direct naar inhoud van Regels

Buitengebied Zuidwest, 3e herziening (Rillaerse Baan 5)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2016002-e001
Plantype: gemeentelijke overheid/bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding voor bestemmingsplan

Er is door Waterschap Brabantse Delta een verzoek om herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Zuidwest ingediend voor de aanleg en instandhouding van een ecologische verbindingszone langs de Oude Leij, nabij Rillaerse Baan 5 te Tilburg. Deze ecologische verbindingszone wordt gerealiseerd op de kadastrale percelen Tilburg, sectie E, nrs. 2241, 2243 en 2245, waarbij het zo is dat laatstgenoemd perceel reeds een natuurbestemming heeft. Om dit mogelijk te maken wordt grond geruild met de eigenaar van Rillaerse Baan 5 en krijgen de kadastrale percelen Tilburg, sectie E, nrs. 1883, 2246 en 2247 een agrarische bestemming (met waarden). Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat grosso modo de kadastrale percelen Tilburg, sectie E, nrs. 1883, 1915, 2241, 2242, 2243, 2244, 2246 en 2247.

 [image]

Afbeelding: ligging plangebied in Tilburg

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan vervangt ter plaatse van haar plangebied het bestemmingsplan Buitengebied Zuidwest, vastgesteld door de gemeenteraad op 26 februari 2010.

 

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

2.2 Provincie

 

2.2.1 Structuurvisie

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:

 

Inhoud van de Structuurvisie

Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

Deel B

In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

 
Deel C

Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).

Uitwerking van de Structuurvisie

De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij. Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.

2.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014

Provinciale Staten van Noord Brabant hebben in hun vergadering van 10 juli 2015 de Verordening ruimte 2014

opnieuw vastgesteld. Deze verordening is op 15 juli 2015 in werking getreden.

In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.

 

Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

 

Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.

 

Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering.

 

Ecologische verbindingszone langs/over de Oude Leij

De onderhavige ecologische verbindingszone is als zodanig aangegeven in de provinciale Verordening ruimte. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de feitelijke realisatie en instandhouding mogelijk. Het initiatief past in het ter zake doende provinciale beleid.

2.3 Gemeente

 

2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

  1. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

  1. De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

  1. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

Ecologische verbindingszone langs/over de Oude Leij

Zoals hierboven wordt opgemerkt bestaat de aan de westzijde van de stad gelegen 'regionale ecologische verbindingszone' uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de feitelijke realisatie van een ecologische verbindingszone langs de Oude Leij mogelijk en past daarmee in de gemeentelijke Omgevingsvisie.

2.3.2 Overige gemeentelijke structuurvisies

 

2.3.2.1 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP)

Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het vervolg van de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Daarin geeft Tilburg haar beleidsmatige invulling aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in het vGRP.

 

Hoofdstuk 3 Archeologie en cultuurhistorie

 

3.1 Historische geografie

3.2 Archeologie

3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

 

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat er geen bezwaar tegen het initiatief. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.

 

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

 

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven, die invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG-brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar, die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Het plan ligt in het agrarisch gebied tussen het bedrijventerrein Katsbogten en de bebouwde kom van Riel. Op dit moment is voor het betreffende bedrijf geen vergunning aanwezig voor het houden van dieren. Omdat het conform de verordening Ruimte niet mogelijk is om zonder nadere onderbouwing te starten met een veehouderij is voor deze beoordeling uitsluitend gekeken naar agrarische activiteiten, die niet gerelateerd zijn aan een veehouderij.

Voor de ontwikkeling van de ecologische zone wordt het bouwvlak van het agrarische bedrijf iets opgeschoven richting het bedrijventerrein. Door deze wijziging wordt de afstand van het bouwvlak tot aan de naastgelegen gevoelige bestemming (horeca met bedrijfswoning) verkleind. Voor de niet-veehouderij bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter en daar wordt ruimschoots aan voldaan. Zo kan ten aanzien van omliggende gevoelige bestemmingen een goed woon- en leefklimaat garandeert worden.

4.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);

  2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;

  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

4.3.1 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

De wijziging omvat het verleggen van het bouwvlak vanwege een nog aan te leggen ecologische verbindingszone. Het bouwvlak schuift iets op richting het oosten. Binnen het toegevoegde oostelijke vlak wordt geen bedrijfswoning toegestaan. Dit betekent dat bij het verplaatsen van de woning deze niet verder in oostelijke richting kan opschuiven dan in de bestaande situatie.

Doordat er geen sprake is van een toename van het aantal personen noch de mogelijkheid de woning te verplaatsen buiten het voormalig bouwvlak blijven de bestaande risico's afkomstig van omliggende bronnen (hogedrukaardgasleiding, Bevi-inrichting aan de Marga Klompéweg 10 en de A58) gelijk. Aangezien de risico's niet wijzigen, en er slechts sprake is van het verplaatsen van het bouwvlak zonder dat dit leidt tot een verhoging van de risico's, heeft er geen invulling plaatsgevonden van de verantwoordingsplicht t.a.v. het groepsrisico.

 

4.3.2 Conclusie en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A58. Het betreft echter een wijziging van het bouwvlak waarbij de woning niet op kortere afstand kan worden geplaatst ten opzichte van risicovolle inrichtingen en transporten dan in de huidige situatie. Daarmee wijzigen de risico's niet ten opzichte van de bestaande situatie. De verantwoordingsplicht is daarom niet ingevuld.

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.4 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.5 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

 

Wegverkeerslawaai/ Railverkeerslawaai/ Industrielawaai/luchtvaartlawaai

Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.
De normen uit de Wet geluidhinder zijn niet van toepassing.

4.6 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

Op verzoek van waterschap Brabantse Delta wordt ten behoeve van een Ecologische verbindingszone een strook agrarische grond langs de Oude Leij bestemd tot Natuur en gebeurt oostelijk in het plangebied het omgekeerde ter compensatie. Vanuit luchtkwaliteit zijn hier geen bezwaren tegen. Verder onderzoek is niet noodzakelijk.

4.7 Geur

 

4.7.1 Industriële geur

In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

4.7.2 Agrarische geur

Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) zijn ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel

(V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

 

Binnen het plan worden geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt.

4.8 Bodem

Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Op de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld.

 

Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone landbouw en natuur.

Binnen het plangebied zijn bij de gemeente Tilburg geen actuele onderzoeken beschikbaar. Op de locatie is een verdachtmaking ( 1 demping) ten aanzien van de bodemkwaliteit aanwezig. Bij toekomstige herontwikkeling dient er rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige verontreinigingen.

 

In diverse delen van Noord-Brabant worden verhoogde gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waarbij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten. Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op de locatie geen ondergrondse tank aanwezig is geweest.

Omdat van de locatie zelf geen bodemonderzoeks gegevens bekend zijn, dient voor het verkrijgen van een bouwvergunning een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

4.9 Natuur en ecologie

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde soorten (Flora- en faunawet).

Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

4.9.1 Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

 

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

 

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

 

Er zijn drie mogelijkheden:

  1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.

  2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.

  3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

 

Analyse plangebied

Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag. Dit Natura 2000-gebied ligt het dichtstbij: ruim 750 meter ten zuiden van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied heeft een doelstelling voor 7 habitatttypen. De Regte Heide & Riels Laag liggen tussen de beken Lei en Poppelsche Leij, waarvan de laatste buiten de begrenzing valt. Het gebied is te verdelen in de beekdalen en het daar buiten gelegen licht golvende dekzandlandschap waarin hier en daar lage duingebiedjes voorkomen. Het gebied bestaat uit droge en vochtige heide, moerassige laagten, zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen. (Bron: Ministerie van Economische Zaken).

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten.

4.9.2 Natuurnetwerk Brabant

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is het Natuurnetwerk Brabant (ook bekend als Ecologische Hoofdstructuur) begrensd. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot het Natuurnetwerk Brabant.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Brabant is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van het Natuurnetwerk Brabant worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

 

Analyse plangebied

De Oude Leije, bovenstrooms Bels Lijntje met beheertype N03.01 Beek en Bron ligt binnen het Natuurnetwerk Brabant. De bestemmingswijziging betreft echter enkel de naastgelegen strook agrarisch gebied en de strook ruigte vegetatie aan de oostzijde van het plangebied. Deze gebieden vallen buiten het Natuurnetwerk Brabant.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen negatieve effecten hebben op het in het Natuurnetwerk Brabant gelegen gebied de Oude Leije. De gebieden voor de bestemmingswijziging vallen buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant.

4.9.3 Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het Natuurnetwerk Nederland. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Analyse plangebied

De strook naar de Leij is onderdeel van de groenblauwe mantel. De bestemmingswijziging betreft echter enkel de naastgelegen strook agrarisch gebied en de strook ruigte vegetatie aan de oostzijde van het plangebied.

 

Conclusie

De terreindelen waarvoor de bestemming wordt gewijzigd zijn als Groenblauwe mantel begrenst. De ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat deze geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de Groenblauwe mantel.

4.9.4 Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

 

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

 

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

 

Analyse plangebied

Door een deskundige ecoloog van de gemeente Tilburg is het plangebied op basis van bronnenonderzoek (Nationale Databank Flora en Fauna) en een verkennend veldonderzoek (op 09-03-2016 en 14-04-2016) op (potentieel) aanwezige beschermde soorten geanalyseerd.

 

Dit bestemmingsplan voorziet in omvorming van een strook van 3.800 m2 agrarische grond naar natuur. Ter compensatie wordt een strook van 4.700 m2 ten oosten van zijn land bestemd tot agrarische grond.

In het plangebied is bebouwing aanwezig, deze blijft echter volledig gehandhaafd in de nieuwe situatie. Rondom de bebouwing is een maisakker aanwezig en aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich een ruige strook vegetatie met daarnaast twee poelen. De poelen zijn niet binnen het plangebied gelegen. De maisakker en ruige strook vegetatie zijn gescheiden door een perceelsloot. Aan de westzijde van het plangebied bevindt zich de Oude Leije, een gekanaliseerde beek met daarin een overstortstuw.

 

Het plangebied is ongeschikt voor tabel 2 en 3 beschermde vaatplanten. Op basis van bronnenonderzoek zijn geen beschermde vaatplanten aanwezig of geschikt habitat ontbreekt. Verblijfplaatsen of essentieel leefgebied voor tabel 2 en 3 grondgebonden zoogdieren zijn afwezig; boomnesten van eekhoorn zijn niet aanwezig en vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter zijn niet te verwachten.

 

De bebouwing binnen het plangebied is geschikt voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen aanwezig zijn in de bebouwing. Diverse vleermuissoorten (vnl. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) zijn overvliegend en foeragerend het plangebied te verwachten. De Oude Leije is geschikt als vliegroute voor vleermuizen. Voor beide functies heeft het plangebied geen essentiële betekenis. Veel vergelijkbaar habitat - als alternatief - rondom het plangebied is aanwezig en de werkzaamheden voorzien niet in aantasting van de functionaliteit.

Het plangebied is geschikt voor amfibieën uit tabel 3 van de Flora- en faunawet. Op 9 maart 2016 zijn vinpootsalamanders aangetroffen in de perceelsloot tussen de maisakker en de ruige strook vegetatie aan de oostzijde van het plangebied. Het voorkomen van andere zwaarder beschermde soorten amfibieën of reptielen wordt op basis van hun verspreiding en het aanwezige habitat uitgesloten.

 

Het plangebied is geschikt voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en als essentieel functioneel leefgebied voor huismus. Voortplantingsplaatsen kunnen zich bevinden onder de dakpannen van de woning. Geschikt functioneel leefgebied is aanwezig rondom de bebouwing.

 

De aanwezigheid van groeiplaatsen, voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor andere beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten zijn gebaseerd op het huidige habitat in het plangebied op voorhand uit te sluiten.

 

Het plangebied is potentieel geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. In dit type habitat worden bezette vogelnesten verwacht van vnl. struik- en boombroeders.

Het plangebied is potentieel geschikt voor Flora- en faunawet tabel 1 soorten. Het gaat om vnl. verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën en groeiplaatsen van vaatplanten. Door het habitat zijn potentieel te verwachten soorten: vnl. egel, diverse soorten (spits)muizen, mol, konijn, bruine kikker, gewone pad, middelste groene kikker en kleine watersalamander.

 

Conclusie

Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en als niet essentiële vliegroute en niet essentieel foerageergebied. De bebouwing in het plangebied blijft volledig gehandhaafd. Schadelijke effecten door de geplande activiteiten treden hierop niet op. Het aanvragen van een ontheffing Flora- en faunawet is niet nodig.

 

In het plangebied is vinpootsalamander aangetroffen. De aanwezige watergang wordt t.b.v. het omvormen naar agrarische grond gedempt waardoor essentieel habitat van de vinpootsalamander verdwijnt. Ook kunnen door de werkzaamheden mogelijk vinpootsalamanders gedood of verwond worden. Ontheffing op de Flora- en faunawet dient aangevraagd te worden voor verstoring en vernieling van voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van de vinpootsalamander. Er dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden om schadelijke effecten op de vinpootsalamander teniet te doen. Deze maatregelen dienen door een ecologisch deskundige in een ecologisch werkprotocol te worden uitgewerkt.

 

Het plangebied is geschikt voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en als essentieel functioneel leefgebied voor huismus. De bebouwing en tuin in het plangebied blijft volledig gehandhaafd. Schadelijke effecten door de geplande activiteiten treden daardoor hierop niet op.

 

De aanwezigheid van groeiplaatsen, voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor andere beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten zijn gebaseerd op het huidige habitat in het plangebied op voorhand uit te sluiten.

 

Het plangebied is potentieel geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. Het treffen van mitigerende maatregelen om verstoring tijdens uitvoering van de geplande activiteiten te voorkomen is hiervoor nodig. In gebruik zijnde nesten van algemene vogels zijn strikt beschermd, daarbuiten mogen ze worden verwijderd. Uitgangspunt is dat de geplande activiteiten alleen kunnen worden uitgevoerd indien bezette nesten van algemene vogels niet worden verstoord. Om deze reden wordt geadviseerd te starten met de werkzaamheden in de periode 1 sept - 1 maart (buiten het vogelbroedseizoen). Afgestemd op de feitelijke planning van het project dienen de exacte voorzorgsmaatregelen te worden bepaald.

 

Er is in het plangebied kans op beschermde tabel 1 soorten (grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vaatplanten). Tabel 1-soorten zijn van een ontheffing vrijgesteld. Wel dient zorgvuldig te worden gehandeld hetgeen als doel heeft dat de aannemer actief moet optreden om alle mogelijke schade (doden, verwonden) aan de diersoort te voorkomen.

 

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

 

5.1 Inleiding

Ten behoeve van een aan te leggen EVZ wordt een stuk agrarische grond tot natuur gemaakt (langs de Oude Leij) en meer in het oosten van het plangebied wordt een strook natuur ter compensatie agrarisch. De omvang van het bouwblok van het agrarisch bedrijf op Rillaersebaan 5 blijft gelijk, wat er westelijk langs het water afgaat tbv de EVZ komt er oostelijk weer bij. De mate van verharding neemt niet toe.

Wel wordt de kavelsloot die nu de perceelsgrens vormt gedempt.

 

De aanleg van de EVZ is een uitwerking van het voorlopig ontwerp voor de bovenloop van de Oude Leij/Donge en de visie voor de Groote Leij/Hultensche Leij van waterschap Brabantse Delta . Het betreft een nadere uitwerking van de visie zoals opgenomen in de IGA bovenlopen De Donge (2008). Met de IGA maatregelen wordt invulling gegeven aan de regionale uitwerking van het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime. De EVZ is gericht op:

5.2 Bestaand watersysteem

 

Oppervlaktewaterhuishouding en riolering

Het belangrijkste natuurlijke oppervlaktewater in het plangebied wordt gevormd door de beek de Oude Leij, die ten noorden van de Bredaseweg de Donge wordt genoemd. In het plangebied komen geen zijwaterlopen voor van deze beek.

 

De Oude Leij/Donge heeft ten noorden van de A58 wel aantakkende watergangen, de Katsbogte en De Blaak. Daarnaast ontvangt deze beek bijdragen van de regenwaterstelsels van De Blaak en Katsbogte, via het gemaal Roseppad. In onderstaande figuur is een overzicht gegeven van het oppervlaktewater.

 [image]

 
Op basis van Europees, provinciaal en waterschapsbeleid heeft de Oude Leij/Donge de functies 'verweven' en 'ecologische verbindingszone' gekregen. Tevens is aan de beek de deelfunctie 'beekherstel' toegekend. Het peil van de Oude Leij/Donge wordt kunstmatig beheerd door middel van verschillende stuwen langs het hele tracé. Door aangepast onderhoud en inrichting, onder meer binnen het stedelijk gebied van Tilburg, zijn de leefomstandigheden voor vissen verbeterd.

 

Onder andere door snelle landbouwkundige afvoer en verstedelijking in het stroomgebied heeft dit gebied te kampen met verdroging. Wateraanvoer van elders is niet mogelijk. Hierdoor vindt regelmatig peilonderschrijding plaats. Ten behoeve hiervan zijn meerdere conserveringsstuwen aanwezig zodat het water zo lang mogelijk wordt vastgehouden.

 

In het plangebied is de bestaande bebouwing van de Rillaerseweg 5 aangesloten op het drukrioolstelsel, met een lozingsput in het gescheiden rioolstelsel van het bedrijventerrein Katsbogte. Al het afvalwater stroomt via dit stelsel in de richting van zuiveringsinstallatie Tilburg, in beheer van waterschap De Dommel.

 

Zowel het waterkwantiteits- als het waterkwaliteitsbeheer in het plangebied valt onder verantwoording van waterschap Brabantse Delta.

 

Het plangebied ligt in een beschermd gebied op basis van de Keur van het waterschap, het zogenaamde beschermd gebied waterhuishouding. Hiervoor geldt een antiverdrogingsbeleid, waardoor ontwikkelingen mogen plaatsvinden onder hydrologisch neutrale omstandigheden.

5.3 Duurzaam waterbeheer

Beleidskader

Het waterschap Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan 'Grenzeloos Verbindend' 2016 - 2021 vastgesteld op 14 oktober 2015. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: risico’s beheersen, duurzame ontwikkeling, maatschappelijk verantwoord en vernieuwend waterbeheer en effectief en efficiënt waterbeheer. Doel is een een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit). Meer concreet vertaalt zich dit in de doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast genoemd beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en over de Keur waterschap De Brabantse Delta (datum inwerkingtreding 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het vGRP 2016-2020 (verbreed gemeentelijke rioleringsplan) is vastgesteld in november 2015. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. In het vGRP is verder invulling gegeven aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.

 

Afwegingen

De ontwikkeling betreft alleen de aanleg van de EVZ in combinatie met de waterberging, wat bedoeld is om de waterhuishouding te verbeteren. Er zijn daardoor geen negatieve gevolgen van het plan op de waterhuishouding door de bestemmingswijziging. Indien de bestaande kavelsloot wordt gedempt, dient wel voldoende ontwatering te worden gerealiseerd voor het agrarische perceel. Om verdroging tegen te gaan dient indien de er een nieuwe kavelsloot oostelijk wordt aangelegd deze zo ondiep mogelijk te worden aangelegd.

 

Op basis van het vGRP en de plannen van het waterschap (voorlopig ontwerp bovenloop de Donge/Oude Leij) worden de volgende randvoorwaarden meegegeven voor de natuurontwikkeling:

5.4 Watertoets

De impact van het initiatief op het watersysteem is positief, en heeft plaats op verzoek van het waterschap. De aanpak volgt het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Het proces van de watertoets wordt daarom maximaal verkort gevolgd: de opzet van het watersysteem is geïntegreerd met de afwegingen van andere beleidsvelden, omschreven in deze waterparagraaf. E.e.a. is direct verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het waterschap heeft geen voorlopig wateradvies verstrekt. Het positieve advies van het waterschap in het kader van de watertoets is verstrekt bij brief d.d. 22 augustus 2016.

 

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6. van het Bro verplicht de bestemmingsplanwetgever een vast te stellen bestemmingsplan te doen vergezellen door een toelichting, waarin (o.a.) zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.2 van de Wro) is derhalve niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.

Waterschap Brabantse Delta is initiatiefnemer van het project. Bij het waterschap zijn ter dekking van de gemeentelijke plan- en apparaatskosten leges in rekening gebracht, welke ook reeds zijn voldaan. Met het waterschap is eveneens een overeenkomst inzake het verhaal van toe te kennen tegemoetkomingen in planschade gesloten. Gelet op het vorenstaande is het plan economisch uitvoerbaar. Ten behoeve van de feitelijke uitvoering hebben het waterschap en de eigenaar van Rillaersebaan 5 c.a. een overeenkomst inzake grondruil gesloten.

 

Hoofdstuk 7 Burgerparticipatie en overleg

 

7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied Zuidwest, 3e herziening (Rillaerse Baan 5) op 1 april 2016 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties:

 

INSTANTIE

DATUM VERZENDING

ONTVANGST REACTIE

OPMERKINGEN?

Provincie Noord-Brabant

10 mei 2016

27 mei 2016

geen

Gemeente Goirle

10 mei 2016

13 juni 2016

geen

 

 

 

 

Zie voor waterschap onderdeel 5.4 plantoelichting

 

 

 

 

 

7.3 Burgerparticipatie

Er is ten behoeve van het onderhavige plan geen burgerparticipatie uitgevoerd, vanwege de geringe ruimtelijke impact. Het plan bevat geen nieuwe bouwplannen. Bovendien zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen omwonenden, uitgezonderd de bij het plan betrokken eigenaar van Rillaersebaan 5.

7.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Zuidwest, 3e herziening (Rillaersebaan 5) heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 11 juli tot en met maandag 22 augustus 2016. Tijdens deze periode is er één zienswijze ingediend. Deze wordt hieronder samengevat weergegeven, met daarbij het standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijze. Zienswijzen van natuurlijke personen worden standaard geanonimiseerd weergegeven.

 

Zienswijze 1

In het ontwerpbestemmingsplan heeft het agrarische bedrijf aan Rillaersebaan 5 te Tilburg de bestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf gehouden. Dat is op zich juist. Volgens het vigerende plan kan er ter plaatse echter een grondgebonden veehouderij worden gestart. In het nu voorliggende ontwerpplan kan dat niet meer. Gezien de ligging van de locatie nabij de stad Tilburg en de dorpen Riel en Goirle ziet reclamant kansen om hier op termijn een biologische (stads)boerderij te ontwikkelen met een sterke verbondenheid met de stedelijke omgeving. Reclamant denkt hierbij aan het biologisch houden van vee en telen van gewassen en de verkoop van eigen gemaakte/geproduceerde producten in een landwinkel. Reclamant verzoekt om op zijn bouwblok een grondgebonden veehouderij rechtstreeks toe te staan in het bestemmingsplan. In het verlengde daarvan verzoekt reclamant om de begrippen veehouderij en grondgebonden veehouderij uit de provinciale Verordening ruimte 2014 (Vr), alsmede de criteria voor een grondgebonden veehouderij, zoals omschreven in artikel 8 van de Nadere regels Verordening ruimte 2014, in het plan op te nemen.

Standpunt gemeente

Het vigerende bestemmingsplan laat inderdaad een grondgebonden veehouderij toe op het bouwblok van reclamant. Thans is een dergelijk bedrijf ter plaatse overigens niet aanwezig. Voor zover de - sinds de vaststelling van het vigerende plan in 2010 overigens veranderde - provinciale regels dit toelaten, willen wij de mogelijkheid om op het bouwblok van reclamant een grondgebonden veehouderij te beginnen dan ook handhaven. In die zin is de zienswijze gegrond. Gelet op het feit dat het perceel in kwestie zich in de door de provincie als zodanig gekwalificeerde 'groenblauwe mantel' bevindt, en tevens binnen het gebied van de (eveneens door de provincie ingestelde) aanduiding 'beperkingen veehouderij', kunnen wij e.e.a. echter niet rechtstreeks toestaan. Wel zullen wij een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opnemen. De artikelen 25.1 en 6.3 van de provinciale Verordening ruimte zijn namelijk van toepassing. Deze artikelen gaan in samenhang bezien over veehouderijen in beperkingengebied in de groenblauwe mantel en maken (nieuw)vestiging van een grondgebonden veehouderij mogelijk, zij het onder voorwaarden (genoemd in het eerste lid van artikel 6.3). Teneinde deze voorwaarden mee te kunnen nemen zullen wij de mogelijkheid om een grondgebonden veehouderij te starten op het bouwblok van reclamant in het plan opnemen, zulks in de vorm van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Zoals reclamant verzoekt zal ook voor de begrippen 'veehouderij' en 'grondgebonden veehouderij' worden aangesloten bij de provinciale Verordening ruimte en de daarop gebaseerde Nadere regels.

Conclusie

De zienswijze is deels gegrond (de mogelijkheid bestaat en wordt behouden), deels ongegrond (rechtstreeks mogelijk maken is gelet op de Verordening ruimte niet mogelijk).