Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening (Groenstraat 93a, 95, 95a)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.BSP2015006-e001 |
| Plantype: | gemeentelijke overheid/bestemmingsplan |
Toelichting
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De gemeenteraad heeft op 23 juni 2014 vastgesteld het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening (Groenstraat 93a, 95, 95a). Tegen dit bestemmingsplan is één beroep ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Op 18 maart 2015 heeft de Afdeling hierover uitspraak gedaan. Daarbij is het raadsbesluit vernietigd voor zover het betreft het plandeel voor het perceel Groenstraat 93a met de bestemming Wonen 3 en dit in de provinciale Verordening ruimte 2014 ligt binnen de groenblauwe mantel (GBM). De Afdeling heeft het raadsbesluit vernietigd omdat binnen de GBM nieuwbouw van een woning is uitgesloten. Dit betekent dat voor het vernietigde plandeel (nog steeds) het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht geldt.
Inmiddels heeft de gemeente bij de provincie een verzoek ingediend om de begrenzing van de GBM ter plaatse te corrigeren en wel in die zin dat het hele perceel Groenstraat 93a valt binnen bestaand stedelijk gebied. Dit verzoek is gedaan omdat de begrenzing van de GBM hier dwars door een bestaande omvangrijke bedrijfshal loopt. Het is de bedoeling dat de bestaande bedrijfshal wordt gesloopt en daarvoor in de plaats -na herbegrenzing van de GBM- een kleinere woning wordt gebouwd.
De provincie heeft in een ambtelijk vooroverleg toegezegd de grens van de GBM te zullen corrigeren. Zodra de provinciale Verordening ruimte 2014 op dit punt daadwerkelijk is gewijzigd, kan een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld. Dat is de nu voorliggende planherziening (Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening (Groenstraat 93a, 95, 95a).
In dit bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening (Groenstraat 93a, 95, 95a) zijn ten opzichte van het deels vernietigde bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening geen wijzigingen van inhoudelijke aard doorgevoerd in de planverbeelding en slechts een enkele wijziging in de regels. Het gaat daarbij om een wijziging van de regeling met betrekking tot parkeren. Vanwege een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening per 1 november 2014 worden de parkeerregels direct verwerkt in de (nieuwe) planregels.
In dit bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening (Groenstraat 93a, 95, 95a) zijn ten opzichte van het deels vernietigde bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening wel veranderingen aangebracht in de plantoelichting. Het gaat daarbij om aanpassingen die nodig zijn voor het actualisering van de ruimtelijke onderbouwing.
1.2 Inleiding
Het plangebied omvat de percelen kadastraal bekend gemeente Udenhout sectie F, nrs 4667 en 5324. Het gaat om Groenstraat 93a, 95 en 95a.
De percelen plaatselijk bekend als Groenstraat 95 en 95a hebben op grond van het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening een bestemming Wonen - 3. Dit blijft zo in dit nieuwe bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening.
Het terrein Groenstraat 93a (gelegen achter Groenstraat 95 en 95a) is op grond van de geldende bestemmingsplannen voor het grootste deel bestemd als Bedrijf met de aanduiding b=3.2 (bedrijf van categorie 3.2) en voor een klein deel als Wonen-3.
Het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening (Groenstraat 93a, 95, 95a) is opgesteld om de bedrijfsbestemming op het achterterrein (Groenstraat 93a) te veranderen in een woonbestemming (Wonen-3).
De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.3 Voorgaande plannen
Het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening (Groenstraat 93a, 95 en 95a) vervangt de volgende bestemmingsplannen:
Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening, vastgesteld op 23 juni 2014 en gedeeltelijk onherroepelijk geworden op 19 maart 2015
en Udenhout beschermd dorpsgezicht, vastgesteld op 26 september 2011 en onherroepelijk geworden op 25 oktober 2012.
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
2.1 Ruimtelijke structuur
Het plangebied ligt aan de westzijde van de Groenstraat in de kern van Udenhout. Het dorp Udenhout ligt ten noordoosten van Tilburg en behoort sinds de herindeling van 1997 bij de gemeente Tilburg.
Het plangebied
De westzijde van de Groenstraat kent een specifieke perceelsstructuur die teruggaat op de oorspronkelijke boshoevenederzetting. Achter de bebouwing aan de westzijde van de Groenstraat (overwegend vrijstaande woningen) ligt een nog grotendeels open akkergebied met de voor een boshoevennederzetting kenmerkende langgerekte perceelsstructuur, gescheiden door stegen, houtwallen en hagen. Enkele voorbeelden van stegen in het gebied: Aschotsesteeg, Brandsesteeg en Gijsbergsesteeg.
2.2 Functionele structuur
Op het terrein achter Groenstraat 95 en 95a staat een bedrijfspand. Het bedrijfspand is bereikbaar via een pad dat ligt aan de zijkant van de woning Groenstraat 95. Het bedrijfspand wordt gesloopt en daar kan een nieuwe woning worden gebouwd. De nieuwe woning (Groenstraat 93a) kan worden ontsloten via het pad dat ligt aan de zijkant van de woning Groenstraat 95.
2.3 Technische infrastructuur
Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones), die derhalve op de verbeelding zijn weergegeven.
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.
3.2 Rijk
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt
Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2013, nr 201302867/1/R4 heeft de Afdeling overwogen:
"Gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt, is de Afdeling van oordeel dat de raad er terecht van is uitgegaan dat het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is."
Het betrof in die uitspraak een ontwikkeling van in totaal 6 woningen. Omdat dit plan de ontwikkeling van één woning mogelijk maakt, is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing.
De regionale woningbehoefte is afgestemd in het regionaal ruimtelijk overleg waaraan ook de provincie deelneemt. Hierbij is de afspraak gemaakt dat de gemeente Tilburg tot 2020 mag voorzien in een uitbreiding van 9100 woningen (kwantitatieve behoefte).
Conclusie
Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is voor dit bestemmingsplan artikel 3.1.6. lid 2 Bro niet van toepassing.
3.3 Provincie
Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Deze verordening is op 19 maart 2014 in werking getreden.
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. De Verordening ruimte bindt de gemeenten rechtstreeks, dit in tegenstelling tot de provinciale structuurvisie.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de Verordening ruimte staan komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
ruimtelijke kwaliteit;
stedelijke ontwikkelingen;
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
overige ontwikkelingen in het buitengebied.
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering.
Plangebied
Volgens de Verordening ruimte 2014 ligt het plangebied thans deels in bestaand stedelijk gebied en deels in de groenblauwe mantel (GBM).
De gemeente heeft, na nader overleg met de provincie, verzocht om de kaart aan te passen en wel zo dat het hele perceel Groenstraat 93a valt binnen bestaand stedelijk gebied. De provincie heeft in een ambtelijk vooroverleg te kennen gegeven de kaart aan te zullen passen voor het perceel Groenstraat 93a. Deze correctie leidt tot een logische stedenbouwkundige opzet. Een formeel verzoek om herbegrenzing (ex artikel 6.18 Verordening Ruimte Noord-Brabant) loopt parallel aan deze bestemmingsplanprocedure. Na de toestemming van Gedeputeerde Staten op dit punt, kan het bestemmingsplan worden vastgesteld. Dan vindt de woningbouwontwikkeling volledig plaats in bestaand stedelijk gebied en is geen sprake meer van strijdigheid met de Verordening ruimte 2014.
3.4 Gemeente
3.4.1 Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020
De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is een integraal ruimtelijk plan voor de gehele gemeente Tilburg. Deze visie is de opvolger van het 'Stadsbeheerplan Tilburg' uit 1990. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling en onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente Tilburg op de gebieden wonen, werken, voorzieningen, recreatie, mobiliteit, natuur, water en landbouw tot 2020. 'Tilburg, stad van contrasten' vormt het leidende thema voor de ruimtelijke ontwikkeling en dus het ruimtelijk beeld in de toekomst; contrasten tussen stad en landschap, tussen de stad en de omliggende dorpen, maar ook tussen de stedelijke en de dorpse elementen in de stad. De ruimtelijke contrasten, die Tilburg karakteriseren, maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar. Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van de andere grote steden in Noord-Brabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving.
De speerpunten van de Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende:
het buitengebied van Tilburg is gevarieerd en wordt behouden en verder versterkt;
primair wordt de invulling van de verstedelijkingsopgave gezocht in het bestaand stedelijk gebied (binnen de tangenten). Soms is benutting van het buitengebied echter onvermijdelijk, bijvoorbeeld om de vereiste variatie in woonmilieus aan te bieden. Ruimtelijke ingrepen in het buitengebied zijn altijd kleinschalig en worden alleen gerealiseerd op die plaatsen die op grond van de bestaande kwaliteiten van water, bodem, ecologie en cultuurhistorie zijn geselecteerd;
de kenmerkende ruimtelijke structuur van oude linten en historische driehoekige pleinen blijft altijd herkenbaar. Op enkele plaatsen in de stad wordt op verantwoorde wijze geïntensiveerd. Op plekken met een hoge dynamiek is hoogbouw toegestaan;
de noodzakelijke intensivering van het stedelijk gebied mag niet ten koste gaan van het structurele groen in de stad.
De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2005.
3.4.2 Overige gemeentelijke structuurvisies
De Structuurvisie Noordoost 2020 (door de gemeenteraad vastgesteld op 14 december 2009) beschrijft de ruimtelijke ontwikkeling tot 2020 van het gebied ten noorden van Tilburg Noord, inclusief Rugdijk / Kouwenberg. De visie heeft geen betrekking op ontwikkelingen in de bestaande bebouwde gebieden van Udenhout en Berkel-Enschot, wel op de uitbreidingen aan de randen van deze dorpen.
Tilburg kent verder nog één thematische structuurvisie, de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Hierin is opgenomen het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie.
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
4.2 Stedenbouw
4.2.1 Stedenbouwkundige aspecten
Het plan gaat uit van het veranderen van de bedrijfsbestemming op het perceel Groenstraat 93a in een woonbestemming. De bestaande woningen aan de Groenstraat 95 en 95a behouden de woonbestemming. Na sloop van de bedrijfsbebouwing achter de bestaande woningen Groenstraat 95 en 95a kan daar een woning worden gebouwd.
Het bedrijfspand staat er ongeveer 20 jaar en is circa 518 m2. Door mee te werken aan het initiatief verbetert de ruimtelijke situatie en wordt tevens een kwaliteitsverbetering bewerkstelligd. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin staat dat het bedrijfsgebouw van circa 518 m2 eerst gesloopt moet worden voordat de nieuwe woning mag worden gerealiseerd. De nieuwe woning heeft een veel bescheidener bouwvolume (circa 180 m2). Bestrating wordt verwijderd en er is sprake van vergroening van het achterterrein. Het bij de woning behorende terrein wordt als tuin ingericht en de loop van de zijsteeg naast Groenstraat 93a, 95 wordt niet gewijzigd maar benadrukt door de situering van de woning en aanplant. De nieuw te bouwen woning krijgt een verzorgde dorpse architectuur. De bedrijfsbestemming met een zware milieucategorie op het achterterrein Groenstraat vervalt.
Voor het pad aan de zijkant van de (bedrijfs-)woning Groenstraat 95 is al decennia lang een recht van overpad gevestigd. Het pad wordt in de nieuwe bestemmingsplanherziening niet bestemd voor verkeer maar krijgt eveneens een woonbestemming (onbebouwd erf). De gemeente vindt het open houden van het pad belangrijk. Het pad blijft wel particulier eigendom, zoals ook gebruikelijk is bij de andere paden in de Groenstraat.
Het perceel ligt in het gemeentelijk beschermd dorpsgezicht kom Udenhout. Het beleid voor het beschermd dorpsgezicht is vastgelegd in het document "Visie en beleidskader voor transformatie", dat door de gemeenteraad is vastgesteld bij de aanwijzing van de kom Udenhout tot beschermd dorpsgezicht:
Het landelijke karakter en de relatie met het achterliggende gebied, inclusief de stegen die dit gebied doorkruisen, moeten worden gehandhaafd.
Er mogen uitsluitend woningen worden gebouwd ter vervanging van bestaande woningen.
Nieuwbouw mag alleen aan de straat in de bebouwde kom, ter plaatse van een af te breken woonhuis en in de vorm van een vrijstaande woning in een bouwlaag met kap evenwijdig aan de weg.
In het achterliggende open landschap mag in principe niet gebouwd worden.
Uitbreiding aan de achterkant van de bestaande bebouwing is in principe slechts zeer beperkt toegestaan en mag de cultuurhistorische waarden van deze specifieke zone niet aantasten.
Volgens het beleidskader is woningbouw achter de Groenstraat doorgaans niet wenselijk. Hier is echter sprake van een bijzonder situatie: een beeldverstorend bedrijfspand, een versteend achterterrein, een bedrijfsbestemming met een hoge milieucategorie. Door sloop van de bedrijfsbebouwing, nieuwbouw van een woning met een bescheiden bouwvolume en "vergroening" van het achtergebied is per saldo een verbetering van de ruimtelijke situatie mogelijk.
De nieuwbouw van een woning achter op dit perceel is uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar.
4.2.2 Welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.
Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.
Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.
4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
4.3.1 Archeologie
4.3.1.1 Nota 'Grond voor het verleden'
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:
De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.
Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' (2007) is het beleidsplan voor het Tilburgse archeologiebeleid.
4.3.1.2 Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek
De standaard archeologische en cultuurhistorische inventarisatie ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan is tot stand gekomen op basis van verschillende bronnen.
De volgende werkinstrumenten zijn hoofdzakelijk gebruikt bij het archeologische deel van bureauonderzoek:
De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek;
De database van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (Archis, Archeologisch informatiesysteem);
De Archeologische Monumenten Kaart (AMK).
Naast deze bronnen is gebruik gemaakt van de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ARWATI) en het databestand van het Regionaal Archief Tilburg (RAT). Op grond van de beschikbare gegevens wordt een goed beeld verkregen van de algemene archeologische verwachtingswaarde in het plangebied. Dit beeld wordt verder aangescherpt door een landschapsanalyse en door gebruik van lokale bronnen. De landschapsanalyse is opgesteld aan de hand van onder andere de geomorfologie en de bodem, maar ook door het interpreteren van bijvoorbeeld de (vroegere) infrastructuur en lokale archeologische waarnemingen. Om de historische ontwikkelingen in het plangebied in een breder kader te kunnen plaatsen, werd eerst de ontwikkelingsgeschiedenis van Tilburg in het algemeen onderzocht en vervolgens die van het plangebied in detail. De lokale bronnen omvatten onder andere historische kaarten, architectuurfoto´s en luchtfoto´s en geschreven bronnen waaronder plaatsbeschrijvingen en veldnamen, bebouwingsgegevens en veldverkenningen. Landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens werden in het onderzoek samengevoegd tot een reconstructie van de ontwikkelingsgeschiedenis van het plangebied. De reconstructie werd vervolgens vertaald naar een archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied, die nader kon worden gespecificeerd door er bodemverstorende activiteiten zoals wegen- en huizenbouw bij te betrekken.
4.3.1.3 Historische geografie plangebied
Het plangebied ligt aan de noordoostelijke zijde van de bebouwde kom van Udenhout, gemeente Tilburg.
De huidige kern van het dorp heeft een T-vormige structuur die bestaat uit de drie hoofdstraten, te weten de Kreitenmolenstraat, de Slimstraat en in het verlengde daarvan de Groenstraat. Op de centrale kruising bevindt zich tevens de kern van het dorp. Vanaf hier leidt een vierde, belangrijke straat, de Schoorstraat, naar het noorden.
Udenhout ligt grotendeels op een ten opzichte van de omgeving hoge dekzandrug die loopt van zuidwest naar noordoost. Vanwege de aanwezigheid van vruchtbare grond (lemig fijn zand) hebben vermoedelijk voorafgaand aan de grootschalige ontginningen in de dertiende eeuw al in de vroege Middeleeuwen ontginningen plaatsgevonden. Het huidige Udenhout heeft zich vanaf het begin van de dertiende eeuw langs de noordoost-zuidwest georiënteerde Groenstraat-Slimstraat ontwikkeld als een boshoevenederzetting. Bij de kruising van deze straat met de Kreitenmolenstraat ontstond een kern, van waaruit zich een bebouwingslint langs de Kreitenmolenstraat ontwikkelde. Al in 1348 lag bij de samenkomst van een aantal wegen en paden (Omstreeks 1830 had zich bij de samenkomst van de wegen een kleine nederzetting gevormd. Door de aanleg van de spoorlijn en de bouw van een station in 1881 vond verdichting van de bebouwing langs de Kreitenmolenstraat plaats, met name door de vestiging van bedrijven. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Udenhout zich sterk uitgebreid, met name vanaf de jaren zestig door de aanleg van wijken achter de bestaande linten.
De Groenstraat is omstreeks het midden van de achttiende eeuw al voor een groot deel van veelal vrijstaande agrarische bebouwing voorzien. Het huidige bebouwingsbeeld langs de straat dateert voornamelijk uit de periode 1850-1940 en heeft veelal een karakteristieke beplanting.
Ten oosten van het plangebied en de Groenstraat stroomt de Zandleij die naar het zuiden toe overgaat in de Roomleij.
4.3.1.4 Archeologische verwachtingswaarde plangebied
AMK: in of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen in de AMK.
Het plangebied ligt op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) in een gebied met hoge verwachting.
Het plangebied kent een middelhoge tot hoge archeologische verwachting.
Hoewel hiervoor ter plaatse archeologische indicatoren ontbreken, heeft het gebied van de Udenhoutse dorpskom vanwege de natuurlijke en landschappelijke omstandigheden waarschijnlijk een bewoning gekend vanaf de steentijd.
De geplande nieuwbouw komt in de plaats van bestaande bebouwing. Gezien de te verwachten verstoring van de bodem ter plaatsen is er geen reden om een dubbelbestemming Waarde Archeologie op de bouwvlakken te leggen en in het verlengde daarvan onderzoek op te leggen.
4.3.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg
Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.
4.3.2.1 Waardevolle structuren en objecten
In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
Het plangebied is gelegen binnen de noordoostelijke grens van het op 15 juni 2009 als gemeentelijk beschermd gezicht aangewezen gebied Kom Udenhout.
Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant wordt de Groenstraat gewaardeerd als een lijn van redelijk hoge waarde historisch-geografische waarde.
Langs de Groenstraat bevindt zich veel van rijks- (nrs. 84-86 en 115) of gemeentewege (nrs. 88, 101) als monument aangewezen bebouwing. Daarnaast heeft ook de niet beschermde bebouwing langs de straat veelal een hoge cultuurhistorische waarde. Meestal betreft het hier agrarische bebouwing uit het laatste kwart van de negentiende eeuw.
Van belang is de ruimtelijke en zichtrelatie met het aan de noordwestelijke zijde van het plangebied gelegen gebied De Brand (een in de achttiende eeuw ontgonnen gebied met lemige gronden) en de openheid van het landschap.
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.
Omdat het plangebied deel uitmaakt van het gemeentelijke beschermd dorpsgezicht Kom Udenhout krijgt het naast een basisbestemming ook een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie.
4.4 Volkshuisvesting
Bij brief van 5 februari 2010 zijn door de provincie de in de subregio Tilburg (Hart van Brabant) gemaakte kwantitatieve woningbouwafspraken bevestigd. Daarmee ligt vast dat Tilburg in de planperiode tot 2020 in totaal 9.100 woningen (= uitbreiding woningvoorraad) kan/mag bouwen ter voorziening in de gemeentelijke woningbehoefte. Met de ontwikkeling van de locatie Groenstraat 93a wordt hieraan mede invulling gegeven.
4.4.1 Woonvisie
Het gemeentelijk woonbeleid (zowel kwalitatief als kwantitatief) volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. Het centrale thema in de WoonVisie is het streven naar een 'stad in balans', een stad waarin voldoende mate van differentiatie in het woningaanbod is, zodat iedereen passende woonruimte kan vinden. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften is de gemeente in de WoonVisie ingedeeld in vijf woonmilieus: Centrum-Stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum,Groen-Stedelijk, (Centrum)-Dorps en Landelijk. Daarbij wordt per gebied aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan het gewenste woonmilieu te voldoen. Bij (woningbouw)ontwikkelingen in een bepaald gebied dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met deze woonmilieu(differentiatie)opgave.
Woonvisie Udenhout
De kwaliteit van de woning en de woonomgeving wordt in de WoonVisie onder meer geënt op het onderscheid naar woonmilieus. Udenhout is in de WoonVisie aangeduid als een (centrum-)dorps woonmilieu. De omschrijving van dit woonmilieu is als volgt: gemengd wonen, werken en voorzieningen in een lage dichtheid, een combinatie van redelijke nabijheid en matige bereikbaarheid. Consolidatie van het centrum-dorpse woonmilieu vergt specifiek de aandacht. Daarbij dienen, waar mogelijk en zinvol, intensivering en/of functieverandering voor het voorzien van de lokale woningbehoefte optimaal benut te worden. Handvatten hiervoor worden onder andere gegeven in de nota 'Gereedschapskist dorps wonen' van de gemeente Tilburg 2004.
4.4.2 Nota Wonen en Monitor Woningbouw 2013
Uit de Nota Wonen in Tilburg (2009 & 2010) blijkt dat de aandacht van de gemeente en bouwproces-partners gericht moet blijven op kwaliteitsbevordering van de woningmarkt. De verleiding bestaat om, onder druk van de financieel-economische omstandigheden, een woonproduct aan te bieden dat minder toekomstbestendig is. Om aan te sluiten bij de structurele wens van consumenten en een kwaliteitsslag te maken, dient de beleidsfocus van de gemeente en andere partijen zich te (blijven) richten op een gedifferentieerd aanbod naar woonmilieus, woningtypen en prijsklassen. Bovendien wordt onder kwaliteit ook begrepen levensloopbestendigheid/flexibiliteit, duurzaamheid/ energiezuinigheid (ook i.r.t. betaalbaarheid) en vormen van (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw.
Elk jaar doet de gemeente in de Monitor Woningbouw verslag van de ontwikkeling van de woningvoorraad in het voorafgaande kalenderjaar. In de Monitor Woningbouw-2013, gaat het over de nieuwbouw en sloop van woningen, dan wel toevoegingen respectievelijk onttrekkingen anderszins (= woningsplitsing of sloop, resp. woningsamenvoegingen of -onttrekkingen) in 2012. Tevens vermeldt de monitor de nieuwbouwprognose voor 2013 en 2014 (zie www.tilburg.nl).
In de Monitor-2013 wordt onder meer gewezen op het belang van (C)PO, en het achterblijven hiervan in de planvorming.
4.4.3 Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek
De gemeente Tilburg voert elke vier jaar een woningbehoefteonderzoek uit. Het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2012. Veel woonwensen blijken in de tijd gezien behoorlijk bestendig en weinig te veranderen. De onderzoeksresultaten van het KWBO-2012 wijken niet wezenlijk af van de resultaten uit 2004 en 2008, maar er lijkt in 2012 wel sprake van (verdere) 'downgrading' in de woonwensen. Zo richten doorstromers zich minder op de koopsector en is er in het algemeen meer belangstelling voor de huursector. Tilburgers zijn nóg tevredener met hun woning en woonomgeving dan in eerdere edities. De verhuisgeneigdheid van Tilburgse huishoudens is (verder) gedaald naar een toch nog aanmerkelijk niveau van 37%; een deel van de doorstromers en starters wacht af of stelt actie uit, daarmee lijkt de woningmarkt in toenemende mate “op slot” te zitten en de effecten van de crisis voelbaar.
De Tilburgse woningmarkt is in kwalitatief opzicht nog niet in evenwicht gekomen. Uit de vraag-aanbodbalans van verhuisgeneigden blijkt een (dreigend) overschot aan meergezins huurwoningen en is het tekort aan koopwoningen verdwenen. Het woningtekort richt zich op eengezins huur- en koopwoningen. In de koopsector in alle soorten en prijssegmenten, maar met uitzondering van het topsegment. De eengezinswoning met drie of vier kamers (en tuin) blijft favoriet.
Qua woonmilieu bestaat er overschot aan buitencentrum-stedelijk wonen, maar tekort in de andere woonmilieus (met name -vormen van- centrum-stedelijk wonen).De toekomstverwachting is dat veel woonconsumenten zich blijvend richten op een kwalitatief hoogwaardige en ruime –hoofdzakelijk– grondgebonden (koop)woning, mits de economie herstelt.
Woningbehoefte voor Udenhout
Uit het Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek (Tilburg 2012) blijkt dat Udenhout veel meerpersoons-huishoudens vanaf 55 jaar telt; de lokale woningbehoefte komt voornamelijk daar vandaan.
Het gemiddeld besteedbare huishoudinkomen ligt wat hoger dan het gemiddelde in Tilburg. Er staan veel eengezinskoopwoningen, vrijstaande / 2-onder-1-kapwoningen en dure koopwoningen. Verder blijkt uit het Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek dat de tevredenheid met de woning en de woonomgeving zeer hoog is.
In Udenhout is 25% van de woningvoorraad volledig toegankelijk en daarmee geschikt voor ouderen; gemiddeld is dat in Tilburg 22%. Toch blijft onder invloed van de vergrijzing levensloopbestendig (ver)bouw nuttig/nodig.
4.4.4 Actieplan Stimulering Eigenbouw Tilburg 2012
Gelet op de Woonvisie staat de woonconsument centraal in het woonbeleid. In zijn ultieme vorm gaat dit over ruimte geven aan eigenbouw door middel van particulier opdrachtgeverschap (PO). Stimulering van het (collectief) opdrachtgeverschap, ofwel het als consument/ particulier zelf of samen met anderen bouwen van je woning, heeft in Tilburg al jaren prioriteit, maar blijkt in de praktijk moeilijk van de grond te komen. Om de beleidsambities rond eigenbouw te bevestigen en aan te scherpen, heeft het college besloten tot een Actieplan stimulering eigenbouw (2012). geen voornemen meer, geen pilots, maar gewoon doen! Door zelf meer grond voor eigenbouw uit te gaan geven, en hiertoe ook de projectontwikkelaars uit te nodigen, streeft het college naar een (C)PO-aandeel in 2014 van 30% van de grondgebonden woningproductie. Het Actieplan stimulering eigenbouw is te vinden op www.tilburg.nl
4.4.5 Levensloopbestendigheid
De gemeente Tilburg wenst dat alle nieuwe woningen zo worden gebouwd dat ze minimaal toegankelijk (bezoekbaar) zijn voor mensen met een fysieke beperking. Verder moet tenminste 40% van de nieuwbouwwoningen “levensloopbestendig” worden ontwikkeld, dan wel daartoe eenvoudig aanpasbaar zijn. Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", namelijk woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers (te maken) zijn op entreeniveau van de woning. De doelstelling maakt ook onderdeel uit van de woningbouwafspraken met hogere overheden. De notitie Levensloopbestendige woningbouw in Tilburg (2009) evalueert vijf jaar gemeentelijk woonbeleid met betrekking tot levensloopbestendigheid. Belangrijkste conclusies zijn dat het percentage van 40% levensloopbestendige woningen in de nieuwbouwopgave dient te worden voortgezet en dat er in enkele wijken een extra opgave ligt. Dit betreft met name de wijken Blaak/Zorgvliet, Reit/Zand/Wandelbos en Tilburg Noord. Zie ook de Werkwijzer Levensloopbestendigheid 2.0 (via: www.tilburg.nl) voor concrete ontwerp-handreikingen
4.4.6 Politiekeurmerk Veilig Wonen
Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en wijken die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond sociale veiligheid, leefbaarheid, inbraak- en brandpreventie. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw. Voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast. Het beleid dat de gemeente voert omtrent het keurmerk is vastgelegd in de nota Beleid en implementatie Politiekeurmerk Veilig Wonen. Een folder is te vinden op www.tilburg.nl.
4.4.7 Toetsing plan
Het voorgenomen plan past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgave van de gemeente Tilburg én de beoogde dorps(woonmilieu)ontwikkeling van Udenhout.
Het plan past binnen de regionaal overeengekomen woningvoorraadontwikkeling. Voorts gaat het om versterking van het (centrum-)dorpse woonmilieu. Het initiatief draagt bij aan de PO/eigenbouw-opgave, daarbij (vanuit veiligheid en toekomstwaarde) rekening houdend met PkVW en levensloopbestendigheid.
4.5 Verkeer en parkeren
Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:
Ten aanzien van de nieuwe woning op het achterperceel aan de Groenstraat geldt dat het parkeren plaatsvindt op eigen terrein en er moet worden voldaan aan de parkeernormen en bijbehorend processchema zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012. De ontsluiting van de nieuwe woning aan de Groenstraat vindt plaats via een gezamenlijke uitrit met de bestaande woning aan de Groenstraat 95.
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten
5.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Het betreft een herziening van de bestemmingsplannen Udenhout beschermd dorpsgezicht en Udenhout beschermd dorpsgezicht,1e herziening. Het is de bedoeling dat op het betreffende achterterrein aan de Groenstraat een woning kan worden gebouwd (Groenstraat 93a).
5.2 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van de bedrijven (binnen het plangebied of elders gelegen) welke invloed hebben binnen het plangebied, is gebruik gemaakt van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering.
De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Het gaat hier om het omzetten van een bedrijvenbestemming in een woonbestemming. In de omgeving zijn voornamelijk andere woningen aanwezig. Vanuit dat oogpunt is het goed dat de bedrijvenbestemming wordt gewijzigd. In de omgeving zijn daarnaast nog enkele bedrijven actief. De gevoelige bestemmingen binnen het plangebied liggen niet binnen de richtafstanden van omliggende bedrijven. Hierdoor is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.
5.3 Externe veiligheid
5.3.1 Inleiding
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
Circulaire " Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen";
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
Op basis van het Bevi, de cRvgs en het Bevb moet het bevoegd gezag bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit het groepsrisico verantwoorden indien binnen het invloedsgebied van een inrichting of transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien. Bij de invulling van de verantwoordingsplicht dienen de volgende elementen te worden beschouwd:
het projectkader;
de hoogte en toename van het groepsrisico;
bronmaatregelen;
ruimtelijke maatregelen te treffen maatregelen in het ruimtelijke besluit;
mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit en de gevolgen daarvan;
mogelijkheden tot zelfredzaamheid;
mogelijkheden planontwikkeling op andere locatie;
mogelijkheden en voorgenomen maatregelen in de nabije toekomst.
In het kader van het Bevi moeten alle elementen (1 t/m 8) worden beschouwd. In het kader van de cRnvgs en het Bevb kan worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer het groepsrisico 1) onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt of;
2) tussen 0,1 maal en 1 maal de oriëntatiewaarde ligt én minder dan 10% toeneemt.
Bij een beperkte verantwoording kunnen de elementen 3, 4, 7 en 8 buiten beschouwen worden gelaten.
5.3.2 Toetsing en verantwoordingsplicht
Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risico relevante bedrijven en transportassen zijn gelegen is onder andere de professionele risicokaart geraadpleegd.
Uit de externe veiligheid toetsing blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van een risicovolle (Bevi) inrichting ligt. Ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor wordt voldaan aan de veiligheidsafstanden zoals opgenomen in Bijlage 2, 3 en 4 van de circulaire, derhalve hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied.
Vanwege de afstand van de ontwikkeling tot aan het spoortraject Tilburg - Vught (1000 m) zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en geldt het beleidskader zoals dit is opgenomen in de beleidsvisie externe veiligheid, deel C: De Visie in de praktijk. Op basis van deze visie valt bovengenoemde ontwikkeling onder "overige luwe woongebieden"en geldt de generieke verantwoording zoals deze is opgenomen in paragraaf 6.3.2 van deel C van deze visie.
5.3.3 Restrisico en conclusies
Geconcludeerd is dat er geen plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar over het plangebied ligt, derhalve hoeven er geen ruimtelijke beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportas waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, namelijk de het Spoortraject Tilburg - Vught. Op basis van de beleidsvisie externe veiligheid, deel C: De Visie in de praktijk, is het groepsrisico beperkt verantwoord. Op basis van de deze generieke groepsrisico-verantwoording zijn de volgende conclusies getrokken:
er is geen significante toename van het groepsrisico, omdat de afstand van het plangebied tot het spoor groot genoeg is;
het groepsrisico onder de 10% van de oriëntatiewaarde ligt op basis van voorafgaande berekeningen ter hoogte van de kern Udenhout;
er zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk om het restrisico's te beperken;
bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas;
het aanbrengen van een afsluitbare ventilatie (bij mechanische ventilatie) vergroot de mogelijk om inpandig te schuilen. Echter is een dergelijke bouwkundige eis niet direct afdwingbaar via het bestemmingsplan.
5.4 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
5.4.1 Wegverkeerslawaai
Binnen het plangebied zijn geen geluidsgevoelige bestemmingen gelegen die binnen de zones van wegen liggen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). De normen uit de Wet geluidhinder zijn hierdoor formeel niet van toepassing.
5.4.2 Railverkeerslawaai
Binnen het plangebied zijn geen geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing.
5.4.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
Binnen de 50 dB(A)-contour zijn geen geluidsgevoelige bestemmingen gelegen.
5.4.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidcontouren (de zogenaamde Ke-contouren). Deze contouren liggen niet over het plangebied.
5.5 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het is de bedoeling dat de bestaande bedrijfswoning Groenstraat 95 een zelfstandige woonbestemming krijgt , dat achter het bestaande gebouw Groenstraat 95 nog een woning kan worden gebouwd (Groenstraat 93a).
Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
5.6 Geur
5.6.1 Agrarische geur
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
Het initiatief ligt aan de rand van Udenhout. In de omgeving zijn diverse veehouderijen actief. Om te bekijken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat heeft de initiatiefnemer bij de voorbereiding van het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening onderzoek laten doen naar de achtergrondbelasting. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een "zeer goed" woon- en leefklimaat ten aanzien van geur afkomstig van veehouderijen Bijlage 1 Onderzoek achtergrondbelasting agrarische geur.
In het onderzoek is de voorgrondbelasting buiten beschouwing gelaten omdat de ontwikkelmogelijkheden van omliggende veehouderijen al worden beperkt door andere bestaande woningen welke dichter bij de veehouderijen zijn gesitueerd.
5.7 Bodem
Bodem
Voor deze locatie en omliggende percelen zijn in het verleden verschillende onderzoeken uitgevoerd. Die onderzoeken schetsen een beeld van de te verwachten kwaliteit van de bodem.
Op het achterterrein aan de Groenstraat was een vrachtwagenreparatiebedrijf gevestigd. In 2002 is onderzoek verricht op het terrein en daarbij is vastgesteld dat er een geval van ernstige bodemverontreiniging was met minerale olie. De op de locatie aanwezige ondergrondse dieseltank werd hierbij beschouwd als bron.
In 2004 is de bron middels een sanering verwijderd en de verontreiniging is afgegraven, zodat de nieuwbouw van woning(en) ter hoogte van huisnummer 95 mogelijk was. Nadien heeft nog enkele jaren een grondwatermonitoring plaatsgevonden. De monitoring is uiteindelijk gestaakt toen de saneringsdoelstelling behaald was.
Aanbeveling
Gezien de in het verleden uitgevoerde onderzoeken waaronder de sanering van de opslag tank, is het te verwachten dat de bodem op milieuhygiënisch oogpunt mogelijk negatief beïnvloed zal zijn. Het is aan te bevelen dat bij de realisatie van de nieuwbouw in het plangebied een verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd.
5.8 Natuur en Ecologie
Natuur
Inleiding
Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van de Ecologische Hoofdstructuur en beschermde soorten (Flora- en faunawet).
Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.
Natura 2000
Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.
Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.
In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen;dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.
Er zijn drie mogelijkheden:
Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.
Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.
Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.
Analyse plangebied
Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom en op ca. 160 m. van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, omdat de ontwikkelingen dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten. Storende factoren die voortkomen uit de activiteiten veroorzaken geen negatief effect op de gestelde habitatdoelen. Mogelijk optredende storende factoren door de activiteiten, zoals geluid, licht en trilling hebben hierop geen impact.
Ecologische Hoofdstructuur
In de Verordening ruimte Noord-Brabant is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) begrensd. De EHS is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot de EHS is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot de EHS.
Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.
Indien de natuur- en landschapswaarden van de EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.
Analyse plangebied
In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Ecologische Hoofdstructuur. De dichtstbijzijnde EHS is gelegen aan de Hazennest, op ca. 160 meter van het plangebied. Het aanwezige natuurbeheertype betreft N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland.
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significante negatieve effecten hebben op de Ecologische Hoofdstructuur in de omgeving. De EHS ligt buiten het plangebied en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde EHS.
Groenblauwe mantel
De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de ecologische hoofdstructuur opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten de EHS. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
Analyse plangebied
Volgens de Verordening ruimte 2014 ligt het plangebied thans deels in bestaand stedelijk gebied en deels in de groenblauwe Mantel (GBM).
De gemeente heeft, na overleg met de provincie, verzocht om de kaart aan te passen en wel zo dat het hele perceel Groenstraat 93a valt binnen bestaand stedelijk gebied. De provincie heeft in een ambtelijk vooroverleg te kennen gegeven dat de kaart aangepast zal worden voor het perceel Groenstraat 93a. Deze correctie leidt tot een logische stedenbouwkundige opzet. Een formeel verzoek om herbegrenzing (ex artikel 6.18 Verordening ruimte Noord-Brabant) loopt parallel aan deze bestemmingsplanprocedure. Na de toestemming van Gedeputeerde Staten op dit punt, kan het bestemmingsplan worden vastgesteld. Daarmee vindt de woningbouwontwikkeling helemaal plaats in bestaand stedelijk gebied. Van strijdigheid met de Verordening ruimte 2014 is dan geen sprake meer.
Conclusie
Op 6 oktober 2015 is de kaartaanpassing GBM - bestaand stedelijk gebied doorgevoerd. Daarmee vindt deze woningbouwontwikkeling helemaal plaats in bestaand stedelijk gebied. Deze ontwikkeling is van dusdanige aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de nabij gelegen groenblauwe mantel.
Flora- en faunawet
Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.
Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstelling lijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.
Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.
Analyse plangebied
Uit een quickscan beschermde natuurwaarden (Bijlage 2 Quick scan beschermde natuurwaarden Groenstraat 95) is het volgende naar voren gekomen.
Binnen het plangebied komt van de soorten die behoren tot de tabel 1 (zeer waarschijnlijk) de huisspitsmuis voor. Door de geplande activiteiten zullen de huidige functies als vaste verblijf- en/of foerageergebied voor de genoemde soort zeer waarschijnlijk niet verdwijnen. In de directe omgeving van het plangebied is voor de ge-noemde soort nog voldoende en geschikt leefgebied aanwezig. Op lokaal niveau zal er door de geplande activiteiten dan ook geen negatieve invloed ontstaan op de gunstige staat van instandhouding van de genoemde soort.
Van de soorten die behoren tot de tabel 2 zijn binnen het plangebied geen soorten waargenomen.
Tijdens het bezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Mede door de afwezigheid van geschikte lijnvormige elementen zijn er ook geen vaste vliegroutes van vleermuizen aanwezig.
Op basis van een deskundigenoordeel kan worden vastgesteld dat het plangebied waarschijnlijk een foerageer-gebied is voor de gewone dwergvleermuis en in mindere mate voor de laatvlieger. De mogelijkheid dat andere en meer zeldzame vleermuissoorten het plangebied gebruiken als foerageergebied is zo goed als zeker uitgesloten.
Door de geplande activiteiten zal het foerageergebied voor vleermuizen niet of nauwelijks verdwijnen, daar-naast is in de omgeving van het plangebied nog voldoende foerageergebied aanwezig. De geplande activiteiten zullen dan ook geen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding veroorzaken op de lokale populaties van vleermuizen.
Er zijn tijdens het onderzoek binnen het plangebied geen vogels aangetroffen. Voor uilen, gierzwaluw en huismus komen er binnen het plangebied geen geschikte broedplaatsen voor.
Conclusie
De aanvraag van een ontheffing van de verbodsartikelen 8 tot en met 12 in het kader van de Flora- en fauna-wet is voor de geplande activiteiten niet noodzakelijk:
Voor soorten die opgenomen zijn in tabel 1 en binnen het plangebied voorkomen, zoals de huisspitsmuis.
Voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger, omdat het plangebied door deze diersoorten maximaal wordt gebruikt als foerageergebied. Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied nog voldoende alternatieve foerageergebieden voor vleermuizen aanwezig. De functionaliteit van de verblijfplaatsen die zich buiten het plangebied bevinden wordt dan ook niet aangetast.
Op basis van de huidige inrichting en een deskundigenoordeel kan worden gesteld dat een gedetailleerder (jaarrond-)onderzoek naar vleermuizen, broedvogels of andere beschermde soorten niet noodzakelijk is.
Met inachtneming van de eerder genoemde en beschreven zorgplicht van de Flora- en faunawet hoeven er geen mitigerende maatregelen worden uitgevoerd voor of tijdens de geplande activiteiten. Desondanks wordt geadviseerd om sloopwerkzaamheden uit te voeren buiten het voortplantingsseizoen (van begin februari tot half september).
Hoofdstuk 6 Wateraspecten
Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
6.1 Bestaand watersysteem
Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Zandleij en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap de Dommel.
De bruto oppervlakte is ongeveer 3500 m². Daarvan is in de bestaande situatie ongeveer 900 m² bebouwing, en ongeveer 100 m² verharding. Het perceel ligt op ongeveer 9,90 m + NAP in het noordwesten aflopen tot 9,75 m + NAP in het zuidoosten. Het terrein in het aangrenzende openbaar gebied ligt ongeveer op 9,60 m + NAP. De maatgevende grondwaterstand ligt op ongeveer 8,75 m + NAP. Met maatgevende grondwaterstanden van ongeveer 1 meter onder het maaiveld, is de ontwatering in de bestaande situatie voldoende.
In de bestaande situatie ligt een gemengd rioolstelsel in de omgeving van het plangebied. Het vuil- en regenwater worden niet inpandig gescheiden verzameld, en vanaf de perceelgrens aangesloten op de hoofdriolering. Het vuilwater wordt verpompt richting de rioolwaterzuiveringsinstallatie Tilburg, welke in beheer is van waterschap De Dommel.
Ten noorden van het plangebied (maar niet aangrenzend) liggen een aantal sloten ter ontwatering van de landbouwpercelen.
Het perceel ligt in de attentiezone van het waterschap. Voor attentiegebied geldt vergunningplicht voor alle lozingen en onttrekkingen en de aan- en afvoer van water vanaf 40 kubieke meter per uur, waarbij getoetst wordt op een standstill op de rand met GHS-natuur voor zover er een hydrologische relatie is met de natte natuurparel.
6.2 Duurzaam waterbeheer
De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzaam waterbeheer. Belangrijk in deze aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave.
Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen zijn regionaal vastgesteld in het Stroomgebiedsbeheersplan Maas. De grondwatervoorraad moet stabiel zijn en natuurgebieden mogen niet verdrogen door een te lage grondwaterstand. In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21), -kwaliteit en ecologie (KRW).
Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Krachtig Water' 2010 - 2015 vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2010 - 2015 en het bovengenoemde Provinciale Waterplan 2010 - 2015. Het plan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap, en maakt een Waterparagraaf voor het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening, Groenstraat 93a, 95 en 95a in zes thema's: droge voeten, voldoende water, natuurlijk water, schoon water, schone waterbodem en mooi water. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR), met daarin opgenomen het GRP voor de periode 2010 - 2015, met een visie voor de komende 30 jaar. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De SWR vervangt het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en het Gemeentelijk
Rioleringsplan (2005-2009), en werkt de nieuwe wet- en regelgeving uit, voornamelijk wat de nieuwe zorgplichten betreft voor het regen- en grondwater, en het actuele rijks-, het provinciale en het regionale beleid.
De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte:
Streven naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem;
Optimalisatie van de waterketen; zuinig en efficiënt gebruik van water;
Vergroten van de belevings-, ecologische, economische en recreatieve waarde van water.
Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers,gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren. Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe.
Afwegingen
Voor het plangebied zijn in SWR geen specifieke opgaven, behalve de algemene doelstellingen voor de gehele gemeente. De ontwikkeling houdt in dat de bestemming van de bestaande bedrijfswoning (Groenstraat 95) gewijzigd wordt in woning, dat er op perceel 95a een bijgebouw neergezet wordt van 65 m², dat de bestaande bedrijfsbebouwing op perceel 93a (520 m²) wordt afgebroken en daarvoor een woning wordt teruggebouwd van ongeveer 300 m² . De ontsluiting van de nieuwe woning Groenstraat 93a zal vanaf de zijkant van het perceel (westen) plaats gaan vinden. Dit pad wordt ingericht als zandpad/karrenspoor. De bij de woning behorende verharding (afhankelijk van de inrichting) wordt geschat op ongeveer 50 tot 100 m². Per saldo neemt het afvoerend verhard oppervlak niet toe.
Bij het plan gelden de volgende algemene uitgangspunten.
Bij de inrichting van het plan dient men rekening te houden met de bestaande terreinhoogte van het openbaar gebied en de aangrenzende percelen.
De water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen is voldoende voor het gebruik van het bouwdeel.
Het toepassen van uitlogende materialen is uitgesloten.
Het vuil- en hemelwater van het nieuw te bouwen pand (Groenstraat 93a) wordt inpandig gescheiden ingezameld.
Het vuilwater wordt per perceel aan de perceelgrens aangeboden voor aansluiting op de gemeentelijke riolering.
Het regenwater van de nieuwe woning (Groenstraat 93a), bijgebouwen, inritten en tuinen in particulier terrein wordt op eigen terrein verwerkt.
De vuil- en regenwateraansluitingen worden op de bestaande gescheiden riolering in de Groenstraat.
6.3 Watertoets
Aangezien er nauwelijks sprake is van waterbelangen in het plangebied, hebben het waterschap De Dommel en de gemeente besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Hierdoor wordt deze waterparagraaf direct verwerkt in het ontwerpplan, zoals in eerder gemaakte afspraken om het vooroverleg vereenvoudigd te volgen.
Op 6 mei 2015 heeft het waterschap De Dommel een positief wateradvies gegeven.
Hoofdstuk 7 Opzet planregels
7.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten.
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.
Daarnaast is bij de bestemming Wonen - 3 zowel in de bouwregels als in de gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen die inhoudt dat de gronden niet eerder mogen worden gebruikt en bebouwd voor wonen dan nadat de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt en het bestaande bedrijfsgebouw van circa 518m2 is gesloopt.
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen, etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
Vaak heeft het college de bevoegdheid om met in achtneming van de daarvoor geldende voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of afwijking van de bouwregels toe te staan.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde.
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:
Anti-dubbeltelregel
Artikel 5 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.
Algemene bouwregels
Artikel 6 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.
De regeling met betrekking tot parkeren is opgenomen in de algemene bouwregels.
Algemene gebruiksregels
In artikel 7 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 8.
Algemene wijzigingsregels
Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 9, onder andere met betrekking tot reconstructie van oude complexgewijze bebouwing, schrappen van functieaanduidingen en uitwisseling van functieaanduidingen, het toelaten van diverse functies binnen de woonbestemming, wijziging van de bestemmingsgrenzen en het toelaten van utiliteitsvoorzieningen met een oppervlak groter dan 50m2.
Overige regels
Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn burgemeester en wethouders middels artikel 11 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.
7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels
Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid
Deze planherziening is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 18 maart 2015, waarbij het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening gedeeltelijk is vernietigd.
Het plan wordt volledig op eigen terrein gerealiseerd. Er zijn geen aanpassingen van het openbare gebied noodzakelijk en er worden geen voorzieningen van openbaar nut getroffen. Met de initiatiefnemer is eerder een exploitatieovereenkomst en een overeenkomst tegemoetkoming in schade gesloten. In de overeenkomst in tegemoetkoming in schade is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de ontwikkelaar. In de exploitatieovereenkomst is de bijdrage voor het fonds bovenwijkse voorzieningen geregeld. Voor de aanvraag van de eerdere bestemmingsplanherziening heeft de initiatiefnemer leges betaald op grond van de Legesverordening van de gemeente Tilburg.
Met de initiatiefnemer is een aanvullende overeenkomst gesloten, waarin is bepaald dat de rechten en verplichtingen zoals overeengekomen bij het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 1e herziening, in stand blijven.
Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.
Gelet op het bovenstaande is het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg
9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen om te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In dit geval is het voornemen om te komen tot vaststelling van het bestemmingsplan Udenhout beschermd dorpsgezicht, 3e herziening op 24 april 2015 bekendgemaakt in het Gemeenteblad.
9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het plangebied lag deels in stedelijk gebied en deels in de groenblauwe mantel. De gemeente heeft de provincie verzocht om de kaart aan te passen en wel zo dat het hele perceel Groenstraat 93a valt binnen bestaand stedelijk gebied. De betreffende wijziging van de Verordening ruimte 2014 is op 6 oktober 2015 door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant vastgesteld. Deze correctie leidt tot een logische stedenbouwkundige opzet. Daarmee vindt de woningbouwontwikkeling plaats in bestaand stedelijk gebied.
Met het waterschap De Dommel is afgesproken om in dit geval een vereenvoudigde procedure te volgen. Het waterschap De Dommel heeft ingestemd met het ontwerpbestemmingsplan in het kader van de watertoets.
9.3 Burgerparticipatie
Over de plannen met betrekking tot de percelen Groenstraat 93a, 95 en 95a heeft de initiatiefnemer in het kader van de planherziening Udenhout beschermd dorpsgezicht,1e herziening (Groenstraat 93a, 95, 95a) is op 29 oktober 2013 burgerparticipatie gevoerd.
Daarbij zijn de bewoners van de Groenstraat 93 en 97 en de eigenaar van de achterliggende agrarische gronden benaderd. Door middel van deze brief heeft de initiatiefnemer de omgeving geïnformeerd over het plan. De buren van Groenstraat 93 hebben aangegeven dat zij ook graag medewerking willen voor uitbreiding van bebouwing op hun achterterrein.
De nu voorliggende planherziening is opgesteld omdat de eerdere planherziening als gevolg van een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State deels is vernietigd. De bouwplannen van de initiatiefnemer zijn echter niet gewijzigd. Dit betekent dat nieuwe burgerparticipatie achterwege kan blijven.
9.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen en wel van 1 juni 2015 tot en met 13 juli 2015. Er zijn geen zienswijzen ingediend.