direct naar inhoud van Regels

Buitengebied De Zandleij 2012, 7e herziening (Houtsestraat 117-119)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2017025-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

 

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Ontwikkeling en plangebied

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

1.2 Het plangebied

1.3 Voorgaande plannen

1.4 Ruimtelijke structuur

1.5 Technische infrastructuur

1.6 Ruimtelijk beleidskader

Hoofdstuk 2 Thematische beleidskaders

2.1 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

2.2 Groen en speelruimte

Hoofdstuk 3 Milieuaspecten

3.1 Inleiding

3.2 Milieuhinder bedrijven

3.3 Externe veiligheid

3.4 Vuurwerk

3.5 Geluid

3.6 Lucht

3.7 Geur

3.8 Bodem

3.9 Natuur en ecologie

Hoofdstuk 4 Wateraspecten

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 6 Burgerparticipatie en overleg

6.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

6.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

6.3 Burgerparticipatie

6.4 Zienswijzen

 

Hoofdstuk 1 Ontwikkeling en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Aan Houtsestraat 117-119 geldt sinds jaar en dag de bestemming Bedrijf. De regels van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012 bepalen dat ter plaatse binnen het bestemmingsvlak bebouwing ten behoeve van slechts één bedrijf is toegelaten. De feitelijke situatie is echter dat reeds geruime tijd twee bedrijven op het perceel aanwezig zijn, één aan elke kant van de gemeentelijke weg, die het perceel doorsnijdt. Naar aanleiding van de wens van initiatiefnemers om e.e.a. te legaliseren heeft hierover in diverse verbanden overleg plaatsgevonden, hetgeen in de voorfase heeft geresulteerd in provinciale instemming met het aanpassen van de planregels, zodat een tweetal bedrijven binnen het bestemmingsvlak mogelijk wordt. Dit op voorwaarde dat het bestemmingsvlak als zodanig niet wordt vergroot. Betrokkenen hebben daarop de onderhavige planherziening aangevraagd.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat Houtsestraat 117 en Houtsestraat 119 te Tilburg. Kadastraal betreft het de percelen gemeente Tilburg, sectie A, nummers 3160, 2798, 3717, 3718, 3719 en 2797 (gedeeltelijk).

 

 [image]

 

Afbeelding: ligging plangebied in Tilburg (rode stip)

1.3 Voorgaande plannen

Dit plan vervang ter plaatse van haar plangebied het bestemmingsplan Buitengebied De Zandleij 2012,

vastgesteld door de gemeenteraad op 18 maart 2013 en onherroepelijk geworden op 19 juni 2014.

1.4 Ruimtelijke structuur

Het plangebied ligt in het buitengebied, aan het agrarisch-bedrijvig lint, dat gevormd wordt door de Houtsestraat en de Kuil, en maakt deel uit van een groter gebied dat zich kenmerkt door openheid en een dominante agrarische functie en zich uitstrekt tot aan de Noordoosttangent als zuidelijke begrenzing.

1.5 Technische infrastructuur

Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones).

 

 

 

 

1.6 Ruimtelijk beleidskader

Er spelen geen Rijksbelangen. Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag, zodat de zogenaamde 'Ladder voor duurzame verstedelijking', als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro, niet van toepassing is. Op grond van dat artikel moet in de toelichting van een ruimtelijk besluit dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een motivering worden opgenomen aangaande behoefte en locatie. Er is in casu echter geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het bestemmingsvlak 'Bedrijf' blijft even groot in omvang en ook aan het bebouwingspercentage wordt niet getornd. De provincie heeft vooraf ingestemd met de in dit plan vervatte ontwikkeling. Omdat geen sprake is van nieuw ruimtebeslag, functiewijziging of extra bouwmogelijkheden is kwaliteitsverbetering landschap, als bedoeld in de provinciale Verordening ruimte, niet aan de orde. Gelet op het vorenstaande wordt het ruimtelijk beleidskader niet uitgebreider besproken.

 

Hoofdstuk 2 Thematische beleidskaders

 

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde

beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper

ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en

Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

 

2.1 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

Historische geografie, landschap en ontginningsgeschiedenis

 

Archeologische waarden

 

2.2 Groen en speelruimte

 

2.2.1 Bomennota Tilburg boomT

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.

 [image]

Boomwaardezoneringskaart

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op een bijlagekaart (Boomwaardekaart) bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8m en 15m vanuit het hart van de desbetreffende boom.

2.2.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

2.2.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de

mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

 

Hoofdstuk 3 Milieuaspecten

 

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

 

3.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven, dieinvloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Binnen het bestemmingsplan blijven functie en milieucategorie gelijk aan de huidige situatie. Het enige dat verandert is dat legaal twee bedrijven aanwezig kunnen zijn in plaats van één. Dit heeft geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omliggende woningen.

 

3.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedures de keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

 

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

 

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

 

Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In de bijlage Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording zijn de risicobronnen die relevant zijn geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoortraject Tilburg - Vught. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage bij de plantoelichting.

 

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

 

Conclusies en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Tilburg-Vught. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie bijlage Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 10 augustus 2017 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

 

3.4 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

 

3.5 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

 

Binnen het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Het betreft het juridisch mogelijk maken van twee gescheiden bedrijfsmatige activiteiten die in praktijk al aanwezig zijn. De bestemming (bedrijf) verandert hierbij niet.

 

Verdere toetsing aan de wet geluidhinder is niet nodig.

 

3.6 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

Het betreft het juridisch mogelijk maken van twee gescheiden bedrijfsmatige activiteiten die in praktijk al aanwezig zijn. De bestemming (bedrijf) verandert niet. Verder onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

 

3.7 Geur

Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.

 

Binnen het bestemmingsplan blijft de functie en de milieucategorie gelijk. Het enige dat verandert is dat er zich nu twee bedrijven kunnen vestigen in plaats van een. Dit heeft geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omliggende woningen en aanzien van het aspect geur.

 

Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

 

In de omgeving zijn enkele veehouderijen aanwezig. De functie en de gevoeligheid van het perceel veranderen niet. Omliggende agrarische bedrijven worden niet belemmerd door de wijzigingen in dit bestemmingsplan.

 

3.8 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

 

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

 

Projectlocatie

Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone landbouw en natuur.

Binnen het bestemmingsplangebied zijn onderzoeken beschikbaar, die enige indicatie kunnen geven van de te verwachten bodemkwaliteit.

Uit onderzoeken van april 2005 en mei 2010 komt naar voren dat op de locatie hoge gehalten aan zware metalen, PAK, minerale olie en asbest zijn gemeten. Het betreffen hier voornamelijk bodemverontreinigingen, die ontstaan zijn door de plaatselijke bedrijfsactiviteiten of door aanwezigheid van olietanks. Op de locatie is een demping (AA085508349) geregistreerd.

 

Voor toekomstige bouw op de locatie dient er rekening te worden gehouden met de aanwezige verontreinigingen. Het advies hierbij is om de omvang ervan nader te bepalen en de humane risico's vast te stellen.

 

Conclusie

Voor wat betreft nieuwbouwplannen is in het algemeen een bodemtoets nodig. Deze bodemtoets bestaat uit een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740. Dergelijke onderzoeken mogen dan maximaal 5 jaar oud zijn. Indien er saneringsurgentie (spoedeisendheid) aanwezig is, moeten dergelijke gevallen gesaneerd worden alvorens ter plaatse grondverzet plaats mag vinden en/of nieuwe functies gerealiseerd worden. Op basis van een op te stellen saneringsplan wordt beoordeeld of na sanering de bodem geschikt is voor de gewenste functie(s). Algemene saneringsdoelstelling in het bestemmingsplangebied is dat na sanering de bodem geschikt is voor de beoogde functie en de kwaliteit van de grond minimaal gelijk is aan de vastgestelde achtergrondwaarden in de bodemkwaliteitszone van het bestemmingsplangebied.

 

3.9 Natuur en ecologie

 

Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Om op een ontwikkelingsgerichte manier invulling te geven aan de wettelijke beschermingsstatus van gebouw bewonende diersoorten, heeft Gemeente Tilburg het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg (hierna SMP) opgesteld. Hieraan is een gebiedsontheffing Flora- en faunawet gekoppeld, waar initiatiefnemers van bestemmingsplannen in de Oude Stad (het gebied begrensd door het Wilhelminakanaal, A58 en bosgebieden aan de westzijde van Tilburg) gebruik van kunnen maken. Initiatiefnemers van ontwikkelingen met mogelijke effecten op de gebouw bewonende soorten huismus, gierzwaluw en vleermuizen hoeven in dat geval niet meer afzonderlijk jaarrond onderzoek uit te voeren of een ontheffing aan te vragen. In plaats daarvan gelden een aantal voorwaarden uit het SMP, zoals het uitvoeren van een omgevingscheck voorafgaand aan de werkzaamheden, het werken volgens het "Ecologisch Werkprotocol SMP" en het aanbrengen van faunavoorzieningen in nieuwbouw.

 

Analyse plangebied

 

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op circa 600 meter van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

 

Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 600 meter ten oosten van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling redelijkerwijs uit te sluiten.

 

Soortenbescherming
Het plangebied is vrijwel geheel bebouwd en verhard. Alleen aan de voorzijde is erfbeplanting aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. De ontwikkeling voorziet niet in het verwijderen van beplanting.

De bebouwing in het plangebied is voorzien van gevelbetimmeringen, waarachter vleermuizen verblijfplaatsen kunnen hebben. Daarnaast kunnen gebouw bewonende vogels tot broeden komen in de bedrijfsbebouwing. De ontwikkeling voorziet niet in het slopen van deze bebouwing. Er is daarom geen nader onderzoek uitgevoerd naar het daadwerkelijk voorkomen van gebouw bewonende diersoorten.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.

 

Conclusie

Vanuit de Wet Natuurbescherming zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.

 

Hoofdstuk 4 Wateraspecten

 

Dit bestemmingsplan leidt niet tot het slopen, bouwen of vernieuwen van bebouwing. Ook nemen de bouwmogelijkheden niet toe. Het gebruik van het perceel blijft hetzelfde als in de huidige situatie. Er zijn geen wijzigingen voor wat betreft huishoudelijk afvalwater, grondwater en afvoer van regenwater. Een uitgebreide waterparagraaf is daarom niet noodzakelijk.

 

Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is niet significant. De aanpak volgt het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Het plan is in het kader van het vooroverleg in een zo vroeg mogelijk stadium voorgelegd aan de waterbeheerder, het waterschap
De Dommel. Deze waterbeheerder heeft per e-mail een positief wateradvies uitgebracht op 23 augustus 2017.

 

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

 

 

Artikel 3.1.6. van het Bro verplicht de bestemmingsplanwetgever een vast te stellen bestemmingsplan te doen

vergezellen door een toelichting, waarin (o.a.) zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het

plan. Het onderhavige plan bevat geen (nieuw) bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro.
De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is derhalve niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.

Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan zijn bij initiatiefnemers bij aanslag separaat leges in rekening gebracht. Deze zijn tevens betaald. Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de initiatiefnemers, die met de gemeente een overeenkomst inzake het verhaal van planschade hebben gesloten. Gelet op het vorenstaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 6 Burgerparticipatie en overleg

 

6.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 14 juli 2017 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

6.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Er is geen sprake van Rijksbelangen. De provincie heeft bij e-mail d.d. 15 mei 2017 vooraf ingestemd met de strekking van dit plan. Vervolgens is na afronding van het concept op 22 september 2017 het formulier 'Inventarisatie belangen gemeente' ingevuld via de provinciale website. Hieruit kwam naar voren dat het wettelijk verplichte vooroverleg met de provincie als afgerond kon worden beschouwd. Het waterschap heeft op 23 augustus 2017 ingestemd met dit plan.

6.3 Burgerparticipatie

In september/oktober 2017 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie door initiatiefnemers een brief met uitleg over het voorliggende plan verzonden aan de bewoners van Houtsestraat 7, 8, 113, 115 en 121. Hierop zijn twee reacties met vooral vragen gekomen. Namens initiatiefnemers is per e-mail en/of telefonisch antwoord gegeven op deze vragen en is gewezen op de mogelijkheid om in een later stadium zienswijzen in te dienen. Het plan is niet aangepast naar aanleiding van de burgerparticiaptie.

6.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 4 december 2017 tot en met maandag 15 januari 2018. Tijdens deze periode is er één zienswijze ingediend. Deze wordt hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijze.

 

Zienswijze 1

Reclamant is eind 2014 eigenaar geworden van Houtsestraat 115 (bestemming Wonen). Hij heeft dit huis gekocht vanwege de rustige ligging in het buitengebied. Ondanks het feit dat er een houtzagerij gevestigd was op de achtergelegen percelen Houtsestraat 117-119, bleek het er inderdaad lekker rustig. Door de komst van een (legaal) tweede bedrijf verwacht reclamant (veel) meer verkeer en verstoring van de rust. Hij vreest overlast en een waardevermindering van zijn woning.

 

Standpunt gemeente

In de eerste plaats merken wij op dat hetgeen thans juridisch-planologisch geregeld is, feitelijk al een decennium aan de orde is: de aanwezigheid van twee bedrijven op het perceel Houtsestraat 117-119, dat door een gemeentelijke weg doorsneden wordt. Daarnaast benadrukken wij dat het bestemmingsvlak Bedrijf niet wordt vergroot en dat de bouwmogelijkheden (bouwhoogte, bebouwd oppervlak et cetera), de toegelaten milieucategorie alsmede het toegelaten gebruik binnen het bestemmingsvlak Bedrijf niet veranderen. Daarentegen worden de omliggende woningen door het opnemen van bouwvlakken juist beter beschermd. Voorts bevat het bestemmingsplan een parkeerregeling, die vereist dat de parkeerbehoefte die gerelateerd is aan de bedrijfsactiviteiten ter plaatse wordt opgevangen. De percelen zijn hier ook groot genoeg voor, problemen op dit punt zijn niet te verwachten. Detailhandel is niet toegestaan. Ten slotte wijzen wij wat de door reclamant verwachte verkeersdruk op het feit dat de Houtsestraat een tamelijk veel gebruikte 60 km/h -weg is, die volgens CROW-normen 5000 verkeersbewegingen per dag geacht wordt te kunnen verwerken. Bij de laatste meting (2014) werden gemiddeld ca. 3500 bewegingen per dag vastgesteld. Overigens leiden twee bedrijfseconomische eenheden niet per se tot meer verkeersdruk dan een bedrijfseconomische eenheid van een grotere omvang. Veeleer hangt de verkeersdruk die bedrijfsmatige activiteiten opleveren samen met de totale omvang van die activiteiten.

 

 

 

Voor zover de zienswijze van reclamant betrekking heeft op eventuele waardevermindering van zijn eigendom aan Houtsestraat 115, kan hij binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan een verzoek om tegemoetkoming in planschade indienen bij de gemeente. Zo'n verzoek wordt door deskundige derden onderzocht en van een advies voorzien.

 

Conclusie

De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen van het plan.