direct naar inhoud van Regels

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 6e herziening (Zeusstraat 3)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2018003-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Inhoudsopgave

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

1.2 Het plangebied

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

2.1 Rijk, provincie en gemeente

Hoofdstuk 3 Externe veiligheid

Hoofdstuk 4 Overige milieuaspecten

4.1 Inleiding

4.2 Milieuhinder bedrijven

4.3 Vuurwerk

4.4 Geluid

4.4.1 Weg- en railverkeerlawaai

4.4.2 Industrielawaai

4.4.3 Luchtvaartlawaai

4.5 Lucht

4.6 Geur

4.6.1 Industriële geurhinder

4.6.2 Agrarische geurhinder

Hoofdstuk 5 Opzet planregels

5.1 Begrippen

5.2 Bestemmingen

5.3 Algemene regel

5.4 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg

7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

7.2 Omgevingsdialoog

7.3 Zienswijzen

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor het planolgisch regelen van de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) ter plaatse van de Zeusstraat 3 te Tilburg. De nieuwe risicocontour komt te liggen over de percelen sectie F. 5930 (gedeeltelijk), 6803 (gedeeltelijk) en 6785 (gedeeltelijk).

 

Op de locatie aan de Zeusstraat 3 is Versteijnen Logistics BV voornemens om hal 1 te slopen en en hal 5 en 6 hiervoor terug te bouwen. Deze bouwmogelijkheden zijn toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Vossenberg 2008'.

 

In een van deze hallen worden gevaarlijke stoffen opgeslagen en vinden overslagactiviteiten plaats. In deze hallen wordt gekozen voor een bepaalde blusinstallatie waardoor de risicocontour groter wordt en niet meer gelegen is op het eigen perceel. In het geldende artikel 7 uit het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Vossenberg 2008' is namelijk geregeld dat de contour van een Bevi-inrichting uitsluitend op eigen terrein mag liggen. In artikel 7.5.3 zijn ontheffingsmogelijkheden opgenomen die alleen zien op overschrijdingen in het openbaar gebied. In het voorliggende geval komt de contour echter ook te liggen over het perceel van FUJIFILM Manufacturing Europe BV (hierna FUJIFILM) en daarom is het noodzakelijk om dit bestemmingsplan op te stellen.

 

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied wordt globaal begrensd door de Prometheusstraat in het noorden, de Zeusstraat in het oosten en de Dongenseweg in het zuiden.

 

 [image]

Begrenzing plangebied

 

 [image]

luchtfoto plangebied

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Rijk, provincie en gemeente

Er spelen met betrekking tot dit plan geen provinciale of rijksbelangen. Daarom wordt het ruimtelijk beleidskader op provinciaal en rijksniveau (provinciale Verordening ruimte en de AMvB Ruimte) niet besproken.

 

Ook in de gemeentelijke beleidskaders, zoals de Omgevingsvisie Tilburg 2020 is niets opgenomen ten aanzien van deze locatie.

Hoofdstuk 3 Externe veiligheid

Inleiding

Het bestemmingsplan omvat de verankering van de 10-6 plaatsgebonden risicocontour van Versteijnen Logistics BV (buiten de eigen perceelsgrens) ten gevolge van de uitbreiding van de opslag van gevaarlijke stoffen. Een bestemmingsplanherziening is noodzakelijk omdat het verzoek in strijd is met het geldende bestemmingsplan (de risicocontour reikt buiten de eigen perceelsgrens).

 

Het plangebied omvat alle gronden buiten de perceelsgrens van Versteijnen Logistics BV die vallen binnen de 10-6 plaatsgebonden risicocontour zoals opgenomen in de Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) .

 

De verbeelding van het bestemmingsplan is opgenomen in figuur 1.

 

 [image]

Figuur 1: verbeelding Bedrijventerrein Vossenberg 2008 (6e herziening, Zeusstraat 3)

 

 

 

Wettelijk kader/begrippenkader en vastgesteld beleid

Algemeen

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's overwogen moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. Het bevoegd gezag hierin is de gemeenteraad.

 

Wettelijk kader

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004;

  2. Besluit transportroutes externe veiligheid (Bevt) van 1 april 2015;

  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

De gemeente Tilburg heeft naast bovengenoemde wettelijke toetsingskaders ook een gemeentelijk toetsingskader vastgesteld, namelijk beleidsvisie externe veiligheid Tilburg: "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

 

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan vier kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, het plasbrandaandachtsgebied en de verantwoording. Een nadere toelichting voor deze begrippen zijn beschreven in de laatste paragraaf van dit document, onder het kopje begrippenkader.

 

Inventarisatie risicobronnen

Met het voorliggende bestemmingsplan worden geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Via dit bestemmingsplan worden toekomstige kwetsbare objecten binnen het plangebied uitgesloten. De beoordeling van het aspect externe veiligheid richt zich op het risiconiveau van het bedrijf richting de omgeving.

 

Versteijnen Logistics BV

Het bedrijf is voornemens de op- en overslagactiviteiten met gevaarlijke stoffen uit te breiden middels de realisatie van een nieuwe opslaghal op de plaats van een van de huidige hallen (hal 1). De opslag zal uitgevoerd worden conform PGS15. Bij de aanvraag om herziening van het bestemmingsplan is een QRA (bijlage 1aangeleverd. Deze QRA is door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant beoordeeld en akkoord bevonden.

 

Plaatsgebonden risico

Ten gevolge van de voorgenomen uitbreiding neemt de grootte van de 10-6 plaatsgebonden risicocontour van Versteijnen Logistics BV toe. Deze risicocontour bevindt zich gedeeltelijk buiten de eigen perceelsgrens, over andere percelen. Vanuit de gemeentelijke beleidsvisie geldt het uitgangspunt dat deze contour niet over andere percelen mag vallen (zie 'Beleidsvisie externe veiligheid'). Conform het gemeentelijk beleid en het Bevi is het niet toegestaan binnen deze risicocontour kwetsbare objecten op te richten.

 

Met het voorliggende bestemmingsplan wordt uitgesloten dat binnen de 10-6 plaatsgebonden risicocontour (beperkt) kwetsbare objecten worden opgericht. Toekomstige knelpunten ten aanzien van het plaatsgebonden risico zijn hiermee uitgesloten. De afwijking van de gemeentelijke beleidsvisie is beschreven onder 'Beleidsvisie externe veiligheid'.

 

NB: Ten tijde van het opstellen van deze onderbouwing is het bedrijf waarover de 10-6 plaatsgebonden risicocontour is gelegen eveneens een Bevi-bedrijf, waardoor er op dat moment geen knelpunt plaatsgebonden risico zou kunnen ontstaan (Bevi-bedrijven zijn onderling niet kwetsbaar). Het is ruimtelijk echter niet uit te sluiten dat dit bedrijf in de toekomst de status van Bevi-bedrijf zal verliezen of dat er zich een ander niet-Bevi bedrijf vestigt.

 

Groepsrisico

Uit de voornoemde QRA blijkt dat het groepsrisico ten gevolge van de verdubbeling van de opslagcapaciteit toeneemt. De hoogte van het groepsrisico van Versteijnen Logistics BV neemt weliswaar toe, maar blijft onder de oriëntatiewaarde. De oriëntatiewaarde is geen grenswaarde, maar een richtwaarde waarvan het niet wenselijk wordt geacht deze te overschrijden.

 

Conclusies

Binnen het plangebied worden knelpunten ten aanzien van de 10-6 plaatsgebonden risicocontour van Versteijnen Logistics BV voorkomen. Het groepsrisico neemt toe, maar blijft onder de oriëntatiewaarde.

 

Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het plangebied aangemerkt als gemengd gebied. Bij dit gebiedstype is als beleidskader voor de 10-6 plaatsgebonden risicocontour geformuleerd dat deze binnen de inrichtingsgrenzen en gronden met bestemming verkeer, groen en/of water liggen. Met de voorgenomen uitbreiding wordt afgeweken van dit uitgangspunt uit de beleidsvisie, omdat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour over gronden van derden wordt geprojecteerd. De ruimtelijke ontwikkeling is dus strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Van dit beleidskader kan gemotiveerd worden afgeweken. Deze motivering wordt hieronder gegeven.

 

Deze specifieke afwijking van de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid wordt verantwoord geacht op basis van de volgende gronden:

 

Conclusie

Alhoewel de ruimtelijke ontwikkeling strijdig is met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid, kan ten aanzien van het plaatsgebonden risico gemotiveerd worden afgeweken van dit beleidskader.

 

Verantwoording groepsrisico

De gevolgen van de voorgenomen uitbreiding van de opslag van gevaarlijke stoffen voor het groepsrisico zijn bekend. Samen met de aanwezige mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van in de nabijheid aanwezige personen vormt dit de basis voor de verantwoording groepsrisico.

Hoewel de provincie het bevoegd gezag is van deze inrichting en derhalve de vergunning voor de uitbreiding verleent, wordt vanuit de bestemmingsplanprocedure in het kader van een goede ruimtelijke ordening de verantwoording groepsrisico ingevuld.

 

De mogelijkheden tot bestrijding van een ramp

De bestrijdbaarheid moet op twee aspecten worden beoordeeld:

 

Het risiconiveau van Versteijnen Logistics BV wordt bepaald door verschillende toxische scenario's.

 

Toxisch

Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een calamiteit er een lekkage ontstaat en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

 

Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is.

 

Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen.

 

De nieuwe hal wordt uitgevoerd conform PGS15 en uitgevoerd met een gasblusinstallatie.

 

De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp

 

Maatregelen ter beperking van het groepsrisico

Voorafgaand aan de aanvraag herziening bestemmingsplan zijn verschillende varianten ten aanzien van de voorgenomen uitbreiding opslag gevaarlijke stoffen onderzocht. Vanuit de gemeente is daarbij aangegeven dat het niet wenselijk wordt geacht de oriëntatiewaarde van het groepsrisico te overschrijden. De uitgewerkte variant heeft een groepsrisico dat lager is dan de oriëntatiewaarde.

 

Vluchtmogelijkheden

De bestaande infrastructuur in en rond het plangebied is zodanig dat er voldoende ontsluitingswegen zijn en het gebied goed te ontvluchten is.

 

Ventilatie

Bij blootstelling aan een toxisch gas is ‘schuilen’ vaak de beste wijze van zelfredzaamheid. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij bepalende factoren.

 

WAS-palen

Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een WAS-installatie. Bovendien is alarmering via NL-Alert mogelijk.

 

Risicocommunicatie

Door actief te communiceren over risico’s zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. De brandweer Midden- en West-Brabant adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico’s wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit. Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats. De aanwezige personen worden als zelfredzaam gezien.

 

Opkomsttijd brandweer

De opkomsttijd van de brandweer bedraagt ca. 6 minuten en voldoet daarmee aan het dekkings- en spreidingsplan.

 

Conclusies

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

 

Begrippenkader

Plaatsgebonden Risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan worden weergegeven met zogeheten risicocontouren; lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

 

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kan niet op de kaart worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waarbij de kans (f) wordt afgezet tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij wettelijk anders geregeld), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

 

Verantwoordingsplicht

In de wetgeving (Bevi, Bevt en Bevb) is een verplichting opgenomen het groepsrisico te verantwoorden. Deze verantwoording houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In de wetgeving zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording moet voldoen.

 

(beperkt) Kwetsbaar object/ Bjizonder kwetsbaar object

De (beperkt) kwetsbaarheid van objecten is vastgelegd in wet en regelgeving. Deze regelgeving is in de beleidsvisie externe veiligheid "Veilig en verantwoord ontwikkelen"

 

Een kwetsbaar object is vastgelegd in regelgeving;

 

Beperkt kwetsbaar object

 

Bijzonder kwetsbaar object

Er zijn mensen, die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking of een zeer jonge leeftijd. Het is niet wenselijk dat deze niet-zelfredzame mensen nabij risicovolle activiteiten wonen of verblijven. We definiëren de objecten waarin dergelijke mensen wonen of verblijven als bijzonder kwetsbare objecten.

Hoofdstuk 4 Overige milieuaspecten

 

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe de overige milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Het betreft alleen de wijziging van de plaatsgebonden risicocontour. De milieucategorie wijzigt niet ten opzichte van het vigerend plan. Voor omliggende woningen kan daarmee nog steeds een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.

4.3 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.4 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

4.4.1 Weg- en railverkeerlawaai

Er is geen sprake van de oprichting van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen. Dit betekent dat er geen toetsing aan de (normen van de) Wet geluidhinder hoeft plaats te vinden.

4.4.2 Industrielawaai

De inrichting Versteijnen, Zeusstraat 3, is gelegen op het gezoneerd industrieterrein Vossenberg. Ten aanzien van de bedrijven gelegen op dit gezoneerd industrieterrein is hoofdstuk V ("Zones rond industrieterreinen") uit de Wet geluidhinder van toepassing. In de plankaart behorende bij het vigerend bestemmingsplan is de 50 dB(A)-contour, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 25 juni 1993, vastgelegd. De optredende geluidbelasting ten gevolge van alle bedrijven tezamen mag ter plaatse van de zonegrens niet meer te bedragen dan 50 dB(A)-etmaalwaarde en de in het kader van sanering vastgestelde maximaal toelaatbare grenswaarde (MTG).

 

Het vastleggen van de nieuwe PR 10-6-contour heeft geen akoestische relevantie en leidt niet tot wijziging van de vastgestelde 50 dB(A) contour. Voor het wijzigen van de inrichting kan volstaan worden met een melding Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de inrichting inpasbaar moet zijn binnen de zone, voldoet ter plaatse van de MTG-woningen en voldoet aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit wordt separaat beoordeeld in het kader van het milieuspoor.

4.4.3 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

Het vastleggen van de nieuwe PR 10-6-contour heeft geen gevolgen voor de luchtkwaliteit anders dan op basis van het vigerend bestemmingsplan al is toegestaan. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.6 Geur

 

4.6.1 Industriële geurhinder

Er is geen wijziging ten opzichte van de bestaande situatie. Er is dus nog steeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6.2 Agrarische geurhinder

In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

Hoofdstuk 5 Opzet planregels

 

5.1 Begrippen

In het eerste artikel zijn de relevante begrippen opgenomen.

5.2 Bestemmingen

In dit bestemmingsplan zijn geen afzonderlijke bestemmingen opgenomen. Er worden alleen regels toegevoegd ten aanzien van de plaatsgebonden risicocontour.

 

De genoemde regels worden toegevoegd aan het bestaande bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Vossenberg 2008'. Voorliggende bestemmingsplan geldt naast het genoemde bestemmingsplan. De bestemmingen uit het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Vossenberg 2008' blijven, naast de regels uit dit plan, gelden.

5.3 Algemene regel

In deze regel is de regeling opgenomen die geldt voor het plaatsgebonden risico PR 10-6 ter plaatse van het plangebied.

5.4 Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk heet 'Overgangs- en slotregels'. Hier is het overgangsrecht te vinden met het betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg

 

7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 16 maart 2018 gepubliceerd in Stadsnieuws.

7.2 Omgevingsdialoog

Door de toevoeging van de regels uit dit bestemmingsplan aan het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Vossenberg 2008 ' wordt een beperking gelegd op het perceel van FUJIFILM voor wat betreft de nieuwvestiging van (beperkt)kwetsbare objecten. Met deze partij is uitvoerig gesproken en er is overeenstemming bereikt tussen FUJIFILM en Versteijnen over de beperking op het perceel. Deze afspraken zijn door FUJIFILM bevestigt in een brief aan Versteijnen d.d. 22 februari 2018. De gemeente heeft een kopie van deze brief ontvangen.

7.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.

N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober