direct naar inhoud van Regels

Buitengebied De Voorste Stroom, 5e herziening (Uitkijktoren De Baars)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2017017-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

1.2 Het plangebied

1.3 Voorgaande plannen

1.4 Ruimtelijke en functionele structuur

1.5 Ontwerp Uitkijktoren

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

2.1 Inleiding

2.2 Rijk

2.3 Provincie

2.4 Gemeente

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders

3.1 Inleiding

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

3.4 Groen en speelruimte

3.5 Verkeer en parkeren

3.5.2 Mobiliteitsaanpak Tilburg

3.5.3 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

3.5.4 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

4.1 Inleiding

4.2 Milieuhinder bedrijven

4.3 Externe veiligheid

4.4 Vuurwerk

4.5 Geluid

4.6 Lucht

4.7 Geur

4.8 Bodem

4.9 Natuur en ecologie

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

5.1 Bestaand watersysteem

5.2 Beleidskader

5.3 Duurzaam watersysteem

5.4 Watertoets

Hoofdstuk 6 Opzet planregels

6.1 Inleiding

6.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

6.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

6.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

6.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en overleg

8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

8.3 Omgevingsdialoog

8.4 Zienswijzen

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Het stadsregionale park Moerenburg-Koningshoeve krijgt een belangrijke impuls via het Vorstelijk Landschap. Dit is een samenwerkingsproject in het kader van de provinciale subsidieregeling 'Landschappen van Allure'. In het subsidievoorstel is midden in het verkeersknooppunt de Baars (A58) een iconische uitkijktoren voorzien als landschappelijke tegenhanger van de naald van Willem II.

 

Om de gewenste uitkijktoren planologisch mogelijk te maken is er een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend. Dit verzoek is ingediend voor de reaisatie van een uitkijktoren aan bij Knooppunt de Baars aan de Eindhovenseweg te Tilburg. Het betreft het perceel sectie D, nr. 2274.

 

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied wordt begrensd door de Eindhovenseweg, A65 en A58 (knooppunt de Baars).

 [image]

luchtfoto plangebied

 

 [image]

Ligging plangebied

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan vervangt een klein gedeelte van het bestemmingsplan Buitengebied De Voorste Stroom, dat is vastgesteld op 14 december 2009 en onherroepelijk is geworden op 27 februari 2010.

Het perceel heeft hierin een bestemming 'Agrarisch met waarden-3' en enkele aanduidingen. Binnen deze bestemming mogen alleen bouwwerken geen gebouw zijnde met een beperkte hoogte worden opgericht. Gebouwen zijn niet toegestaan. Afhankelijk van hoe de uitkijktoren wordt uitgevoerd, kan deze beschouwd worden als gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde. Ook in dit laatste geval past de uitkijktoren niet binnen de toegestane hoogte van het huidige bestemmingsplan. Daarom is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.4 Ruimtelijke en functionele structuur

De uitkijktoren in het knooppunt is gelegen in het stadsregionaal park Koninghoeven-Moerenburg. In de omgevingsvisie van de stad Tilburg (zie ook paragraaf 2.4.1 )zijn de stadsregionale parken aangewezen als belangrijke scharnierpunten tussen stad en land. De parken zijn topprioriteit als het gaat om het vergroten van de gebruiks- en belevingswaarde van groen in de stad. Ieder park heeft zijn eigen signatuur.

 [image]

Afbeelding uit de Omgevingsvisie Tilburg 2040

 

Moerenburg-Koningshoeven is een aantrekkelijk kleinschalig mozaïeklandschap met alle kenmerken van het pre-industriële landschap. Gevarieerd, met recreatieve voorzieningen, boerderijhoeves en andere historische bebouwing. Abdij Koningshoeven is een icoon in het gebied. Op verschillende plekken ontwikkelt de stadslandbouw zich en men kan er wandelen en fietsen. Nieuwe landschapselementen versterken de ecologie in het gebied en maken het landschap aantrekkelijker. Huize Moerenburg is als verwijzing naar het verleden als een stalen folly teruggebracht in het landschap. Boeren en ondernemers ontwikkelen samen het park.

'Sportlanes' verbinden het stadsregionale park met de Piushaven. Stadsregionaal park Moerenburg- Koningshoeven vormt de schakel met Kampina en Oisterwijkse Vennen, als onderdeel van Nationaal Landschap Het Groene Woud.

 

Het stadsregionale park Koningshoeven Moerenburg bestaat uit twee delen. Het noordelijk Moerenburg heeft een meer agrarisch karakter en bevat als opvallende elementen de voormalige waterzuivering en het monument van Huize Moerenburg. Het zuidelijk deel wordt gedomineerd door de abdij Koningshoeven.

 [image] [image]

Functionele opzet Ruimtelijke opzet

 

Locatie

De uitkijktoren is voorzien in het verkeersknooppunt De Baars (A58), tussen de hoofdrijbanen Breda - Eindhoven en Eindhoven - Breda. Voor deze plek is gekozen, omdat de snelweg hier de landschappen van Moerenburg en Koningshoeven heeft doorsneden. Met de toren wordt beoogd de landschappen weer bij elkaar te brengen; een nieuwe stepping stone tussen Moerenburg en Koningshoeven en deze plek een functie te geven.

Daarnaast verwachten we dat een uitzichttoren op deze plek een eyecatcher voor automobilisten, fietsers en wandelaars kan zijn. Het bouwwerk is daarmee meer dan alleen een uitkijktoren.

 

Aan de voet van de toren zijn aanvullende ondergeschikte functies denkbaar, die het gebruik van het gebied en de toren versterken.

1.5 Ontwerp Uitkijktoren

Zoals eerder al beschreven maakt de uitkijktoren onderdeel uit van de bredere subsidieregeling 'Landschappen van Allure'. Voor het ontwerp van de uitkijktoren is gebruik gemaakt van een Open Call. Via deze Open Call wil de gemeente jonge, pas afgestudeerde ontwerper/architecten een kans geven om een spraakmakend werk te maken. De uitgangspunten zijn dat het ontwerp een iconisch werk moet zijn in de vorm van een uitkijktoren die aan ongeveer 10 mensen tegelijkertijd de mogelijkheid biedt om op maximaal 25 meter hoogte de stad en het omliggende (vorstelijk) landschap te aanschouwen.

Na een selectieprocedure zijn er vijf ontwerpen tentoongesteld aan de direct betrokken buurtbewoners en de bezoekers van de Abdij. Daarna zijn de ontwerpen in de bibliotheek van Tilburg getoond aan alle bewoners. Beide groepen hebben naast de gemeente, Rijkswaterstaat en CuPuDo een stem in de uiteindelijke keuze van het ontwerp.

 [image]

 

In oktober is bekend geworden welk ontwerp uitgewerkt zal worden en als uitkijktoren gerealiseerd gaat worden. Ongeveer 1100 mensen hebben hun stem uitgebracht. Met een krappe meerderheid is gekozen voor 'De Lus in het Landschap'. De Nieuwe Herdgang' is als tweede geëindigd. Het ontwerp wordt momenteel verder uitgewerkt.

 

Als locatie waar de uitkijktoren mag komen is het perceel sectie D, nr. 2274 aangewezen. De exacte positionering van de uitkijktoren op dit perceel is op de verbeelding vrij gelaten, zodat het definitieve ontwerp altijd passend zal zijn in het bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

2.2 Rijk

 

2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

2.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.

2.2.3 Duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.

Een uitkijktoren valt niet onder de definitie van een stedelijke ontwikkeling en artikel 3.2.6 Bro is dan ook niet van toepassing.

2.3 Provincie

 

2.3.1 Structuurvisie

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.

 

Inhoud van de Structuurvisie

 
Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

Deel B

In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

 
Uitwerking van de Structuurvisie

De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.

2.3.2 Verordening Ruimte

Provinciale Staten hebben naast de Structuurvisie een Verordening ruimte vastgesteld. Deze wordt regelmatig gewijzigd en aangepast aan nieuw beleid. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.

 

Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

 

Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.

 

Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen.

 

Het perceel waarop de uitkijktoren wordt gebouwd is geheel gelegen in de Groenblauwe mantel. Binnen de Groenblauwe mantel zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, mits deze gunstig zijn voor de natuur- en landschapselementen. Er kan hierbij worden gedacht aan versterking van houtwallen en heggen. Daarnaast is recreatief gebruik en beleving van de natuur en het landschap nabij de stad een element dat hierbij een rol speelt.

 

Op grond van artikel 6.10 van de Verordening ruimte is de vestiging van een niet-agrarische functie toegestaan binnen de groenblauwe mantel mits:

 

In het kader van de regels die de Verordening voorschrijft met betrekking tot kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.2 van de Verordening) zijn er werkafspraken gemaakt. In deze werkafspraken is een indeling in ruimtelijke ontwikkelingen gehanteerd, gebaseerd op de invloed die de beoogde ontwikkeling heeft op de omgeving.

Op basis van deze afspraken valt de Uitkijktoren onder categorie 2. Hiervoor bestaat de kwaliteitsverbetering uit een goede landschappelijke inpassing van de toren in de omgeving.

 

De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling passend is binnen de Groenblauwe Mantel, mits deze gepaard gaan met behoud en versterking van natuur- en landschapswaarden. In het definitief ontwerp van de uitkijktoren wordt ook de landschappelijk inpassing uitgewerkt. Dit leidt tot behoud of versterking van de landschappelijke en ecologische waarde van de plek.

2.4 Gemeente

 

2.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

Specifiek voor dit plan geeft de Omgevingsvisie aan:

Het plangebied is gelegen in het gebied dat is aangewezen als stadsregionaal park Moerenburg-Koningshoeve. Dit stadsregionaal park fungeert als 'scharnierpunt' tussen de stad en de natuurgebieden in de omgeving. Naast Moerenburg-Koningshoeven zijn er nog twee andere stadsregionale parken, namelijk Stadsbos013 en Noord. Elk stadsregionaal park heeft zijn eigen signatuur en zijn topprioriteit als het gaat om het vergroten van de gebruiks- en belevingswaarde. Het zijn geen monofunctionele (natuur)gebieden, maar juist de combinatie met andere (economische) functies zorgen voor extra waarde: multifunctioneel dus. Het gaat niet alleen om de waarde van het groene landschap; er valt ook wat te beleven. Agrarische bedrijven leveren een bijdrage aan een aantrekkelijk en afwisselend landschap waar het goed toeven, wandelen en fietsen is met bijvoorbeeld ommetjes over boerenland, boerderij terrassen en kamperen bij de boer. In de stadsregionale parken kun je terecht voor streekproducten en de (cultuur)historie in het landschap ontdekken. Landelijke woonvormen, recreatiemogelijkheden, groen en water vinden er een plek en versterken de drie stadsregionale parken.

De realisatie van een uitkijktoren is passend in de uitgangspunten die de visie geeft voor het gebied Moerenburg-Koningshoeve.

 

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

3.2.1 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.

Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

3.3.1 Historische geografie

3.3.2 Archeologie

3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

3.3.4 Conclusie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat er geen bezwaar tegen de bouw van een uitkijktoren in verkeersknooppunt De Baars. Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.

Op basis van het door RAAP uitgevoerde archeologische vooronderzoek, de bodemverstoring door de aanleg van de A58 en de te verwachten geringe omvang van de bodemverstoring, is geen verder archeologisch onderzoek noodzakelijk op de planlocatie.

3.4 Groen en speelruimte

 

3.4.1 Bomennota Tilburg boomT

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.

 

 [image]

Boomwaardezoneringskaart

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op een bijlagekaart (boomwaardekaart) bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8m en 15m vanuit het hart van de desbetreffende boom.

3.4.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

3.4.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de

mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

 

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken ne op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

3.5 Verkeer en parkeren

 

3.5.2 Mobiliteitsaanpak Tilburg

 

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

 

3.5.3 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

 

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

3.5.4 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

 

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

 

3.5.1 Verkeer in het plangebied

Het plan ligt in het buitengebied van Tilburg. Het wordt begrensd door de Eindhovenseweg, A65 en A58 (knooppunt de Baars). Het plan ligt buiten de bebouwde kom. Het ligt vlakbij de grens met de Gemeente Drunen.

Het plangebied is alleen te bereiken via de Eindhovenseweg welke geen aparte voorzieningen heeft voor langzaamverkeer. De Eindhovenseweg is een Erftoegangsweg type II buiten de bebouwde kom met een snelheidsregiem van 60km/h. De A65 en A58 zijn stroomwegen met een snelheidsregiem van 130km/h.

Voor het parkeren geldt dat nieuwe ontwikkelingen in dit gebied moeten voldoen aan de, op dat moment, vastgestelde parkeernormen. Afwijkingen daarin kunnen door het college een vrijstelling krijgen.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

 

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

In het bestemmingsplan wordt een bouwmogelijkheid opgenomen om binnen het gebied een uitkijktoren te kunnen maken. Het initiatief is niet milieugevoelig. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.

4.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

 

Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In het bestemmingsplan wordt een mogelijkheid opgenomen om binnen het gebied een uitkijktoren te kunnen realiseren. Uitgangspunt is een uitkijktoren zonder bijbehorende gebouwen met bepaalde functies. Het betreft hier geen verblijfsfunctie noch een bijzonder kwetsbaar object, kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object. Hoewel dit initiatief ligt binnen het invloedsgebied van de A58 en de A65 is de voorziene ontwikkeling van dien aard dat het groepsrisico niet berekend c.q. verantwoord behoeft te worden. Binnen het gebied gelden in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen wel vrijwaringszones-weg. Binnen de aanduiding 'vrijwaringszone weg' mogen geen andere bouwwerken worden gebouwd dan bouwwerken ten behoeve van het wegverkeer. De op de Risicoaart getoonde 'veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen' is onjuist. De door het bevoegd gezag (RWS) ter plekke op de Risicokaart ingetekende weg met PR-contour in incorrect. Deze weg ligt in werkelijkheid meer naar het zuiden dan is aangegeven op de kaart. Een verzoek tot correctie is via de beheerder van de Risicokaart (provincie Noord-Brabant) doorgestuurd naar RWS.

 

Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen zo'n gebied gelden de volgende voorwaarden:

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

 

Conclusies en restrisico

Uitgangspunt is een uitkijktoren zonder bijbehorende gebouwen met bepaalde functies. Het betreft hier geen verblijfsfunctie noch een bijzonder kwetsbaar object, kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object. Hoewel dit initiatief ligt binnen het invloedsgebied van de A58 en de A65 is de voorziene ontwikkeling van dien aard dat het groepsrisico niet berekend c.q. verantwoord behoeft te worden. Met uitzondering van de ruimtelijke beperkingen van de vrijwaringszone-weg gelden geen belemmeringen.

4.4 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.5 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

 

Binnen het plan wordt een uitkijktoren mogelijk gemaakt. Dit is geen geluidgevoelige bestemming.

Verdere toetsing is niet nodig.

4.6 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

Binnen het plan wordt een uitkijktoren mogelijk gemaakt. De toren zal naar verwachting nauwelijks verkeersaantrekkende werking hebben van gemotoriseerd verkeer. Het plan zal "niet in betekenende mate" bijdragen aan de luchtkwaliteit. Verdere toetsing is niet noodzakelijk.

4.7 Geur

Er is geen sprake van een geurgevoelige bestemming. Omliggende (agrarische) bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.

4.8 Bodem

 [image]

Ligging locatie met contouren bodemlocaties en -rapporten SquitXO (perceel sectie D, 2274)

 

Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Op de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld.

 

 [image]

 

 [image]

 

Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszones landbouw en natuur.

 

Binnen het bestemmingsplan gebied is bij de gemeente Tilburg een onderzoek beschikbaar:

'Verkennend bodemonderzoek Torentjeshove te Berkel-Enschot, Tauw Milieu BV, kenmerk R3534448.B02/LB, 31 oktober 1996'. Van de nabije omgeving zijn geen relevante onderzoeken voorhanden.

 

(Voormalig) gebruik

Al voor de 19e eeuw was het perceel in gebruik als grasland (functie landbouw/natuur). De locatie is nu ook nog in gebruik als grasland (bron: Topotijdreis en Infogis).

 

Dempingen

Uit historisch onderzoek is geen informatie naar voren gekomen dat er op locatie dempingen hebben gelegen.

 

Ondergrondse tanks

Op de locatie hebben in het verleden geen ondergrondse tanks gelegen.

 

Conclusie

Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de gronden ongeschikt zijn voor gebruik recreatie en de beoogde doeleinden (extensieve) recreatie en recreatieve voorzieningen. Daarmee zijn ze geschikt voor de beoogde bestemming.

 

Het verkennend bodemonderzoek uit 1996 is niet geschikt voor verlening van een omgevingsvergunning (bouwen). Voor de omgevingsvergunning zal uitvoering van een nieuw bodemonderzoek nodig zijn.

 

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.9 Natuur en ecologie

Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Analyse plangebied

 

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Oisterwijkse Vennen & Kampina op 1,1km van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

 

Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur), zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ca. 200m van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling redelijkerwijs uit te sluiten.

 

Het plangebied ligt geheel binnen de Groenblauwe Mantel zoals vastgelegd in de Verordening Ruimte. Ruimtelijke ontwikkelingen zoals de aanleg van recreatieve voorzieningen zijn mogelijk binnen de Groenblauwe Mantel, mits deze gepaard gaan met een versterking van natuur- en landschapswaarden. De huidige waarden bestaan uit houtsingels en overhoekjes, die van waarde zijn voor struweelvogels en kleine zoogdieren, en uit bloemrijke vegetaties van relatief schrale omstandigheden.

 

De ontwikkeling is passend binnen de Groenblauwe Mantel, mits deze gepaard gaan met een versterking van natuur- en landschapswaarden. De aanleg van de uitkijktoren gepaard te laten gaan met herstel en aanleg van landschapselementen ter plaatse, zoals houtsingels en hagen. Bij de uitwerking van het definitief ontwerp van de uitkijktoren wordt ook de inrichting van het landschap rondom de toren meegenomen zodat de natuur- en landschapswaarden versterkt worden.

 

Soortenbescherming

Volgens de NDFF vormt het plangebied leefgebied van diverse algemene en minder algemene bos- en struweelvogels, zoals boomkruiper, zanglijster, grasmus, tuinfluiter, zwartkop, spotvogel en torenvalk. Daarnaast zijn er waarnemingen van gewone dwergvleermuis (foeragerend) en bunzing (aangereden). In een nabijgelegen berm ten oosten van het plangebied komt de Rode-lijst plantensoort gewone vleugeltjesbloem voor, in een nabijgelegen greppel komt de Rode-lijst plantensoort dubbelloof voor. Het voorkomen van beschermde of bedreigde plantensoorten in het plangebied is op basis van een veldbezoek (3 juli 2017) met voldoende zekerheid uitgesloten.

De ruimtelijke impact van de uitkijktoren is zeer gering. Door de landschapsversterkende maatregelen kan er vanuit worden gegaan dat er netto geen negatief effect is op het leefgebied van de genoemde soorten (mits de aanwezige houtsingels behouden blijven). Wel dient bij de aanlegwerkzaamheden rekening gehouden te worden met broedvogels.

In het gebied zijn struweel- en zoomvegetaties aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.

 

Conclusie

De ontwikkeling is passend binnen de Groenblauwe Mantel, mits deze gepaard gaan met een versterking van natuur- en landschapswaarden. De aanleg van de uitkijktoren gepaard te laten gaan met herstel en aanleg van landschapselementen ter plaatse, zoals houtsingels en hagen. Bij de uitwerking van het definitief ontwerp van de uitkijktoren wordt ook de inrichting van het landschap rondom de toren meegenomen zodat de natuur- en landschapswaarden versterkt worden.

 

Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.

 

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

 

5.1 Bestaand watersysteem

Het Tilburgs stedelijke watersysteem is omschreven in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2019. De gebiedskenmerken van dit plangebied zijn weergegeven in tabel 1.

 

Tabel 1. Gebiedskenmerken

Kenmerk

In plangebied

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg

Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel

Oppervlaktewater: waterschap De Dommel

Bruto oppervlakte planlocatie

Perceel: ca. 14.000m²

Terreinhoogte

Ca. 10,4 tot 10,6m +NAP

Ontwateringdiepte

< 0,4m (grondwatertrap III, bron: grondwaterkaart van Nederland)

Bodem

Zandige beekdalgronden en veldpodzolgronden (bron: bodemkaart van Nederland)

Riolering

Niet aanwezig

Afkoppelgebied

Niet van toepassing

Oppervlaktewater

Direct ten westen van de locatie ligt een A-watergang.

(code waterschap NL26)

Keur beschermde gebieden

Niet relevant

 

5.2 Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020 (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Duurzaam watersysteem

De grootte van het toekomstige verharde oppervlak is nog niet bekend. Het ontwerp van de uitkijktoren is ten tijde van het opstellen van deze waterparagraaf nog niet gereed. In de huidige situatie is het terrein geheel onverhard. De realisatie zal dan ook een toename van het verharde oppervlak betekenen. De toename van verhard oppervlak zal beperkt zijn en ruim onder de grens van 2.000m2 liggen waarboven een uitgebreidere watertoets nodig is.

 

De gemiddeld hoogste grondwaterstand op de locatie ligt minder dan 40cm beneden maaiveld. Ook de oppervlaktewaterstanden in de A-watergang ten westen van de locatie zijn naar verwachting hoog. Bij extreme neerslag zal het watersysteem ontoereikend zijn en kunnen de waterpeilen stijgen tot boven maaiveld. Hiermee moet rekening gehouden worden tijdens het ontwerp van de uitkijktoren.

 

Het regenwater dat afkomstig is van de uitkijktoren mag niet direct worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het zal op maaiveld moeten infiltreren.

 

Bij de inrichting, bouw en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits, 1. schoonhouden 2. scheiden 3. zuiveren, dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen). Er mogen geen uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood worden toegepast.

5.4 Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Conform deze aanpak kan het watertoetsproces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan. Op 9 januari 2018 heeft waterschap De Dommel een positief advies gegeven.

 

Hoofdstuk 6 Opzet planregels

 

6.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.

6.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.

Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.

In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.

Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2.2 Bouwhoogte

De maximale bouwhoogte van de uitkijktoren bedraagt 25 meter.

6.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.

In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

 

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels

Vaak geeft het plan het college de bevoegdheid om afwijking van de bouwregels toe te staan.

 

Gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

 

Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

Soms is een bestemmingsartikel is aangevuld met een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde (denk bijvoorbeeld aan graafwerkzaamheden).

 

Wijzigingsbevoegdheid

Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.

6.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

 

Anti-dubbeltelregel

Artikel 4 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

 

Algemene bouwregels

Artikel 5 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.

 

Algemene gebruiksregels

In artikel 6 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.

 

Algemene aanduidingsregels

In artikel 7 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.

 

Algemene afwijkingsregels

Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 8.

 

Algemene wijzigingsregels

Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 9.

 

Overige regels

Burgemeester en wethouders zijn middels artikel 11 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.

6.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

 

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit bestemmingsplan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.

 

Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Voor de uitvoering van het project is budget beschikbaar vanuit gemeentelijke middelen en de Subsidiebeschikking Landschappen van Allure.

Eventuele uitkeringen tegemoetkomingen in (plan)schade zullen ten laste komen van de reguliere grondexploitatie, aangezien er binnen het project geen middelen voor gereserveerd zijn.

Gelet op voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

 

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en overleg

 

8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 14 juli 2017 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het conceptbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties:

 

Instantie

Datum verzending

Datum ontvangst reactie

Opmerkingen?

Provincie Noord-Brabant Directie ROH

25-09-2017

25-09-2017

De provincie geeft als volgt aan:

In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft u het e-formulier ingevuld.

Wij hebben ons beperkt tot de vraag hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot de provinciale belangen die op basis van het provinciaal ruimtelijk beleid relevant

zijn.

Het door u ingevulde formulier over de in het voorontwerp betrokken ruimtelijke aspecten geeft ons geen aanleiding tot het maken van opermerkingen. U kunt het

wettelijk vooroverleg dan ook als afgerond beschouwen.

Ministerie van I&M, Rijkswaterstaat Noord-Brabant, Afdeling IPA

25-09-2017

6-10-2017

Het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen

 

Hieronder worden de overleg reacties met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van Burgemeester en wethouders wordt vermeld.

8.3 Omgevingsdialoog

Op 29 augustus 2017 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een informatieavond gehouden in café Zomerlust. Tijdens deze informatieavond zijn meerdere plannen in het gebied Moerenburg-Koningshoeven gepresenteerd aan bewoners in het gebied, de Abdij en andere belangengroepen zoals de werkgroep Moerenburg. Er waren ongeveer 50 personen aanwezig, waarbij nagenoeg iedere betrokken partij vertegenwoordigd was. Op de informatieavond is ook een toelichting gegeven over het plan voor de uitkijktoren en daarbij is tevens de aard en het doel van het bestemmingsplan ter sprake gekomen. Aan de aanwezigen is gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Er zijn vragen gesteld over de betrokkenheid van de buurt/omwonenden in het traject over de besluitvorming over de uitkijktoren en vragen over beheer en veiligheid van de toren en het terrein.

Al in een eerder stadium zijn er gesprekken gevoerd met verschillende partners en wijkraden in het gebied en is er een folder gemaakt over de projecten in het kader van het Vorstelijk Landschap. Hierin is ook uitkijktoren opgenomen. Ook op de site van de buurtraad Armhoefse Akkers en Moerenburg.info zijn berichten geplaatst over de komst van de uitkijktoren.

8.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 11 december 2017 tot en met 22 januari 2018. Tijdens deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.

N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober)

 

ZIENSWIJZEN 1: BEWONER TWENTESTRAAT

De zienswijze van deze bewoner is gericht op het idee om licht aan te brengen op de Lus in het landschap. Reclamant is van mening dat het verlichten van het object ecologische schade veroorzaakt. Nachtverlichting van het object zou het biologische dag- en nachtritme van de dieren beïnvloeden, daarnaast zou verlichting ook de groei van planten verstoren en ook de achteruitgang van de nachtvlinder veroorzaken.

 

STANDPUNT GEMEENTE

Uit de zienswijzen begrijpen wij dat deze bewoner vreest voor met name nachtverlichting in/of de uitkijktoren. In de toelichting van het bestemmingsplan waarop deze reactie is ingediend, komt geen verlichtingsplan voor. In december 2017 heeft er een artikel gestaan in het Brabants Dagblad waarin de Omgevingscommissie Tilburg heeft aangegeven dat zij het mooi zouden vinden als de toren in de avonduren verlicht kan worden. Uit contact met de indiener van de zienswijzen blijkt dat dit artikel aanleiding gaf voor het indienen van de reactie.

 

Momenteel wordt het ontwerp van de uitkijktoren verder uitgewerkt en daarbij zal de wenselijkheid en haalbaarheid van eventuele verlichting worden onderzocht. Bij de afweging of er al dan niet verlichting komt in of op de toren zullen, naast bijvoorbeeld aspecten als verkeersveiligheid en budget die een rol spelen, ook zeker het aspect ecologie een afwegingspunt zijn. Uiteindelijk zal bij het verlenen van de omgevingsvergunning het besluit over de verlichting worden genomen. Deze omgevingsvergunning staat ook open voor bezwaar en beroep.

 

CONCLUSIE

De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

 

ZIENSWIJZEN 2: BEWONER SPOORLAAN

De reactie van deze bewoner richt zich op het verlichtingsplan in de Lus; dag- en nachtverlichting. Dit is een aantasting van de natuur (verpretparking).

 

STANDPUNT GEMEENTE

Zie voor het standpunt van de gemeente ook de beantwoording van de zienswijze onder 1. Zoals is aangegeven is het idee voor eventuele verlichting geopperd door de Omgevingscommissie Tilburg. Een verlichtingsplan bestaat op dit moment nog niet en momenteel wordt de wenselijkheid en de haalbaarheid hiervan nog onderzocht. De toren is gelegen in het buitengebied en de gevolgen van eventuele verlichting voor de natuur zal indien blijkt dat die wenselijk is, in beeld worden gebracht en mee worden gewogen.

 

CONCLUSIE

De zienswijzen is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.