Een nieuw op te richten Ruimte voor Ruimte woning zal ter voorkoming van stedenbouwkundige en logistieke knelpunten worden herbestemd naar een bedrijfswoning.

 

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de kern Udenhout, in het bebouwingslint Schoorstraat, op zeer korte afstand van natuurgebied de Loonse en Drunense Duinen. Navolgende figuur geeft een topografische kaart van de omgeving weer waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

 

 [image]

Figuur 1: Topografische kaart met de ligging van het plangebied

 

Navolgende figuur betreft een luchtfoto met de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving.

 [image]

Figuur 2: Luchtfoto waarbij het plangebied is uitgelicht

 

1.3 Voorgaand plan

Het plangebied is gelegen in bestemmingsplan 'De Zandleij 2012' van de gemeente Tilburg, dit bestemmingsplan is op 18 maart 2013 vastgesteld door de gemeenteraad en onherroepelijk met ingang van 19 juni 2014. Het plangebied is in dit bestemmingsplan deels bestemd als 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' en deels bestemd als 'Agrarisch met waarden'. Dit betreft de gronden aansluitend aan het agrarisch bedrijf. Op deze gronden wordt een landschappelijke inpassing gerealiseerd. Navolgende figuur betreft een uitsnede uit het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied.

 

 [image]

Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplan 'De Zandleij 2012' met daarop aangegeven het plangebied

 

Het grootste deel van het plangebied is bestemd voor een intensief veehouderijbedrijf, de overige, achtergelegen gronden kennen de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Deze gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden in vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen alsmede behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden, landschappelijke en hydrologische waarden.

 

De voor 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

 

Ter plaatse van het plangebied is één agrarisch bedrijf aanwezig in de vorm van een intensieve veehouderij. Per bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan, ter plaatse is dan ook sprake van één bedrijfswoning, te weten de woning aan Schoorstraat 59. De beoogde ontwikkeling naar twee Ruimte voor Ruimte woningen en een bedrijfsbestemming voor statische opslag is binnen de vigerende bestemmingsplanregels niet rechtstreeks toegestaan. Derhalve is een wijziging van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk om de herontwikkeling mogelijk te maken.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Ruimtelijke structuur

 

2.1.1 Ligging plangebied

De Schoorstraat is gelegen ten noorden van de kern Udenhout en verbindt de kern met natuurgebied de Loonse en Drunense Duinen. Toepassing van de regeling Ruimte voor Ruimte is mogelijk binnen een bebouwingsconcentratie (een bebouwingslint of bebouwingscluster). De Schoorstraat is door de gemeente Tilburg aangewezen als lintbebouwing op basis van de Omgevingsvisie 2040. Lintbebouwing betreft een lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg in het buitengebied, doorgaans dubbelzijdig aanwezig, met geringe afstanden tussen de bouwkavels, veelal met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebied- en niet-buitengebied functies. Het bebouwingslint aan Schoorstraat. bestaat uit agrarische en niet-agrarische bedrijven afgewisseld met woonbestemmingen. De laatste decennia nemen het aantal agrarische bedrijven in dit lint gestaag af en vindt er een transformatie plaats naar niet-agrarische bedrijfsfuncties, waaronder een aantal recreatieve functies, en woonfuncties.

2.1.2 bebouwingsconcentratie

 

2.1.2.1 Schoorstraat als bebouwingsconcentratie

Het plangebied is gelegen aan de Schoorstraat. Dit betreft een voor oorsprong agrarisch bebouwingslint tussen de kern Udenhout en de Loonse en Drunense Duinen. Dit lint bestaat uit een veelheid aan (voormalig) agrarische bedrijfspercelen die ruim van opzet zijn en die op enige afstand van elkaar gelegen zijn in een ritme van openheid en bebouwing. Navolgende figuur geeft een topografische kaart van de bebouwingsconcentratie 'Schoorstraat'.

 

 [image]

Figuur 4: Topografische kaart met de bebouwingsconcentratie Schoorstraat

 

Deze bebouwingsconcentratie was reeds in 1850 al aanwezig. Navolgende figuren geven een beeld van de bebouwingsconcentratie Schoorstraat in circa 1850 en in circa 1900. De bebouwing concentreerde zich bij het ontstaan van het bebouwingslint aan de noordzijde van de bebouwingsconcentratie ten noordoosten van 'Hoek' en ten noorden van de thans nog aanwezig 'knik' in de Schoorstraat.

 

 [image]

Figuur 5: Beeld bebouwinglint aan Schoorstraat in circa 1850

 [image]

Figuur 6: Beeld van concentratie van bebouwing in circa 1900

 

Deze bebouwing waaronder ook de bebouwing binnen het plangebied is behouden gebleven en aan het lint Schoorstraat aan het lint uitgebreid tot de huidige situatie aan de Schoorstraat. Dit is een bebouwinglint in een gemengde omgeving. Er is sprake van transitie van (voormalige) agrarische bedrijven naar wonen of recreatieve functies. De woningen aan Schoorstraat 34-36 gelegen aan de overzijde van het plangebied zijn recent ook als twee burgerwoningen bestemd. Daarnaast zijn in de direct omgeving meerdere burgerwoningen gelegen zoals aan Schoorstraat 61, 32a en 32. Naast deze woningen is er een diversiteit aan agrarische activiteiten. Dit betreft bijvoorbeeld de aspergeboerderij aan Schoorstraat 63, een melkveebedrijf aan Schoorstraat 32a en een tankstation aan Schoorstraat 30. Er zijn diverse initiatieven in ontwikkeling. Navolgende figuur geeft hier een beeld van. Dit betreft uit een uitsnede van Masterplan Pauwels voor de omgeving, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

 [image]

Figuur 7: Beeld van functies binnen bebouwingslint, niet zijnde wonen of agrarisch bedrijf

 

2.1.2.2 Planologisch aanvaardbare locatie binnen bebouwingsconcentratie

Het bebouwingslint Schoorstraat bestaat uit een van boerenerven en woonclusters met daartussen ruime stukken open land. Met deze herbestemming wordt aangesloten bij dit bebouwingspatroon en er is geen sprake van verdichting van het lint. Er wordt teruggebouwd op geroerde grond en de totale breedte van dit bebouwingscluster wordt maar beperkt breder. Bij het bebouwingsvoorstel is uitgegaan van behoud van de schuren achterop het perceel. Om deze loodsen enigszins uit het zicht te onttrekken en enige afstand tussen woningen en schuren te houden is gekozen voor een lintverkaveling. Het bestaande erf wordt omkaderd door twee houtwallen. Het bebouwingsvoorstel blijft tussen deze houtwallen en zorgt voor een sterkere omkadering van dit erf/ ben het bebouwingslint. Dit komt tegemoet aan de in het Masterplan Pauwels geformuleerde doel voor het versterken van het cultuurlandschap. De realisatie van twee Ruimte voor Ruime woning geschiedt op een planologisch aanvaardbare locatie binnen een bebouwingsconcentratie.

2.2 Huidige situatie

De initiatiefnemer is eigenaar van het plangebied aan Schoorstraat 59 en exploiteert ter plaatse een intensieve veehouderij. Het doel van dit bestemmingsplan is herbestemming van deze intensieve veehouderij naar een bedrijf voor statische opslag. Hierna wordt de bijbehorende milieuvergunning weergegeven.

 

 [image]

Figuur 8: Vergunning voor het houden van dieren voor Schoorstraat 59 (Bron: Web-BVB)

 

Ter plaatse van het plangebied is in de huidige situatie sprake van een intensieve veehouderij waarbij een bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen aanwezig zijn. De stallen die dienst doen ten behoeve van de intensieve veehouderij ter plaatse hebben een grootte van 2.192 m². Daarnaast zijn een loods, in gebruik ten behoeve van caravanstalling, en een werktuigenberging/paardenstal aanwezig. De caravanstalling wordt geëxploiteerd als nevenfunctie bij de intensieve veehouderij. Op navolgende figuren wordt de bebouwing aan de Schoorstraat 59 en het plangebied in de huidige situatie weergegeven.

 

 [image]

Figuur 9: Agrarische bedrijfswoning aan de Schoorstraat 59 (Bron: Google Maps)

 

 [image]

Figuur 10: Zicht op schuur aan voorzijde perceel Schoorstraat 59 (Bron: Google Maps)

 

 [image]

Figuur 11: Luchtfoto bebouwing ter plaatse van Schoorstraat 59 te Udenhout (Bron: Bing Maps)

 

2.3 Beoogde situatie plangebied

 

2.3.1 Algemeen

Beoogd wordt om zowel ten noorden als ten zuiden van de huidige woning aan Schoorstraat 59 een Ruimte voor Ruimte woning te realiseren. In het vigerende bestemmingsplan is de locatie bestemd als 'Agrarisch – Agrarisch bedrijf' met de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. De realisatie van de woningen hangt samen met de sloop van de stallen in gebruik voor de intensieve veehouderij en het doorhalen van de vigerende milieurechten. Daarmee samengaand zullen Ruimte voor Ruimte titels gecreëerd worden.

 

Tevens wordt beoogd de huidige bedrijfsactiviteiten in de vorm van statische opslag met een recreatieve nevenfunctie voort te zetten. In de beoogde situatie is het bedrijfsgebouw voor statische opslag gelegen achter de als bedrijfswoning te bestemmen Ruimte voor Ruimte woning. Derhalve zal in samenhang met de ontwikkeling de functie van de huidige bedrijfswoning wijzigen naar een reguliere burgerwoning en zal de zuidelijke Ruimte voor Ruimte woning worden bestemd als bedrijfswoning bij het bedrijf voor statische opslag. Hiermee zijn binnen het plangebied twee Ruimte voor Ruimte woningen en blijft een bedrijfswoning aanwezig.

2.3.2 Invulling van het plangebied

Ter plaatse zullen na herontwikkeling de volgende functies aanwezig zijn:

Hierna wordt de ontwikkeling nader toegelicht

 

Binnen het plangebied wordt ten noorden en ten zuiden van de huidige bedrijfswoning aan Schoorstraat 59 een Ruimte voor Ruimte woning beoogd. De te behouden bedrijfswoning zal worden herbestemd naar reguliere burgerwoning, de nieuw op te richten zuidelijke Ruimte voor Ruimte woning zal als bedrijfswoning bij de niet-agrarische bedrijfslocatie fungeren.

 

In samenhang met de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen wordt 2.192 m² aan bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij gesloopt worden. Deze bebouwing wordt bij sloop en samenstelling van het bewijsstukkendossier definitief ingemeten. In één van deze gebouwen (de stal gelegen achter de bedrijfswoning) is in de huidige situatie een Bed & Breakfast functie aanwezig, deze zal met de ontwikkeling binnen het plangebied worden verplaatst naar de te behouden zuidwestelijk gelegen loods met een oppervlakte van circa 945 m². De noordelijk gelegen werktuigenberging, met een oppervlakte van circa 375 m² zal tevens behouden blijven als bijgebouw bij de woning voor het hobbymatig houden van paarden. De loods wordt zowel in de huidige als in de toekomstige situatie ingezet ten behoeve van statische opslag. Navolgende figuur geeft een beeld van de beoogde inrichting van de locatie.

 

 [image]

Figuur 12: Indicatieve schets toekomstige situatie

 

Met de regels in dit bestemmingsplan worden de volgende functies binnen het plangebied toegestaan:

  1. één Ruimte voor Ruimte woning ter plaatse van de bestemming 'Wonen', inhoud 1.000 m³;

  2. de voormalige bedrijfswoning wordt herbestemd naar een reguliere woonbestemming

  3. bijgebouwen bij de woningen tot een omvang van 150 m² per woning;

  1. één bedrijfswoning ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf'

  2. (reeds vergunde) inpandige vakantieappartementen/bed-and-breakfast met een omvang van 80

  3. ² binnen loods met statische opslag van 945 m²

  4. Statische opslag ten behoeve van caravanstalling met een oppervlakte van 865 m²,

  5. Een loods/schuur ten behoeve van het hobbymatig stallen van paarden en werktuigenberging met een oppervlakte van 375 m².

2.3.3 Te saneren bebouwing

Ten behoeve van de oprichting van de Ruimte voor Ruimte woningen en het samenstellen van de hiertoe benodigde bouwtitels wordt alle bebouwing die dienst doet ten behoeve van de intensieve veehouderij gesaneerd. Het gaat om varkensstallen met een oppervlakte van 2.192 m² en een deel van de rundveestal met een oppervlakte van 154 m², daarmee wordt een totale oppervlakte gesloopt van 2.346 m². Navolgende figuur geeft een beeld van de te saneren bebouwing.

 

 [image]

Figuur 13: Te saneren bebouwing ter plaatse van Schoorstraat 59

 

2.3.4 Inpassing in de omgeving

 

2.3.4.1 Inleiding

Nieuwe functies en bebouwing dienen te passen binnen de ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur van de omgeving. Het plangebied is gelegen binnen een bebouwingslint in de gemeente Tilburg. De beoogde Ruimte voor Ruimte woningen zullen georiënteerd worden op de Schoorstraat, aansluitend op de reeds aanwezige bebouwing. De woningen zullen aansluiten op de woningen in de omgeving voor wat betreft situering, vorm, maatvoering, materiaalgebruik en detaillering.

 

2.3.4.2 Landschappelijke inpassing

In de omgeving van het plangebied is sprake van een half open landschap met de Loonse en Drunense Duinen als duidelijk landschappelijk kader. Enkele lijnvormige elementen (eikenlanen en houtsingels) doorsnijden het landschap. De erven zijn in het algemeen omzoomd door landschappelijke beplanting. Navolgende figuur geeft een beeld van de landschappelijke inpassing in de omgeving van het plangebied.

 [image]

Figuur 14: Luchtfoto omgeving plangebied waarop landschappelijke inrichting kavels duidelijk te zien is (bron: Bing Maps)

 

Ter plaatse en in de omgeving van het plangebied is sprake van een hoge mate van landschappelijk inpassing van percelen. Navolgende figuren geven een impressie van de omgeving van het plangebied.

 [image]

Figuur 15: Beeld omgeving plangebied (bron: Google Maps)

 

De intensieve veehouderij is gelegen achter een forse beplanting wordt daarmee voor een groot deel aan het zicht onttrokken. Navolgende figuur geeft een beeld van de landschappelijke inpassing binnen het plangebied.

 [image]

Figuur 16: Beeld landschappelijke inpassing ter plaatse van het plangebied

 

In samenhang met de beoogde ontwikkeling zal de bestaande landschappelijke inpassing behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. De voorzijde van de meest noordelijk gelegen Ruimte voor Ruimte woning wordt ingepast met een beukenhaag. Daarmee worden de percelen binnen het plangebied beter leesbaar. Navolgende figuur geeft een beeld van de landschappelijke inpassing na herontwikkeling.

 

 [image]

Figuur 17: Landschappelijk inpassing na herontwikkeling

 

Aanleg en instandhouding van de landschappelijk inpassing maakt als kwalitatieve verplichting onderdeel uit van de regels van dit bestemmingsplan.

 

2.3.5 Beeldkwaliteit

 

2.3.5.1 Inleiding

De Schoorstraat verbindt Udenhout rechtstreeks met natuurgebied de Loonse en Drunense duinen. Aan het eind van de straat (noord) is parkeergelegenheid, toegang tot het natuurgebied en horeca in de vorm van Landgoed Bosch & Duin BV gelegen. De Schoorstraat betreft de toegangsweg tot het natuurgebied vanuit Udenhout en heeft daarom een belangrijke waarde voor de recreatieve sector. Een positieve, landschappelijke en landelijke uitstraling zijn van belang voor de beleving van toeristen. De straat heeft een groene uitstraling en de bebouwing bestaat met name uit langgevelboerderij waarbij de kopgevel haaks op de weg is gesitueerd. De boerderijen en bijbehorende tuinen hebben een kwalitatief hoogwaardige uitstraling. De sanering van de intensieve veehouderij ter plaatse zal niet alleen leiden tot een positieve ontwikkeling op het gebied van milieu ten aanzien van de directe omgeving en het natuurgebied maar zal tevens een positieve bijdrage leveren aan de uitstraling van het gebied. De sanering van de stallen en daarmee samengaan de omschakeling naar een recreatieve verblijfsfuctie, de oprichting van een Ruimte voor Ruimte woning, de herbestemming van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning en het realiseren van de landschappelijke inpassing hebben een positieve invloed op de uitstraling van de locatie. Daarmee wordt een positieve bijdrage geleverd aan de uitstraling van het gebied.

 

2.3.5.2 Ruimte voor Ruimte woningen

De beoogde woningen zullen georiënteerd zijn op de Schoorstraat, aansluitend op de thans aanwezige bebouwing. Om aansluiting op de in de omgeving aanwezige bebouwing tot stand te brengen zullen woningen worden opgericht met een landelijke uitstraling in de vorm van een landelijke woning. Deze vrijstaande woningen zullen passen bij de huidige woningen in de omgeving voor wat betreft situering, vorm, maatvoering, materiaalgebruik en detaillering. Navolgende figuren gelden als referentiebeelden voor de te realiseren Ruimte voor Ruimte woningen.

 [image]

Figuur 18: Referentiebeelden beoogde Ruimte voor Ruimte woningen

2.3.6 Ontsluiting en parkeren

Het plangebied zal middels drie aansluitingen worden ontsloten op de Schoorstraat. In de huidige situatie is reeds sprake van drie ontsluitingen van het plangebied, deze blijven met de ontwikkeling behouden. De eerste ontsluiting betreft de meest noordelijk gelegen ontsluiting, deze zal in de toekomstige situatie behouden blijven en worden ingezet ten behoeve van de ontsluiting van de Ruimte voor Ruimte woning. De tweede ontsluiting betreft de huidige ontsluiting van Schoorstraat 59, deze ontsluiting blijft tevens behouden en zal de voormalige bedrijfswoning, bestemd naar een reguliere woning, ontsluiten. De derde ontsluiting betreft de ontsluiting in het zuiden van het plangebied ten behoeve van de resterende bedrijfsbestemming met de daarbij behorende Ruimte voor Ruimte (bedrijfs)woning.

 

Ten behoeve van de toevoeging van de twee Ruimte voor Ruimte woningen en de (voormalige bedrijfs)woning aan Schoorstraat 59 zal voldoende parkeergelegenheid worden gerealiseerd op eigen terrein. Hiertoe is ruim voldoende ruimte beschikbaar.

2.3.7 Beoogde planologische situatie

Ter plaatse van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning wordt de bestemming 'Wonen – Buitengebied' opgenomen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is een reguliere woning toegestaan met een maximale inhoud van 600 m³. Voor de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen wordt in de regels een inhoud van maximaal 1.000 m³ toegestaan. Het overige deel van het plangebied zal worden bestemd een bedrijfsbestemming en worden terugbestemd naar 'Agrarisch met Waarden'. Navolgende figuur laat de beoogde planologische situatie zien, de verbeelding maakt tevens onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

 

 [image]

Figuur 19: Bestemmingsplanverbeelding

 

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk

 

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

 

Voor een goed werkende woningmarkt blijft het Rijk de Rijksdoelstellingen voor heel Nederland benoemen. Deze doelstellingen zijn: de zorg voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. De programmering van verstedelijking wordt overgelaten aan provincies en (samenwerkende) gemeenten. Gemeenten zorgen voor de (boven)lokale afstemming van woning-bouwprogrammering, binnen de provinciale kaders, en uitvoering van de woningbouwprogramma's.

 

De beoogde herontwikkeling heeft geen betrekking op de geformuleerde nationale belangen. De verstedelijkingsopgave wordt overgelaten aan provincie en gemeente. De herbestemming vindt plaats in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte, een provinciale beleidsregeling voor het toevoegen van woningen, op daarvoor passende locaties. Het plangebied betreft een passende locatie voor de ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte woningen.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (Rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan.

 

In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat onder andere een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.

Er zijn geen kaders uit het Barro die een directe invloed hebben op de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen.

 

In de handreiking is opgenomen dat realisatie van enkele woningen geen stedelijke ontwikkeling betreft. Met de beoogde herontwikkeling is geen sprake van strijdigheid met de ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt ook geen nieuwe bebouwing mogelijk. Naast sanering van alle veehouderijactiviteiten blijven overige gerealiseerde activiteiten in de huidige omvang toegestaan.

 

3.3 Provincie

 

3.3.1 Structuurvisie

 

3.3.1.1 Inleiding

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.

 

3.3.1.2 Inhoud van de Structuurvisie

Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: 'Samenwerken aan kwaliteit'. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

 

Deel B 

In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

 

3.3.1.3 Uitwerking van de Structuurvisie

De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.

 

Het plangebied is in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening aangeduid als gelegen binnen de structuur 'Groenblauwe mantel'. De ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte woningen binnen een bebouwingsconcentratie is passend binnen de structuur 'Groenblauwe mantel'. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de structuurkaart uit de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening waarop het plangebied is aangeduid.

 [image]

Figuur 20: Uitsnede uit de structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening waarop het plangebied is aangeduid

 

3.3.2 Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: 'Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit'. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.

 

De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. Om klaar te zijn voor de Omgevingswet, is eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 24 mei 2019 vastgesteld. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de nieuwe omgevingsvisie worden zoveel mogelijk meegenomen.

 

Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling spelen de volgende aandachtspunten een rol.

3.3.3 Verordening ruimte Noord-Brabant

 

3.3.3.1 Inleiding

Provinciale Staten hebben naast de Structuurvisie een Verordening ruimte vastgesteld. Deze wordt regelmatig gewijzigd en aangepast aan nieuw beleid. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.

 

3.3.3.2 Relatie met de structuurvisie

De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

 

3.3.3.3 Inhoud

Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte Noord-Brabant zijn:

Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.

 

3.3.3.4 Toets ontwikkelingen plangebied aan Verordening ruimte

Aanduiding op themakaarten

Het plangebied is in de Verordening ruimte aangewezen als gelegen binnen de structuur 'Groenblauwe mantel' en aangeduid als 'Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant'. Navolgende figuur geeft uitsnede van de themakaart 'natuur en landschap', waarop het plangebied is aangeduid als gelegen binnen de structuur 'Groenblauwe mantel'.

 

 [image]

Figuur 21: Aanduiding plangebied in Verordening ruimte op de themakaart 'natuur en landschap'

 

Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel stelt regels ter bescherming van en strekt tot behoud, herstel of duurzame instandhouding van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied. Zowel de bestaande te behouden activiteiten als de oprichting van een Ruimte voor Ruimte woningen is mogelijk binnen deze structuur.

 

Op de themakaart 'agrarische ontwikkeling en windturbines' is het plangebied aangeduid als gelegen in een 'stalderingsgebied', zie navolgende figuur.

 

 [image]

Figuur 22: Aanduiding plangebied in Verordening ruimte op de themakaart 'agrarische ontwikkeling en windturbines'

 

Het plangebied is niet aangeduid op de overige themakaarten van de Verordening ruimte. Derhalve is het plangebied niet nader aangeduid in het kader van 'stedelijke ontwikkeling', 'water' of 'cultuurhistorie'.

 

Artikel 6.10 Regels voor niet-agrarische bedrijven

Artikel 6 van de Verordening ruimte bevat regels betreffende de structuur 'Groenblauwe mantel'. Hierna wordt de beoogde herbestemming getoetst aan de regels voor niet agrarische bedrijven uit de Verordening ruimte.

 

  1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits:

  2. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m2 bedraagt;

De omvang van het bouwperceel bedraagt 4.956 m².

 

  1. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken;

In samenhang met de beoogde ontwikkeling wordt een veehouderijbedrijf beëindigd en de vergunning voor het houden van dieren wordt ingetrokken. Middels het landschappelijk inpassen van de gronden in en rondom het plangebied wordt een bijdrage geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.

 

  1. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;

De ontwikkeling ziet toe op deelname aan de regeling Ruimte voor Ruimte. In het kader van deze regeling dient alle bebouwing die in gebruik was voor het houden van varkens of kippen te worden gesloopt. Tevens wordt alle bebouwing voor de rundveehouderij gesloopt. Hiermee is alle overtollige bebouwing gesloopt.

 

  1. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

De initiatiefnemer beoogt de locatie in gebruik te nemen als een locatie voor niet-agrarische bedrijvigheid in de vorm van een statische opslag, met ondergeschikt recreatieve nevenactiviteiten. Een dergelijk bedrijf valt binnen categorie 2.

 

  1. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;

Na herontwikkeling zal op de locatie sprake zijn van één niet-agrarische bedrijfsbestemming.

 

  1. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;

De ontwikkeling leidt niet tot een kantoorvoorziening met een baliefunctie.

 

  1. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2;

De ontwikkeling leidt niet tot een zelfstandige detailhandelsvoorziening.

 

  1. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang;

De beoogde bedrijfsvoering past ook op lange termijn binnen de toegestane omvang. Door deelname aan de regeling Ruimte voor Ruimte wordt de resterende bebouwing verankerd als maximaal toegestane bebouwing. Hiermee is zeker gesteld dat de ontwikkeling ook op de langere termijn past in de toegestane omvang.

 

  1. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling.

De beoogde ontwikkeling betreft geen grootschalige ontwikkeling.

 

De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels zoals gesteld in het eerste lid van artikel 6.10 'Niet – Agrarische functies' uit de Verordening ruimte.

 

3.3.3.5 Artikel 12.1 Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant

Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding 'Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant', hiertoe zijn navolgende regels opgenomen:

 

  1. In aanvulling op hoofdstuk 3 'Structuren' wijst een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant' geen bestemmingen aan of stelt geen regels vast die fysieke ingrepen mogelijk maken met een negatief effect op de waterhuishouding van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.

  2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels ten aanzien van:

  3. Het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;

  4. De aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;

  5. Het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekking;

  6. Het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.

  7. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bepaalt dat bij het toepassen van regels, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met d, het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord.

  8. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bepaalt dat de regels, bedoeld in het tweede lid niet van toepassing zijn op werkzaamheden die behorende tot het normale beheer en onderzoek.

 

 

De beoogde herontwikkeling van het plangebied heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding, dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 7 waarin uiteengezet is hoe omgegaan zal worden met de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. De omvang aan verharding vermindert substantieel.

 

Regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap

In hoofdstuk 2 van de Verordening ruimte zijn regels opgenomen ten aanzien van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Naast bescherming van de ruimtelijke kwaliteit wil de provincie Noord-Brabant ontwikkelingsruimte bieden in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast dient bij nieuwe ontwikkelingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik te worden toegepast. Dat betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. Ook in het buitengebied is ruimte voor hergebruik. Wanneer een uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag ten koste van het buitengebied onontkoombaar is, dient die uitbreiding gepaard te gaan met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in het buitengebied. In het provinciaal beleid is deze rood-met-groen-koppeling vertaald in het principe van 'kwaliteitsverbetering van het landschap'.

 

In de Verordening ruimte is uitdrukkelijk bepaald dat bij Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen geen toepassing hoeft te worden gegeven aan de regel dat een bestaande locatie moet worden gebruikt (artikel 3.1, tweede lid onder a). Ook is bepaald dat Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen reeds bijdragen aan een investering in het landschap. In dat verband is artikel 3.2 van de Verordening ruimte dan ook niet van toepassing. Bij het realiseren van een passende andere herbestemming dient wel voldaan te worden aan de regeling voor kwaliteitsverbetering van het landschap.

 

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Artikel 3.2 van de Verordening ruimte bepaalt dat een ruimtelijke ontwikkeling dient te leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze kwaliteitsverbetering dient te passen binnen de hoofdlijnen van de door de gemeente voorgenomen ontwikkeling van het gebied. De 'Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap, De rood-met-groen koppeling' van de provincie Noord-Brabant biedt informatie om invulling te geven aan het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap. In de handreiking wordt een basisinspanning van 20% van de waardevermeerdering van de grond redelijk geacht.

 

Er zijn drie categorieën geformuleerd. Dit betreft de navolgende categorieën:

De gemeente Tilburg categoriseert herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een passende andere bestemming, bij verkleining van het voormalig agrarisch bouwvlak als een categorie 2 ontwikkeling. Hiermee dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing.

 

De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is tevens verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. De planologisch-juridische mogelijkheden voor een agrarisch bedrijf ter plaatse met bijbehorende bebouwing en milieubelasting worden met de beoogde herontwikkeling weggenomen.

 

3.3.3.6 Regels voor Ruimte voor Ruimte woningen binnen de structuur Groenblauwe mantel

In de Verordening ruimte is aangegeven dat nieuwbouw van woningen plaats dient te vinden in de stedelijke gebieden. Onder voorwaarden is de bouw van woningen mogelijk binnen zogenoemde zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling en binnen de zonering integratie stad-land. Voor de bouw van Ruimte voor Ruimte woningen wordt hierop een uitzondering gemaakt. In artikel 6.8 van de Verordening ruimte zijn regels opgenomen voor de ontwikkeling van Ruimte voor Ruimte woningen binnen de structuur 'Groenblauwe mantel'. Hierna wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels voor Ruimte voor Ruimte woningen binnen de structuur 'Groenblauwe mantel'.

 

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt 2.192 m² aan bebouwing in gebruik voor de intensieve veehouderij gesloopt en wordt de vigerende vergunning voor het houden van dieren doorgehaald. Daarmee worden twee bouwtitels Ruimte voor Ruimte gecreëerd. Tevens wordt ter plaatse een passende herbestemming gerealiseerd. Met de regels van dit bestemmingsplan wordt uitgesloten dat ter plaatse een nieuwe veehouderij of nieuwe bebouwing, anders dan twee Ruimte voor Ruimte woningen met bijgebouwen, opgericht kan worden. Derhalve is zeker gesteld dat er sprake is van ruimtelijke milieu- en kwaliteitswinst.

 

Het plangebied is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie. De Schoorstraat betreft een bebouwingslint dat Udenhout verbindt met natuurgebied de Loonse en Drunense Duinen. De bouw van de woningen is passend. Op de locatie aan Schoorstraat 59 is van oudsher bebouwing aanwezig. De landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing zijn uitgewerkt in hoofdstuk 2 van deze toelichting. Ook is in dit hoofdstuk toegelicht dat sprake is van een bebouwingsconcentratie.

 

In samenhang met de ontwikkeling van de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen is sprake van een goede landschappelijke inpassing, opgenomen in paragraaf 2.2.4 van deze toelichting. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is verankerd in de regels van dit bestemmingsplan.

 

Met de beoogde herontwikkeling is geen sprake van een aanzet tot stedelijke ontwikkeling maar van een duurzame inpassing van twee Ruimte voor Ruimte woningen binnen een bebouwingsconcentratie.

 

  1. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt;

  2. de hier eerder bedoelde veehouderijen zijn voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest;

  3. de hier eerder bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen de aanduiding 'Beperkingen veehouderij' of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij;

  4. er tenminste 1.000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie;

  5. de ten behoeve van de eerder bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is;

  6. de rechten als hiervoor genoemd moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd;

  7. de omgevingsvergunning milieu op iedere beëindigingslocatie is ingetrokken;

  8. een passende herbestemming is gelegd op iedere beëindigingslocatie waarbij in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen is uitgesloten;

  9. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de veehouderij.

 

Met de ontwikkeling wordt voldaan aan de hiervoor beschreven voorwaarden. De door de provincie Noord-Brabant geaccordeerde bouwtitels Ruimte voor Ruimte zullen als bijlage bij deze toelichting worden gevoegd. Aangetoond is daarmee dat voldaan wordt aan de regeling 'Ruimte voor Ruimte'.

 

In de Verordening ruimte is opgenomen dat de mogelijkheid tot het ontwikkelen van Ruimte voor Ruimte woningen vervalt indien er in totaal 3.500 Ruimte voor Ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte zijn ontwikkeld. Deze omvang is nog niet behaald.

3.4 Regio

 

3.4.1 Masterplan Pauwels

 

3.4.1.1 Inleiding

Het plangebied is gelegen binnen het landschapspark Pauwels. De gemeenten Tilburg, Loon op Zand, de waterschappen De Dommel en Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant, De Efteling, Natuurmonumenten, Brabants Landschap, ZLTO en Midpoint House of Leisure hebben afspraken gemaakt om Landschapspark Pauwels verder te ontwikkelen. Deze plannen zijn uitgewerkt in een ruimtelijk plan, het Masterplan. Dit is een algemeen plan dat omschrijft hoe landschap, cultuurhistorie, natuur, landbouw, water én recreatie in samenhang met elkaar versterkt kunnen worden. In het plan zijn de volgende doelen uitgewerkt:

 

3.4.1.2 Beleidskader

Landschapspark Pauwels betreft het landschap tussen Tilburg en de Loonse en Drunense Duinen. In het Koersdocument voor Landschapspark Pauwels gedateerd november 2017 is richting gegeven aan de ambities, als opmaat voor het masterplan. Dit betreft de navolgende ambities:

 

Navolgende figuur geeft een uitsnede van de visie op de omgeving waarbinnen het plangebied gelegen is, met daarin de ligging van het plangebied aangeduid.

 [image]

Figuur 23: Uitsnede kaart uit Masterplan Pauwels, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

 

Landschapspark Pauwels bevat verschillende historisch-geografische landschappen, met specifieke eigenschappen, kenmerkend voor de overgang tussen het Brabantse zandgebied en de (voormalige) veenlandschappen. In grote lijnen kunnen er drie gebieden worden onderscheiden: het agrarisch cultuurlandschap, De Brand, en de voormalige woeste gronden. Alle drie zijn het prachtige landschappen met een eigen sfeer en identiteit, die nog sterker tot expressie kunnen komen.

 

Landbouw is de grootste grondgebruiker en belangrijkste drager van het landschap van Pauwels. Er is wel sprake van transitie van de gehele landbouwsector en binnen het gebied. Voor de beoogde transitie

moet, in nauwe samenspraak met de boeren in het gebied, een gedegen plan worden ontwikkeld met de nodige flexibiliteit om op veranderingen en kansen in te spelen.

 

Landschapspark Pauwels heeft al diverse bestemmingen die interessant zijn voor recreanten. Daar kunnen er nog velen aan worden toegevoegd. Het uitgangspunt voor het ontwikkelen van nieuwe bestemmingen is dat zo veel mogelijk de bestaande bouwvlakken worden benut. Navolgend figuur geeft een beeld van ontwikkelingen binnen het gebied, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

 

 [image]

Figuur 24: Overzicht van bestaande en mogelijke nieuwe recreatieve bestemmingen uit Masterplan Pauwels

 

Met het masterplan wordt ook beoogd om uit te nodigen met initiatieven te komen om het landschapspark te realiseren. Het masterplan houdt ruimte voor nieuwe ontwikkelingen die nog niet in het masterplan zijn opgenomen, en met aanpassing van reeds voorgestelde ideeën.

 

3.4.1.3 toets

Het plangebied is gelegen binnen het gebied van Landschapspark Pauwels. Het plangebied is gelegen aan de Schoorstraat. Dit betreft een gemengd bebouwingslint waarbinnen vele kleinschalige (recreatieve) initiatieven aanwezig zijn. Het plangebied is in de huidige situatie een intensieve veehouderij met recreatieve nevenactiviteiten als ondergeschikte nevenactiviteit. Beoogd wordt de intensieve veehouderij geheel te saneren. Alle bebouwing ten dienste van de veehouderij wordt gesloopt. De resterende bebouwing wordt herbenut voor een minder intensieve functie.

 

Er is sprake van statische opslag in twee bestaande loodsen. In één van deze loodsen is een inpandige Bed & Breakfast bestemd die reeds aanwezig is. De exploitatie van de Bed & Breakfast past binnen de omgeving en bij de (voorziene) kleinschalige recreatieve ontwikkelingen aan de Schoorstraat. Naast een loods voor caravanstalling en de Bed & Breakfast blijft één werktuigenberging behouden. Dit is noodzakelijk om machines te stallen voor bewerking van het aansluitend gelegen landbouwland van de initiatiefnemer en voor het hobbymatige houden van paarden.

 

De ontwikkeling leidt tot een grote milieuwinst op de omgeving door sanering van de intensieve veehouderij. De exploitatie van de Bed & Breakfast past binnen de omgeving en het Masterplan Pauwels. Behoud van de loods voor statische opslag is noodzakelijk om de sanering van de intensieve veehouderij financieel-economisch mogelijk te maken. Met deze herbestemming naar een Bed & Breakfast en statische opslag kan de initiatiefnemer een inkomen genereren na het staken van zijn agrarisch bedrijf. De nieuwe functie past binnen het gemengd lint aan de Schoorstraat en leidt op micro-niveau tot een bijdrage aan recreatieve voorzieningen.

3.5 Gemeente

 

3.5.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

 

3.5.1.1 Inleiding

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

3.5.1.2 Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

 

De vier stedelijke knooppunten:

De drie stadsregionale parken zijn:

 

3.5.1.3 De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

3.5.1.4 De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

3.5.1.5 Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

3.5.1.6 Herontwikkeling van het plangebied in relatie tot de Omgevingsvisie

Uit de analyse in het kader van de Omgevingsvisie blijkt dat er een aantal categorieën leefstijlen en daarmee woonmilieus ondervertegenwoordigd is op de Tilburgse woningmarkt. Een van de middelen om op individuele basis aan die vraag te voldoen zijn bouwmogelijkheden in het buitengebied volgens de bestaande provinciale regelingen, zoals de Ruimte voor Ruimte regeling, en de landgoederenregeling. In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 heeft de gemeente Tilburg in bijlage 4 opgenomen hoe de gemeente Tilburg omgaat met aanvragen in het kader van de regeling Ruimte voor Ruimte. De gemeente Tilburg heeft zoeklocaties voor Ruimte voor Ruimte woningen aangeduid op een kaart. Navolgende figuur geeft het kaartbeeld Ruimte voor Ruimte locatie voor Tilburg weer. Hierop is te zien dat het plangebied in een bebouwingslint gelegen is. De ligging van het plangebied is hierop indicatief aangeduid.

 

 [image]

Figuur 25: kaartbeeld Ruimte voor Ruimte locaties voor Tilburg, waarop de indicatieve ligging van het plangebied is aangeduid

 

De aangegeven zoeklocaties voldoen aan de voorwaarden uit de verordening ruimte Noord-Brabant. Dit is toegelicht in paragraaf 3.3.3 van deze toelichting. Het plangebied voldoet aan voorwaarden voor toepassing van de regeling Ruimte voor Ruimte en de beoogde woningen zijn planologisch-juridisch inpasbaar.

 

3.5.2 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP)

Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het vervolg van de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Daarin geeft Tilburg haar beleidsmatige invulling aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in het vGRP.

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

 

Het plangebied betreft een bebouwingslint in het buitengebied van de gemeente Tilburg. De bebouwing is gepositioneerd aan het lint. De bebouwing is veelal parallel aan de Schoorstraat gelegen, behoudens een uitzondering aan Schoorstraat 28b. Hoofdgebouwen en bijgebouwen hebben voornamelijk een rechthoekig grondplan en zijn afgedekt met een kap. De bijgebouwen zijn daarachter gelegen, achter de gevellijn van de woningen. Wanneer sprake is van bedrijfsgebouwen, zijn deze zoals haaks als parallel aan de Schoorstraat gelegen.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

4.3.1 Historische geografie

Het plangebied is gelegen aan de Schoorstraat. De omgeving is vanaf circa 1850 ontgonnen en voor agrarische bedrijvigheid in gebruik genomen. De eerste bebouwing ontstond ten noorden en zuiden van het plangebied in de oorspronkelijke gehuchten 'De Hoek' en 'Schoorstraat'. Vanaf circa 1940 is het lint breder ontgonnen en is ook het plangebied ontgonnen. Navolgende figuur geeft een beeld van de ontwikkeling van het bebouwingslint aan de Schoorstraat. In 1875 is reeds bebouwing te zien ter plaatse van het plangebied.

 

 [image]

Figuur 26: Bebouwingslint Schoorstraat gemeente Tilburg, achtereenvolgens: 1850, 1975, 1925 en 1975 (Bron: Topotijdreis) met de ligging van het plangebied met en zwarte cirkel aangeduid

4.3.2 Archeologie

 

4.3.2.1 Wetgeving

In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en archeologie buiten het plangebied worden bewaard. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). De bepalingen van deze wet zijn per 1 juli 2016 (gedeeltelijk) overgegaan in de erfgoedwet. Op basis van deze wetten zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed.

 

4.3.2.2 Archeologische monumentenzorg, gemeente Tilburg

De volgende kaart betreft een uitsnede van de kaart 'Formeel beschermd erfgoed' van de gemeente Tilburg. Het plangebied is niet nader aangeduid op deze kaart. De ligging van het plangebied is indicatief met een zwarte cirkel aangeduid.

 [image]

Figuur 27: Kaart 'Formeel beschermd erfgoed' gemeente Tilburg (bron: omgevingsvisie Tilburg 2040)

 

4.3.2.3 Beoordeling archeologische waarden van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied geldt deels de basisverwachting en deel een hoge verwachting. Navolgende figuur geeft de archeologische verwachting ter plaatse van het plangebied weer.

 

 [image]

Figuur 28: Archeologische verwachtingskaart Tilburg waarop de ligging van het plangebied met een zwarte cirkel is aangeduid

 

4.3.2.4 Archeologisch onderzoek

Door KSP Archeologie is bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd. Dit onderzoek, uitgevoerd door KSP Archeologie met datum 4 oktober 2019 en nummer 19573 behoort als bijlage bij dit bestemmingsplan.

 

Op grond van de aangetroffen bodemopbouw en verstoringen in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting voor resten uit alle perioden adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek voor de voorgenomen ingrepen. Ook hoeft er bij een toekomstig bestemmingplan geen dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' opgenomen te worden.

 

Het grondgebied kan hiermee vrijgegeven worden voor archeologie.

4.3.3 Cultuurhistorie

 

4.3.3.1 Omgevingskarakteristiek

Het plangebied is gelegen direct ten noorden van de kern Udenhout en bevindt zich op korte afstand van natuurgebied de Loonse en Drunense Duinen. De locatie is gelegen in regio van provinciaal cultuurhistorisch belang 'Meierij', en in het archeologische en cultuurhistorische landschap 'Loonse en Drunense Duinen'. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant is de Schoorstraat aangewezen als historisch-geografische lijn van hoge waarde. Er is geen sprake van aantasting van de historische-geografische lijn van hoge waarde, zijnde de Schoorstraat door toevoeging van de beoogde woningen.

 

4.3.3.2 Cultuurhistorische bebouwing

Naast de Rijks- en gemeentelijke monumenten zijn een aantal gebouwen binnen de gemeente Tilburg door de provincie aangewezen als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De te slopen bebouwing binnen het plangebied is niet cultuurhistorisch waardevol. Zeker is gesteld dat met de ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden verloren zullen gaan. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde die de provincie Noord-Brabant stelt bij het creëren van bouwtitels dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren mag gaan.

 

4.4 Volkshuisvesting

De beoogde woningen binnen het plangebied worden gerealiseerd middels toepassing van de regeling Ruimte voor Ruimte. De regeling Ruimte voor Ruimte is een provinciale regeling. In het kader van toepassing van deze regeling worden vrijstaande woningen toegestaan op planologisch geschikte locaties hiervoor. Deze woningenbouwaantallen worden gerealiseerd buiten het regionale woningbouwkader om.

 

4.5 Groen en speelruimte

De beoogde herontwikkeling ziet tot op realisatie van twee Ruimte voor Ruimte woningen en herbestemming van bestaand vastgoed in een bebouwingsconcentratie in het buitengebied. Door de beoogde ontwikkeling vindt geen aantasting van de groenstructuur plaats. De landschappelijke inpassing van het plangebied wordt versterkt. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op speelruimten binnen de gemeente Tilburg.

 

4.6 Bedrijvigheid

Binnen het plangebied wordt een intensieve veehouderij gesaneerd. De resterende bebouwing die niet in gebruik was voor de veehouderij wordt herbestemd naar een bedrijfsbestemming en tevens worden twee Ruimte voor Ruimte woningen ontwikkeld in het buitengebied van de gemeente Tilburg. Binnen het plangebied zal in samenhang met de ontwikkeling een bedrijf voor statische opslag worden bestemd met ondergeschikt een recreatieve functie. Deze bedrijfsvoering heeft van een lagere milieucategorie dan waar in de huidige situatie sprake van is. In paragraaf zal hier nader op ingegaan worden.

4.7 Verkeer en parkeren

 

4.7.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

 

4.7.1.1 Inleiding

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

4.7.2 Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

4.7.3 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

4.7.4 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

 

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde milieuaspecten

5.2 Milieueffectrapportage

 

5.2.1 Inleiding

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

  2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

5.2.2 M.e.r. (beoordelings)plichtige activiteit

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.

5.2.3 Passende beoordeling

Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied bevindt zich op een afstand van circa 420 meter tot het plangebied. De ontwikkeling ziet toe op sanering van een intensieve veehouderij en herbestemming van de resterende bebouwing conform de feitelijke situatie. Dit heeft een positief effect op flora en fauna waarden in de omgeving. Dit wordt in paragraaf 5.9 onderzocht en beoordeeld.

 

Er heeft een vormvrije mer-beoordeling plaatsgevonden. Deze beoordeling is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.

5.2.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.

 

5.3 Milieuhinder bedrijven

 

5.3.1 Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering'. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst 'Bedrijven en Milieuzonering' worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een gebied wordt als 'gemengde gebied' getypeerd als functiemenging de boventoon voert in het gebied of als functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met een hoge aanwezigheid van agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.

 

Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen.

5.3.2 Bedrijven rondom het plangebied

 

5.3.2.1 Inleiding

Het plangebied aan Schoorstraat 59 kan gekenmerkt worden als 'gemengd gebied'. In de omgeving zijn een groot aantal niet-agrarische en agrarische bedrijven aanwezig die worden afgewisseld met woonfuncties. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in 'gemengd gebied', zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Op circa 140 meter van het plangebied is een bedrijf gevestigd, te weten Argos Udenhout. Het betreft een 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'. Dit valt onder de categorie 'Benzineservicestations zonder LPG' waarvoor een afstand van tenminste 30 meter die binnen een gemengd gebied met een één stap, tot 10 meter verkleind mag worden. De afstand van 140 meter tot de toe te voegen woning is afdoende in het kader van de richtlijn bedrijven en milieuzonering.

 

5.3.2.2 Spuitzones

Inleiding

ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt.

 

ln het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.

 

Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor bebouwing aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Een kleinere afstand is mogelijk mits dat goed onderbouwd wordt. De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor fruitbomen, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten, zoals bij aardbeien, maar ook zij- en opwaarts. Vooral het opwaarts spuiten veroorzaakt meer drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico's. Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit aangescherpt en moet, waar dan ook, minimaal 75% drift-arm gespoten worden.

 

Op een afstand van 10 meter ten zuiden van het plangebied is een perceel gelegen waarop boomteelt plaatsvindt. Dit is ook de planologisch de maximale situatie. De meest zuidelijk gelegen beoogde Ruimte voor Ruimte woning en bijbehorende tuin is dan ook op een kortere afstand dan de vaste richtafstand van 50 meter tot het boomteeltperceel gelegen. Ten behoeve van de realisatie van de beoogde woning kan echter worden afgeweken van de vaste richtafstand, mits goed onderbouwd. Deze onderbouwing richt zich de meest recente wetenschappelijke inzichten van de mate van driftblootstelling bij bespuiting van een boomteeltperceel.

 

Driftblootstelling bij bespuiting boomteelt

Door Plant Research International (PRI), onderdeel van Wageningen UR, is wetenschappelijk onderzoek gedaan naar driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard. Het wetenschappelijk rapport 609 'Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen' (mei 2015) van PRI geeft op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten een inschatting van de mate van driftblootstelling bij bespuiting van een boomgaard.

 

In het PRI rapport zijn voor 12 praktijksituaties de vaste afstanden vanaf de rand van het gewas bepaald. Op grond daarvan is de huidblootstelling, de inhalatieblootstelling en de secundaire blootstelling voor diverse veelgebruikte werkzame stoffen in de open teelt beoordeeld. Daaruit volgde dat de werkzame stof Captan, die in fruitboomgaarden veelvuldig wordt gebruikt, de zwaarste beperkingen oplegt en daarmee meest kritisch is. De beperkende factor is huidblootstelling gebleken. Voor inhalatieblootstelling en secundaire blootstelling kon op 5 meter van de gewasrand geen overschrijding van de blootstellingsrisico's vastgesteld worden.

 

De situatie ter plaatse van het plangebied komt overeen met de geschetste praktijksituatie “Geen sloot om de boomgaard, er wordt gebruik gemaakt van een driftarme spuittechniek (DRT75), er staat een dubbele windhaag of houtwal op de perceelgrens. Uit de publicatie 'Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen' (mei 2015) blijkt dat in een dergelijke situatie de benodigde afstand vanaf de eerste bomenrij (m) in een kaalblad-situatie en in een volblad-situatie, om voor de stof Captan geen overschrijding van de 100%-norm voor huidblootstelling te krijgen, de volgende afstanden dienen te worden aangehouden:

 

Boom 0-3 meter hoogte

 

Boom 3-6 meter hoogte

 

Kaalblad-situatie

Volblad-situatie

Kaalblad-situatie

Volblad-situatie

5 meter

5 meter

5 meter

5 meter

 

Rekening houdend met een verankering van een houtwal, waardoor de afstand tot de woning tenminste 8 meter bedraagt, is er geen sprake van gezondheidsrisico's.

 

Overige bedrijven

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere niet-agrarische bedrijven gevestigd. Voor agrarische bedrijven is geur de maatgevende factor. Voor deze bedrijven is een meer specifiek beoordelingskader aanwezig. Agrarische bedrijven worden getoetst in paragraaf 5.7. De beoogde herontwikkeling is in het kader van Bedrijven en Milieuzonering derhalve geen bezwaar.

 

5.3.3 Bedrijvigheid in het plangebied

Aan Schoorstraat 59 vindt sanering van de intensieve veehouderij plaats. De bestaande loods voor statische opslag blijft daarvoor gehandhaafd. Ook blijven de twee vakantieappartementen/bed-and-breakfast binnen het plangebied gehandhaafd. In dit bestemmingsplan is verankerd dat de bestaande bebouwing de maximaal toegestane bebouwing betreft. De activiteiten die plaatsvinden binnen het plangebied betreffen categorie 2 activiteiten. De aan te houden richtlijnafstand van deze activiteiten in een gemengd gebied bedraagt 10 meter. Tussen de bedrijfsbestemming en de voormalige bedrijfswoning, die als woning wordt bestemd, is een robuuste landschappelijke afscheiding gelegen. De woning is gelegen op een afstand van tenminste 10 meter van de bedrijfsactiviteiten. Geen andere woningen zijn gelegen in de nabijheid van de bedrijfsbestemming. Er wordt voldaan aan de richtlijnen voor bedrijven en milieuzonering.

5.4 Exterme veiligheid

 

5.4.1 Inleiding

Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als 'de kans op overlijden' voor personen. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en hoogspanningslijnen en buisleidingen. Deze aspecten worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.

5.4.2 Verantwoordingsplicht

 

5.4.2.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan.

 

5.4.2.2 Vervoer gevaarlijke stoffen

Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zwaar ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt 1 op miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden.

 

5.4.2.3 Besluit externe veiligheid buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.

 

5.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid

Met deze Beleidsvisie Externe Veiligheid zet de gemeente in op een duurzame en veilige ontwikkeling van de stad. Enerzijds moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven, terwijl tegelijkertijd de gemeente zorg draagt voor een veilige woon-, werk- en leefomgeving. Deze visie gaat in op de samenhang tussen ruimtelijke ordening enerzijds en beheersing en verantwoording van risico's anderzijds. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de plankaart externe veiligheid gemeente Tilburg, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

 

 [image]

Figuur 29: Plankaart externe veiligheid gemeente Tilburg, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

 

Het plangebied is gelegen in 'luwe gebieden'. Het gebied betreft een risicoluw agrarisch gebied. Omdat in dit buitengebied veel ruimte is tussen woningen en/of inrichtingen zijn risico's hier met mate toegestaan. Dit betekent dat propaantanks of opslag van kunstmest behorend bij een agrarische onderneming mogelijk moet zijn. Risico's in beperkte mate blijven in het agrarische buitengebied mogelijk, zolang ze andere woningen/ inrichtingen niet hinderen.

 

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

5.4.4 Beoordeling van het plangebied

 

5.4.4.1 Risicovolle inrichtingen

Het plangebied is op de risicokaart van de Provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.

 

 [image]

Figuur 30: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant, waarop het plangebied is aangeduid

 

Ten noordoosten van het plangebied is aan de Oude Bosschebaan 4, bij Camping Duinhoeve, sprake de aanwezigheid van een propaantank. Voor deze propaantank geldt een aan te houden veiligheidsafstand van 15 meter. Deze locatie is gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied, waarmee voldaan wordt aan de aan te houden risicoafstanden.

 

Binnen een afstand van 500 meter rondom het plangebied zijn geen andere inrichtingen in het kader van de externe veiligheidsnormen aanwezig waarbij sprake is van een in acht te nemen risicocontour.

 

5.4.4.2 Buisleidingen

Op een afstand van 1.800 meter bevindt zich een buisleiding met een risicoafstand van 0 meter. Hiermee wordt voldaan aan de aan te houden afstand.

 

5.4.4.3 Transport

Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. Het plangebied bevindt zich op circa 3,5 kilometer van een spoorlijn. De spoorlijn Tilburg-Vught heeft een toxisch invloedsgebied van >4.000 meter, waarmee het plangebied binnen het invloedsgebied gelegen is. Gezien de afstand van de spoorlijn tot het spoorlijn tot het plangebied (een afstand van meer dan 200 meter) is een nadere beschouwing ten aanzien van het groepsrisico niet noodzakelijk.

 

5.4.5 Verantwoording van het groepsrisico

 

5.4.5.1 Verantwoordingsplicht groepsrisico luwe gebieden bestaande bevi-inrichtingen

Voor de planologische kaders voor invloedsgebieden rond bestaande bevi-inrichtingen LPG-tankstations en grote propaanopslag geldt geen standaard verantwoordingsplicht. Deze planologische kaders dienen toegepast te worden, maar de verantwoordingsplicht zelf blijft maatwerk.

 

5.4.5.2 Generieke verantwoording overig luw gebied

Dit beleidskader dient gebruikt te worden voor de verantwoording van het groepsrisico voor alle luwe gebieden waarvoor geen planologisch kader geldt. Binnen deze zone is blootstelling aan toxisch gas het bepalende scenario. Daarnaast kunnen ook invloedsgebieden van kleinere transportassen over het beoogde plangebied liggen, echter hier zijn de transporthoeveelheden dermate laag dat de risico's voldoende beheersbaar zijn. Uitgaande van de diverse elementen van de verantwoordingsplicht leidt dit tot de hierna opgenomen generieke verantwoording.

 

5.4.5.3 Groepsrisico

Dit ruimtelijk plan ligt in een luw gebied, waarvoor in de Beleidsvisie Externe Veiligheid geen planologisch kader is opgesteld. Ook bij een hogere personendichtheid zal er geen significante toename van het groepsrisico optreden, omdat:

 

5.4.5.4 Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico

De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in de Beleidsvisie Externe Veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de:

 

5.4.5.5 De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheids vraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de Beleidsvisie Externe Veiligheid.

 

5.4.5.6 Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

 

Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Nieuwbouwwoningen binnen het plangebied wordt voorzien van mechanische ventilatie. Mechanische luchtafvoer zorgt ervoor dat de lucht in huis voortdurend ververst wordt, doordat het ventilatiesysteem voortdurend lucht uit de woning wegzuigt. Schone lucht komt dan vanzelf binnen via open ventilatieroosters en eventuele open (klep)ramen.

 

Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) en NL-Alert als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.

5.5 Geluid

 

5.5.1 Inleiding

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van spoor- en wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van(spoor) wegen. De reikwijdte van de Wet geluidhinder is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder geldt niet voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:

5.5.2 Beoordeling van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Schoorstraat. Ten behoeve van het wegverkeerslawaai dient een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Er is geen sprake van invloed op het plangebied van railverkeer, industrielawaai of luchtvaartlawaai.

5.5.3 Akoestisch onderzoek wegverkeer

Ten behoeve van realisatie van twee Ruimte voor Ruimte is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek, uitgevoerd door Tritium Advies d.d. 12 juli 2019 behoort als bijlage bij de toelichting. De conclusie en aanbevelingen uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen.

 

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Schoorstraat, Oude Bossche Baan en Loonse Hoek. Voor de wegen Oude Bossche Baan en Loonse Hoek geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt.

 

Voor de Schoorstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in buitenstedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet.

 

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is tevens niet doeltreffend in onderhavige situatie. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde niet meer wordt overschreden. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet echter overwegende bezwaren van financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.

 

Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document “Hogere waarde beleid gemeente Tilburg” d.d. april 2015 van de gemeente Tilburg. Conform dit beleidsstuk kan er pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit de Wet geluidhinder en aan de in het beleidsstuk genoemde voorwaarden. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt enkel op de voorgevel meer dan 55 dB (excl. aftrek). De overige gevels kunnen daarmee geluidluwe worden uitgevoerd. Hierbij dient op elke verdieping met één of meer verblijfsruimten, tenminste één verblijfsruimte (bij voorkeur in te richten als slaapkamer) aan de geluidluwe gevel te zijn gelegen. In onderhavige situatie is er geen sprake van dove gevels. Derhalve wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in het gemeentelijk geluidbeleid.

 

Uit het onderzoek blijkt dat er, na verlening ontheffing hogere grenswaarde, geen bezwaren zijn voor realisatie van de beoogde woningen vanuit wegverkeerslawaai. De procedure ontheffing hogere grenswaarde wordt gelijktijdig met deze procedure gevoerd.

 

5.6 Lucht

 

5.6.1 Inleiding

Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. De hierin opgenomen programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden.

5.6.2 Regeling niet in betekenende mate

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term 'niet in betekenende mate'. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien het plan slechts de bouw van twee Ruimte voor Ruimte woningen mogelijk maakt, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip 'Niet In Betekenende Mate' valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.

5.6.3 Achtergrondconcentratie fijn stof

Fijn stof (PM10 en PM2,5) is een verzamelnaam voor uiteenlopende deeltjes die door de lucht zweven: roetdeeltjes, opstuivend zand, uitlaatgassen, zeezout, plantmateriaal, cementdeeltjes en bijvoorbeeld stukjes afgesleten autoband of wegdek. Fijn stof kan ook ontstaan door reacties tussen verschillende gassen in de lucht. De gemiddelde hoeveelheid (concentratie) fijn stof in Nederland is hoger in het zuiden, nabij grotere steden en bij grote industriegebieden. Fijn stof is een vorm van luchtvervuiling en heeft een ongunstig effect op de gezondheid van mensen. Tot fijn stof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10, dan wel 2,5 micrometer (µg) gerekend. Fijn stof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst en daardoor met een verschillende chemische samenstelling. Verkeer, industrie en landbouw zijn de belangrijkste bronnen.

 

Op grond van de Wet milieubeheer gelden voor fijn stof de volgende grenswaarden:

 

De achtergrondconcentratie voor fijnstof is de totale concentratie van alle bronnen per vak van 1 kilometer bij 1 kilometer. De achtergrondconcentratie wordt jaarlijks bepaald door de emissies van veehouderijen, industrieën en verkeer bij elkaar opgeteld. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de door het RIVM gepubliceerde Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland, waarbij de achtergrondconcentratie fijn stof PM10 ter plaatse van het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.

 [image]

Figuur 31: Uitsnede kaart achtergrondconcentratie PM10 met daarop de ligging van het plangebied aangeduid

 

De achtergrondconcentratie PM10 ter plaatse van het plangebied bedraagt 17,96 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 40 µg/m³.

 

Gesteld wordt dat de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots voldoet aan de grenswaarde. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de door het RIVM gepubliceerde Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland, waarbij de achtergrondconcentratie fijn stof PM2,5 ter plaatse van het plangebied is weergegeven in de zwarte cirkel.

 

 [image]

Figuur 32: Uitsnede achtergrondconcentratie PM2,5, met daarop de ligging van het plangebied aangeduid

 

Volgens de GCN kaart is de achtergrondconcentratie PM2,5 ter plaatse van het plangebied 11,13 µg/m³. De concentratie fijn stof blijft daarmee ruimschoots onder de toegestane norm van 25 µg/m³.

 

5.7 Geur

 

5.7.1 Inleiding

De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de 'omgekeerde werking' genoemd. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichtzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen. Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe (burger)woningen dient in het kader van het aspect 'geur' antwoord gegeven te worden op de vragen:

 

5.7.2 Veehouderijen in de omgeving van het plangebied

In de directe nabijheid van het plangebied is een aantal agrarische bedrijven aanwezig. In navolgende figuur is de ligging van deze veehouderijen ten opzichte van het plangebied weergegeven.

 

 [image]

Figuur 33: Ligging veehouderijbedrijven in omgeving plangebied

 

Op deze veehouderijen zijn de volgende aantallen vergund:

 

 [image]

Figuur 34: Vergunde dieraantallen Schoorstraat 28A te Udenhout (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

 

 [image]

Figuur 35: Vergunde dieraantallen Schoorstraat 30 te Udenhout (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

 

 [image]

Figuur 36: Vergunde dieraantallen Schoorstraat 32B te Udenhout (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

 

 [image]

Figuur 37:Vergunde dieraantallen Schoorstraat 63 te Udenhout (Bron: Web BVB provincie Noord-Brabant)

 

5.7.3 Voorgrondbelasting

Op de veehouderijbederijven aan de Schoorstraat 32B en 63 te Udenhout worden enkel dieren gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Derhalve dient vanaf deze veehouderij een vaste afstand te worden aangehouden van 50 meter tot een gevoelig object. In beginsel dient de grens van een bouwvlak als uitgangspunt te worden genomen bij de beoordeling van de aan te houden vaste afstand in verband met geur omdat binnen het gehele agrarische bouwvlak bedrijfsbebouwing kan worden opgericht. De mogelijkheid tot oprichten van nieuwe bedrijfsbebouwing moet echter ook voldoende reëel zijn. Indien het niet aannemelijk is dat een verschuiving van de bedrijfsbebouwing daadwerkelijk plaats zal vinden, kan gesteld worden dat deze mogelijkheden uitsluitend theoretisch zijn en dat hieraan voorbij mag worden gegaan. Niet aannemelijk is dat een veehouderij zijn bedrijfswoning afbreekt c.q. verplaatst ten behoeve van de uitbreiding van nieuwe emissiepunten in deze richting. Dit komt onder andere aan de orde in de uitspraak van de Raad van State met zaaknummer 200509252/1 d.d. 16 augustus 2006. De nieuw op te richten Ruimte voor Ruimte woning ten zuiden van Schoorstraat 59 is gelegen op een afstand van 50 meter tot de dierenverblijven van het bedrijf aan Schoorstraat 32b, gelegen op een afstand van 5 meter achter de achtergevel van de bedrijfswoning. Hiermee kan de huidige bedrijfsbebouwing als uitgangspunt worden genomen en wordt voldaan aan de aan te houden vaste afstand. Dat de beoogde ontwikkeling op deze manier mogelijk is wordt onder meer bevestigd in de uitspraak van rechtbank Breda d.d. 30 augustus 2010, procedurenummer 10/1105 WRO.

 

De Ruimte voor Ruimte woning die wordt gerealiseerd ten noorden van de woning aan Schoorstraat ligt op een afstand van circa 145 meter van het veehouderijbedrijf aan Schoorstraat 63, waarmee de woning wordt opgericht buiten de aan te houden afstand.

 

Voor de veehouderijbedrijven aan Schoorstraat 28A en Schoorstraat 30 is wel een geuremissiefactor vastgesteld. Op de veehouderij aan Schoorstraat 30 worden 20 kippen gehouden en aan Schoorstraat 28A mogen vleeskalveren, vleesstieren, geiten, en paarden gehouden worden. De dominante veehouderij ter plaatse betreft de veehouderij aan de Schoorstraat 28A. De geurbelasting van deze veehouderij is berekend met behulp van het programma V-Stacks vergunning. De resultaten van de berekening zijn weergegeven in navolgende tabel.

 

 [image]

Tabel 1: Geurberekening V-Stacks Vergunning Schoorstraat 28A ten opzichte van plangebied

 

Navolgende figuur geeft een beeld van de emissiepunten bij deze berekening.

 

 [image]

Figuur 38: Emissiepunten bij voorgrondbelastingberekening ten opzichte van veehouderij aan Schoorstraat 28A

 

Uit de berekening blijkt dat de voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied maximaal 0,2 bedraagt (nihil). Ter plaatse bedraagt de maximaal toegestane voorgrondbelasting 14 oue/m³. Herontwikkeling van het plangebied is in het kader van de voorgrondbelasting derhalve geen bezwaar.

5.7.4 Achtergrondbelasting

De achtergrondbelasting wordt berekend met het programma V-Stacks gebied. Ten behoeve van de berekening van de achtergrondbelasting zijn de veehouderijen binnen een straal van twee kilometer rondom het plangebied beoordeeld. De invoergegevens van de bedrijven voor het programma V-Stacks gebied zijn afkomstig uit de database van het Bestand Veehouderijbedrijven van de provincie Noord-Brabant d.d. 25 januari 2019. Dit betreft het bestand van de veehouderijen binnen de gemeenten Tilburg, Loon op Zand en Heusden. De gegevens voor de berekening zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Aangezien sprake is van een berekening van de huidige situatie is de maximaal vergunbare emissie voor de bedrijven gelijk gesteld aan de vergunde emissie in de bestaande situatie. De emissie voor de veehouderij binnen het plangebied is er uitgehaald. Hierna zijn de resultaten van de berekening van achtergrondbelasting weergeven.

 

Berekende ruwheid: 0,20 m

Meteo station: Eindhoven

Rekenuren: 10 %

Rasterpunt linksonder x: 135506 m

Rasterpunt linksonder y: 404212 m

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend

 [image]

Tabel 2: Beeld van achtergrondbelasting binnen het plangebied

 

De gehanteerde emissiepunten zijn overeenkomstig aan de gehanteerde emissiepunten voor het plangebied in voorgaande figuur. Ter plaatse van de planlocatie is een zeer goed woon- en leefklimaat aanwezig in het kader van de achtergrondbelasting.

5.8 Bodem

 

5.8.1 Inleiding

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

5.8.2 Onderzoek

Ten behoeve van herbestemming van het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit bodemonderzoek behoort als bijlage bij deze toelichting. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.

5.9 Natuur en ecologie

 

5.9.1 Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk 'Natura 2000-gebieden' (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk 'soorten' (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk 'houtopstanden' (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk 'Natura 2000-gebieden' heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk 'soorten' heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

5.9.2 Analyse plangebied

 

5.9.2.1 Inleiding

Door Lomans Ecoworks is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Deze quick scan d.d. 30 juni 2019 met projectnummer 1912 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies en aanbevelingen zijn hierna overgenomen uit dit rapport.

 

5.9.2.2 Gebiedsbescherming

Natura 2000- gebied

De dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen' op circa 500 meter afstand. Het Natura 2000- gebied 'Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen bevat een aantal zeer stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten.

 

Stikstofdepositie

De beoogde ontwikkeling heeft geen meetbare of merkbare effecten in de aanlegfase of de gebruiksfase op de Natura 2000-gebieden. Dit is aangetoond in het onderzoek dat als bijlage bij deze toelichting behoort.

 

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied ligt niet in of nabij een NNB-gebied. Het dichts bijzijnde gebied dat is begrensd als Natuurnetwerk Brabant ligt op ca. 600 meter van het plangebied. Met de beoogde oprichting van de twee Ruimte voor Ruimte woningen is geen sprake van aantasting van 'wezenlijke waarden en kenmerken' van het NNB-gebied.

 

5.9.2.3 Natuurbescherming in Verordening ruimte Noord-Brabant

Het plangebied is in de Verordening ruimte Noord-Brabant aangewezen als gelegen binnen de structuur 'Groenblauwe mantel' en aangeduid als 'Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant'. In paragraaf van deze toelichting is de ontwikkeling getoetst aan de regels uit de Verordening ruimte Noord-Brabant.

 

5.9.2.4 Soortenbescherming

Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb

In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten in bomen aanwezig. In de bedrijfswoning zijn jaarrond beschermde nesten van Huismus en Huiszwaluw aanwezig. De bedrijfswoning met de nesten van Huismus en Huiszwaluw inclusief functioneel leefgebied blijft in stand in het nieuwe plan. Alle landschapselementen blijven gehandhaafd en worden waar nodig is aangevuld t.b.v. de landschappelijke inpassing. Overtreding van verbodsbepalingen beschermingsregime Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb is niet aan de orde.

 

Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb

Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels of andere soorten aangetroffen die vallen onder het beschermingsregime van de Europese Habitatrichtlijn. Door het ontbreken van geschikte holtebomen en bedrijfsgebouwen kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen worden uitgesloten. Mogelijke zijn verblijfplaatsen aanwezig in de bedrijfswoning. De bedrijfswoning en alle landschapselementen blijven gehandhaafd. Het plangebied vormt foerageergebied van uitstekende kwaliteit voor vleermuizen en dat blijft ongewijzigd bestaan in het nieuwe plan.

 

Ter voorkoming van het in gebruik nemen van het plangebied door de Rugstreeppad in de bouwrijp fase wordt aanbevolen om:

 

Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb

Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied.

 

Vrijgestelde soorten

Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten uit deze categorie aangetroffen. Er worden wel enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals Gewone pad, Bruine kikker, Egel en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht.

5.9.2.5 Conclusie

In de quick scan zijn aanbevelingen opgenomen. Deze aanbevelingen worden nageleefd. Er zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling in het kader van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet aan de orde. De ontwikkeling leidt niet tot aantasting van flora- en fauna waarden.

 

Voor wat betreft verlichting gelden de volgende voorwaarden. Aanbevolen wordt om de verlichting in het plangebied tot een minimum te beperken. Verlichting zorgt voor verstoring van uilen, maar ook andere soorten zoals vleermuizen. De effecten van de verlichting kunnen op een aantal manieren worden beperkt. De keuze voor een maatregel zal afhankelijk zijn van de situatie en moet per geval worden bepaald. In veel gevallen zal een combinatie van een aantal maatregelen de beste uitkomst geven. Enkele veel gebruikte methoden om de effecten van lichthinder te beperken zijn:

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

 

6.1 Bestaand watersysteem

 

6.1.1 Gebiedskenmerken

Het plangebied is deels gelegen in het stroomgebied van de Roomleij welke op grotere schaal deel uit maakt van het stroomgebied van de Zandleij. Het plangebied valt binnen het beheergebied van het waterschap De Dommel.

 

6.1.2 Bodem en oppervlaktewater

De bodem bestaat volgens de bodemkaart uit een hoge zwarte enkeerdgrond bestaande uit lemig fijn zand. Het plangebied is op een hoogte van circa 8,5 meter boven NAP gelegen. De GHG ter plaatse van het plangebied bedraagt 40-60 cm-mv. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de wateratlas met de daarin een beeld van de GHG.

 

 [image]

Figuur 39: Uitsnede GHG ter plaatse van het plangebied

 

6.1.3 Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen. Direct ten noorden van het plangebied is een A-watergang gelegen.

6.2 Beleidskader

 

6.2.1 Waterschapsbeleid

Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016 - 2021 vastgesteld op 22 december 2015. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico's beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit). Inzet is gericht op het bereiken van de doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel, die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

 

6.2.2 Keur

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Dommel van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Navolgende figuur betreft een weergave van de keurkaart met daarop het plangebied aangeduid.

 

 [image]

Figuur 40: Uitsnede keurkaart 2015 waterschap de Dommel ter plaatse van het plangebied

 

Ter plaatse van het plangebied is sprake van 'Attentiegebied' en tevens A-water in de vorm van een sloot gelegen direct langs de noordelijke perceelsgrens. Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats en wordt met de beoogde herontwikkeling ook niet beoogd. Met de beoogde herontwikkeling zal het bebouwd oppervlak afnemen. De beoogde herontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het 'Attentiegebied'. Voor de waterloop met de A-categorie geldt een onderhoudsstrook van 5 meter. De ontwikkeling heeft geen invloed op de aan het plangebied grenzende A-water. Navolgende figuur geeft een uitsnede met de kaart van een A- en B- watergang.

 [image]

Figuur 41: Kaart met oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied

 

6.2.3 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

 

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m².

 

Ter plaatse van het plangebied worden twee Ruimte voor Ruimte woningen met bijgebouwen en erfverharding mogelijk gemaakt. In samenhang hiermee worden bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk oppervlak van 2.346 m² gesaneerd. Er vindt daarmee een afname van het verhard oppervlak plaats. Op basis van de 'Algemene regels Keur 2015' geldt voor een dergelijke ontwikkeling een vrijstelling van het verbod voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam.

 

Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.

6.2.4 Gemeentelijk waterbeleid

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het verbreed Gemeenlijk Rioleringplan, het vGRP 2016-2020, is vastgesteld in november 2016. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010- 2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.

6.3 Watertoets

 

6.3.1 Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief op het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder.

6.3.2 Verwerking van hemelwater binnen het plangebied

Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren) in zijn weg tussen de afvoerende oppervlakken en het oppervlaktewatersysteem. Mogelijkheden hiervoor zijn:

Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.

 

In 2019 is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De voorgenomen bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie.

 

Vooruitlopend op het nieuwe beleid en op basis van afvoerende oppervlakken in de toekomstige situatie geldt daarmee voor het plangebied een bergingsopgave van 208,5 m³. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen en een groen-/waterbergend dak als kansrijk gezien. Wadi's en andere bovengrondse bergingsvoorzieningen binnen het plangebied zijn een goede optie, die in het vergunningstraject concreter gemaakt moet worden. De voorziening kan worden voorzien van een overloop op het aanwezige oppervlaktewatersysteem.

 

Oppervlakten *

Onverhard (m²)

Verhard (m²)

Totaal
(m²)

Dak

0

2.135

2.135

Bestrating

0

1.340

1.340

Binnenterrein

9.810

0

9.810

Open water(berging)

1.043

0

1.043

Totaal (m²)

 

 

14.428

Tabel 3: Afvoerende oppervlakten in de toekomstige situatie

 

De voorgaande tabel betreft een inschatting van het verhard oppervlak. De waterbergingsopgave wordt bijgesteld aan de hand van de werkelijke afvoerende oppervlakken.

 

Voor de ontwateringsdiepte (het verschil tussen de maaiveldhoogte en de gemiddelde hoogste grondwaterstand) dient ten minste 90 centimeter beneden maaiveld te worden hanteren. Voorkomen moet worden dat wateroverlast ontstaat. Drainage is niet toegestaan. Ondergrondse bouwdelen dienen voldoende waterdicht uitgevoerd te voeren. Omdat de GHG ter plaatse van het plangebied 40 tot 60 cm-mv bedraagt en een omvang van 90 cm boven GHG gehanteerd dient te worden voor de ontwateringsdiepte, is het advies de ondergrond voor de nieuwe woningen in het plangebied beperkt op te hogen.

 

Het hemelwater dat valt op daken en verharding van de noordelijk gelegen Ruimte voor Ruimte woning wordt naar het oppervlakte water geloosd. Aan de noordzijde van het perceel is een A-watergang gelegen. Voordat het hemelwater deze watergang bereikt is het water veelal geïnfiltreerd in de bodem. De infiltratiecapaciteit van de bodem biedt hiervoor de mogelijkheden.

 

Het hemelwater dat valt op de zuidelijk gelegen Ruimte voor Ruimte woning zal middels infiltratietransportriolen naar een wadi op het perceel worden geleid, vanwaar het hemelwater in de bodem infiltreert.

6.3.3 Kwaliteit van te lozen en infiltreren water

Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de bestaande persriolering. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

6.3.4 Afvalwater

In de westzijde van de Schoorstraat ligt een drukriolering. Op deze drukriolering mag alleen het vuilwater van de drie nieuwe percelen worden aangesloten. Regenwater, mestputten, spoel- en wasplaatsen mogen hier niet op worden geloosd. Voor verlening van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten dient tijdig in beeld te worden gebracht hoe het afvalwater vanaf het plangebied wordt verwerkt. Initiatiefnemer neemt tijdig contact op met de rioolbeheerder van de gemeente voor afstemming over omgang met afvalwater.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Standaard plansystematiek

 

7.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

7.2.2 Bouwhoogte

In beginsel geldt voor regulier woningen in het buitengebied een goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 10 meter. In afwijking hiervan geldt voor agrarische bedrijfswoningen een bouwhoogte van 11 meter. Van deze bouwhoogten kan middels een maatvoeringsaanduiding van worden afgeweken.

7.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij

een woning mag niet meer bedragen dan:

  1. 75 m² op bouwpercelen, kleiner dan 1.000 m²;

  2. 150 m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1.000 m², doch kleiner dan 5.000 m²;

  3. 200 m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5.000 m²;

terwijl de goothoogte maximaal 3 meter en bouwhoogte maximaal 6 meter mag bedragen.

7.3 Bestemmingen en aanduidingen

 

7.3.1 Inleiding

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:

Deze bestemmingen worden in navolgende paragrafen nader toegelicht.

 

Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:

Hierna worden de gehanteerde bestemmingen nader toegelicht.

7.3.2 Agrarisch met Waarden

De ontwikkeling ziet op herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Twee Ruimte voor Ruimte woningen worden toegevoegd en de resterende bebouwing krijgt een passende andere herbestemming. Het resterende gedeelte van het voormalige agrarische bouwvlak wordt bestemd naar een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden, conform het omliggende gebied 'Agrarisch met Waarden'.

7.3.3 Bedrijf

Naast een intensieve veehouderij vindt binnen het plangebied statische opslag plaats en vindt ondergeschikt recreatie in het bed-and-breakfast/het vakantieappartementen plaats. De beoogde ontwikkeling ziet toe op sanering van de intensieve veehouderij. Het resterende bedrijf voor statische opslag met ondergeschikt recreatieve activiteiten in de vorm van vakantieappartementen/bed-and-breakfast worden bestemd naar een bedrijfsbestemming, waarin deze activiteiten in de huidige vorm toegestaan blijven. Een Ruimte voor Ruimte woning wordt als bedrijfswoning bij dit bedrijf bestemd. Hiervoor wordt een bouwtitel Ruimte voor Ruimte, afkomstig van het bedrijf ingezet. Behoud van de huidige bedrijfswoning krijgt een reguliere woonbestemming.

7.3.4 Wonen - Buitengebied

In samenhang met sanering van de intensieve veehouderij binnen het plangebied, vindt realisatie van twee Ruimte voor Ruimte woningen plaats. Eén Ruimte voor Ruimte woning wordt binnen de bedrijfsbestemming bestemd. Een tweede Ruimte voor Ruimte woning krijgt een woonbestemming. Tevens wordt de voormalige bedrijfswoning bestemd naar een woonbestemming.

7.3.5 Waterstaat - Attentiegebied NNB

De gronden met deze dubbelbestemming zijn tevens bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van hydrologische waarden.

7.4 Bouw- en gebruiksregels

 

7.4.1 Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Verankerd is dat binnen de bedrijfsbestemming geen nieuwe bedrijfsbebouwing mag worden toegevoegd.

7.4.2 gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. In de gebruiksregels is geborgd dat de landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand wordt gehouden.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog en overleg

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.3. Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan gepubliceerd op 26 april 2019.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro

 

9.2.1 Inleiding

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties.

 

De provincie Noord-Brabant heeft in een wettelijke vooroverleg reactie kenbaar gemaakt dat de ontwikkeling. De provincie Noord-Brabant merkt op dat de beëindig van de intensieve veehouderij en sloop van stallen een positieve impuls geeft aan het gebied. De provincie Noord-Brabant geeft wel kanttekeningen bij de herbestemming binnen het plangebied. De reactie en hoe het bestemmingsplan is aangepast in navolging van deze reactie is hierna opgenomen.

9.2.2 Niet agrarische ontwikkelingen

 

9.2.2.1 Reactie provincie

Voor herbestemming van de niet-agrarische functie hanteert de provincie als belangrijk basisprincipe dat niet-agrarische ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moeten passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van de Loonse en Drunense duinen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bedrijfsbestemming met statische opslag, waarvan waarbij de provincie zich afvraagt hoe dit zich in de toekomst verder ontwikkeld. De provincie Noord-Brabant acht een nadere onderbouwing/afweging noodzakelijk waaruit blijkt dat dat de voorgenomen ontwikkelingen zijn geplaatst in de context van de gewenste ontwikkelingsrichting van dit gebied.

9.2.2.2 Aanvullingen bestemmingsplan

Uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten is in de toekomst onmogelijk doordat herbestemming van de locatie naar een bedrijfsbestemming gebeurt in samenhang met deelname aan de regeling Ruimte voor Ruimte. De Raad van State oordeelde eerder dat deze regeling een ontsteningsregeling is. Het is niet mogelijk om in de toekomst nieuwe bebouwing op te richten binnen het plangebied. Dit wordt door de initiatiefnemer dan ook niet beoogd. De beoogde bedrijfsactiviteiten zijn bedrijfsmatig in een omvang die voor de initiatiefnemer toekomst gericht en bestendig is.

 

In deze toelichting is nader verantwoord dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting in het gebied. De ontwikkelingsrichting is verantwoord in Masterplan Pauwels. Deze visie op het gebied is opgenomen in deze toelichting en verantwoord is dat de herbestemming binnen het plangebied past binnen deze ontwikkelingsrichting.

9.2.3 Ruimte voor Ruimte-woningen

 

9.2.3.1 Reactie provincie

De realisatie van Ruimte voor Ruimte-woningen is mogelijk binnen planologisch aanvaardbare locaties binnen een bebouwingsconcentratie. De provincie Noord-Brabant geeft aan dat onvoldoende onderbouwd is dat sprake is van een planologisch aanvaardbare locatie voor Ruimte voor Ruimte woningen binnen deze bebouwingsconcentratie. De provincie Noord-Brabant acht een nadere bebouwing noodzakelijk.

 

9.2.3.2 Aanvullingen bestemmingsplan

In dit bestemmingsplan is nader toegelicht waarop het plangebied een planologisch aanvaardbare locatie is voor realisatie van twee woningen binnen een bebouwingsconcentratie.

 

9.3 Omgevingsdialoog

Het bestemmingsplan is door de initiatiefnemers toegelicht aan de naaste omgeving. Eigenaren van adressen van Oude Bosschebaan nummers 2 en 3 en Schoorstraat nummers 23, 30, 32, 32a, 32b, 34, 36, 61, 63 en 63a zijn uitgenodigd. Zes eigenaren zijn gekomen naar de omgevingsdialoog. Het plan is daarnaast separaat toegelicht aan een eigenaar die niet aanwezig kon zijn. Het verslag van deze omgevingsdialoog is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan wordt, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegd.

 

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 12 juli 2021 tot en met 23 augustus 2021. Gedurende deze periode zijn twee zienswijzen ingekomen welke beide tijdig zijn ingediend en derhalve ontvankelijk waren. In de bij deze toelichting gevoegde nota zienswijzen is het standpunt van het gemeentebestuur weergegeven ten aanzien van de zienswijzen.

 

Kort samengevat komt dit standpunt erop neer dat er geen beperking optreedt voor het aan de overzijde gelegen agrarisch bedrijf, maar dat initiatiefnemer ervoor gekozen heeft de nieuw te bouwen bedrijfswoning naar achter te plaatsen waardoor een gelijke afstand in acht genomen wordt als tussen het agrarisch bedrijf en de naastgelegen burgewoning aan de Schoorstraat 32a.

 

Verder is de verbeelding aangepast voor wat betreft de vertaling van het, eveneens gewijzigde, lanschappelijke inpassingsplan (bijlage bij regels) en zijn de benodigde bewijsstukken ten aanzien van de bouwtitels voor de Ruimte voor Ruimte regeling toegevoegd.