Bedrijvenpark Charlotte e.o. 2018 (deel 2)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Inleiding 3
1.1 Ontwikkelplan aanleiding tot planontwikkeling 3
1.2 Het plangebied 3
1.3 Voorgaande plannen 3
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 5
2.1 Ruimtelijke structuur 5
2.2 Functionele structuur 5
2.3 Stedenbouwkundige motivatie 5
2.4 Technische infrastructuur 5
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 8
3.1 Inleiding 8
3.2 Rijk 8
3.2.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking 8
3.3 Provincie 10
3.3.1 Structuurvisie 10
3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 10
3.4 Gemeente 11
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders 14
4.1 Inleiding 14
4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 14
4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 14
4.4 Groen en speelruimte 16
4.5 Bedrijvigheid 18
4.6 Verkeer en parkeren 22
4.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg 22
4.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 22
4.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' 22
4.7 Overige onderwerpen 23
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten 25
5.1 Milieueffectrapportage 26
5.2 Milieuhinder bedrijven 26
5.3 Externe veiligheid 26
5.4 Vuurwerk 28
5.5 Geluid 28
5.6 Lucht 28
5.7 Geur 29
5.8 Bodem 29
5.9 Natuur en ecologie 30
Hoofdstuk 6 Wateraspecten 37
6.1 Waterparagraaf 37
Hoofdstuk 7 Opzet planregels 44
7.1 Inleiding 44
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels 44
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels 46
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels 47
7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels 47
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 48
8.1 Uitvoerbaarheid 48
Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg 49
9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 50
9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 51
9.3 Omgevingsdialoog 53
9.4 Zienswijzen 54
Hoofdstuk 1 Inleiding
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Ontwikkelplan aanleiding tot planontwikkeling
Op 10 april 2015 is er een verzoek ingediend tot herziening van de bestemmingsplannen 'Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven' en 'Bedrijventerrein Kraaiven 2008' om de reeds bestaande bedrijfskavels in deze bestemmingsplannen te optimaliseren.
Het bestemmingsvlak voor het bedrijventerrein uit het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven' wordt verplaatst waardoor de kavel aansluit aan de bedrijfsbestemming die het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kraaiven 2008' is gelegen. Het nieuwe bedrijfskavel is een samenvoeging van twee delen bedrijventerrein uit voorgenoemde bestemmingsplannen. Tevens wordt er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om, indien nodig voor optimalisatie van de kavel (s), een gedeelte 'bos' te wijzigingen in 'bedrijventerrein'.
Voor een verdere onderbouwing en motivering verwijzen wij u naar hoofdstuk 6 Bedrijvigheid.
Het perceel in het westen van het plangebied is in eigendom van de gemeente. Dit perceel krijgt een bestemming 'bos' en hierop wordt de compensatie van de aantasting van Natuur Netwerk Brabant (NNB) ter plaatse van Charlotte geregeld. Hetzelfde geldt voor het gedeelte dat direct ten westen van de bedrijfsbestemming is gelegen. Zie voor verdere uitwerking paragraaf 5.8.
1.2 Het plangebied
Charlotteoord ligt aan de noordwestelijke rand van de stad langs de Dongenseweg. Het plangebied wordt aan de zuidwestzijde begrensd door een gedeelte van de Dongenseweg, de Swaardvenstraat (deels) aan de zuidoostzijde en de Zevenheuvelenweg. Daarnaast wordt ook het perceel gelegen aan de Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg meegenomen.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402000.png)
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan vervangt:
Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven (gedeeltelijk), vastgesteld op 24 september 2007.
Bedrijventerrein Kraaiven 2008 (gedeeltelijk), vastgesteld op 12 oktober 2009.
Bedrijventerrein Vossenberg 2008 (gedeeltelijk), vastgesteld op 4 juli 2011.
Bedrijvenpark Charlotte e.o 2018 (deel 1) (gedeeltelijk), vastgesteld op 10 september 2018.
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
2.1 Ruimtelijke structuur
Het plangebied ligt aan de westzijde van bedrijventerrein Kraaiven aan de Dongenseweg.
Een interessant gedeelte van het gebied is de locatie van het voormalige revalidatiecentrum Charlotteoord ten noorden van de Dongenseweg. Dit landgoed lag lange tijd aan de noordwestelijke rand van de stad langs de weg naar Dongen. Door de realisatie van het bedrijventerrein Vossenberg, de aanleg van de Burgemeester Letschertweg en de aansluiting hiervan op de Burgemeester Van Voorst tot Voorstweg is de ruimtelijke context in de afgelopen decennia drastisch gewijzigd. Het landgoed ligt nu tussen de bedrijventerreinen Kraaiven, Vossenberg, Albionstraat en de Burgemeester Letschertweg in. Ten westen van het landgoed ligt een gemengd gebied dat voornamelijk uit bosgebied en landbouw bestaat. Ten noorden ligt een bosgebied met daarin een voormalige afgraving met open water die openbaar toegankelijk is.
2.2 Functionele structuur
De grond van het voormalige revalidatiecentrum is nu een braakliggend terrein omgeven door bosgebied. Het geldende bestemmingsplan staat in het midden van het terrein bedrijvigheid toe maar de bedrijfsbestemming is incourant gebleken. Van de bebouwingsmogelijkheden is daarom nooit gebruik gemaakt. Wegens gebrek aan beheer maakt het gebied een rommelige indruk.
2.3 Stedenbouwkundige motivatie
Het opnieuw verkavelen van de gronden van het voormalige revalidatiecentrum Charlotteoord biedt kansen om de incourante bedrijfskavels te transformeren tot courante. Door de nieuwe kavels samen te voegen met de nog niet in gebruik genomen bedrijfskavels aan de Zevenheuvelenweg kan een kavel in het segment grootschalig worden aangeboden. Er is veel vraag naar dit soort 'mega' kavels. De nieuwe bedrijfskavels krijgen dezelfde bebouwingsmogelijkheden als op het bestaande bedrijventerrein (bouwhoogte tot 15 meter en maximaal 75% van het perceel bebouwen). Omdat de kavels vrijwel geheel wordt omringd door bos wordt dit ruimtelijk aanvaardbaar geacht.
Het wijzigen van de verkaveling van het gebied is tevens een mogelijkheid om het enigszins versnipperd bos om te zetten in een eenduidiger en robuuster bosgebied. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit en het beheer van het gebied ten goede.
2.4 Technische infrastructuur
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402001.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402001.jpg)
Klickmelding
Primaire infrastructuur in het gebied:
Gasunie (bestemmingsplan R (vt, volkstuin))
Gemeente Tilburg (vrij verval en persleiding)
BrabantWater
Secundaire infrastructuur in het gebied:
Enexis Hogedrukgas
Enexis Middenspanning
BrabantWater
Ennatuurlijk Stadsverwarming
Telecommunicatie netwerken
Vd Donk BBTB
Eurofiber
KPN
Ziggo BV
BT nederland
Tertiaire infrastructuur :
Enexis Lagedrukgas
Enexis laagspanning
BrabantWater
Ennatuurlijk Stadsverwarming
Telecommunicatie netwerken
vdbFabory
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402002.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402002.jpg)
Bij loop 119 bevinden zich primaire warmteleidingen en een expansie putconstructie van netbeheerder Ennatuurlijk. Verder heeft Ennatuurlijk een voormalige buitendienst zijnde huisaansluiting van Charlotteoord in beheer.
Netbeheerder Enexis heeft een hoge en lagedruk gasleiding netwerk op deze locatie. Exacte ligging van de ondergrondse infra dient middels proefsleuven te worden vastgesteld en in overleg met de netbeheerders en ontwikkelaar (ivm toekomstige behoefte) te worden besproken.
Bij eventuele reconstructies/herinrichtingen/nieuwe ontwikkelingen in het plangebied dienen de financiële gevolgen te worden onderzocht en te worden getoetst op regelingen uit de privaatrechtelijke overeenkomsten en criteria uit de telecommunicatiewet en warmtewet 2014.
Beleidskader:
Telecommunicatiewet : juridisch beleid inzake telecommunicatie- netwerken. Het verleggen van glasvezel- en/of koperkabels voor telefoon, internet en televisie is in de Telecommunicatiewet en de Telecomverordening Tilburg geregeld. De grondeigenaar is verplicht telecommunicatiekabels te gedogen (toe te staan) in zijn grond. De telecom beheerder regelt de verlegging; de kosten zijn in principe voor haar rekening (artikel 5.7. lid 1). Eventuele geschillen worden door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) of de rechter beslecht.
Privaatrechtelijke overeenkomsten met nutsbedrijven waaronder Enexis (voormalige PNEM) en Brabant Water (voormalige TWM). In verband met het ontbreken van uniforme regelgeving zijn er in het verleden door gemeente Tilburg, Berkel-Enschot en Udenhout met bovengenoemde bedrijven afzonderlijke regelingen afgesproken. Bij verleggingen moeten wij de kosten betalen, de offerte wordt door het cluster Leidingcoordinatie getoetst.
Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BevB): Op 1 januari 2011 is het BevB in werking getreden. Dit is van toepassing voor leidingen met gevaarlijke stoffen waaronder aardgas.
Vergunningen, toestemming (nuts) of instemmingsbesluit (telecom), ondergrondse infrastructuur. Verantwoordelijk hiervoor is cluster Leidingcoördinatie.
Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) heeft tot doel om graafincidenten te voorkomen en de informatie uitwisseling over de ligging van kabels en leidingen te reguleren. Het Kadaster is het informatieloket en zorgt ervoor dat de informatie uitgewisseld kan worden (KLIC).
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.
3.2 Rijk
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.
3.2.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan.
Eind 2014 heeft Bureau Buiten een kwantitatieve prognose gemaakt voor de vraag naar bedrijventerreinen in Noord-Brabant tot en met 2040. In het tweede kwartaal van 2015 heeft Stec Groep een kwalitatieve analyse van die ruimtevraag gemaakt. Beide rapportages zijn door de provincie Noord-Brabant en de 4 RRO-regio's benoemd als bouwstenen voor de nieuwe bedrijventerreinenafspraken. Uit de rapporten blijkt dat nog extra ruimtevraag te verwachten is voor met name grootschalige kavels (groter dan 5 hectare).
Door optimalisatie van het bestemmingsvlak bedrijvigheid aan de Zevenheuvelenweg (uit het bestemmingsplan Kraaiven) en het verschuiven van het bestemmingsvlak bedrijvigheid (uit Charlotteoord) ontstaat één grootschalige kavel van circa 10 hectare. Daarnaast wordt aansluitend op het te verleggen bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op een stuk grond van ongeveer 1,4 hectare.
De bedrijvigheid uit het bestemmingsplan Kraaiven is al bouwrijp en opgenomen in een bestaand bestemmingsplan. De nog te ontwikkelen bedrijvigheid van het gedeelte uit bedrijvenpark Charlotte is opgenomen in de regionale afspraken bedrijventerreinen 2016-2025 Hart van Brabant als groen. Deze code betekent dat de locatie al een harde plantitel heeft en ter uitvoering mag worden gebracht. De bedrijvigheid is dan ook afgestemd en akkoord bevonden in de regio.
De 1,4 hectare die later gewijzigd kan worden van bos naar bedrijventerrein zal op het moment dat er een wijzigingsplan wordt opgesteld regionaal worden afgestemd en op dat moment zal er ook getoetst worden aan art. 3.1.6 Bro. Dit wordt ook opgenomen in de regels bij deze wijzigingsbevoegdheid.
Door deze acties uit te voeren wordt een nieuwe kavel gecreëerd die voorziet in een actuele regionale behoefte. Deze is zowel kwantitatief, actuele en voorziene ruimtevraag als kwalitatief, want er is behoefte aan zeer grootschalige kavels. In hoofdstuk 4.5 wordt de behoefte nader onderbouwd.
De ontwikkeling betreft feitelijk een herontwikkeling en optimalisatie van bestaand gebied. Dit sluit aan op gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen ten aanzien van zorgvuldig en efficiënt ruimtegebruik.
Conclusie
Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is toepassing geven aan art. 3.1.6 Bro.
3.3 Provincie
3.3.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:
De kwaliteit van het landschap;
De ontwikkeling van het buitengebied;
De regionale verstedelijking.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Deel C
Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.
Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014
Provinciale Staten van Noord Brabant hebben in hun vergadering van 10 juli 2015 de Verordening ruimte 2014 opnieuw vastgesteld. Deze verordening is op 15 juli 2015 in werking getreden.
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Plangebied
In de Verordening zijn delen van het plangebied aangewezen als 'Natuurnetwerk Brabant'.
Natuurnetwerk Brabant
Een groot deel van het plangebied (noordelijk deel) maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant, waarbij rekening gehouden dient te worden met de ecologische waarden. Een gedeelte van het huidige Natuurnetwerk wordt bestemd als 'bos'. Het andere gedeelte wordt herbegrensd (op grond van artikel 5.4. Verordening ruimte) zodat er een meer aaneengesloten eenheid ontstaat ten opzichte van de huidige situatie. Ook worden er nog 3 andere gebieden toegevoegd aan het NNB om zo de benodigde compensatie te regelen. De Verordening bevat regels ten aanzien van deze herbegrenzing en compensatie van het Natuurnetwerk.
Dit is wordt nader uitgewerkt in paragaaf 5.9
3.4 Gemeente
3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
De Omgevingsvisie geeft voor de plannen in dit bestemmingsplan niets concreets aan.
3.4.2 Overige gemeentelijke structuurvisies
3.4.2.1 Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR)
In de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR) is het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgenomen, waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie.
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
Een nieuwe verkaveling biedt kansen om de incourante bedrijfskavels te transformeren tot courante. Door de kavels samen te voegen met de nog niet in gebruik genomen bedrijfskavels aan de Zevenheuvelenweg kan zelfs een kavel in het segment grootschalig worden aangeboden. Er is veel vraag naar dit soort kavels, vooral vanuit de logistieke wereld. Uit ruimtelijk oogpunt kan op het nieuwe bedrijfskavel aansluiting worden gezocht bij de bebouwingsmogelijkheden op het bestaande bedrijventerrein. Een bouwhoogte van 15 meter en een bebouwingspercentage van 75% worden ruimtelijk aanvaardbaar geacht.
Het wijzigen van de verkaveling van het gebied is tevens een mogelijkheid om het enigszins versnipperde bos om te zetten in een eenduidiger en robuuster bosgebied. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit ten goede en lijkt voordelen te bieden voor het beheer van het gebied.
4.2.1 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.
Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.
Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.
4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
Historische geografie
Het landgoed Charlotte-Oord ligt deels op lage landduinen met bijbehorende laagten en vlakten en wordt omgeven door dekzandruggen. Deze dekzanden liggen op de oudere rivierafzettingen van de Maas en zijn 3 tot 4 meter dik. De Centrale Slenk grenst hier vlak aan het Kempisch Hoog (een tektonisch stijgingsgebied). Vanaf hier helt dit deel van het centrale dekzandlandschap af richting noord en noordoost, naar de Maas en ‘s-Hertogenbosch. Op de rand van het Kempisch Hoog stroomt de Donge richting Dongen en Geertruidenberg (afhelling naar noord en noordwest).
Voor de ontwikkeling van Kraaiven als bedrijventerrein, bestond het landschap uit ontgonnen heide in het oosten, de Kraaivensche Akkers en een gedeeld heide-bosbestand in het westen. Het oorspronkelijk reliëf bestond uit lokaal verstoven dekzand met als bepalende elementen dekzandruggen en laagten met bijbehorende vennen. De Kraaivensche Akkers lagen grotendeels op de hoge, droge oostelijke zandgronden en hoorden bij de historische linten Lngstraat en Kraaivenschetraat, waarlangs de bebouwing zich concentreerde.
Het Industrieterrein Noord, het Kraaiven, is genoemd naar de oude woonbuurt en akkergebied: dat Creijven. De gemeenschappelijke heide ten westen hiervan waar het industrieterrein grotendeels op ligt, wordt in de stukken tussen 1530 en 1550 niet met name genoemd, maar heette gewoon de ‘gemeint’. Dat dit akkergebied nog steeds ven wordt genoemd, wilt zeggen dat al deze akkers daar ontgonnen zijn uit een grazige heide.
Hoewel de toenmalige nederzettingsstructuur oorspronkelijk een verspreid karakter vertoond moet hebben, was er ook sprake van een zekere bewoningsconcentratie langs het tracé van de oude Kraaivensestraat (ter hoogte van de huidige Kraaivenstraat) en in mindere mate ook langs het tracé van de voormalige Langstraat (ruwweg tussen Hasseltplein en kruising Zevenheuvelenweg-Swaardvenstraat).
Ten westen en noorden van het voormalige gehucht Kraaiven werd het grondgebied begrensd door heidegronden. De voormalige Langstraat kwam uit op de heide en heette daar ook Hei Eind. Ook het verlengde van de oude Kraaivensestraat, de voormalige Postelstraat, kwam uit op de heide. Tussen de Langstraat en de Kraaivensestraat lagen de Kraaivensche Akkers. Ook aan de andere zijden van de genoemde straten strekten de akkers zich nog een stukje uit.
Het landgoed Charlotte-Oord is grotendeels gelegen in een gebied dat oorspronkelijk een reliëfrijk heidegebied was. De huidige bebouwing daar is recent (jaren zeventig) en wordt nog steeds omgeven door een reliëfrijk naaldbosgebied. Na de aanleg van de Dongenseweg omstreeks de eeuwwisseling waren aan het begin van de twintigste eeuw op de locatie van het huidige Charlotte-Oord de zogenaamde lighallen van Tilburg gevestigd. Deze waren aanvankelijk bedoeld voor zwakke kinderen, maar dienden daarna voor de opvang van lijders aan tuberculose of tering. Zij waren in 1956 gesticht door Charlotte Wagemakers naar wie het in 1956 opgerichte Charlotte-Oord werd genoemd. Dit oord was een revalidatiecentrum, op initiatief van dr. J. Stolte, ontstaan na de polio-epidemie van 1951 in Tilburg. De meeste oorspronkelijke bebouwing is in de jaren na 2002 gesloopt.
De herinrichting van het gebied in de tweede helft van de twintigste eeuw betekende de teloorgang van de historische structuur. Een groot deel van de terreinen werd geëgaliseerd en de historische lijnen werden vervangen door een rechtlijnig functioneel stratenpatroon. Relicten van het landschap in het plangebied Kraaiven zijn tot op heden de Dongenseweg en de IJpelareweg en de stuifzanden op de gronden van Charlotte-Oord.
Met de aanleg van het bedrijventerrein in de periode vanaf 1950 is het plangebied grotendeels geëgaliseerd.
Archeologie
AMK: in of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen in de AMK.
IKAW: het plangebied is niet gekarteerd op de IKAW.
ArWaTi: het plangebied is gebied is gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting.
In het kader van het vigerende beheerbestemmingsplan voor het industrieterrein Kraaiven werd in opdracht van de gemeente Tilburg een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd door BILAN-Fontys Hogescholen (BILANRAPPORT 2003/26). Het onderzoek bestond onder meer uit een bureaustudie voor het gebied Kraaiven. Het gebied is gelegen te midden van hogere zandgronden. De gronden in Kraaiven zijn nog bedekt door een laag stuifzand of door een esdek. Deze factoren waren aanwezig vóór de aanleg van het industrieterrein. Het gebied had toen dan ook een hoge archeologische waarde, hetgeen ondersteund wordt door de vondsten die in de jaren tussen 1957 en 1975 door amateurarcheologen zijn gedaan. In het onderzoeksgebied zijn immers nederzettingssporen aangetroffen uit het laat -paleolithicum en het Mesolithicum. Daarnaast bevonden zich in het gebied tenminste zes grafheuvels uit de bronstijd die al in de negentiende eeuw waren afgegraven.
In het onderzoeksgebied hebben in de tweede helft van de twintigste eeuw sterk bodemverstorende activiteiten plaatsgevonden. Door de egalisatie van de terreinen bij het bouwrijp maken en de aanleg van de infrastructuur is de oorspronkelijke bodemopbouw in een groot deel van het gebied sterk aangetast. Indien daarbij sprake was van een verstoring tot op het dekzand, dan is de archeologische waarde van de locatie nihil.
Aangezien er in het gebied echter sprake is van landduinen, kunnen zich afhankelijk van de dikte van het nog aanwezige pakket stuifzanden en de diepte van verstoring, onder de bebouwing nog resten van steentijdoccupatie bevinden. Wanneer sprake is van een bewaard esdek, blijft de archeologische waarde van de terreinen onverminderd hoog. De locaties die ongeroerd bleven door bodemverstoringen of die slechts gedeeltelijk zijn verstoord, hebben nog altijd een archeologische verwachting.
Na vooronderzoeken in 2003 en 2007 werd in 2011 een deel van het plangebied middels een definitieve opgraving archeologisch onderzocht door BAAC – BILAN: RAPPORT 2011/B1470 Tilburg (NB), Charlotte Oord Definitieve opgraving. Hierbij werden onder meer vuursteen artefacten en aardewerkfragmenten die grotendeels in de Bronstijd te dateren zijn gevonden. Grondsporen werden niet aangetroffen.
In mei 2018 is het plangebied nader onderzocht door middel van bureauonderzoek (zie bijlage 1) en is er een verwachtingenkaart gemaakt. Op basis van dit onderzoek zijn er in delen van het plangebied een dubbelbestemming waarde-archeologie op genomen en is daaraan een omgevingsvergunning gekoppeld zodat steeds per ontwikkeling bezien kan worden of en zo ja, welke vorm van archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen.
In het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In het plangebied komen geen panden voor uit die periode.
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het Wilhelminakanaal dat in de periode 1917-1919 werd aangelegd. Het kanaal krult ten noorden en oosten om de toenmalige bebouwde kom van Tilburg heen en doorsneed de bestaande historische structuren. Het kanaal zelf kan beschouwd worden als een historisch-geografische lijn van hoge waarde.
Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.
Advies.
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkelingen. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.
Voor wat betreft de archeologie wordt aanbevolen om over delen van het gehele plangebied de dubbelbestemming waarde archeologie op te nemen en deze te koppelen aan de in een omgevingsvergunning op te nemen aanlegvergunning zodat steeds per ontwikkeling bezien kan worden of en zo ja, welke vorm van archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
4.4 Groen en speelruimte
4.4.1 Bomennota Tilburg boomT
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402003.png)
Boomwaardezoneringskaart
Maatregelen in bestemmingsplan
De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op een bijlagekaart (boomwaardekaart) bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8m en 15m vanuit het hart van de desbetreffende boom.
4.4.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
4.4.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
4.5 Bedrijvigheid
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402004.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402004.jpg)
Deel 1 is momenteel gelegen aan de Zevenheuvelenweg en behoort tot het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kraaiven 2008'. Dit deel heeft al voor het overgrote deel een bestemming 'bedrijventerrein'. De oppervlakte van dit deel bedraagt circa 5,8 hectare (bouwrijp). Deel 1 wordt door een verkeersbestemming in 2 delen verdeeld, waarbij ieder van die 2 delen in nog kleinere delen verkaveld kan worden.
Slechts één bedrijfskavel in deel 1 (hoek Swaardvenstraat/Zevenheuvelweg) is tot ontwikkeling gebracht. De op deel 1 nog uit te geven gronden vormen een aaneengesloten geheel met een uitgeefbare oppervlakte van circa 5,8 hectare, gesplitst in twee delen door een (nog niet aangelegde) verkeersbestemming. Deel 1 heeft marktkansen in de huidige opzet waarbij een kleinschalige verkaveling is voorzien. Deze kleinschalige verkaveling biedt flexibiliteit in indeling en dus in mogelijke schaalgroottes voor te vestigen bedrijven.
Inmiddels is er een vergunning verleend om in afwijking van het nu nog geldende bestemmingsplan op een gedeelte van deel 1 bedrijvigheid te vestigen. De afwijking betreft o.a. het gedeelte met de bestemming 'verkeer en verblijf'.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402005.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402005.jpg)
Deel 2 is gelegen in het bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven'. Het bedrijfskavel hierin bedraagt circa 4,2 hectare en is ontsloten vanaf de Swaardvenstraat. Hierop is kleinschalige verkaveling of een ontwikkeling in zijn geheel mogelijk. De beoogde bedrijvigheid is hoogwaardig naar aard en uitstraling. Dit blijkt met name uit de mogelijkheid voor een relatief grote kantooroppervlakte in relatie tot de bedrijfsvloeroppervlakte. In dit bestemmingsplan is een zeer beperkte categorie van bedrijven toegestaan, die tot een milieucategorie 3.1 moeten behoren.
Deel 2 is nooit tot ontwikkeling gekomen. Dit komt doordat het bestemmingsvlak door de grillige vormgeving niet optimaal te verkavelen is, noch voor een kleinschalige dan wel grootschalige verkaveling. Ook is de beperkte zichtbaarheid, door de omringende bossen, nadelig voor de beoogde hoogwaardige invulling van het gebied.
Om de marktkansen voor deel 2 te vergroten, maakt de gemeente de keuze om in dit bestemmingsplan de bestemming bedrijvigheid op een andere plek te leggen. De bestemming bedrijvigheid wordt verschoven naar het noordoostelijke deel van het plangebied, zodat het direct aansluit op deel 1 in het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kraaiven 2008'. Ook wordt de grillige vorm van de bestemming aangepast naar een rechthoekige vorm. Door deze aanpassingen ontstaat een aaneengesloten bestemmingsvlak voor bedrijvigheid met een bijna vierkante vorm met een oppervlakte van circa 10 hectare dat voor 75 % mag worden bebouwd. Het resultaat is een plangebied dat op een gefaseerde, adaptieve vraaggerichte wijze te ontwikkelen is. Het is geschikt voor (combinaties van) kleinschalige en grootschaligere bedrijvigheid en indien de vraag zich voordoet zelfs aan 1 of 2 zeer grootschalige partijen. De combinatie van deel 1 en deel 2 bieden op deze manier zeer veel flexibiliteit om concrete marktvraag te kunnen faciliteren.
Om de marktkansen van het gecombineerde plangebied bestaande uit deel 1 en deel 2 nog verder te vergroten, wordt voor een rechthoekige strook van 1,4 hectare, aan de noordwestelijke kant direct aansluitend op het te verleggen bestemmingsvlak van deel 2, een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Hierdoor kan een optimalere breedte/diepte verhouding gecreëerd worden indien zich op (een combinatie van) de twee percelen grootschalige (logistieke) bedrijven zouden willen vestigen.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402006.png)
Het nieuwe gebied bestaat hierdoor uit de onderstaande 3 delen. Als in het vervolg van deze paragraaf wordt gesproken over deel 1, deel 2 of deel 3, dan worden de delen uit deze afbeelding bedoeld.
Deel 1 heeft een breedte van circa 308 meter en een diepte van circa 164 meter. Daardoor is het mogelijk om daar ook één zelfstandig (logistiek) bedrijf te ontwikkelen. Dit bedrijf is dan - in geval het een logistiek bedrijf is - met de laaddocks georiënteerd op de Zevenheuvelenweg. De achterzijde van dit gebouw, grenzend aan deel 2, heeft dan geen functie voor de bedrijfsvoering.
Gezien vanaf de Swaardvenstraat heeft deel 2 nu een breedte van 169 meter en een diepte van circa 302 meter. Op het perceel is allerlei bedrijvigheid mogelijk. Door deze breedte en diepte verhouding is deel 2 ook zelfstandig geschikt voor het vestigen van bijvoorbeeld een logistiek bedrijf. De ideale maatvoering voor een kavel voor een logistiek bedrijf is als volgt:
voorterrein met dock van 40 meter diep
gebouwdiepte van 125 meter
een terreindiepte van 40 + 125= 165 meter diep
De wijzigingsbevoegdheid voor deel 3 zorgt dat het - in geval van concrete vraag - eventueel mogelijk wordt om op de delen 1, 2 en 3 tezamen één zeer groot (logistiek) bedrijfsgebouw met voldoende ruimte voor laden, lossen en manoeuvreren te realiseren.
Indien de toekomstige eigenaar van deel 1 de volledige bebouwingsmogelijkheden gebruikt en het bestaande gebouw wil uitbreiden op deel 2, dan is het 'spiegelen' (gelijke bouwmaten) van dit bestaande gebouw mogelijk door de breedte van deel 2 (169 meter). Het meest efficiënt is als gebruik gemaakt kan worden van de wijzigingsbevoegdheid (deel 3), omdat dan spiegelen over de volledige lengte van een gebouw mogelijk is. Spiegelen is vanuit bedrijfseconomische redenen de meest gunstige manier om tot een efficiënte indeling te komen.
Andere invullingen van de 3 delen zijn ook denkbaar. Denkbaar is bijvoorbeeld een invulling met twee of meer bedrijven die zich willen oriënteren vanaf de Zevenheuvelenweg en een groter bedrijf aan de zijde van de Swaardvenstraat. Het is dan niet per definitie nodig om de wijzigingsbevoegheid te gebruiken. Dit voorliggende bestemmingsplan zorgt dat de invulling van het totale plangebied op een veel flexibelere manier mogelijk is dan in de huidige bestemmingsplannen.
Binnen de bestemming Bedrijventerrein worden bedrijven van de milieucategorie 3.1 t/m 3.2 toegestaan. Tevens wordt een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor categorie 2 bedrijven die vanwege de hinder en omvang niet in de stedelijke (woon)omgeving passen.
4.6 Verkeer en parkeren
4.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
4.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
4.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
4.6.4 Plangebied
Omliggende wegenstructuur:
Aan de noordzijde is het plangebied ontsloten door de Zevenheuvelenweg. Dit wegvak is een weg op bedrijventerrein met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/h. Deze weg heeft met name een ontsluitende functie voor de aanliggende bedrijfspercelen. Het plangebied is aan de oostzijde ontsloten door de Swaardvenstraat. Dit is een gebiedsontsluitingsweg met een maximaal toegestane rijsnelheid van 50 km/h. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de Dongenseweg, een gebiedsontsluitingsweg met een maximaal toegestane rijsnelheid van 50 km/h.
Ontsluiting:
De ontsluiting van het perceel kan plaatsvinden via de Zevenheuvelenweg en via de Swaardvenstraat.
De ontsluiting op de Swaardvenstraat dient recht tegenover de tegenover gelegen Ledeboerstraat te liggen of op een afstand van minimaal 50 meter, hart rijbaan, ervandaan en niet aan te sluiten in voorsorteervakken van de verkeerslichten. Aan de zijde van de Dongenseweg mag geen nieuwe ontsluiting worden gerealiseerd. Ontsluiting op de Dongenseweg kan plaats te vinden via de bestaande in- en uitritten. Deze in- en uitritten zijn alleen geschikt als secundaire ontsluiting en voor beperkte hoeveelheden verkeer.
Manoeuvreren dient op eigen terrein plaats te vinden zodat er altijd vooruit de openbare weg op en afgereden kan worden.
Als vrachtverkeer moet wachten om het terrein op te kunnen mag dit de doorgaande openbare weg niet blokkeren.
Laden en lossen:
Laden en lossen moet plaatsvinden op eigen terrein.
Parkeren:
Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de vastgestelde normen van de gemeente Tilburg zoals vastgelegd in de parkeernotitie gemeente Tilburg. Deze is toegevoegd als bijlage 2.
Fietsroutes:
Het plangebied is ontsloten door een tweetal sternetfietsroutes. Aan de oostzijde loopt een sternetfietsroute via de Swaardvenstraat en aan de zuidzijde loopt een sternetfietsroute via de Dongenseweg. Er is een fietsverbinding via Sluis III over het kanaal in voorbereiding, zodat men via de Albionstraat met de wijken ten zuiden van het kanaal is verbonden. Individuele locaties zijn niet via een separate fietsvoorziening bereikbaar. De ontsluiting hiervoor vindt plaats via de dezelfde route als die voor autoverkeer.
Fietsstalling:
Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Bij een bouwontwikkeling dient een inschatting van de behoefte aan stallingsvoorzieningen te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW (zie de CROW Kennisbank). Deze verwachte stallingbehoefte beschouwen wij als een richtlijn. Bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor een bouwplan dient de initiatiefnemer aan te geven op welke manier wordt voorzien in voldoende fietsstallingsvoorzieningen. Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte. . Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate in de stallingsbehoefte wordt voorzien.
Openbaar vervoer:
Via de Dongenseweg loopt een streeklijn van het openbaar vervoer met een halte juist ten westen van de Swaardvenstraat.
4.7 Overige onderwerpen
4.7.1 UMTS
Bij besluit van 12 maart 2007 heeft de raad nieuw beleid voor de plaatsing van zendmasten voor mobiele telefoons (GMS en UMTS) vastgesteld.
(Internationale) gezondheidsraden geven aan dat zendmasten geen risico vormen voor de gezondheid. Desondanks wil de gemeente Tilburg zendmasten op een zo verantwoord mogelijke manier inpassen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen vergunningsvrije en vergunningsplichtige zendmasten.
Zendmasten tot vijf meter mogen vergunningsvrij geplaatst worden. Jaarlijks ontvangt de gemeente een plaatsingsplan van de gezamenlijke aanbieders van mobiele telefonie. Daaruit blijkt waar reeds masten zijn geplaatst en waar masten eventueel gewenst zijn. Met aanbieders van mobiele telefonie is de afspraak gemaakt dat zij de masten zo veel mogelijk op ´niet gevoelige bestemmingen´ plaatsen, zoals kantoren, bedrijven en hoogspanningsmasten. Wanneer een aanbieder van mobiele telefonie een mast wenst te plaatsen op een woongebouw, dient dit vooraf gemeld te worden aan de gemeente. Bovendien heeft de aanbieder toestemming nodig van de eigenaar van het betreffende gebouw. Met omwonenden hoeft, volgens de regels uit het nationale zendmastenbeleid, niet gecommuniceerd te worden over de plaatsing van een zendmast.
Zendmasten van vijf meter of hoger zijn vergunningsplichtig. Deze masten mogen niet in woonwijken worden geplaatst. Buiten de woonwijk wordt de meest geschikte locatie gezocht, waarbij de criteria uit de nota Zendmasten worden gehanteerd. (Zicht)hinder van masten wordt voorkomen en er is aandacht voor landschappelijke inpassing en esthetiek. Omwonenden ontvangen een bewonersbrief en er vindt eventueel een inloopavond plaats (afhankelijk van de locatie). Wanneer het bevoegde gezag toch besluit een omgevingsvergunning te verlenen voor een zendmast in een woonwijk, dan wordt dit aan de raad gemeld.
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten
5.1 Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet
worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.
ad a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke
activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt
zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Aan al deze criteria uit de lijsten voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstukgenoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.
ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft
derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied
bevindt zich op meer dan 2 kilometer ten noorden van het plangebied. Vanwege de afstand leidt alleen
stikstofdepositie tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied.
Er heeft een voortoets (zie bijlage 3) plaats gevonden. Deze brengt in kaart of (significant) negatieve effecten ten aanzien van de voor Natura 2000-gebieden geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten.Pas indien uit deze voortoets blijkt dat een voornemen (siginificante) negatieve effecten kan hebben dient meer in kaart te worden gebracht wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. De resultaten van dit onderzoek dienen dan opgenomen te worden in een Passende Beoordeling. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt.
Uit de voortoets blijkt dat de er geen conflicten ontstaan met het duurzaam behalen van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen voor enig Natura 2000-gebied door de maximale invulling van het bestemmingsplan dat bedrijvenpark Charlotte mogelijk maakt. Tevens laat de rapportage zien dat er geen sprake is van negatieve effecten op de voor enig Natura 2000-gebied geformuleerde instandhoudingsdoelstelling. De conclusie is dan ook dat nader onderzoek in de vorm van een Passende Beoordeling niet noodzakelijk is.
Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.
5.2 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
De bestemming bedrijventerrein verschuift. Deze wordt nu aangrenzend aan het bestaande bedrijventerrein Kraaiven geprojecteerd waardoor de afstand tot de woningen aan de Dongenseweg groter wordt. Voor het bedrijventerrein is milieucategorie afgestemd op omliggende woningen. Hierdoor is maximaal milieucategorie 3.2 mogelijk. Daarmee wordt voor zowel de bestemming bedrijventerrein als de voor de opgenomen wijzigingsbevoegdheid aan de richtafstand voldaan en kan er voor de omliggende woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.
5.3 Externe veiligheid
Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen.
De geldende regels zijn te vinden in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In bijlage 4 zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in de invloedsgebieden van het spoortraject Breda - Tilburg, een buisleiding van de Gasunie, de inrichtingen Versteijnen en IFF Nederland BV. Ten aanzien van de twee bedrijven, een hogedruk aardgastransportleiding en één transportroute is verantwoording van het groepsrisico ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage.
Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het bestemmingsplan aangemerkt als gemengd gebied. Binnen een gemengd gebied gelden de volgende voorwaarden:
Bedrijventerreinen waar onder voorwaarden risicovolle bedrijven en kwetsbare objecten mogelijk zijn;
Plaatsgebonden risicogebieden liggen binnen inrichtingsgrenzen en gronden met bestemming verkeer, groen en/of water;
Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Beheersbaarheid op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
Conclusies en restrisico
Het plangebied ligt binnen de invloedsgebieden van het spoortraject Breda - Tilburg, een buisleiding van de Gasunie, de inrichtingen Versteijnen en IFF Nederland BV. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde Bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). Hierbij is gebruik gemaakt van het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West- Brabant d.d. 21 februari 2018. De relevante onderdelen uit dit advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande kunnen de volgende relevante conclusies getrokken worden:
PR 10-6-contouren van nabijgelegen risicobronnen reiken niet tot over het plangebied;
De voorgenomen wijzigingen binnen het plangebied leiden niet of in beperkte mate tot verschuiving van de hoogte van het groepsrisico van de risicobronnen;
De bereikbaarheid van het plangebied is goed;
Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem). Dit biedt de mogelijkheid de aanwezigen tijdig te waarschuwen;
De aanwezigen kunnen het plangebied via de bestaande infrastructuur goed ontvluchten;
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Nieuwbouw wordt over het algemeen beschouwd als goede schuillocatie;
Een warme BLEVE kan bestreden worden door de hittebron (brand) die de tank opwarmt te bestrijden en/of de tank af te laten koelen;
De brandweer voldoet in het gehele gebied aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
5.4 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
5.5 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
Het plangebied omvat het verplaatsen van de bedrijfsbestemming in het bosgebied aan de zuidwestkant op het gezoneerd industrieterrein 'Kraaiven' in noordelijke richting, zodat deze aansluit op de bestaande bedrijfsbestemming.
Ontwikkeling op gezoneerd industrieterrein 'Kraaiven'
Bij Koninklijk Besluit van 26 februari 1992 is het industrieterrein 'Kraaiven' gezoneerd op grond van de Wet geluidhinder. Bij besluit van 13 december 2007 is met het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Charlotte en verruiming zone industrielawaai Kraaiven' een gebied van 8 hectare bij het geluidgezoneerd industrieterrein getrokken.
In dit bestemmingsplan wordt de bedrijfsbestemming in het bosgebied aan de zuidwestkant in noordoostelijke richting verplaatst en aangesloten bij de bestaande bedrijfsbestemming van het industrieterrein. Het meest westelijke deel, evenwijdig aan de Dongenseweg krijgt een bosbestemming. Hier kunnen zich dus geen bedrijven vestigen. Een strook van 14.021 m2 aan de noord- en westzijde van de bedrijfsbestemming, krijgt ook een bosbestemming, zie ook de verbeelding. Deze strook kan op basis van een wijzigingsbevoegdheid worden omgezet naar een bedrijfsbestemming. In het akoestisch onderzoek is daar al rekening mee gehouden.
Door F. Bouwmans Ingenieursburo is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van deze wijziging voor de geluidzonering. In het rapport d.d. 17 december 2015, nr. 20151123-02 (bijlage 5 )is de geluidbelasting op de zone berekend. Hierbij is uitgegaan van een worst case situatie zonder rekening te houden met de aanwezigheid van gebouwen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vestiging van een bedrijf in de milieucategorie 3 of 4 mogelijk is zonder de normen van de uit de Wet geluidhinder te overschrijden.
Omdat in het akoestisch rapport uit 2015 rekening is gehouden met de wijzigingsbevoegdheid is er geen noodzaak om het rapport uit 2015 te actualiseren en is dit rapport nog actueel.
5.6 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
Het plangebied omvat het verplaatsen van de bedrijfsbestemming in het bosgebied aan de zuidwestkant op het gezoneerd industrieterrein 'Kraaiven' in noordelijke richting, zodat deze aansluit op de bestaande bedrijfsbestemming. Er is geen sprake van grootschalige, nieuwe bedrijfsmatige activiteiten anders dan op grond van het huidig bestemmingsplan zijn toegestaan, ook niet voor wat betreft de bestaande wegenstructuur.
Naar verwachting zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de luchtkwaliteit. Bovendien wordt er vanuit gegaan dat de bedrijfsmatige activiteiten voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer.
Voor de ontwikkeling geldt dat er geen sprake is van luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.7 Geur
Industriële geur
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden.
Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie
Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
Binnen het plangebied is binnen de bestemming bedrijventerrein de milieucategorie gemaximaliseerd in verband met het behalen van de richtafstanden. Daarmee is in beginsel voor omliggende woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Binnen deze categorieën kunnen activiteiten voorkomen waarvan de geurimpact groter is dan de richtafstand. Hiervoor geldt dat er dan sprake is van een nieuwe situatie en dat er voorzieningen getroffen moeten worden om op omliggende woningen te kunnen voldoen. Deze afweging zal in het milieu-spoor gemaakt worden.
Agrarische geur
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom. In de omgeving zijn geen veehouderijen aanwezig die van invloed zijn op dit plangebied. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van zo'n 1500 meter. Dit is meteen de enige veehouderij binnen een straal van 2 km. Hiermee is op de geurgevoelige objecten binnen het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.8 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Bodem
Voor de locatie zijn er bij de gemeente diverse bodemonderzoeken bekend. Ter hoogte van Swaardvenstraat 75 is door Inpijn Blokpoel een verkennend bodem uitgevoerd op 16 september 2008. Uit de resultaten is naar voren gekomen dat de bodem licht tot matig is verontreinigd met voornamelijk zware metalen. Deze verontreinigingen hebben destijds geen aanleiding gegeven voor een vervolgonderzoek en werden beschouwd als verhoogde achtergrondwaardes.
In diverse delen van Noord-Brabant worden gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waar bij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten.
Vermoedelijk worden er op de betreffende locatie ook lichte tot matige verhogingen geconstateerd in zowel de grond als het grondwater aan zware metalen.
Tanks
In 1999 en 2000 heeft er een sanering plaatsgevonden waarbij tanks zijn verwijderd en verontreinigde grond is afgegraven.
Demping
Over de locatie loopt een demping met nummer AA085510058. Deze demping is zover bekend nog niet onderzocht.
Aanbeveling
Voor het bouwen op locatie dient er in het kader van de omgevingsvergunning een verkennend bodemonderzoek te worden ingediend. Een dergelijk onderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar en dient te zijn opgesteld volgens de NEN 5740 door een erkend adviesbureau.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
5.9 Natuur en ecologie
Natuur
Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Er is een voortoets uitgevoerd om te bepalen of effecten op wettelijk beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) op voorhand uit te sluiten zijn. Voor de volledige voortoets wordt verwezen naar de bijlage 3 (Voortoets natuur, Royal Haskoning-DHV, 2018). De belangrijkste bevindingen en conclusies zijn hieronder weergegeven.
Om te bepalen of de ontwikkeling van het bedrijventerrein kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden, is een stikstofberekening uitgevoerd. Voor andere storingsfactoren (zoals hydrologische factoren, geluidsverstoring, lichtverstoring) etc. is op voorhand uitgesloten dat deze tot meetbare effecten leiden in de omliggende Natura 2000-gebieden.
Voor de stikstofberekening is het rekenprogramma AERIUS-calculator gebruikt, dat speciaal voor dit doel ontwikkeld is. Uitgaande van de volledige invulling met milieucategorie 3.2 wordt voor de 11,7 ha bedrijventerrein een emissie van 2,1 ton NOx en 469 kg NH3 verwacht. Deze emissies leiden tot een depositie van maximaal 0,31 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, maximaal 0,06 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen en maximaal >0,05 mol N/ha/jaar op de Natura 2000-gebieden Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en Regte Heide & Riels Laag.
Deze depositiewaarden zijn in de voortoets voor elk van de relevante habitattypen in de genoemde Natura 2000-gebieden beoordeeld in relatie tot de instandhoudingsdoelen. Hieruit komt naar voren dat er geen sprake is van negatieve effecten op de voor enig Natura 2000-gebied geformuleerde instandhoudingsdoelen. Ook niet wanneer de voorgenomen activiteit in samenhang met cumulatieve effecten zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming wordt beschouwd. Er ontstaan ten gevolge van de ontwikkeling van bedrijvenpark Charlotte geen conflicten met het duurzaam behalen van de geformuleerde instandhoudingsdoelen voor enig Natura 2000-gebied. Geconcludeerd wordt daarom dat voor wat betreft de Wet Natuurbescherming, onderdeel Gebiedsbescherming, bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte uitvoerbaar is. Nader onderzoek in de vorm van een Passende Beoordeling is niet noodzakelijk.
Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014
Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB; voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. Door de ontwikkeling van het bedrijventerrein zal natuur die behoort tot het NNB verdwijnen. Conform de saldobenadering (artikel 5.4 van de Verordening Ruimte) zal, door onder meer het omruilen van gronden, een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het NNB plaatsvinden.
Voor het toepassen van de saldobenadering stelt de Verordening Ruimte dat een ruimtelijke visie opgesteld moet worden, waaruit blijkt dat de combinatie van ontwikkelingen leidt tot een verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het NNB. Deze visie is toegevoegd als bijlage 6 ( Visie natuur, Cools, 2018) en vormt een nadere uitwerking van de bestaande visie "Integratie stad-land Dongenseweg" (Gemeente Tilburg, 2014). Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen en conclusies uit de visie weergegeven.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402007.png)
Figuur. 1 Kaart waarop de ontwikkelingen volgend uit Bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte weergegeven zijn. 1: reeds bestemd als bedrijventerrein; 2: te bestemmen als bedrijventerrein; 3: via wijzigingsbevoegdheid te bestemmen als bedrijventerrein; 4: te bestemmen als bos/natuur.
Door de realisering van het Bedrijvenpark Charlotte zal ongeveer een derde van de oorspronkelijke oppervlakte van Landgoed Charlotteoord overblijven. Binnen het resterende landgoed zullen naast het reeds bestaande bos de gebiedsdelen die nu nog de bestemming bedrijventerrein hebben worden omgezet naar natuur als compensatie van de natuurwaarden die verloren gaan door de uitbreiding van het Bedrijvenpark Charlotte. Met name de vogels, insecten, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren die verblijven binnen Landgoed Charlotte zullen, via bosjes nabij het landgoed, in directe verbinding staan met de bossen in Landgoed De Mast en vervolgens met het natuurgebied Huis ter Heide. Voor diverse vogel- en vleermuissoorten die in het stedelijk gebied verblijven of foerageren, zal Landgoed Charlotte een belangrijke verblijf-, rust- of foerageerplaats zijn.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402008.png)
Figuur 2 Overzicht van de compensatiegebieden (rood, aangeduid met cijfers) en gebieden die als correctie aan het NNB zijn toe te voegen (lichtgroen, aangeduid met letters).
Uitgaande van de 3,561 ha bos en ven die binnen Landgoed Charlotteoord verdwijnt, is inclusief een toeslag van 2/3 in oppervlak, en natuurcompensatie noodzakelijk van in totaal 5,935 ha. De compensatie zal bestaan uit:
De gebiedsdelen (3,779 ha) binnen het resterende landgoed die momenteel nog zijn bestemd als bedrijventerrein;
Een tweetal percelen (0,354 en 1,062 ha) langs de Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg die momenteel bestaan uit een woning met tuin en uit bouwland. De percelen zijn een belangrijk onderdeel van de ecologische corridor Drijflanen/Wilhelminakanaal - Huis ter Heide.
Een drietal percelen (samen 0,697 ha) aan de Dongenseweg, die momenteel bestaan uit een tuin met poel en braakliggend terrein worden omgezet naar natuur als onderdeel van het NNB.
Een drietal deelgebieden nabij Landgoed Charlotte zijn momenteel geen onderdeel van het NNB, maar bestaan wel uit bos of (vastgesteld) compensatiegebied. Voorstel is om de genoemde deelgebieden door de provincie Noord-Brabant te laten begrenzen als onderdeel van het NNB.
Landgoed Charlotte zal naast het bestaande 'Droog bos met productie' in de delen die zijn aangewezen voor compensatie gaan bestaan uit ruigte en struweel met hier en daar bomen. Het beheer zal bestaan uit een (zeer) extensief maai- en/of begrazingsbeheer, zodat op langere termijn de compensatiegebieden meer zullen dichtgroeien met struweel en bomen. Het natuurbeheertype zal bestaan uit ruigteveld. Op de grens met het toekomstige Bedrijvenpark Charlotte zal een enkele meters brede strook bos worden gerealiseerd die deels zal worden aangeplant. De overige bestaande en nieuwe compensatiegebieden ter weerszijden van de Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg zullen eveneens bestaan uit ruigte en struweel met hier en daar bomen.
Essentieel voor de ontwikkeling van de ecologische corridor tussen de Drijflanen/Wilhelminakanaal en Huis ter Heide is de aanleg van diverse poelen binnen zowel de compensatiegebieden als in de bestaande bosgebieden en in het gebied tussen de Drijflanen en het Wilhelminakanaal.
Soortenbescherming
Het plangebied is in 2015 onderzocht op het voorkomen van beschermde plant- en diersoorten (Bureau Waardenburg, 2015). Voor dit flora- en faunaonderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van dit onderzoek zijn de effecten van het bestemmingsplan op beschermde soorten beoordeeld. Omdat na uitvoering van het flora- en faunaonderzoek de lijsten met beschermde soorten zijn gewijzigd, is beoordeeld of er nog nader onderzoek moet worden gedaan naar (nieuw) beschermde soorten. In het onderzoek van 2015 is beoordeeld dat het plangebied geschikt is voor kleine marterachtigen zoals bunzing en wezel. Onder de provinciale Verordening Natuurbescherming is voor deze soorten de algemene vrijstelling vervallen. Daarom is besloten om nader onderzoek uit te voeren naar deze soorten (Bureau Waardenburg, 2018, zie bijlage 9). Uit dit onderzoek is gebleken dat het plangebied niet van belang is voor kleine marterachtigen.
Voor andere soorten of soortgroepen hoefde het onderzoek niet te worden aangepast. Omgekeerd is een aantal soorten uit het onderzoek van 2015 niet langer beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Het gaat om de plantensoorten wilde marjolein en ruig klokje. Voor deze plantensoorten hoeft geen effectenbeoordeling te worden gemaakt. Overigens worden op deze soorten geen effecten verwacht: ze komen voor in bermen van zandpaden waar geen ontwikkelingen voorzien zijn.
Het onderzoek heeft aangetoond dat de zandweg tussen de Dongenseweg en Zevenheuvelenweg een essentiële vliegroute is van zowel de gewone dwergvleermuis als de watervleermuis. Het plangebied is tevens van belang als foerageergebied voor deze soorten. Het bestemmingsplan biedt voldoende mogelijkheden voor behoud van de vliegroute. Wel is van belang dat bij de aanleg van bedrijfsbebouwing aan de Zevenheuvelenweg verlichting van de vliegroute voorkomen wordt (via voorwaarden aan de omgevingsvergunning). Bij de uitbreiding van het bedrijventerrein via de wijzigingsbevoegdheid zal eveneens voorkomen moeten worden dat de vliegroute verstoord wordt. Effecten op het foerageergebied van vleermuizen zijn verwaarloosbaar, doordat in de directe omgeving ruimschoots voldoende foerageergebied overblijft dan wel toegevoegd wordt door de geplande natuurcompensatie.
Daarnaast is het plangebied van waarde voor diverse vogelsoorten, met name boom- en struikbroeders. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze daadwerkelijk in gebruik zijn tijdens het broedseizoen. Van de in het plangebied voorkomende havik is de nestplaats echter jaarrond beschermd. De nestplaats van deze soort blijft in het plangebied behouden en wordt bestemd als bos/natuur. De afstand tot de toekomstige bedrijven bedraagt circa 80 meter. Verstoring van de nestplaats is redelijkerwijs uit te sluiten. Het foerageergebied van de havik wordt als gevolg van de geplande ontwikkeling verstoord en versnipperd. De verwachting is dat dit echter niet zal leiden tot het verdwijnen van de havik, mede door de ontwikkeling van compensatienatuur in de directe omgeving.
In het plangebied komen diverse soorten zoogdieren voor waarvoor een algemene vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals vos, konijn, ree en mol. Daarnaast komt in het te kappen bosgebied de eekhoorn voor. Voor deze soort geldt uitsluitend een vrijstelling wanneer gewerkt wordt conform een goedgekeurde gedragscode. Dit stelt eisen aan de boskap. Deze kunnen in de omgevingsvergunning voor de kap worden vastgelegd. De gunstige staat van instandhouding van de eekhoorn zal op lange termijn niet in het geding komen, doordat in de omgeving vervangend bosgebied wordt aangeplant. Hierbij zullen onder meer boom- en struiksoorten worden aangeplant die bijdragen aan de foerageermogelijkheden van de eekhoorn.
Reptielen, vissen en beschermde ongewervelden zijn niet in het plangebied waargenomen en worden hier ook niet verwacht. Wel vormt het plangebied leefgebied van diverse algemene amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat hier om kleine watersalamander, gewone pad en bastaardkikker.
Conclusie
Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
Voor de bescherming van eekhoorns in het plangebied is men met kap van bomen gehouden aan een wettelijk goedgekeurde gedragscode . De voorwaarden die volgen uit het toepassen van de gedragscode worden vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de kap.
Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.
Het bestemmingsplan leidt tot een herbegrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB); deze wordt mogelijk gemaakt via een saldobenadering. De compensatieopgave die volgt uit deze saldobenadering wordt in het bestemmingsplan vastgelegd.
Hoofdstuk 6 Wateraspecten
6.1 Waterparagraaf
1. Bestaand watersysteem
De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1.
Tabel 1. Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Stroomgebied |
Wolterbeekvijver |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta |
|
Bruto oppervlakte |
Ca. 19,2 ha |
|
Verhard oppervlak |
Ca. 1,7 ha (bebouwing en verharding van het voormalige revalidatiecentrum) |
|
Terreinhoogte |
Noordoosten: 12,90 m + NAP Zuidwesten: 11,40 m + NAP Midden: 12,80 m + NAP |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
Westen: 9,00 m + NAP Noorden en oosten: 9,70 m + NAP |
|
Ontwateringdiepte |
Ruim 1 m Bij de vijver nabij 0 m |
|
Bodem |
Zwak tot sterk siltig, matig fijn tot zeer fijn zand |
|
Riolering |
Gemengde riolering in Swaardvenstraat en Dongenseweg Gescheiden riolering in Zevenheuvelenweg |
|
Oppervlaktewater |
Wolterbeekvijver: ca. 4,5 ha; grondwaterafhankelijk, maar bergt en infiltreert regenwater uit Kraaiven Noordwest Siervijver Charlotte: ca. 0,4 ha; grondwaterafhankelijk |
|
Beschermde gebieden |
2/3 van het plangebied en de Wolterbeekvijver zijn beschermd gebied waterhuishouding |
Het noordoostelijke strook (ongeveer 6,4 ha), grenst aan Zevenheuvelenweg en is onderdeel van het bestaande bedrijventerrein Kraaiven Noordwest. Het perceel op de hoek Zevenheuvelenweg / Swaardvenstraat (ongeveer 1,4 ha) is recentelijk gebouwd en valt buiten het plangebied. De rest van het plangebied tot aan Dongenseweg (ongeveer 14,2 ha) is bestaand bos of recentelijk bos geweest. Het plangebied is het voormalige revalidatiecentrum Charlotteoord.
De maaiveldhoogte loopt af van het noordoosten (12,90 m + NAP) naar het zuidwesten (11,40 m + NAP). Waar de bebouwing van het revalidatiecentrum stond is het maaiveld plaatselijk hoger. De strook langs de Zevenheuvelenweg ligt hoger, na de bouwrijp werkzaamheden van afgelopen jaren. In het plangebied bevindt zich een siervijver. Daar loopt het terrein abrupt naar het water. Afbeelding 1 geeft de maaiveldverloop weer.![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402009.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402009.jpg)
Afbeelding 1: maaiveldhoogten (bron: www.ahn.arcgisonline.nl)
Bodem en grondwater
Het bureaustudie 'Hydrologische studie verdieping regenwatervijver aan de Wolterbeekstraat' (HEIDEMIJ, 1987) maakte gebruik van toen beschikbare bodemonderzoeken; het is weliswaar gedateerd en werd uitgevoerd met een ander doel dan het herontwikkelen van het plangebied, maar de bodemgegevens zijn nog altijd bruikbaar. De bodem bij de Wolterbeekvijver bestaat uit een afwisseling van fijne en grove zandlagen met enkele leemlagen, geen aaneengesloten leemlaag. Het zand wordt grover met de diepte. De grondwaterstanden van peilbuizen rondom de vijver fluctueerde toen tussen minima van ongeveer 8,50 m + NAP en maxima van ongeveer 9,80 m + NAP.
Het plangebied zelf is in 2003 hydrologisch onderzocht: 'Bodemkundig/hydrologisch onderzoek Charlotteoord Tilburg', ARCADIS, juli 2004 . Uit dat onderzoek blijkt de bodemopbouw te bestaan uit zwak tot sterk siltig, matig fijn tot zeer fijn zand. De bovenste 0,5 tot 1,0 m (plaatselijk 0,2 m) is matig humeus. In een boring is humeuze bodem aangetroffen op één meter onder het maaiveld. Dat betekent dat het terrein in het verleden opgehoogd is. Leembandjes komen voornamelijk voor in het zuidoostelijk gedeelte, en wel vanaf ongeveer één meter onder het maaiveld. Verspreid over de locatie komen compacte leemlaagjes voor, met een dikte vanaf 10 cm. In het plangebied zijn doorlatendheidsmetingen in de onverzadigde zone uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de doorlatendheid in deze zone goed te noemen is, met berekende waarden op basis van metingen van 0,8 à 3,0 meter per etmaal bedraagt.
De maatgevende hoogste grondwaterstand ligt doorgaans 20 cm boven de gemiddelde hoogste grondwaterstanden. Het varieert van ongeveer 9,20 m + NAP, is de westelijke hoek, tot ongeveer 9,90 m + NAP, in de oostelijke en noordelijke hoeken van het plangebied. De lokale grondwaterstroming van het eerste afvoerende pakket is globaal westelijk gericht. Met maatgevende grondwaterstanden variërend tussen 1,8 en 3,5 meter onder het maaiveld, is de ontwatering in de bestaande situatie ruim voldoende. Bij de siervijver daalt het maaiveld tot de waterspiegel, waardoor de ontwateringdiepte daar tot 0 m afloopt.
Riolering en oppervlaktewater
In Dongenseweg ligt gemengde riolering. Het afvalwater stroomt af tot het gemaal Albionstraat en wordt verpompt op het transportleiding in Swaardvenstraat. Het afvalwater en een deel van het regenwater van de zuidwestelijke en de westelijke gebieden van Tilburg stroomt hierdoor af tot het nabij gelegen hoofdgemaal Swaardvenstraat en verder naar de zuivering Tilburg, in beheer van waterschap De Dommel. Binnen het plangebied werd de voormalige gebouwen van Charlotteoord afgewaterd via deze gemengde riolering. In Zevenheuvelenweg ligt gescheiden riolering, die voor de afwatering van Kraaiven Noordwest zorgt. De vuilwaterafvoer sluit aan op de gemengde riolering; de regenwaterafvoer loost op de Wolterbeekvijver.
De Wolterbeekvijver is een voormalige zandwinput. Deze plas is ontstaan door intredend grondwater en is dan ook grotendeels grondwaterafhankelijk. Het waterpeil fluctueert met de grondwaterstanden mee rond het gemiddeld grondwaterstand 9,50 m + NAP. Het beslaat een oppervlakte van ongeveer 4,5 Ha. Bij hoge waterniveaus voerde het vijzelgemaal Wolterbeekstraat tot enkele jaren geleden het overtollige water af. Dat heeft echter nauwelijks ooit gebeurd en is daarom ontmanteld. De Wolterbeekvijver heeft regelmatig last van slechte waterkwaliteit, door foutieve aansluitingen, illegale lozingen en meegesleurde vuil uit afgewaterde oppervlakken. Hiervoor zijn recentelijk maatregelen genomen.
Bij het voormalige landgoed Charlotte hoort een siervijver met een oppervlakte van ongeveer 4.000 m2. Deze vijver heeft geen waterhuishoudkundige betekenis.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402010.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402010.jpg)
Beide oppervlaktewateren zijn losgekoppeld van het regionale watersysteem. Afbeelding 2 geeft het bestaande watersysteem weer, met een aanzet van het watersysteem voor de toekomstige ontwikkelingen.
Afbeelding 2: watersysteem (bron: vGRP 2016-2019)
Het plangebied is grotendeels 'beschermd gebied waterhuishouding' (zie afbeelding 3). Deze gebieden zijn overgenomen uit de Provinciale Verordening water Noord Brabant. Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het, bij voorkeur, verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402011.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402011.jpg)
Afbeelding 3: Beschermde gebieden waterhuishouding (bron: www.brabantsedelta.webgispublisher.nl )
2. Nieuw watersysteem
Beleidskader
Het waterschap De Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan 'Grenzeloos Verbindend' 2016 - 2021 vastgesteld op 14 oktober 2015. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico’s beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit). Inzet is gericht op het bereiken van de doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Brabantse Delta (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het vGRP 2016-2020, vastgesteld november 2016. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.
Conform "Visie integratie stad-Land Reeshofweide" (vastgesteld op 24 mei 2016 ) van de gemeente Tilburg en het voornemen van Waterschap Brabantse Delta wordt, in het kader van beekherstel, de boven- en benedenloop van de Donge weer aan elkaar te koppelen. Tegelijk met beekherstel wordt een EVZ aangelegd.
Afwegingen
De bestaande siervijver kan wat de waterhuishouding betreft gedempt worden. De eigenaar van de grond is verantwoordelijk voor de keuze van de hoogten van het terrein en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze terreinhoogten moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende aspecten:
Minimale ontwateringdiepte
De water- en vochtigheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende voor de nieuwe functie van de ruimte
De vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn
Terreinhoogten moeten aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte)
Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen
Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreem neerslag
Het plangebied ligt hoog ten opzichte van het grondwater en dan ook met ruim voldoende ontwateringdiepte. De overige aspecten zijn maatgevend voor de keuze van terreinhoogten, vooral de invloed van de regenwaterafvoer.
De in 'Omgevingsvisie Tilburg 2040' vastgestelde aanpak om met het regenwater om te gaan volgt de waterkwantiteit-trits 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Ook de waterkwaliteit-trits is hierbij van toepassing: 'schoonhouden-vermengen-zuiveren'.
De afvoer van vrijkomend vuilwater binnen het plangebied moet aansluiten op de bestaande riolering. Hiervoor zijn er twee opties:
Gemengde riolering in Swaardvenstraat: diep en gevoelig bij regenweer, waardoor aansluiting op deze riolen kostbaar en onaantrekkelijk is.
Vuilwaterafvoer van de gescheiden riolering in Zevenheuvelenweg: heeft de problemen van Swaardvenstraat in veel minder mate en is minder kostbaar. Het verdient dan ook de voorkeur.
Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen, als het regenwater valt op de afvoerende oppervlakten van daken en verharding en verder afstroomt.
Vooral in beschermde gebieden waterhuishouding is het vasthouden van regenwater van belang. Mogelijkheden hiervoor zijn:
Minder afvoerende oppervlakken inrichten (ontharden) en vergroenen
Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen
Groene daken
Water opvangen in siervijvers, poelen e.d.
Infiltratievoorzieningen: wadi's, infiltratiesleuven e.d.
Waterdoorlatende verharding
De infiltratiecapaciteit van de bodem is hoog in het plangebied. Een infiltratiesleuf met een geringe capaciteit levert al een hoog rendement op. Bijvoorbeeld een berging van 7 mm zorgt voor het vasthouden van ca. drie kwart van het totale neerslagvolume op jaarbasis, terwijl het maar ca. 300 m² per ha aangesloten oppervlakte in beslag neemt. Dat is eenvoudig in te passen in de inrichtingsontwerp van de parkeer- en binnenterreinen.
De bestemming bedrijven heeft een oppervlakte van ca. 10,4 ha en wordt nagenoeg volledig verhard met dakoppervlakte en terreinverharding. Het opvangen van overtollig regenwater is voor het plangebied verplicht via een gescheiden riolering. Bij hevige neerslag is het zaak om het overtollige regenwater op te vangen, bergen en bij extreme neerslag af te voeren. De nabije Wolterbeekvijver beschikt over voldoende bergingscapaciteit om het overtollige regenwater uit het plangebied op te vangen. Voorwaarde is dat er adequaat omgegaan moet worden met de waterkwaliteit en de risico's voor de volksgezondheid.
Over het algemeen bevat het regenwater afkomstig van afgewaterde oppervlakten in bedrijventerreinen aanzienlijk meer risico's voor de waterkwaliteit en de volksgezondheid dan in woongebieden. Om de risico's adequaat te beheersen is het zaak om zo min mogelijk vervuild regenwater te laten afstromen tot de vijver. Een mogelijk oplossingsrichting is de afvoer van daken en verharding apart uit te voeren: daken zijn schoner dan verharding en de risico's voor ongewenste lozingen zijn kleiner. Echter zijn de mogelijke effecten onacceptabel hoog. Daarom wordt voor een verbeterd gescheiden riolering (vgs-riolering) vastgesteld voor de alle af te wateren oppervlakken.
De bestaande regenwaterriolering in de Zevenheuvelenweg heeft een zekere overcapaciteit die gebaseerd is op uitgangspunten van verleden plannen. Deze leidingen zijn echter niet toereikend voor het afwateren van het gehele plangebied. In het waterhuishoudingplan dient aangetoond te worden dat de bestaande regenwaterriolering niet overbelast wordt.
De afwatering van het plangebied kenmerkt zich daarom door:
Regenwaterafvoer van daken, terrein- en wegen: aansluiten op een vgs-gemaal met een capaciteit van minstens 0,1 mm/uur
Overtollig regenwater bergen in de Wolterbeekvijver
Geen escape naar het regionale watersysteem
Aansluiten op bestaande regenwaterriolering mag, mits bovenstaande randvoorwaarden en geen overbelasting van bestaande riolering
Bij hevige neerslag, bijvoorbeeld de Belgische composietbuien met een herhalingstijd van 100 jaar winter en zomer, wordt er een groot volume overtollig regenwater water geloosd op de Wolterbeekvijver. Bij de worstcase valt deze neerslag tijdens de hoogste waterspiegel in de vijver. Dat vindt plaats bij de hoogste grondwaterstanden. In tabel 1 is een ruime schatting van de peilstijging in de Wolterbeekvijver weergegeven. Daarbij is geen rekening gehouden met bemaalde afvoer, vertraging, verdamping en andere inloopverliezen en de infiltratie in de bodem.
Tabel 2. Peilstijging
|
Bui T100 |
Volume (mm) |
Duur (dagen) |
Peilstijging afvoer 35 ha Kraaiven NW (m) |
Peilstijging afvoer 10,4 ha Charlotte (m) |
Som (m) |
|
Winter |
232 |
20 |
1,8 |
0,6 |
2,4 |
|
Zomer |
74 |
2 |
0,6 |
0,2 |
0,8 |
De waterspiegel in de vijver is doorgaans iets lager dan de grondwaterstanden in de omgeving. Verondersteld dat de waterspiegel even hoog als de maatgevende hoogste grondwaterstand staat (9,90 m + NAP), zou het waterniveau in de Wolterbeekvijver bij deze worstcase-benadering toenemen tot maximaal 12,30 m + NAP. Hierdoor zou de vijver mogelijk lokaal buiten de gebruikelijke oevers kunnen treden, maar onder 13,00 m + NAP blijven en dan ook onder de nabije openbare ruimte en bedrijfspercelen.
De afvoeromstandigheden van afval- en regenwater in en nabij het plangebied zijn bepalend om de minimale maaiveld- en vloerhoogten van het plangebied.
De regenwaterafvoer moet voldoen aan 'droge voeten bij een bui T2' en daarbij een waakhoogte van minstens 30 cm overhouden
De afvoer van vuilwater wordt sterk beïnvloed door de waterniveaus in de gemengde riolering bij regenweer: bij hevige neerslag ontstaat er mogelijk een laag water boven het maaiveld van tientallen centimeters langs Swaardvenstraat
De maaiveld- en vloerpeilen van het plangebied moeten hoog genoeg gekozen worden. In het waterhuishoudingplan moet de maaiveldhoogte ter plaatse van de perceelgrens vastgesteld worden en moet niet minder dan 13,20 m + NAP bedragen. Aansluiten op de bestaande openbare is ook een randvoorwaarde. De aangrenzende openbare ruimte ligt op:
Bij het perceel op de hoek Zevenheuvelenweg / Swaardvenstraat: ca. 13,50 m + NAP
Zevenheuvelenweg: 13,00 à 13,50 m + NAP
Swaardvenstraat: 12,75 à 13,50 m + NAP
3. Watertoets
Het plan om tot herontwikkeling van Charlotteoord te komen kent diverse eerdere varianten dan voorliggend bestemmingsplan. Dit heeft in 2006 geleid tot een vastgesteld plan waarbij het waterschap volledig was betrokken. Voorliggend plan betreft een herziening, waarbij de ontwikkeling weliswaar is veranderd, maar de mate van bebouwing ligt in de lijn van het oorspronkelijk plan van 2006. Het wateradvies van De Brabantse Delta, is destijds verwoord in de brief met kenmerk 06u000621, d.d. 26 januari 2006.
Het plangebied ligt aan de grens tussen de beheergebieden van waterschappen De Dommel en Brabantse Delta. In het kader van het vooroverleg worden beide waterschappen verzocht om een wateradvies. Het voorlopig wateradvies is verstrekt, via brief met kenmerk U61210 / Z48882 d.d. 23 februari 2018 en de brief met kenmerk 18UT00337 d.d. 23 maart 2018. De Dommel heeft een positief advies gegeven en de Brabantse Delta een voorlopig positief advies.
Het voorlopig wateradvies is verwerkt in de waterparagraaf, of er wordt onderbouwd van afgeweken. Bij de terinzagelegging vindt het formele vooroverleg plaats, waarop het waterschap het volledige plan met alle aanvullingen / wijzigingen kan beoordelen.
Hoofdstuk 7 Opzet planregels
7.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.
7.2.1 Bouwvlak en erf
De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit bestemmingsplan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.
Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.
In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.
Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
7.2.2 Bouwdiepte
De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken.
7.2.3 Bouwhoogte
De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte:
structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in:
bedrijvige linten;
rustige linten;
hoofdstructuur nieuwe gebieden;
overige gebieden.
Ingevolge de 'Structuurvisie Linten oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen-1, Wonen-2 en Wonen-3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402012.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017036-e001_402012.jpg)
Structuurbeeld Plansystematiek
Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels ten behoeve van een hogere bouwhoogte is vaak mogelijk voor specifieke constructies.
Binnen de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein is omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de voorgeschreven bouwhoogte mogelijk in een gradatie in hoogtes en percentages. Afwijking is niet toegestaan binnen een zone van 50m van bepaalde grenzen van bedrijventerreinen, weergegeven op onder- staand kaartbeeld. In geval van ligging direct naast beschermde dorps- of stadsgezichten en/of gemeentelijke dan wel rijksmonumenten, waarmee hogere bebouwing zou kunnen concurreren, dient afstemming met genoemde objecten plaats te vinden. Advies wordt gevraagd aan de gemeentelijke Omgevingscommissie.
7.2.4 Goothoogte
De toegelaten hoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd.
In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen.
7.2.5 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied:
oppervlakte:
20m2 indien erf kleiner is dan 50m2;
40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2;
80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2;
100m2 bij erf vanaf 1000m2;
bouwhoogte:
maximaal 3m bij plat dak;
bij schuin dak goothoogte maximaal 3m;
bouwhoogte maximaal 4,5m.
N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen.
In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan:
75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²;
150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²;
200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²;
terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.
In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
Bedrijventerrein
Bos
Groen
Waarde-Archeologie
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
Vaak geeft het plan het college de bevoegdheid om afwijking van de bouwregels toe te staan.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Soms is een bestemmingsartikel is aangevuld met een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde (denk bijvoorbeeld aan graafwerkzaamheden).
Wijzigingsbevoegdheid
Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:
Anti-dubbeltelregel
Artikel 12 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.
Algemene bouwregels
Artikel 13 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.
Algemene gebruiksregels
In artikel 14 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Algemene aanduidingsregels
In artikel 15 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 16.
Algemene wijzigingsregels
Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 17.
Overige regels
Burgemeester en wethouders zijn middels artikel 19 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.
7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels
Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid
8.1 Uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening schrijft voor dat bij een bestemmingsplan een exploitatieplan dient te worden vastgesteld tenzij:
het kostenverhaal anderszins is verzekerd door een anterieure overeenkomst, en
er geen noodzaak is voor het stellen van locatie-eisen, en
er geen noodzaak is voor het stellen van eisen aan de te realiseren woningbouwcategorieën of anderszins geen noodzaak is tot het stellen van nadere eisen.
De ontwikkeling van het bedrijventerrein betreft een grondexploitatie, waarvan de gronden in eigendom van de gemeente zijn. Met een particuliere partij is een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot de verdere uitwerking van het gebied. Met een grondexploitatie zal het in de begroting van de gemeente worden verwerkt. Derhalve dienen naast het bestemmingsplan geen aanvullende eisen gesteld te worden in een grondexploitatie.
Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is en het bepalen van een tijdvak of fasering en het opstellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.
Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg
9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggend bestemmingsplan op 26 juni 2015 en op 15 december 2017 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties, aangevuld met enkele organisaties, die de gemeente op vrijwillige basis de mogelijkheid wenste te geven op het concept te reageren. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties:
|
Instantie |
Datum verzending |
Datum ontvangst reactie |
Opmerkingen? |
|
Provincie Noord-Brabant |
25-1-2017 |
10-3-2017 |
ja |
|
Nederlandse Gasunie |
25-1-2017 |
21-2-2017 |
ja |
|
BORT BZW |
25-1-2017 |
|
geen reactie |
|
Brabantse Delta |
1-2-2017 |
24-2-2017 |
ja |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
NB. het vooroverleg heeft plaatsgevonden voor een groter plangebied. Het omvat ook het bestemmingsplan Bedrijvenpark Charlotte e.o 2018 (deel 1).
Hieronder worden de overlegreacties met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van Burgemeester en wethouders wordt vermeld. In dit bestemmingsplan zijn alleen de opmerkingen opgenomen die zien op deel 2.
1. Provincie Noord-Brabant
In de toelichting van het conceptbestemmingsplan is aangegeven dat de herbegrenzing van het Natuur Netwerk Brabant voor het bedrijventerrein plaatsvindt op grond van artikel 5.5. van de Verordening Ruimte (kleinschalige ingreep). Omdat het hier om 3 ha te compenseren natuur gaat is de provincie van mening dat er geen sprake meer is van een kleinschalige ingreep (hiervoor wordt doorgaans een grens gehanteerd van ca. 1 ha). Aangedrongen wordt op het baseren van de herbegrenzing op artikel 5.4 van de Verordening. Dit betreft de saldobenadering. In de toelichting bij het plan zal in de onderbouwing hier nader rekening mee gehouden moeten worden.
Reactie gemeente; deze opmerking heeft betrekking op het bedrijfskavel. De mogelijkheden om de saldobenadering vorm te geven worden onderzocht. Om de andere twee ontwikkelingen in het gebied (bedrijfswoning Dongenseweg en vestiging politiehondenvereniging) niet langer te laten wachten en afhankelijk te laten zijn van de herbegrenzing en compensatie bij het bedrijfskavel is besloten het plangebied aan te passen. De locatie van het bedrijfskavel aan de Swaardvenstraat maakt nu onderdeel uit van het voorliggende bestemmingsplan. In de toelichting is de motivering en de onderbouwing opgenomen om gebruik te maken van de saldobenadering.
2. Nederlandse Gasunie
Op de verbeelding is de aanduiding 'veiligheidszone-aandachtsgebied leiding' weergegeven. Uit het Bevb in combinatie met het Revb volgt dat voor regionale aardgastransportleidingen kan worden volstaan met een belemmeringstrook van 4 meter ter weerzijden van de hartlijn. De aanduiding kan dan ook verwijderd worden van de verbeelding.
Reactie gemeente: De aanduiding veiligheidszone-aandachtsgebied leiding willen wij op de planverbeelding laten staan om gebieden kenbaar te maken waarin extra aandacht moet zijn voor wettelijke eissen en beleidsmatige ambities van de gemeente Tilburg. De aanduiding laten wij op de verbeelding staan.
Waterschap Brabantse Delta
Waterschap Brabantse Delta verzoekt om in de waterparagraaf nader te onderbouwen waarom het hemelwater geborgen kan worden in de vijver en het vijzelgemaal niet in werking zal treden bij een afvoer van 60mm.
Reactie gemeente: In de waterparagraaf is een globale berekening opgenomen, waaruit blijkt dat de vijver een geringe peilstijging heeft, bij het lozen van regenwater. Bemalen van de vijver is niet noodzakelijk.
Een groot gedeelte van het plangebied is aangewezen als beschermd gebied waterhuishouding. Het waterschap verzoekt om dit te benoemen in de paragraaf en een kaartje met de begrenzing van dit gebied op te nemen.
Reactie gemeente: In de waterparagraaf is een afbeelding opgenomen, afkomstig van de website van het waterschap Brabantse Delta. Daaruit blijkt dat grote delen van het plangebied beschermd gebied waterhuishouding zijn. In de waterparagraaf is opgenomen dat elke ontwikkeling met enig significant effect op de waterhuishouding hydrologisch neutraal dient te zijn.
Het beleid van het waterschap de Brabantse Delta dient opgenomen te worden in de waterparagraaf.
Reactie gemeente: Het beleid van het waterschap is verwoord in de waterparagraaf, samen met het provinciale en het gemeentelijke beleid. Wij zien geen noodzaak om dit aan te passen of uit te breiden.
9.3 Omgevingsdialoog
Op 21 maart 2017 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een informatieavond gehouden in het voorlichtingscentrum van de brandweer aan de Pater Geurtjensweg 3. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Daarnaast is het eerste concept van de verbeelding gepresenteerd. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. De informatieavond is gehouden voor alledrie de ontwikkelingen in het gebied: de bedrijfswoning, de politiehondenvereniging en het bedrijfskavel. De informatieavond is door ongeveer 30 personen bezocht en er zijn twee reactieformulieren ingevuld. In bijlage 8 treft u het verslag van de omgevingsdialoog aan, met daarbij een antwoord op ingekomen reacties.
9.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 10 september tot en met 22 oktober 2018. Tijdens deze periode zijn er drie zienswijzen ingediend. Voor een samenvatting van de zienswijzen, het standpunt van het gemeentebestuur en de conclusie aangaan de de beoordeling wordt.