Oude Stad Noordwest 2016, 2e herziening (Hendrik van Tulderstraat)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
Toelichting
Inhoudsopgave
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
1.2 Juridisch-planologische situatie
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
2.1 Ruimtelijke structuur omgeving
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
4.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels
7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels
Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg
9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
De afgelopen jaren is de druk op de woningmarkt toegenomen, vooral voor degenen die op zoek zijn naar een betaalbare woning. Om verschillende redenen neemt de behoefte aan woningen in het goedkope segment toe. In het convenant dat de gemeente Tilburg met de corporaties heeft gesloten voor de periode 2015-2020 (Convenant Wonen) is opgenomen dat partijen in deze periode de ambitie hebben om 800 woningen in het betaalbare segment toe te voegen. Hiervoor is de Taskforce Betaalbaar Wonen opgericht. Op 12 januari 2016 heeft het college besloten om de locatie Hendrik van Tulderstraat aan te bieden voor ontwikkeling binnen de Taskforce. Vervolgens heeft de Stuurgroep Convenant Wonen op 25 februari 2016 besloten om deze locatie binnen de eerste convenant periode (2015-2018) te willen gaan ontwikkelen.
Op de locatie aan de Hendrik van Tulderstraat 4 staat een gymzaal die hoort bij de oude Norbertus- MAVO. Deze gymzaal wordt gesloopt. Het overige gedeelte van het terrein is onbebouwd en wordt gebruikt als grasveld. Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van 22 grondgebonden woningen op deze locatie. Het betreft de percelen sectie O, nrs. 3771, 6267, 5106 en 5107 ( allen gedeeltelijk).
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Juridisch-planologische situatie
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Oude Stad Noordwest 2016, vastgesteld door de gemeenteraad op 17 oktober 2016.
De percelen hebben hierin de bestemmingen 'maatschappelijk', 'groen' en 'verkeer'. Binnen deze bestemmingen zijn grondgebonden woningen niet mogelijkheid. Daarom is deze herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
1.3 Het plangebied
Het plangebied omvat De Hendrik van Tulderstraat 4 e.o. en wordt globaal begrensd door de Hendrik van Tulderstraat in het noorden, de Jacob Romansstraat in het oosten, Kwaadeindstraat in het zuiden en Ringbaan West in het westen. Hieronder staat een luchtfoto van het plangebied.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402000.png)
Ligging plangebied in Tilburg
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402001.png)
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
2.1 Ruimtelijke structuur omgeving
Het plangebied wordt begrensd door de Hendrik van Tulderstraat, de Jacobs Romanstraat, de achterste perceelsgrenzen van de Kwaadeindstraat 97-107, de perceelsgrenzen van de voormalige Norbetus- MAVO en het speelterrein van basisschool de Vijf Hoeven.
Het plangebied ligt in het noordwestelijke deel van de oude stad van Tilburg, het gebied binnen de ringbanen. De ontstaansgeschiedenis van dit stadsdeel is terug te vinden in de ruimtelijke opbouw ervan. Structurerende elementen in het plangebied zijn de oude 'linten' met daarnaast latere grootschalige elementen, zoals de Ringbaan. Tussen deze opvallende elementen bevinden zich de meer 'verscholen' delen van de wijk. Ten zuiden van Ringbaan-Noord zijn het de woonbuurten, kleine pleinen en plantsoenen, nauwe straten, binnenterreinen met bedrijven en garages, als ook de overblijfselen van een het kasteel van Tilburg in de Stenen Kamerpark. De hoofdstructuur van de wijk wordt gevormd door verschillende historische lijnen waarvan de lijn de Hasseltstraat - Tongelosehoefstraat/Kwaadeindstraat - Gasthuisring de belangrijkste is. De hoofdstructuur is onderdeel van een grotere structuur, de structuur van historische linten die een belangrijke ruggengraat vormt van de oude stad van Tilburg. De linten hebben een divers en organisch karakter, zowel in functies als in bouwstijl (bouwjaar, maat, schaal en dichtheid). Tussen de historisch lijnen en de daaraan organisch gegroeide bebouwing liggen de meer planmatig opgezette woongebieden.
Binnen die woongebieden vinden regelmatig ontwikkelingen plaats. Ten noorden van het plangebied ligt een herontwikkeling van het voormalige Tegroterrein aan het Rentmeesterhof. Daar is een binnenwijks bedrijfscomplex vervangen door woningen, woon-werkunits en kleine bedrijfsruimtes.
Ten zuiden van het plangebied heeft een herstructurering plaatsgevonden van de verouderde corporatiewoningen in de Bouwmeesterbuurt. Daar heeft renovatie (in het noordelijke deel) en herontwikkeling (in het zuidelijke deel) van de woningen plaatsgevonden.
De ruimere omgeving van het plangebied wordt verder gedomineerd door vrij smalle, stenige straten met rijwoningen van 2 lagen met zadeldak.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402003.png)
Rentmeesterhof Bouwmeesterbuurt
De directe omgeving van het plangebied wordt getypeerd door een grote variatie van bebouwing en functies.
Vreedeskerk: Aan Ringbaan-West (parallelweg) ligt de Vreedeskerk. De gemeente streeft naar behoud van dit waardevolle gebouw, in overleg met het Parochiebestuur. Vooralsnog heeft dat niet tot haalbare en wenselijke plannen geleid.
Voormalige Norbertus-MAVO: Dit gebouw is van de gemeente en is in de verkoop geplaatst.
Basisschool de Vijf Hoeven: Deze basisschool heeft zijn eigen speelvoorziening aansluitend aan het plangebied. Ten behoeve van dat gebruik is de Hendrik van Tulderstraat ter plaatse onderbroken met hekken. Halen en brengen van schoolkinderen gebeurt nu nog in het plangebied, maar zal in de toekomst moeten worden geconcentreed aan de westzijde c.q. de parallelweg van Ringbaan-West.
Gymlokaal Jacob Romansstraat 2: karakteristiek gymnastiekgebouw aan de oostzijde van het plangebied. Dit gebouw is als zodanig ontworpen en ook nog steeds in gebruik als gymaccommodatie.
Appartementen Hendrik van Tulderstraat 9 t/m 65: Dit 3 laags appartementengebouw is begin 21e eeuw gerealiseerd in het kader van de Taskforce Wonen. Er moesten (ook) toen snel betaalbare starterswoningen worden gerealiseerd.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402005.png)
Vreedeskerk Hendrik van Tulderstraat
2.2 Beschrijving plan
Het plan bestaat uit 22 grondgebonden woningen. Alle woningen hebben tuinen en bergingen. De stedenbouwkundige opzet is autonoom, onafhankelijk van de omgeving, maar de oriëntatie van de woningen sluit wel aan op de bestaande stratenpatronen. Aan de oostzijde worden bomen geplant en aan de noord- en westzijde worden de bestaande bomen gehandhaafd. Het plangebied is verder autovrij, zodat voor de woningen een prettige verblijfsruimte ontstaat.
De woningen worden gebouwd in opdracht van Wonen Breburg, in de sector betaalbare huur.
In bijlage 1 is het concept stedenbouwkundigplan opgenomen.
2.3 Functionele structuur
Het plangebied wordt ontsloten via de Kwaadeindstraat, Jacob Romanstraat en Hendrik van Tulderstraat.
Parkeerplaatsen (33 stuks) worden aangelegd in de Jacob Romansstraat en aangrenzend aan de zuidzijde van het plan, ontsloten vanaf de Kwaadeindstraat. Het plangebied zelf is omzoomd met groen.
Voor dagelijkse boodschappen kunnen de bewoners terecht aan het lint Hasseltstraat en bij diverse supermarkten (Jan Heijnsstraat, Bernardusplein etc).
Op gebied van openbaar vervoer zijn er op loopafstand bushaltes aan de Ringbaan en de Kwaadeindstraat en op iets grotere afstand (ca 1,5km) het NS station Tilburg CS.
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.
3.2 Rijk
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.
3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt
Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen.
Deze stappen zijn:
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402006.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402006.png)
Met dit bestemmingsplan wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Hierna worden de bovenstaande stappen doorlopen voor dit bestemmingplan.
Trede 1: Is er een regionale behoefte?
De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan.
De regionale behoefte is afgestemd in het regionaal ruimtelijk overleg waaraan ook de provincie deelneemt. Hierbij is de afspraak gemaakt dat de gemeente Tilburg tot 2020 mag voorzien in een uitbreiding van 9100 woningen (kwantitatieve behoefte).
De gemeente Tilburg maakt samen met zeven andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio maken de gemeenten jaarlijks in het "Regionaal Ruimtelijk Overleg" / RRO samen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit 2011.
In de planperiode tot en met 2021 bedraagt de bouwopgave voor Tilburg ruim 9.800 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudenverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Van dit aantal worden 730 woningen ingezet om de programmadoelen in een drietal buurgemeenten tot 2020 te kunnen verwezenlijken.
Zeker tot 2025 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld zo’n 1.000 woningen per jaar, dit gecorrigeerd voor circa 200 w/jr. sloop. De effectieve vraag –uitgeoefend door de woonconsument– ligt momenteel lager als gevolg van de crisis, in verband waarmee een gemeentelijke bouwprogramma van gemiddeld 850 woningen per jaar tot 2020 wordt aangehouden.
Het onderhavig plan, locatie H.v.Tulderstraat, betreft de toevoeging van 22 grondgebonden nieuwbouwwoningen. Met dit plan wordt specifiek invulling gegeven aan de opgave van meer goedkope sociale huurwoningen, daarmee de woningvoorraad binnen bestaand stedelijk gebied versterkend.
In de paragraaf Volkshuisvesting is weergegeven hoe de regionale woonbehoefte is toebedeeld aan de gemeente Tilburg. Op deze locatie wordt voorzien in de vraag naar, resp. versterking van wonen in een Stedelijk-buiten-centrum woonmilieu. Hiermee wordt basis geboden voor andere woningbehoefte-aspecten/woonkwaliteiten; in dit geval met name die betreffende goedkope sociale woningbouw. Door de bouw van de grondgebonden woningen in de lagere huursector wordt voorzien in de lokale behoefte.
Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?
Door de sloop van de bestaande gymzaal wordt ruimte gecreëerd in binnenstedelijk gebied. De regionale behoefte wordt daarmee opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied en leidt tegelijkertijd tot kwaliteitsverbetering van de omgeving. Trede 3 is daarom niet meer van toepassing.
Conclusie
Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is toepassing geven aan art. 3.1.6 Bro.
3.3 Provincie
3.3.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:
De kwaliteit van het landschap;
De ontwikkeling van het buitengebied;
De regionale verstedelijking.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Deel C
Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.
Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014
Provinciale Staten van Noord Brabant hebben in hun vergadering van 10 juli 2015 de Verordening ruimte 2014 opnieuw vastgesteld. Deze verordening is op 15 juli 2015 in werking getreden.
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
ruimtelijke kwaliteit;
stedelijke ontwikkelingen;
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
overige ontwikkelingen in het buitengebied.
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering.
Het plan is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied.
3.4 Gemeente
3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
3.4.2 Overige gemeentelijke structuurvisies
3.4.2.1 Structuurvisie linten oude stad
De Structuurvisie linten is vastgesteld omdat de huidige bestemmingsplannen onvoldoende de gewenste kwaliteit in de linten te sturen. Naast ruimtelijke aspecten (o.a. hoogte/ breedte nieuwbouw) is ook de eenzijdige gerichtheid van ontwikkelaars op appartementen een punt van zorg. Er wordt (te) kolossaal (in hoogte en breedte) gebouwd, winkels verdwijnen, er is steeds meer leegstand, historische panden worden gesloopt en er is een gebrek aan kwaliteit van de openbare ruimte. Kortom, de linten gaan in zijn algemeenheid in sfeer en functie achteruit en de roep om meer bijsturing wordt steeds luider. Algemene wens is te komen tot een introductie van een nieuwe manier van omgaan met de linten (dit gaat niet alleen om het bouwen, maar ook om de contacten met bewoners, ondernemers, de inrichting openbare ruimte etc.). Deze manier moet meer bijdragen en beter aansluiten op het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost. De linten zijn erg belangrijk voor de economie van Tilburg. Circa 10% van de werkgelegenheid en 21% van het aantal winkels (met 17% van de winkelvloeroppervlakte) bevinden zich in de linten. De goede bereikbaarheid, de sterke menging van functies en de aanwezigheid van bekende winkels zijn sterke punten.
In de structuurvisie wordt een onderscheid gemaakt tussen bedrijvige en rustige linten:
bedrijvige linten: Bedrijvige linten kenmerken zich door relatief veel doorgaand verkeer met veel bedrijven en winkels (meer dan 20%). Samen met de ringbanen vormen de 'bedrijvige linten' het huidige ontsluitingssysteem voor auto's in de Oude Stad;
rustige linten: In deze linten ligt het accent op de functie wonen (min. 80%). De bedrijvigheid is hier ondergeschikt.
Doelen
De doelen met betrekking tot rustige en bedrijvige linten in de Oude Stad zijn de volgende:
bescherming van de historische structuur en het erfgoed, alsmede aandacht voor de historische uitstraling van de linten: naast behoud van de meest waardevolle beeldbepalende ensembles kan de historie in de linten als randvoorwaarde, inspiratiebron of referentie voor nieuwe ontwikkelingen benut worden;
vergroten van de herkenbaarheid van de linten en hun identiteit (openbare ruimte en verkeer;
introductie van een nieuwe manier van bouwen die meer bijdraagt aan het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost;
behoud en stimulering van de dynamiek van de bedrijvige linten: onder dynamiek wordt verstaan de combinatie van doorgaand verkeer en de aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid winkels en bedrijven (meer dan 20%);
behoud en bevordering van de diversiteit van het wonen aan de linten met respect voor de historische perceelsgewijze bouwwijze van woningen en door beperking van de mogelijkheden van appartementenbouw.
Visie en uitvoeringsprogramma
De visie op de linten volgt de drie thema's ruimtelijke ordening (met de subthema's detailhandel/bedrijvigheid, wonen, cultuurhistorie en stedenbouw), openbare ruimte en samenwerking met partijen op de linten.
Ruimtelijke ordening:
I Detailhandel/bedrijvigheid
versterken dynamiek en levendigheid in de linten
de linten economisch vitaal houden (o.a. ondernemersklimaat op peil houden)
- maatregelen detailhandel/bedrijvigheid
A. De dynamiek concentreren in bedrijvige linten
B. Stimuleren de broedplaatsfunctie in bedrijvig linten
C. Investeren in samenwerking tussen overheid en ondernemers
II Wonen
behouden en versterken van de diversiteit in bebouwing en bewoning
beperken van appartementenbouw
historisch karakter van de linten als woonkwaliteit behouden
- maatregelen wonen
A. Aanpassing van de functie wonen in bestemmingsplannen
B. Aanpassing van richtlijnen bouwbreedte en bouwhoogte (K1,'korrel overig')
C. Stimuleren van nieuwe woonvormen
III Cultuurhistorie
inzet erfgoed (objecten en structuur) als randvoorwaarde voor beheer en ontwikkeling
meer zorg voor historische bebouwing en de kenmerkende korrelgrootte
behoud van ensembles
- maatregelen cultuurhistorie
A. Planologisch vastleggen van cultuurhistorische ensembles
B. Formaliseren in de systematiek van de beheerbestemmingsplannen
C. Visie linten effectueren binnen specifieke planologische mogelijkheden
D. Stimuleren van hergebruik van waardevolle ensembles en monumenten
E. Investeren in uitstraling en communicatie van/over de linten
IV Stedenbouw
zorgvuldiger omgaan met de linten door aandacht voor:
de korrel, maat en schaal van de bebouwing
aanwijzing van ensembles
aandacht voor de overgang van de linten naar de buurt
benadrukken van het verschil tussen monofunctionele woongebieden achter de linten en rustige en bedrijvige linten door een andere manier van bouwen (bijv. grotere diversiteit of meer stedelijke woningtypes aan de bedrijvige linten)
aandacht voor diversiteit in de linten
- maatregelen stedenbouw
A. Beperking van de bouwbreedte en bouwhoogte
B. Niet alleen kijken naar de bebouwingswand, maar naar de volledige diepte van het perceel
C. Ondergronds parkeren is niet verplicht. Het is wel verplicht om parkeerplaatsen mee te verkopen.
D. Door het beschermen van ensembles verwanding (= te lange en brede gebouwen) tegengaan
V Openbare ruimte
behouden en versterken van de herkenbaarheid en continuïteit van de linten
investeren in de kwaliteit, uitstraling en aantrekkelijkheid van de openbare ruimte
- maatregelen openbare ruimte
A. Afstemmen van evt. hogere eisen in de bedrijvige linten met beheer en onderhoud bedrijvige linten
B. Groen waar het kan
C. Meer aandacht voor het verblijfskarakter
D. Efficiënter omgaan met parkeren
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402007.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402007.jpg)
E. Toepassen van principeprofielen voor rustige en bedrijvige linten
F. Bij herinrichting linten aansluiten op het Meerjarenprogramma
VI Samenwerking
het collectief belang van de linten benadrukken en uitdragen
bedrijvigheid op bedrijvige linten vitaal houden
gezamenlijke laagdrempelige projecten opzetten
- maatregelen samenwerking
Voortzetten lintenmanagement op de Korvelseweg en Besterdring
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402008.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402008.png)
Structuurvisie Linten oude stad: bedrijvige en rustige linten
Rondom het plangebied is de Kwaadeinstraat aangewezen als bedrijvig lint.
3.4.2.2 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP)
Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het vervolg van de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Daarin geeft Tilburg haar beleidsmatige invulling aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in het vGRP.
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
4.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
Historische geografie
Het plangebied ligt ten noorden van die Scijve, een voormalig open complex van akkers en gemeijnt, gelegen op een ovaalvormig plateau tussen de herdgangen de Reit, Hasselt, Veldhoven, Heuvel, Korvel en Berkdijk, ten zuidwesten van het voormalige kasteel van Tilburg;
Op historische kaarten is het landgebruik tot het midden van de twintigste eeuw als agrarisch te typeren. De locatie van het plangebied behoorde dan ook tot het akkerareaal dat resorteerde onder het voormalige kasteel van de heren van Tilburg. Waarschijnlijk werden deze gronden ontgonnen vanuit de zuidelijker in de huidige Bouwmeestersbuurt gelegen Waterhoef (nu gesloopt, ook wel Pijlijserhoeve genoemd);
De iets ten noorden van het plangebied gelegen Tongerlose Hoefstraat vormt de oude verbindingsas tussen de herdgang Veldhoven in het oosten en de Tongerlose Hoef, behorend tot de Reit, in het westen; de Hasseltstraat die ruim ten noordoosten van het plangebied is gelegen, was tot aan de aanleg van de Hasseltrotonde in 1961 de verbindingsweg tussen de herdgangen Veldhoven en Hasselt.
Op het beschikbaar historisch kaartmateriaal (1760-1955) is geen historische bebouwing in of nabij de planlocatie weergegeven.
Vanaf de jaren 1940-50 werd de omgeving stelselmatig ingevuld met bebouwing als laatste fase van het Uitbreidingsplan in Hoofdzaak dat sterk stoelde op de principes van ir. J. Rückert.
De bebouwing in de directe omgeving van het plangebied is sterk gerelateerd aan het parochiecomplex van OLV van de Vrede dat onder meer bestond uit een kerkgebouw, een pastorie, een parochiehuis en enkele lagere scholen met gymzaal en werd gebouwd in de jaren vanaf 1953. Delen van dit complex zijn in het afgelopen decennium gesloopt waardoor de samenhang van de samenstellende onderdelen sterk verminderd is.
Archeologie
AMK: in of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen op de Archeologische Monumenten Kaart.
IKAW: het plangebied is niet gekarteerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi): het plangebied is gebied is gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting.
In of direct grenzend aan het plangebied zijn geen archeologische waarnemingen bekend.
Het plangebied ligt circa 250 meter ten zuidwesten van het kasteel van Tilburg (Archisnr. 17203). Het terrein waarop het kasteel lag, werd in de jaren tachtig van de twintigste eeuw archeologisch onderzocht waarbij vondsten uit de periode 1500-1800 werden gedaan.
In 2005 is ten behoeve van het beheerbestemmingsplan Hasselt/Soeij door Fontys Hogescholen/BILAN een cultuurhistorisch en archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd: Tilburg, Hasselt-De Soeij, Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek, rapport BILAN, ISSN:1572-3194-2005, 2005. Dit onderzoek is echter te globaal om nauwkeurige uitspraken over de archeologische verwachtingswaarde te kunnen doen.
Op historische kaarten komt in het plangebied geen bebouwing voor. Deze verschijnt pas wanneer in de jaren vanaf 1953 het parochiecomplex met scholen tot stand komt.
De archeologische verwachting op de planlocatie is door de onbekende bodemverstoring van het parochie- en scholencomplex niet duidelijk.
Om de archeologische verwachtingswaarde van de planlocatie nader vast te stellen, is het uitvoeren van een verstoringsonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd en de uitkomst hiervan heeft geleid tot een dubbel bestemming Waarde-Archeologie.
Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen.
In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). In het plangebied komen geen panden voor uit die periode. Aan de ten noorden van het plangebied gelegen Tongerlose Hoefstraat bevinden zich nog diverse gebouwen uit de MIP-periode. Grotendeels betreft dit bebouwing uit de eerste helft van de twintigste eeuw.
Historische structuren: de respectievelijk ten zuiden en ten westen van het plangebied gelegen Tongerlose Hoefstraat en de Ringbaan-West zijn op de Cultuurhistorische Waarden Kaart van de provincie Noord-Brabant aangeduid als lijnen met een historisch geografisch hoge waarde.
Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. Enkele van de nog resterende delen van het parochie- scholencomplex worden daarin als waardevol aangeduid. Dit zijn de oudste delen van de voormalige Norbertus MAVO en de aan de Jacob Romansstraat gelegen gymzaal.
Voor de Vredeskerk (Ringbaan West 96) loopt een aanwijzingsprocedure als gemeentelijk monument. Het kerkgebouw wordt niet meer als zodanig gebruikt en er wordt gewerkt aan een hergebruikplan.
Advies
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.
Vanuit archeologie wordt geadviseerd een dubbel bestemming Waarde-Archeologie op het plangebied te leggen, omdat gebleken is dat een gedeelte van het plangebied niet verstoord is en daar mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn.
4.3 Volkshuisvesting
WoonVisie en Kwalitatief WoningBehoefteOnderzoek/KWBO
Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de WoonVisie is aangegeven dat –ondanks accentverschuiving naar de bestaande woningvoorraad– de nieuwbouwopgave voor Tilburg nog steeds een belangrijk thema is, gegeven de natuurlijke aanwas, gezinsverdunning en immigratie.
Centraal in de WoonVisie –met de focus op 2020– staat de gemeentelijke opgave te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus als basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, zodat zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen en trends (w.o. demografie, individualisering, zelfredzaamheid & betaalbaarheid, identiteit/ beleving); dit geldt zowel de woning als de woonomgeving/woonmilieu.
Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften/ klantvraag wordt gebruik gemaakt van een woonmilieutypologie. Hierbij wordt primair –naar analogie van de rijksoverheid– onderscheid gemaakt in vijf woonmilieus: Centrum-Stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-Stedelijk, (Centrum-)Dorps en Landelijk. Per stadsdeel/gebied wordt aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan de gewenste woonmilieuvariatie te kunnen voldoen. Per stadsdeel (/binnengemeentelijk woningmarktgebied) wordt aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan de gewenste woonmilieuvariatie te kunnen voldoen.
In het plan H.v.Tulderstraat is rekening gehouden met de woonmilieu(differentiatie)opgave, in dit geval het voorzien in de vraag naar, resp. versterking van wonen in een Stedelijk-buiten-centrum woonmilieu. Voldoende differentiatie aan woonmilieus is nodig om aan de vraag(variatie) van de woonconsument tegemoet te kunnen komen. Hiermee wordt basis geboden voor andere woningbehoefte-aspecten/woonkwaliteiten; in dit geval met name betreffende goedkope sociale woningbouw.
Woonkwaliteiten
Naast woonmilieudifferentiatie is meer variatie in het aanbod van nieuwbouwwoningen geboden. Enerzijds komt dit voort uit de maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering, ontgroening & vergrijzing, anderzijds heeft dit te maken met de verander(en)de klantvraag, die ook steeds kwalitatiever van aard is. Aspecten waarop met name sturing plaatsvindt, zijn het aandeel appartementen in bouwplannen, het percentage goedkope (huur)woningen, de beschikbaarheid van kavels voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw, het percentage levensloop-bestendige nieuwbouw en het voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW).
Aandeel goedkope (huur)woningen
Om omvang en spreiding, als ook de kwaliteit van de voorraad aan goedkope/betaalbare huurwoningen optimaal te houden, wordt voor de nieuwbouwopgave zo veel mogelijk een productie-aandeel van 15% aangehouden, waar nuttig en mogelijk aangevuld met tot 15% goedkope koop (e.e.a. conform de WoonVisie). Deze opgave dient, juist ook vanuit differentiatiebevordering, voornamelijk gerealiseerd te worden op de grotere inbreidings- en uitleglocaties.
Dit plan (22 woningen) is er specifiek op gericht om bij te dragen aan het voorzien in de behoefte aan goedkope sociale huurwoningen.
Levensloopbestendige nieuwbouw(/ wonen met zorg)
De huisvesting van zorgbehoevenden (m.n. ouderen en gehandicapten) is een belangrijk aandachtspunt van het Tilburgse woonbeleid. Een belangrijke doelstelling is dat deze groep zoveel mogelijk gemengd met de overige bevolking kan wonen.
Ter bevordering van de maatschappelijke participatie streeft de gemeente Tilburg er naar dat alle nieuwe woningen zo worden gebouwd dat ze minimaal toegankelijk (bezoekbaar) zijn voor mensen met een fysieke beperking. Verder moeten –in relatie tot de vergrijzing en de zelfredzaamheid van burgers– zo veel mogelijk nieuwbouwwoningen “levensloopbestendig” worden ontwikkeld, dan wel daartoe eenvoudig aanpasbaar zijn. Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", i.c. woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers (te maken) zijn op entreeniveau van de woning.
Daarenboven bestaat het streven dat er voldoende welzijns- en zorgdiensten in de nabijheid zijn, dan wel gerealiseerd worden. Hiertoe is het concept van de Servicewijken/woonservicezones ontwikkeld, waarbij woon-, welzijn- en zorgdiensten op gebiedsniveau optimaal op elkaar worden afgestemd. Bij nieuwe uitleglocaties dient invulling aan dit concept te worden geven.
Zie voor concrete ontwerphandreikingen de Werkwijzer Levensloopbestendigheid & toegankelijkheid 2.0.
Politiekeurmerk Veilig Wonen
Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw.
Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast (i.c. certificering plaatsvindt), zowel op woningniveau, als ook op het niveau van de woonomgeving.
4.4 Groen en speelruimte
4.4.1 Bomennota Tilburg boomT
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402009.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402009.png)
Boomwaardezoneringskaart
Maatregelen in bestemmingsplan
De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op een bijlagekaart (Boomwaardekaart) bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8m en 15m vanuit het hart van de desbetreffende boom.
Bomen in het plangebied
Aan de noord- en westzijde van het projectgebied staan twee rijen met Esdoorns (Acer plataniodes en Acer saccharinum) en een rij met Kastanjes (Aesculus hippocastanum). Hiervan heeft één boom de status ‘Gemeentelijk potentieel waardevol’. Deze rijen bomen worden behouden, met uitzondering van de boom aan de Hendrik van Tulderstraat die in de verharding naast het fietspad staat. Op deze plek wordt een Esdoorn (Acer plantaniodes) herplant.
Aan de Jacob Romanstraat staan drie Esdoorns (Acer plataniodes). Deze hebben een verminderde conditie en komen te dicht op de verharding te staan en zijn daarom niet te behouden. Deze worden vervangen door drie nieuwe Esdoorns (Acer plataniodes).
Er staan zeven bomen midden in het plangebied (Fagus sylvatica (2x), Prunus avium, Salix matsudana turtuosa (2x), Sorbus aucuparia en Picea omorika). In verband met de nieuwe ontwikkelingen kunnen deze niet behouden blijven. In een beplantingsvak midden in de ontwikkeling worden drie nader te bepalen bomen herplant en op de parkeerplaats worden vijf nader te bepalen bomen herplant.
In totaal worden er 11 bomen gekapt en er komen 11 nieuwe bomen voor terug in het plangebied. Per saldo blijft het aantal bomen dan ook gelijk.
4.4.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
4.4.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.
De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de
mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.
Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
4.5 Verkeer en parkeren
4.5.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)
Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:
Algemeen
De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen;
alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.
Autoverkeer
Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde;
voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Sinds 2010 wordt dynamisch verkeersmanagemental ingezet om de doorstroming te optimaliseren.
Parkeren
Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012.
Goederenvervoer
Tot 2015 groeit het goederenvervoer sterk. Tilburg heeft de ambitie om de regionale functie in overslag en logistiek verder uit te bouwen. Hierbij wordt ernaar gestreefd dat het goederenvervoer het stedelijk wegennet zo beperkt mogelijk belast. De tangenten zullen zo aantrekkelijk moeten zijn ten opzichte van de ringbanen dat het goederenvervoer vanzelf voor deze route kiest. Goederenvervoer over de weg met een herkomst of bestemming in de regio Tilburg moet waar mogelijk worden afgewikkeld om de stad Tilburg heen. De huidige overslagvoorzieningen zijn gevestigd op bedrijventerrein Loven. Daarnaast maakt een aantal bedrijven gelegen aan het Wilhelminakanaal rechtstreeks gebruik van vervoer over water. Tilburg streeft ernaar om de beschikbare multimodale voorzieningen te behouden en bij toenemende vraag verder uit te bouwen. De gemeente ontwikkelt hiertoe een hoofdnet goederenvervoer waarmee een goede uitwisseling tussen vervoerwijzen mogelijk wordt.
Mobiliteitsmanagement
Om de automobiliteit te beperken probeert de gemeente Tilburg de vraag te beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan het verbeteren van het openbaar vervoer en fietsvoorzieningen en het vergroten van overstapmogelijkheden tussen vervoerwijzen. Daarnaast wordt aan vraagbeïnvloeding gedaan door het autoverkeer te reguleren via het doorrekenen van kosten of het opleggen van restricties (bijv. parkeerbeleid). Naast de inzet van de gemeente kunnen vooral bedrijven het nodige doen om de vervoerwijzekeuze voor hun medewerkers en/of bezoekers te beïnvloeden. Dit begint al bij de locatiekeuze van een bedrijf. De gemeente stimuleert de aandacht voor vervoermanagement. Via de wet worden eisen gesteld aan milieuprestaties door bedrijven, onder meer op het vlak van vervoer. De gemeente handhaaft door te controleren op de gestelde eisen. De gemeente stimuleert, faciliteert en handhaaft de uitvoering van vervoermanagement ten aanzien van bedrijven met een grote vervoersstroom, bedrijven in de oude stad (binnen- en aan de ringbanen) en bedrijven op nieuwe bedrijventerreinen.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402010.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402010.jpg)
Categorisering wegen
4.5.2 Verkeer in en rondom het plangebied
INLEIDING
In de Nota Mobiliteit geeft het Rijk haar visie op het gebied van mobiliteit, bereikbaarheid, ruimte, milieu en leefbaarheid. In deze nota is de Mobiliteitstoets/Mobiliteitsscan aangekondigd als instrument voor het beter betrekken van verkeers- en vervoersaspecten bij ruimtelijke processen. De scan is bedoeld om na te gaan of er tijdig en voldoende maatregelen worden genomen om een veilige bereikbaarheid te waarborgen. Daarnaast kan het ook een hulpmiddel zijn om maatregelen te nemen om eventuele negatieve gevolgen voor de veiligheid en leefbaarheid te voorkomen. De mobiliteitsscan dient inzichtelijk te maken hoeveel verplaatsingen de ontwikkeling tot gevolg heeft. Verder dienen aspecten als openbaar vervoer, langzaam verkeer, bereikbaarheid, verkeersveiligheid en de gevolgen voor het onderliggende wegennet aan de orde te komen. Kortom, de Mobiliteitsscan dient aan te tonen of er sprake is van "een goede ruimtelijke ordening" vanuit het aspect mobiliteit.
VERKEERSONTSLUITING
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402011.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402011.png)
Autoverkeer
De belangrijkste ontsluiting van het gebied vindt plaats vanuit de zuidkant via de Kwaadeindstraat (A) en (B) Kwaadeindstraat - Oscar Leeuwstraat. Via A wordt een parkeerterrein bereikt van 22 parkeerplaatsen en via B het noordoostelijk deel met 11 parkeerplaatsen. Ook is het gebied bereikbaar vanuit de noordelijke zijde via de Tongerlose Hoefstraat - Jacob Romansstraat (C).
Langzaam verkeer
Voor (brom)fietsverkeer gelden ook deze ontsluitingsmogelijkheden. Bovendien is er vanuit de noordelijke zijde van de Hendrik van Tulderstraat een mogelijkheid het gebied te bereiken met de (brom)fiets (D).
Calamiteitenontsluiting
Voor brandweer, ambulance en politie gelden ook de ontsluitingsmogelijkheden zoals bij het autoverkeer
maar is er ook nog een mogelijkheid de fietsontsluiting vanuit de noordzijde te gebruiken (D). Dit is een weg die is afgesloten voor het reguliere autoverkeer door middel van een paal die verwijderbaar is voor bijzondere transporten, brandweer, ambulance en politie.
Openbaar Vervoer
Het gebied is ook met het Openbaar Vervoer bereikbaar. In de directe nabijheid liggen vier Openbaar Vervoer haltes:
Bushalte oostzijde Ringbaan West (300 - 400m)
Buslijn 300 naar Den Bosch via Efteling (2x per uur)
Buslijn 301 naar Den Bosch via Waalwijk(1-2 per uur)
Buslijn 136 naar Den Bosch via Waalwijk (2x per uur)
Bushalte westzijde Ringbaan West (300 - 400m)
Buslijn 301 naar Tilburg Centraal Station (2x per uur)
Buslijn 136 naar Tilburg Centraal Station (2x per uur)
Buslijn 300 naar Tilburg Centraal Station (2x per uur)
Bushalte oostzijde Waterhoefstraat (170 -200m)
Buslijn 6 naar West (2x per uur)
Bushalte westzijde Waterhoefstraat (150 -200m)
Buslijn 6: van Stokhasselt Noord (2x per uur)
De loopafstanden naar de haltes zijn aanvaardbaar omdat deze liggen binnen de acceptabele grens van 300 - 400 meter behorende bij een ontsluitend Openbaar Vervoernet conform de CROW richtlijnen.
HUIDIGE VERKEERSAFWIKKELING
In de huidige situatie is de verkeersafwikkeling van en naar het gebied als goed te kwalificeren. De afwikkeling is goed vanuit het gebied gezien naar de Kwaadeindstraat zelfs in de ochtend- en avondspits. Wel komt soms voor dat verkeer komende vanuit de Jacob Romansstraat linkafslaand naar de Kwaadeindstraat lastig kan invoegen op de Kwaadeindstraat ten gevolge van de wachtrijen voor het kruispunt Kwaadeindstraat/Waterhoefstraat. Dit is acceptabel omdat dit zich in zeer beperkte mate manifesteert. Bovendien zal het meeste verkeer zich vanuit het gebied afwikkelen richting de Ringbaan West waar het invoegen in de wachtrij van het kruispunt Ringbaan West/Kwaadeindstraat makkelijker is omdat dit kruispunt verder weg ligt.
Gezien de ligging van de basisschool De Vijf Hoeven zijn er wel zgn. piekbelastingen in de omliggende wegen. Het gaat dan om ouders die in de ochtend tussen 8.00 en 8.30 uur de kinderen met de auto brengen en tussen 15.00 en 15.30 uur de kinderen halen. Dit leidt vanuit verkeerafwikkelingoogpunt niet tot problemen.
TOEKOMSTIGE VERKEERSAFWIKKELING
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402012.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402012.jpg)
In totaal worden 22 woningen gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel gemotoriseerd verkeer het plan genereert is gebruik gemaakt van de kencijfers van het CROW (www.verkeersgeneratie.nl). De verkeersgeneratie bedraagt 75 mvt/etmaal op werkdagen en 71 mvt/etmaal weekdagen. Dit aantal voertuigen is een te verwaarlozen aandeel in het totaal aantal verkeersbewegingen in de directe omliggende straten (zie hiervoor hiernaast afgebeelde uitsnede uit het verkeersmodel van Tilburg prognosejaar 2030 met de intensiteit gemotoriseerd verkeer in mvt/etmaal). Dit aantal zal dan ook niet tot afwikkelingsproblemen op de Kwaadeindstraat tot gevolg hebben.
VERKEERSVEILIGHEID
De door de politie geregistreerde en beschikbare verkeersongevallen in de periode van 2010 t/m 2015 in de directe omgeving van het plangebied zijn geen aanleiding om de infrastructuur aan te passen om de verkeersveiligheid te verbeteren. Er zijn geen ongevalsconcentraties zichtbaar.
30 KM ZONE
Het plangebied gaat onderdeel uitmaken van een omgeving waar een 30km/uur snelheidsregime geldt. Aanvullende voorzieningen zoals snelheidsremmers zijn in en aansluitend op het gebied niet nodig. De infrastructuur is Duurzaam Veilig vormgegeven, dit betekent dat het gebruik en de vormgeving van de wegen op de erftoegangsfunctie van de wegen goed is afgestemd waardoor de snelheid van het verkeer laag is en de verkeersveiligheid van de gebruikers van het gebied kan worden gewaarborgd.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402013.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402013.jpg)
PARKEREN
De parkeercapaciteit wordt geboden binnen het plangebied. Er worden 33 parkeerplaatsen gerealiseerd. De gehanteerde parkeernorm daarbij is 1,5 per woning (22 woningen).
Op de locatie waar de ontwikkeling is voorzien, wordt in de huidige situatie geparkeerd op een onoffcieel onverhard terrein. Er is een parkeeronderzoek gehouden (veldonderzoek; zie bijlage 2) om te kunnen vast te stellen of de behoefte om te parkeren op dit terrein kan worden "opgevangen" in de directe woonomgeving op een acceptabele loopafstand. Op dinsdag 5 juli en donderdag 7 juli 2016 is de bezetting gemeten van dit terrein en in de straten binnen een loopafstand van 100 - 150 meter. De gemiddelde bezetting om 23.00 uur, als het merendeel van de bewoners thuis was, was 9%, het gaat dan om 6 auto's die op het terrein stonden. In de nieuwe situatie kunnen deze auto's hier niet meer staan. De directe omgeving binnen een loopafstand van 100 - 150 meter biedt dan ruimschoots voldoende parkeermogelijkheden. In de directe omgeving zijn er dan nog 168 - 239 parkeermogelijkheden.
Om 8.15 uur is het onofficieel terrein gemiddeld bezet met 10 auto's en om 15.00 uur met 9 auto's. Het gaat dan vooral om ouders die de kinderen komen brengen en halen met de auto naar basisschool De Vijf Hoeven. Nadat het plangebied is ingericht is er nog voldoende parkeercapaciteit in de directe omgeving beschikbaar. Het gaat dan om 21 parkeerplaatsen om 8.15 uur en 20 parkeerplaatsen om 15.00 uur die beschikbaar zijn voor of in de nabijheid van de Vredeskerk (Ringbaan West zijde) en aan de oostzijde in de Hendrik van Tulderstraat.
Conclusie
De bovenstaande mobiliteitsscan toont aan dat er sprake is van "een goede ruimtelijke ordening" vanuit het aspect mobiliteit.
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten
5.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
5.2 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Het plangebied ligt tegen het gemengde lint van de Kwaadeindstraat aan. Hoewel er in dit deel van de Kwaadeindstraat voornamelijk woningen aanwezig zijn, zijn er binnen de gemengde bestemming ook kleinschalige bedrijfjes toegestaan. Voor het overige deel wordt het plangebied omsloten door een maatschappelijke bestemming. Voor al deze bestemmingen zijn categorie A en B bedrijven uit de lijst functiemenging uit de VNG-brochure toegestaan. Omdat er geen sprake is van een aanpandige situatie wordt er voldaan aan de voorwaarde van de categorie A en B bedrijven. Hiermee is op de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.
5.3 Externe veiligheid
Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In bijlage 3Risico-inventarisatie en verantwoording Hendrik van Tulderstraat zijn de risicobronnen die relevant zijn (binnen het invloedsgebied liggen) geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoortrajecten Breda - Tilburg en Tilburg - Vught en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in dezelfde bijlage.
Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin de ontwikkelingslocatie aan de Hendrik van Tulderstraat ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;
Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;
Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
Conclusies en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van drie transportroutes gevaarlijke stoffen. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie bijlage 3 Risico-inventarisatie en verantwoording Hendrik van Tulderstraat). De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft middels een mail d.d. 22 september 2016 aangegeven dat gebruik gemaakt mag worden van het standaardadvies 2016. De relevante inbreng van dit advies is verwerkt in de verantwoording groepsrisico.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
Er bevinden zich geen PR 10-6-contouren van risicobronnen binnen het plangebied;
Aangezien het plan op >400 meter van de onderscheiden transportroutes ligt, neemt het groepsrisico van de verschillende risicobronnen in de toekomstige situatie niet toe;
De bereikbaarheid van het plangebied is goed;
Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.
In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem). Dit biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen;
De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing;
Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk;
De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
5.4 Vuurwerk
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
5.5 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
5.5.1 Wegverkeerlawaai
De nieuw te realiseren woningen zijn gelegen binnen de wettelijke zone van de Ringbaan West en de Kwaadeindstraat. Op de overige wegen rondom het plangebied (o.a. de Jacob Romansstraat en de Hendrik van Tulderstraat) is de Wgh niet van toepassing omdat hier maximaal 30 km/uur gereden mag worden.
Voor nieuwe woningen geldt volgens de Wet geluidhinder een voorkeurgrenswaarde van 48dB.
De optredende geluidbelasting t.g.v. de gezoneerde wegen is berekend op een hoogte van 1.5, 4.5 en 7.5 meter met behulp van het geluidkarteringsmodel VL 2030. Voor alle gezoneerde wegen geldt dat de geluidbelasting kleiner gelijk is aan de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48dB. Dit betekent dat verdere toetsing aan de Wgh niet noodzakelijk is. Omdat de voorkeurgrenswaarde van 48dB niet wordt overschreden is er ook geen noodzaak om hogere waarden voor wegverkeer vast te stellen.
De maximale geluidbelasting, exclusief toepassing van de wettelijke aftrek op basis van artikel 110g Wgh, van alle wegen tezamen (gezoneerd en niet-gezoneerd) bedraagt 55dB.
Voor alle woningen geldt dat zij ten minste beschikken over één geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte (cumulatieve geluidbelasting kleiner gelijk dan 55dB). Dit betekent dat voor alle woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd is.
5.5.2 Railverkeerlawaai
De geluidbelasting t.g.v. het spoortraject Breda-Tilburg-Eindhoven/Den Bosch is berekend op basis van het Geluidregister spoor en bedraagt maximaal 47dB. Dit betekent dat de wettelijke voorkeurgrens-waarde van 55dB niet wordt overschreden en verdere toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder niet noodzakelijk
5.5.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
5.5.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
5.6 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan dat voorziet in de realisatie van ca. 20 grondgebonden woningen wordt gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), aanwezig. Vanuit de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen, bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
5.7 Geur
Industriële geur
In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.
Agrarische geur
In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.
5.8 Bodem
Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Op de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402014.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402014.jpg)
Globale onderzoekslocatie
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402015.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402015.jpg)
Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone wonen.
Ter plaatse van het bestemmingsplan is bij de gemeente Tilburg het volgende bodemonderzoek bekend:
Historisch bodemonderzoek, Hendrik van Tulderstraat 4 te Tilburg (d.d 14 december 1998). Rapportcode SquitXO AA085505681)
Het rapport is niet opgevraagd uit het archief. In Squid XO zijn geen nadere gegevens bekend.
Erfverharding/slootdempingen
Op de locatie van het bestemmingsplan is een niet gespecificeerde demping aanwezig (zie onderstaande kaart).
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402016.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402016.jpg)
Ondergrondse tank
Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op de locatie een ondergrondse tank aanwezig is geweest. Deze staat geregistreerd als 'buiten gebruik' (zie onderstaande kaart)
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402017.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402017.jpg)
Conclusie
Omdat van de locatie zelf geen bodemonderzoeksgegevens bekend zijn, dient voor het verkrijgen van een bouwvergunning een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
5.9 Natuur en Ecologie
Natuur
Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in de Structuurvisie en Verordening Ruimte vastgelegd.
De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de Europees beschermde Natura-2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er n.a.v. projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied (of Beschermd Natuurmonument) zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën, en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Dat betekent dat onnodige en onevenredige schade aan planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Voor soorten uit tabel 1 geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. vogels. Van deze laatste groep is een lijst opgesteld met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op dan dient er gekeken te worden of er compenserende en mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen. Voor soorten van 'tabel 2' geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door het goedgekeurde gedragscode. Als passende maatregelen niet mogelijk zijn dan dient er een ontheffing aangevraagd te worden op grond van een belang behorende bij het beschermingsregime waaronder de soort beschermd wordt.
De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het Natuurnetwerk. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van het Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
Op 1 januari 2017 treedt de Wet Natuurbescherming in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet en Boswet. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een onderdeel soorten- bescherming (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een onderdeel gebiedsbescherming (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet). De Wet Natuurbescherming voorziet in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast verschuift onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies.
Onder de Wet Natuurbescherming verandert de bescherming van Natura 2000-gebieden slechts beperkt ten opzichte van de Natuurbeschermingswet. Het onderdeel soortenbescherming verandert echter wezenlijk ten opzichte van de huidige Flora- en faunawet. Ten eerste zijn de soortenlijsten en indeling in beschermingsstatus van veel soorten veranderd. Met uitzondering van vogels gelden voor beschermde soorten slechts twee categorieën, namelijk nationaal beschermd en internationaal beschermd. De bescherming van soorten kan per provincie gaan verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Provincie Noord-Brabant heeft nog geen verordening hiervoor vastgesteld. De verbodsbepalingen in de Wet Natuurbescherming zijn anders geformuleerd dan in de Flora- en faunawet. De toetsing van effecten op beschermde soorten zal daardoor naar alle waarschijnlijkheid veranderen. De gevolgen van de gewijzigde formuleringen zal uit jurisprudentie moeten blijken.
Om op een ontwikkelingsgerichte manier invulling te geven aan de wettelijke beschermingsstatus van gebouw bewonende diersoorten, heeft Gemeente Tilburg het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg opgesteld. Hieraan is een gebiedsontheffing Flora- en faunawet gekoppeld, waar initiatiefnemers van bestemmings-
plannen in de Oude Stad (het gebied begrensd door het Wilhelminakanaal, A58 en bosgebieden aan de westzijde van Tilburg) gebruik van kunnen maken. Initiatiefnemers van ontwikkelingen met mogelijke effecten op de gebouw bewonende soorten huismus, gierzwaluw en vleermuizen hoeven in dat geval niet meer afzonderlijk jaarrond onderzoek uit te voeren of een ontheffing aan te vragen. In plaats daarvan gelden een aantal voorwaarden uit het SMP, zoals het uitvoeren van een omgevingscheck voorafgaand aan de werkzaamheden, het werken volgens het "Ecologisch Werkprotocol SMP" en het aanbrengen van faunavoorzieningen in nieuwbouw.
Analyse plangebied
Natuurbeschermingswet
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op 5,4 kilometer. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren (Wandelbos en Oude Warande), liggen op circa 1,7 kilometer van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling redelijkerwijs uit te sluiten.
Flora- en faunawet
Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Deze is als bijlage 4 bij het bestemmingsplan toegevoegd. Om te voldoen aan de ontheffingseisen dient men de maatregelen uit het "Ecologisch Werkprotocol SMP" in acht te nemen. Tevens worden voorzieningen voor gebouw bewonende soorten opgenomen in de nieuwbouw.
Tevens zijn in het gebied begroeiingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen, in de vorm van bomen en struiken. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Flora- en faunawet kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.
Voor overige soortgroepen geldt dat het plangebied uitsluitend geschikt is als vaste rust- en verblijfplaats van soorten van het lichtste beschermingsniveau (tabel 1 van de Flora- en faunawet). Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.
Conclusie
Vanuit de Natuurbeschermingswet zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.
Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de Flora- en faunawet worden uitgevoerd, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
De sloop van de aanwezige bebouwing wordt uitgevoerd conform het Ecologisch Protocol SMP, gekoppeld aan het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg. Tevens worden verblijfplaatsen voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen gerealiseerd in de nieuwbouw.
Begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.
Hoofdstuk 6 Wateraspecten
Bestaand watersysteem
Het Tilburgs stedelijke watersysteem is omschreven in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2019. De gebiedskenmerken van dit plangebied zijn de in de bestaande situatie in tabel 1 weergegeven.
Tabel 1. Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
In plangebied |
|
Stroomgebied |
Zandleij |
|
Waterbeheerders |
Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel |
|
Bruto oppervlakte |
4.800m² |
|
Terreinhoogte |
+ 13,8 - 14,3m NAP |
|
Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) |
+ 11,75 - 12,00m NAP |
|
Ontwateringdiepte |
1,9 - 2,25m |
|
Bodem |
Sterkzandige leemlenzen dikker dan 1m |
|
Riolering |
gemengd stelsel |
|
Afkoppelgebied |
Niet van toepassing |
|
Oppervlaktewater |
n.v.t. |
|
Keur beschermde gebieden |
Zie afbeelding 1 |
Het afvalwater en het regenwater worden gecombineerd ingezameld en getransporteerd tot de zuiveringsinstallatie Tilburg. Bij hevige neerslag treden de riool overstorten in werking; het met regenwater verdund afvalwater wordt geloosd op het oppervlaktewater.
Het plangebied ligt binnen een Keur beschermd gebied. Op die gebieden berust een antiverdrogingsbeleid, waardoor ontwikkelingen mogen plaatsvinden onder hydrologisch neutrale omstandigheden.
Het waterschap hanteert hier de algemene regels verhard oppervlak de gevoeligheidsfactor 1. Dit betekent dat er per 1m2 60mm berging noodzakelijk is voor plannen met een toename van 2000m2 verhard oppervlak, dat geloosd wordt op het oppervlaktewatersysteem van het waterschap. In dit planinitiatief is sprake van een binnenstedelijk plan, waarbij geen sprake is van rechtstreekse lozing op het oppervlaktewatersysteem. Hierdoor conformeert het waterschap zich aan het stedelijk waterbeleid van de gemeente Tilburg. ![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402018.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402018.png)
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402019.jpg [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402019.jpg)
Afbeelding 1. Keur beschermde gebieden
De referentiesituatie wat de afvoerende oppervlakten betreft is de bestaande situatie. In tabel 2 zijn de bestaande afvoeroppervlakten weergegeven.
Tabel 2. Afvoerende oppervlakten in de bestaande referentiesituatie
|
Oppervlakten * |
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) |
Afvoerende Oppervlakte naar riolering (m²) |
Totaal (m²) |
|
Dak |
0 |
900 |
900 |
|
Verharding particulier |
650 |
650 |
1.300 |
|
Openbare ruimte |
165 |
165 |
330 |
|
Open water(berging) |
0 |
0 |
0 |
|
Groen |
2.100 |
0 |
2.100 |
|
Totaal (m²) |
2.915 |
1.715 |
4.630 |
* Bron: gbk-T en luchtfoto
Beleidskader
Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016 - 2021 vastgesteld. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap : samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meer waarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het vGRP 2016-2020, vastgesteld november 2016. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.
Duurzaam watersysteem
De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van het terrein / vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze terreinhoogten moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:
Voldoende ontwateringdiepte;
De water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende voor de nieuwe functie van de ruimte;
De vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten;
Aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte);
Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen;
Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreem neerslag.
De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
Schijngrondwaterspiegels
Door de bodemsamenstelling kan het regenwater lokaal stagneren in zijn neerwaartse weg naar het grondwater. In dat geval blijft het regenwater 'hangen' in de bodem. Er kunnen zogenaamde schijngrondwaterspiegels ontstaan. Dat water kan zorgen voor overlast. Om dat te voorkomen is het mogelijk ondiepe drainage aan te leggen binnen het plangebied. Deze drainage mag geen water afvoeren onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), namelijk NAP +12.00m. De afvoer van het gedraineerde water wordt aangesloten op de regenwaterafvoer van de woningen.
Het plangebied is bij de referentiesituatie deels verhard en wordt afgewaterd door middel van de bestaande gemengde riolering. Een deel van de bestaande verharding watert af naar het aanwezige groen. De afvoerende oppervlakten in de nieuwe situatie zijn bepaald op basis van de verbeelding en bijhorende regels en aannames voor oppervlakten waarvan afgewaterd kan worden. In tabel 3 zijn deze oppervlakten weergegeven. De afvoerende oppervlakte neemt toe ten opzichte van de bestaande / referentie situatie met 2.263m².
tabel 3. Afvoerende oppervlakten in de plansituatie
|
Oppervlakten
|
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) |
Afvoerende Oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Percelen* |
0 |
2.003 |
2.003 |
|
Openbare ruimte |
0 |
1.975 |
1.975 |
|
Open water(berging) |
0 |
0 |
0 |
|
Groen |
645 |
0 |
645 |
|
Totaal (m²) |
645 |
3.978 |
4.623 |
* Bestemming wonen en erf: kan 100% worden verhard.
Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen, als het regenwater valt op de afvoerende oppervlakten van daken en verharding en verder afstroomt.
Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren) in zijn weg tussen de afvoerende oppervlakken en de infra voor inzamelen (bergen) zoals de riolering, de blauwe aders, wadi's e.d. Mogelijkheden hiervoor zijn:
Minder afvoerende oppervlakken inrichten (ontharden)
Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen;
Groene daken;
Water opvangen in poelen, regentonnen e.d;
Waterdoorlatende verharding;
Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk.
Waterberging
De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is significant: de toename van afvoerende oppervlakte is 2.263m2. Dit is meer dan 2.000m². Daarom wordt er een bergingseis vastgesteld voor deze ontwikkeling. Deze opgave is bepaald conform het verbreed rioleringsplan 2016-2019: het aandeel van de bestaande afvoerende oppervlakten wordt bepaald op basis van de prestaties van het bestaande watersysteem; voor de nieuwe afvoerende oppervlakten is de regenduurlijn van T10+10% gehanteerd. De bergingsopgave van het plangebied is op basis van de beschikbare gegevens 129m³. In tabel 4 wordt deze bergingsopgave weergegeven. Bij de uitwerking van het plan dient de bergingsopgave eventueel bijgesteld te worden als wijzigingen in het ontwerp van het plan leiden tot afwijkende afvoerende oppervlakken.
Tabel 4. Bergingsopgave
|
Oppervlakten |
m² |
Rekenachtergrond |
m³ |
|
Bestaande |
1.715 |
15,8mm |
27 |
|
Nieuwe |
2.263 |
Regenduurlijn (8 uur, 45mm) |
102 |
|
Totaal |
3.978 |
-- |
129 |
Gezien de hoogte van grondwaterstand ten opzichte van maaiveld is de aanleg van waterberging binnen het plangebied niet onredelijk. Het water kan lokaal worden geïnfiltreerd. Aandachtspunt hierbij zijn de aanwezige leemlagen. Voorkomen moet worden dat dit leidt tot grondwaterproblemen. In de bergingseis is geen rekening gehouden met infiltratie.
Bouwpeil
Bij extreme neerslag in het bestaande watersysteem, stijgen de waterniveaus tot het maaiveld als de afvoer-
en bergingscapaciteit volledig benut zijn. De laag gelegen delen worden als eerst overstroomd. In eerste instantie wordt het regenwater in de openbare ruimte opgevangen (berging op straat). Hiervoor is het van belang dat de (toekomstige) openbare ruimte lager ligt dan de aangrenzende percelen. Afhankelijk van diverse factoren, zoals de locatie ten opzichte van het afvoersysteem, de maaiveldverloop, enz. kan deze overstroming hinder en zelfs schade veroorzaken. Uit de verkenning kan men concluderen dat het plangebied bij extreme neerslag water op straat voorkomt. Daarom adviseert de gemeente de initiatiefnemer om de vloerpeilen bij bebouwing minimaal 15 cm hoger dan de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) te kiezen, om de kans op onacceptabele schade zo veel mogelijk te verkleinen bij extreme neerslag.
Watertoets
De impact van dit plangebied op het watersysteem is beperkt. De aanpak volgt het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Het bij het proces van de watertoets bijhorende wateroverleg wordt daarom maximaal verkort gevolgd. De opzet van het watersysteem is omschreven in deze waterparagraaf en direct verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het waterschap heeft dan ook geen voorlopig wateradvies verstrekt. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt dan ook (direct) verstrekt bij de terinzagelegging. Op 27 januari 2017 heeft het waterschap een positief wateradvies gegeven.
Hoofdstuk 7 Opzet planregels
7.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.
7.2.1 Bouwvlak en erf
De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.
Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.
In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.
Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
7.2.2 Bouwdiepte
De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken.
7.2.3 Bouwhoogte
De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte:
structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in:
bedrijvige linten;
rustige linten;
hoofdstructuur nieuwe gebieden;
overige gebieden.
Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen-1, Wonen-2 en Wonen-3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402020.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2016020-e001_402020.png)
Structuurbeeld Plansystematiek
7.2.4 Goothoogte
De toegelaten hoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd.
In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen.
7.2.5 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied:
oppervlakte:
20m2 indien erf kleiner is dan 50m2;
40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2;
80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2;
100m2 bij erf vanaf 1000m2;
bouwhoogte:
maximaal 3m bij plat dak;
bij schuin dak goothoogte maximaal 3m;
bouwhoogte maximaal 4,5m.
N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen.
In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan:
75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²;
150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²;
200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²;
terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.
In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
Groen
Verkeer- en verblijf
Wonen
Waarde-Archeologie
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
Vaak geeft het plan het college de bevoegdheid om afwijking van de bouwregels toe te staan.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Soms is een bestemmingsartikel is aangevuld met een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde (denk bijvoorbeeld aan graafwerkzaamheden).
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:
Anti-dubbeltelregel
Artikel 8 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.
Algemene bouwregels
Artikel 9 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.
Algemene gebruiksregels
In artikel 10 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Specifiek voor dit bestemmingsplan is hierin een voorwaardelijke verpliching opgenomen voor de opgave van een waterberging. Deze moet binnen de bestemming 'wonen' en/of 'verkeer-verblijf' worden gerealiseerd.
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 11.
Specifiek voor dit bestemmingsplan is hier een afwijking opgenomen ten behoeve van de oppervlakte van de waterberging.
Algemene wijzigingsregels
Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 13.
Overige regels
Burgemeester en wethouders zijn middels artikel 14 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.
7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels
Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid
De financieel-economische uitvoerbaarheid
Simpel gezegd houdt deze eis van economische en financiële uitvoerbaarheid in dat het realistisch moet zijn om te verwachten dat tijdens de “levensduur” (10 jaar) van het bestemmingsplan de ontwikkelingen die door het plan worden mogelijk gemaakt, ook daadwerkelijk (kunnen) worden gerealiseerd. Wij hebben het hier dus in feite over het “realiteitsgehalte” van het bestemmingsplan.
De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van 22 woningen in het betaalbare segment. De woningbouwcorporatie die eigenaar wordt van de woningen heeft reeds in de vorm van een intentieovereenkomst aangegeven deze woningen te willen realiseren. Gezien er voldoende behoefte is naar woningen in het betaalbare segment en de intentie door de woningbouwcorporatie reeds is uitgesproken wordt het plan financieel-economisch uitvoerbaar geacht.
Kostenverhaal
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst.
Op 19 december heeft de gemeenteraad besloten om voor de Hendrik van Tulderstraat 4 een grondexploitatie te openenen met een verwacht negatief resultaat van €268.000,- en hiervoor een krediet beschikbaar te stellen (voor voorbereiding en uitvoering) van €603.000,-. Voor de beoogde ontwikkeling verkoopt de gemeente de grond aan de woningbouwcorporatie. Uit de opbrengst van de grondverkoop kan de gemeente een deel van haar kosten verhalen. Het restant wordt verhaald uit het gemeentelijke herstructureringsfonds.
Eventuele planschadeclaims zijn voor rekening van de gemeente en zullen ten laste worden gebracht van de beschikbare risicoreserve van het grondbedrijf.
Gezien het bovenstaande wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht en is het kostenverhaal verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is zodoende niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg
9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan is op 22 juli 2016 gepubliceerd in Gemeenteblad.
9.2 Burgerparticipatie
In 2016 hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden met Basisschool de Vijf Hoeven over de plannen.
Op 5 juli 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden met de Praochie Peerke Donders, waarin de plannen zijn toegelicht. De parochie is positief over de mix van woningen (senioren en eengezinswoningen) in de sociale huursector.
Op 17 oktober 2016 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een informatieavond gehouden in Basisschool de Vijf Hoeven. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Daarnaast is het eerste concept van de verbeelding gepresenteerd. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Voor de reacties op deze avond zie bijlage 5.
9.3 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 16 januari 2017 tot en met 27 februari 2017. Tijdens deze periode zijn er zes zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder in bijlage 6 zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.
N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009).