Zand 2008, 5e herziening (Reitse Hoevenstraat)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
3.6.3 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
6.2 Bestemmingen en aanduidingen
Hoofdstuk 8 Burgerparticipatie en overleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van een woongebouw met 80 tot 90 appartementen in het sociale segment aan de Reitse Hoevenstraat te Tilburg. Het betreft het perceel sectie O, nr. 5018. Op de locatie aan de Reitse Hoevenstraat is nu het Vakcollege gelegen. Deze school verhuist in 2017 naar onderwijsgebied Stappegoor. De locatie wordt in 2 gedeelten herontwikkeld. Op dit gedeelte wordt in het kader van de Taskforce Betaalbaar Wonen herontwikkeld ten behoeve van gestapeld wonen.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
Task force betaalbaar Wonen
De afgelopen jaren is de druk op de woningmarkt toegenomen, vooral voor degenen die op zoek zijn naar een betaalbare woning. Om verschillende redenen neemt de behoefte aan woningen in het goedkope segment toe. In het convenant dat de gemeente Tilburg met de corporaties heeft gesloten voor de periode 2015-2020 (Convenant Wonen) is opgenomen dat partijen in deze periode de ambitie hebben om 800 woningen in het betaalbare segment toe te voegen. Hiervoor is de Taskforce Betaalbaar Wonen opgericht. Hiervoor is de Taskforce Betaalbaar Wonen opgericht. Op 12 januari 2016 heeft het college besloten om de locatie Reitse Hoevenstraat aan te bieden voor ontwikkeling binnen de Taskforce. Vervolgens heeft de Stuurgroep Convenant Wonen op 25 februari 2016 besloten om deze locatie binnen de eerste convenant periode (2015-2018) te willen gaan ontwikkelen.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat een perceel op de hoek van de Reitse Hoevenstraat en de Lage Witsiebaan, ter plaatse van het huidige Vakcollege.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402000.png)
Daarbij is sprake van twee deelgebieden. De westzijde van het terrein zal in het kader van de Taskforce Betaalbaar Wonen herontwikkeld worden ten behoeve van gestapeld wonen. De oostzijde van het terrein zal ontwikkeld worden ten behoeve van de nu nog aan het Bernardusplein gevestigde Aldi en andere winkels. De (winkel-) plint aan het Bernardusplein zal herontwikkeld worden ten behoeve van woningbouw. Dit laatste valt echter buiten het bestek van dit bestemmingsplan.
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan 'Zand 2008' dat op 27 mei 2009 onherroepelijk is geworden. In dit bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'maatschappelijk'. Wonen past niet in deze bestemming.
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur
Het totale plangebied maakt onderdeel uit van een zowel in functioneel als ruimtelijk opzicht bijzondere zone die is gelegen tussen Ringbaan West, spoorlijn, Reitse Hoevenstraat en Ruckertbaan. In het verleden werd deze zone "De Groene Long" genoemd. In functioneel opzicht wordt deze zone gekenmerkt door veel niet-woonfuncties, waaronder onderwijs. In ruimtelijk opzicht wordt deze zone gekenmerkt door losse bouwblokken in de (al dan niet groene) ruimte. Hierdoor onderscheidt de stedenbouwkundige identiteit in deze zone zich bijvoorbeeld van die in de westelijk van de Reitse Hoevenstraat gelegen delen van de wijk, waar meer sprake is van een klassiek stratenpatroon. Bij de herontwikkeling van het plangebied is het beschreven ruimtelijke karakter met losse bouwblokken in de ruimte uitgangspunt. In het westelijke deel van het plangebied wordt dit vertaald in een carré met gestapelde woningen met een collectief binnenterrein. In het oostelijk deel van het gebied wordt dit vertaald in twee winkelblokken, waarvan één blok de Aldi betreft en het andere blok de overige winkels, e.e.a. georganiseerd rond het parkeerterrein.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402001.png)
Een ander belangrijk ruimtelijk gegeven betreft de grote bomen en struiken langs de Reitse Hoevenstraat, de Lage Witsie Baan en de Ringbaan West. Deze bomen blijven behouden en vormen een krachtige groene rand rond het plangebied. Daarbinnen ligt een min of meer open "kamer" waarin de nieuwe bebouwing en nieuwe verhardingen geprojecteerd worden, op voldoende afstand van de bomen, e.e.a. conform de uitgangspunten van de BoomEffectAnalyse. Ook op de noordelijke grens staat een aantal bomen die behouden blijven.
Het westelijke plandeel, met de gestapelde woningbouw, wordt ontsloten vanaf de Lage Witsiebaan en vanaf de Reitse Hoevenstraat. Beide zijn wijkontsluitende wegen, die aantakken op het stedelijke hoofdwegennet. Daarbij dient opgemerkt te worden dat in de Reitse Hoevenstraat in de toekomst een snelfietsroute aangelegd zal worden, waardoor de straat éénrichtingsverkeer wordt.
Het oostelijk plandeel, met de Aldi en de overige winkels, wordt uitsluitend ontsloten vanaf de Lage Witsiebaan. Hierbij is sprake van twee inritten. De oostelijke inrit ontsluit het parkeerterrein van voor de bezoekers. Ook de vrachtwagens die de supermarkt bevoorraden maken gebruik van deze inrit. De bevoorrading van de supermarkt en het draaien van devrachtwagens vindt aan de noordzijde van het plangebied plaats, waardoor dit zo veel mogelijk gescheiden is van het bezoekersverkeer. De westelijke inrit is met name voor de bevoorrading van de kleinere winkels bedoeld. De vrachtwagens die de supermarkt bevoorraden maken hier geen gebruik van, om te voorkomen dat er te veel overlast ontstaat voor de toekomstige bewoners van geplande woningblok in het westelijk plandeel.
Om sluipverkeer door het toekomstige woonmilieu te voorkomen, komt er geen verbinding voor autoverkeer tussen het westelijke en oostelijke plandeel.
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.
2.1 Rijk
2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.
2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.
In paragraaf 3.4 van deze toelichting wordt nader ingegaan op het zorgvuldig ruimtegebruik en de Ladder voor Duurzame verstedelijking.
2.2 Provincie
2.2.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. Belangrijke onderwerpen zijn de realisatie van natuur en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Brabant.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
2.2.2 Verordening ruimte
Provinciale Staten hebben naast de Structuurvisie een Verordening ruimte vastgesteld. Deze wordt regelmatig gewijzigd en aangepast aan nieuw beleid. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
ruimtelijke kwaliteit;
stedelijke ontwikkelingen;
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
overige ontwikkelingen in het buitengebied.
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen.
Toets aan verordening ruimte
Dit bestemmingsplan is gelegen in het bestaand stedelijk gebied en de voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
2.3 Gemeente
2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
Wonen in de omgevingsvisie
Een aantrekkelijke centrumgemeente biedt zowel aantrekkelijke stedelijke woonmilieus als groene en landelijke woonmilieus in de dorpen en kleine gemeenten eromheen. De diversiteit aan woonmilieus maakt doorstroming op de woningmarkt mogelijk en biedt mogelijkheden voor het maken van een wooncarrière. Een compleet aanbod biedt voor ieder wat wils. De werking van de woningmarkt overstijgt de grenzen van de gemeenten en is, net als de arbeidsmarkt en de voorzieningenstructuur, regionaal. In de regio Hart van Brabant maakt Tilburg daarom kwantitatieve én kwalitatieve afspraken over de woningbouwprogrammering.
Ook de individualisering werkt door in de woningbehoefte. Enerzijds door de woonverdunning; anderzijds door de kritische consument, die steeds hogere eisen stelt aan de woon- en leefomgeving. Nieuwbouw moet aansluiten op specifieke wensen van consumenten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om woonmilieudifferentiatie, meer mogelijkheden voor zelfbouw en het toevoegen van specifieke niches in (ontbrekende) woonsegmenten (zoals landelijk wonen). In de woningbouw is er meer ruimte voor flexibele, aanpasbare woonconcepten, een flexibele
woninginrichting, en tijdelijk gebruik. De kansen en opgaven verschillen per wijk en vragen om maatwerk. Voor een deel wordt dit bepaald door de mensen die in deze wijken en buurten wonen; mensen hebben verschillende drijfveren en behoeften op basis waarvan zij hun directe woonomgeving beoordelen en waarderen. Dit komt tot uiting in verschillende woonmilieuvoorkeuren, leefstijlen en woonwerelden.
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
3.2.1 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.
Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.
Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
3.3.1 Historische geografie
Het plangebied bevindt zich op het westelijke deel van de hoge gronden waarop de verschillende nederzettingen van Tilburg lagen. Verder naar het westen lage de woeste gronden van Het Groot Goor (het Grote Moeras). Evenwijdig aan de oostgrens en langs de nederzetting de Hoeven liep de beek Zoe of Sloprijt die ontsprong nabij het gehucht Zand in het westen van het plangebied. Langs de zuidgrens stroomde De Werft die naar het westen stroomde. Het westelijke deel van het plangebied bleef tot ver in de negentiende eeuw onontgonnen en werd toen pas beplant met naaldbossen. Het oostelijke deel van het plangebied maakte deel uit van de akkers rond de nederzettingen De Hoeven en Hasselt. Hasselt is waarschijnlijk een zeer oude nederzetting (vroege Middeleeuwen of eerder). De nederzetting De Hoeven (vermeld 1316) lag langs de Reitse Hoevenstraat. Belangrijkste gebouw in De Hoeven was de tiendschuur van de abdij van Tongerlo, beter bekend als Tongerlose Hoef. Tussen Hasselt en De Hoeven lag het gebied Die Tetenbraek dat pas in de veertiende eeuw werd ontgonnen. Overigens zijn er aanwijzingen dat langs de westgrens van het plangebied al eerder sprake is geweest van bewoning gezien de vondst van een urn uit de ijzertijd In het zuiden van De Hoeven lagen Bokhamer en Herstal die beide aan het begin van de vijftiende eeuw werden vermeld. In het westen, op de rand van de ontginningen en de overgang naar de woeste gronden, lag het gehucht Zand of ’t Sant. Het vormde de meest westelijke bewoning van het toenmalige Tilburg. De belangrijkste infrastructuur werd gevormd door de Reitse Hoevenstraat (De Hoeven) die evenwijdig aan de oostgrens van het plangebied loopt. Naar het noordoosten liep de route richting Dongen.
Tot ver in de twintigste eeuw bleef het alleen het oostelijke deel van het plangebied een overwegend agrarisch gebied met bebouwing voornamelijk langs de Reitse Hoevenstraat. In het westen werden vanaf de negentiende eeuw naaldbossen aangeplant op de heidegronden. Na de Tweede Wereldoorlog onderging het een gebied een grote verandering met de aanleg van de woonwijk Het Zand en de uitvoering van het uitbreidingsplan Hasselt. Daarbij ging de oude structuur van het gebied geheel verloren en verdwenen ook de oude gehuchten en nederzettingen. Alleen van Bokhamer-Herstal. De Hoeven en Hasselt zijn als restanten bewaard gebleven.
De huidige wijk Het Zand is als twee partiële uitbreidingsplannen ontworpen door de afdeling Stadsuitbreiding van de Dienst Publieke Werken. Deze plannen, uitwerkingen van het in 1953 vastgestelde werden vastgesteld en goedgekeurd in de periode 1957-1959. De wijk werd gerealiseerd in de daaropvolgende jaren.
Het Zand diende als één groot wijkcentrum waarmee ook de aangrenzende wijken Wandelbos en De Reit bediend konden worden. In de wijk was ruimte voor drie rooms-katholieke parochies. De ruim opgezette hoofdstructuur van de wijk sluit aan op het Ringbanenstelsel.
3.3.2 Archeologie
AMK: in het plangebied is geen terrein gelegen dat opgenomen is op de Archeologische Monumenten Kaart.
Het plangebied Het Zand heeft op de Archeologische Waarschuwingskaart van Tilburg (ARWATI), vanwege de ligging op een relatief hooggelegen dekzandrug, deels een hoge archeologische verwachtingswaarde. Het betreft het oostelijke deel waar zich ook de nederzettingen bevonden. Deze verwachting geeft echter een historische situatie weer, waarbij geen rekening is gehouden met moderne en submoderne verstoringen waarmee de snelle urbanisatie van het plangebied in de twintigste eeuw gepaard is gegaan. Bij de aanleg van de wijk Het Zand en de uitvoering van het uitbreidingsplan Hasselt zullen delen van het plangebied zijn geëgaliseerd en/of afgegraven (funderingen), waardoor de kans op archeologische waarden sterk is verminderd of zelfs geheel is verdwenen. Deze delen van het plangebied hebben daardoor een lagere archeologische verwachting.
Bij door Fontys Hogescholen/Bilan in 2007 verricht archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek (Tilburg – Zand, Van Hoge Mart tot Stobblek. 1572-3194-2007) is aan de reeds bebouwde delen van het plangebied geen tot een lage archeologische verwachting toegekend. De onbebouwde delen van het plangebied kregen een middelhoge tot hoge verwachtingswaarde mee.
In het bestemmingsplan Zand liggen verder geen terreinen van bijzondere archeologische trefkans of waarde, waarvoor wordt aanbevolen om deze als primaire bestemming archeologie te geven en waarbij voor wijzigingen aan de bestemming een aanlegvergunning vereist is.
Het plan voor de supermarkt zal gerealiseerd worden op een terrein waarop zich een deel van een schoolgebouw bevindt maar zal ook nieuwe bodemverstoring met zich meebrengen.
Iets ten noorden van het plangebied is in 2016 archeologisch onderzoek uitgevoerd door BAAC; Tilburg Plangebied Reitse Hoevenstraat 6, Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase), BAAC Rapport V-16.0060, juni 2016.
Op basis van dit onderzoek mag geconcludeerd worden dat de archeologische verwachting middelhoog is voor de late middeleeuwen B tot en met de nieuwe tijd voor de zone direct langs de Reitse Hoevenstraat, en laag in de achterliggende delen. De bodemverstoring vindt plaats in het gebied met een lage archeologische verwachting.
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen
Objecten; in of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich op grond van de Monumentenwet 1988 of de gemeentelijke monumentenverordening geen beschermde monumenten of bebouwing uit de periode 1850-1940. Ten zuidwesten van het plangebied is het complex van de Tongerlose Hoef gelegen. Dit is een in oorsprong zeventiende-eeuws boerderijcomplex dat in het begin van de jaren zeventig van de twintigste eeuw grotendeels gereconstrueerd is. Het complex staat op de rijkslijst van beschermde monumenten.
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de eveneens als rijksmonument aangewezen Oliemeulen, een in oorsprong zeventiende-eeuwse boerderij die al enkele decennia benut wordt als kleinschalige dierentuin.
Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek door STOA uit 2005 als basis. De volgende waardevolle en/of kenmerkende naoorlogse objecten bevinden zich in Het Zand: Redemptoristenstraat, Reitse Hoevenstraat, galerijflats, Predikherenlaan: portiek- en galerijflats met garages, Karmelietenstraat 45: wijkgebouw voor Zuid-Molukkers, Lage Witsiebaan 91: Sint-Lucaskerk, Beneluxlaan 74: voormalige H. Pastoor van Arskerk, Dr Deelenlaan 5; Tweesteden Ziekenhuis.
Structuren; het plangebied werd tot ver in de twintigste eeuw doorkruist door een aantal wegen en paden, dat mogelijk teruggaat op een zeer oud padenpatroon. Bij de aanleg van de wijk Het Zand is een groot deel van het netwerk van wegen en paden verloren gegaan. Het tracé van enkele van deze wegen en paden is echter nog deels herkenbaar in het huidige wegenpatroon: Reitse Hoevenstraat – Bokhamerstraat – Hasseltplein.
Uit de periode 1940-1970 zijn de volgende kenmerken van bovengemiddelde waarde in het plangebied bewaard gebleven: het hiërarchische stratenpatroon bestaande uit een samenhangend netwerk aan stedelijke hoofdroutes (Rueckertbaan, Taxandriëbaan) en wijkontsluitingen (Lage Witsiebaan, Baden Powellaan/Westerpark, Wandelboslaan, Postelse Hoeflaan en Statenlaan).
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant 2006 bevinden zich in de wijk de volgende historisch geografisch waardevolle vlakken en lijnen in de wijk; Hasseltplein: laatste restant van de herdgang Hasselt. De Reitse Hoevenstraat en het complex van de Tongerlose Hoef. Woonwijk Cornelius Wittestraat; groep van 44 Maycrete-noodwoningen. Spoorlijn Tilburg-Breda.
3.3.4 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.
Vanwege de middelhoge verwachting is nader archeologisch onderzoek in het kader van het bestemmingsplan noodzakelijk. Op dit ogenblik wordt door de firma BAAC een proefsleuvenonderzoek voorbereid.
3.4 Volkshuisvesting
3.4.1 Zorgvuldig ruimtegebruik
Conform Artikel 2.1 en 3.3 van de provinciale Verordening Ruimte dient een verantwoording opgenomen te worden hoe de planontwikkeling zorgt voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit, in het bijzonder beantwoordt aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Hierna wordt ingegaan op zorgvuldig ruimtegebruik.
De gemeente Tilburg maakt samen met zeven andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio maken de gemeenten jaarlijks in het "Regionaal Ruimtelijk Overleg" / RRO samen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit 2014. In de planperiode 2016-2026 bedraagt de bouwopgave voor Tilburg circa 9.700 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudenverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Wanneer en waar nodig worden er regionaal ook kwalitatieve afspraken gemaakt, getuige de afspraak waarbij Tilburg van de eigen opgave 730 woningen beschikbaar stelt aan een drietal buurgemeenten ter verwezenlijking van hun programmadoelen tot 2019.
Zeker tot omstreeks 2030 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld zo’n 1.000 woningen per jaar, dit gecorrigeerd voor circa 200 won./jr. sloop. Echter, de effectieve vraag –uitgeoefend door de woonconsument– ondervindt nog wat na-ijleffecten van de crisis, in verband waarmee een gemeentelijke bouwprogramma van gemiddeld 850 woningen per jaar tot 2020 wordt aangehouden.
Hiermee is de regionale behoefte aangetoond en wordt voldaan aan de eerste trede van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6. Bro).
3.4.2 Woonvisie en Kwalitatief WoningBehoefteOnderzoek KWBO
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de Woonvisie is aangegeven dat –ondanks accentverschuiving naar de bestaande woningvoorraad– de nieuwbouwopgave voor Tilburg nog steeds een belangrijk thema is, gegeven de natuurlijke aanwas, gezinsverdunning en immigratie.
Centraal in de Woonvisie Tilburg –met de horizon op 2020– staat de gemeentelijke opgave te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus als basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, zodat zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen en trends (w.o. demografie, individualisering, zelfredzaamheid & betaalbaarheid, identiteit/ beleving); dit geldt zowel de woning als de woonomgeving/woonmilieu.
De woningbouwopgave die Tilburg in voornoemde context heeft, kan en wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Echter de omvang van de bouwopgave, maar meer nog de kwalitatieve samenstelling daarvan (o.m. woonmilieudifferentiatie), maakt het soms nodig ons ook te oriënteren op locaties buiten het bestaand stedelijk gebied. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften c.q. klantvraag wordt gebruik gemaakt van een woonmilieutypologie. Hierbij wordt, naar analogie van de rijksoverheid, onderscheid gemaakt in vijf woonmilieus: Centrum-Stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-Stedelijk, (Centrum-)Dorps en Landelijk), waarbij –in deze volgorde– sprake is van een afnemende woningdichtheid en nabijheid c.q. toegang tot voorzieningen, respectievelijk (OV-)bereikbaarheid. Deze indeling wordt waar nodig binnengemeentelijk verbijzonderd en/of verbonden met leefstijlkenmerken van bewoners.
De planlocatie Reitse Hoevenstraat ligt in bestaand stedelijk gebied. Het bouwplan, uitgaande van 70 appartementen en 10 grondgebonden woningen, is een duidelijk voorbeeld van binnenstedelijke (her)ontwikkeling, c.q. verdichting stedelijk gebied. In het plan is zo rekening gehouden met de woonmilieu(differentiatie)opgave, in dit geval het voorzien in de vraag naar stedelijk wonen, ofwel (gestapeld) wonen in vrij hoge dichtheid, veel functiemenging met (groot-)stedelijke voorzieningen, ruimtelijke complexiteit, en een combinatie van sterke nabijheid en bereikbaarheid.
Het periodieke Kwalitatief WoningBehoefteOnderzoek/KWBO (elke vier jaar, meest recent 2012) toont de behoefte aan het stedelijk woonmilieu onmiskenbaar aan. Zo blijkt de woonvoorkeur onder de verhuisgeneigde Tilburgers in ruim 20% van de gevallen uit te gaan naar een (centrum-)stedelijk woonmilieu, waarmee burgers met specifieke leefstijlen beter worden bediend. Tot 2025 betreft dat een woningvraag van zo'n 2.200 woningen in dit woonmilieutype.
Met het vorenstaande is ook de vraag met betrekking tot trede-2 van de Ladder beantwoord, namelijk de vraag of (een deel van) de regionale behoefte op te vangen is binnen bestaand stedelijk gebied.
3.4.3 Woonkwaliteiten
Naast woonmilieudifferentiatie is meer variatie in het aanbod van nieuwbouwwoningen geboden. Enerzijds komt dit voort uit de maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering, ontgroening & vergrijzing, anderzijds heeft dit te maken met de verander(en)de klantvraag, die ook steeds kwalitatiever van aard is. Aspecten waarop met name lokaal sturing plaatsvindt, zijn het aandeel appartementen in bouwplannen, het aandeel goedkope huurwoningen, de beschikbaarheid van kavels voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw, de levensloopbestendigheid van de nieuwbouw en het voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW).
a. Leefstijl / "woonwereld"
Het KWBO biedt inzicht in de zgn. "harde" kenmerken (i.c. huishoudens- en woningkenmerken, verhuisplannen enz.). Complementair levert het leefstijlonderzoek van SmartAgent (2013) informatie over de drijfveren van mensen in het gedrag dat zij vertonen en de keuzes die zij maken, oftewel inzicht in de normen/waarden- en belevingsaspecten (de "zachte" kant) van burgers op de woningmarkt.
Samen bieden beide onderzoeken aanknopingspunten voor doelgroep-segmentatie/-specialisatie, uitmondend in zgn. "woonwerelden". Hiermee kunnen omgevings-/locatiekenmerken en consumentenvraag optimaal op elkaar worden afgestemd in het te ontwikkelen woonproduct(gamma).
Het bouwplan aan de Reitse Hoevenstraat biedt ruimte voor (groen-)stedelijk wonen nabij voorzieningen, juist voor ouderen, voor mensen met een geel-groen leefstijl, en meer specifiek voor de "woonwereld" Praktisch & vertrouwd.
b. Toetsingskader nieuwbouwappartementen
De gemeente stuurt nadrukkelijker op het aantal en soort nieuwbouwplannen voor appartementen om overaanbod tegen te gaan. Prioritering vindt plaats aan de hand van het in 2006 door de raad vastgestelde toetsingskader. Plannen worden getoetst aan het gewenste woonmilieu, de ruimtelijk-stedenbouwkundige inpassing, consumentgerichtheid en de vraag of het plan onderdeel uitmaakt van een voor de gemeente prioritaire gebiedsontwikkeling.
Het plan Reitse Hoevenstraat voldoet aan de toetsingscriteria voor nieuwbouwappartementen.
b. Aandeel goedkope huurwoningen Nagenoeg alle woningen van dit project ressorteren onder de opgave tot realisatie van goedkope huurwoningen (Taskforce). Hiermee bij te dragen aan het vergroten van het volume goedkope huurwoningen voor verschillende (kleine) huishoudens binnen de gemeente, conform Woonvisie / Convenant-Wonen.
c. Aandeel eigenbouw
N.v.t.
d. Levensloopbestendige nieuwbouw (/ wonen met zorg)
De huisvesting van zorgbehoevenden (m.n. ouderen en gehandicapten), gemengd met de overige bevolking, is een belangrijk aandachtspunt van het Tilburgse woonbeleid. Ter bevordering van hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie streeft de gemeente Tilburg er naar dat nieuwbouwwoningen "levensloopbestendig" worden ontwikkeld, dan wel daartoe eenvoudig aanpasbaar zijn. Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", i.c. woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers (te maken) zijn op entreeniveau van de woning.
Daarenboven bestaat het streven dat er voldoende welzijns- en zorgdiensten in de nabijheid zijn, dan wel gerealiseerd worden. Hiertoe is het concept van de Servicewijken/woonservicezones ontwikkeld, waarbij woon-, welzijn- en zorgdiensten op gebiedsniveau optimaal op elkaar zijn/worden afgestemd. Met name bij nieuwe uitleglocaties dient invulling aan dit concept te worden geven.
In dit bouwplan wordt aan de doelstelling van levensloopbestendige nieuwbouw voldaan, resp. invulling gegeven. Zie voor concrete ontwerphandreikingen de Werkwijzer Levensloopbestendigheid & toegankelijkheid 2.1.
e. Politiekeurmerk Veilig Wonen
Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw.
Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast (i.c. certificering plaatsvindt), zowel op woningniveau, als ook op het niveau van de woonomgeving.
Het plan Reitse Hoevenstraat zal aan het Politiekeurmerk voldoen.
3.5 Groen en speelruimte
3.5.1 Bomennota Tilburg boomT
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402002.png)
Boomwaardezoneringskaart
Maatregelen in bestemmingsplan
De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op een bijlagekaart (boomwaardekaart) bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8m en 15m vanuit het hart van de desbetreffende boom.
Ten behoeve van de ontwikkelingen op het terrein is een BomenEffectAnalyse opgesteld (bijlage 1 Bomenbestand vakcollege Tilburg d.d. 24 maart 2017). De inventarisatie en het onderzoek behelzen 108 bomen op het huidige terrein van het Vakcollege te Tilburg. Op basis van deze boominventarisatie en het
onderzoek naar de huidige staat en toekomstverwachting, de beheerbaarheid en de effectanalyse van de voorgenomen werkzaamheden is voor 29 bomen positief geadviseerd deze te handhaven. Tevens bezitten deze bomen een zekere behoudenswaardige status op basis van soort, kwaliteit, beeldbepalendheid en
hoofdboomstructuur. Deze 29 bomen zijn in het perspectief van de voorgenomen werkzaamheden duurzaam te handhaven.
3.5.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
3.5.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.
Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken ne op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
3.5.4 Nota Ruimte voor Buitenspelen
Naar aanleiding van de ambities uit de Kadernota Jeugd en de behoefte aan algemene voorwaarden ten aanzien van richtlijnen voor de aanleg van speelplekken is de nota Ruimte voor Buitenspelen (2003) opgesteld. Doel van de nota is dat de jeugd als volwaardige medegebruikers van de openbare ruimte wordt geaccepteerd. Spelen is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een kind. De nota geeft o.a. een analyse van de formele speelruimte in Tilburg weer. Algemene voorwaarden ten aanzien van speelruimte (veiligheid, bereikbaarheid, spreiding, ruimtegebruik, inrichting) en programmering van de spelenplannen en inrichtingseisen van speelruimte komen aan de orde. Een minimumnorm voor formele speelruimte wordt gesteld om voldoende speelruimte te kunnen garanderen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen transformatiegebieden (> 50 woningen), nieuwbouw en bestaande bouw.
Transformatiegebieden
Er worden twee stappen doorlopen:
per hectare uitgegeven gebied wordt 300m2 van de ruimte gereserveerd voor formele speelruimte;
de huidige grondoppervlakte aan formele speelruimte per kind bedraagt voor Tilburg 7,2m2. Naar aanleiding van het aantal kinderen woonachtig in het transformatiegebied wordt bepaald hoeveel formele speelruimte er in een wijk/buurt gerealiseerd dient te zijn.
Nieuwbouw
Bij nieuwbouwgebieden wordt uitgegaan van stap 1. De inrichting van de formele speelplekken wordt gedaan aan de hand van de actieradius voor speelplekken. In de toekomst zal dit wordt gedaan naar aanleiding van gegevens vanuit het woningbouwprogramma waarmee een schatting gemaakt zal kunnen worden van het aantal kinderen dat in de nieuwbouwwijk komt te wonen (dit wordt in het kader van de uitvoering van de nota Ruimte voor Buitenspelen uitgewerkt).
Bestaande stad
Voor de bestaande stad wordt uitgegaan van een standstill-situatie. Dit betekent dat het bestaande oppervlak voor buitenspelen niet (verder) mag afnemen.
Bij nieuwe stedenbouwkundige plannen dient reeds bij de nota van uitgangspunten (programma van eisen) de speelruimtenormering - zoals hierboven beschreven - te worden meegenomen. Dit geldt zowel voor gemeentelijke als particuliere plannen. Op deze manier worden formele speelplekken al vroegtijdig in het ontwerpproces meegenomen.
3.6 Verkeer en parkeren
3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg
De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.
Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.
Mobiliteitsagenda 013
De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast;
Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers;
Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt;
Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3.6.3 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'
In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernormen. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is er voor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.
Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
3.6.4 Toets ontwikkeling
Ligging plangebied:
Het plangebied ligt in het westen van Tilburg, in de hoek van de Reitse Hoevenstraat en de Lage Witsiebaan .
Fietsroutes:
De Reitse Hoevenstraat onderdeel is van de snelfietsroute tussen Tilburg centraal station en Waalwijk. De inrichting van de Reitse Hoevestraat zal op korte termijn worden heringericht om de voldoen aan de hoge inrichtingseisen van een snelfietsroute.
Openbaar vervoer:
Het gebied is goed met openbaar vervoer bereikbaar. Aan de oostzijde ligt op 80 meter een bushalte op de Lage Witsiebaan.
De busroute via de Reitse Hoevenstraat zal in het kader van de snelfietsroute worden verlegd naar Ringbaan West. De bushaltes op de Reitse Hoevenstraat komen daarmee te vervallen.
Wegenstructuur en ontsluiting
Aan de zuidzijde ligt de Lage Witsiebaan, welke aansluit op de Ringbaan West, onderdeel van het hoofdnet van Tilburg. Aan de westzijde ligt de Reitse Hoevenstraat welke aan de noordzijde aansluit op de Rueckertbaan onderdeel van de overige stedelijke hoofdstructuur.
De Reitse Hoevenstraat is een erftoegangsweg met een maximaal toegestane snelheid van 30 km/h. In het kader van de realisatie van de snelfietsroute is het voornemen eenrichtingsverkeer in te stellen van zuid naar noord. De Lage Witsiebaan is momenteel 30 km/h gebied maar is in de wegencategoriseringskaart opgenomen als gebiedsontsluitingsweg met een toegestane snelheid van 50 km/h.
De ontwikkeling wordt zowel op de Reitse Hoevenstraat als op de Lage Witsiebaan ontsloten.
Verkeerskundige afweging:
Op basis van de kencijfers van het CROW zullen de 80 á 90 woningen 300 á 340 motorvoertuigbewegingen per dag genereren. Dat zijn aankomsten en vertrekken samen, het betreft dus 150 á 170 auto’s per dag.
De voormalige functie, het vakcollege, had op basis van kencijfers een verkeersgeneratie van 190 á 250 motorvoertuigbewegingen per dag. Per saldo is de toename dus ongeveer 100 motorvoertuigbewegingen per dag.
Dit kan goed door de bestaande infrastructuur verwerkt worden.
Parkeren:
Alle benodigde parkeerplaatsen worden in het plangebied aangelegd.
Nieuwe bouwplannen moeten voldoen aan het parkeerbeleid van de gemeente Tilburg.
Voor de toevoeging van het programma zijn de recent vastgestelde parkeernormen voor zone C van toepassing. Voorsociale woningbouw (appartementen sociale huur) is deze norm 0,8 parkeerplaats per woning. Voor 80 tot 90 woningen dienen 64 tot 72 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden aangelegd. In het bestemmingsplan is een gebied aangeduid als 'parkeerterrein'. Binnen dit gebied is voldoende ruimte om deze plaatsen te realiseren.
Calamiteitenverkeer:
Het openbaar gebied moet altijd bereikbaar zijn voor de noodhulpdiensten. De vormgeving van de nieuwe ontsluitingsweg moet daarop worden afgestemd.
Afvalinzameling:
In geval van individuele containers moet er worden voorzien in opstelruimtes in openbaar gebied. Deze opstelplaats moet goed bereikbaar zijn voor de BAT wagen.
Een wagen van het BAT moet altijd vooruit kunnen rijden, bij arriveren en bij het wegrijden. Als een inpandige containerruimte wordt voorzien moet deze tot een afstand van maximaal 10 meter bereikbaar zijn door de vuilniswagen van het BAT.
In geval van ondergrondse containers moeten deze voldoen aan de richtlijnen voor ondergrondse containers in de gemeente Tilburg.
Openbare ruimte:
Bij de inrichting van de openbare ruimte moet rekening gehouden woerden met bestaande, te handhaven, functionaliteiten en de functionaliteiten als hierboven beschreven.
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
4.1 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Het plangebied ligt niet in een rustige woonwijk. In de omgeving liggen enkele maatschappelijke functies en detailhandel op korte afstand van het gebied. Daarnaast ligt nabij het gebied de drukke Ringbaan West. Hiermee is de omgeving te kenmerken als een gemengde omgeving waarmee het verantwoord is om de richtafstand met 1 afstandsstap te verkleinen conform de VNG-brochure.
Voor de maatschappelijke functie geldt dat de activiteiten binnen deze functie vallen in maximaal milieucategorie 2. Voor een woningen in een gemengde omgeving geldt een richtafstand van 10 meter. Deze afstand wordt gehaald.
Voor de functie detailhandel is recentelijk een ruimtelijke procedure doorlopen. Bij die procedure is al rekening gehouden met de komst van de woningen binnen dit plangebied. Daarbij is in die procedure aangetoond dat er ter plaatsen van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat.
Voor het plangebied geldt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.2 Externe veiligheid
4.2.1 Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
4.2.2 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In Bijlage 2 Verantwoording groepsrisico zijn de risicobronnen die relevant zijn (binnen het invloedsgebied liggen) geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de inrichting TOTAL LPG tankstation aan de Ringbaan West, het spoortraject Breda - Tilburg, Tilburg - Vught en de A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in Bijlage 2 Verantwoording groepsrisico. Er is een groepsrisicoberekening uitgevoerd door Peutz 'Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) in het kader van de planologische inpassing van woningbouw aan de Reitse Hoevenstraat', O 15855-1-RA-003 d.d. 19 september 2017 (bijlage 3). Deze QRA is op 12 oktober 2017 goedgekeurd door de OMWB.
4.2.3 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;
Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;
Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
4.2.4 Conclusies en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Tilburg-Vught. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie bijlage " Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico - Zand 2008 5e herziening - Reitse Hoevenstraat (Wonen)"). De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 2 en 17 oktober 2017 (standaard)advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief.
De ontwikkeling leidt tot een gelijkblijvende hoogte van het groepsrisico en blijft onder de oriënterende waarde van het groepsrisico.
In de vergunning voor het LPG-tankstation zijn voorschriften opgenomen ten behoeve van de veiligheid van de omgeving.
De bewoners kunnen via nooduitgangen die op de binnenplaats uitkomen via de opening in het complex in zuidwestelijke richting het gebied kunnen ontvluchten. Tussen de binnenplaats en de ruimte naar de Reitse Hoevenstraat wordt een brug (over water en groen) gerealiseerd zodat bewoners binnen 15 minuten op 200 meter van de risicobron kunnen komen.
De binnenplaats van het complex is obstakelvrij, bevat geen hoogteverschillen en middels een voldoende brede brug kunnen bewoners het gebouw/gebied verlaten richting Reitse Hoevenstraat.
De opkomsttijd van de brandweer is circa 9 minuten. Hiermee wordt voldaan aan de zorgnorm voor nieuwbouw.
Tweezijdig aanrijden door de brandweer is mogelijk, voor zowel de posten Centrum als Vossenberg.
De toekomstige bewoners zijn niet specifiek verminderd zelfredzaam.
Op regelmatige afstanden liggen brandkranen. De bluswatervoorziening voor het nieuw te bouwen appartementencomplex zal bij de bouwvergunningsaanvraag getoetst worden.
Initiatiefnemer TIWOS zal nieuwe bewoners bij overhandigen van de sleutels informeren over de ontvluchting in geval van een dreigende calamiteit bij het tankstation. Bij de hoofdingangen komt een kaart te hangen waarop dezelfde informatie staat.
WAS-sirenes en NL-alert zullen worden gebruikt om bezoekers te alarmeren.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.3 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
4.3.1 Wegverkeerlawaai
Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft circa 90 woningen.
Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 4 Akoestisch onderzoek, d.d. 12 september 2017, Peutz) en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder en het geluidbeleid van de gemeente Tilburg.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor een aantal geluidgevoelige bestemmingen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De resultaten staan in het akoestisch onderzoek. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde-besluit genomen. Dit besluit is bij dit bestemmingsplan gevoegd.
4.3.2 Railverkeerlawaai
Binnen het plangebied zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing.
4.3.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
4.3.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.4 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen.
De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van circa 90 woningen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.5 Geur
4.5.1 Industriële geur
In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.
4.5.2 Agrarische geur
In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.
4.6 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
gebied met contouren van bodemlocaties en -rapporten
Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Op de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402004.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402004.jpg)
![i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402005.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2017007-e001_402005.jpg)
Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone Wonen.
Binnen het bestemmingsplan zijn bij de gemeente Tilburg geen actuele onderzoeken beschikbaar.
In diverse delen van Noord-Brabant worden verhoogde gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waarbij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten. Het voorkomen van deze verontreinigingen levert vaak een heel heterogeen beeld op. Hierdoor spreekt men van een lokaal verhoogde achtergrondconcentratie.
In de directe omgeving van het plan zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd:
|
Locatie |
Jaar |
Resultaat |
Locatienr SquitXO |
|
Wijk Het Zand |
1997 |
Historisch onderzoek uitgevoerd |
AA085505259 |
|
Artemisstraat 1 |
2010 |
Historisch onderzoek uitgevoerd (voormalige chemische wasserij). Bronlocatie > 700 afstand. |
AA085505259 |
|
Reitse Hoevenstraat 12 |
2002 |
Verkennend onderzoek uitgevoerd (onverdacht) |
AA085515063 |
|
Gedempte sloot |
2007/2008/2016 |
Licht verhoogde gehalten |
AA085502742 |
(Voormalig) gebruik (luchtfoto's Infogis vanaf 1934)
De bebouwing is tussen 1976 en 1992 aangelegd. Verder geen bijzonderheden.
Dempingen
Uit historisch onderzoek blijkt dat aan de Reitse Hoevenstraat een dempingen is gelegen.
Ondergrondse tanks
Uit historisch onderzoek is niet gebleken dat er op de locatie een bovengrondse tank aanwezig is (geweest).
Conclusie
Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de locatie ongeschikt is de beoogde functie.
Uitvoering van bodemonderzoek is niet noodzakelijk voor een bestemmingsplan procedure, wel voor een omgevingsvergunning.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
4.7 Natuur en Ecologie
4.7.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats
Overige inheemse broedvogels
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
4.7.2 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op 5,6 km afstand. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Natuurbescherming in Verordening Ruimte
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 800 meter ten noordwesten van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling redelijkerwijs uit te sluiten.
Soortenbescherming
Voor de ontwikkeling is een quickscan beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd (Adviesbureau Mertens, 2017). Deze is als bijlage toegevoegd aan het plan. De belangrijkste bevindingen en conclusies zijn als volgt:
"In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om rooiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De aanwezigheid van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Er kunnen daarnaast algemene nationaal beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren aanwezig zijn. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Noord-Brabant.
Verder kan de aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageerplaatsen) niet worden uitgesloten, effecten op deze soortgroep kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan is een gerichte veldinventarisatie van belang om eventuele effecten en maatregelen op een adequate manier in te kunnen schatten. Pas na afronding van deze inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist. Een dergelijk onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei t/m september."
Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen dient men de maatregelen uit het "Ecologisch Werkprotocol SMP" in acht te nemen. Tevens worden voorzieningen voor gebouw bewonende soorten opgenomen in de nieuwbouw.
Conclusie
Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.
Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
De sloop van de aanwezige bebouwing wordt uitgevoerd conform het Ecologisch Protocol SMP, gekoppeld aan het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg. Tevens worden verblijfplaatsen voor huismus, gierzwaluw en/of vleermuizen gerealiseerd in de nieuwbouw.
Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
5.1 Bestaand watersysteem
Het Tilburgs stedelijke watersysteem is omschreven in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2019. De gebiedskenmerken van dit plangebied in de bestaande situatie zijn in tabel 1 weergegeven.
Tabel 1. Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Wilhelminakanaal: Rijkswaterstaat |
|
Bruto oppervlakte |
ca. 12.615 m² |
|
Terreinhoogte |
ca 13,5 m+NAP |
|
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) |
ca 11,7 m+NAP |
|
Ontwateringdiepte |
ca. 1,9 m |
|
Bodem |
Sterkzandige leemlenzen dikker dan 1m |
|
Riolering |
Gemengd stelsel |
|
Oppervlaktewater |
n.v.t. |
|
Keur beschermde gebieden |
Niet relevant |
De referentiesituatie wat de afvoerende oppervlakten betreft is de bestaande situatie. In tabel 2 zijn de bestaande afvoeroppervlakten weergegeven.
Tabel 2. Afvoerende oppervlakten in de bestaande referentiesituatie
|
Oppervlakten * |
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) |
Afvoerende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Dak |
0 |
6.715 |
6.715 |
|
Verharding |
0 |
2.400 |
2.400 |
|
Groen |
3.500 |
0 |
3.500 |
|
Totaal (m²) |
3.500 |
9.115 |
12.615 |
5.2 Beleidskader
Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeheerplan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meer waarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur waterschap De Dommel die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020, (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
5.3 Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van het terrein / vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze terreinhoogten moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
Voldoende ontwateringdiepte;
De water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient voldoende te zijn voor de functie van de ruimte;
De vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten;
Aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
Door de bodemsamenstelling kan het regenwater lokaal stagneren in zijn neerwaartse weg naar het grondwater. In dat geval blijft het regenwater 'hangen' in de bodem. Er kunnen zogenaamde schijngrondwaterspiegels ontstaan. Dit kan zorgen voor overlast. Om dat te voorkomen is het mogelijk ondiepe drainage aan te leggen binnen het plangebied. Deze drainage mag geen water afvoeren onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), namelijk 11,7 m+NAP. De afvoer van het gedraineerde water wordt aangesloten op de regenwaterafvoer.
Het plangebied is bij de referentiesituatie deels verhard en wordt afgewaterd door middel van de bestaande gemengde riolering. De afvoerende oppervlakten in de nieuwe situatie zijn bepaald op basis van de verbeelding. In tabel 3 zijn deze oppervlakten weergegeven. De afvoerende oppervlakte neemt af ten opzichte van de bestaande situatie met 935 m².
Tabel 3. Afvoerende oppervlakten in de plansituatie
|
Oppervlakten
|
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) |
Afvoerende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Dak |
0 |
4.270 |
4.270 |
|
Verharding |
0 |
3.910 |
3.910 |
|
Groen |
4.435 |
0 |
3.500 |
|
Open water(berging) |
0 |
0 |
0 |
|
Totaal (m²) |
4.435 |
8.180 |
12.615 |
* Geschat: 20% watert af door verharde binnen terreinen, tuinen e.d. en / of toegestane opstallen
Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.
Naast vasthouden van het gebiedseigen water is het bergen (inzamelen) van regenwater uitgewerkt in de Tilburgse aanpak: de gemeente streeft op de lange termijn naar het ontvlechten van afval- en regenwaterstromen; de gemengde riolering wordt geleidelijk vervangen door een gescheiden afvoersysteem. Op korte / middellange termijn worden de afwaterende oppervlakten afgekoppeld bij grote bouwplannen / herinrichtingen en bij de afkoppelgebieden aangepakt. Het doel is de kans op overstromingen te verkleinen door gericht die gebieden te ontvlechten waar dat het meeste effect heeft.
Aansluiten op een bestaande gescheiden stelsel (anders dan de blauwe aders) of op oppervlaktewater blijkt voor deze locatie technisch-economisch onhaalbaar. Het plangebied valt binnen de afkoppelgebieden. Bij deze gebieden is afkoppelen en aansluiten op blauwe aders verplicht.
De vuilwater- en regenwaterafvoer dienen inpandig gescheiden te worden. In het plangebied moet vuil- en regenwaterriolering aangelegd worden. Het vuilwaterriolering moet aansluiten op de bestaande gemengde riolering, zodat het via de kortste weg bij de zuiveringsinstallatie aangeleverd wordt. De regenwaterriolering zamelt het overtollige regenwater apart in en voert het af naar de blauwe ader in Lage Witsiebaan. Deze nieuwe vuil- en regenwaterriolering voldoet aan de standaard kwaliteitseisen van de gemeente. De regenwaterriolering moet afgestemd worden op het ontwerp van de blauwe aders.
De afvoer in de tijdelijke situatie, totdat de blauwe ader aangelegd wordt, kan tijdelijk via de bestaande gemengde riolering plaatsvinden. Deze tijdelijke regenwaterafvoer wordt feitelijk ontkoppeld en op de blauwe ader aangesloten zodra deze aangelegd wordt.
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is niet significant. Er is geen toename van verhard oppervlak. Er is zelfs sprake van een geringe afname. De blauwe aders en het waterpark noordoost beschikken over voldoende bergingscapaciteit voor het regenwater van deze locatie.
De gemeente realiseert de waterbergingsopgave van onder meer dit plangebied door blauwe aders aan te leggen en waterparken in te richten. Het plangebied is verplicht aan te sluiten op de blauwe aders. Het aanleggen van een eigen bergingsvoorziening is ongewenst en wordt daarom uitgesloten.
Bij extreme neerslag is het bestaande watersysteem ontoereikend: als de afvoer- en bergingscapaciteit volledig benut zijn, stijgen de waterniveaus tot het maaiveld. De laag gelegen delen worden als eerst overstroomd. In eerste instantie wordt het regenwater in de openbare ruimte opgevangen (berging op straat). Hiervoor is het van belang dat de (toekomstige) openbare ruimte lager ligt dan de aangrenzende percelen. Afhankelijk van diverse factoren, zoals de locatie ten opzichte van het afvoersysteem, de maaiveldverloop, enz. kan deze overstroming hinder en zelfs schade veroorzaken. Uit de WOLK-verkenning kan men concluderen dat het plangebied bij extreme neerslag geen groot risico loopt voor water op straat. Desondanks adviseert de gemeente de initiatiefnemer om de vloerpeilen bij bebouwing minimaal 10 cm hoger dan de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) te kiezen, om de kans op schade bij extreme neerslag zo veel mogelijk te verkleinen.
5.4 Watertoets
De impact van dit plangebied op het watersysteem is beperkt. De aanpak volgt het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Het bij het proces van de watertoets bijhorende wateroverleg wordt daarom maximaal verkort gevolgd. De opzet van het watersysteem is omschreven in deze waterparagraaf en direct verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het waterschap heeft dan ook geen voorlopig wateradvies verstrekt. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt dan ook (direct) verstrekt bij de terinzagelegging.
Hoofdstuk 6 Opzet planregels
6.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Bestemmingen en aanduidingen
In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig:
Wonen-gestapeld
Groen
De bestemming wonen-gestapeld is ten behoeve van appartementen. Binnen het bouwvlak mag een woongebouw worden opgericht.
De bestemming groen is opgenomen om het groene karakter rondom het woongebouw te waarborgen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht.
Binnen de bestemming wonen-gestapeld is de aanduiding parkeerterrein opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding worden de parkeerplaatsen ten behoeve van de woningen gesitueerd. Door het opnemen van de aanduiding specifieke vorm van wonen - sociale huurwoning is verzekerd dat alleen woningen in de sociale huursector mogen worden gerealiseerd. Binnen de aanduiding erf mogen aan- en bijgebouwen (bijvoorbeeld een fietsenstalling) worden opgericht.
Binnen de bestemming groen is de aanduiding verkeer-verblijf opgenomen ten behoeve van een in- en uitrit in het groen naar het parkeerterrein.
Daarnaast ligt over het hele plangebied de dubbelbestemming 'waarde-archeologie'. In bepaalde gevallen dient, alvorens omgevingsvergunning kan worden verleend, onderzoek naar de archeologische waarden van het gebied te worden gedaan.
Over een gedeelte van het plangebied ligt de aanduiding veiligheidszone - aandachtsgebied lpg vanwege het naastgelegen benzinestation
6.3 Bouw- en gebruiksregels
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Binnen het bouwvlak mag een woongebouw worden opgericht met een hoogte van gedeeltelijk 12m en 15m. Binnen het erf mogen aan- en bijgebouwen worden opgericht, bijvoorbeeld een fietsenstalling, met een maximale hoogte van 3 meter en bebouwingspercentage .van 5%.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Wijzigingsbevoegdheid
Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening schrijft voor dat bij een bestemmingsplan een exploitatieplan dient te worden vastgesteld tenzij
het kostenverhaal anderszins is verzekerd door een anterieure overeenkomst, en
er geen noodzaak is voor het stellen van locatie-eisen, en
er geen noodzaak is voor het stellen van eisen aan de te realiseren woningbouwcategorieën of anderszins geen noodzaak is tot het stellen van nadere eisen.
Het betreft hier een grondexploitatie, waarvan de gronden eigendom van de gemeente zijn. Bij raadsbesluit van 10 april 2017 heeft de gemeenteraad de grondexploitatie geopend, waarbij zij dekkingsmiddelen heeft aangegeven voor het te verwachten exploitatietekort. De kosten en opbrengsten zijn toen geraamd en worden jaarlijks aangepast aan de ontwikkelingen en mogelijkheden in de (meerjaren)begroting van het Vastgoedbedrijf, onderdeel van de gemeentebegroting van de gemeente. Financiële zekerstelling van uitvoering van bouw- en woonrijpmaken is dus verzekerd. Vergoeding van eventuele nu niet voorziene planschade maakt onderdeel uit van de gemeentelijke grondexploitatie, eventuele kosten zullen door de gemeente betaald worden en worden gedekt via de algemene reserve grondexploitatie.
Naast het bestemmingsplan dienen geen aanvullende eisen gesteld te worden in een grondexploitatie.
Zoals uit het bovenstaande blijkt is het kostenverhaal zoals bedoeld in de wet voldoende verzekerd. Nadere locatie-eisen dienen niet gesteld te worden, zodat de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd is.
Hoofdstuk 8 Burgerparticipatie en overleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 7 april 2017 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Burgerparticipatie
In het kader van burgerparticipatie is op 13 juni 2017 een inloopbijeenkomst in de buurt (locatie Vakcollege) georganiseerd om de omwonenden uitleg te geven over de ontwikkeling. Hierbij zijn ongeveer 25 bewoners aanwezig geweest en hebben verschillende mensen een reactieformulier ingevuld. Het merendeel van de bezoekers was vooral geïnteresseerd in de huurwoningen zelf en hadden vragen over toewijziging, huurprijs e.d.. Deze formulieren zijn dan ook verstrekt aan de toekomstige verhuurder, Tiwos. De overige bezoekers hebben geen reactieformulier ingevuld. Het volledige verslag van de burgerparticipatie is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting.
8.3 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 1 januari tot en met maandag 12 februari 2018. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
Ambtelijk is, in overleg met de initiatiefnemer, besloten het bestemmingsplan te wijzigen ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan. Op de verbeelding is het bouwvlak waarbinnen het gebouw moet worden