direct naar inhoud van Regels

Gilzerbaan 218, ruimte voor ruimtekavel

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2015024-e001
Plantype: gemeentelijke overheid/bestemmingsplan

Toelichting

 

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor het legaliseren van een woning door middel van de ruimte voor ruimteregeling aan de Gilzerbaan 218 te Tilburg. Het betreft de percelen sectie AA, nrs. 2398 en 2401.

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat het perceel Gilzerbaan 218 en ligt ten zuiden van de Gilzerbaan en ten westen van De Blaak. Het perceel ligt in het zuidwesten van de gemeente. Op het perceel is een garage aanwezig die al jaren wordt bewoond.

1.3 Voorgeschiedenis / achtergrond

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Buitengebied Zuid-West. Het perceel heeft een bestemming Wonen echter er mag niet gebouwd worden. Een bestaande garage wordt al langere tijd bewoond.

Op 26 februari 2010 stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan Buitengebied Zuidwest vast, met daarin een bij amendement opgenomen woonbestemming voor onder andere dit perceel. Op 6 april 2010 geeft de provincie o.a. op dit punt een reactieve aanwijzing. Het tegen de reactieve aanwijzing tegen het bestemmings- plan ingestelde beroep wordt op 1 februari 2012 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond verklaard. Hiermee herleefde de oude woonbestemming zonder bouwmogelijkheden.

Op 18 februari 2013 is het ontwerp bestemmingsplan Actualisatie Tilburg 2013 met onder andere het onderhavige perceel ter inzage gelegd. In het ontwerp van dat bestemmingsplan is de bestemming Bos aan het gehele perceel toegekend, conform het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Zuidwest 2010. Naar aanleiding van zienswijzen tegen dit ontwerp bestemmingsplan heeft de raadscommissie Vestigingsklimaat op 27 mei 2013 het college opgedragen om te onderzoeken op welke manier binnen de Ruimte voor Ruimte regeling invulling kan worden gegeven aan het realiseren van bouwmogelijkheden op onder andere het onderhavige perceel en is het perceel uit het bestemmingsplan Actualisatie Tilburg 2013 gelaten.

Op 2 december 2013 heeft als uitkomst van het onderzoek als hiervoor bedoeld de raad het Kaartbeeld ruimte-voor-ruimtelocaties vastgesteld. Dit is een visuele vertaling van wat de gemeente Tilburg ziet als bebouwingslinten en kernrandzone. Het onderhavige perceel valt binnen een kernrandzone. In beginsel zijn hier ruimte-voor-ruimtekavels mogelijk. Door toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling kan aan dit perceel een volwaardige woonbestemming worden toegekend.

1.4 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid - West', vastgesteld op 27 april 1992, onherroepelijk geworden op 5 april 1995.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Ruimtelijke structuur

Het plangebied betreft een perceel in het buitengebied van Tilburg op iets meer dan 300 meter afstand tot de rand van woonwijk De Blaak. Het buitengebied bestaat uit bos- en natuurgebied met wandel- en fietsmogelijkheden en enkele sportvoorzieningen. Ten zuiden van de Gilzerbaan komt een aantal woonkavels met landgoedkenmerken voor.

 

 [image]

 

Het betreffende perceel sluit aan de west- en noordzijde aan op bestaande woonkavels. De kavel grenst aan de oost- en zuidzijde aan een bosperceel. Een smalle strook grond verbindt de kavel met het openbare gebied aan de Gilzerbaan. Het grootste gedeelte van de kavel is nauwelijks zichtbaar vanaf de openbare weg en daarom is het publieke belang van de aanwezige of nieuw te realiseren bebouwing gering.

Er is sprake van een gegroeide situatie en een suboptimale positionering van de bestaande woning op de kavel. Indien deze woning ooit zal worden afgebroken en vervangen door een nieuwe vrijstaande woning, zal deze om stedenbouwkundige redenen op enige afstand tot de perceelgrenzen moeten worden gebouwd. Bij grote kavels is een afstand van minimaal 5 meter gebruikelijk en dit is dan ook in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. (zie ook paragraaf 9.3

 

 [image]

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk

 

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2013, nr 201302867/1/R4 heeft de Afdeling overwogen:

"Gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt, is de Afdeling van oordeel dat de raad er terecht van is uitgegaan dat het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is."

Het betrof in die uitspraak een ontwikkeling van in totaal 6 woningen. Omdat in dit plan de ontwikkeling van 1 woning mogelijk wordt gemaakt is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing. Dit standpunt is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 september 2015 nr 201502574/1/R3. De ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing.

3.3 Provincie

 

3.3.1 Structuurvisie

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant in werking getreden. Provinciale Staten hebben deze op 1 oktober 2010 vastgesteld.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk

naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:

  1. De kwaliteit van het landschap;

  2. De ontwikkeling van het buitengebied;

  3. De regionale verstedelijking.

 

Inhoud van de Structuurvisie
Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

Deel B

In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

 
Deel C

Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).

Uitwerking van de Structuurvisie

De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.

Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.

3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant

Ook ten aanzien van provinciale ruimtelijke belangen geldt dat deze niet zonder meer doorwerken nadat deze zijn opgenomen in een structuurvisie. Zoals op rijksniveau daardoor besloten is de nationale belangen, die juridische doorwerking vragen, te borgen in de AMvB Ruimte, verankert de provincie Noord-Brabant haar ruimtelijke belangen in een Verordening ruimte.

Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Deze Verordening is op 19 maart 2014 in werking getreden.

 

De Verordening kent een 7-tal hoofdstukken:

  1. Inleidende bepalingen.

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die nodig zijn om de verordening ruimte te kunnen toepassen. Deze regels hoeft de gemeente niet in haar bestemmingsplan te vertalen.

  1. Algemene regels.

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die altijd en voor heel Brabant gelden, zoals zorgvuldig ruimtegebruik en kwaliteitsverbetering landschap. Gemeenten moeten deze regels vertalen in hun ruimtelijke besluiten.

  1. Structuren.

Onderscheiden worden 4 structuren die Brabant dekkend zijn:

 

De regels uit dit hoofdstuk gelden altijd voor de structuur waarvoor ze zijn opgesteld. Per structuur is uitgewerkt welke functies, onder welke voorwaarden, ontwikkeld kunnen worden.

  1. Aanduidingen

Er kan sprake zijn van 22 verschillende aanduidingen waaronder:

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die alleen gelden voor het gebied dat binnen de aanduiding ligt. Aanduidingen liggen altijd over een structuur heen en vaak over meerdere structuren. De aanduidingen kunnen elkaar onderling overlappen.

  1. Rechtstreeks werkende regels

Dit betreft de regeling inzake mestverwerking en veehouderijen. De gemeente moet, zolang zij het besemmingsplan niet hebben aangepast, deze rechtstreeks werkende regels betrekken bij de vergunningverlening.

  1. Procedurebepalingen

  2. Overgangsrecht

Bij de Verordening ruimte horen ook kaarten. Op deze kaarten staan de structuren en de aanduidingen.

 
Het plangebied is gelegen buiten bestaand stedelijk gebied. Het perceel valt in de groen blauwe mantel.

 

Artikel 6.8 van de Verordening ruimte bepaalt:

  1. In afwijking van artikel 6.7, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat;

  2. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels ten aanzien van bestemmingsplannen, als bedoeld in het eerste lid, in verband met het beleid om ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse de bouw van woningen op passende locaties toe te staan;

  3. Als nadere regels bedoeld in het tweede lid worden aangemerkt de regels uit de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006;

  4. Uit de verantwoording bedoeld in het eerste lid blijkt dat:

  1. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren waarbij artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) niet van toepassing is;

  2. is verzekerd dat is voldaan aan de op grond van het tweede lid nader gestelde regels;

  3. er geen sprake is van een (aanzet voor een) stedelijke ontwikkeling.

 

Op de bijgevoegde afbeelding is te zien dat het perceel waarop de woning is voorzien binnen de groenblauwe mantel valt.

 

 [image]

In het Raadsvoorstel Kaartbeeld ruimte-voor-ruimtelocaties (vastgesteld door de gemeenteraad op 2 december 2013) (zie bijlage 1 worden de Gilzerbaan en aanliggende gronden vanaf bestaand stedelijk gebied over een lengte van circa een kilometer aangewezen als bebouwingsconcentratie in de zin van een kernrandzone. Het desbetreffende gebied is immers aan te merken als een overgangsgebiedje tussen bestaand stedelijk gebied en buitengebied met relatief veel bebouwing alsmede de relatief grote vlakken en een beperkte of afnemende agrarische functie (alleen de in het gebied gelegen paardenhouderij en een enkele akker of weide hebben nog een agrarische functie). De gewenste c.q. aanwezige bebouwing is gelegen in de kernrandzone. Ook aan de tweede voorwaarde wordt derhalve voldaan. Dit standpunt is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrehtspraak van 23 september 2015 nr 201502574/1/R3 (zie bijlage 2).

 

Landschappelijke inpassing

Het betreft hier een bestaande woning die niet zichtbaar is vanaf het landschap omdat deze is gelegen achter bestaande woningen en omdat het perceel omringd wordt door bos en een bomenrij. Landschappelijke inpassing is aldus verzekerd.

 

Voldoen aan de in artikel 11.3 genoemde regels

Dit betreft de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006. Door aankoop van bouwtitels ruimte-voor-ruimte die goedgekeurd zijn door het college van Gedeputeerde Staten wordt ook aan deze Beleidsregel voldaan.

De initiatiefnemer heeft een bewijsstuk aangeleverd waaruit blijkt dat de bouwtitel door de provincie Noord Brabant is beoordeeld en goed bevonden. (zie bijlage 5).

 

Geen aanzet stedelijke ontwikkeling.

Door de ontwikkeling van deze ruimte-voor-ruimte kavels is er geen sprake van een aanzet van een stedelijke ontwikkeling. Het betreft hier 1 kavel. Het gebied ligt grotendeels in de ecologische hoofdstructuur. Alleen op de plaatsen waar sprake is van groen blauwe mantel is in beginsel de mogelijkheid om ruimte voor ruimte kavels te realiseren. Het aantal is beperkt en ligt verspreid in het gebied. (zie ook uitspraak RvS d.d. 23 september 2015).

3.4 Gemeente

 

3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

  1. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

De vier stedelijke knooppunten:

De drie stadsregionale parken zijn:

 

  1. De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

  1. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

Bijlage 4 van de Omgevingsvisie (zie bijlage 3) gaat in op de Ruimte voor Ruimtelocaties in Tilburg. Het gebied aan de Gilzerbaan wordt hierbij aangeduid als kernrandzone. Dit is het overgangsgebied naar het buitengebied, gelegen langs bestaand stedelijk gebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar en met een ondergeschikte of afnemende agrarische functie. De locatie komt daarmee in aanmerking voor de provinicale Ruimte voor Ruimteregeling. De provincie heeft deze regeling en de voorwaarden in de Verordening Ruimte vastgelegd. De ontwikkeling past in de omgevingsvisie.

 

 

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

4.2.1 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.

Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.

Indien wordt overgegaan tot nieuwbouw van een woning zal deze ter zijner tijd voorgelegd worden aan de Omgevingscommissie.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

4.3.1 Archeologie

 

4.3.1.1 Nota 'Grond voor het verleden'

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  1. de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;

  2. de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' (2007) is het beleidsplan voor het Tilburgse archeologiebeleid.

4.3.1.2 Historische geografie plangebied

4.3.1.3 Archeologie

4.3.2 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

 

Conclusie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie en archeologie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.

4.4 Volkshuisvesting

 

4.4.1 Behoefte

De gemeente Tilburg maakt samen met zeven andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio worden jaarlijks gezamenlijke afspraken met de provincie Noord-Brabant gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave van de gemeenten, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en huishoudens-prognose, waarvan de meest recente dateert van 2011. In de voor Tilburg maatgevende tienjaarsperiode 2012 t/m 2021 bedraagt de bouwopgave ruim 9.800 woningen. Daarmee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudensverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Van deze bouwopgave worden 730 woningen ingezet om de programmadoelen in een drietal buurgemeenten tot 2020 te kunnen verwezenlijken. Zeker tot 2025 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave zo'n 1.000 woningen per jaar gemiddeld, e.e.a. gecorrigeerd voor ca. 200 w/jr. sloop. De effectieve vraag -uitgeoefend door de woonconsument- ligt evenwel lager als gevolg van de crisis, in verband waarmee een gemeentelijke bouwprogramma van gemiddeld 850 woningen per jaar tot 2020 wordt aangehouden.

 

Ruimte voor ruimtekavels betreffen een bijzondere ruimtevraag welke in directe relatie staan met de reconstructie van het landelijke gebied. Met de uitgifte van deze kavels wordt namelijk de sanering van intensieve agrarische bedrijven mogelijk gemaakt.

Het betreft hier een bijzondere vorm van ruimtebehoefte. Deze wordt bepaald door het aantal ruimte voor ruimtekavels dat benodigd is om de sanering van agrarische bedrijven in het kader van de reconstructie mogelijk te maken. Daarvoor zijn over heel de provincie Noord-Brabant circa 3500 kavels nodig. Hier worden op veel kleine en grotere locaties in vrijwel elke gemeente in de provincie ruimtelijke plannen ontwikkeld en/of zijn al in uitvoering en al gerealiseerd. Vooraf is het aanbod van deze kavels niet verdeeld naar afzonderlijke gemeenten. De behoefte aan deze kavels is niet per gemeente bepaald, maar betreft een ruimtevraag op regionaal of zelfs provinciaal niveau. Veel geïnteresseerden in deze in het algemeen ruim opgezette kavels maakt de ligging in een bepaalde gemeente minder uit. Men kijkt eerder naar de omvang van de kavel en het omliggende landschap.

Tot op heden zijn er ca. 2200 kavels gerealiseerd of in ontwikkeling. Van de 3500 te realiseren kavels moet voor nog ongeveer 1250 kavels locaties worden gevonden waar deze kavels planologische verantwoord zijn te ontwikkelen. In de gemeente Tilburg en de ruimere regio zijn er relatief weinig locaties geschikt om ruimte voor ruimte kavels te ontwikkelen. Dit gelet op de grote oppervlakte daarvan en dat het ook aantrekkelijke kavels moeten zijn vanwege het niveau van de kavelprijs en het doel daarvan.

 

Conclusie

Er is een regionale/provinciale behoefte aan ruimte voor ruimtekavels. Kenmerk van ruimte voor ruimte kavels is dat deze in het landelijk gebied gerealiseerd mogen worden. De toevoeging van 1 woning past in de gemeentelijke woningbehoefte van 9600 woningen tot 2020. De locatie is gelegen in een kernrandzone aansluitend aan bestaand stedelijk gebied.

4.4.2 Woonvisie

Het gemeentelijk woonbeleid (zowel kwalitatief als kwantitatief) volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. Het centrale thema in de WoonVisie is het streven naar een 'stad in balans', een stad waarin voldoende mate van differentiatie in het woningaanbod is, zodat iedereen passende woonruimte kan vinden. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften is de gemeente in de WoonVisie ingedeeld in diverse woonmilieus. Daarbij wordt per gebied aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan het gewenste woonmilieu te voldoen. Bij (woningbouw)ontwikkelingen in een bepaald gebied dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met deze woonmilieuopgave.

Verder blijkt dat de aandacht van de gemeente en bouwprocespartners gericht moet blijven op kwaliteitsbevordering van de woningmarkt. De verleiding bestaat om, onder druk van de financieel-economische omstandigheden, een woonproduct aan te bieden dat minder toekomstbestendig is. Om aan te sluiten bij de structurele wens van consumenten en een kwaliteitsslag te maken, dient de beleidsfocus van de gemeente en andere partijen zich te (blijven) richten op een gedifferentieerd aanbod naar woonmilieus, woningtypen en prijsklassen. Bovendien wordt onder kwaliteit ook begrepen levensloopbestendigheid/flexibiliteit, duurzaamheid/energiezuinigheid (ook i.r.t. betaalbaarheid) en vormen van (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw.

4.4.3 Toetsing plan

Het plan voorziet in de ontwikkeling van 1 ruimte-voor-ruimte kavel aan de Gilzerbaan.

De Blaak kent nauwelijks of geen uitbreidings- en inbreidingsmogelijkheden. Een kleinschalige toevoeging van woningen in een groenstedelijk woonmilieu in Particulier Opdrachtgeverschap voorziet in een specifieke behoefte en is daarom positief.

4.4.4 Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek

De gemeente Tilburg voert elke vier jaar een woningbehoefteonderzoek uit. Het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2012. Veel woonwensen blijken in de tijd gezien behoorlijk bestendig en weinig te veranderen. De onderzoeksresultaten van het KWBO-2012 wijken niet wezenlijk af van de resultaten uit 2004 en 2008, maar er lijkt in 2012 wel sprake van (verdere) 'downgrading' in de woonwensen. Zo richten doorstromers zich minder op de koopsector en is er in het algemeen meer belangstelling voor de huursector. Tilburgers zijn nóg tevredener met hun woning en woonomgeving dan in eerdere edities. De verhuisgeneigdheid van Tilburgse huishoudens is (verder) gedaald naar een toch nog aanmerkelijk niveau van 37%; een deel van de doorstromers en starters wacht af of stelt actie uit, daarmee lijkt de woningmarkt in toenemende mate "op slot" te zitten en de effecten van de crisis voelbaar.

De Tilburgse woningmarkt is in kwalitatief opzicht nog niet in evenwicht gekomen. Uit de vraag-aanbodbalans van verhuisgeneigden blijkt een (dreigend) overschot aan meergezins huurwoningen en is het tekort aan koopwoningen verdwenen. Het woningtekort richt zich op eengezins huur- en koopwoningen. In de koopsector in alle soorten en prijssegmenten, maar met uitzondering van het topsegment. De eengezinswoning met drie of vier kamers (en tuin) blijft favoriet.

Qua woonmilieu bestaat er overschot aan buitencentrum-stedelijk wonen, maar tekort in de andere woonmilieus (met name -vormen van- centrum-stedelijk wonen).De toekomstverwachting is dat veel woonconsumenten zich blijvend richten op een kwalitatief hoogwaardige en ruime -hoofdzakelijk- grondgebonden (koop)woning, mits de economie herstelt.

 [image]

 

 

 

4.5 Verkeer en parkeren

 

4.5.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)

Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:

Algemeen

  1. De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen.

  2. Alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.

Autoverkeer

  1. Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde.

  2. Voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Sinds 2010 wordt dynamisch verkeersmanagemental ingezet om de doorstroming te optimaliseren.

Parkeren

  1. Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2012. Momenteel wordt er gewerkt aan een nadere uitwerking waarbij de hoogte van de parkeerbijdrage wordt vastgesteld en tevens een aantal kleine aanvullingen op de toelichting van het processchema. Het is de bedoeling dat dit proces uiterlijk in september 2013 wordt afgerond. Voor eventuele uitbreiding van het gereguleerd parkeren geldt dat eind 2012 een evaluatieproces is afgerond waarbij ook wens om uitbreiding van de bestaande parkeerregulering is onderzocht. Dit heeft stadsbreed echter niet geleid tot enige vorm van uitbreiding van parkeerregulering. Voornaamste reden is de felle tegenstand bij veel belanghebbenden. De gemeente Tilburg zal voorlopig op dit vlak zelf geen initiatieven meer ontplooien.

 

Uitwerking in bestemmingsplan

Het plan ligt in het Zuidwesten van Tilburg. Het plan ligt buiten de bebouwde kom aan de Gilzerbaan.

De Gilzerbaan is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom type I, die een verbinding vormt tussen de gemeente Tilburg en de gemeente Gilze en Rijen. Langs de hoofdrijbaan ligt aan weerszijden een vrijliggend fietspad. De ontsluiting van particuliere terreinen gebeurt door middel van privé inritten rechtstreeks op de Gilzerbaan.

Bouwplannen moeten voldoen aan de, op dat moment vastgestelde, parkeernormen. Het parkeren voor de woning vindt geheel op eigen terrein plaats.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

Het plangebied ligt in het buitengebied op korte afstand van de bebouwde kom. In de omgeving zijn behalve de woningen en landerijen nog enkele bedrijfsmatige activiteiten aanwezig. Hoewel de sportfunctie aan de overzijde van de Gilzerbaan een ruime bestemming heeft zijn niet alle activiteiten mogelijk in verband met de beperkte bouwmogelijkheden. Hierdoor zijn met name de meest milieubelastende activiteiten zoals een (buiten)zwembad en een ijshal niet mogelijk. Voor de overgebleven activiteiten geldt dat de afstand voldoende is om te kunnen voldoen aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Er is in beginsel dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.3 Externe veiligheid

 

5.3.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

  1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);

  2. Besluit transportroutes externe veiligheid (Bevt) van 1 april 2015;

  3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

5.3.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording Gilzerbaan 218 zijn de risicobronnen die relevant zijn (binnen het invloedsgebied liggen) geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van het spoortraject Breda-Tilburg-Vught en de rijksweg A58.

5.3.3 Beleidsvisie externe veiligheid

De spoorlijn Breda-Tilburg- Vught/ Tilburg-Boxtel en de A58 zijn aangewezen als transportasgebieden waar binnen 200m geen nieuwe bijzonder kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden. (Onder bijzonder kwetsbare objecten wordt onder andere verstaan; grote zorgcomplexen, ziekenhuizen, basisscholen, peuterspeelzalen en kinderdagverblijven). Het plangebied ligt op meer dan 200m van deze transportassen.

Daarnaast wordt in de beleidsvisie externe veiligheid het plangebied aangemerkt als een luw gebied. Hetgeen betekent dat er geen restricties gelden voor het oprichten van kwetsbare en bijzonder kwetsbare objecten.

5.3.4 Restrisico en conclusies

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de rijksweg A58 en de spoorlijn Breda -Tilburg- Vught. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen.

Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze twee risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Op basis van het standaard brandweeradvies is deze beperkte verantwoording opgesteld.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

De brandweer voldoet aan de opkomsttijd zoals opgenomen in het dekkings -en spreidingsplan.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.4 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.4.1 Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied wordt een geluidgevoelige bestemming mogelijk gemaakt. De woning is gelegen binnen de wettelijke zone van de Gilzerbaan, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Voor deze geluidgevoelige bestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Tritium Advies (d.d. 28 oktober 2015, kenmerk 1510/046/RV-01, versie 1) (zie bijlage 5) en heeft toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsgevonden. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeurgrens- waarde van 48dB voor een nieuwe woning niet wordt overschreden. Dit betekent dat er geen noodzaak is om hogere waarden voor wegverkeerslawaai vast te stellen.

 

De optredende geluidbelasting t.g.v. de Gilzerbaan bedraagt maximaal 47dB. Dit betekent dat sprake is van een goed woon- en leekklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening.

5.4.2 Railverkeerslawaai

Het plangebied is gelegen buiten het aandachtsgebied zoals aangegeven in artikel 1.4a lid 1 van het Besluit geluidhinder. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden naar de optredende geluidsbelasting t.g.v. het spoor en dat toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder achterwege kan blijven.

5.4.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

5.4.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidcontouren (de zogenaamde Ke-contouren). Deze contouren liggen niet over het plangebied.

5.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De bestemming in het plangebied is getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van één woning in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling uit de Provinciale Verordening Ruimte.

Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).

Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

5.6 Geur

 

5.6.1 Industriële geur

In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

5.6.2 Agrarische geur

Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

 

Het bouwplan ligt aan de rand van de bebouwde kom. In het agrarisch gebied zijn nog enkele veehouderijen actief. Om de kunnen bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat is in beginsel een achtergrondberekening nodig van veehouderijen binnen een straal van 2km. Uit dossieronderzoek blijkt dat er binnen deze afstand nog slechts 3 veehouderijen actief zijn. De dichtstbijzijnde op een afstand van 400m is een manage. De andere twee veehouderijen liggen op grotere afstand en hebben gezien hun schaalgrootte ook nagenoeg geen impact op de achtergrondbelasting. Hierdoor is woon- en leefklimaat naar verwachting te kwalificeren als zeer goed.

5.7 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

 

Voor de locatie Gilzerbaan 218 zijn bij de gemeente Tilburg geen gegevens en onderzoeken beschikbaar.

Uit onderzoeken uitgevoerd binnen een straal van 50m komt naar voren dat er in de grond en het grondwater licht verhoogde gehaltes van o.a. zware metalen zijn gemeten.

 

In diverse delen van Noord-Brabant worden verhoogde gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waarbij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten. Het voorkomen van deze verontreinigingen levert vaak een heel heterogeen beeld op. Hierdoor spreekt men van een lokaal verhoogde achtergrondconcentratie.

Dempingen

Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op locatie geen dempingen hebben gelegen.

 

Ondergrondse tank

Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op locatie geen ondergrondse tank aanwezig zijn geweest.

 

Conclusie

Gezien het bovenstaande is het noodzakelijk dat bij aanvragen om omgevingsvergunning een bodemonderzoek wordt overlegd.

5.8 Natuur en Ecologie

Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van de Ecologische Hoofdstructuur en beschermde soorten (Flora- en faunawet).

Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

 

Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

Er zijn drie mogelijkheden:

  1. er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig;

  2. er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen;

  3. er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

 

Analyse plangebied

Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De Regte Heide & Riels Laag liggen het dichtstbij: ca. 3,0 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het tussenliggende gebied bestaat onder andere uit woonwijk De Blaak, de A58, bedrijventerrein de Katsbogten, de Rillaerse Weg en agrarisch gebied.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten. Een vergunningaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet is niet nodig.

 

Natuurnetwerk Nederland

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is het Natuurnetwerk Nederland (ook bekend als Ecologische Hoofdstructuur) begrensd. Het Natuurnetwerk Nederland is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot het Natuurnetwerk Nederland.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van het Natuurnetwerk Nederland worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

 

Analyse plangebied

Het plangebied is aan drie zijden omringd door het Natuurnetwerk Nederland maar maakt hiervan zelf geen deel uit. Het gebied rond het plangebied vormt een overgangsgebied tussen stad en buitengebied, een mozaïek van bos en percelen die in agrarisch gebruik zijn of waar gewoond en gerecreëerd/gesport wordt. Verder naar het westen is het bosgebied meer aaneengesloten. In het plangebied is sinds (minimaal) 27 jaar een woning aanwezig en in gebruik. De ligging van het plangebied sluit aan op andere percelen met een woonbestemming en vormt daardoor geen extra doorsnijding van het Natuurnetwerk Nederland. Negatieve effecten als gevolg door de bestemmingsplanwijziging op de nabijgelegen zijn uit te sluiten door het bestendige gebruik dat na de wijziging hetzelfde blijft.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Natuurnetwerk Nederland in de omgeving. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland.

 

Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het Natuurnetwerk Nederland. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Analyse plangebied

Het plangebied is begrensd als Groenblauwe mantel.

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Groenblauwe mantel indien de ontwikkelingen zorgen voor behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.

Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

 

Analyse plangebied

Door een ecoloog van Bureau Meervelt is het plangebied op basis van bronnenonderzoek en een verkennend veldonderzoek op (potentieel) aanwezige beschermde soorten geanalyseerd.

Tijdens het veldbezoek werd geconstateerd dat het plangebied (de opstallen en de tuin) deel kunnen uitmaken van het leefgebied van eekhoorn. Na de bestemmingsplanwijziging verandert in fysieke zin niets in het plangebied en blijft het plangebied deel uitmaken van het leefgebied van deze soort.

 

De aanwezigheid van andere groeiplaatsen, voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten zijn gebaseerd op het huidige habitat in het plangebied op voorhand uit te sluiten.

 

Diverse vleermuissoorten (vnl. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, franjestaart en laatvlieger) zijn overvliegend en foeragerend het plangebied te verwachten. Voor beide functies heeft het plangebied geen essentiële betekenis. Veel vergelijkbaar habitat - als alternatief - rondom het plangebied is aanwezig.

Het plangebied is potentieel geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. In dit type habitat worden bezette vogelnesten verwacht van vnl. struweel- en boombroedende vogelsoorten.

Het plangebied is potentieel geschikt voor Flora- en faunawet tabel 1 soorten. Het gaat om vnl. verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door het habitat zijn potentieel te verwachten soorten: vnl. egel, huisspitsmuis en gewone pad.

 

Conclusie

Uit de omgeving van het plangebied zijn gegevens bekend in de NDFF. Het zwaartepunt van deze gegevens ligt ten noorden van het natuurgebied De Blaak (ten zuiden van het plangebied). Uit het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend in de NDFF. Het plangebied maakt (naar verwachting op basis van het veldbezoek en de gegevens uit de NDFF) deel uit van het leefgebied van een aantal beschermde soorten uit tabel 1, 2 en 3 Flora- en faunawet die voorkomen in de omgeving van het plangebied. De tuin vormt (potentieel) broedgebied voor een aantal vogelsoorten. De functies die het plangebied in de huidige situatie heeft voor al deze soorten blijven ongewijzigd door de voorgenomen ontwikkeling (de bestemmingsplanwijziging). Voor de in de omgeving voorkomende soorten vormt de tuin in de huidige situatie geen of nauwelijks een extra barrière. Er is geen

sprake van overtredingen op grond van de Flora- en faunawet als gevolg van de voorgenomen

bestemmingsplanwijziging.

 

Bron voor deze ecologische toetsing (m.u.v. analyse Groenblauwe mantel): Quickscan flora en fauna Gilzerbaan 218, Tilburg, Bureau Meervelt, 12 januari 2016 (bijlage 7).

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

6.1 Bestaand watersysteem

Het plangebied is gelegen in het deelstroomgebied van de Donge en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap Brabantse Delta.

 

Het plangebied heeft een bruto oppervlak van ongeveer 2.300 m². In de bestaande situatie is het merendeel van het plangebied onverhard, bos. Op het perceel staat een garage die bewoond wordt (100 m²). De ontsluiting vindt plaats via een verharde oprit. Om dit te legaliseren kan gebruik worden gemaakt van de zogenoemde ruimte voor ruimteregeling uit de Verordening ruimte. Dit betekent dat elders 1000 m2 stallen worden afgebroken en 3500 m3 mestrechten worden opgegeven. Het perceel krijgt de bestemming Wonen Buitengebied.

 

De terreinhoogte is ongeveer gemiddeld 14,00+ . Uit het globaal onderzoek Beheerbestemmingsplannen Gemeente Tilburg, GEOFOX, 23 oktober 2006, blijkt de grondopbouw over het algemeen te bestaan uit sterk lemig, matig fijn zand. De doorlatendheid is laag te verwachten. Dat kan de infiltratie van regenwater in de bodem belemmeren. Daardoor kunnen er lokaal schijngrondwaterspiegels ontstaan en hinder veroorzaken. De maatgevende grondwaterstand ligt op ongeveer 12,20+ volgens bovengenoemd onderzoek, ruim één meter onder het maaiveld. De ontwateringdiepte is dan ook voldoende voor de bestaande en de nieuwe functies.

 

In en nabij het plangebied is geen oppervlaktewater van belang, noch relevante detailafwatering, van het regionale watersysteem.

 

Het plangebied ligt in de Keurbeschermingsgebied. Het waterwingebied ligt op ongeveer 250 m ten westen van het plangebied. Op die gebieden berust een antiverdrogingsbeleid, waardoor ontwikkelingen mogen plaatsvinden onder hydrologisch neutrale omstandigheden.

 

Op ongeveer 350 m ten oosten van de huidige inrit ligt de lozingsput van de drukriolering in de Gilzerbaan. Deze riolering zamelt het huishoudelijke afvalwater in van de verspreide bebouwing langs de Gilzerbaan. De droogweerafvoer wordt verzameld en getransporteerd door middel van een opvoergemaal en geloosd op de gemengde riolering, waar het verder afstroomt tot de zuiveringsinstallatie Tilburg, in beheer van waterschap De Dommel.

6.2 Duurzaam waterbeheer

Beleidskader

De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er, in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzamer waterbeheer, waarbij rekening gehouden met de verandering van het klimaat. Belangrijk in deze aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave. Deze principes zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld door de raad in september 2015) en door vertaald in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2016-2020 (vastgesteld door de raad in november 2015). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In beide documenten zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Met het vGRP wordt invulling gegeven aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.

 

Afwegingen

Conform het vigerende beleid is uitgangspunt voor het plangebied dat de ontwikkeling geen negatieve invloed mag hebben op de gewenste grondwater-situatie in de beschermde gebieden van de Keur. Dit wordt bereikt door hydrologisch neutraal ontwikkelen en de minimale ontwateringdiepten aan te houden, zonder drainage van grondwater.

Dit bestemmingsplan is om de huidige situatie te legaliseren, waarbij de mogelijkheid ontstaat om de garage te slopen en een nieuwe woning te bouwen. Op dit moment is dit niet voorzien. Aangezien de bestaande garage de bestemming wonen krijgt, wordt de eigenaar de mogelijkheid geboden om aan te sluiten op de bestaande drukriolering ten behoeve van de sanitatie binnen de woning.

 

Watersysteem

De eigenaar krijgt de mogelijkheid geboden ten behoeve van de sanitatie aan te sluiten op de bestaande drukriolering in de Gilzerbaan (alleen vuilwater). Dit geschiedt op kosten van de eigenaar.

Bij een eventuele ontwikkeling van het plangebied dienen de volgende randvoorwaarden in acht genomen te worden:

6.3 Watertoets

Aangezien er nauwelijks sprake is van waterbelangen in het plangebied, hebben waterschap Brabantse Delta en de gemeente besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Deze waterparagraaf wordt direct verwerkt in het ontwerpplan. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt verstrekt bij de terinzagelegging.

 

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.

7.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit bestemmingsplan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels.

In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels.

Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

De bouwhoogte van de hoofdgebouwen is gemaximaliseerd op 10 m. De maximale goothoogte bedraagt 4 m. Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 3 m en 4,5 m. De inhoud van een woning mag maximaal 600 m3 bedragen.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod.

Het bestemmingsplan kent de bestemming 'wonen buitengebied' en de dubbelbestemming 'waarde-archeo- logie'. De bestemming "wonen buitengebied" sluit aan op de geldende bestemmingen van de buurpercelen.

Daarnaast is sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.

 

Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
Vaak heeft het college de bevoegdheid om met in achtneming van de daarvoor geldende voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of afwijking van de bouwregels toe te staan.

 

Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

 

Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
De gronden met de dubbelbestemming 'waarde-archeologie' hebben een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

 

Anti-dubbeltelregel

Artikel 5 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

 

Algemene bouwregels

Artikel 6 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.

 

Algemene aanduidingsregels

In artikel 7 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld. Het betreft hier met name de luchtvaartverkerszone als gevolg van de aanwezigheid van vliegveld Gilze Rijen. Op grond van deze zone geldt een maximale bouwhoogte. Omdat gebouwen maximaal 10m hoog mogen worden heeft deze aanduiding geen verdergaande beperkingen tot gevolg.

 

Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 8.

 

Algemene wijzigingsregels
Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 9, voor het wijzigen van de bestemmingsgrenzen en het toelaten van utiliteitsvoorzieningen met een oppervlak groter dan 50m2.

 

Overige regels
Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn burgemeester en wethouders middels artikel 11 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

 

8.1 Uitvoerbaarheid

Ingeval een toekomstige ontwikkeling een particuliere grondexploitatie betreft en er voor het realiseren van het plan voorzieningen van openbaar nut nodig zijn, schrijft de wet kostenverhaal voor. In deze gevallen, waar de gemeente zelf geen grond exploiteert en de voorzieningen en overige kosten dus niet zelf in de grondprijs kan verdisconteren, wordt doorgaans met initiatiefnemers een exploitatieovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst worden alle gemeentelijke kosten bij de initiatiefnemers in rekening gebracht, zoals de gemeentelijke plan- en apparaatskosten, de kosten 'Reserve Bovenwijkse Voorzieningen' en kosten van voorzieningen van openbaar nut, waaronder herstel van aangebrachte schade. Eveneens wordt een planschadeovereenkomst afgesloten. Door het afsluiten van een exploitatieovereenkomst en planschadeovereenkomst zijn deze plannen kosten neutraal voor de gemeente en derhalve economisch uitvoerbaar.

 

Met de initiatiefnemer is een exploitatieovereenkomst en een overeenkomst tegemoetkoming in schade gesloten. In de overeenkomst tegemoetkoming in schade is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. In de exploitatieovereenkomst is de bijdrage voor het fonds bovenwijkse voorzieningen opgenomen. Daarnaast zijn leges betaald voor de bestemmingsplanherziening.

 

Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.

Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar.

 

 

 

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 4 december 2015 gepubliceerd in het Stadsnieuws.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties:

 

Instantie

Datum verzending

Datum ontvangst reactie

Opmerkingen?

Provincie Noord-Brabant Directie ROH

3 februari 2016

18 februari 2016

nee

Waterschap Brabantse Delta

3 februari 2016

-

-

Brabant Water

3 februari 2016

-

-

 

9.3 Burgerparticipatie

De eigenaar van het pand heeft op 9 november 2016 een gesprek gehad met de directe buren van Gilzerbaan 220, 230 en 232, waarbij hij zijn beweegredenen tot het verzoek tot bestemmingsplanherziening heeft uitgelegd. De bewoners van nr. 232 en nr. 220 hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan. Op verzoek van de bewoners van nr. 230 heeft op 20 november nog een tweede gesprek plaats gevonden met de buren. Naar aanleiding van dit gesprek zijn de bouwmogelijkheden aan de westzijde van het plangebied beperkt, in die zin dat de afstand van het bouwvlak tot de zijdelingse perceelsgrens (de grens met nummer 230) 6 meter bedraagt. De bewoners hebben aangegeven in dat geval in te kunnen stemmen met het nieuwe bestemmingsplan. (zie voor het verslag bijlage 8 ).

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van maandag 11 april tot en met maandag 23 mei 2016. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.