direct naar inhoud van Regels

Reit 2007, 2e herziening (Sportweg ong.)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.BSP2015008-e001
Plantype: gemeentelijke overheid/bestemmingsplan

Toelichting

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

De 2College Jozefmavo is momenteel gehuisvest aan de Oude Dijk 9 in het centrum van Tilburg. Dit pand is sterk verouderd en is te klein. In overleg met de gemeente heeft de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs besloten om vervangende nieuwbouw te realiseren voor de 2College Jozefmavo aan de Sportweg in Tilburg (gedeeltelijk op het huidige sportveld van het Theresialyceum).

1.2 Het plangebied

Het plangebied is gelegen ten westen van het centrum van Tilburg. De locatie is gelegen in het gebied tussen de Professor Cobbenhagenlaan, Ringbaan-West, Academielaan en het spoor Tilburg-Breda.

Het plangebied is gelegen tussen de Sportweg en het spoor. Het perceel is onderdeel van het huidig sportveld gelegen tussen het Theresialyceum en het spoor. Op het meest westelijke deel van het sportveld wordt de Jozefmavo gerealiseerd. Aan dit deel wordt een driehoekige strook grond toegevoegd die van de gemeente is aangekocht.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ligging plangebied

 

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan vervangt:

 

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

 

2.1 Ruimtelijke structuur

De Reit is een naoorlogse wijk van Tilburg, die is gelegen tussen de Ringbaan West, de Bredaseweg, de Oude Warande en de spoorlijn Tilburg - Breda. Het Uitbreidingsplan voor de Reit dateert uit 1959.

De stedenbouwkundige structuur van De Reit kan omschreven worden als een gridstructuur, met lange oost/west- en noord/zuid-lanen en -straten, die, in tegenstelling tot een zuiver, neutraal grid, vaak een verschillend karakter hebben. De Prof Cobbenhagenlaan, die aan de zuidzijde begeleid wordt door een brede groenzone, is de belangrijkste oost/west-lijn. Deze as legt de verbinding tussen de Tilburgse Binnenstad en de campus van de Tilburg University.

De zone tussen de Prof Cobbenhagenlaan en de spoorlijn, waarin, evenwijdig aan deze twee lijnen, de Sportweg ligt, is in ruimtelijk opzicht een bijzondere. Deze zone wordt gekenmerkt door grotere gebouwen, die min of meer vrij in de ruimte zijn geplaatst. Het gebouw van de Jozefmavo past in dit stedenbouwkundige patroon.

Bij de ruimtelijke inpassing van de Jozefmavo zijn de volgende stedenbouwkundige uitgangspunten relevant:

2.2 Functionele structuur

Het oostelijke gedeelte van de Reit dat is gelegen tussen de Prof Cobbenhagenlaan en de spoorlijn is in functioneel opzicht te beschouwen als een onderwijs- en kantorengebied. Langs de Prof Cobbenhagenlaan staan van oost naar west het Corpac-huis (kantoor), het Theresia-Lyceum, het voormalige Belastingkantoor, Avans hogeschool etcetera. Aan de Sportweg staan van oost naar west het voormalige UWV-kantoor, een kantorenverzamelgebouw, het PAT-gebouw en, even verderop, de Jan Ligthartschool. Functioneel past de Jozefmavo hier uitstekend bij.

2.3 Technische infrastructuur

Binnen het plangebied bevindt zich een waterleiding van Brabant Water met een belemmeringenstrook, die op de verbeelding is weergegeven met een dubbelbestemming.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk

 

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwik keling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterk eringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6. Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt

Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen.

Deze stappen zijn:

 [image]

 

Met dit bestemmingsplan wordt de bouw van een school mogelijk gemaakt. Hierna worden de bovenstaande stappen doorlopen voor dit bestemmingplan.

 

Trede 1: Is er een regionale behoefte?

De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan.

Uit het rapport leerlingprognoses voortgezet onderwijs 2015-2030 (zie Bijlage 1 Prognoses voortgezet onderwijs) van maart 2015 blijkt de behoefte aan de mavo. Dit rapport is gebaseerd op de meest recente bevolkingsprognoses uit 2014.

Hierbij wordt voor de Jozefmavo uitgegaan van gemiddeld 500 leerlingen per jaar in de periode 2015-2030. De leerlingen van de Jozefmavo komen uit de hele stad. In bijlage 5 bij de leerlingprognoses is per school een overzicht opgenomen van de herkomst van de leerlingen. 2College Wandelbos (MAVO-onderwijs) sluit aan het eind van het schooljaar zijn deuren (48 leerlingen). Naar verwachting zal de Jozefmavo in de toekomst op de nieuwe locatie meer leerlingen uit Tilburg West trekken.

De normatieve ruimtebehoefte van de Jozefmavo is, uitgaande van max. 600 leerlingen, 4.327m2 BVO. Daarnaast heeft de school voor haar bewegingsonderwijs 2 gymzalen nodig (samen 910m2 BVO). Het huidige schoolgebouw van de Jozefmavo is sterk verouderd, te klein (2.929m2 BVO + 2 gymzalen) en niet meer geschikt voor modern onderwijs. Het huidige perceel aan de Oude Dijk biedt geen mogelijkheden tot uitbreiding van de school.

Onderzocht is of de mavo in bestaande leegkomende schoolgebouwen gevestigd kan worden.

De in de toekomst beschikbaar komende schoolgebouwen voor het voortgezet onderwijs in Tilburg (schoolgebouwen 2College Wandelbos Wandelboslaan 1 (11.129m2 BVO), Vakcollege Reitse Hoevenstraat 12 (15.210m2 BVO) en Gershwinstraat 10 (14.655m2 BVO)) zijn veel te groot en daardoor vanuit kostenoogpunt moeilijk te exploiteren en qua locatie minder geschikt. Daarnaast zijn ook dit oude schoolgebouwen en zal ook hier fors geïnvesteerd moeten worden alvorens zij geschikt zijn voor het onderwijs van de Jozefmavo.

De beoogde locatie van de Jozefmavo aan de Sportweg in Tilburg op het sportveld van het Theresialyceum ligt centraal in Tilburg. Door verplaatsing van de Jozefmavo naar deze locatie ontstaat een goede spreiding van het MAVO-onderwijs in Tilburg. Daarnaast biedt het goede mogelijkheden voor een intensieve samenwerking tussen de Jozefmavo en het Theresialyceum (HAVO/VWO). Beide scholen hebben aangegeven hiervoor open te staan.

Locaties voor het MAVO-onderwijs (= VMBO-Theoretische leerweg) in Tilburg zijn de Cobbenhagenmavo in Tilburg Noord (Jacq. Van Vollenhovenstraat), het Willem II College in Tilburg Zuid (Tatraweg), het Beatrixcollege in de Reeshof (Ketelhavenstraat) en straks de Jozefmavo in Tilburg West (Sportweg).

Het Willem II College en het Beatrixcollege zijn brede schoolgemeenschappen (MAVO/HAVO/VWO). De Cobbenhagenmavo ligt naast het Cobbenhagenlyceum (HAVO/VWO). De Jozefmavo komt straks te liggen naast het Theresialyceum (HAVO/VWO). Daarmee wordt voor alle MAVO-scholen in de stad een verbinding gerealiseerd met het HAVO/VWO-onderwijs.

Huisvesting in overige leegstaande panden, b.v. kantoorpanden, is vanwege de hoge verbouwingskosten niet mogelijk.

 

Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?

Ja, de bouw van de Jozefmavo vindt plaats in bestaand stedelijk gebied. Trede 3 is daarom niet meer van toepassing.

 

Conclusie

Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is toepassing gegeven aan art. 3.1.6 Bro.

3.3 Provincie

 

3.3.1 Structuurvisie

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

 

De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:

  1. De kwaliteit van het landschap;

  2. De ontwikkeling van het buitengebied;

  3. De regionale verstedelijking.

 

Inhoud van de Structuurvisie

 

Deel A

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.

 

Deel B

In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

 

Deel C

Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).

 

Uitwerking van de Structuurvisie

De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerk ing gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.

 

Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.

3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014

Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Deze verordening is op 19 maart 2014 in werking getreden.

In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.

 

Relatie met de structuurvisie

De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

 

Inhoud

Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

 

Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.

 

Wijzigingen en ontheffingen

In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering.

 

Conclusie

Het plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied. De ontwik keling is in overeenstemming met provinciaal beleid en regels.

3.4 Gemeente

 

3.4.1 Ruimtelijke structuurvisie Tilburg 2020

De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is een integraal ruimtelijk plan voor de gehele gemeente Tilburg. Deze visie is de opvolger van het 'Stadsbeheerplan Tilburg' uit 1990. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling en onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente Tilburg op de gebieden wonen, werken, voorzieningen, recreatie, mobiliteit, natuur, water en landbouw tot 2020. 'Tilburg, stad van contrasten' vormt het leidende thema voor de ruimtelijke ontwikkeling en dus het ruimtelijk beeld in de toekomst; contrasten tussen stad en landschap, tussen de stad en de omliggende dorpen, maar ook tussen de stedelijke en de dorpse elementen in de stad. De ruimtelijke contrasten, die Tilburg karakteriseren, maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar.

Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van de andere grote steden in Noord-Brabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving.

De speerpunten van de Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende:

De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2005.

3.4.2 Ontwerp Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 13 april 2015 is een ontwerp Omgevingsvisie Tilburg 2040 ter inzage gelegd.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: Dat we in de toekomst klimaatneutraal zijn, vinden we vanzelfsprekend.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

Om antwoord te geven op een breed palet aan vragen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

1: Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk, bereikbaar en concurrerend zijn. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

2: De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

Drie stedelijke knooppunten in de regiostrategie zijn:

 

3: De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

  1. Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijk en en buurten

  2. Basis op orde: schoon, heel en veilig

  3. Vitale wijk economie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk Brandpunten

  4. Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal

  5. Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar Goede bereikbaarheid van wijk en en buurten borgen Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers

  6. Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein.Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

Conclusie

De ontwik keling van de Jozefmavo aan de Sportweg past in het gemeentelijk beleid om te streven naar het aanbieden van uitstekend onderwijs en het leggen ban verbindingen tussen diverse vormen van onderwijs.

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

 

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

4.2.1 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd.

Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.

Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.

Het bouwplan zal voorgelegd worden aan de Omgevingscommissie.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

Inventarisatie.

Historische geografie.

 

Archeologie.

 

Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen.

 

Conclusie

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. Positief is dat het plan rekening houdt met het verloop en tracé van de Sportweg.

Voor wat betreft de archeologie is er op de planlocatie vanwege de middelhoge tot hoge archeologische verwachting vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek noodzakelijk. Hiertoe dient de initiatiefnemer te zorgen voor een programma van eisen waarin de voorwaarden voor het onderzoek worden vastgelegd. De gemeente beoordeelt dit programma van eisen en als dit is goedgekeurd kan het onderzoek worden uitgevoerd door een door de initiatiefnemer in te huren gecertificeerde archeologische partij, die zowel voor de uitvoering van het veldwerk als de bijbehorende rapportage zorg kan dragen.

Ter bescherming van de archeologische waarden in afwachting van de uitkomsten van het nader archeologisch onderzoek is er een dubbelbestemming Waarde Archeologie op het terrein gelegd.

4.4 Groen en speelruimte

 

4.4.1 Bomennota Tilburg boomT

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringsk aart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.

 

Boomwaardezoneringskaart

 

Maatregelen in bestemmingsplan

De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardek aart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op Bijlage 4 Boomwaardekaart bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8 en 15m vanuit het hart van de desbetreffende boom.

4.4.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. Het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. Het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

 

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

4.4.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

 

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

 

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

 

Specifiek voor deze locatie

4.5 Verkeer en parkeren

 

4.5.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)

Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:

 

Algemeen

  1. De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen.

  2. Alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.

 

Autoverkeer

  1. Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde.

  2. Voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Sinds 2010 wordt dynamisch verkeersmanagemental ingezet om de doorstroming te optimaliseren.

 

Parkeren

  1. Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012.

 

Goederenvervoer

  1. Tot 2015 groeit het goederenvervoer sterk. Tilburg heeft de ambitie om de regionale functie in overslag en logistiek verder uit te bouwen. Hierbij wordt ernaar gestreefd dat het goederenvervoer het stedelijk wegennet zo beperkt mogelijk belast. De tangenten zullen zo aantrekkelijk moeten zijn ten opzichte van de ringbanen dat het goederenvervoer vanzelf voor deze route kiest. Goederenvervoer over de weg met een herkomst of bestemming in de regio Tilburg moet waar mogelijk worden afgewikkeld om de stad Tilburg heen. De huidige overslagvoorzieningen zijn gevestigd op bedrijventerrein Loven. Daarnaast maakt een aantal bedrijven gelegen aan het Wilhelminakanaal rechtstreeks gebruik van vervoer over water. Tilburg streeft ernaar om de beschikbare multimodale voorzieningen te behouden en bij toenemende vraag verder uit te bouwen. De gemeente ontwikkelt hiertoe een hoofdnet goederenvervoer waarmee een goede uitwisseling tussen vervoerwijzen mogelijk wordt.

 

Mobiliteitsmanagement

  1. Om de automobiliteit te beperken probeert de gemeente Tilburg de vraag te beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan het verbeteren van het openbaar vervoer en fietsvoorzieningen en het vergroten van overstapmogelijkheden tussen vervoerwijzen. Daarnaast wordt aan vraagbeïnvloeding gedaan door het autoverkeer te reguleren via het doorrekenen van kosten of het opleggen van restricties (bijv. parkeerbeleid). Naast de inzet van de gemeente kunnen vooral bedrijven het nodige doen om de vervoerwijzekeuze voor hun medewerkers en/of bezoekers te beïnvloeden. Dit begint al bij de locatiekeuze van een bedrijf. De gemeente stimuleert de aandacht voor vervoermanagement. Via de wet worden eisen gesteld aan milieuprestaties door bedrijven, onder meer op het vlak van vervoer. De gemeente handhaaft door te controleren op de gestelde eisen. De gemeente stimuleert, faciliteert en handhaaft de uitvoering van vervoermanagement ten aanzien van bedrijven met een grote vervoersstroom, bedrijven in de oude stad (binnen- en aan de ringbanen) en bedrijven op nieuwe bedrijventerreinen.

 

 [image]

categorisering wegen

 

4.5.2 Verkeersaspecten locatie

Het plan ligt binnen de bebouwde kom in een 30 km/h gebied. De Sportweg is een erftoegangsweg met daaraan een aantal kantoorpanden, scholen en sportvelden.

De Prof. Cobbenhagenlaan en Ringbaan West zijn gebiedsontsluitingswegen en hebben een snelheidsregiem van 50 km/h. Hier rijdt ook een bus.

De Sportweg, Academielaan en Reitseplein liggen in een 30km/h gebied en moeten dus voldoen aan bepaalde richtlijnen zodat duidelijk is dat men zich in een 30 km/h gebied begeeft. De Sportweg is ingericht als éénrichtingsstraat (oost-west), de overige straten als tweerichtingsverkeerstraten.

De vestiging van de Jozefmavo op deze locatie is verkeerskundig acceptabel. Bij de uitwerking van het bouwplan wordt bijzondere aandacht besteedt aan een goede en veilige ontsluiting voor alle verkeerssoorten (auto's, fietsers, voetgangers).

Nieuwe ontwikkelingen in dit gebied moeten voldoen aan de vastgestelde parkeernormen. Het parkeren van auto's en de stalling van fietsen voor de 2College Jozefmavo wordt op eigen terrein opgelost.

Naar aanleiding van de byrgerparticipatie zijn afspraken gemaakt tussen de initiatiefnemer en de buurman over de routing op het terrein. De fietsers zullen aan de oostkant van het pand het terrein op rijden de auto's aan de westkant.

Zie de schets in Bijlage 6 Verslag burgerparticipatie.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

 

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Millieueffectenrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;

  2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist.

 

ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig.

 

ad b.

Het plangebied ligt op 4,7km van de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Regte Heide en Riels Laag. De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten (zie ook paragraaf 5.9).

 

Conclusie

Een Mer (beoordeling) is niet noodzakelijk.

5.3 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

Een school is vanuit milieuzonering een belastende functie. In de omgeving zijn geen functies aanwezig die milieugevoelig zijn. Door de bestemmingswijziging worden dus geen gevoelige functies zoals woningen e.d. aangetast in hun woon- en leefomgeving.

5.4 Externe veiligheid

 

5.4.1 Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

5.4.2 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

In Bijlage 3 Verantwoording externe veiligheid, St. Jozefmavo zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda-Tilburg en de A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en maakt onderdeel uit van de bijlage.

Aangezien het hier om een ontwikkelplan gaat binnen 200m van het spoor (risicobron) en er sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde heeft er een groepsrisicoberekening plaatsgevonden. In de bijlage "groepsrisicoberekening Spoorbaan Breda-Tilburg, vestiging St. Jozefmavo a/d Sportweg te Tilburg" van mei 2015 treft u de berekening aan. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico.

5.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt de locatie waar de St. Jozefmavo komt aangemerkt als een transportasgebied.

Binnen het transportasgebied gelden de volgende voorwaarden:

 

Aan de voorwaarden van de beleidsvisie wordt voldaan.

5.4.4 Restrisico en conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg, Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen.

Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. De brandweer Midden -en West Brabant heeft in een advies van 15 juni 2015 aangegeven dat gebruik gemaakt mag worden van het standaardadvies. Het standaardadvies is meegenomen in de verantwoording.

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.5 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.5.1 Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied is een geluidgevoelige bestemming gelegen binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft een school. Voor deze geluidgevoelige bestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek (opgesteld door AGEL Adviseurs d.d. 27 mei 2015, projectnummer 20130566-049, versie Definitief 01) Bijlage 2 Akoestisch onderzoek blijkt dat ten aanzien van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder niet worden overschreden.

5.5.2 Railverkeerslawaai

Binnen het plangebied is een geluidgevoelige bestemming gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. Het betreft een school. Voor deze geluidgevoelige bestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek (opgesteld door AGEL Adviseurs d.d. 27 mei 2015, projectnummer 20130566-049, versie Definitief 01) blijkt dat voor de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai wordt overschreden. Er zijn maatregelen onderzocht om de geluidbelasting te reduceren. De resultaten staan in het akoestisch onderzoek. Bij afweging van de te nemen maatregelen bleek dat deze redelijkerwijs niet te nemen waren aan de bron en in de overdracht. Wel wordt bij het ontwerp en de indeling van het gebouw rekening gehouden met de geluidsbelasting. Voor de geluidgevoelige bestemming heeft het college van Burgemeester en wethouders een hogere waarde-besluit genomen. Dit besluit is bij dit bestemmingsplan gevoegd.

5.5.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

5.5.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidcontouren (de zogenaamde Ke-contouren). Deze contouren liggen niet over het plangebied.

5.6 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst (onderzoek luchtkwaliteit AGEL adviseurs, kenmerk 20130566-049, februari 2015) (zie bijlage 4) aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van een school, de St Jozefmavo.

De bepaling van de concentraties is uitgevoerd met het programma Geomilieu V2.62 waarin de wettelijke voorgeschreven standaard rekenmethoden met het verspreidingsmodel STACKS+ van DNV-GL (voorheen KEMA) is geïmplementeerd. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat voor zowel de autonome als de plansituatie, bij geen van de toetspunten de grenswaarde voor NO2 wordt overschreden. Tevens blijkt dat als gevolg van de planontwikkeling de NO2 concentratietoename bij de toetspunten lager is dan 3% van de grenswaarde van 40 ug/m3 (1,2 ug/m3) zodat het project als NIBM kan worden beschouwd. Met betrekking tot de PM10-concentraties blijkt dat voor zowel de autonome als de plansituatie, bij geen van de toetspunten de grenswaarde voor PM10 van 40 ug/m3 wordt overschreden. Tevens blijkt dat ook geen overschrijdingen plaats vinden van het maximum aantal maal per jaar, dat de uurgemiddeldeconcentratie voor NO2, c.q. de

4-uursgemiddeldeconcentratie van PM10 mag worden overschreden.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.7 Geur

 

5.7.1 Industriële geur

In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

5.7.2 Agrarische geur

In en om het plangebied worden geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

5.8 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

 

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

 

Locatiegegevens

Voor de locatie is in mei 2015 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Agel Adviseurs. Zie Bijlage 5 Bodemonderzoek

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

 

Conclusie

De kwaliteit van de bodem verzet zich niet tegen de uitvoering van dit plan.

5.9 Natuur en Ecologie

Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van de Ecologische Hoofdstructuur en beschermde soorten (Flora- en faunawet).

Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

 

Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

 

Er zijn drie mogelijkheden:

  1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.

  2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.

  3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

 

Analyse plangebied

Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura

2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De Regte Heide & Riels Laag liggen het dichtstbij: ca. 4,7 kilometer ten zuiden van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied heeft een doelstelling voor 7 habitattypen. De Regte Heide en Riels Laag liggen tussen de beken Lei en Roppelsche Leij, waarvan de laatste buiten de begrenzing valt. Het gebied is te verdelen in de beekdalen en het daar buiten gelegen licht golvende dekzandlandschap waarin hier en daar lage duingebiedjes voorkomen. Het gebied bestaat uit droge en vochtige heide, moerassige laagten, zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen (Bron: Ministerie van Economische Zaken).

 

Conclusie

De gewenste ontwikkeling in het plangebied zal geen negatief effect hebben op Natura

2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot en de storende factoren door de ontwikkeling zijn dusdanig van aard dat geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied zijn te verwachten.

 

Ecologische Hoofdstructuur

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) begrensd. De EHS is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot de EHS is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot de EHS.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van de EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Ecologische Hoofdstructuur. De dichtstbijzijnde EHS is ten westen gelegen op ca. 1,25km afstand van het plangebied.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Ecologische Hoofdstructuur in de omgeving. Het plangebied ligt niet in de EHS en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde EHS.

 

Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de ecologische hoofdstructuur opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten de EHS. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Groenblauwe mantel. De dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel is ten westen van het plangebied gelegen op ca. 1,3 km afstand.

 

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Groenblauwe mantel. Het plangebied ligt niet in de Groenblauwe mantel en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel.

 

Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

 

Analyse plangebied

Door een deskundige ecoloog van de gemeente Tilburg is het plangebied op basis van bronnenonderzoek (Soortmanagementplan Oude Stad Tilburg, Nationale Databank Flora en Fauna, Quickscan flora en fauna BRO 2014 en foto's) en een verkennend veldonderzoek (op 15-04-2015) op (potentieel) aanwezige beschermde soorten geanalyseerd.

Het plangebied ligt in Tilburg West in de wijk De Reit. In het plangebied ligt een deel van een sportveld omzoomd door een groensingel. In de groensingel staan heesters, struiken en bomen. Het sportveld zelf is van gazon (geen kunstgras, geen sportveldverlichting). Verder is in het zuidwesten een ruig grasland aanwezig omringd met bodembedekkende, lage heesters (in plantvakken) en een haag (>1meter, haagbeuk). Open water is in het plangebied afwezig. Kelders, bunkers en andere ondergrondse ruimten zijn voor zover bekend afwezig. Rondom het bestemmingsplangebied liggen een spoorbaan (noorden), sportveld (oosten), Sportweg met straatverlichting, parkeerplaatsen en schoolcomplexen (zuiden) en sportvelden (recent aangelegd), parkeerplaatsen en kantoren (westen).

Het plangebied is in 2013 onderzocht op vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Dit onderzoek is verricht ten behoeve van het Soortmanagementplan Oude Stad Tilburg, hetgeen daarom een groter onderzoeksgebied bestrijkt dan alleen het plangebied. In het plangebied zijn tijdens voorgenoemd onderzoek geen verblijfplaatsen of andere essentiële functies aangetroffen.

De aanwezigheid van voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten zijn gebaseerd op het huidige habitat in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Op basis van bronnenonderzoek te verwachten soorten hebben een (essentieel) habitat dat in het plangebied afwezig is.

Nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten zijn afwezig (hun boomnesten niet aangetroffen). Vleermuizen zijn in het plangebied overvliegend te verwachten. De groensingel rondom het sportveld vormt een lint (qua afmeting geschikt voor een potentiele vliegroute), maar de recente komst van het nieuwe westelijke sportveld met hoge sportveldverlichting degradeert deze potentie aanzienlijk. Daarnaast blijven er bereikbare alternatieve vliegroutestructuren in dit stedelijke gebied binnen handbereik. Van een potentiele essentiële vliegroute voor vleermuizen is derhalve geen sprake.

Het plangebied is geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels (of soorten waarvoor extra onderzoek niet noodzakelijk is, zgn. categorie 5 vogelsoorten). Tijdens het veldbezoek zijn nesten aangetroffen van ekster en een vogelnestkast. In dit type habitat worden daarnaast bezette vogelnesten verwacht van struweelbroedende vogels en boombroedende vogelsoorten.

Het plangebied is potentieel geschikt voor Flora- en faunawet tabel 1 soorten. Het gaat om vnl. verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door het habitat zijn potentieel te verwachten soorten: voornamelijk egel, huisspitsmuis, mol en gewone

pad.

 

Conclusie

De aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-4 vogelsoorten is gebaseerd op het huidige habitat of op uitgevoerd bronnenonderzoek op voorhand uit te sluiten. Schadelijke effecten door de geplande activiteiten treden niet op. Het aanvragen van een ontheffing Flora- en faunawet is niet nodig.

Het plangebied is geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van vogels. Het treffen van mitigerende maatregelen om verstoring tijdens uitvoering van de geplande activiteiten te voorkomen is hiervoor nodig. In gebruik zijnde nesten zijn strikt beschermd, daarbuiten mogen ze worden verwijderd. Uitgangspunt is dat de geplande activiteiten alleen kunnen worden uitgevoerd indien bezette nesten niet worden verstoord. Om deze reden wordt geadviseerd het bouwrijp maken te starten in de periode 1 sept - 15 maart (buiten het vogelbroedseizoen).

Er is in het plangebied een kans op beschermde tabel 1 soorten. Het treffen van mitigerende maatregelen om schadelijke effecten tijdens uitvoering van de geplande activiteiten te voorkomen of tot het minimum te beperken is hiervoor nodig. De maatregelen dienen invulling te geven aan de zorgplicht.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

6.1 Bestaand watersysteem

Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Voorste Stroom en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap de Dommel. De bruto oppervlakte is ca. 6.700m². Dit is in de recente situatie in zijn geheel onverhard (momenteel voor een deel sportveld en deels braakliggend terrein). (Stuk huidige sportveld Theresialyceum = 5.000m2; 'driehoek' aangekocht van gemeente = 1.713m2).

De terreinhoogte is ca 14,0m +NAP (bron AHN). In de bodem zijn sterkzandige leemlenzen aanwezig dikker dan 1 meter. De aanwezigheid van deze storende lagen vergroot de kans op schijngrondwaterspiegels; door de opbouw en structuur van de bodem stagneert de stroom van hemelwater richting het grondwater.

De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt op ongeveer 2,25m onder het maaiveld. Met maatgevende grondwaterstanden van meer dan 1 meter onder het maaiveld, is de ontwatering in de bestaande situatie voldoende.

In de bestaande situatie ligt een gemengd rioolstelsel in de Sportweg. Het vuil- en regenwater wordt vanaf de perceelgrens aangesloten op deze gemengde hoofdriolering. Het water stroomt vervolgens af naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Tilburg, welke in beheer is bij waterschap De Dommel. Blauwe Aders zijn niet aanwezig in de omgeving.

In het plangebied is geen oppervlaktewater van belang aanwezig.

6.2 Duurzaam waterbeheer

 

6.2.1 Beleidskader

De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzaam waterbeheer. Belangrijk in deze aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave.

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen zijn regionaal vastgesteld in het Stroomgebiedsbeheersplan Maas. De grondwatervoorraad moet stabiel zijn en natuurgebieden mogen niet verdrogen door een te lage grondwaterstand.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21), -kwaliteit en ecologie (KRW).

Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Krachtig Water' 2010 - 2015 vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2010 - 2015 en het bovengenoemde Provinciale Waterplan 2010 - 2015. Het plan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap, en maakt een indeling in zes thema's: droge voeten, voldoende water, natuurlijk water, schoon water, schone waterbodem en mooi water. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR), met daarin opgenomen het GRP voor de periode 2010 - 2015, met een visie voor de komende 30 jaar. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken.

 

De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte:

 

Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers, gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren. Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe.

6.2.2 Afwegingen

Voor het plangebied zijn in de SWR geen specifieke opgaven, behalve de algemene doelstellingen voor de gehele gemeente.

De ontwikkeling houdt in dat er op onverhard terrein (momenteel veelal gras/sportveld) een school (Jozef Mavo) wordt gebouwd inclusief 2 gymzalen, fiets- en autoparkeerplaatsen, pleinruimte, groen en restruimte (perceel P5553 en P8154). Hierbij wordt ca. 4.675m2 verhard, waarvan 2.343m2 bebouwing (Onderwijsruimte en 2 gymzalen) en 2.332m2 verharding (fiets- en autoparkeren, plein en 15% van de 'restruimte'). In het plan is een 'restruimte' van ca. 1.715m2.

Aangezien de verhouding verhard/onverhard hiervan niet bekend is (paden e.d.), wordt in deze berekening gerekend met 15% verharding / 85% onverhard). Het oppervlak aan groen bedraagt 580m2 en 1.458m2 is 'rest onverhard' (bron: toelichting aanvraag bestemmingsplanherziening St. Jozef, p.3).

 

Het hemelwater van deze verharding kan niet worden aangesloten op bestaande gemengde riolering (Sportweg en in zijstraat), omdat deze kleine afmetingen heeft en geen extra regenwater aan kan. Dit betekent dat er compenserende maatregelen nodig zijn; de bergingsopgave moet binnen het plan worden gerealiseerd.

Het uitgangspunt van de Keurregels van het waterschap is dat bij een toename van het verhard oppervlak het plan zoveel mogelijk hydrologisch moet worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Daarom eist het waterschap vervangende berging, die de extra toevoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Het realiseren van berging sluit op deze situatie aan bij de Structuurvisie Water en Riolering (SWR) van de gemeente Tilburg (aangezien het bestaande riool de toename aan verhard oppervlak niet aankan).

Het waterschap hanteert een rekenregel om de vereiste compensatie te berekenen: Toename verhard oppervlak (in m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) Waterschijf van 60mm. = benodigde compensatie (m3)

De gevoeligheidsfactor staat op de kaart 'Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015' en geeft aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden.

 

Voor de JozefMavo betekent dit: 4.675m2 * 1 * 0,06m = 280,5m3. De benodigde compensatie is dus 280m3.

Indien ervoor wordt gekozen om op de daken van de twee gymzalen en de onderwijsruimten groene daken aan te leggen, heeft dit invloed om de benodigde compensatie. Voor een groen dak is namelijk geen compensatie vereist. De benodigde compensatie bedraagt dan 140m3 (2.332 + 1* 0.06 = 139,9m3).

Het mag voor zich spreken dat als maar een deel van het dakvlak wordt voorzien van een groen dak, voor het overige nog wel compensatie moet worden gerealiseerd.

Op basis van bovenstaand getal kan een voorziening ontworpen en nader uitgewerkt worden. Het is raadzaam om de adviseurs van het waterschap en de gemeente te betrekken bij de uitwerking van het plan. Hiervoor is de voorkeur voor zichtbare afvoer en berging op de oppervlakte; goten, greppels, bergingsvijvers, half verharding e.d. , waar mogelijk in combinatie met groenvoorzieningen (waarbij toegankelijkheid belangrijk is).

Volgens berekeningen (AGEL adviseurs, waterparagraaf vestiging St. Jozefmavo Sportweg te Tilburg, mei 2015) kan een wadi met een bodemoppervlak van ca. 900m2 de benodigde retentiecapaciteit bufferen, uitgaande van een situatie zonder groene daken.

6.2.3 Watersysteem

Op grond van de bovengenoemde globale gegevens, ontwikkelingen en beleidsdocumenten, zijn in overleg met de waterbeheerder de bouwstenen vastgelegd voor het nieuwe watersysteem. In het plangebied en voor rekening van de ontwikkelende partij, dienen de volgende randvoorwaarden in acht genomen te worden:

Bij het plan gelden de volgende algemene uitgangspunten:

6.3 Watertoets

Het waterschap de Dommel is betrokken bij de planvorming. Aan de hand van de uitgangspunten, de randvoorwaarden en de stedenbouwkundige opzet is de waterparagraaf opgesteld. De concept waterparagraaf is via mail voor advies aan waterschap de Dommel toegezonden op 29 april 2015 . Daarop heeft het waterschap aandachtspunten en advies verstrekt, welke zijn afgewogen en eventueel verwerkt in de definitieve waterparagraaf. Dit voorlopig wateradvies is schriftelijk verwoord in de mail van 22 mei 2015. Op 29 juli 2015 door middel van brief met het kenmerk Z32791/U35504 heeft het Waterschap ingestemd met het plan.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

 

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.

 

Bouwregels

De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen, etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

Het perceel kent de bestemming Maatschappelijk. De bestemming is toegespitst op het gebruik ten behoeve van voortgezet onderwijs omdat vanuit externe veiligheid hier geen functies voor niet-zelfredzame personen, zoals kinderen tot 12 jaar, gevestigd mogen worden.

Het perceel kent een bouwvlak met een 3 bouwhoogten te weten 15 meter voor het hoofdgebouw, 10 meter voor de sporthal en 5 meter voor de voorbouw. Deze hoogten zijn afgestemd op het concrete plan en op de toegelaten bouwhoogten in de omgeving.

Ten behoeve van de aanwezige waterleiding is een dubbelbestemming "Leiding- Water" opgenomen met een beschermingszone van 0,9 meter. Hier mag niet gebouwd worden en geldt een omgevingsvergunningsvereiste voor bepaalde werken en werkzaamheden.

Om de mogelijk aanwezige archeologische restanten te beschermen is de bestemming Waarde - Archeologie (dubbelbestemming) opgenomen.

In een strook van 8 meter uit de buitenste spoorstaaf is de bestemming Waarde - Ecologie (dubbelbestemming) opgenomen ter bescherming van de bomen en het struikgewas dat hier aanwezig is.

 

Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels

Het college heeft de bevoegdheid om met in achtneming van de daarvoor geldende voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of afwijking van de bouwregels toe te staan.

 

Gebruiksregels

Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

 

Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

De dubbelbestemmingen bevatten een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

 

Anti-dubbeltelregel

Artikel 7 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

Algemene bouwregels

Artikel 8 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.

 

Algemene gebruiksregels

In artikel 9 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.

 

Algemene aanduidingsregels

In artikel 10 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld. Het betreft hier een veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen. Ook ligt er een luchtvaartverkeerszone. Deze stelt een maximale bouwhoogte vast. Deze bouwhoogte ligt fors boven de binnen de bestemming Maatschappelijk vastgelegde maximale bouwhoogte. Deze aanduiding geeft geen nadere beperkingen.

 

Algemene afwijkingsregels

Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 11.

 

Algemene wijzigingsregels

Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 12, o.a. met betrekking tot wijziging van de bestemmingsgrenzen en het toelaten van utiliteitsvoorzieningen met een oppervlak groter dan 50m2.

 

Overige regels

Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn Burgemeester en wethouders middels artikel 14 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel. Dit is opgenomen ter bescherming van de aanwezige monumentale en potentieel waardevolle bomen.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

 

8.1 Uitvoerbaarheid

De gemeente zal een perceel van circa 1700 m2 in juridisch eigendom overdragen aan het schoolbestuur t.b.v. de Jozefmavo. Op grond van de onderwijswetgeving draagt de gemeente dit perceel om niet over aan het schoolbestuur. De gemeente behoudt het economisch claimrecht op dit perceel, m.a.w. als het schoolbestuur het schoolgebouw en perceel op termijn buiten gebruik stelt voor onderwijs, dan komt het perceel om niet terug naar de gemeente.

 

Er is een exploitatieovereenkomst afgesloten met OMO ten behoeve van de aanpassing van de riolering.

Er is een overeenkomst tegemoetkoming in schade gesloten door gemeente en initiatiefnemer. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer.

 

Voor de bestemmingsplanherziening zijn leges verschuldigd. Deze bedragen in dit geval

€21.000,--. De verschuldigde leges zijn inmiddels door de initiatiefnemer voldaan. Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

 

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen

milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 10 april 2015 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Omdat het plangebied in bestaand stedelijk gebied ligt en er geen provinciale of rijksbelangen met deze ontwikkeling gemoeid zijn heeft er geen vooroverleg plaats gevonden.

9.3 Burgerparticipatie

Op 18 mei 2015 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een informatieavond gehouden in Het Theresialyceum. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan en is het plan voord e bouw van de mavo toegelicht. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Voorafgaand aan deze avond heeft de initiatiefnemer met alle buren overleg gepleegd. Merendeel van de buren heeft geen bezwaren tegen de komst van de mavo. Met een rechtstreekse buurman zijn nadere afspraken gemaakt over de uitwerking van het bouwplan. Deze afspraken hebben betrekking op het voorkomen van overlast door auto- en fietsverkeer en door geluidhinder. Zie de 2 gespreksverslagen in Bijlage 6 Verslag burgerparticipatie

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 20 juli tot en met 31 augustus. Tijdens deze periode is er 1 zienswijze ingediend. Deze is in de notitie behandeling zienswijzen (bijlage 7) zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. De zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het ontwerp bestemmingsplan door het toevoegen van voorwaardelijke verplichtingen.