direct naar inhoud van Regels

Piushavengebied 2009, 3e herziening (hoek Piushaven - Barkstraat)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2016025-e001
Plantype: bestemmingsplan

Toelichting

 

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Het plangebied

1.3 Voorgaande plannen

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Ruimtelijke structuur

2.2 Functionele structuur

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

3.2 Rijk en provincie

3.3 Gemeente

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

4.1 Inleiding

4.2 Stedenbouwkundige aspecten

4.3 Welstand

4.4 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

5.1 Inleiding

5.2 Milieuhinder bedrijven

5.3 Externe veiligheid

5.4 Geluid

5.5 Lucht

5.6 Bodem

5.7 Natuur en Ecologie

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

6.1 Bestaand watersysteem

6.2 Duurzaam waterbeheer

6.3 Watertoets

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

7.1 Inleiding

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

9.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

9.2 Burgerparticipatie

9.3 Zienswijzen

 

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding

Op 21 september 2015 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen voor het perceel hoek Piushaven/Barkstraat. De gemeenteraad heeft daarbij verklaard dat er voor dit perceel een nieuw bestemmingsplan werd voorbereid. De reden voor het nemen van dit voorbereidingsbesluit was dat er op het perceel ongewenste ontwikkelingen dreigden plaats te gaan vinden.

 

Volgens het geldende bestemmingsplan (Piushavengebied 2009) mag ter plaatse 11 meter hoog worden gebouwd en 12 meter diep. De volgende functies zijn toegelaten: kleinschalige bedrijven, kleine kantoren, recreatie, sport, dienstverlening en wonen. Door deze ruime bouwmogelijkheden kan een ongewenst groot blok op deze markante plek in de Piushaven neer worden gezet.

 

Aangezien dit strijdig is met de gewenste ontwikkelingen wordt dit voorbereidingsbesluit gevolgd door een zogenoemd conserverend bestemmingsplan. Dat wil zeggen dat de contouren van de huidige bebouwing en het huidige gebruik vast worden gelegd. Daartoe is dit bestemmingsplan opgesteld.

 

Indien er plannen ontwikkeld zijn voor onderhavige locatie die passen in de stedenbouwkundig visie en die ontwikkeld zijn conform de werkwijze in het Piushavengebied (ondertekenen raamovereenkomst, burgerparticipatie middels planteam en uitvoeren (milieu) onderzoeken) zal voor deze plannen een nieuwe planologische procedure gevolgd worden.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat de percelen Barkstraat 26 en Piushaven 23 t/m 28 kadastraal bekend, sectie M, nrs 11537, 11536 en 11536.

 

 [image]

 

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan vervangt voor wat betreft de hoek Piushaven / Barkstraat het bestemmingsplan Piushavengebied 2009, vastgesteld op 19 juli 2010, in werking getreden op 24 november 2010 en onherroepelijk geworden op 14 december 2011.

 

 

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Ruimtelijke structuur

Het perceel Piushaven / Barkstraat kan gezien worden als de afronding van het deel gebied Koopvaardijstraat in de Piushaven en is het beginpunt van de Havenkom. In die zin heeft het perceel een belangrijke positie in de stedenbouwkundige opbouw van het Piushavengebied.

2.2 Functionele structuur

Op het perceel is bedrijfsbebouwing aanwezig bestaande uit 3 loodsen. De loodsen bestaan uit 1 laag en 2 loodsen hebben een kap. In de loodsen zijn kleine bedrijvigheid, dienstverlening, een sportschool en een woning aanwezig.

 

 

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk en provincie

Volgens de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is het plan gelegen in stedelijk gebied. Er spelen geen provinciale of rijksbelangen. Derhalve wordt het ruimtelijk beleidskader op provinciaal en rijksniveau (provinciale Verordening Ruimte en de AMvB Ruimte) niet op hoofdlijnen besproken.

3.3 Gemeente

 

3.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

3.3.2 Overige gemeentelijke structuurvisies

 

3.3.2.1 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP)

Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het vervolg van de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Daarin geeft Tilburg haar beleidsmatige invulling aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in het vGRP.

 

 

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten

 

[image] 

 

 

 

 

 

In de Stedenbouwkundige Visie 2015 staat m.b.t. deze locatie het volgende:

 

Koopvaardijstraat

Stedenbouwkundige visie

De Koopvaardijstraat maakt de verbinding tussen binnenstad en Piushaven. In het verleden zijn diverse pogingen geweest om de ruimtelijke en functionele relatie tussen binnenstad en Piushaven te verbeteren in samenhang met de herontwikkeling van gebouwen aan het Koningsplein. De dominante onderwerpen daarbij waren het zoeken naar betere vorm en identiteit van het Koningsplein en een visuele verbinding tussen Koningsplein en Piushaven.

De herontwikkeling van Koningsplein en omgeving heeft lang op de agenda gestaan als onderdeel van de stedenbouwkundige visie voor Centrum Zuid maar is stopgezet wegens onhaalbaarheid van de gewenste transformatie en de daarop volgende financiële en economische crisis. Enkel De Stadswachter bij het Piusplein werd in de context van de visie voor Centrum Zuid gerealiseerd.

Project Piushaven heeft zo’n acht jaar geleden besloten eerst vanuit eigen kracht de eigen locaties tot ontwikkeling te brengen en vanuit het succes van de gebiedsontwikkeling met meer zeggingskracht de verbinding tussen Piushaven en binnenstad weer op de agenda te zetten. Daarin speelt ook het argument dat de Koopvaardijstraat geen ontwikkelgebied is, maar de gemeente heeft een belangrijke positie met het parkeerterrein.

Afgelopen periode hebben eigenaren en initiatiefnemers zich opnieuw gemeld.

  1. de nogal problematische ligging in verband met parkeren, laden en lossen.

  2. diverse eigenaren die hun eigendom willen verkopen.

  3. de ontwikkelpotentie van de (tijdelijke) parkeerplaats in de Koopvaardijstraat.

  4. De vraag om de panden van Hopmans in de Koopvaardijstraat te herontwikkelen.

De gemeente is in de Koopvaardijstraat eigenaar van het parkeerterrein en een woning. In 2005 heeft de gemeente de bouw van woningen ter plaatse van de huidige parkeerplaats tegengehouden om in een later stadium, met meer kansen voor het realiseren van een betere verbinding tussen Piushaven en binnenstad, de herontwikkeling op te pakken.

Vanuit deze lijst aan initiatieven en het succes van Piushaven wordt de noodzaak duidelijk een stedenbouwkundige visie op te stellen voor de panden aan Piusstraat – Koopvaardijstraat en de bedrijfspanden Piushaven tot en met de hoek Barkstraat.

De context voor deze studie is echter ruimer dan de plangrens van de gebiedsontwikkeling Piushaven en de relatie met de havenkom. Naast de herontwikkeling van het vastgoed zal ook de openbare ruimte van Koopvaardijstraat versneld worden aangepakt in functie van de vergroening en de aanloopstraat naar de Havenkom.

 

In afwachting van deze stedenbouwkundige visie wordt de bestaande situatie voor de hoek Piushaven / Barkstraat bevroren. Zodra de visie gereed is en er plannen ontwikkeld zijn voor onderhavige locatie conform de werkwijze in het Piushavengebied (ondertekenen raamovereenkomst, burgerparticipatie middels planteam en uitvoeren (milieu) onderzoeken) zal er een nieuwe planologische procedure gevolgd worden.

4.3 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.

Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.

4.4 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

Historische geografie plangebied

 

Verwachtingswaarde plangebied

 

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

 

Structuren, objecten en historisch groen

 

Vertaling naar bestemmingsplan

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen dit bestemmingsplan.

Voor wat betreft de archeologie is er op de planlocatie geen vervolgonderzoek noodzakelijk omdat er geen nieuwe bodemverstoringen zullen plaatsvinden.

 

 

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Binnen dit plan zijn gevoelige bestemmingen mogelijk. In de omgeving zijn diverse bedrijfsmatige activiteiten aanwezig. Deze functies vallen binnen de bestemming "Gemengd" waarvoor de lijst functiemenging geldt. Hiermee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de aanwezige woning gegarandeerd.

Voor de functie "gemengd" geldt eveneens dat alleen activiteiten conform de lijst functiemenging zijn toegestaan met het oog op de omliggende woningen. Hiermee is voor de omliggende woningen tevens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

5.3 Externe veiligheid

 

5.3.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

 

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

5.3.2 Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het plangebied aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:

 

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

5.3.3 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

In Bijlage 1 Externe veiligheid zijn de risicobronnen die relevant zijn (binnen het invloedsgebied liggen van een risicobron) geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de A58 en het spoortraject Breda-Tilburg-Vught. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de bijlage.

5.3.4 Conclusies en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A58 en het spoortraject Breda-Tilburg-Vught. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie Bijlage 1 Externe veiligheid). Voor de verantwoording is gebruikgemaakt van het standaard advies van de Brandweer Midden -en West Brabant. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.4 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.4.1 Wegverkeerlawaai

Binnen dit plan zijn geluidgevoelige bestemmingen (woningen) mogelijk. De woningen zijn niet gelegen binnen zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen"). Dit betekent dat er geen toetsing aan de (normen van de) Wgh hoeft plaats te vinden. De woningen zijn zodanig gesitueerd dat ze allemaal kunnen beschikken over een geluidluwe gevel en -buitenruimte waardoor sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon - en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening.

5.4.2 Railverkeerlawaai

De geluidbelasting t.g.v. het spoortraject Breda-Tilburg-Eindhoven/Den Bosch gebaseerd op het Geluidregister spoor bedraagt maximaal 70dB. Dit komt overeen met een zonebreedte van 600m conform artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. Het plangebied ligt buiten deze zone. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden naar de optredende geluidsbelasting t.g.v. railverkeerslawaai en dat er geen toetsing aan (de normen van) de Wgh/Besluit geluidhinder hoeft plaats te vinden.

5.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand gehouden moet worden.

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan dat voorziet in het herbestemmen van de bestaande toestand wordt gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), aanwezig. Vanuit de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen, bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

5.6 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

Het voorliggende plan maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Er wordt immers alleen een bouwvlak weergegeven ter plaatse van bestaande bebouwing. Om deze reden zijn bodemgegevens voor dit bestemmingsplan niet relevant. De bodemkwaliteit komt aan de orde bij eventuele bouwaanvragen, projectbesluiten en planherzieningen.

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

5.7 Natuur en Ecologie

Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde

natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland

en beschermde soorten (Flora- en faunawet).

Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per

beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

 

Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998

(NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelricht- lijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te

voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het

Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te

voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats

kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden

zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de

Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

Er zijn drie mogelijkheden:

  1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.

  2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.

  3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

Analyse plangebied

Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

De Kampina & Oisterwijkse Vennen liggen het dichtstbij: ruim 3,4 kilometer ten oosten van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied heeft een doelstelling voor 13 habitatttypen, 4 habitatsoorten, 2 broedvogelsoorten en 1 niet-broedvogelsoort. Kampina en de naastgelegen Oisterwijkse vennen en bossen vormen samen een voorbeeld van het licht glooiende Brabants dekzandlandschap, met U-vormige paraboolduinen, met bossen,

vennen, heide en overgangen naar schraalgraslanden in beekdalen. Kampina is een restant van het half- natuurlijke Kempense heidelandschap, met droge en vochtige heidevegetaties, akkertjes, een meanderend

riviertje, voedselarme vennen en blauwgraslanden. In de oeverzones van de vennen komt nog hoogveen- vorming voor, in het zuiden liggen dopheidevelden. In het stroomdal van de vrij meanderende Beerze staan hoge populieren, elzenbroek, vochtige heide met gagelstruweel en blauwgraslanden. De vennen in het gebied zijn vaak langgerekt in zuidwest-noordoostelijke richting, de dominerende windrichting van de laatste ijstijd, toen dit landschap grotendeels werd gevormd. Vennen die in het gebied aanwezig zijn betreffen doorstroom- vennen (o.a. de Centrale Vennen in de Oisterwijkse Bossen), geïsoleerde zure vennen, en vennen in beekdalflanken die (van oorsprong) onder invloed staan van inundatie met beekwater. De vennen in de Oisterwijkse bossen zijn merendeels ontstaan als uitgestoven laagten in een stuifzandlandschap, waar veentjes in ontstonden. Door vervening is hierin sinds de Middeleeuwen weer open water ontstaan. In het gebied zijn reeds in 1950 de eerste herstelmaatregelen in de vennen uitgevoerd (Bron: Ministerie van Economische Zaken).

 

Conclusie

De ontwikkelingen in het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden.

De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig

van aard dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten.

 

Natuurnetwerk Brabant

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is het Natuurnetwerk Brabant (ook bekend als Ecologische

Hoofdstructuur) begrensd. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden,

nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het

Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypen- kaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot het Natuurnetwerk Brabant.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Brabant is het bijdragen aan een

samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door

bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van het Natuurnetwerk Brabant worden aangetast, dienen

mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo

zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Natuurnetwerk Brabant. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant is ten zuidoosten gelegen op ruim 1,0km. afstand van het plangebied.

 

Conclusie

De ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op het Natuur- netwerk Brabant in de omgeving. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Brabant en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant.

 

Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook

het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden.

De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden

landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de Natuurnetwerk

Nederland opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de

ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de

leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het Natuurnetwerk

Nederland. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van

kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de

overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast

de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling

van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke

ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Groenblauwe mantel. De dichtstbijzijnde

Groenblauwe mantel is ten oosten van het plangebied gelegen op 1,2km afstand.

 

Conclusie

De ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Groenblauwe mantel. Het plangebied ligt niet in de Groenblauwe mantel en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel.

 

Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn

van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en

faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen,

stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde

soorten worden voorkómen of beperkt.

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een

ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid,

onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor

ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene

zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde

soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de

soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn

in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het

werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

 

Analyse plangebied

Het plangebied is in 2013 onderzocht op vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Dit onderzoek is verricht ten

behoeve van het Soortmanagementplan Oude Stad Tilburg, hetgeen daarom een groter onderzoeksgebied

bestrijkt dan alleen het plangebied. In het plangebied is tijdens voorgenoemd onderzoek vastgesteld dat er

geen vleermuizen, huismussen of gierzwaluwen aanwezig zijn. De aanwezigheid van groeiplaatsen,

voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor andere

beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten zijn gebaseerd op het huidige habitat in het

plangebied op voorhand uit te sluiten.

Diverse vleermuissoorten (vnl. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) zijn over- vliegend en foeragerend het plangebied te verwachten. De onderzoeksresultaten uit 2013 bevestigen dit. Voor beide functies heeft het plangebied geen essentiële betekenis. Veel vergelijkbaar habitat - als alternatief - rondom het plangebied is aanwezig.

Het plangebied is potentieel matig geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. Het plangebied is potentieel matig geschikt voor Flora- en faunawet tabel 1 soorten. Het gaat om vnl. verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

 

Conclusie

Ten behoeve van de gebiedsontheffing Flora- en faunawet heeft de gemeente Tilburg in 2013 onderzoek naar

vleermuizen, huismus en gierzwaluw in de Oude Stad uitgevoerd. Het plangebied ligt in dit (onderzoeks-) gebied.

De aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel

leefgebied voor andere beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten is gebaseerd op het

huidige habitat of op uitgevoerd onderzoek in 2013 op voorhand uit te sluiten. Schadelijke effecten door de

geplande activiteiten treden niet op.

Er is in het plangebied kans op beschermde tabel 1 soorten (grondgebonden zoogdieren, amfibieën en

vaatplanten). Tabel 1-soorten zijn van een ontheffing vrijgesteld. Wel dient zorgvuldig te worden gehandeld

hetgeen als doel heeft dat de aannemer actief moet optreden om alle mogelijke schade (doden, verwonden)

aan de diersoort te voorkomen.

 

 

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende wijzigingsplan.

6.1 Bestaand watersysteem

De gebiedskenmerken in de bestaande situatie zijn:

Kenmerk:

In plangebied:

Stroomgebied

Voorste Stroom

Waterbeheerders

Gemeente Tilburg (stedelijk water)
Waterschap De Dommel

Bruto oppervlakte

Ca. 400m²

Afvoerende oppervlakte

Ca. 220m²

Terreinhoogte

Ca. 13,75m +NAP

Maatgevende grondwaterstand

Ca. 11,80m +NAP

Ontwateringdiepte

Ca. 2m (voldoende voor alle doelen)

Riolering

Gemengd stelsel in Schoenerstraat

Afkoppelgebied

Niet van toepassing

Oppervlaktewater

Niet van toepassing

Keur beschermde gebieden

Niet van toepassing

 

Volgens het vigerende bestemmingsplan zou het merendeel van de oppervlakte verhard worden, bij het aanleggen van de geprojecteerde parkeerterrein.

6.2 Duurzaam waterbeheer

 

6.2.1 Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water 2016 - 2021 vastgesteld.

Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg voor de periode 2010 - 2015 was vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR) met een visie voor de komende 30 jaar en wordt eind 2015 vervangen door het vGRP 2016-2020. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.

6.2.2 Afwegingen

De bestaande toestand wordt als zodanig bestemd.

Aan de hand van deze ontwikkelingen en de grootte van het plangebied kan er geconcludeerd worden dat er nauwelijks of geen impact is op het watersysteem, waardoor randvoorwaarden gesteld moeten worden, anders dan de volgende algemene uitgangspunten:

6.3 Watertoets

Aangezien er nauwelijks sprake is van waterbelangen in het plangebied, hebben waterschap De Dommel en gemeente besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Hierdoor wordt deze waterparagraaf direct verwerkt in het ontwerpplan, zoals in eerder gemaakte afspraken om het vooroverleg vereenvoudigd te volgen. Het waterschap kan naderhand een voorlopig wateradvies verstrekken ten tijde van de terinzagelegging.

 

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmings- plansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.

In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

 

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

De bestaande bebouwing is als zodanig bestemd. Dat wil zeggen dat de 2 loodsen met kap een maximale goot- en bouwhooogte hebben gekregen en de tussenloods zonder kap alleen een maximale bouwhoogte. De hoogte is afgestemd op de bestaande hoogte.

Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels

Het plan geeft het college de bevoegdheid om op ondergeschikte punten afwijking van de bouwregels toe te staan.

Gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

Anti-dubbeltelregel

Dit artikel bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

Algemene bouwregels

Dit artikel bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.

Algemene gebruiksregels

In dit artikel staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.

Algemene afwijkingsregels

Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in dit artikel.

Overige regels

Burgemeester en wethouders zijn middels dit artikel bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

 

 

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

 

8.1 Uitvoerbaarheid

De plan en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan worden gedekt uit bestaande budgetten.

Indien naar aanleiding van onderhavig bestemmingsplan uitkeringen moeten worden verricht ten aanzien van verzoeken om tegemoetkoming in schade (artikel 6.1. Wro) dan zullen deze ten laste van de algemene middelen worden gebracht.

Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.

 

Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar.

 

 

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

 

9.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Aangezien met dit plan geen provinciale en rijksbelangen zijn gemoeid is het concept-ontwerpbestemmingsplan niet ingebracht in het vooroverleg.

9.2 Burgerparticipatie

Omdat dit een puur conserverend plan is heeft er geen burgerparticipatie plaats gevonden. Wel heeft er overleg plaats gevonden met de eigenaar van de percelen en is hem gewezen op de mogelijkheid dat de gemeente een conserverend plan zou opstellen. Tevens is hem meegedeeld dat indien hij een bouwplan ontwikkeld conform de spelregels van de gebiedsontwikkeling Piushavengebied en het plan past in de stedenbouwkundige en andere uitgangspunten voor deze gebiedsontwikkeling de gemeente mee zal werken aan een nieuw bestemmingsplan.

9.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 19 september tot en met 31 oktober 2016. Tijdens deze periode is er een zienswijze zienswijzen ingediend. Deze worden in de bijlage 2 Notitie behandeing zienwijzen zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.

N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009).