Tilburg, snelfietsroute Tilburg - Waalwijk
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Op 22 november 2017 is tussen de provincie Noord Brabant, de gemeente Loon op Zand, de gemeente Waalwijk en de gemeente Tilburg de Bestuursovereenkomst Snelfietsroute F261 ondertekend. Met het ondertekenen van de overeenkomst zijn afspraken vastgelegd om een kwalitatief hoogwaardige fietsverbinding tussen Tilburg, Loon op Zand en Waalwijk mogelijk te maken. Daaruit is een totaaltracé naar voren gekomen dat over het grondgebied van de drie genoemde gemeenten loopt. De tracering is eind 2015 door de drie betrokken gemeenten vastgesteld, waarmee de basis is gelegd voor de uitwerking van voorkeurstracé naar schetsontwerp.
Omdat de snelfietsroute tussen Tilburg en Waalwijk niet geheel binnen het geldende bestemmingsplan past is voor een gedeelte van het tracé op het grondgebied van de gemeente Tilburg voorliggend bestemmingsplan opgesteld. De aanleg van het fietspad past enerzijds niet binnen het geldende bestemmingsplan ten zuiden van de Burgemeester Letschertweg, gelegen langs de noorzijde van de IJpelareweg. Het bestaande fietspad ten noorden van de Burgemeester Letschertweg gelegen aan de Bos en Beemdweg voldoet o.a. vanwege het bochtige karakter niet aan de uitgangspunten voor een snelfietsroute. Daarom wordt een nieuw fietspad aangelegd dat overeenkomt aan het gebruik als snelfietsroute.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. In de toelichting wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied heeft betrekking op een gedeelte van het bestaande fietspad langs de IJpelareweg direct ten zuiden van de fietstunnel onder de Burgemeester Letschertweg. Verder heeft de planherziening betrekking op een gedeelte ten noorden van de fietstunnel onder de Burgemeester Letschertweg langs de Bos en Beemdweg. In figuur 1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven door middel van een rode cirkel.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402000.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402000.jpg)
Figuur 1 - Ligging plangebied in Tilburg
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk het vigerende bestemmingsplan "Lobelia-Spinder-Rugdijk", vastgesteld op 10 juni 2013 en onherroepelijk geworden op 10 september 2013. Binnen dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als Bos. Het verbreden van het fietspad langs de IJpelareweg past niet binnen de bestemming. Ook de aanleg van het gewijzigde tracé ten opzichte van het bestaande fietspad langs de Bos en Beemdweg past niet binnen de bestemming Bos.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402001.png)
Uitsnede vigerende bestemmingsplan met bestemming Bos en plangebied
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
2.1 Ruimtelijke en functionele structuur
In het huidige bestemmingsplan "Lobelia-Spinder-Rugdijk" is het plangebied bestemd als Bos. Binnen de bestemming Bos zijn de gronden mede bestemd voor bijbehorende en ondergeschikte verharde en onverharde paden en wegen en als extensief recreatief medegebruik. De snelfietstracé kan niet worden aangemerkt als "extensief recreatief medegebruik" noch is het tracé ondergeschikt aan de bestemming Bos. Het bestaande fietspad is +/- 3,70m breed. Om de snelfietsroute mogelijk te maken dient het fietspad te worden verbreed naar 4,50m.
In de huidige situatie is het plangebied afwisselend ingericht met grasland en kleinschalige bosschages. Deze laatste bestaan voornamelijk uit soorten als Betula en Pinus. Het opgaande groen verzacht het zicht op de waterzuiveringsinstallatie vanaf de burgermeester Letschertweg.
Om het gebruik van de (elektrische) fiets te promoten wordt er een snelfietsroute tussen Tilburg en Waalwijk gerealiseerd. Hierbij zijn gebruikscomfort en veiligheid het uitgangspunt. Om een goede aansluiting te kunnen maken tussen de IJpelareweg en de Bos en Beemdweg, dient een nieuwe schakel in het tracé te worden toegevoegd. Dit nieuwe onderdeel in het tracé is dusdanig gesitueerd dat er in minimale mate afbreuk wordt gedaan aan de bestaande bosschages, zonder af te doen aan het gebruikscomfort.
2.2 Technische infrastructuur
Binnen het plangebied bevinden zich enkele technische infrastructurele voorzieningen. Het betreffen twee voorname leidingstraten en tevens ook een aantal hoofdtransportleidingen:
Rotterdam-Rijn pijpleidingen/brandstofleidingen;
waterleiding;
riolering
Deze leidingen zijn ruimtelijke relevant en zijn derhalve op de verbeelding weergegeven. Daarnaast kruist een bovengrondse 150 kV hoogspanningsleiding het fietspad ter hoogte van de IJpelareweg.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402002.png)
Overzicht ondergrondse infra en hoogspanningsverbinding
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
3.1 Rijk
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.
Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Met dit bestemmingsplan wordt de aanleg van een fietspad mogelijk gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft aangegeven dat de aanleg van een weg niet wordt gezien als een 'andere stedelijke ontwikkeling' (zie ABRvS 14 januari 2015, 201407302/1/R6).
3.2 Provincie
3.2.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:
De kwaliteit van het landschap;
De ontwikkeling van het buitengebied;
De regionale verstedelijking.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.
Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
3.2.2 Verordening Ruimte
Provinciale Staten hebben naast de Structuurvisie een Verordening ruimte vastgesteld. Deze wordt regelmatig
gewijzigd en aangepast aan nieuw beleid. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
ruimtelijke kwaliteit;
stedelijke ontwikkelingen;
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
overige ontwikkelingen in het buitengebied.
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Wijzigingen en ontheffingen
De afgelopen jaren bestond er voor gemeenten de mogelijkheid om een verzoek tot kaartaanpassing in te dienen bij Gedeputeerde Staten. Alle verzoeken die voor 1 januari van een jaar werden ingediend, werden gebundeld en meegenomen bij de jaarlijkse herzieningsprocedure. Deze mogelijkheid is vervallen. De afgelopen jaren is veel energie gestoken in het actualiseren van de kaarten van de verordening. Gelet daarop is de noodzaak voor een jaarlijkse herzieningsprocedure vervallen.
In de provinciale Verordening ruimte is het plangebied gedeeltelijk aangeduid als:
bestaand stedelijk gebied: voor het gedeelte ten noorden van de Burgemeester Letschertweg;
gemengd landelijk gebied: voor wat betreft de fietstunnel onder de Burgemeester Letschertweg en een klein gedeelte van het fietspad ten noorden en ten zuiden van de Burgemeester Letschertweg;
groenblauwe mantel: voor een gedeelte van het (bestaande) fietspad ten zuiden van de Burgemeester Letschertweg;
Natuur Netwerk Brabant (NNB): voor een klein gedeelte van het (bestaande) fietspad waarbij het plangebied aansluit op de IJpelareweg.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402003.png)
Uitsnede provinciale Verordening ruimte inclusief situatie plangebied
Een klein deel van het plangebied maakt ten onrechte deel uit van het NNB en Groenblauwe Mantel. Het gaat om het deel waarbij het plangebied aansluit op de IJpelareweg en een gedeelte van het fietspad ten noorden hiervan gelegen voor de fietstunnel en ten zuiden van de Burgemeester Letschertweg. Hier is sprake van een kaartfout omdat de begrenzing over een bestaand verhard fietspad met verlichting ligt. De beperkte aanpassing van het bestaande fietspad inclusief verlichting heeft geen directe en/of externe effecten op de ter plaatse aanwezige natuurwaarden. De provincie heeft laten weten dit mee te nemen in de jaarlijkse ambtshalve aanpassing van de Verordening ruimte.
3.3 Gemeente - Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: de Brabantstrategie, de Regiostrategie en de Stadsstrategie.
De Brabantstrategie - Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk, bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. De drie stadsregionale parken:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries.
De regiostrategie - de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Een stad waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien en waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. De regio en de stad versterken elkaar.
De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten (bedrijvenpark Zuid, zorgcluster Leijpark en duurzaam energielandschap Noord) en twee regionale ecologische verbindingszones ten oosten en ten westen van de stad. Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie - leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. De hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar
het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te
ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste
toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in
welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij
gelden.
Specifiek voor dit plan geeft de Omgevingsvisie aan:
Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is gelegen in het 'Stadsregionaal Park Noord'. De aanleg van de snelfietsroute maakt hierbij onderdeel uit van de regiostrategie 'Duurzaam Energielandschap Noord' en is hierbij opgenomen als optioneel tracé snelfietsroute. Dit is als volgt gedefinieerd:
(Boven)regionale snelfietsroutes tussen woon-, werk- en recreatielocaties. Met snelfietsroutes worden de brandpunten van (economische, sociaal-culturele) activiteiten met elkaar verbonden.
Overzicht snelfietsroutes Omgevingsvisie 2040
Duurzaam Energieknooppunt Noord vormt een belangrijke poort naar het stadsregionale park. Rondom de Spinder is een modern energielandschap ontstaan waar Tilburg haar lokale duurzame energievoorziening organiseert en haar afvalstromen hergebruikt. In dit gebied heeft de laatste stap in de circulaire economie van de stad gestalte gekregen.
Snelfietsroutes gaan Tilburg nog beter verbinden met Breda, Oosterhout, Waalwijk, 's-Hertogenbosch en Eindhoven. Het zijn goede en snelle verbindingen tussen woon-, werk- en recreatielocaties langs deze routes. Met snelfietsroutes willen we de brandpunten van (economische, sociaal-culturele) activiteiten met elkaar gaan verbinden.
De aanleg van de snelfietsroute is derhalve in lijn met de doelstellingen zoals gesteld in de Omgevingsvisie Tilburg 2040.
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Waar nodig wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen milieu en water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
4.1 Cultuurhistorie en archeologie
4.1.1 Historische geografie
Het plangebied ligt in het noorden van Tilburg en is nagenoeg onbebouwd. In het noorden bevinden zich vuilstortplaats De Spinder en de zuiveringsinstallatie. Die fietsroute loopt via de IJpelareweg onder de Burgemeester Letschertweg door en buigt dan af naar het oosten. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich de Midden-Brabantweg. Het plangebied bestond tot ver in de twintigste eeuw uit woeste gronden, behorende tot het Lepelare Zand, de Loonsche Heide en De Vos(sen)berg. Verder naar het westen lagen de drassige gronden van het Rauw Veld. In het oosten, waar de grens ter hoogte van de Oude Baan van Tilburg naar Loon op Zand loopt, liggen de late ontginningen van de Moleneindse Heide. De zuidgrens loopt langs de huidige Vossenbergseweg, toen nog een onverharde route. Deze weg markeert ook de toenmalige grens van de ontginningen van het heidegebied, bestaande uit de aanplant van bossen. De enige tekenen van ontginning in het begin van de twintigste eeuw waren De Heihoef in het noorden en een aantal percelen ten westen en zuidwesten van het Leikeven.
Het plangebied werd vroeger gekenmerkt door een aantal drassige gebieden (o.a. Leikeven en Moordgat) te midden van de heide. Uit oude kaarten is duidelijk dat de grenzen van deze vennen konden variëren, waarschijnlijk naar aanleiding van een wisselende grondwaterstand dan wel als gevolg van de mate van neerslag. Ter hoogte van de De Vossenberg, in het westen, was in 1443 sprake van een moer aen den Vosberch, mogelijk identiek met De Rouw Bosschen. Ook ten noorden van het Lepelare Zand lag een drassige zone, die soms wordt aangeduid als het Grootven. Vanwege de drassige situatie kende het plangebied nagenoeg geen wegen of paden. In de Middeleeuwen wordt het gebied vermeld als gemeint waar mogelijk ook turf (moer) werd gewonnen.
Op een topografische kaart uit 1936 zien we dat ten oosten en ten westen van de weg naar Loon op Zand vloeivelden zijn aangelegd. In die tijd is het aandeel woeste heidegronden drastisch teruggedrongen en is een groot deel van het plangebied omgezet in grasland, afgewisseld met drassige terreinen. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd de vuilstort De Spinder aangelegd.
Op de Tilburgsche en Loonsche Heide zijn diverse nederzettingssporen aangetroffen uit onder andere de steentijd waaruit blijkt dat het gebied in het verleden ‘drukbevolkt’ was. De combinatie van hoger gelegen gronden in de nabijheid van water (vennen) was, evenals elders het geval is, blijkbaar ook hier een belangrijke vestigingsfactor.
4.1.2 Cultuurhistorie
In of in de zeer directe nabijheid van het plangebied liggen geen beschermde monumenten. Wel zijn enkele panden geïnventariseerd in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In de nabijheid van het plangebied bevinden zich gen panden uit de wederopbouwperiode of objecten met een nader aan te duiden cultuurhistorische waarde.
Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant (versie 2006) worden enkele onbenoemde paden in het plangebied aangeduid als lijnen met een historisch -geografische hoge tot redelijk hoge waarde.
Historisch groen: niet van toepassing op deze locatie. Wel is iets ten noorden van de planlocatie op het grondgebied van de gemeente Loon op Zand de locatie Van Huis ter Heide gelegen met een deels historische groenaanleg daaromheen.
4.1.3 Archeologie
Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) heeft het zuidelijke deel van het gebied Lobelia een middelhoge verwachting. Hier liggen zwarte enkeerdgronden en droge duinvaaggronden. Overigens geldt dezelfde verwachting ook voor een klein gebied ten noordoosten van het Leikeven en ten noorden en westen van de Vossenberg, beide op de bodemkaart aangeduid als een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (kaarteenheid 2M9). Een deel van het gebied van De Spinder en een kleine zone op de zuidgrens zijn niet gekarteerd.
In het plangebied zijn drie waarnemingen gedaan. Twee daarvan hebben betrekking op het vroegere Lepelare Zand ter hoogte van de vuilnisstortplaats. Hier werd in 1981 een nederzetting uit het laat-mesolithicum gevonden (Archisnr. 14.437) terwijl op het terrein ten zuiden daarvan veel vuursteenartefacten werden aangetroffen bij een veldkartering (Archisnr. 46.765). De aanwezigheid van hoger gelegen gronden (Lepelare Zand) nabij een ven (Grootven) was blijkbaar een belangrijke vestigingsfactor.
In de noordoosthoek van Lobelia werd een concentratie van vuursteenafslagen gevonden op een zandweg. De artefacten konden echter niet nader worden gedetermineerd (Archisnr. 34.900). Langs de noordgrens van het plangebied, in de omgeving van het Leikeven en het Plakkeven, werden eveneens veel vondsten gedaan die gedateerd kunnen worden in de steentijd.
Naast deze landelijke bronnen wordt voor Tilburg gebruik gemaakt van de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ARWATI) en het databestand van het Regionaal Archief Tilburg (RAT). De ARWATI kent de dekzandruggen en duinvaaggronden in het oosten en zuiden een hoge verwachtingswaarde toe. Het overige deel van het plangebied heeft een basisverwachting, vuilstort De Spinder heeft een onbekende verwachting, het oostelijke deel ervan is verstoord. In de database van het RAT staat voor het plangebied slechts één melding. Het betreft de vondst van vuurstenen artefacten uit het laat-mesolithicum op het Lepelare Zand (b31).
In 2011 heeft BILAN een archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het gebied Lobelia - Spinder (H. van Dijk 2011, Van Galge Eind tot Loonse Commer - Tilburg (NB) - Lobelia - Spinder, concept).
Gezien de overeenkomsten van delen in het plangebied met andere sites waar sporen zijn aangetroffen uit de metaaltijden en de Romeinse periode, zal met name het zuidoosten in aanmerking komen voor bewoning gedurende deze perioden. Hier vinden we de overgang van hoog naar laag, in dit geval in de vorm van duinen en hoogtes die grensden aan een wijds vlak landschap. De infrastructuur, die vanaf het vlakke landschap met vennen naar deze typische, soms grillige hoogtes leidde, staaft dit vermoeden. De zone sluit aan op de vroegere situatie rond het Kraaiven en de Zevenheuvelenweg waar eerder al grafheuvels werden aangetroffen.
Omdat een groot deel van het plangebied nooit uitgebreid in cultuur is gebracht, zal de bodem nog grotendeels onverstoord zijn. Van enkele delen staat de verstoring vast. Het betreft enkele ontgrondingen en de vuilnisstortplaats De Spinder waarvoor ingrijpend grondverzet is gepleegd. Hetzelfde geldt voor de Midden-Brabantweg.
De archeologische verwachting, zoals aangeduid op de IKAW en ARWATI, en de bekende verstoringen zijn op basis van het uitgevoerde cultuurhistorisch en archeologisch onderzoek nader toegespitst en weergegeven in een verwachtingskaart.
4.1.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie/monumenten bestaat er geen bezwaar tegen de aanleg van de fietsroute. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.
Archeologie, voor het nieuw aan te leggen deel van de route ten noorden van de Burgemeester Letschertweg dient een booronderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen in hoeverre de bodem van dit deel van het plangebied nog onverstoord is. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal beoordeeld worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Omdat de fietsroute ten zuiden van de Burgemeester Letschertweg zal lopen over een al bestaand tracé is hier geen archeologisch onderzoek nodig.
4.2 Groen en speelruimte
4.2.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer
bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is
onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet
te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld
en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken
rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2017
Beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2017
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening
De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming
door middel van een velverbod met bijbehorende regels.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de
Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming
(Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van
de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij
velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie
Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod
opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal
houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde
plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van
de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen
in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de
Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente
Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-,
hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a.
met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en
straatbeeld.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of
herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de
BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en
monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.
De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor
het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit
het hart van de desbetreffende boom.
In het onderhavige bestemmingsplan is geen sprake van het kappen van bomen. Verwijzen naar deze kaart in de regels van het bestemmingsplan is derhalve niet van toepassing.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402005.png)
Overzicht luchtfoto bestaande bomen/groen (fietspad deel IJpelareweg gelegen links boven; nieuw aan te leggen fietspad tussen (rechts van) Burg. Letschertweg en bosgebiedje (links).
4.2.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
4.3 Verkeer en parkeren
4.3.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam
vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen.
Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid:
we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging
vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt:
wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de
gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad
behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en
opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met
onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme
mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
4.3.2 Analyse plangebied
De fiets is bezig met een schaalsprong. Er wordt vaker gefietst, en dankzij de komst van de e-bike fietst men langere afstanden. Om de potentie van het (snelle) fietsen te benutten, en zo de bereikbaarheid te verbeteren, is het zaak dat er op interessante verbindingen snelle, directe, veilige en aantrekkelijke routes komen: snelfietsroutes. De provincie Noord-Brabant investeert via haar uitvoeringsprogramma Fiets in de Versnelling 2016-2020 in een snelfietsroutenetwerk in Brabant. In dit uitvoeringsprogramma is de corridor Tilburg-Waalwijk aangemerkt als een van de schakels in het Brabantse snelfietsroutenetwerk.
Snelfietsroutes zijn een relatief nieuw fenomeen in het Tilburgs fietsbeleid. Deze hoogwaardige fietsroutes gaan het centrum van Tilburg verbinden in alle windrichtingen met de regio, en bieden ook voor intern stedelijk fietsverkeer de snelste en meest comfortabele routes tussen woon- en werklocaties. In de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 zijn snelfietsroutes benoemd naar onder andere Waalwijk, Breda en Oosterhout. Om de routes zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor fietsers worden er strenge inrichtingseisen aan de uitvoering gesteld.
De snelfietsroute naar Waalwijk verloopt ten noorden van de Kraaivenstraat via de IJpelareweg, via welke de route door middel van een fietstunnel de Burgemeester Letschertweg kruist.
Ten noorden van de Burgemeester Letshertweg verloopt de snelfietsroute via de Bos een beemdweg verder richting Waalwijk. Het wegvak tussen de IJpelareweg en de Bos en Beemdweg parallel aan de Midden Brabantweg kan niet volgens de noodzakelijke minimale kwaliteitseisen worden ingericht.
Het alternatief tracé ligt ten noorden van de Burgenmeester Letschertweg parallel aan deze weg en vervolgens parallel aan de Midden Brabantweg tot aan de Bos en Beemdweg. Dit tracé vormt de meest rechtstreekse verbinding tussen beide wegvakken waarop de fietsroute in gewenste kwaliteit kan worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten
5.1 Milieueffectrapportage
5.1.1 Algemeen
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een inpassingsplan dat kaderstellend is voor - of een besluit neemt over - projecten met grote milieugevolgen, een milieueffectrapportage te doorlopen.
Het inpassingsplan heeft betrekking op de aanleg van een fietspad. Fietspaden maken geen onderdeel uit van de C- en D-lijst van het Besluit-m.e.r. De maatregelen zijn hiermee niet direct m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Op grond van het ontbreken van belangrijke nadelige effecten voor het milieu (zoals blijkt uit de voor dit bestemmingsplan opgestelde onderzoeken), is de conclusie gerechtvaardigd dat een m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER, niet nodig is.
5.2 Milieuhinder bedrijven
De aanleg van de snelfietsroute wordt vanuit milieuaspecten geluid, bedrijven & milieuzonering & externe veiligheid niet ruimtelijk relevant geacht.
5.3 Externe veiligheid
De aanleg van de snelfietsroute wordt vanuit milieuaspecten geluid, bedrijven & milieuzonering & externe veiligheid niet ruimtelijk relevant geacht.
5.4 Geluid
De aanleg van de snelfietsroute wordt vanuit milieuaspecten geluid, bedrijven & milieuzonering & externe veiligheid niet ruimtelijk relevant geacht.
5.5 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar.
Ten behoeve van deze snelfietsroute is expliciet bodemonderzoek uitgevoerd. Relevant en actueel is Oriënterend en aanvullend bodemonderzoek Snelfietsroute Tilburg Noord, Antea group, versie 'definitief revisie 03, d.d. 5 oktober 2018, projectkenmerk 418587.11. Dit is een onderzoek conform de genoemde NEN:
In de grond en grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan diverse parameters gemeten. Er is géén sprake van een sterke bodemverontreiniging en ook géén sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Conclusie
Op grond van de onderzoeken kan geconcludeerd dat de vastgestelde bodemkwaliteit geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu, die de ontwikkeling belemmeren. De bodemkwaliteit is geschikt of zal geschikt worden gemaakt door middel van een vorm van sanering, bij een onverwachte (toevals-)vondst én voor zover het benodigde grondwerk/-verzet daarom vraagt.
5.6 Natuur en ecologie
5.6.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep" (Dienst Regelingen, 2009). Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn.
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling. De algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant.
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
5.6.2 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op meer dan 3 km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (NNB, voorheen Ecologische Hoofdstructuur), zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. Een zeer klein deel van het plangebied maakt echter ten onrechte deel uit van het NNB. Het gaat om de plek waar de IJpelareweg kruist met de hoogspanningskabels. Hier is sprake van een kaartfout, omdat de begrenzing over een bestaand verhard fietspad ligt.
Direct ten noorden van de genoemde locatie grenst het plangebied aan het NNB. Externe effecten op het NNB, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 7 van de Verordening Ruimte, zijn echter niet aan de orde. In de huidige situatie is namelijk al een fietspad met straatverlichting aanwezig. Een toename van verstoring is daardoor niet aan de orde.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402006.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402006.jpg)
Soortenbescherming
Voor de ontwikkeling van de snelfietsroute is een natuurtoets opgesteld door Van Helvoirt Groenprojecten (Van Iersel, 2018). De deelgebieden B en C die in deze natuurtoets zijn onderzocht, hebben betrekking op het gebied waarvoor een bestemmingsplan wordt opgesteld. Tevens is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vaste vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen langs de Bos en Beemdweg (deelgebied B). Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen en conclusies van deze onderzoeken vermeld. Voor de volledige rapporten wordt verwezen naar bijlage 1 en bijlage 2.
In deelgebied B zijn diverse bomen aanwezig met voor vleermuizen en holenbroedende vogels geschikte holten. Deze bomen zijn echter gespaard bij de tracékeuze en maken geen deel uit van het bestemmingsplangebied. Effecten op vleermuisverblijfplaatsen zijn daarmee uit te sluiten. Langs de Bos en Beemdweg zijn zes vleermuissoorten vastgesteld, namelijk gewone en ruige dwergvleermuis, watervleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en grootoorvleermuis. Om negatieve effecten op foeragerende vleermuizen in het plangebied te voorkomen, zal de verlichting langs het geplande fietspad aangepast worden. Er wordt gebruik gemaakt van een vleermuisvriendelijke verlichtingskleur (amber) en armaturen die strooilicht naar boven tegen gaan.
In begroeiingen in het plangebied kunnen (niet jaarrond beschermde) vogels tot broeden komen. Aanbevolen wordt om werkzaamheden waarbij nestgelegenheid wordt verwijderd of verstoord uit te voeren buiten het broedseizoen. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken wordt aanbevolen om het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt te maken voor broedvogels. Als dit niet mogelijk is dan dient het gebied voorafgaand aan de werkzaamheden te worden geïnspecteerd door een ecoloog. Wanneer er wordt vastgesteld dat er sprake is van broedgevallen waarop de werkzaamheden van invloed kunnen zijn, dan wordt het gebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld totdat het nest niet meer in gebruik is.
Voor overige soorten is geen aanvullend onderzoek of ontheffingsaanvraag noodzakelijk.
5.6.3 Conclusie
Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.
Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
Voor het deel van het plangebied ten noorden van de Burgemeester Letschertweg wordt gebruik gemaakt van verlichting die niet verstorend is voor vleermuizen en wordt gebruik gemaakt van het op dat moment beschikbare vleermuisvriendelijke verlichting.
Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.
Hoofdstuk 6 Wateraspecten
6.1 Bestaand watersysteem
Het plangebied ligt ten noorden van stedelijk gebied van de stad Tilburg, nabij de kruising Midden-Brabantweg met Burgemeester Letschertweg.
Tabel 1. Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Stroomgebied |
Zandleij |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel |
|
Bruto oppervlakte |
2.900 m² |
|
Terreinhoogte |
13,20+ à 13,50+ |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
Ongeveer 10,50+ |
|
Ontwateringdiepte |
Ongeveer 3 m |
|
Bodem |
Zand met sterk zandige leemlenzen dikker dan 1 m |
|
Riolering |
Geen riolering aanwezig |
|
Oppervlaktewater |
Watergangen van detailafwatering van omliggende wegen |
|
Keur beschermde gebieden |
Klein deel ligt in beschermd gebied waterhuishouding |
Er ligt een klein deel van het plangebied in beschermd gebied waterhuishouding. Zie afbeelding 1.![i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2018021-e001_402007.png)
Afbeelding 1. Beschermd gebied waterhuishouding
6.2 Beleidskader
Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016 - 2021 vastgesteld. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap : samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meer waarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het vGRP 2016-2020, vastgesteld november 2016. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.
6.3 Duurzaam watersysteem
Door de aanleg van het fietspad neemt het verhard oppervlak toe met ca. 1.000 m².
De impact van deze ontwikkelingen op het watersysteem is beperkt. Daarom wordt er geen bijzondere compensatiemaatregelen / (bergings)eisen vastgesteld voor deze ontwikkeling. Regenwater kan afvloeien in aangrenzend bermen en langs liggende watergangen via de berm.
Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen, als het regenwater valt op de afvoerende oppervlakten van daken en verharding en verder afstroomt.
6.4 Watertoets
De impact van dit plangebied op het watersysteem is beperkt. De aanpak volgt het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Het bij het proces van de watertoets bijhorende wateroverleg wordt daarom maximaal verkort gevolgd. De opzet van het watersysteem is omschreven in deze waterparagraaf en direct verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het waterschap heeft dan ook geen voorlopig wateradvies verstrekt. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt dan ook (direct) verstrekt bij de terinzagelegging.
Hoofdstuk 7 Opzet planregels
7.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de 'Inleidende regels'. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 bevat de 'Bestemmingsregels'. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d. In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
Verkeer
Dubbelbestemming Leiding - Brandstof
Dubbelbestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding
Dubbelbestemming Leiding - Riool
Dubbelbestemming Waarde - Archeologie
Binnen de bestemming Verkeer is een functieaanduiding 'langzaam verkeer' opgenomen. In de begripsbepalingen is langzaam verkeer gedefinieerd als voetgangers- en (snor/brom)fietsverkeer. De gronden met de functieaanduiding langzaam verkeer zijn uitsluitend bestemd voor voetgangers- en (snor/brom)fietsverkeer.
Gebruiksregels
In de bestemming Verkeer zijn regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven.
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de 'Algemene regels' ten aanzien van de volgende aspecten:
Anti-dubbeltelregel
Artikel 9 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.
Algemene bouwregels
Artikel 10 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing,
Algemene gebruiksregels
In artikel 11 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Algemene aanduidingsregels
In artikel 12 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 13.
Algemene wijzigingsregels
Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 14.
Overige regels
Burgemeester en wethouders zijn middels artikel 16 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.
7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels
Het vierde en laatste hoofdstuk heet 'Overgangs- en slotregels'. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro verplicht de bestemmingsplanwetgever een vast te stellen bestemmingsplan te doen vergezellen door een toelichting, waarin (o.a.) zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit bestemmingsplan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.2 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan zijn bij initiatiefnemer leges in rekening gebracht. Deze zijn tevens betaald. Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de reguliere exploitatie, aangezien daar binnen het project geen middelen voor gereserveerd zijn en daar binnen de exploitatie geen budget voor geraamd is. Gelet op het vorenstaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog en vooroverleg
9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan
voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt
opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat
bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan
"Tilburg, snelfietroute Tilburg - Waalwijk" op 28 september 2018 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
De provincie Noord-Brabant is betrokken n.a.v. de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Met de mededeling van de provincie dat de herbegrenzing met de jaarlijkse ambtshalve aanpassing van de Verordening ruimte meegaat is het provinciaal belang verwoord.
9.3 Omgevingsdialoog
Ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie zijn de omwonenden van het plangebied, en dan met name de bewoners van de Bos en beemdweg en IJpelareweg betrokken bij de planvorming.
Op 12 november 2018 is het plan voor de snelfietsroute Tilburg - Waalwijk (SFR 261) besproken tijdens de inloopavond in de Postelse Hoeve. De gemeente heeft hiertoe de belanghebbenden/bewoners in de nabijheid van het plangebied uitgenodigd. De avond werd door ongeveer 10 personen bezocht. Het ontwerp van de SFR 261 is getoond en de aanwezige konden hierover vragen stellen en opmerkingen maken. Daarnaast is toelichting gegeven over de te doorlopen bestemmingsplanprocedure voor het gedeelte fietspad tussen de IJpelareweg en de Bos en Beemdweg.
Tijdens de avond zijn diverse vragen gesteld. De vragen hadden overwegend betrekking op technische zaken zoals stankoverlast van de riolering, overlast van riolering bij hevige regenval, inritconstructies bij bestaande inritten, bestaande hoogteverschillen en sluiproute van en naar het bedrijventerrein. Het verslag van de inloopavond is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen.
Verder is aangegeven dat het ontwerp als zodanig op de markt gezet is en dat de aannemer in april/mei 2019 weer met de belanghebbenden/bewoners contact opneemt en komt met een uitvoeringsontwerp. Het uitvoeringsontwerp zijn de puntjes op de i voor wat betreft het ontwerp en behelst geen substantieel andere zaken als het ontwerp wat nu voorligt.
De plannen voor het fietspad konden rekenen op instemming van de aanwezigen.
9.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van maandag 17 juni 2019 tot en met maandag 29 juli 2019 voor een ieder ter visie gelegen. Daarnaast heeft het voornemen tot herbegrenzing van het Natuurnetwerk Brabant van maandag 15 juli 2019 tot en met maandag maandag 26 augustus 2019 ter visie gelegen.
Tegen het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze ingekomen. De zienswijze is tijdig ingekomen en zodoende ontvankelijk. Verwezen zij naar de nota zienswijzen zoals gevoegd als bijlage 4 aan de toelichting. De ingediende zienswijzen zijn deels gegrond en deels ongegrond. De zienswijzen geven aanleiding tot het aanpassen van het bestemmingsplan.