Vossenberg West II, 1e herziening (Polluxstraat e.o.)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2015032-e001 |
| Plantype: | gemeentelijke overheid/bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling
Er bestaat behoefte aan grote kavels op bedrijventerrein Vossenberg West II. Hiertoe worden kleinere kavels samengevoegd tot één kavel van circa 14 hectare en wordt de tussenliggende infrastructuur (wegen, riolering en watersysteem) bij het kavel gevoegd. Zodra er een omgevingsvergunning wordt ingediend, wordt door middel van een procedure ex artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 2o (kruimelgevallenregeling) op de wegbestemming bedrijfsontwikkeling mogelijk gemaakt. Het onderhavige bestemmingsplan regelt uitsluitend het mogelijk maken van een nieuwe ontsluitingsweg in het verlengde van de Polluxstraat evenwijdig aan het Wilhelminakanaal.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2015032-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2015032-e001_402000.png)
Globale ligging plangebied
In deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan dit initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen het geldend beleid. Er wordt voorts nader ingegaan op verschillende thematische beleidskaders. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied
Het plangebied omvat uitsluitend de gronden van de nieuw aan te leggen weg in het verlengde van de Polluxstraat, evenwijdig aan het kanaal.
Situering plangebied
1.3 Voorgaande plannen
Dit bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk het vigerend bestemmingsplan Vossenberg West II, vastgesteld op 19 maart 2012.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2015032-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2015032-e001_402002.png)
Uitsnede vigerend bestemmingsplan Vossenberg West II
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
2.1 Ruimtelijke en functionele structuur
De aan te leggen weg ligt aan de zuidzijde van bedrijventerrein Vossenberg West II. Direct ten zuiden hiervan ligt een geluidwal van circa 10m hoog. Vervolgens ligt er een groenstrook en het Wilhelminakanaal. Ten zuiden van het Wilhelminakanaal ligt de woonwijk Reeshof West. Een belangrijk deel van de gronden van bedrijventerrein Vossenberg West is reeds uitgegeven. De percelen direct ten noorden van de aan te leggen weg zijn nog onbebouwd. Vanwege de behoefte aan grote kavels worden enkele wegen aan de openbaarheid onttrokken en samengevoegd tot een groter kavel. Om een goede ontsluiting van het bedrijventerrein te behouden wordt voorzien in de aanleg van onderhavige weg. Vanuit de Polluxstraat zal de weg in noordwestelijke richting worden doorgetrokken en vervolgens een knik maken in noordelijke richting waarbij de weg aansluit op de Letostraat.
Ontwerp aan te leggen weg
2.2 Technische infrastructuur
Binnen het plangebied bevindt zich een belangrijke technische infrastructurele voorziening met ruimtelijke relevantie. Het gaat hierbij om de aardgasleiding Z-522-01 van de Gasunie. Voor de gasleiding inclusief de bijbehorende rechtstroken, is een dubbelbestemming opgenomen. Voor die leiding geldt een belemmeringen- strook van 4m aan weerszijden van de leiding.
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.
3.2 Rijk
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro.De SVIR heeft geen consequenties voor het onderhavige plangebied.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat onder andere een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.
Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. Bij het Barro zijn kaarten opgenomen welke de genoemde projecten in beeld brengen. De projectlocatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Op grond van artikel 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Artikel 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van artikel 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. Met dit bestemmingsplan wordt de aanleg van een weg mogelijk gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onlangs aangegeven dat aanleg van een weg wordt niet gezien als een 'andere stedelijke ontwikkeling' (zie ARBS 14 januari 2015, 201407302/1/R6).
3.3 Provincie
3.3.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten. In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:
De kwaliteit van het landschap;
De ontwikkeling van het buitengebied;
De regionale verstedelijking.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Deel C
Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.
Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
Uitsnede visiekaart Structuurvisie 2010-partiële herziening 2014 met in de blauwe cirkel globaal het plangebied aangeduid
Het plangebied is aangeduid als 'Brabantstad'. Dit heeft geen consequenties voor het onderhavige bestemmingsplan.
3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014
Provinciale Staten van Noord Brabant hebben in hun vergadering van 10 juli 2015 de Verordening ruimte 2014 opnieuw vastgesteld. Deze verordening is op 15 juli 2015 in werking getreden. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
ruimtelijke kwaliteit;
stedelijke ontwikkelingen;
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
overige ontwikkelingen in het buitengebied.
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering.
Het plangebied is aangeduid als 'Structuur - Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied. De voorgestane ontwikkeling is hier niet mee in strijd.
3.4 Gemeente
3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
3.4.2 Overige gemeentelijke structuurvisies
3.4.2.1 Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR)
In de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR) is het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgenomen, waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie.
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
4.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
Ten behoeve van bestemmingsplan Vossenberg West II is door BILAN-Fontys Hogescholen archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1 Archeologisch onderzoek). Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen in het gebied. In 2008 is voor het gebied vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd. Binnen het onderzoeksgebied zijn slechts op één plek archeologisch interessante grondsporen aangetroffen. Gezien de geringe spoordichtheid en het geringe oppervlakte waarop de sporen zijn waargenoemen lijkt het onwaarschijnlijk dat de sporen deel uitmaken van een nederzetting. Nader onderzoek is niet nodig.
4.3 Groen en speelruimte
4.3.1 Bomennota Tilburg boomT
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.
![i_NL.IMRO.0855.BSP2015032-e001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.BSP2015032-e001_402005.png)
Boomwaardezoneringskaart
Maatregelen in bestemmingsplan
De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn normaliter op een bijlagekaart (boomwaardekaart) bij het bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt vervolgens verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8 meter en 15 meter vanuit het hart van de desbetreffende boom. In dit bestemmingsplan zijn geen bomen gelegen die zijn opgenomen op de boomwaardekaart.
Boomwaardekaart Vossenbert West II
4.3.2 Nota Groen
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
het versterken en behouden van het natuurlijk groen.
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
4.3.3 Nota biodiversiteit
Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.
Doelstellingen nota biodiversiteit
De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.
In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.
Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.
Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
4.4 Bedrijvigheid
4.4.1 Kadernota Ruimte voor Bedrijven
In 1998 heeft de gemeenteraad de Kadernota Ruimte voor Bedrijven vastgesteld. Het doel van de nota is het oplossen van de knelpunten op korte termijn en het reserveren van voldoende ruimte op langere termijn om in de vraag naar bedrijventerreinen te kunnen voorzien. In de nota is de behoefte aan bedrijventerreinen in kaart gebracht. De behoefte is sterk afhankelijk van de conjunctuur en alleen globaal te ramen. De feitelijke ontwikkelingen ten aanzien van de vraag naar en het aanbod van nieuwe bedrijventerreinen worden gevolgd door middel van voortgangsrapportages. Op basis daarvan wordt het ontwikkelingsprogramma voor nieuwe bedrijventerreinen periodiek geactualiseerd, zowel kwantitatief als kwalitatief.
In de Voortgangsrapportage Bedrijventerreinen 2004 is de segmentering enigszins aangepast. Nieuwe bedrijventerreinen worden in drie segmenten verdeeld (kwalitatief):
grootschalig gemengd (kavels groter dan 2ha): voor milieuhinderlijke bedrijven (t/m categorie 5) en voor bedrijven die veel verkeer aantrekken, zoals grote verladers, transport en distributie;
kleinschalig gemengd (kavels tot 2ha): voor industrie (t/m categorie 4), ambacht, bouw, reparatie, groothandel, perifere detailhandel en kantoorachtige bedrijven;
lokaal gemengd (kavels tot 5.000m2): voor bedrijvigheid met een lokale afzet- of arbeidsmarkt, zoals installatie- of reparatiebedrijven. Op deze bedrijventerreinen behoort werken aan huis ook tot de mogelijkheden.
Het segment lokaal gemengd is te zien als verbijzondering van het segment kleinschalig gemengd en is te vinden in de dorpen en in woonwerkgebieden in het stedelijke gebied. Binnen de typen grootschalig en kleinschalig gemengd worden twee subtypen onderscheiden en wel standaardterreinen en hoogwaardige terreinen. Deze kwalitatieve segmentering is als uitgangspunt genomen in de Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020.
4.4.2 Regionale Agenda Werken
De lokale programmering van bedrijventerreinen wordt vanwege de provinciale verordening Ruimte vanaf 2012 op regionaal niveau afgestemd met de Hart van Brabant gemeenten. In december 2011 is de Regionale Agenda Werken (RAW) vastgesteld in het bestuurlijke Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van de regio Hart van Brabant met de provincie Noord-Brabant. De Regionale Agenda Werken bevat de programmering van nieuwe bedrijventerreinen in de regio Hart van Brabant en wordt jaarlijks in december herbevestigd of herijkt. De regionale bedrijventerreinenprogrammering is gebaseerd op een prognose voor de ruimtevraag naar nieuwe bedrijventerreinen die tenminste 1 keer per bestuursperiode door de provincie wordt opgesteld. Die prognose wordt aangevuld met gegevens over reeds bouwrijpe beschikbare kavels, restlocaties, strategische reserves, transformatie- en herstructureringsplannen. Bij de vigerende regionale bedrijventerreinenprogrammering hebben de regiogemeenten gekozen voor een prioritering van de bedrijventerreinen voor de speerpuntsectoren logistiek en aerospace & maintenance, de bedrijventerreinen bij kernen in het stedelijk gebied en bedrijventerreinen bij de kernen in het landelijk gebied. Naast de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen wordt in de Regionale Agenda Werken ook aandacht besteed aan de kwaliteit van bestaande werklocaties door afspraken te maken over de thema's zorgvuldig ruimtegebruik en de regionale herstructureringsopgave.
4.5 Verkeer en parkeren
4.5.1 Fietsplan Tilburg
Tilburg vindt fietsen belangrijk, want fietsen is goedkoop, snel en gezond. De stad geeft om haar luchtkwaliteit en mogelijkheden voor mobiliteit van haar inwoners. De gemeente ondersteunt dit met het vastgestelde fietsplan ´Tilburg Fietst, Fietsplan Tilburg 2005 - 2015´. Hierin staat omschreven hoe Tilburg steeds betere voorzieningen ontwikkelt om comfort en veiligheid voor fietsers te vergroten. Dit moet leiden tot een breder en intensiever fietsgebruik in de stad. De gemeente wil dit bereiken door onder meer in te zetten op:
het voltooien van het Sternet voor 2020;
doelgroepenbenadering (schoolgaande jeugd, allochtonen, winkelend publiek);
communicatie;
het ontwikkelen van een fietstransferium.
Daarnaast is er in de intensivering van het fietsplan (vastgesteld op 10 oktober 2006) besloten dat de kwaliteit op alle fietsroutes verder verbeterd moet worden, het Sternet in 2015 voltooid moet zijn en er meer maatregelen voor de specifieke doelgroepen moeten worden genomen. Tot slot is hierin ook besloten in te zetten op een uitgebreide communicatie. In het fietsplan is een uitgebreid uitvoeringsprogramma opgenomen. Het belangrijkste onderscheid dat gemaakt kan worden, is als volgt:
Infrastructureel: Het sternet wordt voor 2015 voltooid, ook kleinere fietspaden worden in asfalt aangelegd, het Sternet krijgt een sterk verbeterde verlichting, er wordt op grootschalige wijze onderhoud aan het sternet en de kleinere fietspaden uitgevoerd.
Beheer en onderhoud: Niet alleen wil de gemeente op alle Sternetroutes en fietspaden onderhoud plegen, ook wil de gemeente een grote kwaliteitsslag uitvoeren tijdens dit onderhoud.
Stallingsvoorzieningen: Er wordt een separaat stallingenplan opgesteld waarin voor alle knelpunten naar een oplossing wordt gezocht en waaraan een uitvoeringsprogramma komt te hangen.
Doelgroepenbenadering: Per doelgroep wordt bekeken welke middelen worden ingezet en wordt een uitgebreide campagne opgezet.
Communicatie: De centrale doelstelling van de communicatie is (meer) mensen vaker op de fiets krijgen en de bestaande fietsers behouden. Hier worden dan ook specifieke acties op ingezet die ook samenhangen met de uitvoeringsmaatregelen.
Ten zuiden van het plangebied, aan de andere zijde van de geluidwal, is een secundaire fietsroute gelegen. Met het onderhavige bestemmingsplan wordt daar niets in gewijdigd.
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten
5.1 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Het voorliggende plan maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk waarvoor bodemonderzoek nodig is. Om deze reden zijn bodemgegevens voor dit bestemmingsplan niet relevant. De bodemkwaliteit komt aan de orde bij eventuele bouwaanvragen, projectbesluiten en planherzieningen.
5.2 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
In oktober 2011 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor industrieterrein Vossenberg West II te Tilburg in het kader van een m.e.r. en een bestemmingsplan. Bij het verder uitwerken en invullen van het plangebied is gebleken dat er wijzigingen nodig zijn ten opzicht van de situatie uit 2011. De bebouwing komt anders te liggen (kleinschalige percelen worden vervangen door grootschalige percelen), een aantal wegvakken zal vervallen en aan de zuidzijde komt hiervoor een wegvak terug.
Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de gevolgen van de wijzigingen in beeld te brengen. In de memo (zie Bijlage 2 Memo akoestisch onderzoek) worden de resultaten van dit onderzoek toegelicht. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen of ter plaatse van de gevels van de bestaande woningen hinder ontstaat ten gevolge van wegverkeerslawaai en de wettelijke gevolgen daarvan. De berekeningsresultaten zijn getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geldende grenswaarden. Tevens is voor het totale wegverkeerslawaai van alle wegen op het industrieterrein Vossenberg West II een vergelijking gemaakt met de situatie in het onderzoek uit 2011.
Ten gevolge van het wegverkeer op het nieuw aan te leggen wegvak van de Polluxstraat bedraagt de geluidbe- lasting maximaal 29dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) ter plaatse van de woningen Dongensekanaaldijk 9 en 11. De voorkeursgrenswaarde van 48dB wordt niet overschreden waarmee nader onderzoek naar maatregelen achterwege kan blijven. De wijzigingen aan de wegenstructuur hebben nauwelijks effect op de geluidbelasting ten gevolge van het totale wegverkeer op industrieterrein Vossenberg West II ter plaatse van de woningen aan de Dongensekanaaldijk en in de Reeshof.
5.3 Luchtkwaliteit
Het bedrijventerrein Vossenberg West II is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) als "in betekende mate project", projectnummer 529. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid1 sub d van de Wet milieubeheer. Er hoeft geen verdere toetsing plaats te vinden.Hoewel juridisch gezien de luchtkwaliteit niet verder onderzocht hoeft te worden is destijds, mede naar aanleiding van vragen van omwonenden, onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit bij de omliggende woningen (bijlage II MER Vossenberg West II). Uit dit onderzoek (zie Bijlage 3 Luchtkwaliteitsonderzoek) blijkt dat in alle onderzochte prognosejaren, inclusief de bijdrage van het bedrijventerrein Vossenberg West II en omliggende bronnen, er voldaan wordt aan de luchtkwaliteitsnormen zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Het onderzoek is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
Uitgaande van het bovenstaande en dat de aanleg van deze weg er niet voor zorgt dat de verkeersintensiteiten op het totale terrein significant wijzigen c.q. toenemen is er geen aanvullend onderzoek nodig.
5.4 Natuur en Ecologie
5.4.1 Inleiding
Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde soorten (Flora- en faunawet). Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.
5.4.2 Natura 2000
Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.
Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.
In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.
Er zijn drie mogelijkheden:
Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.
Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.
Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.
Analyse plangebied
Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen liggen het dichtstbij: ruim 6,1 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied heeft een doelstelling voor 7 habitatttypen en 2 habitatsoorten. De Loonse en Drunense Duinen is een groot stuifzandgebied. In dit gebied zijn dikke pakketten dekzand afgezet. Deze dekzanden zijn in de loop der tijd begroeid geraakt met bos, maar door houtkap en overbeweiding kon het zand weer gaan stuiven en ontstonden de huidige Loonse en Drunense duinen. Het stuifzandgebied wordt omringd door uitgestrekte naald- en eikenbossen die aan de zuidkant aansluiten op de Brand, een beekdal met alluviale bossen, moeras en vennen. Enkele kilometers ten zuiden van het gebied liggen - geïsoleerd - de Leemkuilen. Dit gebied bevat vele gegraven plassen, omgeven door moerasbos. (Bron: Ministerie van Economische Zaken).
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten. De aanleg van deze extra weg op het industrieterrein zorgt niet voor extra verkeer en daarmee depositie van stikstof. De weg ontsluit alleen de (nog te bebouwen) kavels ter plaatse.
5.4.3 Natuurnetwerk Brabant
In de Verordening ruimte Noord-Brabant is het Natuurnetwerk Brabant (ook bekend als Ecologische Hoofdstructuur) begrensd. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypen- kaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot het Natuurnetwerk Brabant.
Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Brabant is het bijdragen aan een samenhang- end netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken. Indien de natuur- en landschapswaarden van het Natuurnetwerk Brabant worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.
Analyse plangebied
In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Natuurnetwerk Brabant (zie ook afbeelding 1). Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant is zuiden gelegen op ca. 50m. afstand van het plangebied. Dit perceel heeft het beheertype N16.02 Vochtig bos met productie. Hier weer ten zuiden van ligt gebied met het beheertype N04.02 Zoete Plas (het Wilhelminakanaal welke ook als ecologische verbindingszone is begrensd). Tussen het plangebied en het ten zuiden gelegen Natuurnetwerk Brabant ligt een hoge grondwal en dicht hekwerk welke een fysieke barrière is.
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Natuurnetwerk Nederland in de omgeving. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland.
Afbeelding 1 Ligging Natuurnetwerk Brabant (groen) en ecologische verbindingen (rood) rondom plangebied (oranje). Kaartbron: http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan
5.4.4 Groenblauwe mantel
De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het Natuurnetwerk Nederland. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
Analyse plangebied
In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Groenblauwe mantel. De dichtstbijzijnde
Groenblauwe mantel is ten westen van het plangebied gelegen op ruim 370m afstand (ten zuiden van het Wilhelminakanaal).
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Groenblauwe mantel. Het plangebied ligt niet in de Groenblauwe mantel en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel.
5.4.5 Flora- en faunawet
Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.
Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.
Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 van de Flora- en faunawet.
Analyse plangebied
Door een deskundige ecoloog van de gemeente Tilburg is het plangebied op basis van bronnenonderzoek (Nationale Databank Flora en Fauna) en een verkennend veldonderzoek (op 01-03-2016) op (potentieel) aanwezige beschermde soorten geanalyseerd. Dit bestemmingsplan voorziet in de aanleg van een weg. Deze nieuwe weg ligt in het zuidwestelijke deel van het industrieterrein Vossenberg (Tilburg, provincie Noord-Brabant) en verbindt de Polluxweg met de Letostraat. De nieuwe weg is voorzien op voormalig vlak landbouwgrond (maisland); thans ligt het terrein in een open landschap en braak. Open water, gebouwen, bomen, taluds en ondergrondse ruimten zijn derhalve afwezig. Getuige de sporen van crossmotoren wordt er met regelmaat in het plangebied gereden. Ten zuiden, over de volle lengte van het plangebied/tracé, is een hoge grondwal aangebracht.
De aanwezigheid van groeiplaatsen, voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten zijn gebaseerd op het huidige habitat in het plangebied op voorhand uit te sluiten.
Groeiplaatsen van beschermde vaatplanten zijn op deze verrijkte bodem afwezig en op basis van bronnenonderzoek niet te verwachten. Een groot deel van het plangebied is met gras begroeid. Verder staat er een brem, kleefkruid, pitrus, teunisbloem spec., riet, gewone braam, veldzuring en zwarte toorts.
Diverse vleermuissoorten (vnl. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) zijn overvliegend en foeragerend het plangebied te verwachten. Voor beide functies heeft het plangebied geen essentiële betekenis. Veel vergelijkbaar habitat - als alternatief - rondom het plangebied is aanwezig. In potentie kan de grondwal – zijnde een lijnvormige structuur – als vliegroute functioneren. Echter zullen vleermuizen dan de zuidkant benutten. De zuidzijde is veel meer in luwte van begroeiing gelegen en derhalve veiliger en voedselrijk(er).
Het actuele voorkomen van rugstreeppad is in Tilburg goed bekend (NDFF). Dichtstbijzijnde populatie bevindt zich ten oostnoordoosten, op ruim 2km afstand in het gebied Huis ter Heide (Leikeven). Tevens is er een onbevestigde waarneming van een rugstreeppad in het oostelijk deel van Vossenberg even ten zuiden van het Leikeven. Op basis van bronnen en de grote dichtheid van wegen (barrières) tussen het plangebied en de bekende voortplantingsplaatsen wordt rugstreeppad niet in het plangebied – op het land – verwacht.
Het plangebied is potentieel matig geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. In dit type habitat worden bezette vogelnesten verwacht van vnl. grondbroeders.
Het plangebied is potentieel geschikt voor Flora- en faunawet tabel 1 soorten. Het gaat om vnl. verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren en in mindere mate amfibieën. Door het habitat zijn potentieel te verwachten soorten: vnl. egel, huisspitsmuis en gewone pad. Daarnaast zijn konijnen aanwezig in de ten zuiden gelegen grondwal aanwezig (holen/burchten).
Conclusie
De aanwezigheid van groeiplaatsen, voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten is gebaseerd op het huidige habitat op voorhand uit te sluiten. Schadelijke effecten door de geplande activiteiten treden hierop niet op. Het aanvragen van een ontheffing Flora- en faunawet is niet nodig.
Het plangebied is potentieel geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. Het treffen van mitigerende maatregelen om verstoring tijdens uitvoering van de geplande activiteiten te voorkomen is hiervoor nodig. In gebruik zijnde nesten van algemene vogels zijn strikt beschermd, daarbuiten mogen ze worden verwijderd. Uitgangspunt is dat de geplande activiteiten alleen kunnen worden uitgevoerd indien bezette nesten van algemene vogels niet worden verstoord. Om deze reden wordt geadviseerd te starten met de werkzaamheden in de periode 1 sept - 1 maart (buiten het vogelbroedseizoen). Afgestemd op de feitelijke planning van het project dienen de exacte voorzorgsmaatregelen te worden bepaald.
Er is in het plangebied kans op beschermde tabel 1 soorten (grondgebonden zoogdieren en in mindere mate amfibieën). Tabel 1-soorten zijn van een ontheffing vrijgesteld. Wel dient zorgvuldig te worden gehandeld hetgeen als doel heeft dat de aannemer actief moet optreden om alle mogelijke schade (doden, verwonden) aan de soort te voorkomen.
Hoofdstuk 6 Wateraspecten
6.1 Bestaand watersysteem
Het watersysteem van het stedelijke gebied van Tilburg is omschreven in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2016-2019. Ingezoomd op het plangebied zijn de gebiedskenmerken in de bestaande situatie in tabel 1.1 aangegeven.
Tabel 1.1 Gebiedskenmerken
|
Kenmerk |
Plangebied |
|
Stroomgebied |
Donge |
|
Waterbeheerders |
Gemeente Tilburg (stedelijk watersysteem) Waterschap De Dommel (zuivering vuil water) Waterschap Brabantse Delta (oppervlaktewater) |
|
Bruto oppervlakte |
8.900m² |
|
Terreinhoogte |
Ca. 6,45+ bij bestaande wegen 6,65+ beoogde maaiveldhoogte bij de perceelgrens (T-hoogte) |
|
Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) |
5,40+ à 5,60+ |
|
Ontwateringdiepte |
Ca. 1m (voldoende voor alle doelen) |
|
Bodem |
Matig tot zeer fijn zand, matig humeus en matig siltig |
|
Riolering |
Gescheiden stelsel (met vuil- en schoon regenwater) |
|
Afkoppelgebied |
Niet van toepassing |
|
Oppervlaktewater |
Heibloemsloot (streefwinterpeil 4,30+; 4,50+ streefzomerpeil) Wilhelminakanaal (streefpeil 7,70+ stroomopwaarts sluis II; 5,15+ stroomafwaarts sluis II), echter niet relevant |
|
Keur beschermde gebieden |
Wilhelminakanaal. Zie afbeelding 1.1 |
De referentiesituatie wat de afvoerende oppervlakten betreft is het bestemmingsplan 'Vossenberg West II'. In tabel 2.1 zijn de afvoeroppervlakten weergegeven.
Tabel 2.1 Afvoerende oppervlakten in de referentiesituatie
|
Referentie situatie oppervlakten |
Niet-afwaterende oppervlakte (m²) |
Afwaterende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Dak |
0 |
4.590 |
4.590 |
|
Particulier terrein * |
200 |
1.770 |
1.970 |
|
Openbare ruimte |
2.340 |
0 |
2.340 |
|
Water(berging) |
0 |
0 |
0 |
|
Totaal (m²) |
2.540 |
6.360 |
8.900 |
|
* |
Uitgangspunt van bestemmingsplan Vossenberg West II: 90% van het terrein dat niet bebouwd mag worden is afvoerende verharding |
Het plangebied wordt echter herontwikkeld om de herverkaveling in de omgeving van Letostraat / Polluxstrat mogelijk te maken. De bruto oppervlakte ervan is 14,5 ha. Daarbij wordt het openbare ruimte omgezet in bestemming 'Bedrijven'. De nieuwe afwaterende oppervlakten (exclusief het plangebied) zijn weergegeven in tabel 2.2.
Tabel 1.2 Afwaterende oppervlakten in de referentiesituatie
|
Bestaande situatie Oppervlakten |
Niet-afwaterende oppervlakte (m²) |
Afwaterende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Dak |
0 |
92.685 |
92.685 |
|
Particulier terrein * |
3.970 |
35.750 |
39.720 |
|
Openbare ruimte ** |
4.425 |
4.755 |
9.180 |
|
Water(berging) ** |
0 |
3.620 |
3.620 |
|
Totaal (m²) |
8.395 |
136.810 |
145.205 |
|
* |
Uitgangspunt van bestemmingsplan Vossenberg West II: 90% van het terrein dat niet bebouwd mag worden is afvoerende verharding |
|
** |
Uitgangspunt uit inrichting Vossenberg West II: reeds aangelegde watergangen; rijbaan en inritten van 7 m breedte; 4 inritten van een lengte van 12,5 m en 8 inritten van 3,5 m |
Het plangebied ligt langs het Wilhelminakanaal een Keur beschermd gebied. Hiervoor geldt een antiverdrogingsbeleid. Op die gebieden berust een antiverdrogingsbeleid, waardoor ontwikkelingen mogen plaatsvinden onder hydrologisch neutrale omstandigheden. Het plangebied heeft echter geen invloed op het Wilhelminakanaal.
Afbeelding 1.1 Keur beschermde gebieden
6.2 Duurzaam waterbeheer
Beleidskader
Het waterschap De Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan 'Grenzeloos Verbindend' 2016 - 2021 vastgesteld op 14 oktober 2015. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico’s beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit). Inzet is gericht op het bereiken van de doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Brabantse Delta (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het vGRP 2016-2020, vastgesteld november 2016. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.
Afwegingen
De bestaande ontwateringdiepte is voldoende voor de nieuwe functies in het plangebied, indien de terreinhoogten gelijk of hoger worden aangelegd dan 6,65+, zoals geprojecteerd bij de aanleg van Vossenberg West II. Er worden daarom geen aanvullende maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen.
Het plangebied is bij de referentiesituatie grotendeels verhard en wordt afgewaterd door middel van de thans bestaande gescheiden riolering. De afwaterende oppervlakten in de plansituatie zijn op basis van de plankaart weergegeven in tabel 2.1.
Tabel 2.1 Afwaterende oppervlakten in de plansituatie
|
Bestaande situatie Oppervlakten |
Niet-afwaterende oppervlakte (m²) |
Afwaterende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Dak |
0 |
1.230 |
1.230 |
|
Particulier terrein* |
55 |
475 |
530 |
|
Openbare ruimte |
610 |
6.530 |
7.140 |
|
Water(berging) |
0 |
0 |
0 |
|
Totaal (m²) |
665 |
8.235 |
8.900 |
|
* |
Uitgangspunt van bestemmingsplan Vossenberg West II: 90% van het terrein dat niet bebouwd mag worden is afvoerende verharding |
Het plangebied wordt heroverwogen om de herverkaveling in de omgeving van Letostraat / Polluxstraat mogelijk te maken. Beide ontwikkelingen worden dan ook in samenhang beschouwd. In tabel 2.2 worden de afvoerende oppervlakten bij de herverkaveling in de plansituatie.
Tabel 2.2 Afwaterende oppervlakten in de plansituatie
|
Bestaande situatie Oppervlakten |
Niet-afwaterende oppervlakte (m²) |
Afwaterende oppervlakte (m²) |
Totaal (m²) |
|
Dak |
0 |
101.645 |
101.645 |
|
Particulier terrein * |
4.355 |
39.205 |
43.560 |
|
Openbare ruimte |
0 |
0 |
0 |
|
Water(berging) |
0 |
0 |
0 |
|
Totaal (m²) |
4.355 |
140.850 |
145.205 |
|
* |
Uitgangspunt van bestemmingsplan Vossenberg West II: 90% van het terrein dat niet bebouwd mag worden is afvoerende verharding |
De impact van deze toename en van de demping wordt niet significant gevonden om compensatiemaatregelen te overwegen. Deze impact is gerealiseerd aan de hand van verkennende berekeningen (2015030A ME 01 Berging 2015 11 17, AKKERTECH, oktober 2015), zie Bijlage 4 Berekeningen water.
In tabel 2.3 wordt de bergingsopgave weergegeven conform de berekeningen (Letostraat+Polluxstraat berging obv regenduurlijnen) met de regenduurlijn met een herhalingstijd van 10 en 100 jaar +10% (T10+10% en T100+10%) en de gedempte berging. Ook op basis van de algemene regel van de Keur (60mm).
Tabel 2.3 Bergingsopgave
|
|
Toename afvoerende oppervlakken (m²) |
Bergings- opgave T10 (m³ / mm) |
Bergings- Opgave T100 (m³ / mm) |
Bergingseis 60 mm (m³) |
|
161 m³ 27 mm |
251 m³ 42 mm |
2.117 |
|
Demping bestaande watergangen |
|
1.055 m³ |
1.055 m³ |
1.055 |
|
Totaal |
|
1.214 m³ |
1.306 m³ |
3.172 |
De bergingsopgave voor het bedrijventerrein Vossenberg West II is het waterhuishouding van 2009 vastgesteld op 40mm op basis van statische berekeningen; de landbouwkundige afvoer op 1,67 l/s/ha; de bodemdoorlatendheid varieert tussen 0,05 en 1,7m/dag in Vossenberg West II. Het stedelijke watersysteem is hierna hydrodynamisch gecontroleerd voordat het bedrijventerrein bouwrijp gemaakt is. Deze bergingscapaciteit is getoetst door middel van berekeningen met de regenduurlijn T10+10% en T100+10%. Deze bergingscapaciteit is voldoende om te voorkomen dat het regionale watersysteem wordt overbelast.
In de huidige situatie is een bergingsvolume van ongeveer 44mm aanwezig. Het watersysteem heeft een overcapaciteit van 4mm, oftewel 3.414m³. Hieruit wordt geconcludeerd dat de benodigde compensatie past bij de aanwezige overcapaciteit. Er hoeft dan ook geen bergingscompensatie aangelegd te worden.
Bij extreme neerslag is het bestaande watersysteem ontoereikend. De riolering en de oppervlaktewateren kunnen een beperkte aanvoer van regenwater verwerken. Als de capaciteit van het watersysteem volledig benut is, stijgt het waterniveau tot de het maaiveld. In eerste instantie wordt het regenwater in het openbare gebied opgevangen (berging op straat). Afhankelijk onder meer van de locatie kan deze overstroming hinder en schade veroorzaken. Uit de verkenning met de regenduurlijn met een herhalingstijd van 100 jaar + 10% (T100+10%) kan men concluderen dat het overtollige water past binnen de drooglegging van de watergangen, waardoor de omliggende percelen geen last ondervindt van overstromend regenwater. De gemeente bepaalt de terreinhoogte van het nieuwe openbare gebied. De aanleghoogten (terrein- en vloerhoogten) in particulier gebied zijn voor rekening van de eigenaar. De gemeente adviseert om de vloerpeilen van eventuele nieuwe delen indien mogelijk minimaal 15cm hoger dan de nabije openbare gebied te kiezen, om eventuele onacceptabele schade te voorkomen bij extreme neerslag, in dit geval de perceelgrens.
Watersysteem
Voor het watersysteem in het plangebied gelden de volgende randvoorwaarden:
De percelen dienen opgehoogd te worden tot de geprojecteerde hoogte bij de aanleg van het bedrijven- terrein Vossenberg West II, namelijk minimaal 6,65+; de openbare weg tot minimaal ongeveer 6,45+;
De water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen is voldoende voor het gebruik van het bouwdeel;
Het vuil- en hemelwater worden inpandig gescheiden ingezameld;
De afvoer van vuilwater, vuilregenwater en schoonregenwater wordt tot de perceelgrens afgevoerd voor aansluiting op de bestaande vuilwaterriolering via een van de uitleggers in de omliggende openbare ruimte;
Er hoeft geenbergingscompensatie gerealiseerd te worden;
Het toepassen van uitlogende materialen is uitgesloten;
De gemeente adviseert de vloerpeilen minimaal 15cm hoger dan de hoogste punt in het nabije openbaar gebied te kiezen, om eventuele onacceptabele schade te voorkomen.
Het ontwerp van het plangebied kan een bijdrage leveren aan een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving door met zo veel mogelijk gebiedseigen regenwater vast te houden. Het watersysteem profiteert ook van deze ont- / minder belasting en beschikt dan over meer ruimte om extreme neerslag te verwerken. Mogelijke uitwerkingen zijn (een combinatie van):
Waterdoorlatende verharding;
Minder verharden van particuliere terreinen en openbare ruimte (ontharden);
Combinaties van groen en water: regenwater opvangen in maaiveldverlagingen bij groene zones;
Regenwater opvangen in groene daken;
Het hergebruik van regenwater voor toiletspoeling
Andere, innoverende ideeën zijn mogelijk.
6.3 Watertoets
De impact van dit plangebied op het watersysteem is significant. De aanpak volgt het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2016-2019. Het plan is in het kader van het vooroverleg in een zo vroeg mogelijk stadium voorgelegd aan de waterbeheerder, namelijk het waterschap De Brabantse Delta. Daarbij zijn berekeningen uitgevoerd, waarbij de herverkaveling van de Letostraat/Polluxstraat betrokken zijn in het grote verband van Vossenberg West II. Het waterschap heeft haar advies uitgebracht, namelijk de maatstaf van 40mm te hanteren voor de bestaande oppervlakten en 60mm voor de nieuwe oppervlakten. De gemeente heeft dit advies afgewogen bij de opzet van het nieuwe watersysteem en vindt de afwegingen die gebaseerd zijn op de uitgevoerde berekeningen een realistischer uitgangspunt voor de goede ruimtelijke ordening dan de algemene regel van de Keur (60mm). Deze opzet is omschreven in de conceptwaterparagraaf en dan voorgelegd aan de waterbeheerder via de mail van 19 februari 2016. De waterbeheerder heeft via brief van 7 maart 2016 een positief wateradvies gegeven (zie Bijlage 5 Reactie Waterschap). De gemeente heeft rekening gehouden met dit voorlopig wateradvies, voordat de waterparagraaf opgenomen wordt in het ontwerpbestemmingsplan.
Hoofdstuk 7 Opzet planregels
7.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
7.2 Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.
7.3 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.
In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
Bedrijventerrein
Groen
Verkeer
Daarnaast is de volgende dubbelbestemming opgenomen:
Leiding-Gas
Een deel van het plangebied heeft de bestemming 'Bedrijventerrein'. Deze bestemming is opgenomen om te regelen dat de bouwgrens een afstand aanhoud van 5 meter uit de verkeersbestemming. Indien deze bestemming niet opgenomen zou worden, zou door het onderhavige bestemmingsplan tot op de weg gebouwd kunnen worden.
Met de bestemming 'Groen' zijn met name de grotere groene ruimten welke als structureel groen moeten worden aangemerkt en de groene verbindingen geregeld. Deze groenstroken vormen de groene dragers van het plangebied. Binnen de bestemming Groen zijn de gronden mede bestemd voor speelvoorzieningen, openlucht en sportieve recreatie, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, fiets- en voetpaden, parkeer- en stallingsvoorzieningen.
Binnen de bestemming 'Verkeer' zijn alle verkeer- en vervoervoorzieningen ten behoeve van het wegverkeer opgenomen. De nadruk ligt hier op de gebiedsontsluitingsfunctie voor gemotoriseerd en langzaam verkeer. Het betreft hier hoofdverzamelwegen, verzamelwegen en wijkontsluitingswegen. Tevens maken groenvoorzieningen deel uit van de bestemming voor zover deze niet onder de bestemming groen worden geplaatst.
Naast bovengenoemde bestemmingen komt binnen het plangebied een dubbelbestemming voor. Het betreft de volgende dubbelbestemming:
Leiding-gas: dit betreft een hogedruk gastransportleiding.
Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
De mogelijkheid is opgenomen om met in achtneming van de daarvoor geldende voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of afwijking van de bouwregels toe te staan.
Gebruiksregels
Bij de bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
7.4 Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:
Anti-dubbeltelregel
Deze regeling bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.
Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in dit artikel.
Algemene wijzigingsregels
Dit betreft een algemene wijzigingsbevoegdheid.
Overige regels
Burgemeester en wethouders zijn middels dit artikel bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.
7.5 Overgangs- en slotregels
Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid
8.1 Uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Daarnaast kan de gemeente aan de hand van de kostensoortenlijst van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) kosten verhalen op de ontwikkelaar.
Dit bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een door of in opdracht van de gemeente Tilburg te realiseren verkeersbestemming op gemeentelijke grond. De kosten van het bouw- en woonrijpmaken en de door de gemeente te maken Plan- en Apparaatskosten zijn verzekerd door de gemeentelijke gronduitgifte in de grondexploitatie. Ten behoeve van deze herziening van het bestemmingsplan zullen eventuele planschadeclaims als gevolg van uitvoering van het bestemmingsplan ten laste komen van de grondexploitatie.
Daarmee is het kostenverhaal alsmede de financiële uitvoerbaarheid anderszins verzekerd en een exploitatieplan voor het bestemmingsplan niet noodzakelijk.
8.2 Handhaafbaarheid
Het opstellen van een eenduidig bestemmingsplan met voor iedereen dezelfde mogelijkheden maakt handhaving makkelijker, de rechtszekerheid is op deze wijze goed verzorgd. De regels die voor het plangebied zijn opgesteld, zijn flexibel waar mogelijk en strak geregeld waar nodig. Bij de opzet van deze beheerregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting. De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd. Momenteel zijn er geen handhavingszaken gaande in het plangebied.
Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg
9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 22 januari 2016 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties:
|
Instantie |
Datum verzending |
Datum ontvangst reactie |
Opmerkingen? |
|
Provincie Noord-Brabant Directie ROH |
7-3-2016 |
7-3-2016 |
geen |
|
Waterschap Brabantse Delta |
7-3-2016 |
29-3-2016 |
ja |
|
Ministerie van Defensie |
7-3-2016 |
geen |
n.v.t. |
|
Solaris parkmanagement |
7-3-2016 |
geen |
n.v.t. |
|
Nederlandse Gasunie, District West |
7-3-2016 |
30-3-2016 |
geen |
Hieronder worden de overlegreacties met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van Burgemeester en wethouders wordt vermeld.
Provincie
Bij aanmelding van het plan is gebleken dat het plan niet voor vooroverleg in aanmerking komt.
Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap geeft aan dat voor nieuwe verharde oppervlakken conform het beleid van het waterschap uitgegaan moet worden van 60mm retentie en dat de benodigde retentie nog beschikbaar is in het eerder aangelegde watersysteem waardoor voor de betreffende uitbreiding geen aanvullende retentie aangelegd hoeft te worden. Verzocht wordt om inzichtelijk te houden welke wijzigingen plaatsvinden en plaatsgevonden hebben die ten koste gaan van de nog beschikbare retentiecapaciteit voor Vossenberg West II. In het verleden zijn afspraken gemaakt over het bijhouden van bergingsverliezen.
Verder wordt opgemerkt dat er voor het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/infiltreren van grondwater er gebods- of verbodsbepalingen kunnen gelden op basis van de Keur. In veel gevallen is voor werkzaamheden die consequenties hebben voor de waterhuishouding een vergunning van het waterschap nodig. Hiervoor zijn de Keur en de algemene regels van het waterschap te raadplegen.
Reactie gemeente
In de huidige situatie heeft het watersysteem van het gebied bekend als Vossenberg West II momenteel een overcapaciteit van 3.414m³ ten opzichte van het voor het vigerende bestemmingsplan vastgestelde volume. De benodigde berging voor de aanpassingen in de Polluxstraat hebben we berekend op basis van het gemeentelijke beleid vGRP 2016-2019 voor aanpassingen van binnen het bestaande stedelijk gebied en globaal beproefd aan de hand van een faalberekening. Hiervoor hebben we de regenduurlijnen van de buien T10+10% en T100+10% gehanteerd. Hieruit wordt geconcludeerd dat de benodigde compensatie past bij de aanwezige overcapaciteit en dat er geen onacceptabele schade optreedt bij extreme neerslag. Er hoeft dan ook geen bergingscompensatie aangelegd te worden. Deze systematiek wordt toegepast bij eventuele aanpassingen van het stedelijk gebied.
De bergingsverliezen worden conform eerdere afspraken bijgehouden.
De opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen.
Nederlandse Gasunie
De Gasunie heeft geen bezwaar tegen het plan.
9.3 Burgerparticipatie
Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling is geen informatieavond gehouden.
9.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 23 mei 2016 tot en met 4 juli 2016. Tijdens deze periode is er één zienswijze ingediend. Deze wordt hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.
ZIENSWIJZE GASUNIE
Bij de vaststelling is de belemmeringenstrook (bij het Gos) niet op de verbeelding weergegeven. In het concept was de belemmeringenstrook wel weergegeven.
Uit de verbeelding blijkt dat er een nieuwe bestemming (verkeer) over de aardgastransportleiding is geprojecteerd. Deze nieuwe ontwikkeling kan onder andere tot gevolg hebben dat de aardgastransportleiding te zwaar wordt belast. Ook belemmert de bestemming verkeer de bedrijfsvoering van Gasunie. Ter waarborging van een veilig en bedrijfszeker gastransport en ter beperking van gevaar voor goederen en personen in de directe omgeving van de leiding is dit niet zonder meer toegestaan.
STANDPUNT GEMEENTE
De verbeelding wordt op dit punt aangepast.
Er heeft telefonisch overleg met de Gasunie plaatsgevonden. De zienswijze blijkt te berusten op een misverstand. De gasleiding komt niet onder de weg te liggen. Gasunie heeft geen bezwaar tegen het ontwerp bestemmingsplan indien de gasleiding in de berm van de weg valt.
CONCLUSIE
De zienswijze is deels gegrond en leidt tot aanpassing van de verbeelding van het bestemmingsplan.