direct naar inhoud van Regels

Binnenstad 2010, 4e herziening (Burgerijpad)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2015017-e001
Plantype: gemeentelijke overheid/bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de bouw van grondgebonden woningen aan het Burgerijpad / Korte Schijfstraat in Tilburg. Het betreft een gedeelte van het perceel sectie M nr. 12035. Deze grond momenteel in eigendom van de gemeente Tilburg en worden te zijner tijd aan particulieren verkocht.

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat het perceel aan het Burgerijpad en de hoek Noordhoekring / Korte Schijfstraat. Het perceel wordt globaal begrensd door woningbouw aan de Korte Schijfstraat, Burgerijpad en Noordstraat ten zuiden en oosten van het perceel, de brandweerkazerne ten noorden van het perceel. De middelbare school (HAVO van het Odulphus lyceum) maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Op dit perceel zijn geen wijzigingen voorzien.

 

[image] 

1.3 Voorgaande plannen

Dit plan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan 'Binnenstad 2010' dat is vastgesteld op 20 december 2010.

 

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Historische geografie

Het plangebied ligt op de zuidoostelijke rand van het plateau waarop de oudste akkergronden van Tilburg lagen. Deze akkergronden, waartoe ook de Heuvelse Akkers en De Schijf behoorden, strekten zich uit vanaf de Heuvel tot voorbij de Ringbaan West. Langs de rand van het akkercomplex lagen de belangrijkste nederzettingen waaronder Veldhoven, Korvel, Berkdijk, Kerk en Heuvel.

 

In de middeleeuwen was De Schijf nog een uitgestrekt akkergebied. Het lag centraal tussen de herdgangen: De Reit, De Hoeven, De Veldhoven, Kerk en Heuvel en Korvel. Als 'die Scive' komt het reeds voor in 1389. De schijf is zelf nooit een herdgang geweest. Het gebied behoorde tot de omliggende herdgangen, en alleen de randen waren bewoond. Dwars door de Schijf liep een aantal landwegen, die de herdgangen met elkaar verbonden.

 

De Korte Schijfstraat maakt onderdeel uit van de middeleeuwse lintenstructuur van Tilburg en vormde samen met de Boomstraat de verbinding tussen de herdgangen De Reit/De Hoeven en Kerk. In 1430 wordt de straat nog de Kerckwech genoemd. De huidige benaming is pas in 1881 vastgesteld.

 

Het gebruik van de gronden in de nabijheid van het plangebied is tot ruim in de negentiende eeuw voornamelijk agrarisch. Na de aanleg van de spoorlijn in 1863 verstedelijkt het gebied ten zuiden daarvan in hoog tempo, verdwijnt het agrarische gebruik en maakt plaats voor kleinschalige woonbebouwing en grote fabriekscomplexen. Zo wordt aan de noordzijde van de Korte Schijfstraat ter plekke van het plangebied de drijfriemenfabriek A. de Backer opgericht; een complex dat uit diverse gebouwen bestond. Na sluiting en sloop van de fabriek in de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd op deze locatie de openbare basisschool De Vuurvogel gebouwd. Aan de Korte Schijfstraat bevonden zich verder het grote fabriekscomplex van Brouwers, de derde lagere school (omgebouwd tot woningen) en de Hogere Textielschool (sinds enkele jaren onderdeel van het Odulphus Lyceum). De door sloop van fabrieksbebouwing vrijgekomen gronden aan de noord- en zuidzijde van de straat zijn in de laatste decennia van de twintigste eeuw ingevuld met grootschalige woningbouw.

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen in de huidige binnenstad van Tilburg. De binnenstad heeft een min of meer rechthoekige vorm en wordt begrensd door de Spoorlaan, De Heuvelring, de Paleisring/Schouwburgring en de Noordhoekring. Deze vormen samen de CityRing, die als hoofdontsluitingstructuur voor het verkeer van de binnenstad dient.

 

De binnenstad kent hoofdzakelijk een structuur van gesloten bouwblokken. De randen van deze bouwblokken zijn sterk gedefinieerd door een duidelijke rooilijn. Deze is ontstaan door de positionering van de bebouwing direct aan de straat en in bijna alle gevallen een volledige invulling van het perceel aan de straatzijde, waardoor een continue gevel is ontstaan. Het grote aantal individuele percelen en de individualiteit van de bebouwing heeft gezorgd voor een divers straatbeeld, terwijl toch een sterke samenhang is, die onder andere ook te danken is aan een ontstane algemene/gemeenschappelijke hoogte.

2.3 Functionele structuur

Het gebied van de binnenstad kent een zeer hoog niveau van menging van functies. In het onderhavige plangebied was in het verleden een school gevestigd. Het feit dat het plangebied aan meerdere zijden aansluit op bestaande woningen en dat het plangebied enigszins in de luwte ligt, biedt goede kansen om hier binnenstedelijk wonen te faciliteren.

 

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk en provincie

Volgens de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is het plan gelegen in stedelijk gebied. Er spelen geen provinciale of rijksbelangen. Derhalve wordt het ruimtelijk beleidskader op provinciaal en rijksniveau (provinciale Verordening Ruimte en de AMvB Ruimte) niet besproken, met uitzondering van de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3 Rijk

 

3.3.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt

Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen.

Deze stappen zijn:

 [image]

Met dit bestemmingsplan wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Hierna worden de bovenstaande stappen doorlopen voor dit bestemmingplan.

 

Trede 1: Is er een regionale behoefte?

De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan.

De regionale behoefte is afgestemd in het regionaal ruimtelijk overleg waaraan ook de provincie deelneemt. Hierbij is de afspraak gemaakt dat de gemeente Tilburg tot 2020 mag voorzien in een uitbreiding van 9100 woningen (kwantitatieve behoefte).

In de paragraaf Volkshuisvesting is weergegeven hoe de regionale woonbehoefte is toebedeeld aan de gemeente Tilburg. In het bouwplan is rekening gehouden met de woonmilieu(differentiatie)opgave, in dit geval het voorzien in de vraag naar een centrum-stedelijk woonmilieu. De bouwkavels worden in particulier en collectief particulier opdrachtgeverschap verkocht.

 

Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?

Door de bouw van de woningen wordt ruimte gecreëerd in binnenstedelijk gebied. De regionale behoefte wordt daarmee opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied en leidt tegelijkertijd tot kwaliteitsverbetering van de omgeving. Trede 3 is daarom niet meer van toepassing.

 

Conclusie

Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is toepassing geven aan art. 3.1.6 Bro.

3.4 Gemeente

 

3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

De binnenstad van de 21e eeuw

De binnenstad van de 21e eeuw is een samenvoeging van de huidige binnenstad en de Spoorzone. Eind 19e en begin 20e eeuw is een nieuw stadscentrum ontstaan met een kenmerkend patroon met nieuwe straten. De huidige binnenstad is beschermd stadsgezicht. In de binnenstad worden vijf sfeergebieden onderscheiden, waaronder een Dwaalgebied met een mix aan wonen, groen, werken en speciaalzaken.Het Burgerijpad maakt onderdeel uit van dit Dwaalgebied. Het dwaalgebied met specialistische winkelstjes heeft een eigen sfeer en is een unieke aanvulling op het kernwinkelgebied. De kracht van het cultuurhistorisch erfgoed wordt ten volle benut.

3.4.2 Overige gemeentelijke structuurvisies

 

3.4.2.1 Structuurvisie linten oude stad

De Structuurvisie linten is vastgesteld omdat de huidige bestemmingsplannen onvoldoende de gewenste kwaliteit in de linten te sturen. Naast ruimtelijke aspecten (o.a. hoogte/ breedte nieuwbouw) is ook de eenzijdige gerichtheid van ontwikkelaars op appartementen een punt van zorg. Er wordt (te) kolossaal (in hoogte en breedte) gebouwd, winkels verdwijnen, er is steeds meer leegstand, historische panden worden gesloopt en er is een gebrek aan kwaliteit van de openbare ruimte. Kortom, de linten gaan in zijn algemeenheid in sfeer en functie achteruit en de roep om meer bijsturing wordt steeds luider. Algemene wens is te komen tot een introductie van een nieuwe manier van omgaan met de linten (dit gaat niet alleen om het bouwen, maar ook om de contacten met bewoners, ondernemers, de inrichting openbare ruimte etc.). Deze manier moet meer bijdragen en beter aansluiten op het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost. De linten zijn erg belangrijk voor de economie van Tilburg. Circa 10% van de werkgelegenheid en 21% van het aantal winkels (met 17% van de winkelvloeroppervlakte) bevinden zich in de linten. De goede bereikbaarheid, de sterke menging van functies en de aanwezigheid van bekende winkels zijn sterke punten.

In de structuurvisie wordt een onderscheid gemaakt tussen bedrijvige en rustige linten:

  1. bedrijvige linten: Bedrijvige linten kenmerken zich door relatief veel doorgaand verkeer met veel bedrijven en winkels (meer dan 20%). Samen met de ringbanen vormen de 'bedrijvige linten' het huidige ontsluitingssysteem voor auto's in de Oude Stad;

  2. rustige linten: In deze linten ligt het accent op de functie wonen (min. 80 %). De bedrijvigheid is hier ondergeschikt.

 

Doelen

De doelen met betrekking tot rustige en bedrijvige linten in de Oude Stad zijn de volgende:

  1. bescherming van de historische structuur en het erfgoed, alsmede aandacht voor de historische uitstraling van de linten: naast behoud van de meest waardevolle beeldbepalende ensembles kan de historie in de linten als randvoorwaarde, inspiratiebron of referentie voor nieuwe ontwikkelingen benut worden;

  2. vergroten van de herkenbaarheid van de linten en hun identiteit (openbare ruimte en verkeer;

  3. introductie van een nieuwe manier van bouwen die meer bijdraagt aan het karakter en de sfeer van de linten en die een aantal problemen waar de linten nu mee kampen oplost;

  4. behoud en stimulering van de dynamiek van de bedrijvige linten: onder dynamiek wordt verstaan de combinatie van doorgaand verkeer en de aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid winkels en bedrijven (meer dan 20%);

  5. behoud en bevordering van de diversiteit van het wonen aan de linten met respect voor de historische perceelsgewijze bouwwijze van woningen en door beperking van de mogelijkheden van appartementenbouw.

 

Visie en uitvoeringsprogramma

De visie op de linten volgt de drie thema's ruimtelijke ordening (met de subthema's detailhandel/bedrijvigheid, wonen, cultuurhistorie en stedenbouw), openbare ruimte en samenwerking met partijen op de linten.

 

Ruimtelijke ordening:

I Detailhandel/bedrijvigheid

 
- maatregelen detailhandel/bedrijvigheid

A. De dynamiek concentreren in bedrijvige linten

B. Stimuleren de broedplaatsfunctie in bedrijvig linten

C. Investeren in samenwerking tussen overheid en ondernemers

 

II Wonen

 
- maatregelen wonen

A. Aanpassing van de functie wonen in bestemmingsplannen

B. Aanpassing van richtlijnen bouwbreedte en bouwhoogte (K1,'korrel overig')

C. Stimuleren van nieuwe woonvormen

 

III Cultuurhistorie

 
- maatregelen cultuurhistorie

A. Planologisch vastleggen van cultuurhistorische ensembles

B. Formaliseren in de systematiek van de beheerbestemmingsplannen

C. Visie linten effectueren binnen specifieke planologische mogelijkheden

D. Stimuleren van hergebruik van waardevolle ensembles en monumenten

E. Investeren in uitstraling en communicatie van/over de linten

 

IV Stedenbouw

  1. de korrel, maat en schaal van de bebouwing

  2. aanwijzing van ensembles

  3. aandacht voor de overgang van de linten naar de buurt

  4. benadrukken van het verschil tussen monofunctionele woongebieden achter de linten en rustige en bedrijvige linten door een andere manier van bouwen (bijv. grotere diversiteit of meer stedelijke woningtypes aan de bedrijvige linten)

  5. aandacht voor diversiteit in de linten

 
- maatregelen stedenbouw

A. Beperking van de bouwbreedte en bouwhoogte

B. Niet alleen kijken naar de bebouwingswand, maar naar de volledige diepte van het perceel

C. Ondergronds parkeren is niet verplicht. Het is wel verplicht om parkeerplaatsen mee te verkopen.

D. Door het beschermen van ensembles verwanding (= te lange en brede gebouwen) tegengaan

 

V Openbare ruimte

 
- maatregelen openbare ruimte

A. Afstemmen van evt. hogere eisen in de bedrijvige linten met beheer en onderhoud bedrijvige linten

B. Groen waar het kan

C. Meer aandacht voor het verblijfskarakter

D. Efficiënter omgaan met parkeren

E. Toepassen van principeprofielen voor rustige en bedrijvige linten

F. Bij herinrichting linten aansluiten op het Meerjarenprogramma

 

VI Samenwerking

  1. bedrijvigheid op bedrijvige linten vitaal houden

  2. gezamenlijke laagdrempelige projecten opzetten

 
- maatregelen samenwerking

Voortzetten lintenmanagement op de Korvelseweg en Besterdring

 

 [image]

Structuurvisie Linten oude stad: bedrijvige en rustige linten

 

3.4.2.2 Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR)

In de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR) is het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgenomen, waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie.

 

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

4.2.1 Stedenbouwkundige aspecten

Bij de stedenbouwkundige planvorming zijn de volgende uitgangspunten relevant.

  1. het stedenbouwkundig patroon van de Korte Schijfstraat;

  2. een stedelijk blok met grote mate van flexibiliteit;

  3. behoud van zoveel mogelijk waardevolle bomen.

 

Ad 1

Het stedenbouwkundige patroon van de noordzijde van de Korte Schijfstraat, tussen Noordhoekring en Noordstraat, bestaat uit een opéénvolging van een aantal gebouwencomplexen: het gebouw Noordhoekring 182 (voormalig politiekantoor, nu gebouw Odulphus lyceum), het voormalige schoolgebouw van De Vuurvogel (Korte Schijfstraat 21), het complex Korte Schijfstraat 17 en het rijtje woningen Korte Schijfstraat 11-15. Deze gebouwencomplexen worden over het algemeen gescheiden door pleinen (pleintjes) en plantsoenen. Het nieuwe plan sluit aan op dit stedenbouwkundige principe. Dit krijgt gestalte in de vorm van een bouwblok ongeveer ter plaatse van het gebouw van de voormalige basisschool de Vuurvogel. Ten westen en ten oosten daarvan zijn flinke plantsoenen/ parken geprojecteerd, die in de genoemde opéénvolging van binnenstedelijke ruimte langs de noordzijde van de Korte Schijfstraat passen.

Het parkeren wordt opgelost in de zone grenzend aan het terrein van de brandweer.

 [image]

 

Ad 2

Het ad 1 genoemde bouwblok wordt stedenbouwkundig als één gebouw opgevat, met in ieder geval langs de Korte Schijfstraat en langs de twee nieuwe parken een stedelijke uitstraling, die tot uiting komt in een behoorlijke bouwmassa en een uitwerking als voorkant. Omdat uitgegaan wordt van een gesloten bouwblok, vormt met name de uitwerking van de 'kop' langs de Korte Schijfstraat daarbij een bijzondere opgave die ook om een aparte benadering vraagt. Dit betekent dat in ieder geval bij de meest zuidelijke woningen, in een strook van circa 23 meter uit de rooilijn langs de Korte Schijfstraat, een grote mate van afstemming in het ontwerp- en ontwikkelingstraject noodzakelijk is. Hierdoor wordt het mogelijk om de gewenste stedenbouwkundige 'kop' architectonisch goed uit te werken, waarbij ook de bezonning van het binnenterrein goed opgelost wordt. Bovenstaande betekent niet dat de noordelijke zijde als een achterkant gezien wordt. Ook deze zijde zal voldoende uitstraling dienen te krijgen, zodat het bouwblok in zekere zin als alzijdig ervaren wordt. Het feit dat hier in verband met de brandweer sprake dient te zijn van dove gevels doet hier in principe niets aan af.

Omdat er sprake is van particulier opdrachtgeverschap wordt er in deze binnenstedelijke context voorts voor gekozen om ruimte te bieden aan bijzondere, creatieve oplossingen. Dit vraag om een behoorlijke mate van flexibiliteit in het bestemmingsplan. Om deze reden wordt in dit plan niet gekozen voor een opzet met hoofdbebouwingsvlakken en bebouwde en onbebouwde erven, maar voor een opzet met één groot bouwvlak dat is opgedeeld in twee deelvlakken. Aan de west-, zuid- en oostzijde is een 10 meter brede zone geprojecteerd waar een bouwhoogte van maximaal 10 meter is toegestaan. Hierbinnen ligt een zone waar een maximale bouwhoogte van 4 meter is toegestaan. Beide zones mogen tot 100% bebouwd worden.

 

Ad 3

Het groen in de binnenstad is van cruciaal belang voor wonen, werken en verblijven. Een aantal openbare groenplekken in de binnenstad hebben een positieve waarde voor de leefbaarheid. Met dit plan wordt het groen in de omgeving van het Burgerijpad daar aan toegevoegd.

 

De onsluiting van het plangebied wordt besproken in paragraaf 4.6.2. De parkeergelegenheid voor de nieuwe woningen wordt overeenkomstig hiermee ontsloten, via de Korte Schijfstraat en het Burgerijpad. Deze parkeergelegenheid is gesitueerd in de zone ten noorden van de geprojecteerde nieuwe woningen. Op deze wijze is er tevens sprake van een ruimtelijke buffer tussen de nieuwe woningen en het brandweerterrein.

4.2.2 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.

Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

4.3.1 Archeologie

4.3.2 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

4.3.3 Conclusie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.

 

Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting en dient in die zin een dubbelbestemming waarde Archeologie te krijgen. Ondanks bebouwing vanaf 1900 is uit verstoringsonderzoek uitgevoerd door L. Toorians (zie Bijlage 1 Verstoringsonderzoek archeologie) gebleken dat een substantieel deel van het plangebied wellicht nog onverstoord is gebleven. Aanbevolen wordt deze conclusie te onderzoeken samen met de mogelijke aanwezigheid van archeologische vindplaatsen door middel van een proefsleuvenonderzoek.

4.4 Volkshuisvesting

 

4.4.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

Conform Artikel 2.1 en 3.3 van de provinciale Verordening Ruimte dient verantwoord te worden hoe de planontwikkeling zorgt voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit, in het bijzonder beantwoordt aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Hierna wordt ingegaan op zorgvuldig ruimtegebruik.

 

De gemeente Tilburg maakt samen met zeven andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio maken de gemeenten jaarlijks in het "Regionaal Ruimtelijk Overleg" / RROsamen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de periodiek door de provincie uitgebrachte bevolkings- en woningbehoefteprognose, meest recent die uit 2014.

In de planperiode 2015-2024 bedraagt de bouwopgave voor Tilburg ruim 9.600 woningen. Zo wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudenverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Van dit aantal worden 730 woningen ingezet om de programmadoelen in een drietal buurgemeenten tot 2020 te kunnen verwezenlijken.

Zeker tot 2025 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld zo’n 1.000 woningen per jaar, dit gecorrigeerd voor circa 200 w/jr. sloop. De effectieve vraag –uitgeoefend door de woonconsument– ligt momenteel lager mede als gevolg van de crisis. In verband hiermee wordt een gemeentelijke bouwprogramma van gemiddeld 850 woningen per jaar tot 2020 aangehouden.

 

De locatie Burgerijpad in woningmarktgebied Centrum/Binnenstad betreft de ontwikkeling en bouw van 14 tot 18 grondgebonden woningen. Deze woningen komen in de plaats van een oud schoolgebouw, daarmee is sprake van binnenstedelijke inbreiding.

Met het vorenstaande is de regionale behoefte aangetoond en wordt voldaan aan trede-1 van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6. Bro).

4.4.2 Woonvisie en Kwalitatief WoningBehoefteOnderzoekKWBO

Behalve de aantallen (de kwantitatieve opgave) is in toenemende mate de kwalitatieve samenstelling van het

bouwprogramma van belang in het woonbeleid. Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de Woonvisie Tilburg 2015 wordt, in navolging van de vorige, versterkt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg nog steeds een belangrijk beleidsthema, gegeven de natuurlijke aanwas, gezinsverdunning en immigratie.

Centraal in de WoonVisie staat de gemeentelijke opgave te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus als basis voor een voldoende gedifferentieerd en aantrekkelijk woningaanbod, opdat zo veel mogelijk inwoners een passende woongelegenheid kunnen vinden. Passend in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen en trends (w.o. demografie, identiteit/beleving–keuzevrijheid, zelfredzaamheid & zorg, duurzaamheid én betaalbaarheid).

Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften/klantvraag wordt gebruik gemaakt van een woonmilieutypologie. Hierbij wordt primair –naar analogie van de rijksoverheid– onderscheid gemaakt in vijf woonmilieus: Centrum-Stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-Stedelijk, (Centrum-)Dorps en Landelijk. Waar nodig wordt hierbij verbijzonderd naar leefstijlkenmerken c.q. "woonwerelden" van bewoners. Per stadsdeel (/binnengemeentelijk woningmarktgebied) wordt –afgestemd op onderzoekdata (KWBO en SmartAgent– aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan de gewenste woonmilieuvariatie/-differentiatie te kunnen voldoen.

 

De planlocatie Burgerijpad (in woningmarktgebied Centrum/Binnenstad) ligt in bestaand stedelijk gebied.

In het bouwplan is rekening gehouden met de woonmilieu(differentiatie)opgave, in dit geval het voorzien in de vraag naar centrum-stedelijk woonmilieu. Van de verhuisgeneigde huishoudens in Tilburg oriënteert ruim 20% zich op dit woonmilieutype, waarmee burgers met daarbij passende leefstijlen kunnen worden bediend. Tot 2025 betreft dat een woningvraag van circa 2.000 woningen in dit woonmilieutype. Hiermee is ook de vraag met betrekking tot trede-2 van de ladder beantwoord, namelijk de vraag of (een deel van) de regionale behoefte op te vangen is binnen bestaand stedelijk gebied.

4.4.3 Woonkwaliteiten

Naast woonmilieudifferentiatie is meer variatie in het aanbod van nieuwbouwwoningen geboden. Enerzijds voortkomend uit de maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering, ontgroening & vergrijzing, anderzijds vanuit de verander(en)de klantvraag die steeds kwalitatiever van aard is, ook qua identiteit/beleving (leefstijl). Aspecten waarop gebiedsgericht sturing plaatsvindt zijn leefstijl/"woonwereld", het aandeel appartementen in bouwplannen, het aandeel goedkope (huur)woningen, de beschikbaarheid van bouwkavels voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw, de hoeveelheid levensloopbestendige nieuwbouw (/ wonen-met-zorg) en het voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen/PkVW.

 

Leefstijl/"woonwereld"

Het KWBO biedt inzicht in de zgn. "harde" kenmerken (i.c. huishoudens- en woningkenmerken, verhuisplannen enz.). Complementair levert het leefstijlonderzoek van SmartAgent (2013) informatie over de drijfveren van mensen in het gedrag dat zij vertonen en de keuzes die zij maken, oftewel inzicht in de normen/waarden- en belevingsaspecten (de "zachte" kant) van burgers op de woningmarkt.

Samen bieden beide onderzoeken aanknopingspunten voor doelgroep-segmentatie/-specialisatie, uitmondend in zgn. "woonwerelden". Hiermee kunnen omgevings-/locatiekenmerken en consumentenvraag optimaal op elkaar worden afgestemd in het te ontwikkelen woonproduct(gamma).

 

De planlocatie Burgerijpad biedt ruimte voor grondgebonden stedelijk wonen, meer specifiek voor de "woonwereld" Stedelijk & authentiek.

 

Levensloopbestendig bouwen (/ wonen met zorg)

De huisvesting van zorgbehoevenden (m.n. ouderen en gehandicapten), gemengd met de overige bevolking, is een belangrijk aandachtspunt van het Tilburgse woonbeleid. Ter bevordering van hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie streeft de gemeente Tilburg er naar dat nieuwbouwwoningen "levensloopbestendig" worden ontwikkeld, dan wel daartoe eenvoudig aanpasbaar zijn. Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", i.c. woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers (te maken) zijn op entreeniveau van de woning.

Daarenboven bestaat het streven dat er voldoende welzijns- en zorgdiensten in de nabijheid zijn, dan wel gerealiseerd worden. Hiertoe is het concept van de Servicewijken/woonservicezones ontwikkeld, waarbij woon-, welzijn- en zorgdiensten op gebiedsniveau optimaal op elkaar worden afgestemd. Bij nieuwe uitleglocaties dient invulling aan dit concept te worden geven.

 

Bij deze planontwikkeling wordt aan de doelstelling van levensloopbestendige nieuwbouw zo veel mogelijk invulling gegeven. Zie voor concrete ontwerphandreikingen de Werkwijzer Levensloopbestendigheid & toegankelijkheid 2.1.

 

Politiekeurmerk Veilig Wonen

Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw.

Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast (i.c. certificering plaatsvindt), zowel op woningniveau, als ook op het niveau van de woonomgeving.

 

De planlocatie Burgerijpad zal aan het Politiekeurmerk voldoen.

4.5 Groen en speelruimte

 

4.5.1 Bomennota Tilburg boomT

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.

 

 [image]

Boomwaardezoneringskaart

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op een bijlagekaart (Bijlage 2 Boomwaardekaart) bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8m en 15m vanuit het hart van de desbetreffende boom.

 

 [image]

Boomwaardekaart

 

Omwille van een goed woon- en leefklimaat wordt een groot deel van de bestaande bomen in het plangebied behouden en zoveel als mogelijk in het plan opgenomen (zie boomwaardekaart). Op deze kaart staan de te behouden bomen waarbij er een minimale afstand van 8 meter tot het nieuwe bouwblok bestaat, welke nodig is voor een duurzaam behoud van de bomen. Andere bestaande bomen, die op minder dan 8m van het bouwblok zullen komen te staan, zullen indien mogelijk worden gehandhaafd. Deze staan echter niet op de boomwaardekaart, omdat niet zeker is of zij duurzaam behouden kunnen blijven in de toekomst. Daarnaast zullen een aantal bestaande grote bomen gekapt moeten worden vanwege de te bouwen woningen.   

Een toekomstig inrichtingsplan zal het bestaande groen voor de omgeving ook toegankelijk maken. Daarnaast ontstaat er met de ontwikkeling ook ruimte om - in samenhang met de bebouwing en het inrichtingsplan - nieuwe bomen aan het gebied toe te voegen.

4.5.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

4.5.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de

mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

4.6 Verkeer en parkeren

 

4.6.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)

Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:

Algemeen

  1. De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen;

  2. alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.

Autoverkeer

  1. Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde;

  2. voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Sinds 2010 wordt dynamisch verkeersmanagemental ingezet om de doorstroming te optimaliseren.

Parkeren

  1. Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012.

Goederenvervoer

  1. Tot 2015 groeit het goederenvervoer sterk. Tilburg heeft de ambitie om de regionale functie in overslag en logistiek verder uit te bouwen. Hierbij wordt ernaar gestreefd dat het goederenvervoer het stedelijk wegennet zo beperkt mogelijk belast. De tangenten zullen zo aantrekkelijk moeten zijn ten opzichte van de ringbanen dat het goederenvervoer vanzelf voor deze route kiest. Goederenvervoer over de weg met een herkomst of bestemming in de regio Tilburg moet waar mogelijk worden afgewikkeld om de stad Tilburg heen. De huidige overslagvoorzieningen zijn gevestigd op bedrijventerrein Loven. Daarnaast maakt een aantal bedrijven gelegen aan het Wilhelminakanaal rechtstreeks gebruik van vervoer over water. Tilburg streeft ernaar om de beschikbare multimodale voorzieningen te behouden en bij toenemende vraag verder uit te bouwen. De gemeente ontwikkelt hiertoe een hoofdnet goederenvervoer waarmee een goede uitwisseling tussen vervoerwijzen mogelijk wordt.

Mobiliteitsmanagement

  1. Om de automobiliteit te beperken probeert de gemeente Tilburg de vraag te beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan het verbeteren van het openbaar vervoer en fietsvoorzieningen en het vergroten van overstapmogelijkheden tussen vervoerwijzen. Daarnaast wordt aan vraagbeïnvloeding gedaan door het autoverkeer te reguleren via het doorrekenen van kosten of het opleggen van restricties (bijv. parkeerbeleid). Naast de inzet van de gemeente kunnen vooral bedrijven het nodige doen om de vervoerwijzekeuze voor hun medewerkers en/of bezoekers te beïnvloeden. Dit begint al bij de locatiekeuze van een bedrijf. De gemeente stimuleert de aandacht voor vervoermanagement. Via de wet worden eisen gesteld aan milieuprestaties door bedrijven, onder meer op het vlak van vervoer. De gemeente handhaaft door te controleren op de gestelde eisen. De gemeente stimuleert, faciliteert en handhaaft de uitvoering van vervoermanagement ten aanzien van bedrijven met een grote vervoersstroom, bedrijven in de oude stad (binnen- en aan de ringbanen) en bedrijven op nieuwe bedrijventerreinen.

 

 [image]

Categorisering wegen

4.6.2 Verkeer en parkeren in het plangebied

Ligging plangebied:

Het plangebied ligt in het centrum van Tilburg, tussen de Noordhoekring, de Korte Schijfstraat, de Noordstraat en de brandweerkazerne.

 

Fietsroutes:

Het plangebied wordt aan drie zijden omsloten door sternetfietsroutes. Aan de oost- en zuidzijde van het plangebied ligt op de Noordstraat en op de Korte Schijfstraat een "sternetfietsroute binnenstad". Aan de westzijde ligt op de Noordhoekring een "sternetfietsroute".

 

Wegenstructuur:

Het plangebied is aan de zuidzijde ontsloten door de Korte Schijfstraat, een erftoegangsweg. Aan de oostzijde is het plangebied op de Noordstraat aangesloten via het Burgerijpad, een zeer smalle erftoegangsweg met een erfachtige inrichting, met volledig gemengd verkeer. Aan de zuidzijde is het Burgerijpad aangesloten op de Korte Schijfstraat. De huidige aansluiting is door middel van inzinkbare palen afgesloten. Ten behoeve van de planontwikkeling wordt deze aansluiting vormgegeven als volledige ontsluiting voor alle verkeer.

Aan de westzijde is het plangebied via een openbaar parkeerterrein ontsloten op de Noordhoekring. Om het verblijfsklimaat in het plangebied te optimaliseren en het sluipverkeer tussen de Noordstraat en de Noordhoekring tegen te gaan wordt de rechtstreekse verbinding tussen het Burgerijpad en het parkeerterrein afgesloten voor autoverkeer.

De Noordhoekring aan de westzijde van het plangebied, is een gebiedsontsluitingsweg en maakt deel uit van de Cityring.

 

Openbaar vervoer:

Het gebied is goed met openbaar vervoer bereikbaar.

Aan de noordzijde ligt op een afstand van 350 meter het busstation van tilburg. Het centraal station van de NS ligt op een afstand van 550 meter.

 

Parkeren:

De ontwikkeling moet voldoen aan het parkeerbeleid van de gemeente Tilburg. Voor de toevoeging van het programma zijn de meest recent vastgestelde parkeernormen voor zone A van toepassing. Per woning moet 1,6 parkeerplaats aanwezig zijn, waarvan minimaal 0,3 parkeerplaats toegankelijk moet zijn voor bezoekers. Op het parkeerterrein ten noorden van het plangebied liggen 23 parkeerplaatsen en aan het Burgerijpad zijn 16 parkeerplaatsen aanwezig. Op basis van ervaringscijfers (jaarlijkse tellingen) is gebleken dat er een restcapaciteit in het gebied aanwezig is in de huidige situatie. Van de huidige 39 parkeerplaatsen moeten er 20 gehandhaafd blijven. Bij de realisatie van de plannen moeten er dus 20 én de nieuwe parkeerbehoefte aan parkeerplaatsen worden ingepast. Uitgaande van een programma van 18 woningen moeten er 1,6*18=29 parkeerplaatsen worden ingepast ten behoeve van de planontwikkelnig. Totaal voor bestaand en nieuw moeten er dan 29 + 20 = 49 parkeerplaatsen in het gebied aanwezig zijn.

Het plangebied wordt heringericht waarbij ten behoeve daarvan parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt het parkeerterrein aan de westzijde van het plangebied (bij de brandweer) geoptimaliseerd. Alle parkeerplaatsen zijn openbaar toegankelijk en zijn ten behoeve van vergunninghouders. Daarbij is het de bedoeling dat het parkeerterrein bij de brandweer ook toegankelijk wordt voor vergunninghouders.

Het exacte aantal benodige parkeerplaatsen kan pas worden bepaald nadat duidelijk is hoeveel woningen in het gebied worden gerealiseerd. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt getoetste aan de op dat moment geldende parkeernorm'.

 [image]

Concept inrichtingsvoorstel Burgerijpad

 

Calamiteitenverkeer:

Aan de noordzijde van het plangebied ligt de brandweerkazerne. Deze heeft een secundaire ontsluiting via het Burgerijpad naar de Korte Schijfstraat. Deze route moet ten allen tijden beschikbaar blijven als ontsluitingsroute voor brandweerwagens.

Het openbaar gebied moet altijd bereikbaar zijn voor de noodhulpdiensten

 

Afvalinzameling:

In geval van individuele containers moet er worden voorzien in opstelruimtes in openbaar gebied. Deze opstelplaats moet goed bereikbaar zijn voor de BAT wagen.

Een wagen van het BAT moet altijd vooruit kunnen rijden, bij arriveren en bij het wegrijden.

 

Openbare ruimte:

Bij de inrichting van de openbare ruimte moet rekening gehouden woerden met bestaande, te handhaven, functionaliteiten en de functionaliteiten als hierboven beschreven.

 

 

 

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

In de omgeving van het plangebied liggen diverse functies die van invloed zijn op het plangebied. Zo zijn binnen de bestemming Centrum en de bestemming Gemengd een aantal functies opgenomen die niet gelimiteerd zijn in hun milieucategorie waardoor deze richtafstanden over het plangebied vallen zoals een (buiten)zwembad en schietbanen. Deze functies kunnen op deze percelen niet gerealiseerd worden vanwege de ligging en geringe omvang van deze percelen. Op deze percelen voornamelijk woningen en kleine bedrijfjes aanwezig. Er is geen reden aan te nemen dat deze functies gaan wijzigen. Daarbij zijn de hiervoor genoemde 'ongewenste' functies reeds in voldoende mate aanwezig in de stad.

 

Alleen voor het perceel van de middelbare school geldt dat hier in theorie een dergelijk zware functie wel zou kunnen. Daarom is dit perceel bij het plangebied betrokken en is de milieucategorie van de bestemming gelimiteerd tot de lijst functiemenging. De huidige activiteiten passen binnen deze functieomschrijving. Door het limiteren van de functies kan ter plaatse van de nieuwe woningen binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.

 

Ten noorden van het plangebied ligt op het naastgelegen perceel de brandweerkazerne. Omdat er behalve de kazerne ook garageherstelactiviteiten mogelijk zijn, wordt de richtafstand van 50 meter eveneens niet gehaald. Daarom is voor de brandweerkazerne een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.5.3 (industrielawaai).

5.3 Externe veiligheid

 

5.3.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

5.3.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In Bijlage 2 Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording zijn de risicobronnen die relevant zijn (binnen het invloedsgebied liggen) geïnventariseerd.

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied het spoor Breda-Tilburg en de A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in bijlage.

5.3.3 Conclusies en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee transportassen, te weten de spoorlijn Breda - Tilburg, en de A58. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Bij het opstellen van de verantwoording is gebruik gemaakt van de standaardbrief van de brandweer Midden -en West Brabant (zie Bijlage 3 Standaard adviesbrief Brandweer 2016). De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.4 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

5.5 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.5.1 Wegverkeerslawaai

De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de wettelijke zone van de Noordhoekring en de Hart van Brabantlaan/Spoorlaan. Voor nieuwe woningen geldt ingevolge de Wet geluidhinder een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. De optredende geluidbelasting t.g.v. deze gezoneerde wegen is berekend met het geluidkarteringsmodel VL 2022 en getoetst aan de normen van de Wet geluidhinder.

Uit de berekeningen blijkt dat de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Hierbij is rekening gehouden met toepassing van de wettelijke aftrek van 5 dB ingevolge artikel 110g Wet geluidhinder. Omdat de voorkeurgrenswaarde niet wordt overschreden is er geen noodzaak om hogere

waarden vast te stellen voor wegverkeerslawaai.

Op de overige wegen rondom het plangebied waaronder het Burgerijpad en de Korte Schijfstraat is de Wgh niet van toepassing omdat hier een snelheidsregiem geldt van maximaal 30 km/uur.

5.5.2 Railverkeerslawaai

Het plangebied wordt gerealiseerd binnen het aandachtsgebied zoals aangegeven in artikel 1.4a lid 1 van het Besluit geluidhinder .

 

De optredende geluidbelasting t.g.v. het spoor is berekend met het geluidkarteringsmodel VL 2022 en getoetst aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder. Uit de berekeningen blijkt dat de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 55 dB voor nieuwe woningen niet wordt overschreden.

Omdat de voorkeurgrenswaarde niet wordt overschreden is er geen noodzaak om hogere waarden vast te stellen voor railverkeerslawaai.

5.5.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

 

Brandweerkazerne

Omdat de nieuwe woningen gerealiseerd gaan worden binnen de richtafstand van 50 meter zoals aangegeven in de VNG-brochure voor een brandweerkazerne, is akoestisch onderzoek uitgevoerd.

 

De geluidbelasting is berekend op basis van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai en getoetst aan de geluidrichtlijnen uit de VNG-brochure. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Binnenstad 2014, 4e herziening (Burgerijpad), afdeling Ruimte, team Stedelijk opbouw d.d. 3 maart 2016 (zie Bijlage 4 Akoestisch onderzoek).

 

In het kader van de beschouwing van een goede ruimtelijke ordening wordt op basis van de VNG-brochure geadviseerd het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau te toetsen aan een richtwaarde van 50 dB(A) etmaal- waarde, 70 dB(A) etmaalwaarde voor maximale piekgeluiden en 50 dB(A) ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder), uitgaande van gebiedstype gemengd gebied.

Deze richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale piekgeluiden komen overeen met de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (milieuspoor) die op de brandweerkazerne van toepassing zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau het geluid als gevolg van het uitrukken van motorvoertuigen voor brandbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval in het milieuspoor buiten beschouwing blijft.

 

De indirecte hinder t.g.v. de ontsluiting van de brandweerkazerne is akoestisch niet beschouwd omdat de ontsluiting via de Noordhoekring plaatsvindt. Gelet op de afstand tot het plangebied is het niet aannemelijk dat de voorkeurgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking op het plangebied wordt overschreden.

 

Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt:

 

Maatregelen

Uit het akoestisch rapport blijkt dat zodra de akoestische signalering wordt aangezet van de brandweerwagen niet voldaan kan worden aan de richtwaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde. In het rapport is uitgegaan dat de akoestische signalering bij een melding PRIO01 wordt aangezet zodra de brandweerwagen de garagebox verlaat. (worst case benadering)

Om de invloed van de akoestische signalering van de brandweerwagens te beperken zijn de volgende maatregelen onderzocht:

Andere maatregelen zijn niet onderzocht, omdat deze primair ingrijpen op de toegestane bedrijfsvoering van de brandweer

 

Uit het maatregelonderzoek blijkt:

 

Wij zijn van mening dat door het stellen van een maatwerkvoorschrift voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode en een overschrijding van de 70 dB(A) etmaalwaarde voor piekgeluiden t.g.v. het uitrukken van de brandweerwagens met gebruikmaking van de akoestische signalering bij een melding PRIO01, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat

gemotiveerd kan worden afgeweken van de geluidrichtlijnen van de VNG-brochure.

 

Hiervoor hebben wij de volgende argumenten:

  1. het plan in een binnenstedelijke situatie wordt ingepast

  2. de noordelijke kopgevels doof worden uitgevoerd en

  3. de woningen beschikken over voldoende gevelisolatie met een minimum van 20 dB(A) conform het Bouwbesluit, waarmee het binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde wordt geborgd, wordt een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 55 dB(A) aanvaardbaar geacht.

Om een geluidbelasting van 55 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau toe te staan is een maatwerkvoorschrift gesteld op basis van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer waarmee tevens recht wordt gedaan aan de vergunde rechten van de brandweer.

5.5.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

5.6 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan, dat voorziet in de realisatie van 14 tot 18 grondgebonden woningen, wordt gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), aanwezig. Vanuit de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen, bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

5.7 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

 

De locatie is op 25 augustus 2010 onderzocht door UDM Milieu. Dit oriënterend bodemonderzoek is uitgevoerd ter plaatse van Schijfstraat 21 te Tilburg.

Uit dit oriënterend bodemonderzoek is naar voren gekomen dat in de bovengrond ( 0-1m-mv) licht verhoogde gehalten aan koper, zink, kwik, lood, PCB's zijn aangetoond.

In de bovengrond is geen verhoogd gehalte aan asbest gemeten.

 

Grondwater

In het grondwater is barium licht verhoogd aangetroffen. De overige geanalyseerde parameters zijn niet verhoogd aangetoond.

 

Uit onderzoeken uitgevoerd binnen een straal van 50 meter komt naar voren dat:

 

In diverse delen van Noord-Brabant worden verhoogde gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waarbij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten. Het voorkomen van deze verontreinigingen levert vaak een heel heterogeen beeld op. Hierdoor spreekt men van een lokaal verhoogde achtergrondconcentratie.

 

Dempingen

Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op locatie geen dempingen hebben gelegen.

 

Ondergrondse tank.

Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op de locatie geen ondergrondse tanks aanwezig zijn geweest.

 

Conclusie

Omdat van de locatie zelf geen recente bodemonderzoeken bekend zijn, dient voor het verkrijgen van een bouwvergunning een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

 

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

 

5.8 Natuur en Ecologie

 

5.8.1 Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde soorten (Flora- en faunawet).

Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

5.8.2 Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

 

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

 

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

 

Er zijn drie mogelijkheden:

  1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.

  2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.

  3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

 

Analyse plangebied

Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De Kampina & Oisterwijkse Vennen liggen het dichtstbij: ruim 4,4 kilometer ten oosten van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied heeft een doelstelling voor 13 habitatttypen, 4 habitatsoorten, 2 broedvogelsoorten en 1 niet-broedvogelsoort. Kampina en de naastgelegen Oisterwijkse vennen en bossen vormen samen een voorbeeld van het licht glooiende Brabants dekzandlandschap, met U-vormige paraboolduinen, met bossen, vennen, heide en overgangen naar schraalgraslanden in beekdalen. Kampina is een restant van het halfnatuurlijke Kempense heidelandschap, met droge en vochtige heidevegetaties, akkertjes, een meanderend riviertje, voedselarme vennen en blauwgraslanden. In de oeverzones van de vennen komt nog hoogveenvorming voor, in het zuiden liggen dopheidevelden. In het stroomdal van de vrij meanderende Beerze staan hoge populieren, elzenbroek, vochtige heide met gagelstruweel en blauwgraslanden. De vennen in het gebied zijn vaak langgerekt in zuidwest-noordoostelijke richting, de dominerende windrichting van de laatste ijstijd, toen dit landschap grotendeels werd gevormd. Vennen die in het gebied aanwezig zijn betreffen doorstroomvennen (o.a. de Centrale Vennen in de Oisterwijkse Bossen), geïsoleerde zure vennen, en vennen in beekdalflanken die (van oorsprong) onder invloed staan van inundatie met beekwater. De vennen in de Oisterwijkse bossen zijn merendeels ontstaan als uitgestoven laagten in een stuifzandlandschap, waar veentjes in ontstonden. Door vervening is hierin sinds de Middeleeuwen weer open water ontstaan. In het gebied zijn reeds in 1950 de eerste herstelmaatregelen in de vennen uitgevoerd (Bron: Ministerie van Economische Zaken).

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten.

5.8.3 Natuurnetwerk Brabant

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 [image]

Figuur 1: Ligging Natuurnetwerk Brabant (groen & oranje) en ecologische verbindingen (rood) rondom plangebied (blauw). Kaartbron: http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan

 

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is het Natuurnetwerk Brabant (ook bekend als Ecologische Hoofdstructuur) begrensd. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot het Natuurnetwerk Brabant is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot het Natuurnetwerk Brabant.

 

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Brabant is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

 

Indien de natuur- en landschapswaarden van het Natuurnetwerk Brabant worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Natuurnetwerk Brabant (zie ook afbeelding 1). Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant is ten noordoosten gelegen op ruim 1,9 km. afstand van het plangebied. Dit perceel heeft het beheertype Beheertype: N04.02 Zoete Plas (Wilhelminakanaal).

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Natuurnetwerk Brabant in de omgeving. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Brabant en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant.

5.8.4 Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het Natuurnetwerk Nederland. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Groenblauwe mantel. De dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel is ten noordwesten van het plangebied gelegen op 2,1 kilometer afstand.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Groenblauwe mantel. Het plangebied ligt niet in de Groenblauwe mantel en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel.

5.8.5 Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

 

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

 

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

 

Analyse plangebied

Door een deskundige ecoloog van de gemeente Tilburg is het plangebied op basis van bronnenonderzoek (Nationale Databank Flora en Fauna) en een verkennend veldonderzoek (op 08-03-2016) op (potentieel) aanwezige beschermde soorten geanalyseerd.

 

Het bestemmingsplan maakt de bouw van circa 18 grondgebonden woningen mogelijk.

 

Het verkennend veldonderzoek is vanaf de openbare weg uitgevoerd. Het plangebied is gelegen in het Centrum van Tilburg (CBS Wijknaam 00 - Centrum). In het plangebied staan twee panden: beiden zijn van het bouwjaar 1975. Alle panden zijn in gebruik en hebben een onderwijsfunctie. Een deel van het plangebied is bebouwd (schoolterrein, stalling). Verder zijn aanwezig een (moes)tuin, tuinbeplanting en bomen. De bouwstijlen zijn eenduidig: geen verdieping en een bitumen plat dak. Open stootvoegen zijn niet aangetroffen. Mogelijk bieden de metalen dakstrippen toegang tot een spouw en/of ruimte tussen daklagen. Openbaar terrein/groen is afwezig. Het plangebied wordt door een hekwerk afgesloten van de openbare ruimte. Langs de openbare weg is (straat)verlichting aanwezig. Open water is in het plangebied afwezig. Kelders onder de gebouwen konden tijdens het veldbezoek niet worden uitgesloten. Bunkers en andere ondergrondse ruimten zijn voor zover bekend afwezig.

 

Het plangebied is in 2013 onderzocht op vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Dit onderzoek is verricht ten behoeve van het Soortmanagementplan Oude Stad Tilburg, hetgeen daarom een groter onderzoeksgebied bestrijkt dan alleen het plangebied. In het plangebied is tijdens voorgenoemd onderzoek vastgesteld dat:

 

 

De aanwezigheid van groeiplaatsen, voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor andere beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten zijn gebaseerd op het huidige habitat in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Groeiplaatsen van beschermde planten zijn tijdens het veldbezoek vanaf openbare weg niet aangetroffen. Het is echter niet uit te sluiten dat op het terrein beschermde vaatplanten (zoals klein glaskruid) afwezig zijn. Aanvullend veldonderzoek is nodig.

 

Diverse vleermuissoorten (vnl. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) zijn overvliegend en foeragerend het plangebied te verwachten. De onderzoeksresultaten uit 2013 bevestigen dit. Voor beide functies heeft het plangebied geen essentiële betekenis. Veel vergelijkbaar habitat - als alternatief - rondom het plangebied is aanwezig.

 

Het plangebied is potentieel matig geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. In dit type habitat worden bezette vogelnesten verwacht van vnl. struweel- en gebouwbroedende vogelsoorten.

 

Het plangebied is potentieel matig geschikt voor Flora- en faunawet tabel 1 soorten. Het gaat om vnl. verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door het habitat zijn potentieel te verwachten soorten: vnl. egel, huisspitsmuis en gewone pad.

 

Conclusie

Ten behoeve van de gebiedsontheffing Flora- en faunawet heeft de gemeente Tilburg in 2013 onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw in de Oude Stad uitgevoerd. Het plangebied ligt in dit (onderzoeks)gebied.

 

In het plangebied was gedurende het onderzoek 4 paarterritoria van gewone dwergvleermuis aanwezig. Door het groene karakter van het plangebied is deze functie voor gewone dwergvleermuis logisch. Door het bouwrijp maken van het plangebied zal deze functie worden weggenomen met verstoring van paarverblijfplaatsen als gevolg. Mitigerende maatregelen zijn nodig om de gunstige staat van instandhouding, de functionaliteit en het zorgvuldig handelen te borgen. Deze maatregelen dienen door een deskundige op het gebied van gewone dwergvleermuis in een ecologisch werkprotocol te worden uitgewerkt. Indien door de initiatiefnemer - met instemming van de gemeente - van de gebiedsontheffing gebruik wordt gemaakt volstaat voorgaande werkwijze. En anders dient zelfstandig door een ecologisch deskundige aantoonbaar beoordeeld te worden of de handelingen gevolgen hebben voor beschermde soorten en maatregelen te worden getroffen.

 

Het is op voorhand niet uit te sluiten dat op het terrein beschermde vaatplanten (zoals klein glaskruid) afwezig zijn. Aanvullend veldonderzoek is nodig. Indien beschermde plantensoorten van tabel 2 van de Flora- en faunawet aanwezig zijn is een aanvraag ontheffing Flora- en faunawet niet nodig indien wordt gewerkt op basis van een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode Flora- en faunawet.

 

De aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor andere beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten is gebaseerd op het huidige habitat of op uitgevoerd onderzoek in 2013 op voorhand uit te sluiten. Schadelijke effecten door de geplande activiteiten treden niet op.

 

Het plangebied is potentieel geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. Het treffen van mitigerende maatregelen om verstoring tijdens uitvoering van de geplande activiteiten te voorkomen is hiervoor nodig. In gebruik zijnde nesten van algemene vogels zijn strikt beschermd, daarbuiten mogen ze worden verwijderd. Uitgangspunt is dat de geplande activiteiten alleen kunnen worden uitgevoerd indien bezette nesten van algemene vogels niet worden verstoord. Om deze reden wordt geadviseerd te starten met de werkzaamheden in de periode 1 sept - 1 maart (buiten het vogelbroedseizoen). Afgestemd op de feitelijke planning van het project dienen de exacte voorzorgsmaatregelen te worden bepaald.

 

Er is in het plangebied kans op beschermde tabel 1 soorten (grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vaatplanten). Tabel 1-soorten zijn van een ontheffing vrijgesteld. Wel dient zorgvuldig te worden gehandeld hetgeen als doel heeft dat de aannemer actief moet optreden om alle mogelijke schade (doden, verwonden) aan de diersoort te voorkomen.

 

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

 

6.1 Bestaand watersysteem

De gebiedskenmerken in de bestaande situatie zijn:

 

Kenmerk

Stroomgebied

Voorste Stroom

Waterbeheerders

Gemeente Tilburg (stedelijk water)

Waterschap De Dommel

Bruto oppervlakte

Ca. 6.420m2

Afvoerende oppervlakte

Ca. 5.832m2

Terreinhoogte

Ca. 14,70m+NAP

Gemiddelde hoogste grondwaterstand

Ca. 12,00m+NAP

Bodem

Zwak lemig, matig fijn zand

Ontwateringdiepte

Ca. 2,75m (voldoende voor alle doelen)

Riolering

Gemengd stelsel

Afkoppelgebied

Niet van toepassing

Oppervlaktewater

Niet van toepassing

Keur beschermde gebieden

Beregeningsbeleid: invloedsgebied Natura 2000 met opheffen voorjaars- en urenverbod

 

Op de locatie van het oude schoolgebouw komen circa 18 grondgebonden woningen.

6.2 Duurzaam waterbeheer

Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016 - 2021 vastgesteld. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap : samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meer waarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het vGRP 2016-2020, vastgesteld november 2016. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.

 

Afwegingen

Momenteel staat er een schoolgebouw met grotendeels verhard plein, parkeerterrein en een groenstrookje rondom. Op de plek van het schoolgebouw en bijbehorende buitenruimte komen circa 18 grondgebonden woningen, is er terrein bestemd voor groen (parkeerterrein uitgesloten) en is er ruimte voor verkeer/parkeren.

 

Het bouwvlak + erfverharding van de bouwontwikkeling is groter dan 2.000m2. Echter, de toename van het afvoerend oppervlak is kleiner dan 2.000m2. Conform de beslisboom watertoets vastgelegd in het vGRP, Bijlage 12 Uitgangspunten en beslisboom watertoets, kan het perceel worden aangesloten op het gemengd rioolstelsel en is er geen bergingsopgave.

 

Aan de hand van deze ontwikkelingen en de grootte van het plangebied kan er geconcludeerd worden dat er nauwelijks of geen impact is op het watersysteem omdat het verhard oppervlak niet toeneemt. De volgende algemene uitgangspunten zijn van toepassing:

6.3 Watertoets

Aangezien er nauwelijks sprake is van waterbelangen in het plangebied, hebben waterschap De Dommel en gemeente besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Hierdoor wordt deze waterparagraaf direct verwerkt in het ontwerpplan, zoals in eerder gemaakte afspraken om het vooroverleg vereenvoudigd te volgen. Het waterschap kan naderhand een voorlopig wateradvies verstrekken ten behoeve van de terinzagelegging.

 

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.

7.2.1 Bouwvlak en erf

Binnen de bestemming 'Wonen' zijn bouwvlakken aangeduid. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het bouwvlak mag volledig worden volgebouwd, met de hoogte(n) zoals op de verbeelding is aangegeven.

De bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer-verblijf' kennen geen bouwvlakken. Daar waar geen bouwvlak is gelegen gelden de regels voor het onbebouwd erf. Hier beperken de bouwmogelijkheden zich tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

7.2.2 Bouwdiepte

De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken.

7.2.3 Bouwhoogte

Binnen het bouwvlak zijn 2 deelvlakken met verschillende hoogten aangeduid van respectievelijk 7m en 3,5m.

7.2.4 Goothoogte

De toegelaten goothoogte is gelijk met de maximale bouwhoogte.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.

In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

 

In het te ontwikkelen gebied is een onderscheid gemaakt tussen 'Groen' met 'parkeren uitgesloten', 'Verkeer-Verblijf' ten behoeve van langzaam en gemotoriseerd verkeer en 'Wonen' waar grondgebonden woningen kunnen worden gerealiseerd.

Het bestaande onderwijsgebouw heeft binnen dit bestemmingsplan de bestemming 'centrum-binnenstad' zoals ook in het vigerende bestemmingsplan het geval is.

 

De volgende dubbelbestemming is van toepassing op een gedeelte van het gebied:

Het te ontwikkelen gebied heeft een hoge archeologische verwachting. Voor dit gebied dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gebied mag niet worden ontwikkelend alvorens dit onderzoek is uitgevoerd en het terrein archeologisch wordt vrijgegeven.

 

Daarnaast komen de volgende aanduidingen voor:

functieaanduidingen:

Binnen de bestemming 'groen' wordt een parkeerterrein uitgesloten, terwijl binnen de bestemming 'wonen' een gedeelte van deze bestemming bedoeld is voor 'parkeerterrein'.

 

gebiedsaanduidingen:

Deze aanduiding ligt over het gehele plangebied. Vanwege de aanvliegroute van het vliegveld 'Gilze-Rijen' mag ter plaatse van deze aanduiding niet hoger dan 160 meter worden gebouwd.

 

bouwaanduidingen:

Ter plaatse van de aanduiding 'dove gevel' mogen geen te openen ramen en deuren in de gevel worden geplaatst ter voorkoming van geluidhinder.

Het bestaande onderwijsgebouw is een gemeentelijk monument. Ten einde de hiervoor specifieke regelgeving te kunnen waarborgen, krijgt dit perceel deze aanduiding.

 

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

 

Gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

 

Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

Soms is een bestemmingsartikel is aangevuld met een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde (denk bijvoorbeeld aan graafwerkzaamheden).

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

Anti-dubbeltelregel

Deze anti-dubbeltelregel is ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

 

Algemene bouwregels

Dit betreft een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.

 

Algemene gebruiksregels

De algemene gebruiksregel houdt in dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.

 

Algemene aanduidingsregels

Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.

 

Algemene afwijkingsregels

Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan zijn hier geregeld.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

 

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

 

8.1 Uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening schrijft voor dat bij een bestemmingsplan een exploitatieplan dient te worden vastgesteld tenzij

 

De raad heeft d.d. 19 mei 2014 Ingestemd met de grondexploitatie op basis van in het bestemmingplan opgenomen ontwikkeling. Het betreft hier een grondexploitatie, waarvan de gronden eigendom van de gemeente zijn en de overige kosten en opbrengsten ook geraamd zijn en jaarlijks worden aangepast in de (meerjaren)begroting. Financiele zekerstelling van uitvoering van bouw- en woonrijpmaken is dus verzekerd.

 

Voor de realisering van de plannen worden de gronden aan particulieren verkocht. De te hanteren grondprijs is marktconform. Gezien de belangstelling die getoond is tot heden (bij eerste peiling meer belangstellenden dan kavels) hiervoor, alsmede gezien de ligging in de stad (te midden van goed onderhouden koopwoningen aan de grens van de binnenstad) van deze kavels, is te verwachten dat de gronden binnen enkele jaren verkocht zullen zijn.

 

Zoals uit het bovenstaande blijkt is het kostenverhaal zoals bedoeld in de wet voldoende verzekerd. Nadere locatie-eisen dienen niet gesteld te worden, zodat de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd is.

 

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan 'Binnenstad 2010, 4e herziening (Burgerijpad)' op 4 december 2015 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

9.2 Burgerparticipatie

Op 9 december 2015 en 17 februari 2016 zijn ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie informatieanvonden gehouden.

 

Op 9 december 2015 heeft de eerste inloopavond in verband met de voorbereiding van het bestemmingsplan plaatsgevonden.

Onderstaand de daarbij behorende tekening.

[image] 

De reacties tijdens deze inloopavond waren voornamelijk positief in die zin dat dit gedeelte van de binnenstad een woonbestemming gaat krijgen. Maar er werden ook de nodige kritische kanttekeningen:

 

Naar aanleiding van deze reacties is het plan toch nog een keer goed tegen het licht gehouden.

Qua ligging van de woningen, het groen en het parkeren is het plan aangepast. Gekozen is daarbij voor twee woningrijen in noord-zuidrichting. Op deze manier wordt het aan beide zijden van de nieuwe woningen mogelijk om een groenvoorziening te plaatsen.

Een aangepast plan is vervolgens op 17 februari 2016 tijdens een tweede inloopavond gepresenteerd (zie hieronder).

[image] 

Aan het bestemmingsplan is toen tevens het perceel aan de Noordhoekring 182 toegevoegd (de HAVO van het Odulphuslyceum). Dit gebouw wordt gebruikt voor onderwijsdoeleinden, terwijl de bestemming ook (ongewenste) grootschalige sportvoorzieningen toelaat. In dezelfde procedure wordt daarom de bestemming op dit perceel ook aangepast.

 

Op deze tweede inloopavond waren de reacties van omwonenden en anderszins belangstellenden in grote lijnen zeer positief. De reacties waren veelal dat men vond dat de gemeente goed geluisterd had naar de omwonenden. Aandacht werd er door sommigen nog wel gevraagd voor de nodige flexibiliteit in de functieaanduidingen en bestemmingsregels zodat er op een creatieve wijze woningen ontworpen en gebouwd kunnen worden. In de verdere uitwerking is dit meegenomen.

9.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 13 juni 2016 tot en met 25 juli 2016. Tijdens deze periode zijn er 11 zienswijzen ingekomen. Voor een zakelijke samenvatting van deze zienswijzen en het standpunt van de gemeente hierover wordt verwezen naar bijlage 5 notitie behandeling zienswijzen.