Spoorzone, 7e herziening (Besterdring 235)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2017029-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de bouw van 150 appartementen aan de Besterdring 235 in Tilburg. Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat de percelen kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie N, nummers 20450, 20454 en 20456, plaatselijk bekend Besterdring 235 en wordt globaal begrensd door de Besterdring in het oosten, de Burgemeester Brokxlaan in het zuiden en de Wagenstraat in het westen. Direct ten noorden van het plangebied liggen de achtertuinen van de woningen aan de Lange Nieuwstraat. In figuur 1 is de globale ligging van het plan in de gemeente Tilburg weergegeven en in figuur 2 is de ligging in meer detail te zien.
Figuur 1 - Ligging plangebied in Tilburg
Figuur 2 - ligging plangebied hoek Besterdring en Burgemeester Brokxlaan
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk het bestemmingsplan Spoorzone, vastgesteld door de gemeenteraad op 30 juni 2008 en onherroepelijk geworden op 20 januari 2010. Het voorliggend initiatief past niet in het bestemmingsplan Spoorzone, omdat daarin voor dit perceel een uitwerkingsplicht is opgenomen. Er rust dus geen directe bouwtitel op het perceel. Het initiatief voldoet niet aan de uitwerkingsregels, dus om die reden is het bestemmingsplan herzien. Ondanks dat het initiatief niet in de uitwerkingsregels van bestemmingsplan Spoorzone paste, wordt het vanuit ruimtelijk oogpunt wenselijk en aanvaardbaar geacht. Voor nadere onderbouwing zie o.a. paragraaf 3.2.3 - Stedenbouwkundige afweging van deze toelichting.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
2.1 Rijk
2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking
getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch
wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is
op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de
inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van
de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op
doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels
opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en
deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan
bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing
zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe
ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet
een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een
of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde
projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.
Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van
de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro
vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de
bij het Barro behorende kaarten.
De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van
strijdigheid met nationale belangen.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. Voor de motivering van de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.4 - Volkshuisvesting.
2.2 Provincie
2.2.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
2.2.2 Verordening Ruimte
Provinciale Staten hebben naast de Structuurvisie een Verordening ruimte vastgesteld. Deze wordt regelmatig gewijzigd en aangepast aan nieuw beleid. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
ruimtelijke kwaliteit;
stedelijke ontwikkelingen;
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
overige ontwikkelingen in het buitengebied.
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. Inhoudelijk richt de Omgevingsvisie zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: de Brabantstrategie, de Regiostrategie en de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk, bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.1 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.1.1 Hoogbouw
In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007.
Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.
De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan.
3.1.2 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
Het stedenbouwkundig ontwerp is op 6 december 2017 beoordeeld door de Omgevingscommissie. Het plan is positief ontvangen en de commissie ziet de verdere planuitwerking graag voor advies tegemoet. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog zijn nadien nog enkele wijzigingen doorgevoerd. Het definitieve ontwerp zal opnieuw aan de Omgevingscommissie worden voorgelegd.
3.1.3 Stedenbouwkundige afweging
Locatie
De locatie betreft een langgerekt perceel op de rand van de woonwijk Theresia-Loven-Besterd en wordt begrensd door de B. Brokxlaan aan de zuidzijde, de Besterdring (Het adres is Besterdring 235) aan de oostzijde, de Wagenstraat aan de westzijde en aan de noordzijde grenst de bouwlocatie aan de achterzijde van tuinen van de bestaande woningen in de Lange Nieuwstraat.
Figuur 3 - Ontwikkellocatie met bestaande bebouwing in stippellijn.
Peilhoogten
Het bouwvlak kent twee peilhoogten als historisch gegeven. De B. Brokxlaan is gelegen op het voormalig terrein van de NS werkplaats en dit terrein ligt ongeveer 80 cm hoger dan het aangrenzende Theresia.
Omdat het grootste gedeelte van bouwlocatie gericht is naar de B. Brokxlaan en ook daar de woonontsluitingen zijn gelegen worden uitgegaan van het peil van B. Brokxlaan om de bouwhoogten zoals vermeld in de verbeelding af te meten.
Planologische context en proces
Op 13 november 2013 heeft het college in een intentieverklaring tegenover de eigenaar toegezegd medewerking te verlenen aan een bestemmingsplanprocedure en de realisatie van een volume van ca. 17.000 m2 dat voldoet aan volgende voorwaarden (korte opsomming van die voorwaarden in de overeenkomst):
bijdragen aan de stedelijke ambities van Spoorzone (en aansluiten bij het toen geldende masterplan Spoorzone 2011);
aandacht voor bezonning en privacy voor de omliggende woningen;
aansluiten op de bouwhoogte voor Theresiazone (zoals vastgesteld in het vigerende bestemmingsplan);
maximaal 5m bouwhoogte in het binnengebied;
minimaal 20% van bestemmingsvlak blijft onbebouwd;
parkeergarage kan maximaal twee lagen zijn. Het dek wordt landschappelijk ingericht;
architectuur en stedenbouw voldoen aan de eisen van welstand;
eventuele planschade is voor rekening van de eigenaar.
Tijdens de planstudie in het najaar van 2017 is vanuit belangengroepen nadrukkelijk gepleit voor het behoud van het bestaande UWV gebouw en heeft de raad opdracht gegeven die optie beter te bestuderen.
De studie naar de cultuurhistorische waarden is ondertussen verricht en op 14 maart 2018 ter beoordeling voorgelegd aan de omgevingscommissie. De commissie heeft negatief geoordeeld over de vraag om het gebouw als gemeentelijk monument aan te wijzen. Het college is deze conclusie gevolgd.
Hoewel voor de eerdere planstudie (in het najaar 2018) is gekozen de planontwikkeling af te stemmen met omliggende bewoners in de vorm van een planteam met gekwalificeerd adviesrecht, heeft de raad notie genomen van de geuite onvrede van het planteam over het proces. Als gevolg daarvan heeft de raad gevraagd dit proces opnieuw te doorlopen, de raad in kennis te stellen van de procesgang en de mogelijkheid open te houden te komen tot een oplossing met minder volume.
Begin 2018 is het proces met het planteam opnieuw gestart en heeft via diverse overleggen en specifieke studies geleid tot een aangepast stedenbouwkundig plan, waarvoor advies van het planteam is gevraagd. Het is een gekwalificeerd advies, wat betekent dat indien afgeweken wordt van het advies ,het college moet motiveren waarom zij van het advies afwijkt om het vervolgens aan de raad voor te leggen.
Ontwikkelaar, planteam en gemeente hebben afgesproken verder in overleg te blijven voor de architecturale uitwerking van het stedenbouwkundig plan na positief raadsbesluit. Partijen achten dit nodig en gewenst omdat de bepaalde kwaliteiten van het stedenbouwkundig plan pas goed te beoordelen zijn bij een nadere planuitwerking. Te noemen zijn aspecten als: privacy, materialisering, geleding, detailervaring etc.
Stedenbouwkundige context en principiële uitgangspunten
De locatie is geen onderdeel van de gebiedsontwikkeling Spoorzone waar Volker Wessels en gemeente samenwerken. Het is een particuliere locatie en dus ook een particulier initiatief. Niettemin is het gewenst de herontwikkeling in samenhang met het spoorzonegebied te beschouwen omdat de locatie deel uitmaakt van de Theresiazone en deze strook mede het nieuwe aangezicht vormt van de wijk Theresia naar het centrum. Bovendien is de hoeksituatie van de locatie significant voor de aansluiting NS plein – B. Brokxlaan en bepalend voor de definitie van de tussenruimte waarin de NS werkplaats met het spoor gelegen is.
Aansluitend op eerdere stedenbouwkundige studies en het vigerend stedenbouwkundig plan is de inzet voor de Theresiazone een nieuwe straatwand van vier bouwlagen met op enkele plaatsen bouwaccenten tot zes bouwlagen. De wijk Theresia krijgt daarmee een stedelijk aanzien dat gelijkwaardig is aan de bebouwing op de Spoorlaan en zo de ruimte tussen deze twee gevelwanden een eigen statuur geeft als verzameling oost-west georiënteerde infrastructuurlijnen (Spoorlaan, spoorberm met spoor, spoorpark, B. Brokxlaan) én een logistiek samenhangend systeem van historisch industriële gebouwen.
In het vigerende bestemmingsplan is de bouwhoogte in het gedeelte Theresiazone tussen Deprez en Atelierstraat en tussen Atelierstraat en Wagenstraat vastgesteld op 4 bouwlagen (met een vrijstellingsmogelijkheid voor 5 lagen). Op de betreffende locatie tussen Wagenstraat en Besterdring zijn vijf bouwlagen of 15 meter toegestaan met een ruim gedeelte tot 30 meter. Vanuit het huidige woongenot bezien, zo blijkt uit de bezonningsstudies in dit traject, is deze bouwenvelop ongewenst en biedt ook geen passend kader voor de opgave.
Figuur 4 - Uitsnede uit de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan
Het uitgangspunt van aaneengesloten bebouwing voor de Theresiazone levert daar waar nodig de mogelijkheid om gesloten bouwblokken te maken. Er ontstaat een straatwand met stedelijke aanblik evenwaardig aan de Spoorlaan en biedt een geluidluw milieu voor het binnengebied. Uitgangspunt voor woningtypologie is dat aan de straatzijde wordt gewoond en aan de achterzijde wordt geslapen. Bovendien garandeert het gesloten bouwblok ook betere sociale veiligheid.
Wagenstraat en Atelierstraat verdelen de Theresiazone in drie bouwblokken. Daar én bij het Deprezgebouw wordt ook het historisch gegeven peilverschil zichtbaar tussen de oude NS werkplaats en de achterliggende woonwijk.
Afwijkend van het in 2011 vastgesteld masterplan willen we het bestemmingsverkeer voor de Theresiazone niet laten verlopen via deze straatjes maar rechtstreeks vanaf de B. Brokxlaan ergens in de straatwand. Dit vermijdt inritconstructies om het peilverschil op te vangen in deze te smalle straatjes. De straatjes worden enkel ingericht voor voetgangers- en fietsverkeer maar bij de wagenstraat blijft de bestaande achterontsluiting bereikbaar vanaf de Lange Nieuwstraat. Het peilverschil van ongeveer 80 cm zal voetgangers- en fietsvriendelijk worden opgelost.
Stedenbouwkundig plan
Het stedenbouwkundig plan beoogt een goede balans tussen:
de opgave om circa 17.000 m2 te realiseren;
de bewonersbelangen inzake privacy, bezonning, veiligheid en ruimtelijke impact;
de gewenste samenhang met de gebiedsontwikkeling Spoorzone.
Hoofdopzet
Het stedenbouwkundig plan vormt met de bestaande woningen aan de Lange Nieuwstraat een gesloten bouwblok waarbij de hoogte accenten zoveel mogelijk zijn weggeschoven van de achtertuinen.
Door de oude UWV verschilt de uitgangspositie van de achterliggende woningen en tuinen. Sommige tuinen liggen achter het kantoorgebouw en hebben nauwelijks of niet bezonning. Andere percelen gelegen tegenover de parkeerplaats van de oude UWV hebben nu maximaal onbelemmerd uitzicht en bezonning.
De toren op de hoek van de Besterdring is 49 meter hoog en afgestemd op:
Het beperken van de schaduwwerking op het tegenover gelegen appartementsgebouw aan het NS plein.
In de huidige situatie levert het oude UWV gebouw geen zonbelemmering op het tegenoverliggend appartementencomplex. In de nieuwe situatie is er gedurende 1 ½ uur wel schaduw op het onderste deel van de westgevel.
Het bekomen van een bouwhoogte vergelijkbaar met de hoogte van het woongebouw aan het Stekelenburgplein (deel van stadscampus fase 1).
Beide torens links en rechts van de B. Brokxlaan definiëren de sequentie van het oostelijk deel van de B. Brokxlaan. Daarnaast markeert de toren op de hoek NS plein de entree naar het kerngebied Spoorzone. De toren is enigszins verdraaid ten opzichte van de naastgelegen gebouwen aan de Besterdring en staat in overkraging met het voetpad. Met de verdraaiing wordt de bocht langs het NS plein ingeleid en bevoordelen we nog iets meer de bezonning van de direct aangrenzende tuinen. Gevolg is dat de toren in de noord-zuid richting zich meer richt op Besterdring dan op Spoorzone en een zekere eigenzinnige positie inneemt ten opzichte van bouwrichting in Spoorzone. De toren staat ook niet solitair op het maaiveld maar is deel van het blok met een plinthoogte van 4 bouwlagen. De uitbouw van de voet van de toren in 4 lagen aan Besterdring sluit daarbij aan op het bouwregime van het bedrijvig lint en de overkraging accentueert voor voetgangers de toegang naar de B. Brokxlaan/Spoorzone. In de bouwenvelop voor de toren is nu geen bepalende contour voor de beëindiging van het gebouw opgenomen.
Uitgangspunten voor verdere uitwerking van het bouwvolume van de toren:
het gebouw krijgt een geprofileerde beëindiging CQ dakvorm om de aansluiting met Besterdring te versterken;
alle buitenruimten van de appartementen in de toren worden uitgevoerd als loggia’s, geheel binnen de buitencontour van de toren en dat ze oost, zuid of west georiënteerd zijn. Bij de westgevel zover als mogelijk van de achterliggende bestaande woningen.
Het hoogte accent bij de Wagenstraat is zes bouwlagen (tot 20 meter) en correspondeert qua breedte ongeveer met het achterliggend hoekperceel. In de doorsnede is de toegestane bouwhoogte getrapt van 8 meter bij aansluiting op de bestaande bebouwing tot 20 meter aan de B. Brokxlaan en staat vanaf de derde verdieping 4 meter in overkraging boven het voetpad. De toegestane bouwhoogte stemt overeen met de bouwhoogte van de accenten die we in dat deel van Spoorzone bij de B. Brokxlaan wensen.
Het hoogte accent bij de Wagenstraat is deel van een reeks accenten die aan weerszijden van de B. Brokxlaan het voetpad overkragen. Insnoering van het wegprofiel en overkragingen helpen de autonomie en scheidende werking van de B. Brokxlaan te milderen en een aangenamer klimaat voor vooral voetgangers en bewoners te bekomen. De reeks overkragende gebouwen dragen ook bij tot de geleding van de laan in een aantal duidelijk onderscheiden sequenties die bijdragen tot de ervaring van een geïntegreerde stadsstraat.
Figuur 5 - Ruimtelijke sequenties voor de B. Brokxlaan. Tekening 'Stedenbouwkundig schetsplan 2018' (nog in studie).
Figuur 6 - Ruimtelijke sequenties oostelijk deel B. Brokxlaan. Tekening 'Stedenbouwkundig schetsplan 2018' (nog in studie).
Vanaf de B. Brokxlaan wordt een in- en uitrit voorzien voor de half verdiepte parkeervoorziening, zodat de aansluiting van de Wagenstraat niet extra belast wordt met autoverkeer en ook het peilverschil tussen het wijkniveau en de B. Brokxlaan van ong. 80cm voetgangers- en fietsvriendelijk kan worden opgelost.
De doorsnede van het middendeel
Voor de studie naar de zichtbaarheid van het middendeel vanuit de tuinen van de omliggende woningen wordt verwezen naar de bijlage.
Figuur 7 - schematische weergave van het middendeel
Er is voor het middendeel een impactstudie gemaakt die laat zien hoe de lagen zich tonen vanuit de tuinen van de bestaande woningen. Voor deze studie zie Bijlage 1 Impactstudie achtergevel.
Alle bestaande woningen krijgen een geprivatiseerde achterontsluiting op het bestaande maaiveld. De achterontsluiting is een pad van ongeveer 2 meter breed en toegankelijk vanaf de Wagenstraat en Besterdring. Daarnaast ligt de half verdiepte parkeergarage waardoor het pad wordt begrensd door een muur van ong. 1,5 meter hoog en dus ruim uitzicht laat op het binnengebied. De half verdiepte parkeergarage wordt gedeeltelijk open gelaten voor natuurlijke ventilatie. De eerste woonlaag op + ½ zijn wooneenheden met tuin op het dak van de parkeergarage. De peilhoogte en afstand tot de achter tuinwand van de bestaande woningen maakt dat de privacy wederzijds wordt gerespecteerd.
Het gehele wooncomplex wordt met drie stijgpunten vanaf de B. Brokxlaan ontsloten. Een stijgpunt bij de toren, een stijgpunt in het midden en één stijgpunt bij het hoogte accent bij de Wagenstraat. Deze stijgpunten maken ook de appartementen op de tweede, derde en vierde bouwlaag via een galerij toegankelijk. Door de spreiding van de opgangen blijft de loopafstand tot de woningen beperkt. Ten gunste van de privacy zal bij de uitwerking en materialisering verder rekening worden gehouden met privacy en geluidhinde richting de tegenoverliggende woningen (te denken valt aan schermen, vergroening, akoestisch absorberende materialen).
De tweede en derde bouwlaag springt 2 meter terug ten opzichte van de eerste. De vierde bouwlaag springt nogmaals 4 meter terug ten opzichte van de derde bouwlaag. Deze verspringingen verwijden de ruimte van het binnengebied, wat de ervaring van het bouwvolume vanuit de individuele achtertuinen mildert en tegemoet wil komen aan de wens van bewoners voor behoud van zoveel mogelijk zon en zo weinig mogelijk directe confrontatie met nieuwe bewoners.
Bezonning
Voor de bezonningsstudie wordt verwezen naar Bijlage 2 Bezonningsstudie. De bezonningstudie laat zien dat het bouwplan op basis van de Haagse norm die wij hanteren voldoende rekening houdt met de bezonning van de bestaande omliggende bebouwing:
door het wegschuiven van de toren en het hoogte accent naar de uiteinden van het blok nu iedereen bezonning heeft in de tuin. Dit is voor de percelen achter het bestaande UWV gebouw een significante verbetering en voor alle percelen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan;
dat zelfs buiten de periode die geldt voor de Haagse norm de achtergevels en kleine delen van de tuin niet in de schaduw vallen;
door de hoogte van de toren te beperken tot 49m het tegenoverliggend appartementsgebouw slechts beperkt met slagschaduw wordt belast.
Windklimaat
Tot slot wordt verwezen naar het windklimaatonderzoek dat is uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling. Zie hiervoor Bijlage 3 Windklimaatonderzoek. Uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat in de toekomstige situatie na volledige realisatie van de Spoorzone overal rondom de geprojecteerde nieuwbouw Besterdring 235 sprake zal zijn van een goed windklimaat voor de te hanteren functie.
3.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.2.1 Historische geografie
Gezien het feit dat Tilburg geheel in een zone met dekzandruggen ligt wordt verwacht dat in het plangebied ook sprake is van een dekzandlandschap. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is te zien dat er in het plangebied van west naar oost sprake is van een oplopend reliëf. Het plangebied lijkt daarnaast op de overgang te liggen van een hoger gelegen deel ten zuiden van de spoorlijn, naar een lager gelegen deel ten noorden daarvan.
Het plangebied maakte destijds deel uit van het voormalig open landschap tussen de nederzettingen Heuvel en Veldhoven, dat bestond uit de akkercomplexen van de Heuvelse Akkers en de Havervelden enerzijds en de naar het oosten uitstrekkende heidevelden van de Besterd. De grens tussen deze twee gebieden lag langs het Langepad, een voetpad dat de Heuvelstraat in het zuiden met de Veldhovenring in het noorden van de stad verbond.
De percelen in het plangebied waren t/m 19e eeuw m.n. in gebruik als bouwland (zie ook 3.2.2 Archeologie)
Op en aan weerszijden van de locatie van het plangebied ontwikkelde zich vanaf 1860 een werkplaats ten behoeve van de spoorwegen. Een besluit van de rijksoverheid in 1860 had voor de economie en de morfologie van Tilburg vergaande gevolgen. Er moest in het zuiden van Nederland een spoorlijn komen van Vlissingen naar Den Bosch, Venlo en Maastricht, met steden Breda en Tilburg als logische tussenstations. Nederlandse havens, het Ruhrgebied en Luik werden zo verbonden. Men koos voor spreiding en dus voor Zwolle en Tilburg als locaties voor nieuwe werkplaatsen. De Tilburgse gemeenteraad was al akkoord gegaan met de verkoop van de bedoelde grond in het midden van de stad. Hierdoor veranderde het landschap van karakter en werd het deel van de stad. Voor een nadere omschrijving zie Bijlage 4 De voormalige NS werkplaats in cultuurhistorisch perspectief. De komst van het spoor (dwars door de stad, van oost naar west) en van de werkplaats (een groot terrein tussen de kernen, met nieuwe arbeid, werknemers en gebouwen) had voor Tilburg een grote impact, sociaal-economisch én ruimtelijk. De wijken aan de noordzijde van het plangebied (Theresia, Nijveroord en Besterd) werden vanaf ongeveer 1860 in hoog tempo bewoond door de overwegend protestantse werknemers van de NS-werkplaats. Die effecten zijn nog steeds herkenbaar en geven een bijzonder karakter aan het gebied en de omgeving. Na het vertrek van de NS in 2011 wordt het gebied fasegewijs geschikt gemaakt voor herontwikkeling. De nieuwe Burgemeester Brokxlaan is gerealiseerd, een aantal gebouwen is aangewezen als gemeentelijk monumenten en een aantal is inmiddels gesloopt.
3.2.2 Archeologie
Doordat het plangebied binnen de bebouwde kom van Tilburg valt, is het niet gekarteerd voor de Bodemkaart of de Geomorfologische kaart van Nederland. Uit extrapolatie vanuit de omringende zones die wel gekarteerd zijn, kan een goede indicatie verkregen worden van de oorspronkelijke bodemopbouw. De westzijde van de bebouwde kom van Tilburg valt meer of minder samen met de zuidwest-noordoost lopende grens tussen haar- en veldpodzols (Code Hd21, respectievelijk Hn21), duinvaaggronden (code Zd21) en hoge enkeerdgronden (zEZ21) in leemarm zand ten westen, en laar- en veldpodzols (code cHn23 respectievelijk Hn23) en hoge enkeerdgronden (code zEZ23) in lemig zand ten oosten van deze grens. Het plangebied ligt ten oosten van deze grens, zodat ter plaatse waarschijnlijk een enkeerdgrond aanwezig is (geweest). Een enkeerdgrond kenmerkt zich door een tenminste 0,5 meter dikke minerale eerdlaag, die het oorspronkelijke maaiveld afdekt. Ook op de paleogeografische landschappenkaart (Eckhart Heunks 2013). regio Tilburg wordt de zone waarin het plangebied ligt aangeduid als een esdek op dekzand.
In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse boor- en gravende onderzoeken uitgevoerd. Op het terrein van de werkplaats, ruim ten westen van het plangebied, heeft BAAC in 2013 een archeologische begeleiding van grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. In ARCHIS zijn geen resultaten opgenomen. Ten zuiden van het plangebied heeft Bilan in 2004 een booronderzoek uitgevoerd (ARCHIS 2087024100). Oorspronkelijk bleek hier een esdek te hebben gezeten, maar deze was door (recente?) ontwikkelingen verstoord. Het beeld dat uit deze – beperkte - resultaten naar boven komt, is dat de veronderstelling dat binnen dit deel van de gemeente Tilburg esdekken voorkomen, correct is.
Ten westen van het plangebied is langs de Burgemeester Brokxlaan ter hoogte van het huidige busstation een kleine archeologische begeleiding uitgevoerd waarbij sporen van een nederzetting rond het jaar 1000 zijn vastgesteld (BAAC-rapport A-13.0191). Uit het plangebied en directe omgeving zijn geen archeologische waarnemingen of vondsten bekend. Het plangebied ligt op de rand van de centrale dekzandrug waar een groot deel van het stadsgebied van Tilburg op ligt (paleokaart Eckhart Heunks 2013). Een dergelijk landschappelijke ligging kan een aanwijzing zijn voor een archeologische verwachting, zonder dat deze verder bepaald kan worden.
In 2018 is door SWECO een verstoringsonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Besterdring 235. Zie hiervoor Bijlage 5 Verstoringsonderzoek. Geconcludeerd wordt dat in het plangebied wellicht een esdek aanwezig is en dat eventuele archeologische vindplaatsen er onder, tussen de Wagenstraat en het kantoor Bestering 235 niet verstoord zijn door recente ontwikkelingen.
3.2.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
Het plangebied ligt in het centrum van de voormalige NS Werkplaats en ten noordoosten van het station.
In de Spoorzone bevinden zich diverse op grond van de Monumentenverordening van de gemeente Tilburg beschermde monumenten: de koepelhal, de wagenmakerij, de Lochal, de houtloods, de Polygonale loods met draaischijf ten westen; het Deprezgebouw aan de Lange Nieuwstraat en het Ketelhuis aan de Burgemeester Brokxlaan) ook het gebied aan zuidzijde van de werkplaats valt onder bescherming van de Monumentenverordening, onder meer vanwege spoorartefacten zoals rails, bovenleidingen en dergelijke. Het betreft hier voornamelijk bebouwing die in de periode 1867-1950 tot stand gekomen is.
Andere onderdelen van de voormalige NS Werkplaats, zijn inmiddels geamoveerd.
Het te slopen voormalige kantoorgebouw van de Sociale Dienst Tilburg (Besterdring 235), is in opdracht van de gemeente Tilburg in 1976-1977 gebouwd naar ontwerp van de Tilburgse architect Jac. Van Oers. Hoewel het gebouw in het Structuurplan Spoorzone (2005) de aantekening cultuurhistorisch waardevol heeft gekregen, is ervoor gekozen om deze ontwikkeling toch mogelijk te maken omdat de erfgoedfocus voor dit gebied specifiek is gericht op gebouwen die te relateren zijn aan de voormalige NS-werkplaats. Het gebouw heeft dan ook geen formele of planologisch beschermde status.
3.2.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van monumentenzorg bestaan er geen bezwaren tegen het voorliggende plan.
Archeologie: Uit het verstoringsonderzoek uitgevoerd door Sweco (2018) komt naar voren dat het deel van het plangebied tussen de Wagenstraat en het kantoor Besterdring 235 wellicht niet verstoord is door recentere ontwikkelingen. Tevens heeft het onderzoek van BAAC in 2016 langs de Burgemeester Brokxlaan aangetoond dat er een middeleeuwse nederzetting aanwezig is uit de periode rond 1000. Voor de overige resultaten van het onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 5 Verstoringsonderzoek. Om de archeologische waarde van het ongestoorde deel van het plangebied te kunnen vaststellen wordt geadviseerd in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Het programma van eisen voor dit onderzoek wordt opgesteld door de gemeente Tilburg of in overleg hiermee. Om de archeologische waarden van het plangebied te beschermen krijgt de zone tussen de Wagenstraat en het kantoor Besterdring 235 (voorlopig) een dubbelbestemming Waarde-Archeologie. Voordat een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend, wordt getoetst aan deze dubbelbestemming.
3.3 Volkshuisvesting
3.3.1 Wonen en duurzame verstedelijking
De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio maken de gemeenten periodiek samen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit mei 2017. In de periode 2016-2026 bedraagt de bouwopgave voor Tilburg ruim 9.700 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudenverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Wanneer en waar nodig worden er regionaal ook kwalitatieve afspraken gemaakt, getuige de afspraak waarbij Tilburg van de eigen opgave 730 woningen beschikbaar stelt aan een drietal buurgemeenten ter verwezenlijking van hun programmadoelen tussen 2009 en 2019.
Zeker tot omstreeks 2030 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld zo’n 1.000 woningen per jaar, dit gecorrigeerd voor circa jaarlijks 200 woningen sloop. De effectieve vraag –uitgeoefend door de woonconsument– ondervindt nog wat na-ijleffecten van de crisis, in verband waarmee een gemeentelijk bouwprogramma van gemiddeld 850 woningen per jaar tot 2020 wordt aangehouden.
Het plan tot de bouw van circa 150 appartementen, variërend in grootte en prijs, in de beleggershuursfeer ter plaatse van Besterdring 235 in de Spoorzone past ruimschoots binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Over de samenhang van dit plan met de kwalitatieve woningbouwopgave verderop meer.
3.3.2 Volkshuisvesting
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de Woonvisie is aangegeven dat –ondanks accentverschuiving naar de bestaande woningvoorraad– de nieuwbouwopgave voor Tilburg nog steeds een belangrijk thema is, gegeven de natuurlijke aanwas, gezinsverdunning en immigratie.
Centraal in de Woonvisie Tilburg 2015 –met de horizon op 2020– staat de gemeentelijke opgave te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus als basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, zodat zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen en trends (w.o. demografie, individualisering, zelfredzaamheid & betaalbaarheid, identiteit/ beleving); dit geldt zowel de woning als de woonomgeving/woonmilieu.
De woningbouwopgave die Tilburg in voornoemde context heeft, kan en wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Echter de omvang van de bouwopgave, maar meer nog de kwalitatieve samenstelling daarvan (o.m. woonmilieudifferentiatie), maakt het nodig om ons –in beperkte mate– ook te oriënteren op locaties buiten het bestaand stedelijk gebied. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften c.q. klantvraag wordt gebruik gemaakt van een woonmilieutypologie. Hierbij wordt, naar analogie van de rijksoverheid, onderscheid gemaakt in vijf woonmilieus: Centrum-Stedelijk (& -Plus), Stedelijk-buiten-centrum, Groen-Stedelijk, (Centrum-)Dorps en Landelijk, waarbij –in deze volgorde– sprake is van een afnemende woningdichtheid en nabijheid c.q. toegang tot voorzieningen, respectievelijk (OV-)bereikbaarheid. Deze indeling wordt waar nodig binnengemeentelijk verbijzonderd en/of verbonden met leefstijlkenmerken van bewoners uitmondend in zgn. "woonwerelden".
Het plan tot realisatie van circa 150 beleggershuurappartementen in dit deel van de Tilburgse Spoorzone (Centrum-Binnenstad) ligt in bestaand stedelijk gebied. Het bouwplan betreft een vorm van transformatie (van kantoren naar wonen), waarbij de woningen inspelen op de plaatselijke behoefte aan '(levensloop)geschikt' wonen. In het plan is rekening gehouden met de woonmilieu(differentiatie)opgave, in dit geval het voorzien in de vraag naar Centrum-Stedelijk (Plus).
Het periodieke Kwalitatief WoningBehoefteOnderzoek/KWBO (elke vier jaar, meest recent 2012) toont de behoefte aan Centrum-Stedelijk(Plus) woonmilieu. Zo blijkt de woonvoorkeur onder de verhuisgeneigde Tilburgers in ruim in ruim 20% van de gevallen uit te gaan naar een centrum-stedelijk woonmilieu, waarmee burgers met specifieke leefstijlen beter worden bediend. Tot 2025 betreft dat een woningvraag van zo'n 2.200 woningen in dit woonmilieutype.
3.3.3 Woonkwaliteiten
Naast woonmilieudifferentiatie is meer variatie in het aanbod van nieuwbouwwoningen geboden. Enerzijds komt dit voort uit de maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering, ontgroening & vergrijzing, anderzijds heeft dit te maken met de verander(en)de klantvraag, die ook steeds kwalitatiever van aard is. Aspecten waarop met name lokaal sturing plaatsvindt, zijn het aandeel appartementen in bouwplannen, het aandeel goedkope huurwoningen, de beschikbaarheid van kavels voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw, de levensloopbestendigheid van de nieuwbouw en het voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW).
Leefstijl / "woonwereld"
Het KWBO biedt inzicht in de zgn. "harde" kenmerken (i.c. huishoudens- en woningkenmerken, verhuisplannen enz.). Complementair levert het leefstijlonderzoek van SmartAgent (2013) informatie over de drijfveren van mensen in het gedrag dat zij vertonen en de keuzes die zij maken, oftewel inzicht in de normen/waarden- en belevingsaspecten (de "zachte" kant) van burgers op de woningmarkt.
Samen bieden beide onderzoeken aanknopingspunten voor doelgroep-segmentatie/-specialisatie, uitmondend in zgn. "woonwerelden". Hiermee kunnen omgevings-/locatiekenmerken en consumentenvraag optimaal op elkaar worden afgestemd in het te ontwikkelen woonproduct(gamma).
Het woningbouwplan Besterdring 235 - Spoorzone biedt ruimte voor centrum-stedelijk(plus) wonen, primair voor mensen behorend tot de rood(-blauwe) leefstijl, en meer specifiek voor de "woonwereld" Stads & allure (en/of Ruim & hoogwaardig)
Toetsingskader nieuwbouwappartementen
De gemeente stuurt nadrukkelijker op het aantal en soort nieuwbouwplannen voor appartementen om overaanbod tegen te gaan. Prioritering vindt plaats aan de hand van het in 2006 door de raad vastgestelde toetsingskader. Plannen worden getoetst aan het gewenste woonmilieu, de ruimtelijk-stedenbouwkundige inpassing, consumentgerichtheid en de vraag of het plan onderdeel uitmaakt van een voor de gemeente prioritaire gebiedsontwikkeling. Dit woningbouwplan tot transformatie voldoet aan de toetsingscriteria voor nieuwbouwappartementen.
Levensloopbestendige nieuwbouw (/wonen met zorg)
De huisvesting van zorgbehoevenden (m.n. ouderen en gehandicapten), gemengd met de overige bevolking, is een belangrijk aandachtspunt van het Tilburgse woonbeleid. Ter bevordering van hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie streeft de gemeente Tilburg er naar dat nieuwbouwwoningen "levensloopbestendig" worden ontwikkeld, dan wel daartoe eenvoudig aanpasbaar zijn. Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", i.c. woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers (te maken) zijn op entreeniveau van de woning.
Daarenboven bestaat het streven dat er voldoende welzijns- en zorgdiensten in de nabijheid zijn, dan wel gerealiseerd worden. Hiertoe is het concept van de Servicewijken/woonservicezones ontwikkeld, waarbij woon-, welzijn- en zorgdiensten op gebiedsniveau optimaal op elkaar zijn/worden afgestemd. Met name bij nieuwe uitleglocaties dient invulling aan dit concept te worden geven. In dit bouwplan wordt aan de doelstelling van levensloopgeschikte nieuwbouw invulling gegeven. Zie voor concrete ontwerphandreikingen de Werkwijzer Levensloopbestendigheid & toegankelijkheid 2.1.
Politiekeurmerk Veilig Wonen
Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw.
Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast (i.c. certificering plaatsvindt), zowel op woningniveau, als ook op het niveau van de woonomgeving. Het woningbouwplan Besterdring 235 - Spoorzone zal aan het Politiekeurmerk voldoen.
3.4 Groen en speelruimte
3.4.1 Bomenbeleid Tilburg
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:
Bomenverordening 2017
Beoordelingscriteria houtopstanden
Nota 'overige houtopstanden'
Boomwaarde zoneringskaart 2017
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen
Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.
Bomenverordening
De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.
Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)
Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)
Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.
Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)
In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.
Maatregelen in bestemmingsplan
De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. Indien van toepassing wordt de BWZ-kaart in het bestemmingsplan aangeduid als Boomwaardekaart (als bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming van deze bomen bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom.
In het voorliggende bestemmingsplan staan geen bomen met een formeel beschermde status in het plangebied. De overige bomen zijn onderzocht middels een bomen effect analyse, te vinden in Bijlage 6 Bomen effect analyse.
3.4.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
3.4.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.
Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
3.5 Verkeer en parkeren
3.5.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.5.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.5.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Zie hiervoor Bijlage 7 Nota parkeernormen 2017. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
3.5.4 Onderbouwing verkeer en parkeren
Het plangebied ligt aan de rand van Tilburg Spoorzone, in de noordwest hoek van de kruising Burgemeester Brokxlaan - Besterdring - NS-plein.
Omliggende wegenstructuur
Aan de zuidzijde ligt de Burgemeester Brokxlaan, een gebiedsontsluitingsweg met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/h. Aan de westzijde ligt de Wagenstraat, ter hoogte van de Burgemeester Brokxlaan als fietsverbinding aangesloten en aan de zijde van de Lange Nieuwstraat als weg voor gemengd verkeer. Deze erftoegangsweg ontsluit enkele garages en dient verder als fietsverbinding tussen de Spoorzone en de wijk Theresia. De maximaal toegestane snelheid is 30 km/h. Het plangebied is aan de oostzijde begrensd door de Besterdring en het NS-plein, beide gebiedsontsluitingswegen met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/h.
Ontsluiting van het plangebied
Het plangebied kan ontsloten worden op de Burgemeester Brokxlaan. Deze ontsluiting moet op voldoende afstand van het NS plein komen te liggen zodat in- en uitrijden van de toegang geen gevaarlijke situaties op de Burgemeester Brokxlaan oplevert. De ontsluiting mag tevens niet te dicht bij de doorsteek, keerlus, in de middenberm komen te liggen zodat verkeerd gebruik, tegen het verkeer in rijden, van deze doorsteek wordt voorkomen.
Het plangebied mag niet worden ontsloten op de Wagenstraat omdat deze straat te smal is. Tevens mag niet worden ontsloten op de Besterdring omdat ter plaatse opstelstroken van de verkeerslichten aanwezig zijn.
Fietsroutes en -stalling
Op de Burgemeester Brokxlaan, ligt een sternetfietsroute met vrijliggende fietspaden. Aan de oostzijde ligt het NS plein en de Besterdring. Het NS plein is een sternetfietsroute en de Besterdring een secundaire fietsroute. De Besterdring is ter hoogte van het plangebied voorzien van vrijliggende fietspaden.
Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Voor het bepalen van het aantal in te passen fietsstallingsplaatsen dient een inschatting van de behoefte te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW (zie de CROW Kennisbank). Deze verwachte stallingbehoefte is een richtlijn. Bij het indienen van de vergunningsaanvraag voor een bouwplan moet de initiatiefnemer aangeven op welke manier wordt voorzien in voldoende fietsstallingsvoorzieningen. Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte.
Openbaar vervoer
Het gebied ligt op korte afstand van een openbaar vervoersknooppunt en is daarmee zeer goed bereikbaar.
Op loopafstand van het plangebied ligt het centraal station van de NS, wat vanaf het plangebied via het Burgemeester Stekelenburgplein is te bereiken. Op de Besterdring ligt ter hoogte van het plangebied een bushalte.
Afvalinzameling
Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld.
Parkeren
De ontwikkelingen moeten voldoen aan het Parkeerkader Spoorzone. Binnen de Gemeente Tilburg wordt een parkeervisie gehanteerd als beleidskader voor parkeervraagstukken. Deze is vastgelegd in de notitie parkeernormen. In de door de raad vastgestelde "Hoofdlijnennotitie parkeren Tilburg 2016" is opgenomen dat grootschalige stedelijke ontwikkelingen de vrijheid hebben een autonoom beleidskader op te stellen. Zo wordt maatwerk geleverd voor specifieke gebiedsontwikkelingen. Middels het "Parkeerkader Spoorzone" wordt hier voor de gebiedsontwikkeling "Spoorzone" invulling aan gegeven. In het parkeerkader zijn de te hanteren parkeernormen opgenomen, alsmede het principe van "achter de vraag aan bouwen". Zie ook Bijlage 8 Parkeerkader Spoorzone. In beginsel zullen maaiveldterreinen worden ingezet om de parkeervraag te faciliteren. Op het moment dat de vraag daar aanleiding toe geeft wordt gestart met de realisatie van parkeergarages. De eerst benodigde betreft parkeergarage Clarissenhof, met ca. 500 parkeerplaatsen.
Mobility as a Service staat voor een mobiliteitsconcept, waarbij de consument mobiliteit inkoopt, in plaats van te investeren in transportmiddelen. Een essentiële verandering hierin is het concept van denken in service levels. Nieuwe services zullen een combinatie vormen tussen openbaar vervoer, vraag gestuurd vervoer en privé voertuigen. Steeds vaker worden "Mobility as a Service"-concepten ingezet bij woningbouwprojecten. Het inzetten van bijvoorbeeld deelauto's of zelfs deelscooters bij een (grootschalig) appartementencomplex is van invloed op het autobezit en daarmee de parkeerbehoefte. Op dit moment is het nog onduidelijk welk effect deze "Mobility as a Service"-concepten hebben op het autobezit onder toekomstige bewoners. Bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor een bouwplan dient de initiatiefnemer te onderbouwen op welke wijze deze "Mobility as a Service"-concepten worden ingezet en welk verwacht effect dit heeft op de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners. Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate de parkeerbehoefte wordt beïnvloed.
De ontwikkeling voorziet voor 150 woningen in 105 parkeerplaatsen op eigen terrein. 100 van deze parkeerplaatsen worden toegewezen aan bewoners van het complex. Er zijn 5 parkeerplaatsen gereserveerd voor deelauto's . Deze deelauto's voorzien in de behoefte van 50 huishoudens. Met dit concept wordt geacht te worden voldaan aan de parkeerbehoefte. De onderbouwing van het mobility as a service concept is verwoord in de notitie "Uitgangspunten Parkeren Besterdring 235 in Tilburg" van Empaction, 18 juni 2018, zie hiervoor Bijlage 9 Uitgangspunten parkeren Besterdring 235. Het complex wordt op de nulvergunningenlijst van de gemeente geplaatst. Dit betekent dat toekomstige gebruikers (en/of hun bezoekers) worden uitgesloten van het verkrijgen van parkeervergunningen.
Noodhulpdiensten
Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.1 Milieueffectrapportage
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet
worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.
ad a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke
activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt
zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid
worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.
beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer
dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het
plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk
genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na
het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.
ad b.
Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft
derhalve geen direct effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op een afstand van 3,7 km. van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling.
4.2 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Door de initiatiefnemer is onderzoek gedaan naar de omliggende bedrijven (door Peutz; Woningbouw Besterdring 235 te Tilburg-Analyse bedrijven en milieuzonering, d.d.1 februari 2018 met referentie JH/TKe/KS/H 6193-1-NO). Zie hiervoor Bijlage 10 Onderzoek bedrijven- en milieuzonering. Uit de analyse blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de woonfunctie. Er is voor de nieuwe woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.3 Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.3.1 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In de bij dit plan gevoegde Bijlage 11 Onderzoek externe veiligheid (Peutz, juni 2018) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoortraject Breda - Tilburg - Eindhoven en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage, evenals een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor.
4.3.2 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportasgebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Combinatie met gemengd of intensief gebied is mogelijk;
Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Beheersbaarheid spoor en gemeentelijke wegen op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
4.3.3 Conclusie en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Breda - Tilburg - Eindhoven en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde Bijlage 11 Onderzoek externe veiligheid.
De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft op 7 mei 2018 advies uitgebracht. De relevante onderdelen uit dit advies zijn verwerkt in de conclusies.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
het plangebied is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar ten gevolge van het spoortraject Breda-Tilburg. Er wordt voldaan aan de grenswaarde;
het plangebied is eveneens gelegen buiten het plasbrandaandachtsgebied;
het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde. De maximale waarde van het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie niet toe ten opzichte van de huidige situatie;
de hoofdvluchtroutes zijn van het spoor af gericht (oost- en westzijde);
de appartementen beschikken over mechanische ventilatie die door de bewoners zelfstandig is uit te schakelen bij een calamiteit (om toetreding van toxische stoffen te voorkomen).
Naast de reguliere risicocommunicatie vanuit de overheid zal de verhuurder middels een schriftelijke instructie bewoners op de hoogte brengen van de aanwezige risico's en het handelen bij een incident (schuilen/vluchten);
de locatie is tweezijdig bereikbaar voor hulpdiensten, de opstelplaats is afhankelijk van de definitieve inrichting van de openbare ruimte.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.4 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.5 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
4.5.1 Wegverkeerlawaai
Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het bouwplan omvat maximaal 151 woningen. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek (Peutz, d.d. 14 juni 2018- rapportnummer H6193-1-RA-002) uitgevoerd (zie Bijlage 12 Akoestisch onderzoek) en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op diverse gevels de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt overschreden. De optredende geluidbelasting vanwege wegverkeer over de Burgemeester Brokxlaan, Besterdring en NS Plein bedraagt respectievelijk ten hoogste 59, 55 en 52 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting vanwege overige wegen bedraagt minder dan 48 dB. Er zijn maatregelen onderzocht om de geluidbelasting te reduceren. De resultaten staan in het akoestisch onderzoek. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde-besluit genomen. Dit besluit is bij de regels van dit bestemmingsplan gevoegd.
4.5.2 Railverkeerlawaai
Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. Het betreft ca. 150 woningen. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de optredende geluidbelasting vanwege railverkeer ten hoogste 68 dB ter plaatse van de zuidgevel bedraagt van het woongebouw en tot 66 dB ter plaatse van de zijgevels. Alleen ter plaatse van de noordgevel is de geluidbelasting vanwege railverkeer lager dan de
voorkeursgrenswaarde van 55 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 68 dB wordt niet overschreden. Er zijn maatregelen onderzocht om de geluidbelasting te reduceren. De resultaten staan in het akoestisch onderzoek. Zie hiervoor Bijlage 12 Akoestisch onderzoek. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde-besluit genomen. Dit besluit is bij de regels van dit bestemmingsplan gevoegd.
4.5.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
4.5.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.6 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
Door adviesbureau Peutz is een notitie (JH/ JHa/H 6193-2-NO-001, opgesteld d.d. 13 juni 2018 m.b.t. luchtkwaliteit. Zie hiervoor Bijlage 13 Onderzoek luchtkwaliteit. Uit het onderzoek volgt dat inzake luchtkwaliteit zowel vanuit de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) als vanuit een goede ruimtelijke ordening er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen woningbouwplan aan de Besterdring 235 te Tilburg.
4.7 Geur
4.7.1 Industriële geurhinder
In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.
4.7.2 Agrarische geurhinder
In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.
4.8 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Op de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'wonen'. Zie hiervoor figuur 9. Voor de gronden binnen het bestemmingsplangebied zijn onderzoeken beschikbaar die een indicatie kunnen geven van de te verwachten bodemkwaliteit.
Figuur 8 - bodemkwaliteitszone wonen
De locatie is onderzocht op 13 april 2017. Voor het rapport wordt verwezen naar Bijlage 14 Verkennend bodemonderzoek. Er zijn sterke gehalten boven de interventiewaarde aan koper, lood en zink gemeten. Tevens zijn Cadmium, Kobalt, Kwik, Molybdeen, Nikkel, Zink, PAK en som PCB’s aangetoond boven de achtergrondwaarden. Er is geen noemenswaardige hoeveelheid asbest aangetroffen. Deze resultaten komen overeen met de verwachting en het beeld in de directe omgeving.
Deze verontreiniging lijkt beperkt te zijn tot de bodemlaag in het traject van 0,2-0,7m-mv tot 1,2-1,7m-mv (afhankelijk van de hoogte van het maaiveld) en is relatief eenvoudig herkenbaar bij een eventuele ontgraving. De laag is mogelijk ook aanwezig onder de bebouwing. De verontreiniging heeft op de onderzoeklocatie een omvang van 3850 m3. In de bodemlagen boven de verdachte laag zijn slechts enkele parameters licht verhoogd aangetoond.
Er is sprake van een geval van een ernstige, niet-spoedeisende bodemverontreiniging. De verontreiniging is niet spoedeisend vanwege de aard van de bron (immobiele stoffen) en aangezien de contactzone niet sterk verontreinigd is. Het advies is om deze bodemlaag conform de geldende regels te saneren wanneer zich een natuurlijk moment aandient.
De verontreiniging in het grondwater komt overeen met de verwachting en het beeld in de directe omgeving. De verontreiniging maakt deel uit van een bekend geval van ernstige bodemverontreiniging, deze is voldoende bekend en daarom hoeft hier geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
Op de locatie zijn sloopwerkzaamheden gepland. Voor de sloop van de bestaande bebouwing is geen bodemonderzoek nodig. Wel moet de aanwezigheid van asbest in het gebouw onderzocht worden en, indien ook in de grond gesloopt gaat worden (fundering), moeten bodemverontreinigingen onderzocht worden. Geadviseerd wordt om na de sloop een bodemonderzoek uitvoeren.
Voor de toekomstige bouw op de locatie dient rekening te worden gehouden met de aanwezige verontreinigingen.
Demping
In het zuiden van de locatie is een demping (AA085503638) geregistreerd, ten aanzien van de aanwezige bodemkwaliteit.
Conclusie
Voor wat betreft nieuwbouwplannen is over het algemeen een bodemtoets nodig. Deze bodemtoets bestaat uit een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek NEN 5740. Indien er saneringsurgentie (spoedeisendheid) aanwezig is, moeten dergelijke gevallen gesaneerd worden alvorens ter plaatse grondverzet plaats mag vinden en/of nieuwe functies gerealiseerd mogen worden. Op basis van een op te stellen saneringsplan wordt beoordeeld of na sanering de bodem geschikt is voor de gewenste functie(s). Algemene saneringsdoelstelling in het bestemmingsplangebied is dat na sanering de bodem geschikt is voor de beoogde functie en dat de kwaliteit van de grond minimaal gelijk is aan de vastgestelde achtergrondwaarden in de bodemkwaliteitszone van het bestemmingsplangebied.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
4.9 Natuur en ecologie
4.9.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.9.2 Analyse plangebied
Voor dit initiatief is een eco-effectscan uitgevoerd. Voor de resultaten wordt verwezen naar Bijlage 15 Eco-effectscan. De conclusies worden hieronder kort samengevat.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op 3,7 km van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Natuurbescherming in Verordening ruimte
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen in landschapspark Moerenburg op circa 2 km van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling redelijkerwijs uit te sluiten.
Soortenbescherming
Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men een aantal voorzorgsmaatregelen bij de sloop in acht nemen. Tevens worden voorzieningen voor gebouw bewonende soorten opgenomen in de nieuwbouw.
Tevens zijn in het gebied begroeiingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen, in de vorm van bomen en struiken. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.
Voor overige soortgroepen geldt dat het plangebied uitsluitend geschikt is als vaste rust- en verblijfplaats van soorten van algemeen vrijgestelde soorten. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.
Conclusie
Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.
Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
De sloop van de aanwezige bebouwing wordt uitgevoerd conform het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg. Tevens worden verblijfplaatsen voor vleermuizen gerealiseerd in de nieuwbouw;
Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Bestaand watersysteem
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van appartementen aan de Besterdring 235. De locatie is in de huidige situatie geheel verhard. De gebiedskenmerken van dit plangebied zijn weergegeven in tabel 1.
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel |
|
Bruto oppervlakte |
ca. 4.000 m² |
|
Terreinhoogte |
ca. 14,0 m+NAP |
|
Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) |
ca. 11,8 m+NAP |
|
Ontwateringdiepte |
ca. 2,0 m |
|
Bodem |
Sterk zandige leemlenzen |
|
Riolering |
Gescheiden stelsel in Burg Brokxlaan, gemengd stelsel in Besterdring |
|
Keur beschermde gebieden |
Niet relevant |
Tabel 1 - Gebiedskenmerken
Het gebied rondom de planlocatie is nagenoeg geheel verhard en voerde in het verleden het afval- en regenwater naar de gemeentelijke gemengde riolering. Inmiddels ligt in de gehele Spoorzone een gescheiden stelsel. De vuilwaterafvoer sluit aan op de gemeentelijke gemengde riolering; de regenwaterafvoer sluit aan op de regenwaterriolering voor afgekoppeld regenwater (blauwe ader Noordoost).
Het overtollige regenwater wordt opgevangen, geborgen en door de blauwe ader getransporteerd naar een centrale waterberging in het buitengebied ten noordoosten van het stedelijke gebied in Noordoost (landschapspark Pauwels). Bij hevige neerslag treedt een aantal nooduitlaten op het Wilhelminakanaal in werking.
Voor de toekomstige waterhuishoudkundige situatie wordt verwezen naar Bijlage 16 Watertoets.
5.2 Beleidskader
Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020, (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
5.3 Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
voldoende ontwateringdiepte;
de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
het vuile water en het regenwater moeten inpandig gescheiden worden ingezameld en aangesloten worden op het gescheiden stelsel;
de terreinhoogte moet aansluiten op het peil van de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte);
geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
De locatie is in de huidige situatie geheel verhard. De ontwikkeling zal dan ook niet leiden tot een toename van verhard oppervlak. Er hoeven geen maatregelen genomen te worden om hydrologisch neutraal te bouwen. Door de projectontwikkelaar wordt echter een lijst met duurzaamheidswensen gehanteerd. Er wordt gedacht aan groendaken om het water te bufferen en infiltratie van regenwater van de terreinverharding. Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding maar ook op hittestress, biodiversiteit en isolatie van het gebouw.
Het (surplus aan) regenwaterafvoer dient afgevoerd te worden naar de bestaande regenwaterriolering in de Burgemeester Brokxlaan. Het afvalwater dient bij voorkeur aangesloten te worden op het vuilwaterriool in de Burgemeester Brokxlaan.
Bij extreme neerslag is het mogelijk dat het bestaande afwateringssysteem ontoereikend is. Om te voorkomen dat het teveel aan regenwater schade veroorzaakt in de bebouwing wordt aangeraden het vloerpeil ten minste 15 cm hoger aan te leggen dan de omringende openbare ruimte.
5.4 Watertoets
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is niet significant. Er wordt daarom, conform afspraken tussen waterschap De Dommel en de gemeente Tilburg, gekozen voor een verkort watertoetstraject. Deze waterparagraaf wordt direct opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan zonder voorlopig wateradvies. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets wordt verstrekt bij de terinzagelegging.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op .
6.1 Bestemmingen en aanduidingen
In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:
Wonen - Gestapeld: de voor Wonen - Gestapeld aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met dien verstande dat er sprake is van gestapelde woningen. Het maximum aantal wooneenheden bedraagt 150, zoals op de verbeelding weergegeven door middel van een maatvoeringsaanduiding;
Verkeer: de voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeer- en vervoersvoorzieningen;
Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt:
bouwvlak;
parkeergarage;
overkraging.
Daarnaast zijn de volgende dubbelbestemmingen aanwezig:
Waarde-Archeologie: de dubbelbestemming Waarde-Archeologie strekt ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied.
6.2 Bouw- en gebruiksregels
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Wijzigingsbevoegdheid
Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Op dit moment heeft de gemeente een dienstverleningsovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer en partijen hebben het voornemen om vóór de vaststelling van het bestemmingsplan een exploitatieovereenkomst te sluiten. Het verhaal van kosten die de gemeente moet maken zal 'anderszins verzekerd' zijn door die overeenkomst. Ook zullen er aanvullende locatie-eisen worden gesteld in de overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Spoorzone, 7e herziening (Besterdring 235) op 15 augustus 2017 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Omgevingsdialoog
Ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog hebben de initiatiefnemer en de gemeente een omgevingsdialoog gevoerd in twee fasen: van oktober t/m december 2017 en van april t/m juni 2018. Er zijn in totaal acht overlegmomenten geweest. Tijdens dit traject zijn omwonenden vertegenwoordigd door een planteam bestaande uit totaal negen direct omwonenden. De omgevingsdialoog heeft geleid tot een planteamadvies d.d. 11 december 2017 en een aanvulling daarop d.d. 15 juni 2018. De ontwikkelaar is niet aan alle wensen van het planteam tegemoet gekomen, maar desondanks leiden de aanpassingen aan het stedenbouwkundig plan tot een goede balans tussen de opgave om circa 16.500 m² te realiseren, de bewonersbelangen inzake privacy, bezonning, veiligheid en ruimtelijke impact en de gewenste samenhang met de gebiedsontwikkeling Spoorzone. Het verslag van de omgevingsdialoog is te vinden in Bijlage 17 Verslag omgevingsdialoog.
8.3 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan "Spoorzone, 7e herziening (Besterdring 235)" heeft ter inzage gelegen van maandag 10 september tot en met maandag 22 oktober 2018. Tijdens deze periode zijn er in totaal twaalf schriftelijke zienswijzen ingekomen. Een daarvan betreft een zienswijze namens het gehele planteam. Zes zienswijzen zijn afkomstig van individuele leden van het planteam. Een zienswijze is afkomstig van de Stichting Het Verhaal van Tilburg en de overige vier zienswijzen zijn van andere omwonenden. Een samenvatting van de zienswijzen, het standpunt van het gemeentebestuur en de conclusie aangaande de beoordeling is opgenomen