direct naar inhoud van Regels

Spoorzone West 2012, 1e herziening (Spoorpark)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2017034-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

 

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Op 12 juli 2017 heeft de gemeente Tilburg een omgevingsvergunning verleend voor planologisch strijdig gebruik ten behoeve van de aanleg van het Spoorpark aan de Sint Ceciliastraat 1a in Tilburg, plaatselijk bekend als het Van Gend en Loos terrein. Aan het besluit van 12 juli 2017 lag een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag. De woontoren en de scouting maakten formeel nog geen deel uit van het genoemde besluit, omdat hiervoor nog een nadere onderbouwing benodigd was. In de communicatie naar de omgeving zijn deze deelontwikkelingen echter steeds meegenomen als onderdeel van het totale Spoorpark.

Om het gebied een definitieve bestemming te geven ten behoeve van het Spoorpark is vervolgens op 7 september 2017 de procedure voor de bestemmingsplanherziening gestart. In de voorliggende toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening. In de toelichting wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

 

Taskforce betaalbaar wonen

De woontoren die beoogd wordt in het Spoorpark omvat maximaal 40 appartementen, passend binnen de taskforce betaalbaar wonen. De afgelopen jaren is de druk op de woningmarkt toegenomen, vooral voor degenen die op zoek zijn naar een betaalbare woning. Om verschillende redenen neemt de behoefte aan woningen in het goedkope segment toe. In het convenant dat de gemeente Tilburg met de corporaties heeft gesloten voor de periode 2015-2020 (Convenant Wonen) is opgenomen dat partijen in deze periode de ambitie hebben om 800 woningen in het betaalbare segment toe te voegen. Hiervoor is de taskforce betaalbaar wonen opgericht.

1.2 Het plangebied

Het plangebied wordt globaal begrensd door het spoor in het noorden, de Sint Ceciliastraat in het oosten, de Hazelaarstraat in het zuiden (evenwijdig aan de Hart van Brabantlaan) en de Ringbaan-West in het westen. In figuur 1 is de locatie te zien in de gemeente Tilburg en in figuur 2 is het plangebied globaal omkaderd.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 1 - locatie plangebied in gemeente Tilburg

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 2 - ligging plangebied in relatie tot directe omgeving

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het plan Spoorzone West 2012, vastgesteld door de gemeenteraad op 24 juni 2013 en onherroepelijk geworden op 20 augustus 2013. Het plangebied heeft daarin de bestemmingen Verkeer-Verblijf en Bedrijf. Het Spoorpark is niet passend binnen het geldende bestemmingsplan, omdat het grotendeels een recreatieve functie betreft en voor een klein deel ook een woonbestemming. Om die reden is in juli 2017 de tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor afwijken van het bestemmingsplan en wordt het gebied met de voorliggende herziening definitief bestemd voor het Spoorpark inclusief de woontoren.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Rijk

 

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking

getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch

wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is

op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de

inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van

de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op

doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels

opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en

deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan

bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

 

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een

bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

 

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing

zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe

ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet

een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een

of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde

projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.

Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van

de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro

vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de

bij het Barro behorende kaarten.

 

De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van

strijdigheid met nationale belangen.

2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. De locatie voor het Spoorpark is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Voor een beschrijving van de woningbouwbehoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.3 van deze toelichting.

2.2 Provincie

 

2.2.1 Structuurvisie

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.

 

Inhoud van de Structuurvisie

 
Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

Deel B

In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

 
Uitwerking van de Structuurvisie

De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.

2.2.2 Verordening Ruimte

Provinciale Staten hebben naast de Structuurvisie een Verordening ruimte vastgesteld. Deze wordt regelmatig gewijzigd en aangepast aan nieuw beleid. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.

 

Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

 

Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.

2.3 Gemeente - Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: de Brabantstrategie, de Regiostrategie en de Stadsstrategie.

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

 

De vier stedelijke knooppunten zijn Binnenstad van de 21e eeuw, Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing, Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven en het Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant. De drie stadsregionale parken zijn Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven, Stadsregionaal park Stadsbos013 en Stadsregionaal park Noord.

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad. De drie stedelijke knooppunten zijn Bedrijvenpark Zuid, zorgcluster Leijpark en het duurzaam energielandschap Noord.

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.1 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

3.1.1 Hoogbouw

In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007.

 

Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.

 

De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan.

 

De woontoren is voorzien aan de zuidwestzijde van het park. De positie van het woongebouw verlengt de stedelijke aslijn die gevormd wordt door de Achmeatoren, de 19e eeuwse frontlijn van de binnenstad op de spoorlijn, de Stadsheer, TTS1 en de geplande (nog in ontwikkeling zijnde) toren TTS2 op de hoek Sint Ceciliastraat - Hart van Brabantlaan. Het woongebouw in het park, in het verlengde van deze stedelijke aslijn, zal de binding van het park met de binnenstad versterken, ogen en oren brengen in het park en zal ook de entree tussen de flatgebouwen aan de Hart van Brabantlaan benadrukken.

3.1.2 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan 'redelijke eisen van welstand', zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.

Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

3.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

3.2.1 Historische geografie

3.2.2 Archeologie

3.2.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

3.2.4 Conclusie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.

Gelet op de uitkomsten van het in 2017 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek zijn er in het plangebied geen terreinen meer waarvoor de dubbelbestemming waarde archeologie hoeft te worden opgenomen.

3.3 Volkshuisvesting

 

3.3.1 Wonen en duurzame verstedelijking

De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio maken de gemeenten periodiek samen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit mei 2017.

In de periode 2017-2027 bedraagt de bouwopgave voor Tilburg ruim 9.600 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudenverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Wanneer en waar nodig worden er regionaal ook kwalitatieve afspraken gemaakt, getuige de afspraak waarbij Tilburg van de eigen opgave 730 woningen beschikbaar stelt aan een drietal buurgemeenten ter verwezenlijking van hun programmadoelen tussen 2009 en 2019.

Zeker tot 2025 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld zo’n 1.000 woningen per jaar, dit gecorrigeerd voor circa 200 w/jr. sloop. De effectieve vraag - uitgeoefend door de woonconsument - ligt gemiddeld op 850-900 woningen per jaar; het gemeentelijke bouwprogramma is hierop afgestemd.

Het plan tot de bouw van (circa) 40 appartementen, ter plaatse van het Spoorpark in de Spoorzone past ruimschoots binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Over de samenhang van dit plan met de kwalitatieve woningbouwopgave verderop meer.

 

 

3.3.2 Woonbeleid

Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de Woonvisie is aangegeven dat –ondanks accentverschuiving naar de bestaande woningvoorraad– de nieuwbouwopgave voor Tilburg nog steeds een belangrijk thema is, gegeven de natuurlijke aanwas, gezinsverdunning en immigratie.

Centraal in de Woonvisie Tilburg 2015 staat de gemeentelijke opgave te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus als basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, zodat zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen en trends (w.o. demografie, individualisering, zelfredzaamheid & betaalbaarheid, identiteit/ beleving); dit geldt zowel de woning als de woonomgeving/woonmilieu.

 

De woningbouwopgave die Tilburg in voornoemde context heeft, kan en wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Echter de omvang van de bouwopgave, maar meer nog de kwalitatieve samenstelling daarvan (o.m. woonmilieudifferentiatie), maakt het nodig om ons - in beperkte mate - ook te oriënteren op locaties buiten het bestaand stedelijk gebied. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften c.q. klantvraag wordt gebruik gemaakt van een woonmilieutypologie. Hierbij wordt, naar analogie van de rijksoverheid, onderscheid gemaakt in vijf woonmilieus: Centrum-Stedelijk (& -Plus), Stedelijk-buiten-centrum, Groen-Stedelijk, (Centrum-)Dorps en Landelijk, waarbij –in deze volgorde– sprake is van een afnemende woningdichtheid en nabijheid c.q. toegang tot voorzieningen, respectievelijk (OV-)bereikbaarheid. Deze indeling wordt waar nodig binnengemeentelijk verbijzonderd en/of verbonden met leefstijlkenmerken van bewoners uitmondend in zgn. "woonwerelden".

Het plan tot realisatie van circa 40 appartementen in het Spoorpark (Oud-Zuid West) ligt in bestaand stedelijk gebied. Het bouwplan betreft een vorm van inbreiding. In het plan is rekening gehouden met de woonmilieu(differentiatie)opgave, in dit geval het voorzien in de vraag naar centrumstedelijk wonen.

Het periodieke Kwalitatief WoningBehoefteOnderzoek/KWBO (elke vier jaar, meest recent 2012) toont de behoefte aan een centrumstedelijk woonmilieu. Zo blijkt de woonvoorkeur onder de verhuisgeneigde Tilburgers in ruim 20% van de gevallen uit te gaan naar een centrumstedelijk woonmilieu, waarmee burgers met specifieke leefstijlen beter worden bediend. Tot 2025 betreft dat een woningvraag van zo'n 2.200 woningen in dit woonmilieutype.

3.3.3 Woonkwaliteiten

Naast woonmilieudifferentiatie is meer variatie in het aanbod van nieuwbouwwoningen geboden. Enerzijds komt dit voort uit de maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering, ontgroening & vergrijzing, anderzijds heeft dit te maken met de verander(en)de klantvraag, die ook steeds kwalitatiever van aard is. Aspecten waarop met name lokaal sturing plaatsvindt, zijn het aandeel appartementen in bouwplannen, het aandeel goedkope huurwoningen, de beschikbaarheid van kavels voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw, de levensloopbestendigheid van de nieuwbouw en het voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW).

 

Leefstijl / "woonwereld"

Het KWBO biedt inzicht in de zgn. "harde" kenmerken (i.c. huishoudens- en woningkenmerken, verhuisplannen enz.). Complementair levert het leefstijlonderzoek van SmartAgent (2013) informatie over de drijfveren van mensen in het gedrag dat zij vertonen en de keuzes die zij maken, oftewel inzicht in de normen/waarden- en belevingsaspecten (de "zachte" kant) van burgers op de woningmarkt. Samen bieden beide onderzoeken aanknopingspunten voor doelgroep-segmentatie/-specialisatie, uitmondend in zgn. "woonwerelden". Hiermee kunnen omgevings-/locatiekenmerken en consumentenvraag optimaal op elkaar worden afgestemd in het te ontwikkelen woonproduct(gamma).

Het woningbouwplan Spoorpark biedt ruimte voor centrum-stedelijk wonen, primair voor mensen behorend tot de rode/gele leefstijl, en meer specifiek voor de woonwereld "Stedelijk en Authentiek".

 

Toetsingskader nieuwbouwappartementen

De gemeente stuurt nadrukkelijker op het aantal en soort nieuwbouwplannen voor appartementen om overaanbod tegen te gaan. Plannen worden getoetst aan het gewenste woonmilieu, de ruimtelijk-stedenbouwkundige inpassing, consumentgerichtheid en/of de vraag of het plan onderdeel uitmaakt van een voor de gemeente prioritaire gebiedsontwikkeling. Dit woningbouwplan tot inbreiding voldoet aan de toetsingscriteria voor nieuwbouwappartementen. Om in de toekomst te kunnen anticiperen op variatie in de vraag worden de twee- en driekamerappartementen voorzien van een flexibele plattegrond.

 

Aandeel goedkope huurwoningen
De gemeente streeft naar vergroting van het volume goedkope huurwoningen voor verschillende huishoudens binnen de gemeente, conform Woonvisie / Convenant Wonen. Alle woningen in dit bouwproject behoren tot de realisatieopgave van goedkope/betaalbare huurwoningen, zoals in bovenstaande zin bedoeld.

 

Levensloopbestendige nieuwbouw (/wonen met zorg)

De huisvesting van zorgbehoevenden (m.n. ouderen en gehandicapten), gemengd met de overige bevolking, is een belangrijk aandachtspunt van het Tilburgse woonbeleid. Ter bevordering van hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie streeft de gemeente Tilburg er naar dat nieuwbouwwoningen "levensloopbestendig" worden ontwikkeld, dan wel daartoe eenvoudig aanpasbaar zijn. Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", i.c. woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers (te maken) zijn op entreeniveau van de woning. Daarenboven bestaat het streven dat er voldoende welzijns- en zorgdiensten in de nabijheid zijn, dan wel gerealiseerd worden. Hiertoe is het concept van de Servicewijken/woonservicezones ontwikkeld, waarbij woon-, welzijn- en zorgdiensten op gebiedsniveau optimaal op elkaar zijn/worden afgestemd. Met name bij nieuwe uitleglocaties dient invulling aan dit concept te worden geven.

In het voorliggende plan zal aan de doelstelling van levensloopgeschikte nieuwbouw worden voldaan, resp. invulling gegeven. Zie voor concrete ontwerphandreikingen de Werkwijzer Levensloopbestendigheid & toegankelijkheid 2.1.

 

Politiekeurmerk Veilig Wonen

Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw.

Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast (i.c. certificering plaatsvindt), zowel op woningniveau, als ook op het niveau van de woonomgeving. Het woningbouwplan Spoorpark zal aan het Politiekeurmerk voldoen.

3.4 Groen en speelruimte

 

3.4.1 Bomenbeleid Tilburg

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 

Bomenverordening

De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.

 

Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.

 

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)

In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart.

De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.

3.4.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

3.4.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiveriteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de

mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

 

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

3.5 Kantoren

In 1998 heeft de gemeenteraad de nota Ruimte voor Kantoren tot 2015 vastgesteld. Deze nota bevat het gemeentelijk kantorenbeleid voor de periode tot 2015. Ontwikkeling van de Stationszone als hoogwaardige kantorenboulevard heeft hierin de hoogste prioriteit. Verder wordt gesteld dat buiten de Stationszone de gemeente zeer selectief is met het ontwikkelen van ruimte voor kantoren.

 

Na een evaluatie in 2001 is het beleid bijgesteld in de Nota Ruimte voor Kantoren 2001 omdat het slechts gedeeltelijk effect had. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn:

 

Doel van het kantorenbeleid is een zodanige kwalitatieve differentiatie van het aanbod van kantoorruimte dat er voldoende ruimte is voor de in het economisch beleid beoogde groei en versterking van de zakelijke dienstverlening. Verbreding van het aanbod zal plaatsvinden door het ontwikkelen van een aantal sterke kantorenmilieus aan de belangrijkste uitvalswegen.

 

Twee segmenten krijgen daarbij in het bijzonder aandacht:

  1. kleine en middelgrote eigenaar-gebruikers die veel waarde hechten aan een eigen kantoorpand in een representatieve omgeving;

  2. kantoorgebruikers in de auto-afhankelijke zakelijke dienstverlening die veel waarde hechten aan een goed per auto bereikbaar kantoorpand en voldoende parkeerruimte.

 

In het programma voor te ontwikkelen locaties aan de uitvalswegen is een accent gelegd op de A58-zone en met name op locaties rond de twee stadsentrees namelijk Kempenbaan (oostentree) en Het Laar (westentree). Naast de A58-zone zijn er mogelijkheden voor kantoorontwikkeling bij Station Reeshof en op een aantal binnenstedelijke herstructureringslocaties.

 

Na vaststelling van de nota Ruimte voor Kantoren 2001 zijn de ontwikkelingen op de kantorenmarkt in beeld gebracht door middel van voortgangsrapportages. Sindsdien heeft zich een aantal belangrijke ontwikkelingen voorgedaan die de vraag naar en het aanbod van nieuwe kantoren en kantoorlocaties hebben beïnvloed. Op basis van de in de voortgangsrapportages gesignaleerde ontwikkelingen wordt het ontwikkelingsprogramma voor nieuwe kantoorlocaties periodiek geactualiseerd, zowel kwantitatief als kwalitatief.

 

Regionale afspraken kantoren Hart van Brabant 15-12-2016

Omdat de kantorenmarkt in Brabant onder druk staat heeft de provincie aan de regio's verzocht op regionaal niveau afspraken te maken. De kantorenmarkt in de regio Hart van Brabant kampt met leegstand en overprogrammering, maar er is geen sprake van een groot regionaal probleem. Dat neemt niet weg dat er wel een opgave is, omdat we in de regio hechten aan een goed functionerende kantorenmarkt. Deze opgave ligt vooral op het bord van de grotere gemeenten met enig kantorenprofiel, maar gaat ook de overige gemeenten aan. Om die reden is afgesproken dat we in Hart van Brabant het regionale overaanbod gaan terugdringen waarbij we kijken naar plancapaciteit en aanbod en tevens meer vraaggericht gaan werken. Daarbij ligt de focus op een aantal kansrijke regionale kantoorlocaties die voor de regio als toekomstbestendig worden gezien. Op lokaal niveau vindt de uitwerking plaats. De afspraken zijn vastgelegd in het RRO van 15 december 2016 en hebben een looptijd van 4 jaar. Tenminste een keer per jaar wordt de voortgang besproken in de portefeuilehoudersoverleggen.

 

Maatregelen in bestemmingsplan

In het plangebied komen geen nieuw te ontwikkelen kantorenlocaties voor. De aanwezige kantoorfunctie is op de verbeelding aangeduid door middel van de functie-aanduiding 'kantoor'.

3.6 Horeca

 

3.6.1 Algemeen

De raad heeft op 30 januari 2017 het horecabeleid vastgesteld. Daarin is de volgende doelstelling opgenomen.

 

"Tilburg wil een gastvrije stad zijn. Met het nieuwe horecabeleid willen we een bijdrage leveren aan een horeca-aanbod dat aansluit bij de wensen van de bewoners en bezoekers van de stad. We kiezen voor horeca die een meerwaarde heeft voor de functie van gebieden, om daarmee de gastvrijheid van Tilburg te benadrukken. Daarnaast willen we binnen het beleid ruimte houden voor vernieuwing van het aanbod. De stad realiseert hiermee een horeca aanbod waarvoor mensen nu, en in de toekomst, naar Tilburg komen en er willen verblijven."

 

Ruimte voor vernieuwing/innovatie van het aanbod

Nieuwe horeca-initiatieven moeten de aantrekkelijkheid van bepaalde gebieden vergroten of behouden. Gebieden als de binnenstad en het buitengebied zijn van groot belang voor het woon- en leefklimaat en bezoekers, vanwege de vele voorzieningen en mogelijkheden voor recreatie en ontspanning. Door daar in te zetten op (vernieuwende) horeca(concepten) kunnen deze gebieden een grotere waarde krijgen voor inwoners en bezoekers. Onderscheidende horecaconcepten, al dan niet in combinatie met een bijzondere locatie, moeten ruimte kunnen krijgen in Tilburg.

 

Evenwichtig aanbod

Bij het vormgeven van het horecabeleid dient tevens een balans te worden gevonden met andere functies zoals de leefbaarheid in wijken of de mogelijkheid om te ondernemen (in andere sectoren). Ook bij de omvang van het aantal horecagelegenheden moet een balans worden gevonden. Het toevoegen van horeca komt de diversiteit en spreiding van het aanbod ten goede. Bij overaanbod kan het rendement van horecabedrijven onder druk komen staan. Dit kan tot gevolg hebben dat de kwaliteit afneemt en dat daardoor niet voldoende ruimte is voor vervangingsinvesteringen en het investeren in het vernieuwen van het concept.

3.6.2 Horeca-categorieën

In het horecabeleid zijn categorieën opgenomen. Zo ontstaat de mogelijkheid om te sturen op de ontwikkeling van horeca die past bij het karakter van het gebied. Denk hierbij aan de wenselijkheid van daghoreca in winkelgebieden en het voorkomen van overlast van horeca die lang geopend is in gebieden waar ook (relatief veel) woningen aanwezig zijn. In het horecabeleid is daarom gekozen voor een nieuwe typering van horeca-categorieën waarmee aansluiting gezocht wordt bij het belangrijkste bezoekmotief van de consument en waarmee richting kan worden gegeven aan de ontwikkeling van horeca die aansluit bij de kwaliteiten van een specifiek gebied.

 

Categorie I (Daghoreca)

Horeca inrichting, met openingstijden gerelateerd aan de winkeltijden (daghoreca), niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar:

hoofdzakelijk (kleine etenswaren) en/of dranken worden verstrekt.

Voorbeelden zijn: thee & koffie-concepten, brood & lunchconcepten, ijs & yoghurt concepten. Daarnaast zijn ook concepten zoals omschreven bij categorie III mogelijk indien de openingstijden kunnen worden beperkt.

 

Categorie II (Droge horeca):

Horeca inrichting waar:

hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt.

Voorbeelden zijn aan te merken: fastfoodconcepten, healthy fastfoodconcepten, snackbars, shoarmazaken. Indien alcohol wordt verstrekt valt het bedrijf in categorie III.

 

Categorie III (Eetgelegenheden):

Horeca inrichting, niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar

hoofdzakelijk maaltijden worden verstrekt.

Voorbeelden zijn: restaurants, pizzeria's, all-you-can-eat-concepten, café-restaurant.

 

Categorie IV (Café - Barconcepten):

Horeca inrichting waar:

hoofdzakelijk dranken worden verstrekt, en waar eventueel in combinatie daarmee kleine etenswaren worden verstrekt.

Voorbeelden zijn: cafés, bars, pubs, bier-, wijn- en cocktailconcepten.

 

Categorie V (Uitgaan & Zalen):

Horeca inrichting waar:

hoofdzakelijk dranken worden verstrekt en entertainment wordt aangeboden, zoals (live) optredens en mechanische muziek.

Voorbeelden zijn: clubs, discotheken, feestcafés, uitgaansconcepten, zalen- en partycentra, danscafés, karaokebars. Combinatie met (onderdelen) van categorieën III en IV vallen ook binnen deze categorie.

 

Categorie VI (Verblijfshoreca):

Horeca inrichting waar:

hoofdzakelijk gelegenheid tot tijdelijk slaapverblijf wordt gegeven, en waar eventueel in combinatie daarmee maaltijden, dranken en/of kleine etenswaren worden verstrekt.

Voorbeelden zijn: hotels, motels en pensions.

3.6.3 Gewenste ontwikkeling per gebied

Binnenstad

De belangrijkste concentratie van horeca bevindt zich in de binnenstad in het horecaconcentratiegebied (HCG). Het HCG bestaat uit: Heuvel, Korte Heuvel, Piusplein, Heuvelring/Piusstraat, Paleisring, Oude Markt / Heikese Kerk. Hier is ruimte voor een ruim en divers aanbod van horeca, juist ook horeca die zich specifiek richt op uitgaand publiek.

In andere delen van de binnenstad zoals het Kernwinkelgebied, de Spoorzone, Veemarktkwartier, Piushaven en het Dwaalgebied heeft de horeca een ondersteunende functie en zijn andere functies zoals wonen, winkelen en werken de hoofdfunctie. Uitbreiding van horeca is in deze gebieden wenselijk als dit bijdraagt aan de sfeer en aansluit op de hoofdfunctie van het betreffende deelgebied. Hierbij blijft de balans met de andere functies van groot belang.

Met het Spoorpark wordt een nieuw recreatief gebied gerealiseerd centraal in de stad, nabij de binnenstad.

Naast een openbaar toegankelijk park, wordt plaats geboden aan functies als een stadscamping,

beachvolleybal en een outdoor-sportspark. Ook een horecavoorziening is voorzien in het Spoorpark. Het

stadspark is een nieuwe voorziening die recreatieve functies van het buitengebied combineert met stedelijke

functies. Hiermee kan de horeca in het Spoorpark een nieuwe doelgroep aanspreken, midden in de stad, maar

wel in een groene omgeving. Horeca tot en met categorie IV past daarmee binnen de uitgangspunten

van het beleid. Daarin staat dat meegewerkt wordt aan de vestiging van horeca op locaties waar horeca van

toegevoegde en ondersteunende waarde is. Het Spoorpark, met het veelzijdige programma voor recreatie in

een binnenstedelijke en groene omgeving, is een dergelijke locatie.

 

3.6.4 Horeca bij winkels en dienstverlenende bedrijven (additionele horeca)

Door maatschappelijke en economische ontwikkelingen ontstaat er bij consumenten steeds meer een behoefte aan onderscheidende concepten in zowel winkels als horeca. Hoe meer een (winkel-)gebied gericht is op recreatief winkelen of verblijf, hoe groter de behoefte aan 'beleving'. Voorbeelden van deze ontwikkelingen zijn een lunchroom in een boekenwinkel, een kapsalon met een wijnbar (mits gescheiden ruimtes) of een lunchroom waar het gehele interieur te koop is. Deze ontwikkeling vindt op dit moment met name plaats binnen de detailhandel waar steeds meer 'horeca-elementen' een plaats krijgen.

 

Het is voor winkeliers mogelijk om binnen de bestaande regels maximaal 33% van de winkeloppervlakte in te richten voor horeca-activiteiten. Voor horecabedrijven die tevens alcohol verkopen gelden op grond van de Drank en Horecawet (DHW) aanvullende (inrichtings-)eisen. Deze eisen gelden in Tilburg ook voor bedrijven die geen alcohol schenken, maar wel langer geopend willen zijn dan op grond van de winkeltijdenverordening mogelijk is.

3.6.5 Ondersteunende horeca

Horeca is ook een zeer wenselijk onderdeel van andere (maatschappelijke) voorzieningen zoals een schouwburg, buurthuis of sportvoorziening. Deze horeca staat ten dienste van een andere hoofdfunctie. Deze hoofdfunctie is dan ook opgenomen in het bestemmingsplan. Het schenken van alcohol is toegestaan middels een Drank- en Horecavergunning.

3.7 Verkeer en parkeren

 

3.7.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

3.7.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

3.7.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

3.7.4 Analyse plangebied

 

Omliggende wegenstructuur

Het plangebied is aan de zuidzijde begrensd door de Hart van Brabantlaan en de noordzijde door het spoor. Aan de westzijde ligt de Ringbaan west en aan de oostzijde de Sint Ceciliastraat. Al deze wegen zijn gebiedsontsluitingswegen met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/h.

 

Ontsluiting van het plangebied

In het plangebied ligt een weg die het gebied ontsluit, de Hazelaarstraat. Deze straat is een weg voor 30 km/h en is met een verkeerslicht aangesloten op de Hart van Brabantlaan. Ter plaatse van deze kruising moet het gebied worden ontsloten. De voorspelde toename van het verkeer ten gevolge van de ontwikkeling van het Spoorpark kan gemakkelijk verwerkt worden bij de bestaande verkeerslichten (VRI 160), zonder dat dit ten koste gaat van de koppeling op de Hart van Brabantlaan. Een nadere onderbouwing hiervoor is te vinden in Bijlage 1 Notitie doorrekening VRI.

Aan de westzijde van het gebied ligt een secundaire ontsluiting tussen de Hazelaarstraat en de Hart van Brabantlaan. De verbindingsweg is niet geschikt om veel verkeer te verwerken en kan daarom niet worden ingezet om de ontwikkeling te ontsluiten.

 

Langzaam verkeer

Het gebied is bereikbaar via de sternetfietsroute op de Hart van Brabantlaan. De Sint Ceciliastraat is weliswaar geen fietsroute in het netwerk, maar is wel voorzien van vrijliggende fietspaden. Voor de voorzieningen moeten voldoende fietsenstallingen worden gerealiseerd.

 

Openbaar vervoer

Aan de Hart van Brabantlaan, ongeveer in het midden van het te realiseren Spoorpark, ligt aan beide zijden van de weg een bushalte. Deze liggen aan weerszijden van de kruising met de Beukenstraat, waar ter plaatse van de verkeerslichten de Hart van Brabantlaan kan worden overgestoken.

 

Afvalinzameling

De plaats waar het afval wordt ingezameld moet goed bereikbaar zijn met de vuilniswagen. Deze wagen moet het inzamelpunt altijd vooruit kunnen bereiken en eveneens weer vooruit kunnen verlaten.

 

Parkeren

De ontwikkelingen moeten voldoen aan de parkeernormen zoals die zijn opgesteld door de gemeente Tilburg. Analoog aan de parkeernotitie kan voor functies die niet zijn opgenomen in het Tilburgs beleid worden teruggevallen op de kencijfers van het CROW. Rod'or Advies heeft op 28 maart 2017 een ontwerp gemaakt voor de terreininrichting van het Spoorpark. Daarin zijn de nieuw te realiseren parkeerplaatsen opgenomen (Bijlage 2 Terreininrichting parkeerplaatsen). In Bijlage 3 Verkeersgeneratie is een berekening opgenomen van de verkeersgeneratie van het totale Spoorpark inclusief de woontoren en tot slot is in Bijlage 4 Parkeerbalans de berekening te vinden van het totale aantal benodigde parkeerplaatsen voor het Spoorpark, waarbij ook rekening gehouden is met dubbelgebruik.

 

De gewogen parkeereis van fase 1 van het Spoorpark (dat is de fase waarin de woontoren nog niet gerealiseerd is) bedraagt 60 parkeerplaatsen. In fase 1 zijn in het ontwerp 21+28+23=71 parkeerplaatsen ingepast voor het Spoorpark. Om de inritten naar de nieuwe parkeerstrook te maken verdwijnen er 15 parkeerplaatsen in de huidige parkeerstrook. Daarbij is er rekening mee gehouden dat na aanleg van de inritten enkele halve parkeerplaatsen resteren. Deze zijn meegerekend als volledig te verdwijnen plaatsen. Een van de te verwijderen parkeerplaatsen betreft een invalidenparkeerplaats. Deze dient in de directe omgeving van de te verwijderen plaats te worden gecompenseerd. Door optimalisatie van de bestaande parkeerstrook kunnen er 5 extra parkeerplaatsen worden gemaakt en voor de flat langs de Hart van Brabantlaan worden10 extra parkeerplaatsen gerealiseerd. Alle te verdwijnen parkeerplaatsen worden daarmee gecompenseerd. In totaal komt het aantal nieuwe parkeerplaatsen op 71.
Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er in fase 1 11 'extra' parkeerplaatsen gerealiseerd worden, ten opzichte van de parkeereis. Hiervan zullen er 6 benut worden ten behoeve van 3 permanente camperplekken.

 

In fase 2 wordt de woontoren gerealiseerd. De parkeerbalans hiervoor is tevens opgenomen in Bijlage 4 Parkeerbalans. Op het maatgevend moment, de zaterdagavond, is voor het totale programma van het Spoorpark een aantal van 98 parkeerplaatsen nodig. In de tweede fase wordt de totale parkeerbehoefte dus 38 parkeerplekken hoger. In het ontwerp van de terreininrichting wordt in fase 2 nog een aantal van 53 nieuwe parkeerplaatsen ingepast. Er is op basis van de parkeerbalans dus een aantal van 15 parkeerplaatsen teveel. Daarvan zullen nog eens 8 parkeerplaatsen worden benut ten behoeve van 4 permanente camperplekken.

 

Conclusie: in totaal is de parkeerbehoefte 98 parkeerplaatsen. Er worden 124 parkeerplekken gerealiseerd. Er worden dus 26 extra parkeerplaatsen aangelegd ten opzichte van de parkeereis. In de eindsituatie (fase 2) worden daarvan 14 parkeerplaatsen benut ten behoeve van de permanente camperplekken. Voor een optimaal gebruik van de parkeermogelijkheden moeten deze plekken aaneengesloten liggen en fysiek zijn afgescheiden van het overige parkeerterrein.

 

Noodhulpdiensten

Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen. Voor de brandweer moet het spoor altijd bereikbaar zijn.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

 

4.1 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet

worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

  2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke

activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt

zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid

worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.

beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer

dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het

plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk

genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na

het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.

 

ad b.

Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft

derhalve geen direct effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied

is gelegen op een afstand van ca. 5 km. van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

 

Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor

deze ontwikkeling.

4.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Voor het plangebied is nader onderzoek uitgevoerd door Antea Group (Bijlage 5 Onderzoek milieuzonering). Uit de conclusie blijkt dat voor bijna alle activiteiten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Voor het deel waar evenementen gaan plaatsvinden is dat in beginsel niet het geval. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.5.

4.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

4.3.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg en de Rijksweg A58. Er is een groepsrisicoberekening uitgevoerd door Antea Group getiteld 'Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) - Ontwikkeling spoorpark Tilburg' (6 juli 2018) (zie Bijlage 6 Onderzoek externe veiligheid). In deze rapportage is tevens een aanzet gedaan voor de groepsrisicoverantwoording. In deze paragraaf wordt conform het Bevt ingegaan op de verschillende onderdelen van de groepsrisicoverantwoording. Deze verantwoording is in lijn met de verantwoording groepsrisico in het kader van de omgevingsvergunning van het spoorpark.

 

a. De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute (huidig en toekomstig)

In het voornoemde rapportage van Antea Group zijn de personendichtheden binnen het plangebied en de omgeving geïnventariseerd. Hierbij is rekening gehouden met de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

 

b. De hoogte van het groepsrisico

Gezien de ligging van het plangebied op korte afstand van het spoor is het groepsrisico berekend voor zowel de huidige als toekomstige situatie. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico de oriëntatiewaarde overschrijdt. Het groepsrisico neemt toe tot 4,41 keer de oriëntatiewaarde in de toekomstige situatie ten opzichte van 4,39 keer de oriëntatiewaarde in de huidige situatie.

 

c. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico

In de voornoemde rapportage van Antea Group zijn verschillende veiligheidsmaatregelen beschouwd.

Ten aanzien van bronmaatregelen is geconcludeerd dat de gemeenten niet bevoegd is om aanvullende bronmaatregelen te eisen. In relatie tot ruimtelijke veiligheidsmaatregelen is aangegeven dat de mogelijkheden om afstand tot het spoor te houden minimaal zijn (vanwege de ligging van het plangebied), maar dat er via de reeds aanwezige geluidswal kunstmatig afstand wordt gecreëerd.

 

Vanuit bouwtechnisch perspectief is het beperken van grote glasoppervlakken een effectieve maatregel. Dit geldt ook voor het verbeteren van de brandwerendheid van gevels richting het spoor, deze worden 60 minuten brandwerend uitgevoerd voor de reeds vergunde bebouwing. Ook voor het scoutinggebouw zijn bij de vergunningverlening specifieke bouwtechnische maatregelen afgesproken.

 

d. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico

De beschreven ontwikkelingen zijn specifiek voorzien voor het Spoorpark. Er zijn derhalve geen alternatieven met voor- en nadelen onderzocht waarmee sprake is van een lager groepsrisico.

 

e. Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp

Voor de hulpdiensten zijn de volgende elementen wat betreft de bereikbaarheid van het plangebied

van belang:

 

Voor de hulpdiensten zijn twee aanrijdroutes aanwezig en is het plangebied tweezijdig bereikbaar. De bestrijdbaarheid van een incident op het spoor zal vanuit het zuiden wel verminderd worden door de realisatie van het park. Binnen het plangebied zal in twee opstelplaatsen worden voorzien. In overige gevallen zal de brandweer zich opstellen op het centrale pad (de Berkenlaan). De bereikbaarheid is goed, het plangebied is tweezijdig bereikbaar vanuit de Hazelaarstraat en vanaf de Hart van Brabantlaan/Sint Ceciliastraat met voldoende brede wegen.

 

Bij het vereiste van voldoende bluswater gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (open water) en tertiair bluswater, en hoe deze overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit van één van de twee scenario's. Ook gaat het om de aanwezigheid van voldoende opstellocaties om deze bluswatervoorzieningen in te kunnen zetten. In overleg met de brandweer wordt voorzien in voldoende bluswatervoorzieningen op het terrein.

 

De opstelplaatsen, aanrijdroutes en blusvoorzieningen binnen het plangebied zijn met de brandweer besproken en worden voldoende geacht. Het aantal opstelplaatsen lijkt daarmee toereikend voor het plangebied en de bestrijdbaarheid op orde. Uit gegevens van de Brandweer Midden- en West-Brabant blijkt dat de opkomsttijd voor de omgeving van het plangebied ca. 3 minuten bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de brandweerzorgnorm.

 

f. Mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijke incidenten zijn beschreven in de voornoemde rapportage van Antea Group.

 

Er dient bij de planuitwerking aandacht besteed te worden aan voldoende vluchtmogelijkheden van de risicobronnen af. Uitgangspunt hierbij is dat de in het Spoorpark aanwezige personen binnen 15 minuten op een afstand van minimaal 200 meter van het spoor kunnen geraken. Het aantal vluchtmogelijkheden is beperkt. Het is daarom belangrijk dat de vluchtwegen goed herkenbaar zijn en begeleiders van evenementen op de hoogte zijn van incidenten op het spoor en een goede begeleiding geven bij het vluchten. In het nieuwe evenementenbeleid zal aandacht worden besteed aan het aspect externe veiligheid.

 

Voor ontvluchting van het plangebied is een goede infrastructuur van belang waarbij van de bron af gevlucht kan worden. De bestaande wegenstructuur rond het plangebied biedt de mogelijkheid om in meerdere richtingen van de incidentlocatie af te kunnen vluchten. Vluchten kan primair in zuidelijke richting (via o.a. de Ringbaan West, Beukenstraat en de Sint Ceciliastraat) of in westelijke of oostelijke richting (via de Hart van Brabantlaan).

 

In het plangebied zal een centrale ontsluitingsroute gerealiseerd worden in de vorm van de Berkenlaan (deze route zal ook door hulpdiensten gebruikt worden). Verder zal binnen het plangebied via diverse routes gevlucht kunnen worden afhankelijk van de locatie waar een incident plaatsvindt en de locatie waar iemand zich bevindt binnen het spoorpark.

Het park zal omsloten zijn met hekken waardoor vluchten wordt bemoeilijkt. Het park heeft op diverse locaties poorten. Deze poorten zullen gedurende de openingstijden geopend zijn en dus ook als vluchtwegen gebruikt kunnen worden. De poorten zijn 1,5 meter breed en per twee uitgevoerd. Alle poorten in het park zijn van binnenuit te openen (vrije ontgrendeling).

Daarbij worden in de pergola’s ook aanrijdpoorten voor de brandweer van 6 meter aangebracht. Bij de beschouwing van de vluchtroutes dient rekening gehouden te worden met de obstakels en obstructies in en rondom het spoorpark. Zo zal de ondiepe beek een obstakel vormen bij het ontvluchten. Bovendien komt men nadat men het park is ontvlucht drukke doorgaande wegen tegen, namelijk de Hart van Brabantlaan, en Ringbaan West, ook deze zullen het ontvluchten vertragen. De vluchtroutes bestaan uit een mix van wegen die geschikt zijn voor alle verkeer en vluchtroutes voor langzaam verkeer (voetganger/fiets).

 

De ontvluchting uit de gebouwen zelf is eveneens van belang in het kader van de zelfredzaamheid. Voor de gebouwen die binnen de reikwijdte van het BLEVE-scenario liggen verdient het de voorkeur de uitgangen aan de risicoluwe zijde van het gebouw te oriënteren of in ieder geval zodanig dat zoveel als mogelijk het gebied kan worden ontvlucht onder dekking van bebouwing.

 

In het geval van een toxisch scenario moet gelet worden op luchtdichtheid van het gebouw en de mogelijkheid tot uitschakelen van de mechanische ventilatie. Nieuwe gebouwen zijn zo ingericht en gebouwd dat luchtdichtheid geen probleem vormt. Het verdient de voorkeur om de mechanische ventilatie zodanig uit te voeren dat deze eenvoudig uit te schakelen is (mag handmatig).

 

Risicocommunicatie is het middel bij uitstek om het handelingsperspectief van personen te verbeteren. Van belang is dat mensen geïnformeerd zijn over wat te doen bij een calamiteit en dat ze snel gealarmeerd worden wanneer zich een calamiteit voordoet. Bij een (dreigend) incident wordt in Nederland gebruik gemaakt van een NL-Alert, waarbij mensen via hun mobiele telefoon geïnformeerd worden.

4.3.3 Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportasgebied gelden de volgende voorwaarden:

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

4.3.4 Conclusie en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.4 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.5 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

 

Binnen het bestemmingsplan worden diverse functies planologisch mogelijk gemaakt waaronder sportfaciliteiten (o.a. bestaand basketbalveldje, Beachvolleybalvelden, bootcamp outdoor fitnessveld, obstacle run veld), een woontoren met maximaal 40 appartementen, scoutingsgebouw, camping en camperstandplaatsen en een T-huis met dakterras. Daarnaast zullen er ook incidenteel evenementen plaatsvinden in het park.

 

Voor het planologisch mogelijk maken van deze functies is een akoestisch onderzoek verricht door Antea Group (Bijlage 7 Akoestisch onderzoek) De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek zijn hieronder weergegeven.

 

Evenementen

Op het speelgrasveld zullen incidenteel evenementen worden gehouden. Uit het onderzoek blijkt dat er bij grootschalige evenementen (totaal bronvermogen 130 dB(A), spectrum house muziek) er niet zonder meer sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voor middelgrote evenementen (bronvermogen 120 dB(A), spectrum house muziek) blijkt dat er voldaan wordt aan de adviesnorm van 70 dB(A) uit de Beleidsregels voor evenementen.

Voor het te actualiseren evenementenbeleid van de gemeente Tilburg voor het Spoorpark wordt geadviseerd een geluidsnorm op te nemen van maximaal 80 dB(A) en 95 dB(C), het aantal (grootschalige) evenementen vast te leggen, te maximaliseren en deze evenementen vast te leggen in de jaarlijks op te stellen evenementenkalender.

Met name dance-evenementen (en in iets mindere mate ook andere genres als hiphop en metal) hebben grotere geluidsproductie in dB(C), zoals de maat voor het geluidsniveau voor laagfrequent geluid wordt uitgedrukt. Voor evenementen met het accent op muziek wordt naast een norm in dB(A) ook een norm in dB(C) gesteld. Door het opnemen van een maximale dB(C) norm wordt de overlast voor omwonenden met betrekking tot de basgeluiden zoveel mogelijk beperkt.

Tevens worden er bij het plannen van evenementen ook perioden vastgelegd waarin er geen geluidsevenementen kunnen plaatsvinden. Dit wordt gebaseerd op de evenementenkalender.

 

Resultaten stadscamping

Uit de berekeningsresultaten blijk dat de stadscamping kan voldoen aan een langtijdgemiddeld- beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde. Het berekende maximale geluidsniveau(LAmax) t.g.v. roepende personen bedraagt ten hoogste 63 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. De camping kent een campingreglement waarin wordt opgenomen dat het na 23.00 uur stil moet zijn. Daarnaast zal er ook een beheerder op het park aanwezig zijn die hierop toeziet. Hierdoor zal er sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening en is er voldoende borging van een goed woon- en leefklimaat.

 

Sportvelden/basketbalterrein/scoutingterrein

Uit de berekeningen blijkt dat voldaan kan worden aan een goede ruimtelijke ordening ten aanzien van de nieuwe woontoren en de bestaande woningen. Tevens wordt voor deze functies ruimschoots voldaan aan de richtafstand uit de VNG brochure.

 

T-huis met dakterras

Uit de berekeningen blijkt dat het T-huis met dakterras een totaal geluidvermogenniveau mag uitstralen van ten hoogste 82 dB(A). Hierbij voldoet het T-huis met dakterras aan de standaardnorm van 50 dB(A) etmaalwaarde. Dit bronvermogen staat gelijk aan een bruin café met mechanisch versterkte muziek. Er is voldoende borging om deze functie (Horeca categorie 4: Café-bar) planologisch in te passen.

 

Verkeersaantrekkende werking

De verschillende functies hebben alle een verkeersaantrekkende werking. De verkeersaantrekkende werking van alle functies samen bedraagt 790 voertuigbewegingen per etmaal voor een gemiddelde weekdag.

 

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking ten hoogste 55 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt niet voldaan aan stap 2 van de VNG-publicatie. In deze stap is een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gesteld van 50 dB(A) voor gemengd gebied.

 

Op grond van stap 3 van de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering kan in gemengd gebied een geluidbelasting van 65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking aanvaardbaar zijn. Aan deze norm wordt voldaan. Het treffen van maatregelen is in deze situatie niet mogelijk. De toename van de geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de geluidbelasting ten gevolge van het huidige verkeer op de Hazelaarstraat bedraagt 1,3 dB. Dit is een beperkte toename van de geluidbelasting.

 

Uitgaande van een standaard gevelisolatie van 20 dB(A), dit is de minimumeis die het bouwbesluit voorschrijft, wordt er voldaan aan de vereiste binnenwaarde van 35 dB(A) in de bestaande appartementen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening is de geluidbelasting aanvaardbaar en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

 

De woontoren

In het bestemmingsplan wordt planologisch een nieuwe woontoren van 40 appartementen mogelijk gemaakt. Uit bijlage 10 bij Bijlage 7 Akoestisch onderzoek blijkt dat de toren geluidbelast is vanwege de Ringbaan-West (geluidbelasting maximaal 51 dB) en het spoor (geluidbelasting maximaal 68 dB).

Uit de memo blijkt dat maatregelen om de geluidbelasting verder te reduceren redelijkerwijs niet mogelijk zijn en overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, civieltechnische en financiële aard. Om de woontoren planologisch mogelijk te maken heeft het college een hogere waarde besluit genomen. Dit besluit is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.

4.6 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van diverse functies waaronder een scoutinggebouw, een stadscamping, een T-huis , volleybalvelden en een woontoren. Voor het plan is een parkeerbalans gemaakt. Uit deze balans blijkt dat de verkeersaantrekkende werking van het Spoorpark, gebaseerd op een week daggemiddelde 790 voertuigbewegingen per etmaal bedraagt.

 

Invulling van deze motorvoertuigen bewegingen in de NIBM-tool levert het volgende resultaat op:

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 3 - resultaat NIBM-tool

 

Uit invulling in de rekentool blijkt dat het plan wordt gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).

 

Vanuit een 'goede ruimtelijke ordening' is tevens de luchtkwaliteit beschouwd ter hoogte van het Spoorpark. Hiervoor is gebruik gemaakt van de gegevens uit de monitoringstool. Uit de monitoringtool blijkt dat de luchtkwaliteit ter hoogte van het Spoorpark voor de meest bepalende stoffen (PM10, PM 2,5 en NO2) ruimschoots voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Ter hoogte van de adressen Hart van Brabantlaan 117-177 zijn de berekende waardes (jaar 2015) voor stikstofdioxide (NO2) 33 ug/m3 , fijn stof (PM10) 21 ug/m3 en voor PM2,5 13 ug/m3. Dit betekent dat ruimschoots voldaan wordt aan de geldende grenswaarden. De realisatie van het Spoorpark zal gezien de geringe bijdrage m.b.t. NO2, PM10 en PM2,5 niet leiden dat de wettelijke grenswaarden worden overschreden.

 

De conclusie vanuit luchtkwaliteit is dat de realisatie van het Spoorpark zeer gering bijdraagt aan de luchtkwaliteit, de bijdrage als "niet in betekenende mate" te kwalificeren is en ruimschoots wordt voldaan aan de geldende grenswaarden. Er is sprake van een 'goede ruimtelijke ordening'.

4.7 Geur

 

4.7.1 Industriële geurhinder

In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

4.7.2 Agrarische geurhinder

In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

4.8 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

 

Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 4 - bodemkwaliteitsklasse wonen

 

Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone wonen. Binnen het bestemmingsplan- gebied zijn verschillende onderzoeken beschikbaar die enige indicatie kunnen geven van de te verwachten kwaliteit. Gemiddeld genomen is het grootste deel van het gebied licht tot sterk verontreinigd met zware metalen. In zowel de boven en ondergrond als mede het grondwater.

In diverse delen van Noord-Brabant worden verhoogde gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waarbij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten. Het voorkomen van deze verontreinigingen levert vaak een heel heterogeen beeld op. Hierdoor spreekt men van een lokaal verhoogde achtergrondconcentratie.

 

Binnen het bestemmingsplangebied is er ook sprake van gevallen van sterke verontreiniging. Uit onderzoek komt ook naar voren dat er verontreinigde slootdempingen lopen over de verschillende locaties van het plangebied. Het betreffen hier voornamelijk bodemverontreiniging die ontstaan zijn door de plaatselijke bedrijfsactiviteiten of door aanwezigheid van olietanks. Ten aanzien van bodem is het gebied verdeeld in een noordelijk en een zuidelijk gedeelte. De scheidingslijn ligt langs spoor 16G, langs de geplande waterpartijen. Dit is weergegeven in onderstaande figuur door middel van de rode lijn.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 5 - noordelijk en zuidelijk gedeelte bodemsituatie (bron: VGL park DO-min rapportage, Kruit | Kok Landschapsarchitecten, Blom & Moors, Timmermans Architecten, 7 maart 2017, aangepast gemeente Tilburg)

 

Bodemkwaliteit noordelijk gedeelte

In 2013 is verontreinigde grond afgegraven (sintels e.d.) tot op de laag waar zintuiglijk geen bodemvreemd materiaal werd aangetroffen en is het terrein aangevuld met 50 cm. teelaarde. Bij spoor 8 (ten noorden van het geplande T-huis) is bodemverontreiniging afgedekt met grond. De verontreiniging komt met de herontwikkeling blijvend onder een talud te liggen en vormt geen belemmering voor de herontwikkeling. Voorafgaand aan deze werkzaamheden hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd om de kwaliteit van de grond te bepalen.

 

Bodemkwaliteit zuidelijk gedeelte

In 2017 is op het zuidelijk deel bodemonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor Bijlage 8 Verkennend bodem- en aanvullend grondwateronderzoek. Er zijn geen nieuwe verontreinigingen aangetoond en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. In 2004 is verontreinigde grond afgegraven aan de zijde van de Hazelaarstraat. Er is verontreiniging achtergebleven vanwege aanwezigheid van bomen. De grondwaterverontreiniging bij het terrein Van Beurden heeft zicht verspreid op het zuidwestelijk deel van het VGL-terrein. Bij de herinrichting dient met deze verontreinigingen rekening te worden gehouden.

 

Conclusie

Voor wat betreft nieuwbouwplannen is in het algemeen een bodemtoets nodig. Deze bodemtoets bestaat uit een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek NEN 5740. Dergelijke onderzoeken mogen dan maximaal 5 jaar oud zijn. Indien er saneringsurgentie (spoedeisendheid) aanwezig is, moeten dergelijke gevallen gesaneerd worden alvorens ter plaatse grondverzet plaats mag vinden en/of nieuwe functies gerealiseerd worden. Op basis van een op te stellen saneringsplan wordt beoordeeld of na sanering de bodem geschikt is voor de gewenste functie(s). Algemene saneringsdoelstelling in het bestemmingsplangebied is dat na sanering de bodem geschikt is voor de beoogde functie en de kwaliteit van de grond minimaal gelijk is aan de vastgestelde achtergrondwaarden in de bodemkwaliteitszone van het bestemmingsplangebied.

4.9 Natuur en ecologie

 

4.9.1 Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

4.9.2 Analyse plangebied

 

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op ruime afstand (circa 5 km) van wettelijk beschermde natuurgebieden. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

 

Natuurbescherming in Verordening ruimte

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 1,7 km ten westen van het plangebied (de Oude Warande). Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.

 

Natuurbescherming in gemeentelijk beleid

De spoorlijn en het zuidwestelijke deel van het plangebied maken deel uit van een gemeentelijke ecologische structuur, zoals vastgelegd op de kaart Stadsnatuur 2040 (vastgesteld door college juli 2016). Deze ecologische structuur wordt deels aangetast door de parkelementen beachvolleybal, paramedisch centrum, westplein en westentree en door de bouw van de woontoren. In de totale ontwikkeling van het park is echter voorzien in een netto versterking van de ecologische waarden, in de vorm van schraal kruidenrijk grasland, struweelbeplantingen en een ecologische water- en oeverzone. Hiermee kan worden gesteld dat de ecologische structuur ter plaatse van het Spoorpark zoals bedoeld op de kaart Stadsnatuur 2040 voldoende gewaarborgd blijft.

 

Soortenbescherming

Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men de maatregelen uit de natuurtoets (Bijlage 9 Natuurtoets) in acht nemen.

De beplantingen in het plangebied zijn van waarde voor vleermuizen (foerageergebied en vliegroute) en broedvogels (broedgebied en foerageergebied). In 2017 zijn de volgende broedvogels in het gebied vastgesteld: houtduif, heggemus, winterkoning, tjiftjaf, zwartkop, grasmus, roodborst, merel, zanglijster, koolmees, pimpelmees, groenling, vink en ekster. Aangetroffen foeragerende en overvliegende vleermuizen zijn gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis. De waarde van het gebied voor vleermuizen wordt vergroot door het versterken van de bestaande laanstructuur, het toevoegen van water en aanbrengen van parkachtige beplanting. Voor vogels zal nestgelegenheid verdwijnen door het kappen van een deel van het berkenbos, maar zal vervangende nestgelegenheid terugkomen in de vorm van bomen en meidoornstruwelen. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Op basis van het plan gaan geen leefgebieden van soorten verloren waarvoor ontheffing vanuit de Wet Natuurbescherming moet worden aangevraagd.

In het plangebied soorten aanwezig die weliswaar niet wettelijk beschermd zijn maar vanwege hun zeldzaamheid wel beschermenswaardig. Het gaat om de plantensoort echt duizendguldenkruid en een aantal korstmossen (zomersneeuw en knobbelig heidestaartje). De groeiplaatsen hiervan zijn deels in het ruimtelijk ontwerp opgenomen, waarmee de soorten behouden blijven voor de stad. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke zorgplicht.

 

Conclusie

Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.

Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen:

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

 

5.1 Bestaand watersysteem

Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van ongeveer 8,9 ha. De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1.

 

Kenmerk

In plangebied

Stroomgebied

Zandleij

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg

Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel

Oppervlaktewater: waterschap De Dommel

Afgewaterd verhard oppervlak

Ca. 1.900 m²

Terreinhoogte

Ca. 14,50 m + NAP

Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)

12,20 m + NAP

Ontwateringdiepte

Ca. 2 m

Bodem

Zwak tot sterk siltig, matig fijn zand

Zwak humeus, lokaal leemhoudende zandlaagjes en lokaal leemlagen tussen 1 en 3 m-mv

Riolering

Gemengde riolering rondom het plangebied

Regenwaterriolering (blauwe aders) aan de Hart van Brabantlaan

Oppervlaktewater

Geen relevant oppervlaktewater

Beschermde gebieden

Geen

Tabel 1 - gebiedskenmerken

 

Bodem en grondwater

In het kader van de herontwikkeling van de Spoorzone heeft de gemeente de bodem- en grondwaterverontreinigingen onderzocht. Ook bodemkundig / hydrologisch, voornamelijk: 'Geohydrologisch onderzoek voor het gebied Spoorzone te Tilburg' (GEOFOX, 2004). Uit dat onderzoek is vastgesteld dat de bodem bestaat uit zwak tot sterk siltig, matig fijn zand, lokaal zwak tot sterk humeus, met lokaal leemhoudende laagjes en zelfs lokaal leemlaagjes tussen ongeveer 1 en 3 meter onder het maaiveld.

 

Het maaiveld ligt op ongeveer 14,50 meter + NAP. In afbeelding 1 is de maaiveldhoogten van de omgeving in en nabij het plangebied weergegeven. Het grondwater fluctueert op een diepte van ruim 2 à 3 meter onder het maaiveld. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is 12,20 meter + NAP. Er is geen relevant oppervlaktewater in of nabij het plangebied. De dichtstbijzijnde beschermde gebieden waterhuishouding liggen op minstens anderhalf kilometer afstand, waardoor de eventuele impact erop zeer beperkt blijft.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur 6 - terreinhoogten (bron: www.ahn.arcgisonline.nl)

 

Stedelijk regen- en afvalwater

De via de bestaande riolering afwaterende oppervlakken zijn beperkt. Het betreft bebouwing en het deel van de Hazelaarstraat dat binnen de plangrenzen valt. Het afvalwater wordt ingezameld en getransporteerd via de gemengde riolering tot de zuivering Tilburg, in beheer van waterschap De Dommel.

 

Bij de herontwikkeling van de Spoorzone zou het plangebied in het verleden een andere invulling krijgen. Hiervoor werd regenwaterriolering (blauwe aders) aangelegd tot aan de Hart van Brabantlaan. Deze blauwe aders zouden het overtollige regenwater uit die plannen opvangen. Het overtollige regenwater wordt getransporteerd richting het waterpark Noordoost (Pauwels). Bij hevige neerslag kunnen de blauwe aders de aanvoer niet aan en treedt de (toekomstige) nooduitlaat Enschotsestraat op het Wilhelminakanaal in werking, om wateroverlast te voorkomen.

5.2 Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020 (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Duurzaam watersysteem

Afwegingen

Bij de keuze voor de terrein- en vloerhoogten van nieuwe bebouwing binnen het park moeten de volgende aspecten afgewogen worden:

 

Het park beschikt over ruim voldoende ontwateringdiepte voor de nieuwe functies; de maaiveldhoogte is hoog ten opzichte van omliggende gebieden, waardoor het risico op wateroverlast door afvloeiend regenwater over het maaiveld uitgesloten is. Geadviseerd wordt om de vloerpeilen van nieuwbouw minstens 0,15 m boven het aangrenzende wegpeilen te kiezen om overlast te voorkomen door eventuele lokaal overvloedig regenwater.

 

De vuilwaterafvoer van zowel bestaande als nieuwe bebouwing moet via de bestaande riolering plaatsvinden. Hiervoor moet de ontwikkelende partij riolering aanleggen tot de bestaande stelsels.

 

In het plangebied wordt het Spoorpark ingericht. In het park wordt een ingenieuze watersysteem ingericht, dat de beleving van water in de stad bevordert en het bestaande en toekomstige watersysteem mogelijk versterkt. Dat watersysteem bestaat uit drie deelsystemen: een infiltratievijver, een centraal vijver en een speelwater-vijver. De aanvoer van water volgt de volgende ladder:

  1. Regenwater uit naastliggende af te wateren oppervlakken

  2. Suppletie met opgepompt grondwater

  3. Eventueel suppletie met drinkwater

 

Suppletiewater

Het opgepompte grondwater wordt gefilterd via een helofyten-systeem en ontdaan van ijzerzouten, die verkleuring en stank kunnen veroorzaken. Het speelwater moet voldoen aan hoge chemische en bacteriologische kwaliteitseisen. Ondanks dat water bij de aanvoer 'drinkwaterkwaliteit' zou kunnen hebben, kan de kwaliteit in de loop van de tijd verslechteren door groei van pathogenen die al in het water zitten of door hoge temperatuur, contact met mensen en dieren, atmosferische depositie, enz. erbij komen. De monitoring van dit water wordt opgenomen in het beheerplan, met het doel de volksgezondheid te beschermen.

 

Regenwater

De in 'Omgevingsvisie Tilburg 2040' vastgestelde aanpak om met het regenwater om te gaan volgt de waterkwantiteit-trits 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Ook de waterkwaliteit-trits is hierbij van toepassing: 'schoonhouden-vermengen-zuiveren'.

 

Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen, als het regenwater valt op de afvoerende oppervlakten van daken en verharding en verder afstroomt.

 

Mogelijkheden voor regenwater vasthouden zijn:

 

De behoefte om het regenwater vast te houden en te bergen valt te combineren met de waterbehoefte van de vijvers in het park. De volgende bronnen zijn verkend:

 

Waterberging in het Spoorpark

Het bestemmingsplan laat een bebouwingspercentage toe van maximaal 5%, inclusief bestaande bebouwing. De geplande bebouwing is er maar een deel van: ongeveer 1.600 m². Daarbij komt de eventuele bijhorende weg- en parkeeroppervlakte. De afwatering ervan vindt bij voorkeur plaats in de nabije omgeving van de weg in greppels en verlagingen van het maaiveld.

 

In het ontwerp van het Spoorpark is opgenomen dat de vijvers een bergingscapaciteit hebben van 2.400 m³ bij de maximale fluctuatie van 0,80 m. Dat is ruim voldoende voor de mogelijk af te wateren oppervlakken. Een escape naar de riolering / blauwe aders zou niet noodzakelijk zijn.

 

Waterplein

In het kader van de stedelijke wateropgave voert Tilburg verkenningsberekeningen van de afwateringsstelsels in de stedelijke gebieden om de problematiek vast te leggen en een afwegingskader te creëren voor eventuele mitigerende maatregelen. De gemeenteraad stelt de aanpak vast in het verbreid gemeentelijk rioleringsplan (vGRP 2019).

 

Als er hevige neerslag valt in Tilburg, wordt er zoveel regenwater vastgehouden, geborgen en afgevoerd, conform de in de 'Omgevingsvisie Tilburg 2040' en het 'vGRP 2016-2019' vastgestelde strategieën. Bij hevige neerslag moeten aanvullende maatregelen vastgesteld worden. Een van de maatregelen is meer overtollig regenwater op straat te bergen door de openbare ruimte geschikter te maken of te kanaliseren naar plekken waar geen overlast veroorzaken, bijvoorbeeld in zogenaamde ‘waterpleinen’. Het Spoorpark013 zou een van die locaties kunnen zijn; dat moet echter blijken uit berekeningen binnen de context van de stedelijke wateropgave.

5.4 Watertoets

Het waterschap De Dommel is al vanaf het begin betrokken bij de plannen van het Spoorpark013. De waterbelangen en de kansen en risico's zijn gezamenlijk afgewogen. De onderbouwing van het watersysteem van het Spoorpark is de opmaat tot de waterparagraaf geweest. De gemeente heeft de conceptwaterparagraaf opgesteld en het waterschap een voorlopig wateradvies verzocht via de mail van 15 februari 2018. Het wateradvies van De Dommel is verwoord in de brief met kenmerk U61188 / Z48936 d.d. 21 februari 2018.

 

Het voorlopig wateradvies is verwerkt in de waterparagraaf, of wordt er onderbouwd van afgeweken. Bij de terinzagelegging vindt het formele vooroverleg plaats, waarop het waterschap het volledige plan met alle aanvullingen/wijzigingen kan beoordelen.

Hoofdstuk 6 Opzet planregels

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op .

6.1 Bestemmingen en aanduidingen

In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:

 

Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:

 

Daarnaast zijn de volgende dubbelbestemmingen aanwezig:

6.2 Bouw- en gebruiksregels

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Dit bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een te realiseren ontwikkeling op gemeentelijke grond. Het verhaal van kosten die de gemeente moet maken is 'anderszins verzekerd'. De totale kosten van het project zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting. Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de algemene reserve van de grondexploitatie, die is opgenomen in de gemeentelijke begroting. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg

 

8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Spoorzone West 2012, 1e herziening (Spoorpark) op 29 september 2017 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Omgevingsdialoog

Het Spoorpark is een burgerinitiatief, dus de betrokkenheid van de omwonenden heeft steeds centraal gestaan in het proces. In juli 2014 is er een 'regieteam' ingesteld om de voornemens uit te werken. Deelnemers aan dit

regieteam waren de Stichting Hart van Brabantpark, de wijkraden Noordhoek en Goirke-Hasselt/ Bouwmeesterbuurt, Midpoint, Beach Tilburg en de gemeente Tilburg. Met het door hen opgestelde

plan van aanpak heeft het college van burgemeester en wethouders in juli 2014 ingestemd.

 

De voorbereiding en uitvoering van de voornemens is verder opgepakt door een nieuw regieteam, bestaande

uit personen die onafhankelijk zijn en blijven m.b.t. de toekomstige activiteiten of functies in het Spoorpark,

iets hebben met de stad Tilburg en over relevante netwerken beschikken. Na het raadsbesluit van 10 april 2017

is dit regieteam overgegaan in het bestuur van stichting Spoorpark.

 

Gedurende het proces zijn de omwonenden steeds betrokken bij de ontwikkelingen. In de eerste plaats door

hen echt uit te dagen om te 'participeren' in het Spoorpark. In de eerste nieuwsbrief van 10 februari 2016 zijn

burgers o.a. geïnformeerd over de mogelijkheid om de inspiratiebijeenkomst op 18 februari 2016 bij te wonen,

bedoeld voor planindieners, ondernemers en organisaties die met een idee rondlopen dat mogelijk

toegevoegde waarde heeft voor het Spoorpark. De sluitingsdatum voor het indienen van initiatieven was op 1

april 2016. Er zijn totaal 82 initiatieven ingediend waaruit 8 kwartiermakers zijn gekozen.

 

Maar ook nadat de kwartiermakers geselecteerd waren, zijn de omwonenden goed op de hoogte gehouden

van de ontwikkelingen en was er gelegenheid voor dialoog via een daarvoor bestemd e-mailadres. In de

tweede nieuwsbrief van 6 mei 2016 zijn de kwartiermakers bekend gemaakt en hebben de omwonenden

kennis kunnen nemen van de functies en activiteiten die zich zullen gaan ontplooien op het terrein.

 

In augustus 2016 is er een derde nieuwsbrief verspreid met een update over de stand van zaken. De vierde

nieuwsbrief is verspreid in november. Ook heeft er in november 2016 een informatieavond plaatsgevonden

voor alle buurtbewoners in de omgeving van het Spoorpark. Deze avond vond plaats in het Soul Café, gelegen

vlakbij het plangebied in het gebouw TalentSquare. Er waren ca. 80 buurtbewoners aanwezig. Hier werden de

hoofdonderdelen van het park toegelicht door de landschapsarchitect en werd ingegaan op items als parkeren

en de hondenuitlaatplek.

 

Op vrijdag 3 februari 2017 is het definitief ontwerp gepresenteerd aan de stad. Het definitief ontwerp werd

zeer positief ontvangen, de avond werd bijgewoond door ruim 200 mensen. De landschapsarchitecten hebben

het totale plan uitvoerig toegelicht, zowel de hoofdstructuur, de beeldtaal, alsmede de keuze van materialen

en kleuren t.b.v. de inrichtingselementen. Verder hebben de kwartiermakers hun plannen toegelicht. Ook de woontoren is vanaf het begin onderdeel geweest van het ontwerp van het Spoorpark.

 

Op 12 juli 2017 is de omgevingsvergunning voor het Spoorpark verleend. Die omgevingsvergunning maakt, in afwijking van het geldende bestemmingsplan, het gebruik van de gronden mogelijk ten behoeve van de burgerinitiatieven in het Spoorpark.

 

Frequente communicatie momenten

De aanleg van het park is gestart in november 2017 en de ‘grand opening’ is gepland rond voorjaar 2019. In de tussentijd zijn omwonenden en geïnteresseerden op de hoogte gehouden middels digitale nieuwsbrieven.

Op 11 november 2017 is er i.s.m. de kwartiermakers een start activiteit georganiseerd in de vorm van een 'eerste spade' waar onder andere een boom werd gepland door de scouts én de contracten werden getekend met de gemeente Tilburg, stichting Spoorpark en de hoofdaannemer van het park.

 

Via bouwcafés in het voormalige Van Gend en Loos gebouw op het park worden omwonenden en geïnteresseerden periodiek op de hoogte gehouden van de vorderingen. Op deze avonden wordt telkens één onderwerp extra uitgesneden. Deze bouwcafés vonden in 2017 plaats op 27 september, 8 november en 11 november. In 2018 was dit op 24 januari, 18 april en 13 juni. Bovendien zorgt de werkgroep communicatie ervoor dat de website www.spoorparktilburg.nl up to date is. De digitale nieuwsbrieven en nieuws items zijn ook hier te vinden.

 

De betrokkenheid van omwonenden is gedurende het hele proces van groot belang geweest en heeft het

project gevormd tot wat het nu is. De stemming is positief en omwonenden kijken uit naar de opening van het

Spoorpark, een plek voor groen en recreatie midden in hun stad.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan "Spoorzone West, 1e herziening (Spoorpark)" heeft ter inzage gelegen van maandag 8 oktober 2018 tot en met maandag 19 november 2018. Tijdens deze periode zijn er in totaal twee schriftelijke zienswijzen ingekomen. Een daarvan betreft een zienswijze die door Van der Feltz Advocaten namens een grondeigenaar is ingediend; de andere zienswijze is ingediend door een omwonende. In de Nota van Zienswijzen (bijlage 10) is een samenvatting van de zienswijzen, het standpunt van het gemeentebestuur en de conclusie aangaande de beoordeling opgenomen. Een van de zienswijze heeft geleid tot een tekstuele