direct naar inhoud van Regels

Stappegoor 2013, 1e herziening (Uitbreiding Fontys)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2015019-e001
Plantype: gemeentelijke overheid/bestemmingsplan

Toelichting

 

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

1.2 Het plangebied

1.3 Voorgaande plannen

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Functionele structuur

2.2 Ruimtelijke structuur

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijk en provincie

3.2 Gemeente

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

4.1 Inleiding

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

4.4 Groen

4.5 Verkeer en parkeren

4.5.3 Specifiek voor dit bestemmingsplan

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

5.1 Inleiding

5.2 Milieuhinder bedrijven

5.3 Externe veiligheid

5.4 Geluid

5.5 Lucht

5.6 Geur

5.7 Bodem

5.8 Natuur en Ecologie

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

6.1 Bestaand watersysteem

6.2 Duurzaam waterbeheer

6.3 Watertoets

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

7.1 Inleiding

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

9.3 Burgerparticipatie

9.4 Zienswijzen

 

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Fontys wil uitbreiden in het kader van centralisatie van opleidingen op Stappegoor.

 

Doordat in de noordoosthoek van de onderwijscampus meegewerkt wordt aan de bouw van het Vakcollege is er binnen het bestemmingsplan geen ruimte voor de uitbreiding van Fontys en dient die plaats te vinden aan de zuidzijde van de campus. Deze uitbreiding ligt buiten het huidige bouwvlak en de aanleg van de bijbehorende parkeerterreinen komt deels binnen de bestemming "Wonen".

 

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat het zuidelijk deel van de onderwijscampus op Stappegoor en wordt globaal begrensd door de Professor Goossenslaan aan de westkant, de bestaande bebouwing op het onderwijscampus aan de noordkant, de oostelijke grens van het bestaande parkeerterrein aan de oostkant en de watergrens van de retentievijver aan de zuidkant.

[image] 

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk het bestemmingsplan Stappegoor 2013, vastgesteld 2 december 2013, voor dit deel onherroepelijk geworden op 12 februari 2015.

 

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Functionele structuur

Het gebied Stappegoor, dat is gelegen aan de zuidzijde van Tilburg, is een multifunctioneel gebied in ontwikkeling. Vanouds was dit reeds een sport- en onderwijsgebied. Dit zal ook in de toekomst het geval zijn, maar er worden ook twee grote woongebieden (Willems Buiten en Zuiderpark) gebouwd. Daarnaast zijn en worden ook de nodige voorzieningen gerealiseerd. Zo bestaat de megabioscoop Euroscoop al een aantal jaren. Een XL-supermarkt staat nog op de rol. Het onderwijs in Stappegoor concentreert zich in de Onderwijswijscampus Stappegoor, hierna Onderwijscampus genoemd, die is gelegen aan de Professor Goossenslaan en de Stappegoorweg.

 

Het plangebied maakt onderdeel uit van de Onderwijscampus. Op deze campus zijn twee onderwijsinstituten gevestigd: de Onderwijsgroep aan de noordzijde (langs de Stappegoorweg) en Fontys ten zuiden daarvan. Dit bestemmingsplan, dat betrekking heeft op de zuidzijde van de campus, betreft derhalve alleen gronden waar Fontys gevestigd is. In het plangebied wil Fontys een uitbreiding realiseren van ca. 13.200m2 bvo. Deze is bedoeld om een aantal Fontys-scholen die nu elders in de stad gevestigd zijn, met name de Juridische Hogeschool en Journalistiek, op de campus te huisvesten en daarmee de verschillende onderdelen van Fontys op de campus te concentreren.

 

De uitbreiding van Fontys, maar ook de uitbreiding van de Onderwijsgroep (i.c. Vakcollege) in de noordoostelijke hoek van de campus (buiten dit bestemmingsplan gelegen), vragen om een uitbreiding van de parkeergelegenheid. Tegelijk bestaat bij Fontys, Onderwijsgroep en gemeente ook de ambitie van een "robuuste campus" met een aantrekkelijker verblijfskwaliteit dan nu aanwezig is. In onderstaande paragraaf "Ruimtelijke structuur" meer hierover.

 

Rond de Onderwijscampus loopt een aantal belangrijke hoofdverkeerswegen: de Professor Goossenslaan aan de westzijde en de Stappegoorweg aan de noord- en oostzijde. Zowel voor autoverkeer als voor langzaam verkeer wordt de campus vanaf deze wegen ontsloten, met name vanaf de west- en noordzijde, in de toekomst mogelijk ook vanaf de oostzijde. De belangrijkste ontsluiting voor autoverkeer ligt momenteel aan de Professor Goossenslaan.

Ten zuiden van de Onderwijscampus ligt de A58, maar Stappegoor, dus ook de campus, zijn niet aangesloten op de A58. In de toekomst is dit mogelijk wel het geval als de toekomstoptie van een extra op-/afrit van de A58 ter hoogte van de Stappegoorweg gerealiseerd zou worden.

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied maakt onderdeel uit van de Onderwijscampus. In 2015 is de bestaande en voor de toekomst gewenste ruimtelijke structuur onderzocht. Eén en ander is uitgewerkt in het rapport “Haalbaarheidsstudie Onderwijsgebied Stappegoor, Tilburg, 25 november 2015”, dat in opdracht van Fontys, Onderwijsgroep en gemeente door Inbo is opgesteld. Belangrijke uitgangspunten uit dit rapport zijn:

Voorliggend bestemmingsplan maakt de gewenste structuur mogelijk, met de gewenste uitbreiding van Fontys, het uitbreiden van de parkeergelegenheid inclusief aanpassing van de (hoofd-) ontsluiting en versterking van het verblijfskwaliteit op de campus.

 

Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft het zuidelijk deel van de Onderwijscampus. Kenmerkend voor dit deel van de campus is de ligging langs de A58 en de landschappelijke zone langs de A58, die aan de zuidzijde van de campus grenst.

Stedenbouwkundig gezien is in verband met deze ligging een hogere maximale bouwhoogte gemotiveerd, bij wijze van bebouwingsaccent langs de A58. Om die reden is in dit plan een maximale bouwhoogte van 20m opgenomen, waar in de rest van de Onderwijscampus een maximale bouwhoogte van 15m geldt. Overigens bedraagt de maximale bouwhoogte van de naastgelegen Euroscoop, die ook in de zone langs de A58 is gelegen, 25m.

Zoals gezegd heeft de zone langs de A58 een belangrijke landschappelijke betekenis. Hier ligt een vijverpartij die door bomen omzoomd wordt en die in deze vorm een intermediair vormt tussen A58 en Onderwijscampus. Ten oosten van deze bestaande vijverpartij ligt momenteel een opener landschap, dat de bestemming water heeft, met de bedoeling om de retentie-opgave van Stappegoor op te lossen, waarbij een nadere landschappelijke inpassing nog een opgave vormt. Vanuit de Onderwijscampus, waar sprake is van schaarse ruimte, is er druk op de zone langs de A58, onder andere op aanwezige boompartijen langs de vijverpartij. Bij deze bomen gaat het in principe niet om de afzonderlijke kwaliteit van de bomen, maar wel om de landschappelijke waarde. Het totaal van water en beplanting geeft zowel vanuit de campus als vanuit de A58 een fraai landschappelijk beeld.

 

Om deze landschappelijke waarde te waarborgen, is in het overgangsgebied van de campus en de landschapszone langs de A58 op een deel van de bestemming "Maatschappelijk" de aanduiding “landschapswaarden" geprojecteerd. Ter plaatse van de aanduiding Landschapswaarden mag niet gebouwd worden en mogen geen werkzaamheden (zoals de aanleg van parkeerplaatsen en de aanleg van een ontsluitingsweg) uitgevoerd worden. Van dit verbod kan binnenplans afgeweken worden. Door middel van een landschapsplan dient dan te worden aangetoond dat het gewenste beeld van de landschapszone langs de A58 op deze plaats behouden blijft. Dit beeld bestaat uit een afwisseling tussen open en gesloten beplantingszones zodat zowel (transparant) zicht op het water als (transparant) zicht op representatieve bebouwing gewaarborgd blijft. De gesloten delen beplanting kunnen dienen als inpassing van minder representatieve onderdelen van de campus zoals opslag en parkeerterrein.

 

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Rijk en provincie

Volgens de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is het plan gelegen in stedelijk gebied. Er spelen geen provinciale of rijksbelangen met uitzondering van de ladder voor duurzame verstedelijking. Derhalve wordt het ruimtelijk beleidskader op provinciaal en rijksniveau (provinciale Verordening Ruimte en de AMvB Ruimte) met uitzondering van de ladder voor duurzame verstedelijking niet besproken.

3.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt

Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen.

Deze stappen zijn:

 [image]

Met dit bestemmingsplan wordt de uitbreiding van onderwijs instelling mogelijk gemaakt. Hierna worden de bovenstaande stappen doorlopen voor dit bestemmingplan.

 

Trede 1: Is er een regionale behoefte?

De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan.

De huisvesting van Fontys in Tilburg kenmerkt zich door twee goed functionerende locaties te weten:

De eerste heeft als voordeel dat het gelegen is in het centrum van de stad, waarmee de verbintenis met het werkveld (o.a. schouwburg) zeer goed is en de OV-verbinding optimaal. Campus Stappegoor is gelegen aan de rand van de stad en is kwalitatief goed op orde.

De ruimtelijke capaciteit van de campus voldoet niet meer, door de exponentiële groei van de opleidingen Fontys Academy for Creative Industries (FACI) en Fontys Hogeschool ICT (FH ICT). Hiervoor is op dit moment een flexibele schil ingeregeld middels externe huur (gebouw Apennijnenweg) en tijdelijke huisvesting gerealiseerd op campus Stappegoor. Met de verwachting dat de studentenaantallen in Tilburg de komende jaren nog zullen stijgen (zie hieronder bij demografische ontwikkeling), is er een noodzaak tot structurele capaciteitsuitbreiding. Vanuit de beleidslijn van Fontys 'concentratie tenzij…' is Campus Stappegoor de locatie voor eventuele uitbreiding van de onderwijsactiviteiten en de vervangende nieuwbouw voor de locaties Meerkoldreef 6 en Professor Gimbrerelaan 16.

De doelstelling voor de locatie Campus Stappegoor is uitbreiding van de gebouwen ter vervanging van de ruimtes die nu extern gehuurd worden dan wel tijdelijk zijn (de gebouwen AP en P2N) en ten behoeve van het opvangen van toekomstige groei en de vervangende nieuwbouw voor de locaties Meerkoldreef 6 en Professor Gimbrerelaan 16.

De locaties Meerkoldreef 6 en Professor Gimbrerelaan 16 hebben weinig uitbreidingspotentie en zijn derhalve niet geschikt om de groei op te vangen.

 

Demografische ontwikkeling studentenpopulatie

De ontwikkeling van de studentenpopulatie op middellange termijn is afhankelijk van onder andere demografische en sectorspecifieke factoren. Veronderstellingen over de ontwikkeling van studentenaantallen worden in deze paragraaf onderbouwd op basis van referentieramingen van Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), achtergrondinformatie van het CPB en ervaringscijfers van Fontys.

Er resteert echter een aantal onvoorspelbare elementen, zoals de impact van nieuw overheidsbeleid of het economisch klimaat.

 

Referentieraming OCW en demografische ontwikkelingen

De referentieraming van OCW geeft het volgende beeld van de ontwikkeling van het aantal studenten in het hbo:

  [image]

 

Deze referentieraming is als richtinggevend kader gebruikt ter onderbouwing van de studentprognose van Fontys. Uit ervaringscijfers blijkt dat de referentieraming (zijnde een prognose van het ministerie) op jaarschijven niet altijd overeenkomt met de daadwerkelijke realisatiecijfers, maar de trend is een belangrijke indicator voor de te verwachten studentontwikkeling. Eens temeer omdat de trend ook onderbouwd kan worden met achtergrondinformatie uit algemene bronnen.

Overheidsbeleid heeft effect op de ontwikkeling van de studentenpopulatie:

Uit algemene bronnen blijkt dat er vanaf 1997 sprake is van een bevolkingsgroei, nadrukkelijk in de leeftijdscategorie van 17-25 jarigen. De groei van het aantal hbo-studenten in de afgelopen jaren komt voort uit de genoemde bevolkingsgroei, aangevuld met het feit dat het aantal hoger opgeleiden sterker is gegroeid dan de bevolkingsgroei en de verblijfsduur van studenten langer is geworden.

Naast de landelijke ontwikkelingen spelen regionale effecten een rol van betekenis. Specifiek de effecten van regionale krimp. Uit algemene informatie wordt duidelijk dat de demografische ontwikkelingen op regionaal niveau uiteenlopen. Er bestaat een patroon van groei naast krimp. Krimp komt vooral voor in de regio Limburg, terwijl de overige regio's redelijk stabiel blijven dan wel een groei vertonen (Eindhoven en Tilburg) in de periode 2010-2025.

 

Vertaling naar studentenaantallen voor Fontys

Het aantal ingeschreven studenten voor Fontys is afgeleid van de referentieraming OCW via het gemiddelde marktaandeel van het aantal bekostigde inschrijvingen over de afgelopen drie jaar.

De uitkomsten zijn eenmalig gecorrigeerd voor de afwijkende instroom per 01-10-2014. Het aantal inschrijvingen voor dit studiejaar lag hoger dan verwacht op basis van de referentieraming van OCW en het ervaringscijfer voor het marktaandeel. Verondersteld wordt dat deze afwijking een gevolg is van de aangekondigde -en uitgestelde -invoering van het studievoorschot.

Dit resulteert in onderstaande studentenprognose voor Fontys:

 

 [image]

 

Kortom: op basis van de referentieraming 2014 en uitgaande van een gemiddeld marktaandeel van Fontys in de bekostigde inschrijvingen van afgelopen drie jaren, lijkt een groei naar 45.500 studenten een realistisch scenario voor de. Deze groei zal gelijkmatig worden verdeeld tussen Eindhoven en Tilburg.

 

Vertaling naar studentenaantallen voor Fontys Campus Stappegoor

Op de Campus Stappegoor wordt de benodigde uitbreiding gerechtvaardigd doordat:

Door bovengenoemde aspecten neemt de studentenpopulatie op de campus Stappegoor van 11.172fte in 2014 naar 14.141fte in 2018 toe. Daarnaast is er een groei qua medewerkers van 706fte in 2014 naar 844fte in na ingebruikname van de aanvullende onderwijshuisvesting in het schooljaar van 2019.

Deze toename van 2.969 studenten en 138 medewerkers rechtvaardigt de benodigde toename in benodigde onderwijs huisvesting op de Campus Stappegoor.

 

Geen structurele leegstand te verwachten

M.b.t. de leegkomende schoolgebouwen geldt het volgende:

 

Meerkoldreef 6

De Fontys locatie aan de Meerkoldreef 6 huisvest de Fontys Juridische Hogeschool. De locatie is gelegen ten westen van het centrum in de wijk Het Zand en is bereikbaar via station Tilburg Universiteit (400m), station Tilburg Centraal (2,9km) en via Rijksweg A58 (3,3km). De directe omgeving betreft overwegend woningen met in de buurt een wijkwinkelcentrum.

 

Professor Gimbrerelaan 16

De Fontys locatie aan de Professor Gimbrerelaan 16 huisvest de Fontys Hogeschool voor Journalistiek. De locatie is gelegen ten westen van het centrum in de wijk De Reit en is bereikbaar via station Tilburg Universiteit (1,2km), station Tilburg Centraal (1,9km) en via Rijksweg A58 (2,0km). De directe omgeving betreft overwegend woningbouw. Eind 2013 is op het naastgelegen perceel het woon- en zorgcentrum Zonnehof opgeleverd met ca. 78 appartementen voor senioren, horeca, fysio en kinderdagverblijf.

 

De vrijkomende locaties, Meerkoldreef 6 en Gimbrerelaan 16 zullen na realisatie van de vervangende huisvesting door Fontys afgestoten worden. Een onafhankelijk marktonderzoek geeft aan dat een nieuwe invulling (met bestaande of gewijzigde bestemming) van deze locaties reëel is. Bij een nieuwe invulling binnen de bestemming kan voor beide locaties gedacht worden aan de invulling t.b.v. een onderwijsinstelling of ten behoeve van een sociaal cultureel programma (muziekschool, atelierruimte).

Bij een invulling buiten de bestemming geldt voor de Meerkoldreef 6 dat een algemene functie wonen of wonen voor de doelgroepen zorg/senioren en studenten gezien de omgeving kansrijk en voor de hand liggend lijkt. De omgeving en de direct aangrenzende percelen zijn overwegend bestemd tot wonen. De Wandelboslaan heeft overwegend een woonbestemming.

Voor de Gimbrerelaan 16 geldt dat hier gezien de locatie en de wijk een herontwikkeling naar wonen een invulling is die past binnen de directe omgeving.

Er is dus geen vrees voor structurele leegstand.

 

Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?

Stappegoor behoort tot bestaand stedelijk gebied. De uitbreiding van de onderwijscampus wordt derhalve opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied.

 

Trede 3 is daarom niet meer van toepassing.

 

Conclusie

Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is toepassing gegeven aan art. 3.1.6 Bro.

3.2 Gemeente

 

3.2.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

  1. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

  1. De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

  1. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

3.2.2 Specifiek voor dit bestemmingsplan

Investeren in Onderwijsgebied Stappegoor, versterking van de regio

De aanwezigheid van onderwijsinstellingen in Tilburg is van belang voor de leefbaarheid en economische vitaliteit van de regio. Het vergroot de aantrekkelijkheid van Tilburg als vestinglocatie voor bedrijven en ondernemers. De gemeente Tilburg heeft in het coalitieakkoord uitgesproken te willen werken aan een aantrekkelijke studentenstad met behoud en uitbreiding van variëteit en onderwijs. Tilburg en regio hebben behoefte aan sterke (vak)opleidingen, opleidingen met uitstraling en kwaliteit, met sterke banden met het bedrijfsleven/werkveld. De locatie Stappegoor voorziet met de aanwezigheid van Fontys en ROC Tilburg reeds in de actuele regionale onderwijsbehoefte en biedt zelfs de mogelijkheid te komen tot een versterkte campus van vmbo, mbo en hbo, in samenwerking met het bedrijfsleven.

De inhoudelijke verbinding tussen Onderwijsgroep Tilburg en Fontys en de afzonderlijke uitbreidings- behoeften op Stappegoor van Fontys (met ca. 3.000 studenten) en de Onderwijsgroep Tilburg (met ca. 900 leerlingen) bieden de juiste randvoorwaarden om de regionale onderwijsfunctie van Tilburg en in het bijzonder Stappegoor te versterken.

Met de realisatie van het Vakcollege investeert de Onderwijsgroep Tilburg op Stappegoor in de samenwerking tussen VMBO en MBO. Met de uitbreiding van haar huisvesting op Stappegoor investeert Fontys in Tilburg in verdere centralisatie van haar onderwijs op Stappegoor en versterkt daarmee de regionale onderwijsfunctie van Stappegoor.

 

Samenwerking Fontys Hogescholen en Onderwijsgroep Tilburg

Technologische ontwikkelingen en verdergaande globalisering leiden tot meer dynamiek op de arbeidsmarkt en stellen nieuwe en hogere eisen aan toekomstige professionals. Het middensegment op de arbeidsmarkt staat onder druk. Functies die voorheen door MBO-ers met een niveau-4 opleiding werden vervuld worden steeds vaker ingevuld met HBO-ers. Ongeveer 40 % van de MBO niveau 4 studenten stroomt door naar het HBO; 45% van de MBO instroom haalt binnen vijf jaar het HBO diploma. Gezien de doorstroom en het rendement is samenwerking voor een zo goed mogelijke doorstroom van MBO naar HBO van belang. Dit betekent concreet samenwerking rondom doorlopende leerlijnen, Associate Degree opleidingen, lectoraten, centra voor innovatief vakmanschap, excellentie.

Fontys Hogescholen en de ROC's , Onderwijsgroep Tilburg, Summa College, ROC Ter AA en Gilde Opleidingen gaan samenwerken in elkaars Centra voor Innovatief Vakmanschap (mbo) en Centers of Expertise en Kenniskringen (hbo). Hierdoor zal niet alleen de aansluiting tussen de onderwijsinstellingen verbeteren, ook zullen Fontys en de ROC's gezamenlijke opleidingstrajecten ontwikkelen en uitvoeren zoals bijvoorbeeld de Associate Degrees in Tilburg, Eindhoven, Helmond en Venlo. Dit staat in een convenant dat de onderwijspartners binnenkort ondertekenen.

De samenwerking richt zich in eerste instantie op de domeinen Technologie en Zorg, maar verdere samenwerking in de andere domeinen wordt onderzocht. Ook bedrijven worden nauw bij de strategische en inhoudelijke uitwerking betrokken. Het convenant is een vervolg op al bestaande samenwerking tussen de onderwijspartners. Zo wordt in Tilburg, op de Campus Stappegoor, reeds samengewerkt in de Zorgacademie.

Bedrijven vragen steeds vaker om flexibele leertrajecten waarbij studenten niet alleen direct inzetbaar zijn, maar ook een bijdrage leveren aan innovatie. Hiervoor zijn naast beroepsvaardigheden, actuele kennis en inzicht nodig die aansluiten bij de snelle ontwikkelingen in de beroepspraktijk. Met het convenant willen de onderwijspartners een krachtige en flexibele leeromgeving creëren waarbinnen studenten samen met professionals hun talenten maximaal kunnen ontwikkelen. De instellingen spelen zo optimaal in op de wensen van de arbeidsmarkt en geven invulling aan de gezamenlijke Human Capital Agenda van Midden- en Oost-Brabant en Noord- en Midden-Limburg.

 

Samenwerking ROC Tilburg en Vakcollege (beiden Onderwijsgroep Tilburg)

Zowel binnen het VMBO als het MBO vinden belangrijke inhoudelijke en programmatische veranderingen en vernieuwingen plaats. Zowel het VMBO als MBO kennen straks een opleidingsstructuur met basisdelen, profieldelen en keuzedelen. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om als Vakcollege en ROC Tilburg daadwerkelijk doorlopende opleidingstrajecten te creëren met een naadloze overgang van VMBO naar MBO. Het zal duidelijk zijn dat deze overgang in beslissende mate wordt gefaciliteerd door fysieke nabijheid van de onderwijsvoorzieningen: de leerling gaat naar één locatie en haalt daar zijn startkwalificatie / vakdiploma.

Bestrijding van voortijdig schoolverlaten is nog steeds een hot item. Ondanks alle inspanningen raken we bij de overgang van VMBO naar MBO leerlingen kwijt en zeker jongeren die behoren tot de groep in een kwetsbare positie. Leerlingen op een locatie worden in begeleiding en coaching als het ware “automatisch” meegenomen van het VMBO naar het MBO.

 

De verdere samenwerking van onderwijsinstellingen past in het streven om de pijler kennis en creativiteit van de duurzame concurrentie uit de Brabantstrategie te versterken en past in de regiostrategie om in Tilburg te zorgen voor uitstekend onderwijs.

 

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

4.2.1 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.

Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

4.3.1 Archeologie

 

4.3.1.1 Nota 'Grond voor het verleden'

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  1. de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;

  2. de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' (2007) is het beleidsplan voor het Tilburgse archeologiebeleid.

4.3.1.2 Verwachtingswaarde plangebied

Het plangebied bevindt zich vooral in de voormalige laagte, het brede beekdal van de Katsbogte. Het zuidelijke deel van het plangebied bevindt zich op de rand van een vrij recent gegraven retentiebekken. Het grootste deel bestaat thans uit parkeervoorzieningen.

Rondom het plangebied hebben de afgelopen jaren verscheidene archeologische onderzoeken plaatsgevonden, waarvan de meest recente onder meer proefsleuven betreft in de dalvormige laagte van de Katsbogte ten westen van het plangebied, uitgevoerd in 2014.

Uit het onderzoek kwam enerzijds een mate van (sub)recente verstoring van de flanken van het dalgebied naar voren en in de lagere delen voorts een archeologie-arme relatief natte ondergrond met op grotere diepte nog restanten van laat-Pleistocene veenlagen. Dit onderzoek is nog niet gepubliceerd.

Mede op basis van eerder uitgevoerde bureauonderzoeken kan vastgesteld worden dat geen vindplaatsen voorkomen in het plangebied. De archeologische verwachting blijkt onbekend. Uit het bureauonderzoek van Arcadis (Vanderhoeven, 2012) komt naar voren dat er een verwachting is voor archeologie, vanaf een diepte van ca. 150cm onder maaiveld, gebaseerd op het gegeven van een beekdal.

 

Het recentelijk (2014) door BAAC uitgevoerde proefsleuvenonderzoek direct ten westen van het plangebied toont evenwel in voldoende mate aan dat de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische resten klein is.

Vrijgave

Gezien de lage verwachting op het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten, wordt de gemeente Tilburg geadvseerd om het onderhavige plangebied vrij te geven voor wat betreft het aspect archeologie. Een dubbelbestemming archeologie kan komen te vervallen. Eventuele toevalsvondsten die worden aangetroffen tijdens de inrichtingswerkzaamheden (deze kunnen immers niet geheel uitgesloten worden) dienen terstond gemeld te worden bij de gemeentelijk archeoloog.

4.3.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

4.3.2.1 Waardevolle structuren en objecten

In het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de monumentenverordening gemeente Tilburg van rijks- of gemeentewege beschermde monumenten.

4.4 Groen

 

4.4.1 Bomennota Tilburg boomT

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.

 [image]

Boomwaardezoneringskaart

 

4.4.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. Het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. Het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

4.4.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

4.4.4 Specifiek voor dit bestemmingsplan

Het campusterrein van Fontys grenst aan de zuidzijde aan een landschappelijke zone langs de A58.

Deze zone bestaat uit een natuurlijke vijver omzoomd met beplanting ( struik en boomvormers ). De beplanting bestaat uit een natuurlijke pioniersvegetatie (elzen, berken, populieren, wilgen ) aangevuld met her en der duurzame soorten als Eik en Es. Dit zijn de soorten die een natte locatie naast de vijver goed verdragen.

 

Het totaal van water en beplanting geeft vanuit de campus als vanuit de A58 een fraai landschappelijk beeld. Het gewenste beeld is hier een afwisseling tussen open en gesloten beplantingszones zodat zowel (transparant) zicht op het water als (transparant) zicht op representatieve bebouwing gewaarborgd blijft. De gesloten delen beplanting kunnen dienen als inpassing van minder representatieve onderdelen van de campus zoals opslag en parkeerterrein.

 

Op het terrein dient zoveel als mogelijk een groene campus gerealiseerd te worden. Bestaande waardevolle bomen en groenelementen dienen goed te worden ingepast bij de terreininrichting.

4.5 Verkeer en parkeren

 

4.5.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)

Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:

Algemeen

  1. De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen.

  2. Alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.

 

Autoverkeer

  1. Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde.

  2. Voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Sinds 2010 wordt dynamisch verkeersmanagemental ingezet om de doorstroming te optimaliseren.

 

Parkeren

  1. Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012. De parkeernormen van de gemeente Tilburg zijn gebaseerd op de CROW parkeerkencijfers uit 2008 (publicatie 182). In oktober 2012 heeft CROW geactualiseerde parkeerkencijfer gepubliceerd in publicatie 317. In deze actualisatie zijn de meest recente inzichten ten aanzien van het autogebruik verwerkt. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de CROW-parkeerkencijfers zullen dan ook de cijfers uit de publicatie 317 worden gehanteerd.

 

Goederenvervoer

  1. Tot 2015 groeit het goederenvervoer sterk. Tilburg heeft de ambitie om de regionale functie in overslag en logistiek verder uit te bouwen. Hierbij wordt ernaar gestreefd dat het goederenvervoer het stedelijk wegennet zo beperkt mogelijk belast. De tangenten zullen zo aantrekkelijk moeten zijn ten opzichte van de ringbanen dat het goederenvervoer vanzelf voor deze route kiest. Goederenvervoer over de weg met een herkomst of bestemming in de regio Tilburg moet waar mogelijk worden afgewikkeld om de stad Tilburg heen. De huidige overslagvoorzieningen zijn gevestigd op bedrijventerrein Loven. Daarnaast maakt een aantal bedrijven gelegen aan het Wilhelminakanaal rechtstreeks gebruik van vervoer over water. Tilburg streeft ernaar om de beschikbare multimodale voorzieningen te behouden en bij toenemende vraag verder uit te bouwen. De gemeente ontwikkelt hiertoe een hoofdnet goederenvervoer waarmee een goede uitwisseling tussen vervoerwijzen mogelijk wordt.

 

Mobiliteitsmanagement

  1. Om de automobiliteit te beperken probeert de gemeente Tilburg de vraag te beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan het verbeteren van het openbaar vervoer en fietsvoorzieningen en het vergroten van overstapmogelijkheden tussen vervoerwijzen. Daarnaast wordt aan vraagbeïnvloeding gedaan door het autoverkeer te reguleren via het doorrekenen van kosten of het opleggen van restricties (bijv. parkeerbeleid). Naast de inzet van de gemeente kunnen vooral bedrijven het nodige doen om de vervoerwijzekeuze voor hun medewerkers en/of bezoekers te beïnvloeden. Dit begint al bij de locatiekeuze van een bedrijf. De gemeente stimuleert de aandacht voor vervoermanagement. Via de wet worden eisen gesteld aan milieuprestaties door bedrijven, onder meer op het vlak van vervoer. De gemeente handhaaft door te controleren op de gestelde eisen. De gemeente stimuleert, faciliteert en handhaaft de uitvoering van vervoermanagement ten aanzien van bedrijven met een grote vervoersstroom, bedrijven in de oude stad (binnen- en aan de ringbanen) en bedrijven op nieuwe bedrijventerreinen.

 

 [image]

Categorisering wegen

4.5.2 Fietsplan Tilburg

Tilburg vindt fietsen belangrijk, want fietsen is goedkoop, snel en gezond. De stad geeft om haar luchtkwaliteit en mogelijkheden voor mobiliteit van haar inwoners. De gemeente ondersteunt dit met het fietsplan 2005 - 2015. Hierin staat omschreven hoe Tilburg steeds betere voorzieningen ontwikkelt om comfort en veiligheid voor fietsers te vergroten. Dit moet leiden tot een breder en intensiever fietsgebruik in de stad.

 

Daarnaast is er in de intensivering van het fietsplan (vastgesteld op 10 oktober 2006) besloten dat de kwaliteit op alle fietsroutes verder verbeterd moet worden, het Sternet in 2015 voltooid moet zijn en er meer maatregelen voor de specifieke doelgroepen moeten worden genomen. Tot slot is hierin ook besloten in te zetten op een uitgebreide communicatie. In het fietsplan is een uitgebreid uitvoeringsprogramma opgenomen. Het belangrijkste onderscheid dat gemaakt kan worden, is als volgt:

Infrastructureel: Het sternet wordt voor 2015 voltooid, ook kleinere fietspaden worden in asfalt aangelegd, het Sternet krijgt een sterk verbeterde verlichting, er wordt op grootschalige wijze onderhoud aan het sternet en de kleinere fietspaden uitgevoerd.

Beheer en onderhoud: Niet alleen wil de gemeente op alle Sternetroutes en fietspaden onderhoud plegen, ook wil de gemeente een grote kwaliteitsslag uitvoeren tijdens dit onderhoud.

Stallingsvoorzieningen: Er wordt een separaat stallingenplan opgesteld waarin voor alle knelpunten naar een oplossing wordt gezocht en waaraan een uitvoeringsprogramma komt te hangen.

Doelgroepenbenadering: Per doelgroep wordt bekeken welke middelen worden ingezet en wordt een uitgebreide campagne opgezet.

Communicatie: De centrale doelstelling van de communicatie is (meer) mensen vaker op de fiets krijgen en de bestaande fietsers behouden. Hier worden dan ook specifieke acties op ingezet die ook samenhangen met de uitvoeringsmaatregelen.

4.5.3 Specifiek voor dit bestemmingsplan

Fietsroutes:

De Stappegoorweg, de Professor Goossenslaan en de Tatraweg zijn sternetfietsroutes, de Eifelweg is een secundaire fietsroute.

 

Omliggende wegenstructuur:

Het plangebied is aan de oost, noord en westzijde omringd door de Stappegoorweg en de Professor Goossenslaan, beide gebiedsontsluitingswegen met een maximaal toegestane rijsnelheid van 50km/h. Aan de zuidzijde ligt de A58.

 

Openbaar vervoer:

Het gebied is zeer goed met openbaar vervoer bereikbaar.

Over de Stappegoorweg loopt een zestal buslijnen (lijnen 1, 3, 4, 5, 6 en 11) met het Centraal Station als herkomst of bestemming. De bushaltes liggen aan de noordzijde van het campusterrein, langs de Stappegoorweg.

 

Laden en lossen:

Laden en lossen moet plaatsvinden op eigen terrein.

 

Onderzoek

In opdracht van de Onderwijsgroep Tilburg, Fontys en de gemeente is door Goudappel Coffeng een verkeerstudie verricht naar de uitbreidingen die voorzien zijn op de onderwijscampus. (Bijlage 9 Oplegnotitie bij “Onderwijscampus Stappegoor, verkeersstudie uitbreidingen") Zie Bijlage 2 Verkeersonderzoek.

Onderzocht zijn alle voorziene uitbreidingen dus zowel de uitbreiding van de Onderwijsgroep Tilburg en de uitbreiding van Fontys. De uitbreiding van de Onderwijsgroep past in het geldende bestemmingsplan "Stappegoor 2013". Het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld om de uitbreiding van Fontys planologisch mogelijk te maken.

 

In de studie "Onderwijscampus Stappegoor, verkeersstudie uitbreidingen" is onderzocht hoeveel parkeerplaatsen er aangelegd moeten worden naar aanleiding van de realisatie van de eerste fase. Voor de uitbreiding van Fontys zijn in totaal 277 parkeerplaatsen noodzakelijk. Na herinrichting van het plangebied en de uitbreidingen van Fontys en Onderwijs Groep Tilburg worden er ongeveer 930 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein. Daarmee ontstaat door deze uitbreidingen een tekort van ca. 240 parkeer- plaatsen op eigen terrein. Er is onderzocht hoeveel parkeerplaatsen er beschikbaar zijn binnen het gehele plangebied Stappegoor (zijnde de parkeergarage en het maaiveldparkeren aan de westzijde van de Professor Goossenslaan) om deze parkeerbehoefte op te vangen. De conclusie van dit onderzoek is dat ook tijdens de piekmomenten van de onderwijsinstellingen (weekdag middag) er een overcapaciteit van ca. 116 danwel 281 (afhankelijk van de ontwikkeling van de supermarkt XL) parkeerplaatsen binnen het plangebied beschikbaar is waardoor dubbelgebruik van parkeerplaatsen binnen het plangebied een reëel uitgangspunt is.

 

In artikel 3.5 van het protocol bepaling parkeereis zijn de gronden aangeduid op basis waarvan kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat de benodigde plaatsen moeten worden aangelegd op eigen terrein. Eén van deze gronden is "inzet van het eigen terrein is vanuit een bredere belangenafweging ongewenst". In 3.6 wordt vervolgens aangeduid dat ontheffing kan worden verleend als men structureel vrije parkeerplaatsen in de omgeving kan benutten. Op grond van de toelichting 3.6.1. bullit 3 en 4 geldt bij vrije parkeercapaciteit in een openbare parkeergarage geen limiet aan het aantal parkeerplaatsen. Op de piekmomenten van de onderwijsinstellingen is er een overschot aan parkeerplaatsen bij de naastgelegen parkeervoorziening bij Euroscoop en het noordelijk parkeerterrein van Stappegoor. Gezien de ligging van de parkeerplaatsen grenzend aan het te ontwikkelen gebied is dubbelgebruik hier een voor de hand liggende oplossing. Voor het gehele gebied Stappegoor is een parkeerbalans opgesteld met daarbij de uitbreidingen van de onderwijsinstellingen. Hierbij is ook gekeken naar de situatie van de komst van een XL supermarkt, inclusief de daarvoor te realiseren parkeerplaatsen. In alle scenario's die zijn onderzocht zijn er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar, rekening houdend met de verschillende piekmomenten van de verschillende gebruikers. Hierdoor wordt er, op gebiedsniveau gezien, niet meer verharding toegepast dan voor het werkelijk gebruik noodzakelijk is.

Op grond van artikel 6.4 onder c van de bestemmingsplanregels kan afgeweken worden van de gehanteerde parkeernormen. Gelet op de constatering dat er voldoende parkeerplaatsen in de omgeving zijn en dus op een andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien zal bij de afgifte van de omgevingsvergunning voor de bouw van de uitbreiding van Fontys tevens omgevingsvergunning voor afwijking van artikel 6.4 onder a worden verleend.

 

De huidige verkeersstructuur (uitgaande van de reconstructie van de rotonde naar een VRI kruispunt in relatie met de komst van een XL supermarkt) is voldoende om de extra verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkelingen op te vangen. Er zijn wel maatregelen opgenomen in de zin van het langer maken van opstelstroken als gevolg van dit extra verkeer.

 

In de studie zijn wel een aantal aanbevelingen gegeven om huidige bestaande verkeerssituaties te verbeteren. Dit zijn autonome situaties welke met name de verkeersveiligheid betreffen en niet gecreëerd worden door de extra verkeersbewegingen.

 

Maatregelen omliggende wegenstructuur:

Ten behoeve van de voorbereidingen van de ombouw van de rotonde naar een kruising Stappegoorweg - Professor Goossenslaan is een doorrekening gemaakt van de verkeerslichten (zie Bijlage 1 Bijlage bij verkeersparagraaf). In deze doorberekening is de toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkelingen op de Onderwijscampus en de geplande extra woningbouw in Willemsbuiten meegenomen. Op basis van die doorrekening is de gewenste vormgeving van de kruising bepaald. Daarin is het aantal benodigde opstelvakken en de lengte van deze vakken vastgelegd. Op de te realiseren kruising ter plaatse van de rotonde Stappegoorweg - Professor Goossenslaan zal een tweetal opstelvakken langer gemaakt worden als oorspronkelijk bedacht om de extra hoeveelheid verkeer te verwerken

 

Ten behoeve van de verkeersveiligheid en oversteekbaarheid zal een aantal oversteekpunten voor fietsers en voetgangers over de Stappegoorweg worden aangepast en tenslotte zal worden voorzien in een voetpad tussen de hoofdentree voor voetgangers van de campus en de bushalte langs de Stappegoorweg.

 

In de berekeningen opgenomen in Bijlage 1 Bijlage bij verkeersparagraaf en Bijlage 2 Verkeersonderzoek voor het functioneren van de kruising Stappegoorweg met de Prof. Goossenslaan is uitgegaan van de aanleg van een extra parkeerterrein met 450 plaatsen aan de westzijde van de bioscoop. Inmiddels zijn de plannen voor de ontwikkeling van de XL supermarkt in een verder gevorderd stadium en is duidelijk dat er onder de supermarkt een parkeergarage komt voor ca. 200 parkeerplaatsen en dat de resterende parkeerplaatsen (ca. 250) aan de westkant van de bioscoop gerealiseerd zullen worden.

Om de gevolgen van deze veranderde parkeersituatie voor het kruispunt te bepalen is er een herberekening gemaakt. Deze is als Bijlage 8 Verkeersafwikkeling plansituatie Stappegoor kruising Stappegoorweg Prof Goossenslaan bij de toelichting gevoegd. Deze aanpassing van de parkeersituatie blijkt een voordelige uitwerking op het kruispunt te hebben.

 

Conclusie

Met de aanpassing van de kruising ter plaatse van de rotonde Stappegoorweg - Professor Goossenslaan kan de omliggende wegenstructuur het extra verkeer als gevolg van de uitbreiding op grond van dit bestemmingsplan faciliteren.

Er is voldoende parkeergelegenheid op het terrein en in de onmiddellijke nabijheid om de extra parkeerbehoefte (met toepassing van dubbelgebruik) op te vangen. Er zal dus afwijking van de eis om het parkeren op eigen terrein te realiseren worden verleend.

 

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

De functie onderwijs is zowel milieubelastend als milieugevoelig. Beiden aspecten zijn beoordeeld.

 

Voor een onderwijsinstelling geldt een richtafstand van 30 meter als milieubelasting op de omgeving. Binnen het bestemmingsplan Stappegoor 2013 zijn een aantal nieuwe woningen voorzien.

Deze woningen liggen op voldoende afstand. Ten aanzien van de nieuwe woningen kan worden voldaan aan de richtafstand van 30 meter. Daarmee is in beginsel op deze woningen nog steeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van milieuzonering. De bestemming wonen die nog in het onderliggende bestemmingsplan nabij de school is opgenomen komt met deze herziening te vervallen.

 

Om te bepalen of voor de onderwijsinstelling ook sprake is van een goed woon- en leefklimaat is gekeken welke bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving aanwezig zijn die hierop van invloed kunnen zijn. Omdat het nieuwe deel onderdeel uit gaat maken van de bestaande school ten noorden van het gebied is de school niet getoetst. Er is straks tenslotte sprake van één inrichting.

 

In de omgeving zijn nog enkele detailhandelsfuncties en een bioscoop gevestigd. Voor deze functies geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. Omdat de onderwijsinstelling zelf ook een belastende functie is en er in de omgeving nog andere functies aanwezig zijn zoals o.a. de A58, is er geen sprake van een rustige woonwijk. Op basis van de VNG-brochure is het daarmee verantwoord om de richtafstand met 1 stap te verkleinen naar 10 meter.

De gevoelige functies zoals leslokalen vallen buiten deze richtafstand waarmee in beginsel voor de gevoelige functie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden.

5.3 Externe veiligheid

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee transportassen, te weten de spoorlijn Breda - Tilburg, en de A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie Bijlage 7 Inventarisatie risicobronnen en verantwoording). Bij het opstellen van de verantwoording is gebruik gemaakt van de standaardadvies van de brandweer Midden -en West Brabant, ook heeft er vanwege de grote toename van het groepsrisico binnen 200m van een risicobron vooroverleg plaatsgevonden. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.4 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.4.1 Wegverkeerslawaai

De uitbreiding van de onderwijsgebouwen van Fontys zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer (zone) van de Rijksweg A58 en de Professor Goossenslaan. Ingevolge artikel 82 van de Wgh geldt een hierbij een voorkeurgrenswaarde van 48dB. De geluidbelasting t.g.v. de Rijksweg A58 en de Professor Goossenslaan is onderzocht en getoetst aan de normen van de Wet geluidhinder. Hiervoor wordt verwezen naar het akoestisch rapport Bestemmingsplan Stappegoor(1e herziening, wegverkeerslawaai (Peutz d.d. 21 december 2015, nummer SB 1588-2-RA-001) (Bijlage 3 Akoestisch onderzoek).

Uit het akoestisch onderzoek blijkt:

 

Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren (b.v. toepassen stiller wegdek, beperken verkeersintensiteit, verlagen rijsnelheid, toepassen schermen) ontmoeten overwegende bezwaren van verkeerskundige, financiële en stedenbouwkundige aard.

 

De Rijksweg A58 is voorzien van geluidreducerend 1-laags ZOAB. Indien het bestaande wegdek wordt vervangen door 2-laags ZOAB zullen de geluidbelastingen met enkele dB's afnemen en zal nog steeds sprake zijn van overschrijding van de voorkeurgrenswaarde van 48dB respectievelijk de maximale ontheffingswaarde van 53dB. De maatregel is daarom onvoldoende treffend. Vanuit financieel oogpunt is de maatregel niet doelmatig. Daarnaast is niet de gemeente Tilburg maar Rijkswaterstaat bronbeheerder.

Het verlagen van de maximale rijsnelheid op de Rijksweg A58 naar bijvoorbeeld 100 of 80km/h wordt niet realistisch geacht omdat sprake is van een belangrijke verbindingsfunctie tussen Tilburg en Eindhoven. Daarnaast zal een verlaging van de rijsnelheid niet tot een merkbaar effect leiden omdat een eventuele snelheidsverlaging alleen van toepassing is op personenauto's, terwijl het middel- en zwaar verkeer maatgevend is voor de geluidbelasting.

 

Andere maatregelen aan de bron om de geluidbelasting te reduceren tot aan de voorkeurgrenswaarde van 48dB respectievelijk de maximale ontheffingswaarde van 53dB t.g.v. de Rijksweg A58 (zoals bijvoorbeeld het beperken van de verkeersintensiteiten) ontmoeten overwegende bezwaren van verkeerskundige aard.

Maatregelen in de overdracht is bijvoorbeeld het toepassen van geluidschermen. Toepassing van geluidschermen langs de Professor Goossenslaan wordt niet wenselijk geacht vanwege stedenbouwkundige argumenten. Het toepassen van geluidschermen parallel aan de Rijksweg A58 om de geluidbelasting terug te brengen tot aan de maximale ontheffingswaarde van 53dB wordt financieel gezien niet doelmatig geacht. Hiervoor zou een scherm noodzakelijk zijn over een lengte van ca. 1000m met een hoogte van 15m afgezet tegen een indicatieprijs van ca. €400,-/m2.

 

Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen voor beide wegen. Dit betekent 53dB t.a.v. de Professor Goossenslaan en 53dB voor de Rijksweg A58 zijnde de maximale ontheffingswaarde voor een buitenstedelijke situatie. Daar waar de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt overschreden, zullen aanvullende maatregelen getroffen moeten worden om de geluidbelasting terug te brengen tot 53dB t.g.v. de Rijksweg A58. Dit kan door in het ontwerp rekening te houden met afscherming en/of het toepassen van gebouwgebonden maatregelen, zoals voorhangschermen. Eventueel kunnen geveldelen waar de maximale ontheffingswaarde van 53dB t.g.v. de Rijksweg A58 wordt overschreden doof uitgevoerd worden.

5.4.2 Railverkeerlawaai

Het plangebied is gelegen buiten het aandachtsgebied zoals aangegeven in artikel 1.4a lid 1 van het

Besluit geluidhinder. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden naar de optredende geluidbelasting t.g.v. het spoor en dat toetsing aan de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder achterwege kan blijven.

5.4.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

 
Met betrekking tot het geluid, geproduceerd door de Fontys als inrichting Wet milieubeheer, zijn de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

5.4.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

5.4.5 Gemeentelijk geluidbeleid

Om de geplande uitbreiding van de Fontys akoestisch mogelijk te maken is door het college een besluit hogere waarden vastgesteld. In het Besluit hogere waarden zijn, conform het gemeentelijk geluidsbeleid, de volgende voorwaarden gesteld:

 

Met het opnemen in de regels dat bij het realiseren van de bestemming moet worden voldaan aan de van toepassing zijnde vastgestelde hogere grenswaarden en de daarin opgenomen voorwaarden, wordt voldaan aan de voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening.

5.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

In het luchtkwaliteitsonderzoek Bijlage 5 Luchtonderzoek van Peutz d.d. 23 december 2015, nummer SB 1588-3-RA-001) is onderzocht of voldaan kan worden aan de normen zoals gesteld in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierbij is de luchtkwaliteit in beeld gebracht voor de rond het plangebied gelegen ontsluitingswegen.

Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het bouwvlak en langs de wegen in de nabij omgeving voldaan kan worden aan de luchtkwaliteitsnormen. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen bezwaren tegen voorgenomen ontwikkeling. Aangezien ook in de toekomst geen sprake zal zijn van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden ter plaatse wordt daarmee ook voldaan aan de gestelde eisen in het Besluit gevoelige bestemmingen.

 

Vanuit het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat er geen bezwaren zijn tegen de beoogde uitbreiding van Fontys.

5.6 Geur

 

5.6.1 Industriële geur

In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

5.6.2 Agrarische geur

Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.

 

Voor het onderliggende plan (Stappegoor 2013) is onderzoek gedaan naar de geuremissie van omliggende agrarische bedrijven. Hieruit blijkt dat er voor de voorgrondbelasting van Bakertand 1 sprake is van een overschrijding van de geurnorm ter plaatse van het plangebied. Hoewel de veehouderij is weg bestemd in het bestemmingsplan De Bakertand, kunnen de activiteiten op basis van het overgangsrecht worden voortgezet. Destijds is uitgegaan van een fictief agrarisch bouwblok waarbij een vlak is aangebracht dat vrij strak om de stallen heen ligt. Uit de resultaten kan geconcludeerd worden dat de veehouderij ook binnen dit fictieve bouwblok niet zonder meer wijzigingen kan aanbrengen omdat er dan sprake zou kunnen zijn van een overbelasting bij omliggende woningen aan de Bakertand. Volgens de handreiking Wet geurhinder en veehouderij is het in dat geval mogelijk om bij de ruimtelijke procedure uit te gaan van de feitelijke (vergunde) situatie. Daarom is er een aanvullende berekening uitgevoerd op basis van de feitelijke situatie.

 

Uit het aanvullend rapport Bijlage 4 Geuronderzoek, geuronderzoek d.d. 23 december 2015, rapportnummer SB 1588-1-RA-001) blijkt dat wanneer wordt uitgegaan van de feitelijke (vergunde) situatie er ter plaatse van de geurgevoelige functies (zoals de klaslokalen) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

 

Bodem

Op locatie is er is het verleden diverse onderzoeken uitgevoerd. Uit de voornamelijk historische rapporten komt naar voren dat over de gehele locatie een verharding wordt aangetroffen bestaande uit puinresten. Uit de rapporten komt naar voren dat er verondersteld mag worden dat de bodemkwaliteit op locatie in milieu hygiënisch opzicht mogelijk negatief is beïnvloed.

Analytisch gezien worden er diverse lichte verhogingen geconstateerd in zowel de bovengrond, ondergrond als grondwater. Het betreffen hier voornamelijk lichte verhogingen aan zware metalen.

Voor de uitbreiding zijn er bij de gemeente Tilburg onvoldoende gegevens beschikbaar over de bodemkwaliteit.

 

In diverse delen van Noord-Brabant worden verhoogde gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waarbij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten. Het voorkomen van deze verontreinigingen levert vaak een heel heterogeen beeld op. Hierdoor spreekt men van een lokaal verhoogde achtergrondconcentratie.

 

Ondergrondse tanks

Op de onderzoekslocatie zijn geen ondergrondse tanks aanwezig (geweest).

 

Aanbeveling

Voor de verlening van een omgevingsvergunning zal om een verkennend bodemonderzoek worden gevraagd dat maximaal 5 jaar oud is en is opgesteld volgens de NEN 5740 door een erkend adviesbureau.

5.8 Natuur en Ecologie

Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde soorten (Flora- en faunawet).

Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

 

Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

 

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

Er zijn drie mogelijkheden:

  1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.

  2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.

  3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

 

Analyse plangebied

Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De Regte Heide & Riels Laag liggen het dichtstbij: ruim 3,0 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied heeft een doelstelling voor 7. De Regte Heide en Riels Laag liggen tussen de beken Lei en Roppelsche Leij, waarvan de laatste buiten de begrenzing valt. Het gebied is te verdelen in de beekdalen en het daar buiten gelegen licht golvende dekzandlandschap waarin hier en daar lage duingebiedjes voorkomen. Het gebied bestaat uit droge en vochtige heide, moerassige laagten, zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen (Bron: Ministerie van Economische Zaken).

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten. Het enige effect kan optreden door stikstofdepositie (want de Regte Heide & Riels Laag heeft stikstofgevoelige habitattypen). De campus krijgt vorm door reeds in Tilburg bestaande scholengemeenschappen op één plaats te brengen. Derhalve zal stikstofemissie ongewijzigd blijven en mogelijk licht afnemen door multifunctioneel gebruik van gebouwen, strikte parkeernormen en nieuw mobiliteitsplan.

 

Natuurnetwerk Brabant

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is het Natuurnetwerk Brabant (ook bekend als Ecologische Hoofdstructuur) begrensd. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot het Natuurnetwerk Brabant.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Brabant is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van het Natuurnetwerk Brabant worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Natuurnetwerk Brabant (zie ook figuur 1). Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant is zuidwesten gelegen op ca. 290m afstand van het plangebied. Dit perceel heeft het beheertype N16.01 Droog bos met productie.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Natuurnetwerk Brabant in de omgeving. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Brabant en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant.

 [image]

Figuur 1 Ligging Natuurnetwerk Brabant (groen en oranje) en ecologische verbindingen (rood) rondom plangebied (globale ligging blauwe cirkel). Kaartbron: http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan

 

Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het Natuurnetwerk Nederland. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Groenblauwe mantel. De dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel is ten oosten van het plangebied gelegen op ruim 630m afstand.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Groenblauwe mantel. Het plangebied ligt niet in de Groenblauwe mantel en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel.

 

Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

 

Analyse plangebied

Het plangebied is in opdracht van de gemeente Tilburg door ecologisch deskundigen onderzocht op de aanwezigheid van beschermde soorten. De conclusies van oriënterend en verdiepend bronnen- en veldonderzoek in 2013 (Bureau Waardenburg) en 2015 ( Ecolybrium) zijn:

  1. zorgvuldig te handelen (door verstoring van broedende huismussen te voorkomen),

  2. de functionaliteit (door het tijdelijk en permanent plaatsen van min. 8 nestgelegenheden en functioneel leefgebied) te behouden en

  3. geen afbreuk te doen aan de staat van instandhouding.

 

Conclusie

 

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. In deze paragraaf wordt ingegaan op 2 ontwikkelingen namelijk de bouw ten behoeve van Onderwijs Groep Tilburg aan de noordoostzijde van de campus en de uitbreiding van Fontys aan de zuidzijde van de campus. De eerste ontwikkeling past in het geldende bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan heeft alleen betrekking op de uitbreiding van Fontys aan de zuidzijde van de campus. Om pragmatische redenen is gekozen om de waterspecten van beide ontwikkelingen te bezien.

6.1 Bestaand watersysteem

Het plangebied is gelegen in het deelstroomgebied van de Voorste Stroom en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap De Dommel.

De bouwontwikkeling bestaat uit twee locaties en de herinrichting van de buitenruimte. De noordelijke locatie (Onderwijsgroep Tilburg) past binnen het vigerende bestemmingsplan. De zuidelijke locatie (Fontys) houdt rekening met twee mogelijke uitwerkingen: model A en B. Dit bestemmingsplan maakt beiden modellen mogelijk. In fig. 1 wordt een overzicht weergegeven van de locaties en de oppervlakken in de bestaande situatie.

Het plangebied van dit bestemmingsplan (zuidelijke locatie) heeft een bruto oppervlakte van ongeveer 3,27ha. In de bestaande situatie is in het plangebied voornamelijk parkeerterrein voor de bestaande onderwijsinstellingen aanwezig. Het zuidelijke deel van het plangebied bestaat uit de oever van een van de bestaande waterbergingen van de regenwaterstelsels van Groenewoud. In tabel 1 zijn de oppervlakken weergegeven in de bestaande situatie.

 [image]

Fig. 1 Overzicht oppervlakken in de bestaande situatie

 

 [image]

Tabel 1. Oppervlakken in de bestaande situatie

 

Het afval- en regenwater worden gescheiden verzameld door het geschieden rioolstelsel. Het vuilwater stroomt af tot een aantal opvoergemalen en de gemengde riolering tot de rioolwaterzuiveringsinstallatie Tilburg, in beheer bij het waterschap De Dommel. Het regenwater wordt verzameld tot de bergingsvijver ten zuiden van het plangebied. Deze vijver heeft een oppervlakte van 2,13ha, gemeten op de insteek van het talud. Een stuwput zorgt ervoor dat het waterpeil boven 11,38m +NAP vertraagd afgevoerd. Op dit peil is de oppervlakte van de vijver 1,55ha Het water stroomt af naar de Katsbogte (NL20) via een duiker van kleine dimensies onder de rijksweg. Het regenwater wordt geloosd via twee hoofdleidingen die midden in het plangebied liggen. Zie in fig. 2 de hoofdstructuur van het watersysteem.

 

 [image]

Fig. 2 Hoofdstructuur water en riolering

 

De terreinhoogte van de zuidelijke locatie varieert tussen ongeveer 14,00m +NAP en 14,60m +NAP. Uit het globaal onderzoek Beheerbestemmingsplannen Gemeente Tilburg, GEOFOX, 23 oktober 2006, blijkt de bodemopbouw over het algemeen vergelijkbaar te zijn met het gebied Stappegoor ten westen van de Professor Goossenlaan. Uit het bodemkundig/hydrologisch onderzoek van 2005 (ARCADIS, 31 augustus 2005, kenmerk 110501/ZF5/3L3/201107/004), blijkt de bodem te bestaan uit matig siltig, matig fijn zand. Verspreid over het plangebied komen in een aantal boringen sterk tot uiterst sterk siltige, zeer fijne zandlagen voor. Deze bodemlagen hebben een variërende dikte van 0,1m tot circa 1,0m en kunnen storend werken op de verticale grondwaterstroming. In het zuidelijke deel, nabij de Katsbogte (watergang NL20), zijn in een aantal boringen veenlagen aangetroffen op een diepte van circa 1, m onder het maaiveld en hebben een dikte van 0,3 tot 0,6m. Ook de veenlagen kunnen een storende werking hebben op de verticale grondwaterhuishouding. De humeuze bovengrond heeft een dikte van 0,2 tot 1,0m. In het noordelijk deel van het plangebied zijn in een aantal boringen op een diepte van circa 1,5m onder het maaiveld leembandjes aangetroffen.

De gemiddeld hoogste grondwaterstand ligt op ongeveer 12,10m +NAP ter plaatse van de bestaande bebouwing, volgens bovengenoemd onderzoek; de beschikbare ontwateringdiepte is voldoende voor het huidige gebruik van het plangebied. De ontwateringdiepte is dan ook voldoende voor de bestaande en de nieuwe functies. Nabij de bergingsvijver is een zekere gradiënt te verwachten tot het waterspiegelpeil.

Het plangebied bevindt zich niet in een attentie- of beschermd gebied van de Keur (fig. 3). Ten zuidwesten van het plangebied liggen de beschermde gebieden van Boschkens en ten zuidoosten van de beekdal van de Leij. Op die gebieden berust een antiverdrogingsbeleid, waardoor ontwikkelingen mogen plaatsvinden onder hydrologisch neutrale omstandigheden.

 [image][image]

Fig. 3 Beschermde gebieden waterhuishouding

 

6.2 Duurzaam waterbeheer

Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016 - 2021 vastgesteld. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap : samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meer waarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het vGRP 2016-2020, vastgesteld november 2016. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.

 

Afwegingen

Beide bouwlocaties betekenen een impact op de waterhuishouding. Hoewel de noordelijke locatie in het vigerend bestemmingsplan past, zijn de effecten van beide ontwikkelingen op de waterhuishouding verkend (Uitbreiding Fontys en OGT te Tilburg, Akkertech, 1 sep 2015). In fig. 4 en 5 worden de inrichtingsplannen geschetst van beide mogelijke bouwmodellen.

 [image]

Fig 4. Model A

 

 [image]

Fig. 5 Model B

 

Conform het vigerende beleid is uitgangspunt voor het plangebied dat de ontwikkeling geen negatieve invloed mag hebben op de gewenste grondwatersituatie in de beschermde gebieden in de Keur en omgekeerd. Dit wordt bereikt door hydrologisch neutraal ontwikkelen. Mocht het nodig zijn maatregelen te treffen om de minimale ontwatering te halen, dan wordt dat bereikt partieel op te hogen en zo het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden, bergen en dan pas afvoeren naar het oppervlaktewater; eventuele drainage om overlast van schijngrondwaterspiegels is uitsluitend toegestaan boven de gemiddelde hoogste grondwaterstanden.

 

De beschikbare ontwateringdiepte binnen het plangebied is ruim voldoende voor de nieuwe gebruik van de grond. Ondergrondse bouwdelen dienen water- en vochtdicht zijn, afgestemd op de functie van de ruimte. De terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens moet aansluitend zijn op de bestaande hoogte van aangrenzend openbaar gebied. Bij de bergingsvijver is een weg geprojecteerd, die een deel van het talud in beslag neemt.

De bestaande delen wateren af via de bestaande gescheiden riolering. Bij de nieuwe bouwdelen en verharding wordt het vuil- en regenwater gescheiden ingezameld. Het vuilwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke vuilwaterriolering.

Het regenwater wordt aangesloten op het bestaande regenwaterstelsel. Bij beide bouwplannen vindt een toename van afvoerende oppervlakte. In tabel 3 en 4 worden de nieuwe oppervlakken weergegeven. De toename van afvoerende oppervlakken is in tabel 5 per initiatiefnemer weergegeven.

 

 [image]

Tabel 3. Oppervlakken bij model A

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 4. Oppervlakken bij model B

 

 [image]

 

 

 [image]

Tabel 5. Toename afvoerende oppervlakken

 

De toename van afvoerende oppervlakte dient gecompenseerd te worden door zoveel regenwater vast te houden en te bergen alvorens het afgevoerd wordt naar het regionale oppervlaktewateren. In verband met reservering van de bestaande bergingsvijver voor de bergingsopgave van de bouwplannen van Stappegoor ten westen van de Stappegoorweg / Prof. Goossenslaan is uitgegaan van water vasthouden en bergen voordat het

afstroomt in de bestaande riolering.

De bouwontwikkelingen vinden plaats in bestaand stedelijk gebied. Hiervoor geldt de randvoorwaarden van de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015, waarbij de bergingsopgave minimaal 40mm moet bedragen. Dit om overbelasting van het watersysteem te voorkomen. De toegestane landbouwkundige afvoer van geheel Stappegoor en het westelijke deel van Groenewoud is geschat op ongeveer 233 l/s (op basis van een verdeling van afvoercoëfficiënten 85% op 0,33 l/s/ha en 15% op 1 l/s/ha) van het gebied. Dit debiet wordt echter niet bereikt: de duiker begrenst de afvoer op de Katsbogte is geschat op een veel lager debiet: ongeveer 83 l/s bij de extreme neerslag van T100.

 

Initiatiefnemer

Berging (mm)

Berging (m³)

Onderwijsgroep Tilburg

40

80

Fontys

40

220

Tabel 6. Bergingsopgave

 

De verschillende mogelijkheden voor de realisering van deze compensatie berging zijn afgewogen: groene daken, 'kratensysteem', infiltrerende riolering, open wegfundering en wadi's. De oplossingsrichting voor de uitwerking wordt gekozen in een combinatie van infiltrerende riolen en wadi's. Deze voorzieningen worden aangelegd bij de buitenruimte van het gebied van Fontys. De wadi's hebben het nadeel dat ze ruimte in beslag nemen, waardoor het interessant kan blijken de resterende berging ondergronds te realiseren. Bij het ontwerp wordt de keuze voor de oplossingsrichting nader bepaald .

Bij extreme neerslag (T100) overstroomt de buitenruimte. Aangezien het open karakter van het gebied en de grote drooglegging in de bestaande bergingsvijver, zijn er geen nadelige effecten te verwachten in het plangebied.

 

Watersysteem

In het plangebied en voor rekening van de ontwikkelende partij(en), dienen de volgende randvoorwaarden in acht genomen te worden bij het ontwikkelen van het plangebied:

6.3 Watertoets

Het plan is voorgelegd aan de waterbeheerder, waterschap De Dommel tijdens verschillende overlegmomenten. De conceptwaterparagraaf is voorgelegd aan De Dommel via de mail van 5 november 2015. De Dommel heeft een aantal vragen en opmerkingen gemaakt via de mail van 24 november 2015 welke verder verwerkt zijn in de definitieve waterparagraaf of er is onderbouwd van afgeweken via de mail van 2 december 2015.

De opmerkingen van waterschap De Dommel hebben hoofdzakelijk te maken met de geldende maatstaf om de bergingsopgave te bepalen. Volgens de hydraulische randvoorwaarden die gekoppeld zijn aan de Keur (van vracht per maart 2015) is de bergingsopgave volgens het waterschap 60mm. De gemeente Tilburg hanteert deze maatstaf voor uitbreidingen buiten de stedelijke gebieden. Omdat deze ontwikkeling een inbreiding binnen het bestaande stedelijke gebied betreft, acht de gemeente de bergingseis van SWR 2010-2015 van toepassing, namelijk 40mm.

 

De Dommel heeft een schriftelijke reactie gegeven door middel van de brief van 3 maart 2016, met kenmerk Z35671/U39215. De adviezen hebben geleid tot enkele aanpassingen welke in het bestemmingsplan zijn verwerkt. Andere opmerkingen leiden niet tot aanpassing en dat is gemotiveerd teruggekoppeld met De Dommel.

 

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2008 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2008 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten.

7.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit bestemmingsplan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.

Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels.

In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels.

7.2.2 Bouwhoogte

De maximale bouwhoogte op de gehele Campus Stappegoor bedraagt 15m. Bij het nieuwe Fontys-gebouw in de zuidwestelijke hoek van de campus is er een stedenbouwkundige reden om van deze hoogte af te wijken. Dit gebouw ligt namelijk op de campus, maar ook in de zone langs de A58. Dit rechtvaardigt om voor dit gebouw, als een bebouwingsaccent langs de A58, een uitzondering te maken en hier een hogere bouwhoogte toe te staan. In diezelfde zone langs de A58 staat de bioscoop Euroscoop met max. 25m bouwhoogte. Gelet hierop en de wens om in 4 bouwlagen te bouwen is de maximale bouwhoogte gesteld op 20m.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod.

 

Bestemmingen
In het plan komen de volgende bestemmingen voor:

  1. Maatschappelijk.

De voor de rest van de campus geldende bestemming is overgenomen. Dat wil zeggen een bestemming Maatschappelijk met de nadere aanduiding "onderwijs". De nadere aanduiding is opgenomen omdat de bestemming Maatschappelijk erg breed is. Binnen de bestemming Maatschappelijk zijn b.v. ook verpleeghuizen en verzorgingshuizen toegelaten. Gelet op de aanwezige milieuhinder (met name wegverkeerslawaai) zijn deze hier niet zondermeer gewenst. Door de aanduiding onderwijs mogen er alleen gebouwen ten behoeve van onderwijs is de ruimste zin worden gebouwd. Daarnaast is voor een klein stuk gelegen tussen het bouwvlak en de bestemming water de aanduiding "landschapswaarden" opgenomen. Hiermee wordt de aanwezige groenstructuur langs de retentievijver beschermd. Hier mag in beginsel niet gebouwd worden en mogen geen werkzaamheden (zoals de aanleg van parkeerplaatsen en de aanleg van een ontsluitingsweg) uitgevoerd worden. Van dit verbod kan binnenplans afgeweken worden door middel van een landschapsplan dient dan te worden wordt aangetoond dat het gewenste beeld van de landschapszone langs de A58 op deze plaats behouden blijft. Dit beeld bestaat uit een afwisseling tussen open en gesloten beplantingszones zodat zowel (transparant) zicht op het water als (transparant) zicht op representatieve bebouwing gewaarborgd blijft.

 

  1. Water.

Een deel van de bestaande retentievijver valt binnen het plangebied. De bestaande waterberging met oever krijgt de bestemming Water, net als de rest van de berging.

 

Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

 

Anti-dubbeltelregel

Artikel 6 Antidubbeltelregel bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

 

Algemene bouwregels

Artikel 7 Algemene bouwregels bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, een regeling voor onbebouwde terreinen bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen.

 

Algemene aanduidingsregels

In artikel 8 Algemene aanduidingsregels zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld. Het betreft hier de luchtvaartverkeerszone. Als gevolg van de aanwezigheid van het vliegveld Gilze Rijen geldt er een maximale bouwhoogte. Dit heeft echter geen consequenties omdat de toegelaten maximale bouwhoogte (20m) ruimschoots onder de maximaal toegelaten hoogte als gevolg van de aanduiding luchtvaartzone ligt.

Daarnaast ligt over het grootste deel van het gebied de aanduiding veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen. Indien binnen deze zone (beperkt) kwestbare objecten worden gerealiseerd dient eerst aan de verantwoordingslicht als bedoeld in het Besluit externe veilidheid te worden voldaan. Voor de uitbreiding van Fontys is hier aan voldaan (zie paragraaf 5.3).

 

Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 9.

 

Algemene wijzigingsregels
Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 10, o.a. met betrekking tot het schrappen van functieaanduidingen en uitwisseling van functieaanduidingen, wijziging van de bestemmingsgrenzen en het toelaten van utiliteitsvoorzieningen met een oppervlak groter dan 50m2.

 

Overige regels
Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn burgemeester en wethouders middels artikel 13 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangsrecht en slotregel´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

 

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

 

8.1 Uitvoerbaarheid

De ontwikkeling van de nieuwbouw, die door dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, wordt geheel door Fontys bekostigd. Fontys heeft hiervoor de benodigde middelen gereserveerd.

De noodzakelijke investeringen welke door de gemeente moet worden voldaan bestaan uit het dekken van de kosten voor het herzien van het bestemmingsplan, investeringen in het openbaar gebied en dekking van de resterende boekwaarden van de te verkopen gronden. Deze investeringen kunnen gedekt worden door de grondopbrengsten, waardoor er sprake is van een gesloten grondexploitatie. De gemeente heeft namelijk gronden in bezit binnen het gebied van de campus.

Tussen de drie betrokken partijen, gemeente, Fontys en OGT is een overeenkomst tegemoetkoming in schade gesloten. In de overeenkomst tegemoetkoming in schade is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden verdeeld over de drie partijen.

Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.

Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar.

 

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 4 december 2015 gepubliceerd.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties, aangevuld met enkele organisaties, die de gemeente op vrijwillige basis de mogelijkheid wenste te geven op het concept te reageren. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties:

Instantie

Datum verzending

Datum ontvangst reactie

Opmerkingen?

Ministerie van I&M
Rijkswaterstaat Noord-Brabant
Afdeling IPA

28-1-2016

19-2-2016

geen

Waterschap De Dommel

28-1-2016

3 maart 2016

ja

College van Burgemeester en Wethouders van Goirle

28-1-2016

 

geen

 

De opmerkingen van Waterschap De Dommel hebben geleid tot aanpassing van de waterparagraaf voor wat betreft onderbouwing van de toereikendheid van de waterberging en de afwegingen. De opmerking m.b.t. het uitgebreider noemen van het beleidskader is niet overgenomen omdat de door het waterschap voorgestelde tekst te uitgebreid is en alleen verwijst naar vastgesteld beleid waarover een uitgebreide toelichting in het bestemmingsplan niet noodzakelijk is. Ook het advies om voorwaarden op te nemen m.b.t. minimale bouwpeil wordt niet opgevolgd. De gemeente heeft hier een adviserende rol en legt het peil niet op. De eigenaar van de grond bepaalt de vloer en terreinhoogten. De opmerkingen over compensatie in verband met aan de bergingsvijver te onttrekken oppervlakten zijn niet meer aan de orde omdat inmiddels besloten is geen bestemming Maatschappelijk op de (oever van de) waterberging te leggen. De oppervlakte met de bestemming water wordt niet gewijzigd. De verbeelding is aangepast. Daarom is een kwalitatieve verplichting hieromtrent in de regels ook niet noodzakelijk.

9.3 Burgerparticipatie

De plannen van Fontys om uit te breiden zijn met de in het gebied aanwezige belanghebbende bedrijven be- sproken. Er heeft overleg plaats gevonden met Euroscoop (onder andere op 11 september 2014 en 14 oktober 2014). Onderwerp van gesprek was met name de gevolgen voor het parkeren en de verkeersontsluiting. Er is besproken dat er afspraken gemaakt zullen worden over onder andere gedeeld gebruik van parkeerplaatsen en het optimaliseren van het gebruik van de aanwezige parkeercapaciteit. Op 9 december is met de Onder- nemersvereninging Nieuw Stappegoor overleg geweest waar de plannen voor uitbreiding zijn toegelicht. De ondernemers maken zich met name zorgen over het parkeren. Op 26 januari 2016 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een inloopavond gehouden in het Fontys gebouw. Tijdens deze inloopavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van de uitbreiding en is ingegaan op de inhoud en de procedure van het bestemmingsplan. Tevens is het concept van de ver- beelding gepresenteerd en is gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen.

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 2 mei 2016 tot en met 13 juni 2016. Tijdens deze periode is er 1 zienswijze ingediend. Deze wordt in Bijlage 10 Notitie behandeling zienswijzen zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. De zienswijze is geen aanleiding om het plan aan te passen.