Buitengebied Landgoederenzone Bredaseweg, 5e herziening (Bredaseweg 478)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor het vervangende nieuwbouw van een woning aan de Bredaseweg 478 te Tilburg. Het betreft het perceel sectie E, nr. 1667. Op het perceel is een woning gelegen. Deze woning voldoet niet aan de eisen van deze tijd. De bestaande woning wordt gesloopt en op dezelfde plaats wordt een nieuwe, grotere woning gebouwd. Hiervoor dient het bouwvlak in het bestemmingsplan te worden vergroot.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat een perceel aan de Bredaseweg 478 te Tilburg. Het perceel is gelegen in de Landgoederenzone en ligt tegenover het park De Warande. Het perceel ligt buiten de bebouwde kom van Tilburg.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402000.png)
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied Landgoederenzone Bredaseweg' dat is vastgesteld op 31 mei 2010. De in dit bestemmingsplan opgenomen bouwvlak wordt vergroot.
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
2.1 Ruimtelijke en functionele structuur
Het plangebied is gelegen in Stadsbos013 ten westen van de stad Tilburg aan de Bredaseweg 478 te Tilburg. Stadsbos013 bestaat uit een groot bos, open graslanden, beekdalen, sportgelegenheden (zoals tophockey en -rugby, voetbal, hardlopen en golf), landbouwgronden. Ook cultuurhistorisch waardevolle gebieden, zoals de landgoederen, maken onderdeel uit van het Stadsbos013. Het gebied is variërend in landschap en heeft (potentiële) natuurwaarden zoals de Kaaistoep.
Het uit de 18e eeuw stammende, barokke sterrenbos Oude Warande is cultuurhistorisch gezien een uniek icoon. Oude verbindingen met kenmerkende landschapselementen zoals het Bels lijntje, de Gilzerbaan en Bredaseweg hebben cultuurhistorische waarde, mede door de gebouwen en landgoederen, zoals Landgoed Heidepark / Vredelust of het pompstation uit 1898. Aan de zuidwestzijde ligt nog een aantal oude agrarische structuren en boerderijen.
In het gebied is een verscheidenheid aan functies aanwezig zoals wonen, sport, recreatie, horeca en (agrarische) bedrijvigheid. Grote percelen zijn als kantoor of horeca in gebruik. Het gebied wordt veel gebruikt voor extensieve recreatie (wandelen, fietsen e.d.) en is daardoor een uitloopgebied voor de stad Tilburg. De percelen die aan de Bredaseweg grenzen zijn ingericht als bos. Op sommige percelen staan grote vrijstaande woningen (zogenaamde landgoederen). Uitstraling en relatie tot de Bredaseweg zijn hierbij belangrijke stedenbouwkundige kenmerken.
Het perceel aan de Bredaseweg 478 heeft een oppervlakte van ruim 1 ha en is voorzien van 1 woning. Het perceel maakt onderdeel uit van een reeks particuliere landgoederen die zich langs de Bredaseweg uitstrekten en die niet toegankelijk waren voor publiek. Vaak waren deze landgoederen het eigendom van Tilburgse textielfabrikantenfamilies. Onderdeel van de benadering voor het Stadsbos013 is dat er onder voorwaarden ruimte geboden wordt aan initiatieven vanuit de stad, die het gebruik van het Stadsbos vergroten / verbeteren. Daar hoort bij dat die initiatieven ook een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het Stadsbos. Deze benadering wordt ook gevolgd bij dit particuliere perceel. Het betreft in idit geval een uitbreiding van een woonfunctie in de groenblauwe mantel (en niet in de ecologische hoofdstructuur) en het perceel is onderdeel van de Landgoederenzone. Uitgangspunt is dat de een en ander wordt gecompenseerd én dat er waarde (natuurlijke, landschappelijke en ecologische) wordt toegevoegd. In dit kader is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt.
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.
3.2 Provincie
3.2.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:
De kwaliteit van het landschap;
De ontwikkeling van het buitengebied;
De regionale verstedelijking.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Deel C
Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.
Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
3.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014
Provinciale Staten hebben op 10 juli 2015 een nieuwe integrale Verordening ruimte vastgesteld, zijnde Verordening ruimte 2014 (per 15-7-2015). Vervolgens hebben Provinciale Staten deze gewijzigd bij besluit van 18 november 2016: Wijziging Verordening ruimte 2014, veegronde 2016. Dit besluit is in werking getreden op 8 december 2016.
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
ruimtelijke kwaliteit;
stedelijke ontwikkelingen;
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
overige ontwikkelingen in het buitengebied.
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering.
Toets plan aan verordening ruimte
Wonen in groenblauwe mantel
Het perceel is gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en de groenblauwe mantel.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402001.png)
Uitsnede kaart verordening ruimte
Binnen de begrenzing van NNB vinden geen werkzaamheden plaats. In de groenblauwe mantel zijn in principe enkel bestaande burgerwoningen toegestaan. In afwijking hiervan is de bouw van een woning mogelijk ter vervanging van de bestaande woning binnen het daartoe aangewezen bouwperceel, mits is verzekerd dat:
de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;
overtollige bebouwing wordt gesloopt.
De nieuwe woning ligt op hetzelfde perceel als de bestaande woning en is over het bestaande bouwvlak heen gesitueerd. Dit bouwvlak wordt voor de nieuwe woning vergroot. Hiermee is verzekerd dat de bestaande woning wordt gesloopt. Overtollige bebouwing is op het perceel niet aanwezig.
Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit
In het kader van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik dient een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik te maken van een bestaand bouwperceel. Met deze ontwikkeling, zijnde de bouw van 1 woning ter vervanging van een bestaande woning, is rekening gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor wat betreft de bodemkwaliteit, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden. In deze toelichting zijn hoofdstukken gewijd aan bodemaspecten (paragraaf 5.8), archeologie en cultuurhistorie (paragraaf 4.3), ecologie en landschappelijke waarden (paragraaf 5.9). Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan de wettelijke milieuaspecten (hoofdstuk 5) en voldoet deze hier aan.
Kwaliteitsverbetering landschap
Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt met een financiële verantwoording. In paragraaf 5.9.1 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de landschappelijke inpassing.
De uitvoering en instandhouding van de landschappelijke kwaliteitsverbetering wordt geborgd door het opnemen van deze verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast is een overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten waarin deze verplichting is opgenomen.
3.3 Gemeente
3.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
In de omgevingsvisie ligt het perceel in het stadsregionaalpark Stadsbos013, 1 van de drie stadsregionale parken. De stadsregionale parken hebben potentie om ze uit te bouen en een belangrijke rol te laten vervullen in de Brabantstrategie. Het Stadsbos013 is een romantisch parklandschap; landgoederen bepalen voor een groot deel de sfeer, in combinatie met natuur en sport. De grote variëteit aan natuur en de vele recreatiemogelijkheden maken Stadsbos013 een aantrekkelijke verblijfplaats voor uiteenlopende doelgroepen. In het Stadsbos013 worden initiatieven van burgers en bedrijven ondersteund.
3.3.2 Overige gemeentelijke structuurvisies
3.3.2.1 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP)
Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het vervolg van de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Daarin geeft Tilburg haar beleidsmatige invulling aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in het vGRP.
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
4.2.1 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
4.3.1 Historische geografie
Ligging: het plangebied ligt aan de westelijke zijde van Tilburg, ten zuiden van de Oude Warande aan de zuidzijde van de Bredaseweg.
In dit deel wordt de Bredaseweg visueel afgebakend door bosontginningen en doorsneden door oudere kronkelende wegen en door laanbeplanting gekarakteriseerde lineaire verbindingswegen;
De zogenaamde landgoederenzone wordt centraal doorsneden door de Donge en in het zuidwesten door de Grote en Kleine Leij. De overgang tussen de beekdalen en de hogere delen worden gevormd door de vlakten. Deze bestaan uit door smeltwater verspoelde dekzanden. De hogere delen bestaan uit terrasafzettingswelvingen, bedekt met dekzand, en dekzandruggen. De beekdalen zijn vanaf de late middeleeuwen in gebruik genomen als weide- en hooilanden. De drogere gronden langs de Grote en Kleine Leij werden in de late middeleeuwen in cultuur gebracht als akkergronden.
Geomorfologie: in een recent vervaardigde kaart van het paleolandschap is het plangebied gesitueerd is een oud ven.
Historisch landgebruik: het plangebied behoort tot de grootschalige heide-ontginning na 1850. Deze ontginning is omstreeks 1920 nagenoeg voltooid. Kenmerkend hierbij is de langgerekte vorm van de percelen die zowel aan de noordelijke als aan de zuidelijke zijde haaks op de Bredaseweg staan. De nu grotendeels beboste percelen zijn veelal door brandgangen of smalle slootjes van elkaar gescheiden.
De belangrijkste ruimtelijk factor qua infrastructuur in het gebied is de Bredaseweg. Deze werd in de periode tussen 1820 en 1826 aangelegd als onderdeel van de Rijksweg van Tholen naar Grave. De nieuw aangelegde weg volgde deels enkele zandpaden die tenminste tot de late Middeleeuwen teruggaan en benutte de bestaande oversteekplaatsen van beekjes en de Donge. Kenmerkend voor de nieuwe Rijksweg was de beplanting langs het gehele tracé met een dubbele rij eikenbomen. In de decennia na de aanleg worden langs de weg ruim opgezette landhuizen opgetrokken, vaak omgeven door een ruime tuin en/of bosaanleg. Langs de Bredaseweg werd in 1902 het eerste verharde fietspad van Nederland aangelegd.
4.3.2 Archeologie
Het plangebied ligt op de rand van een gebied dat is gekarteerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als een gebied met hoge archeologische trefkans;
Het plangebied ligt op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) in een gebied met middelhoge verwachting;
In 2011 is door BAAC verkennend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd in het kader van de in de komende jaren geplande verbreding van de Bredaseweg (BAAC rapport V-09.0406AA). Daarin wordt aanbevolen om vervolgonderzoek te beperken tot begeleiding van de werkzaamheden in het veld door een archeoloog.
Omdat het woonhuis wordt gebouwd op de plaats van een te slopen voorganger maar duidelijk groter is dan dat gebouw is er weliswaar sprake van nieuwe bodemverstoring maar deze is fragmentarisch van aard en relatief beperkt in omvang. Planrealisatie heeft dan ook beperkte gevolgen voor het bodemarchief. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Geadviseerd wordt wel om de dubbelbestemming waarde archeologie op het perceel te handhaven.
4.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren
In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
Rijksmonumenten in de omgeving: Bredaseweg 546 landgoed Heidepark, villa en parkaanleg ca. 1880; Bredaseweg 600 restanten landgoed Dongewijk, opgetrokken vanaf ca. 1835. Warandelaan 2, Cobbenhagengebouw, architect Jos. Bedaux, 1954.
Gemeentelijke monumenten; Bredaseweg 415, Israëlitische begraafplaats, Bredaseweg 602, Dongewijk; een in 1913 verbouwd ouder tolhuis gelegen direct aan de weg bij de oversteek van de Donge.
MIP-panden; Bredaseweg 425, 429, 455 (toegangshek), 461, 530 en 570 (het grote bebouwde complex van Amarant, het vroegere Piusoord, dat in de periode vanaf 1938 en de daaropvolgende decennia werd aangelegd aan de zuidelijke zijde van de Bredaseweg).
Voor planrealisatie zal de bestaande bebouwing gesloopt moeten worden. Dit is een landhuisje dat in 1911 in opdracht van de heer Hofland ontworpen is door architect Jan van der Valk. Het pand heeft geen monumentale status of aanduiding als cultuurhistorisch waardevol. De bouwkundige staat is zodanig dat handhaving ervan op nagenoeg complete herbouw zou neerkomen. Er is daarom gekozen boor een nieuw ontwerp.
Historisch groen: Oude Warande 1; een jachtbos in sterpatroon dat tussen 1712 en 1715 werd aangelegd door landgraaf Willem van Hessen Kassel.
Historisch groen: met name de beplanting met eiken langs de weg. Ten oosten van het plangebied bevindt zich de Oude Warande;
Lijnen (historische assen, linten: op de CHW van de provincie Noord-Brabant is de Bredaseweg gekenmerkt als historisch-geografische lijn van zeer hoge waarde.
Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.
4.3.4 Advies
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.
Gelet op de ligging van het plangebied in een oud ven wordt geadviseerd om een dubbelbestemming archeologie in het bestemmingsplan op te nemen, maar voor het voorgenomen initiatief geen archeologisch onderzoek uit te laten voeren.
4.4 Groen en speelruimte
4.4.1 Bomennota Tilburg boomT
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402002.png)
Boomwaardezoneringskaart
Aanwezige bomen op perceel
Op het perceel zijn diverse (voornamelijk) uitheemse bomen in een bostuin aanwezig, zoals Amerikaanse eik, acacia, bamboe en verschillende coniferen. Bij de ontwikkeling van een nieuwe woning zal een aantal van deze bomen moeten worden gekapt. De ontwikkeling vindt voornamelijk plaats ter hoogte van het bestaande huis. Hier zijn hoofdzakelijk boomgroepen van acacia en coniferen te vinden. In het bestemmingsplan is een verbod opgenomen tot het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen zonder schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag. Een dergelijke vergunning kan alleen worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de hierboven genoemde elementen.
4.4.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
4.5 Verkeer en parkeren
4.5.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)
Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:
Algemeen
De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen;
alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.
Autoverkeer
Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde;
voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Sinds 2010 wordt dynamisch verkeersmanagemental ingezet om de doorstroming te optimaliseren.
Parkeren
Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012. Voor de bouw van 1 woning houdt dit in dat er 2,1 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gesitueerd. Hiervoor is op het perceel ruim voldoende ruimte beschikbaar. Het plan voldoet dan ook aan de geldende parkeernormen.
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten
5.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
5.2 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Het plangebied ligt op de grens van het buitengebied in de landgoederenzone. In de omgeving zijn behalve de landerijen nog enkele bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving aanwezig. De afstanden ten opzichte van deze activiteiten is voldoende om te kunnen voldoen aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Er is in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.3 Externe veiligheid
5.3.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
5.3.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In Bijlage 1 Risico inventarisatie en verantwoording externe veiligheid zijn de risicobronnen die relevant zijn (binnen het invloedsgebied liggen) geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de Rijksweg A58 en van het spoortraject Breda - Tilburg. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in bijlage 1.
5.3.3 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;
Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;
Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
5.3.4 Conclusies en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Tilburg-Vught. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie bijlage @ Risico-inventarisatie en verantwoording Landgoederenzone Bredaseweg 5e herziening, Bredaseweg 478). De Brandweer Midden- en West -Brabant heeft d.d. 17 juli 2017 advies uitgebracht. De relevante onderdelen uit dit advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
Er bevinden zich geen PR 10-6-contouren noch plasbrandaandachtsgebieden van risicobronnen binnen het plangebied. Het plaatsgebonden risico en het PAG vormen daarmee geen belemmering;
Aangezien sprake is van bouw van een nieuwe woning op de plek in kwestie zal er geen sprake zijn van een significante toename van het groepsrisico;
De bereikbaarheid van het plangebied is goed;
Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), dit biedt de mogelijkheid de aanwezigen tijdig te waarschuwen;
De aanwezigen kunnen het plangebied via de bestaande infrastructuur goed ontvluchten;
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing;
De brandweer voldoet in het gehele gebied aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
5.4 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
5.4.1 Wegverkeerlawaai
Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft één woning.
Voor deze woning is een akoestisch onderzoek (Bijlage 2 Akoestisch onderzoek dB/a consultants /AR 10.450/2, d.d. 18-9-2017 ) uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor een aantal waarneempunten de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Voor het waarneempunt 01.1 (voorzijde bouwblok) op een waarneemhoogte van
5 meter geldt dat de maximale ontheffingswaarde van 58dB wordt overschreden.
Er zijn maatregelen onderzocht om de geluidbelasting te reduceren. De resultaten staan in het akoestisch onderzoek. Voor de bouw van de woning heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde-besluit genomen. Dit besluit is bij dit bestemmingsplan gevoegd.
5.4.2 Railverkeerlawaai
Het initiatief ligt buiten de zone zoals bedoeld in artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek hoeft te worden ingesteld naar de optredende geluidbelasting t.g.v. railverkeerslawaai en niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder.
5.4.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
5.4.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
5.5 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van één woning. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast wordt er geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) gerealiseerd. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
5.6 Geur
5.6.1 Industriële geur
In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.
5.6.2 Agrarische geur
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
Het bouwplan ligt aan de rand van de bebouwde kom. In het agrarisch gebied zijn nog enkele veehouderijen actief. Om de kunnen bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat is in beginsel een achtergrondberekening nodig van veehouderijen binnen een straal van 2km.
Uit dossieronderzoek blijkt dat er binnen deze afstand nog slechts 3 veehouderijen actief zijn.
De dichtstbijzijnde op een afstand van ruim 900 meter is een manage. De andere twee veehouderijen liggen op grotere afstand en hebben gezien hun schaalgrootte ook nagenoeg geen impact op de achtergrondbelasting. Hierdoor is het woon- en leefklimaat naar verwachting te kwalificeren als zeer goed.
5.7 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Op de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402003.png)
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402004.png)
Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone landbouw en natuur.
Dempingen
Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op locatie geen dempingen hebben gelegen.
Ondergrondse tank.
Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op de locatie een ondergrondse tank aanwezig is.
Conclusie
Omdat van de locatie zelf geen bodemonderzoeken bekend zijn, dient voor het verkrijgen van een bouwvergunning een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
5.8 Natuur en ecologie
5.8.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
5.8.2 Analyse plangebied
Voor de geplande ontwikkeling is een natuuronderzoek en -toets uitgevoerd door BTL Advies B.V. (Natuuronderzoek Bredaseweg 478. 22-3-2017). Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen en conclusies weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag op meer dan 7km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014
Het plangebied ligt voor een klein deel in het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en voor de rest in de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. Binnen de begrenzing van het NNB vinden geen werkzaamheden plaats, negatieve effecten zijn hierdoor niet aan de orde. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan de huidige natuurwaarden in het gebied. Door het uitvoeren van de landschappelijke kwaliteitsverbeteringen, zoals in hoofdstuk 5 van het natuuronderzoek worden beschreven, worden de natuurwaarden van het plangebied verhoogd. De uitvoering van deze maatregelen wordt vastgelegd via de bestemmingsplanregels.
Soortenbescherming
In het gebied zijn begroeiingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen, in de vorm van bomen en struiken. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.
Voor overige soortgroepen geldt dat de ingreep geen verstorend effect heeft, en daarom geen ontheffing vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde is. Voorwaarde is dat nachtelijke werkzaamheden en verlichting wordt voorkomen, om verstoring van vleermuizen (en andere nachtactieve soorten) uit te sluiten.
Conclusie
Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) geldt als voorwaarde dat landschappelijke kwaliteitsverbeteringen worden uitgevoerd, zoals in hoofdstuk 5 van het natuuronderzoek worden beschreven.
Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen;
Nachtelijke werkzaamheden en verlichting van de tuin en het bos wordt voorkomen.
5.8.3 kwaliteitsverbetering landschap
Het plangebied bevindt zich zowel binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) als binnen de groenblauwe mantel. Binnen de begrenzing van NNB vinden geen werkzaamheden plaats. In de groenblauwe mantel zijn ontwikkelingen toegestaan mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan de huidge natuurwaarden van het plangebied. Door het uitvoeren van landschappelijke kwaliteitsverbeteringen worden de natuurwaarden van het plangebied verhoogd.
Om de landschappelijke kwaliteit van het perceel te vergroten wordt het noordelijk deel grenzend aan de Bredaseweg zo ingericht, dat dit deel optimaal aansluit bij de landgoederen in de omgeving. Het zuidelijk deel van het terrein is nu ingericht als bos en dat blijft ook zo. Dit deel van het perceel zal worden verbeterd door het huidige bos stapsgewijs om te vormen naar een meer natuurlijk en soortenrijk bos. De kwaliteitsverbetering bestaat vooral uit het huidige bos soortenrijker maken, inheemse soorten toe te voegen en exoten te verwijderen. Door daarnaast bewust dood hout te laten liggen en meer bloeiende en kruidenrijke vegetatie te ontwikkelen wordt het perceel aantrekkelijker en past het nog beter in het landschap.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402005.png)
Voor een uitgebreide omschrijving van de kwaliteitsverbeteringen van het landschap wordt verwezen naar bijlage 3 'natuuronderzoek Bredaseweg 478 d.d. 22 maart 2017'.
Hoofdstuk 6 Wateraspecten
6.1 Bestaand watersysteem
De ontwikkeling betreft de bouw van een woning aan de Bredaseweg. Hiervoor wordt het bouwblok vergroot.
Tabel 1. Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta |
|
Bruto perceeloppervlakte |
Ca. 10.000m² |
|
Terreinhoogte |
ca. 14,25m+NAP |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
ca. 11,9m+NAP |
|
Ontwateringdiepte |
ca. 2,3m |
|
Bodem |
Sterk lemig, matig fijn zand |
|
Riolering |
Drukriolering voor DWA |
|
Oppervlaktewater |
Geen oppervlaktewater in nabijheid van locatie |
|
Keur beschermde gebieden |
Invloedsgebied Natura 2000. Zie afbeelding 1. |
|
Grondwaterbescherming |
De locatie ligt binnen de boringsvrije zone van drinkwaterwinning Gilzerbaan |
Het plangebied ligt binnen een Keur beschermd gebied. Binnen deze gebieden geldt een antiverdrogingsbeleid. Dit betekent dat er alleen ontwikkelingen plaats mogen vinden onder hydrologisch neutrale omstandigheden.
De locatie ligt ook binnen de boringsvrije zone die de drinkwaterwinning van Brabant Water aan de Gilzerbaan beschermt. In deze gebieden is het behoud van de beschermende kleilaag van belang. Er gelden verbodsregels voor activiteiten zoals boren en graven waardoor de kleilaag beschadigd kan worden. Bijvoorbeeld het aanleggen van een KWO-systeem is hierdoor niet toegestaan.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017022-e001_402006.png)
Afbeelding 1. Keur beschermde gebieden
De referentiesituatie wat de afvoerende oppervlakten betreft is af te leiden van het vigerende bestemmingsplan. In tabel 2 zijn de bestaande afvoeroppervlakten weergegeven.
Tabel 2. Afvoerende oppervlakten in de bestaande referentiesituatie
|
Oppervlakten * |
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) |
Afvoerende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Bouwblok |
190 |
0 |
190 |
|
Overig deel locatie |
9.810 |
0 |
9.810 |
|
Totaal (m²) |
9.180 |
0 |
10.000 |
* Bron: vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is in de bestaande situatie deels verhard. Het regenwater van de verharding wordt op de locatie verwerkt. Het afvalwater wordt samen afgevoerd naar de drukriolering onder de Bredaseweg.
6.2 Beleidskader
Het waterschap De Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan 'Grenzeloos Verbindend' 2016 - 2021 vastgesteld op 14 oktober 2015. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico’s beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Het plan is gericht op het bereiken van de volgende doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020 (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
6.3 Duurzaam watersysteem
De afvoerende oppervlakten in de nieuwe situatie zijn bepaald op basis van de verbeelding. Aangenomen is dat het hele nieuwe bouwblok verhard wordt. De hoeveelheid afvoerende oppervlakte neemt in dat geval toe met 730m².
Tabel 3. Afvoerende oppervlakten in de plansituatie
|
Oppervlakten * |
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) |
Afvoerende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Bouwblok |
920 |
0 |
920 |
|
Overig deel locatie |
9.080 |
0 |
9.080 |
|
Totaal (m²) |
9.080 |
0 |
10.000 |
In de toekomstige situatie moet het DWA, net als in de huidige situatie, aangesloten worden op de drukriolering onder de Bredaseweg. Het regenwater dient, eveneens net als in de huidige situatie, te worden verwerkt op de locatie. Afwentelen van afstromend regenwater op aangrenzende percelen is niet toegestaan. Er vindt geen afstroming plaats van regenwater op de riolering en ook niet op het regionale afwateringssysteem.
De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
voldoende ontwateringdiepte;
de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte;
de vuilwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden richting de bestaande drukriolering;
Het regenwater dient verwerkt te worden binnen het plangebied, zonder dat afstroming plaatsvindt richting de riolering of het regionale watersysteem.
De eventueel nieuwe terreinhoogten binnen het plangebied dienen aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
Bij extreme neerslag is het denkbaar dat afstromend regenwater tijdelijk op het maaiveld blijft liggen. De laag gelegen delen zullen als eerste overstromen. Hiervoor is het van belang dat er rekening wordt gehouden met eventueel overtollig regenwater bij de inrichting van het terrein. Aangeraden wordt de toekomstige vloerpeilen iets hoger aan te leggen dan het omringende terrein. Op deze manier worden hinder en schade zoveel mogelijk beperkt.
Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.
6.4 Watertoets
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Conform deze aanpak kan het watertoetsproces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 7 Opzet planregels
7.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
7.2 Bestemmingen en aanduidingen
In het bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'natuur-landgoed' en 'bos' opgenomen. Deze komen overeen met het bestemmingsplan 'buitengebied landgoederenzone Bredaseweg'. De bestemming 'natuur-landgoed' is bedoeld voor behoud van bos en natuurwaarden. binnen deze bestemming mag 1 woning per perceel worden opgericht. De bestemming 'bos' mag niet worden bebouwd.
Daarnaast ligt over het hele plangebied de dubbelbestemming 'waarde-archeologie'. In bepaalde gevallen dient, alvorens omgevingsvergunning kan worden verleend, onderzoek naar de archeologische waarden van het gebied te worden gedaan.
7.3 Bouw- en gebruiksregels
In de bestemming 'bos' mag niet worden gebouwd. Daarnaast is het verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden, zoals verzetten van grond en het aanleggen of wijzigen van poelen, oppervlaktenwateren en paden en wegen of andere oppervlakteverhardingen, uit te voeren.
Binnen de bestemming 'natuur-landgoed' mag een woning worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 7 meter. Het (op de verbeelding aangegeven) bouwvlak mag voor maximaal 50% worden gebouwd. Een woning mag alleen worden gebouwd wanneer door middel van een landschapsplan inzicht wordt gegeven in de hoofdopzet van woning en inrichting van tuin/erf. Daarnaast mogen bij-, aan- en uitbouwen worden opgericht met een goothoogte van maximaal 3,5m en een bouwhoogte van maximaal 4,5m en een maximale gezamenlijke oppervlakte van 75m2.
Het gebruik van de gronden binnen de bestemming 'natuur-landgoed' voor 'wonen' is pas toegestaan wanneer de landschappelijke inpassing is uitgevoerd en in stand wordt gehouden.
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid
8.1 Uitvoerbaarheid
Op 5 september 2017 is een overeenkomst tegemoetkoming in schade gesloten door gemeente en initiatiefnemer. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer.
Voor de bestemmingsplanherziening zijn leges verschuldigd. De verschuldigde leges zijn inmiddels door de initiatiefnemer voldaan. Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, is het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk en is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.
Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg
9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan 'buitengebied Landgoederenzone Bredaseweg 5e herziening (Bredaseweg 478)' op 14 juli 2017 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het concept-ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het in artikel 3.1.1 Bro genoemde vooroverleg verzonden aan de Provincie Noord Brabant. In haar brief van 26 oktober 2017 heeft de provincie haar reactie gegeven. De provincie geeft aan dat de binnenplanse afwijking ten behoeve van het splitsen van de woning, die in de regels is opgenomen, in strijd is met de Verordening ruimte. Naar aanleiding van deze reactie is deze afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan geschrapt.
9.3 Burgerparticipatie
De initiatiefnemer van deze ontwikkeling heeft contact opgenomen met zijn directe buren die eigenaar zijn van alle grond aangrenzend aan het perceel Bredaseweg 478. Op 9 juli 2017 hebben zij met elkaar gesproken en de bouwplannen verder toegelicht. De concepten en plattegronden zijn positief ontvangen door de buren en er zijn geen verdere op- of aanmerkingen op het plan gemaakt.
9.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeensteming met het bepaalde in artikel 3.8 van de wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 6 november tot en met maandag 18 december 2017. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.