direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 4e herziening (naast Dongenseweg 100)
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van een vrijstaande woning aan de zuidzijde van de Dongenseweg tussen de bestaande woonpercelen met huisnummer 100 en 106. Het betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie AE, nr. 429 en 371.

De locatie betreft een onbebouwd perceel grond.

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied wordt begrensd door (de ventweg langs) Dongenseweg in het noorden, het woonperceel Dongenseweg 100 in het oosten, de Albionstraat in het zuiden en het woonperceel Dongenseweg 106 ten westen van het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0001.jpg"

situering plangebied binnen Tilburg

1.3 Voorgaande plannen

Het plangebied is opgenomen in het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Vossenberg 2008'. Binnen dat bestemmingsplan geldt voor het plangebied de bestemming 'Wonen'. De bouw van een zelfstandige grondgebonden woning is niet mogelijk vanwege het ontbreken van een bouwvlak. Wel kunnen er (vrijstaande) bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht behorende bij de woning Dongenseweg 100.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Ruimtelijke - en functionele structuur

Het te ontwikkelen woonperceel ligt aan de zuidzijde van de Dongenseweg tussen de woon- percelen Dongenseweg 100 en 106. In nabijheid ligt een drietal bedrijventerreinen. Op de eerste plaats aan de achterzijde van het perceel. Dit bedrijventerrein is gesitueerd tussen de Albionstraat en het Wilhelminakanaal. Op de tweede plaats ligt aan de overzijde van het perceel - ten noorden van de Dongenseweg - het bedrijvenpark Charlotte met aansluitend daarop het bedrijventerrein Kraaiven.

Het woongebied ten zuiden van de Dongenseweg wordt gekenmerkt door vrijstaande woningen in overwegend bosgebied. Binnen dit gebied zijn op een enkele plaats woningen gerealiseerd in een aaneen gebouwde vorm maar de meeste woningen zijn op ruime boskavels gesitueerd. De afstand van de woningen tot de perceelgrenzen is in het algemeen groot.

Binnen het gebied is enige uitbreiding van de woonbebouwing aanvaardbaar zonder dat dit de ruimtelijke karakteristieken schaadt. Het dient daarbij te gaan om het realiseren van vrijstaande woningen waarbij het behoud van het groene karakter van het gebied voorop staat. De woningen dienen op de Dongenseweg georiënteerd te zijn en de afstand tussen de woningen dient voldoende groot te zijn. Hiermee kan het vrijstaande karakter en de karakteristiek van 'wonen op een boskavel' worden gegarandeerd. De bouwenvelop voor de nieuwe woning is op deze uitgangspunten gebaseerd en biedt daarom voldoende basis voor ruimtelijke kwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0002.jpg"

Ligging plangebied ten opzichte van directe omgeving

Parkeren

Bouwontwikkelingen moeten voldoen aan de, op dat moment, vastgestelde parkeernormen. Het parkeren kan geheel op eigen terrein worden opgelost. Het kavel en de ligging van het bouwvlak maken het mogelijk dat voldoende parkeergelegenheid op het betreffende perceel wordt aangelegd voor zowel de bewoners van de woning als bezoekers. De feitelijke beoordeling geschiedt bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen.

Verkeer

Het plangebied ligt in het westen van Tilburg aan de rand van het bedrijventerrein Albion, grenzend aan industrieterrein Vossenberg I. Het plan ligt aan de paralelweg van de Dongenseweg. De Dongenseweg is een gebiedsontsluitingsweg met een snelheidsregiem van 50 km/h. Op dit industrieterrein geldt een maximum snelheid van 50 km/h. Aan de achterzijde van het plangebied ligt de Albionstraat. Ook hier geldt een maximale snelheid van 50 km/h.

Ontsluiting van het plan kan niet rechtstreeks op de Dongenseweg maar wel via de parallelweg langs de Dongenseweg. Bouwontwikkelingen moeten voldoen aan de, op dat moment, vastgestelde parkeernormen en het parkeren moet op eigen terrein opgelost worden. Kan de ontwikkeling niet voldoen aan de parkeernorm op eigen terrein dan kan het college vrijstelling geven. Het college kan vrijstelling verlenen als dit plaatstekort wordt gedekt door middels één of meer van de volgende vier oplossingen:

  • 1. benutting structureel aanwezige vrije parkeercapaciteit in de omgeving (voorwaarde onder meer betaling parkeerbijdrage),
  • 2. gebruikmaking (aan te leggen) plaatsen op particulier terrein elders,
  • 3. aanleg plaatsen op openbaar gebied in de nabijheid,
  • 4. benutting op termijn van in de openbaar beschikbaar komende parkeercapaciteit (voorwaarde o.m. betaling parkeerbijdrage)

Het college kan in een bijzonder geval ontheffing verlenen zonder dat een (volledige) oplossing word geboden voor het tekort aan parkeerplaatsen op eigenterrein als het maatschappelijk belang van de bouwontwikkeling dermate hoog wordt geacht.

Bomen

Binnen het plangebied bevinden zich geen monumentale en/of potentieel waardevolle bomen. De potentieel waardevolle bomen staan buiten het plangebied en zijn niet van belang voor bebouwing binnen het plangebied. Zie Bijlage 6 Boomwaardekaart. Op het perceel staan in totaliteit wel veel bomen welke als bosgebiedje een ecologische functie vervullen. Nader onderzoek in verband met flora en fauna is verricht. Voor het onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 5.8 Natuur en Ecologie en tevens naar het verrichte onderzoek in Bijlage 3 Quick scan flora en fauna .

2.2 Technische infrastructuur

Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke ondergrondse infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie waarvoor een veiligheidszone of belemmeringenstrook noodzakelijk is welke op de verbeelding dient te worden opgenomen. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele technische infrastructurele voorzieningen. Deze zijn vanuit ruimtelijk oogpunt niet van belang voor het plangebied. Zie onderstaande tekening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0003.png"

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt

Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

De voorgenomen ontwikkeling/bouw van een woning aan de Dongenseweg behoeft vanwege het bouwen van één woning vanuit recente jurisprudentie (zie verder hieronder) geen toetsing respectievelijk onderbouwing ingevolge de Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling.

Recente jurisprudentie:

Uit de jurisprudentie en de literatuur (zie onder andere de Gemeentestem 2014/84) blijkt dat voor kleinschalige ontwikkelingen de Ladder voor duurzame verstelijking niet van toepassing is.

In een uitspraak van 14 januari 2014 (nr. 201308263/2/R4) overweegt de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak onder overweging 4.3 het volgende:

"Het begrip "woningbouwlocatie", zoals opgenomen in de omschrijving van het begrip "stedelijke ontwikkeling" in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het betrokken plandeel voorziet in één nieuwbouwwoning. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013 in zaak nr. 201302867/1/R4 is de raad, gezien de kleinschaligheid van deze ontwikkeling, er terecht vanuit gegaan dat het betrokken plandeel niet voorziet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Gelet hierop voorziet het betrokken plandeel evenmin in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de genoemde bepaling, en is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing."

In de uitspraak van 14 januari 2014 was sprake van een ontwikkeling van in totaal 6 woningen.

Omdat in dit plan de ontwikkeling van één woning mogelijk wordt gemaakt is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing en is geen verdere invulling gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

De regionale behoefte is afgestemd in het regionaal ruimtelijk overleg waaraan ook de provincie deelneemt. Hierbij is de afspraak gemaakt dat de gemeente Tilburg tot 2020 mag voorzien in een uitbreiding van 9100 woningen (kwantitatieve behoefte). Zie verder paragraaf Volkshuisvesting.

Conclusie

Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak is voor dit bestemmingsplan artikel 3.1.6. lid 2 Bro niet van toepassing.

3.3 Provincie

3.3.1 Structuurvisie

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:

  • 1. De kwaliteit van het landschap;
  • 2. De ontwikkeling van het buitengebied;
  • 3. De regionale verstedelijking.


Uitwerking van de Structuurvisie

De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.

Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.

3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014

Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Deze verordening is op 19 maart 2014 in werking getreden.

In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.

Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

  • ruimtelijke kwaliteit;
  • stedelijke ontwikkelingen;
  • natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
  • overige ontwikkelingen in het buitengebied.

Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.

Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering.

Vertaling naar bestemmingsplan.

Volgens de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is het plan gelegen in stedelijk gebied. Er spelen geen provinciale belangen. Derhalve wordt het ruimtelijk beleidskader op provinciaal niet besproken.

3.4 Gemeente

3.4.1 Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020

De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is een integraal ruimtelijk plan voor de gehele gemeente Tilburg. Deze visie is de opvolger van het 'Stadsbeheerplan Tilburg' uit 1990. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling en onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente Tilburg op de gebieden wonen, werken, voorzieningen, recreatie, mobiliteit, natuur, water en landbouw tot 2020. 'Tilburg, stad van contrasten' vormt het leidende thema voor de ruimtelijke ontwikkeling en dus het ruimtelijk beeld in de toekomst; contrasten tussen stad en landschap, tussen de stad en de omliggende dorpen, maar ook tussen de stedelijke en de dorpse elementen in de stad. De ruimtelijke contrasten, die Tilburg karakteriseren, maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar. Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van de andere grote steden in Noord-Brabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving.

De speerpunten van de Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende:

  • a. Het buitengebied van Tilburg is gevarieerd en wordt behouden en verder versterkt;
  • b. Primair wordt de invulling van de verstedelijkingsopgave gezocht in het bestaand stedelijk gebied (binnen de tangenten). Soms is benutting van het buitengebied echter onvermijdelijk, bijvoorbeeld om de vereiste variatie in woonmilieus aan te bieden. Ruimtelijke ingrepen in het buitengebied zijn altijd kleinschalig en worden alleen gerealiseerd op die plaatsen die op grond van de bestaande kwaliteiten van water, bodem, ecologie en cultuurhistorie zijn geselecteerd;
  • c. De kenmerkende ruimtelijke structuur van oude linten en historische driehoekige pleinen blijft altijd herkenbaar. Op enkele plaatsen in de stad wordt op verantwoorde wijze geïntensiveerd. Op plekken met een hoge dynamiek is hoogbouw toegestaan;
  • d. De noodzakelijke intensivering van het stedelijk gebied mag niet ten koste gaan van het structurele groen in de stad.

De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2005.

3.4.2 Overige gemeentelijke structuurvisies

Tilburg kent één thematische structuurvisie, de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Hierin is opgenomen het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorg- plichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie.

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

4.2.1 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.

Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

4.3.1 Archeologie
4.3.1.1 Nota ´Grond voor het verleden´

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  • 1. De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
  • 2. De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' (2007) is het beleidsplan voor het Tilburgse archeologiebeleid.

4.3.1.2 Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek

In 2007 werd door Fontys Hogescholen/BILAN een archeologisch en cultuurhistorisch bureau- onderzoek voor het gebied: Van Ouden Staart tot Rouw Bosschen, Tilburg, Vossenberg-Don- genseweg, Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek (ISSN 1572-3194-2007/31).

Het plangebied maakt deel uit van dit onderzoek.

4.3.1.3 Historische geografie plangebied
  • Het plangebied ligt in Vossenberg/Dongenseweg dat deel uit maakte van een oorspronkelijk groot, vrijwel onontgonnen gebied met moerasgronden, vennen en heide. In het oosten van het plangebied en langs de noordgrens (de Vossenberg) lagen relatief hoge gronden in de vorm van landduinen. Ten oosten van de duinen van de Ouden Staart lagen de dichtstbijzijnde oude ontginningen, Hasselt en Stokhasselt.
  • Pas in 1733 is dwars door het gebied de weg van Tilburg naar Dongen (Dongenseweg) aangelegd. Omstreeks 1800 is men vanuit het zuidwesten van het gebied langzamerhand begonnen met de ontginning (aanplant naaldbos) van enkele percelen langs de Dongenseweg. In het begin van de twintigste eeuw was nog steeds alleen het oostelijke deel van het plangebied bebost.
  • Tot de aanleg van het bedrijventerrein Albionstraat in het uiterste zuidoosten (vanaf 1965) was het gehele gebied bebost. In de daarop volgende jaren is het gebied verder omgevormd tot bedrijventerrein. De bebouwing in de directe omgeving bestaat over het algemeen (onder meer aan dit deel van het gebied aan de Dongenseweg) uit enkele woningen gelegen in een beboste omgeving.
4.3.1.4 Verwachtingswaarde plangebied
  • AMK/IKAW: het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een als archeologisch waardevol aangeduid terrein op de Archeologische Monumenten Kaart. Op de IKAW is het plangebied gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting.
  • ArWaTi: het plangebied is gebied is gelegen in een zone met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting.
  • In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de niet bebouwde delen van het plangebied vermoedelijk niet of nauwelijks verstoord zijn en dat er een archeologische verwachting is voor wat betreft de steentijd, de brons- en ijzertijd en de vroege middeleeuwen.
  • Bij de aanleg van de bedrijventerreinen in het omliggende gebied zijn grote delen van geëgaliseerd en/of afgegraven, waardoor de kans op archeologische waarden sterk is verminderd of zelfs geheel teniet is gedaan. Deze delen van het plangebied hebben daardoor een lage archeologische verwachting. In figuur 1 zijn zowel de verwachtingskaart(en) als de verstoringskaart samengevoegd tot een kaart, waarin onderscheid wordt gemaakt in terreinen met geen tot lage archeologische verwachting, terreinen met middelhoge tot hoge archeologische verwachting. In de zuidoostelijke hoek is sprake van middelhoge tot hoge verwachting.
  • Het beoogde project ligt een gebied met een verhoogde trefkans.
  • Bij planrealisatie zal de nog onverstoorde bodem in het plangebied verstoord worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0004.jpg"

Figuur 1

  • De te verwachten omvang van de nieuwe bodemverstoring zal maximaal 225 m2. bedragen. Deze omvang is zo gering dat archeologisch vervolgonderzoek op deze locatie niet zinvol wordt geacht.
4.3.1.5 Vertaling naar bestemmingsplan

Vanwege de geringe omvang van de nieuwe bodemverstoring wordt archeologisch vervolgonderzoek op deze locatie niet zinvol geacht.

4.3.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg
  • In het plangebied van dit beoogde project bevinden zich geen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
  • Historische structuren.
    De locatie is gelegen aan de Dongenseweg (zie historische geografie)
4.3.2.1 Vertaling naar bestemmingsplan

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.

4.4 Volkshuisvesting

4.4.1 Woonvisie

In de WoonVisie komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd.

De afgelopen jaren is de woningmarkt sterk ingezakt, de huizenkoper heeft geen vertrouwen in de woningmarkt en er zijn strengere regels ten aanzien van de financiering, zowel voor particulieren als voor ontwikkelaars. Daarnaast groeit het aantal huishoudens in Nederland minder snel, waardoor de groei in de woningbehoefte af zal nemen. De energieprijzen en overige woonlasten zullen de komende jaren sterk stijgen. Er is sprake van een structureel veranderde situatie op de woningmarkt, oude tijden komen niet meer terug.

De lokale effecten van de veranderde marktomstandigheden zijn in Tilburg merkbaar: er is een overmaat aan bouwplannen, die vaak onvoldoende aansluiting vinden bij de feitelijke wensen van de woonconsument. Er is sprake van een teveel aan appartementen en rijtjeswoningen met onvoldoende kwaliteit.

De komende jaren zal in de nieuwbouw een verdere verschuiving optreden naar kwalitatieve eisen en de wens van de woonconsument centraal staan. Maar ook de bestaande voorraad zal een kwaliteitsslag maken, met name in verduurzaming (beperking energielasten).

Wonen blijft een onderwerp van gemeentelijke aandacht, maar in het besef dat de invloed op het (ver)bouwproces gering is. Samenwerking met procespartijen, ook over de gemeentegrenzen heen, moet centraal komen te staan.

De woondoelen:

  • 1. Focus op de woningvoorraad, verbetering en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad;
  • 2. Nieuwbouw nog beter en meer klantgericht (particulier opdrachtgeverschap);
  • 3. Versterking samenhang wonen, welzijn, zorg

Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften is de stad ingedeeld in woonmilieus: Centrum-stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-stedelijk, (Centrum)-dorps en Landelijk. Daarbij wordt per gebied aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan het gewenste woonmilieu te voldoen. Bij (woningbouw)ontwikkelingen in een bepaald gebied dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met deze woonmilieuopgave. De eerder genoemde ´stad in balans´dient vorm te krijgen binnen de woonmilieus.

4.4.2 Nota Wonen en Monitor Woningbouw 2013

Uit de Nota Wonen blijkt dat de aandacht van de gemeente en bouwprocespartners gericht moet blijven op kwaliteitsbevordering van de woningmarkt. De verleiding bestaat om, onder druk van de financieel-economische omstandigheden, een woonproduct aan te bieden dat minder toekomstbestendig is. Om aan te sluiten bij de structurele wens van consumenten en een kwaliteitsslag te maken, dient de beleidsfocus van de gemeente en andere partijen zich te (blijven) richten op een gedifferentieerd aanbod naar woonmilieus, woningtypen en prijsklassen. Bovendien wordt onder kwaliteit ook begrepen levensloopbestendigheid/flexibiliteit, duurzaamheid/energiezuinigheid (ook i.r.t. betaalbaarheid) en vormen van (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw.

Elk jaar doet de gemeente in de Monitor Woningbouw verslag van de ontwikkeling van de woningvoorraad in het voorafgaande kalenderjaar. In deze monitor, editie 2013, gaat het over de nieuwbouw en sloop van woningen, dan wel toevoegingen respectievelijk onttrekkingen anderszins (= woningsplitsing of sloop, resp. woningsamenvoegingen of -onttrekkingen) in 2012. Tevens vermeldt de monitor de nieuwbouwprognose voor 2013 en 2014. De Monitor Woningbouw is te vinden op www.tilburg.nl.

4.4.3 Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek

De gemeente Tilburg voert elke vier jaar een woningbehoefteonderzoek uit. Het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2012. Veel woonwensen blijken in de tijd gezien behoorlijk bestendig en weinig te veranderen. De onderzoeksresultaten van het KWBO-2012 wijken niet wezenlijk af van de resultaten uit 2004 en 2008, maar er lijkt in 2012 wel sprake van (verdere) 'downgrading' in de woonwensen. Zo richten doorstromers zich minder op de koopsector en is er in het algemeen meer belangstelling voor de huursector. Tilburgers zijn nóg tevredener met hun woning en woonomgeving dan in eerdere edities. De verhuisgeneigdheid van Tilburgse huishoudens is (verder) gedaald naar een toch nog aanmerkelijk niveau van 37%; een deel van de doorstromers en starters wacht af of stelt actie uit, daarmee lijkt de woningmarkt in toenemende mate "op slot" te zitten en de effecten van de crisis voelbaar.

De Tilburgse woningmarkt is in kwalitatief opzicht nog niet in evenwicht gekomen. Uit de vraag-aanbodbalans van verhuisgeneigden blijkt een (dreigend) overschot aan meergezins huurwoningen en is het tekort aan koopwoningen verdwenen. Het woningtekort richt zich op eengezins huur- en koopwoningen. In de koopsector in alle soorten en prijssegmenten, maar met uitzondering van het topsegment. De eengezinswoning met drie of vier kamers (en tuin) blijft favoriet.

Qua woonmilieu bestaat er overschot aan buitencentrum-stedelijk wonen, maar tekort in de andere woonmilieus (met name -vormen van- centrum-stedelijk wonen).De toekomstverwachting is dat veel woonconsumenten zich blijvend richten op een kwalitatief hoogwaardige en ruime -hoofdzakelijk- grondgebonden (koop)woning, mits de economie herstelt.

4.4.4 Actieplan Stimulering Eigenbouw Tilburg 2012

Getuige de WoonVisie staat de woonconsument centraal in het woonbeleid. In z'n ultieme vorm gaat dit over ruimte geven aan eigenbouw middels particulier opdrachtgeverschap (PO). Stimulering van het (collectief) particulier opdrachtgeverschap, ofwel het als consument/particulier zelf of samen met anderen bouwen van je woning, heeft in Tilburg al jaren prioriteit, maar blijkt in de praktijk moeizaam van de grond te komen. Om de beleidsambitie rond eigenbouw te bevestigen en aan te scherpen, heeft het college besloten tot een actieplan stimulering eigenbouw. Geen voornemens meer, geen pilots, maar gewoon doen! Door zelf meer grond voor eigenbouw uit te gaan geven, en hiertoe ook de projectontwikkelaars uit te nodigen, streeft het huidige college naar een (C)PO-aandeel in 2014 van minimaal 30 procent van de grondgebonden woningproductie. Het actieplan stimulering eigenbouw is te vinden op www.tilburg.nl 

4.4.5 Nota levensloopbestendige woningbouw in Tilburg, een tussenstand.

Alle nieuwe woningen moeten voldoen aan de criteria die gelden voor het niveau 'bezoekbaarheid' uit Aanpasbaar bouwen. Verder geldt dat minimaal 40% van de nieuwbouwopgave uitgevoerd moet worden als levensloopbestendig wonen (nul-tredenwoning).

4.4.6 Politiekeurmerk Veilig Wonen

Alle nieuwe woningen moeten sinds 1 januari 2006 voldoen aan de criteria die gelden voor het Politiekeurmerk Veilig Wonen®. Deze criteria hebben zowel betrekking op de woning als op de woonomgeving.

4.4.7 Toetsing plan

De voorgenomen ontwikkeling en bouw van een woning aan de Dongenseweg, ter hoogte van huisnummer Dongenseweg 100, verlangt vanwege het beperkte aantal geen toetsing respectievelijk onderbouwing ingevolge de Ladder voor Duurzame stedelijke ontwikkeling.

De bestemmingsplanherziening die het bouwen van deze woning mogelijk maakt, voldoet aan de beleidsdoelen-Wonen uit de WoonVisie (ook in regionale context), met name wat betreft het leveren van een bijdrage in de opgave grondgebonden wonen in landelijk woonmilieu. Voor het verder verloop van de planontwikkeling wordt aanbevolen om bij het ontwerp en bouw van de woning rekening te houden met de criteria voor levensloopbestendigheid en die met betrekking tot het Politiekeurmerk Veilig Wonen.

4.5 Groen

4.5.1 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  • 1. inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
  • 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
  • 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

4.6 Verkeer en parkeren

4.6.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)

Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:

Algemeen

  • 1. De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen.
  • 2. Alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.

Autoverkeer

  • 3. Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde.
  • 4. Voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Sinds 2010 wordt dynamisch verkeersmanagemental ingezet om de doorstroming te optimaliseren.

Parkeren

  • 5. Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012.

Goederenvervoer

  • 6. Tot 2015 groeit het goederenvervoer sterk. Tilburg heeft de ambitie om de regionale functie in overslag en logistiek verder uit te bouwen. Hierbij wordt ernaar gestreefd dat het goederenvervoer het stedelijk wegennet zo beperkt mogelijk belast. De tangenten zullen zo aantrekkelijk moeten zijn ten opzichte van de ringbanen dat het goederenvervoer vanzelf voor deze route kiest. Goederenvervoer over de weg met een herkomst of bestemming in de regio Tilburg moet waar mogelijk worden afgewikkeld om de stad Tilburg heen. De huidige overslagvoorzieningen zijn gevestigd op bedrijventerrein Loven. Daarnaast maakt een aantal bedrijven gelegen aan het Wilhelminakanaal rechtstreeks gebruik van vervoer over water. Tilburg streeft ernaar om de beschikbare multimodale voorzieningen te behouden en bij toenemende vraag verder uit te bouwen. De gemeente ontwikkelt hiertoe een hoofdnet goederenvervoer waarmee een goede uitwisseling tussen vervoerwijzen mogelijk wordt.

Mobiliteitsmanagement

  • 7. Om de automobiliteit te beperken probeert de gemeente Tilburg de vraag te beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan het verbeteren van het openbaar vervoer en fietsvoorzieningen en het vergroten van overstapmogelijkheden tussen vervoerwijzen. Daarnaast wordt aan vraagbeïnvloeding gedaan door het autoverkeer te reguleren via het doorrekenen van kosten of het opleggen van restricties (bijv. parkeerbeleid). Naast de inzet van de gemeente kunnen vooral bedrijven het nodige doen om de vervoerwijzekeuze voor hun medewerkers en/of bezoekers te beïnvloeden. Dit begint al bij de locatiekeuze van een bedrijf. De gemeente stimuleert de aandacht voor vervoermanagement. Via de wet worden eisen gesteld aan milieuprestaties door bedrijven, onder meer op het vlak van vervoer. De gemeente handhaaft door te controleren op de gestelde eisen. De gemeente stimuleert, faciliteert en handhaaft de uitvoering van vervoermanagement ten aanzien van bedrijven met een grote vervoersstroom, bedrijven in de oude stad (binnen- en aan de ringbanen) en bedrijven op nieuwe bedrijventerreinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0005.jpg"

categorisering wegen

4.6.2 Tilburgs Openbaar Vervoerplan, provinciale OV-visie, Programma Hoogfrequents Spoorvervoer (PHS)

De provincie Noord Brabant is opdrachtgever van het openbaar vervoer per bus in Tilburg. De lijnvoering en de inrichting van de belangrijkste haltes zijn gebaseerd op het Tilburgs Openbaar vervoer Plan (TOP) uit 2000. De aansturing door de provincie gebeurt op basis van de provinciale OV-Visie: OV-visie Brabant, Vraaggericht, verbindend, verantwoord (oktober 2012), die ook als basis dient voor de aanbesteding van het openbaar vervoer vanaf eind 2014 tot en met 2023, waarin de afspraken met de vervoerder over de uitvoering van het openbaar vervoer zijn vastgelegd. De dienstregeling van het openbaar vervoer wordt vormgegeven in Ontwikkelteams, waarin ook de gemeente participeert.

Voor het treinverkeer is de Rijksoverheid opdrachtgever. Vanuit het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS), het aantal treinen van en naar de Tilburgse stations worden uitgebreid

4.6.3 Fietsplan Tilburg

Tilburg vindt fietsen belangrijk, want fietsen is goedkoop, snel en gezond. De stad geeft om haar luchtkwaliteit en mogelijkheden voor mobiliteit van haar inwoners. De gemeente ondersteunt dit met het fietsplan 2005 - 2015. Hierin staat omschreven hoe Tilburg steeds betere voorzieningen ontwikkelt om comfort en veiligheid voor fietsers te vergroten. Dit moet leiden tot een breder en intensiever fietsgebruik in de stad.

Op 10 april 2006 heeft de Tilburgse gemeenteraad het fietsplan ´Tilburg Fietst, Fietsplan Tilburg 2005 - 2015´ vastgesteld. De doelstelling van het fietsplan is om het fietsgebruik (nu 34% op verplaatsingen tot 7,5 km) de komende 4 jaar met 1% per jaar te laten groeien. De gemeente wil dit bereiken door onder meer in te zetten op:

  • 1. het voltooien van het Sternet voor 2020;
  • 2. doelgroepenbenadering (schoolgaande jeugd, allochtonen, winkelend publiek);
  • 3. communicatie;
  • 4. het ontwikkelen van een fietstransferium.

Daarnaast is er in de intensivering van het fietsplan (vastgesteld op 10 oktober 2006) besloten dat de kwaliteit op alle fietsroutes verder verbeterd moet worden, het Sternet in 2015 voltooid moet zijn en er meer maatregelen voor de specifieke doelgroepen moeten worden genomen. Tot slot is hierin ook besloten in te zetten op een uitgebreide communicatie. In het fietsplan is een uitgebreid uitvoeringsprogramma opgenomen. Het belangrijkste onderscheid dat gemaakt kan worden, is als volgt:
Infrastructureel: Het sternet wordt voor 2015 voltooid, ook kleinere fietspaden worden in asfalt aangelegd, het Sternet krijgt een sterk verbeterde verlichting, er wordt op grootschalige wijze onderhoud aan het sternet en de kleinere fietspaden uitgevoerd.

Beheer en onderhoud: Niet alleen wil de gemeente op alle Sternetroutes en fietspaden onderhoud plegen, ook wil de gemeente een grote kwaliteitsslag uitvoeren tijdens dit onderhoud.

Stallingsvoorzieningen: Er wordt een separaat stallingenplan opgesteld waarin voor alle knelpunten naar een oplossing wordt gezocht en waaraan een uitvoeringsprogramma komt te hangen.

Doelgroepenbenadering: Per doelgroep wordt bekeken welke middelen worden ingezet en wordt een uitgebreide campagne opgezet.

Communicatie: De centrale doelstelling van de communicatie is (meer) mensen vaker op de fiets krijgen en de bestaande fietsers behouden. Hier worden dan ook specifieke acties op ingezet die ook samenhangen met de uitvoeringsmaatregelen.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

Het plangebied (woonbestemming) grenst aan de bedrijventerreinen Albion en Kraaiven, hier is bedrijvigheid vanaf categorie 2 tot aan categorie 5 mogelijk.

De omgeving van het plan kan gekarakteriseerd worden als een gemengde omgeving. De woning ligt namelijk aan een drukke doorgaande weg tussen industrieterrein Albion en Kraaiven. Hierdoor is het gerechtvaardigd de richtafstand met 1 stap te verminderen. Doordat bij beiden terreinen een zonering van de milieucategorie is aangebracht wordt aan de richtafstanden voldaan. Hiermee is bij de nieuwe woning sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Voor industriële geurhinder zie paragraaf 5.6.1 Industriële geur.

5.3 Externe veiligheid

5.3.1 Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen.

De belangrijkste zijn:

  • 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
  • 2. Circulaire "Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" (cRnvgs), juli 2012. Op 1 april 2015 wordt de cRnvgs vervangen door de Wet Basisnet;
  • 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), 1 januari 2011.

De Eerste en Tweede Kamer hebben ingestemd met het wetsvoorstel Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen, dat in 2015 van kracht wordt. In de wet worden de risicoplafonds vastgelegd veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen over weg-, spoor- en watertrajecten. De Wet Basisnet vervangt de cRnvgs. Gelijktijdig met de Wet Basisnet wordt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht.

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

5.3.2 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt, is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke objecten en bestemmingen vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

5.3.3 Groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

  • 1. de kans op een ongeval;
  • 2. het effect van het ongeval;
  • 3. het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft;
  • 4. de mate waarin personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is en hoe hoger het groepsrisico.

5.3.4 Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud bepaald van de verantwoordingsplicht. Hieronder staat per risicobron beschreven of het plangebied ligt in het invloedsgebied en de relevantie voor de verantwoordingsplicht.

Ten behoeve van de verantwoording is een onderzoek 'risico-inventarisatie externe veiligheid' uitgevoerd waarin de risicobronnen zijn geïnventariseerd. Uit het onderzoek blijkt welke mogelijke gevolgen het bouwen van de extra woning heeft qua externe veiligheid. Zie Bijlage 1 Onderzoek externe veiligheid.

5.3.5 Inrichtingen

Uit de Risicokaart blijkt dat de woning ligt in het invloedsgebied van:

  • IFF, Zevenheuvelenweg 60 te Tilburg. Dit is een bedrijf dat valt onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en is gericht op de vervaardiging van overige chemische producten. Binnen de inrichting liggen verschillende opslagen met gevaarlijke stoffen. Uit de QRA die is gemaakt ten behoeve van de aanvraag voor een milieuvergunning blijkt dat de PR 10-6 contouren van de opslagen niet over de percelen van derden ligt. Het plangebied ligt buiten de 10-6 contour van IFF. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van IFF.
  • Versteijnen's Internationaal Transportbedrijf, Zeusstraat 3 te Tilburg; Dit is een bedrijf dat valt onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en is gericht op de vervaardiging van overige chemische producten. Binnen de inrichting liggen verschillende opslagen met gevaarlijke stoffen. Uit de Qra die is gemaakt ten behoeve van de aanvraag voor een milieuvergunning blijkt dat de PR 10-6 contouren van de opslagen niet over percelen van derden ligt. Wel is sprake van een 10-6 contour die ligt over de weg, met de bestemming verkeer. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van Versteijnen.

IFF en Versteijnen zijn daarmee relevant voor de verantwoording.

5.3.6 Buisleidingen

Buiten het plangebied op een afstand van meer dan 150m ligt een hogedrukaardgasleiding. Het plangebied ligt daarmee buiten het invloedsgebied van de leiding. De leiding is niet relevant voor de verantwoording.

5.3.7 Transport van gevaarlijke stoffen

Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in Tilburg vindt plaats over de weg, per spoor en over het Wilhelminakanaal.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Door de gemeente Tilburg worden over verschillende wegen gevaarlijke stoffen vervoerd.

Voor gemeentelijke wegen blijkt uit de Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen, die is opgesteld door Royal Haskoning in april 2008, dat op geen van deze wegen een 10-6 risicocontour aanwezig is c.q. een overschrijding van een risicocontour aan de orde is. Voor het groepsrisico van deze wegen geldt dat er conform deze rapportage, ter hoogte van dit bestemmingsplan geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

Route gevaarlijke stoffen

Binnen de gemeente is een routering vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen op 28 november 2003. Hieronder ziet u de route gevaarlijke stoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0006.jpg"

Een deel van de route gevaarlijke stoffen ligt over de Dongenseweg. De routering heeft geen 10-6 contour. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de route gevaarlijke stoffen.

Hiermee is de route gevaarlijke stoffen relevant voor de verantwoording.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de A58

De A58 is een te beschouwen risicobron waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A58 maakt per 1 april 2015 onderdeel uit van het basisnet voor vervoer gevaarlijke stoffen over de weg. Het plangebied ligt op meer dan 4 km afstand. Deze weg is daarom niet relevant voor de verantwoordingsplicht.

Vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor

Door de gemeente Tilburg loopt de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven/'s-Hertogenbosch. Hierover worden onder andere brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vervoerd.

Het plangebied ligt op ongeveer 1800 meter van het spoor, daarmee ligt het plangebied in het invloedsgebied van het spoor. Het spoor is daarmee relevant voor de verantwoording.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het Wilhelminakanaal

Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (december 2009) blijkt dat er voor het Wilhelminakanaal geen risico- en veiligheidsafstanden gelden.

5.3.8 Restrisico en conclusies

Het bestemmingsplan ligt binnen het invloedsgebied van IFF, Versteijnen, de spoorlijn Breda-Tilburg-Eindhoven/'sHertogenbosch, en de route gevaarlijke stoffen. Personen in het plangebied worden aan de externe veiligheidsrisico's blootgesteld. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld en als Bijlage 2 Verantwoording groepsrisico externe veiligheid bij dit plan gevoegd.De brandweer Midden- en West-Brabant heeft op 13 februari 2015 aangegeven dat het standaardadvies op dit plan van toepassing is. Zie haar advies in Bijlage 5 Advies Brandweer Midden West Brabant. De relevante opmerkingen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

  • Gezien de beperkte omvang waarmee het aantal personen in het plangebied toeneemt (2,4 personen) leidt dit niet tot een toename van het groepsrisico.
  • De bereikbaarheid van de Dongenseweg is goed.
  • Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit.
  • Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings -en alarmeringssysteem), dit biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen.
  • De bewoners kunnen het plangebied te voet ontvluchten.
  • Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Hiervoor is het aan te bevelen een calamiteiten knop aan te brengen als er gebruik gemaakt wordt van mechanische ventilatie. Onduidelijk is of dit bij deze woning het geval zal zijn. Natuurlijke ventilatie kan worden afgesloten.
  • De brandweer voldoet aan de opkomstnorm.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.3.9 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

5.4 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.4.1 Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied wordt een nieuwe woning gerealiseerd welke gelegen is binnen zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder ("zones langs wegen"). Dit betreft de Dongenseweg en de Swaardvenstraat, beiden 50 km/uur wegen.

Voor het oprichten van een nieuwe woning geldt ingevolge de Wet geluidhinder een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ( M&A Milieuadviesbureau d.d. 25 november 2014, rapportnummer 214-TDo-wl-vl: zie Bijlage 4 Akoestisch onderzoek) en er heeft een toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder plaatsgevonden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeurgrenswaarde ten gevolge van de Dongenseweg wordt overschreden. De maximale geluidbelasting ten gevolge van de Dongenseweg bedraagt maximaal 57 dB op rekenpunt 1 (voorgevel woning). Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn onderzocht. Voor de resultaten hiervan wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek. Bij de afweging van de te nemen maatregelen blijkt dat de Dongenseweg is voorzien van een stiller wegdektype. Overige maatregelen zijn niet mogelijk vanwege verkeerskundige of stedenbouwkundige bezwaren.

Om het initiatief mogelijk te maken is het noodzakelijk hogere grenswaarden vast te stellen voor wegverkeer. Aan het besluit hogere grenswaarden zijn de volgende voorwaarden gesteld:

  • de woning dient minimaal over 1 geluidluwe gevel te beschikken;
  • aan de geluidluwe gevel dient minimaal 1 verblijfsruimte, bij voorkeur de hoofdslaapkamer, gesitueerd te zijn. Onder geluidluw wordt verstaan een gevel waar de geluidbelasting maximaal 55 dB bedraagt, berekent conform Hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012;
  • de woning beschikt over een geluidluwe buitenruimte;
  • aan de hand van een akoestisch onderzoek dient aangetoond te worden bij de aanvraag om vergunning ingevolge de Wabo onderdeel bouwen dat voldaan wordt aan afdeling 3.1 van het Bouwbesluit.
5.4.2 Railverkeerslawaai

De nieuwe woning wordt gerealiseerd buiten de 1200 meter zonebreedte zoals gesteld in artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden naar de optredende geluidsbelasting t.g.v. de spoorlijn Tilburg-Breda en dat er geen nadere toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder hoeft plaats te vinden.

5.4.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

5.4.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

5.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 1 woning. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast is geen sprake van de oprichting van luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

5.6 Geur

5.6.1 Industriële geur

Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.

Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Op het terrein Kraaiven ligt IFF. Zij heeft een revisievergunning uit 2012, de provincie is voor dit bedrijf het bevoegd gezag. Bij de aanvraag is onderzoek gedaan naar de geurbelasting op omliggende woningen. Uit het rapport blijkt dat de woningen aan de Dongenseweg gezien kan worden als een gemengde omgeving. De aanvraag is getoetst aan de hand van het Geurbeleid van de provincie Noord Brabant. Hierbij gelden de volgende normen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0007.jpg"

Voor de woning geldt dus dat getoetst wordt aan de norm van 1,0 ouE(H)/m3. Uit onderstaande tekening (afkomstig uit het geurrapport) blijkt dat de woning net buiten deze contour ligt en dat er dus geen belemmering is voor het realiseren van de woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0008.jpg"

5.6.2 Agrarische geur

In en om het plangebied worden geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

5.7 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

Bureau onderzoeken

Bodem

Ter hoogte van de locatie zijn in het verleden geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Nabij gelegen onderzoeken kunnen echter wel enige uitspraak doen over de te verwachten kwaliteit. Ter hoogte van de Dongenseweg 106 en 110 zijn licht verhoogde gehaltes aan zware metalen geconstateerd in zowel de grond als grondwater. Dergelijke waardes geven geen aanleiding voor een nader onderzoek.

In diverse delen van Noord-Brabant worden gehalten aan zware metalen gemeten zonder dat daarvoor een duidelijke bron en oorzaak is aan te wijzen. De oorzaak ligt in dit soort gevallen meestal in een combinatie van factoren, waarbij de aanwezigheid van kalkarme zandgronden, verschillende vormen van antropogene belasting, zoals het jarenlang gebruik van meststoffen, bodemverbeterende middelen en bestrijdingsmiddelen en zure depositie een rol spelen. In sommige gevallen betreft het van nature aanwezige componenten.

Tanks

Er zijn geen tanks gelegen op locatie

Demping

Voor zover bekend liggen er geen dempingen binnen 10 meter van het perceel.

Aanbeveling

Voor de nieuwbouw van een huis is er voor de omgevingsvergunning een verkennend bodemonderzoek nodig. Waarbij de kwaliteit van de grond wordt bepaald. Een dergelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een gecertificeerd bureau dat te werk gaat volgens de NEN 5740.

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

5.8 Natuur en Ecologie

5.8.1 Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van de Ecologische Hoofdstructuur en beschermde soorten (Flora- en faunawet). Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

5.8.2 Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de natuurbescher- mingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale ver- plichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergun- ningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat. Er zijn drie mogelijkheden:

  • 1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbescher- mingswet 1998 nodig.
  • 2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings - en verstoringstoets moet worden doorlopen.
  • 3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

Analyse plangebied

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom en op ruim 5,5 km van Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen nega- tieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten.

5.8.3 Ecologische hoofdstructuur

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) begrensd. De EHS is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot de EHS is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot de EHS.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescher- ming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van de EHS worden aangetast, dienen mitigerende maat- regelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

Analyse plangebied

Een deel van bestemmingsplangebied is begrensd als Ecologische Hoofdstructuur. Het gewenste bouwvlak valt buiten de begrenzing van de EHS.

Conclusie

De wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS zullen niet worden aangetast als gevolg van de realisatie van een woning op het gewenste bouwvlak. De gewenste ontwikkelingen in het plange- bied zullen geen significante negatieve effecten hebben op de Ecologische Hoofdstructuur in de omgeving. De ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde EHS.

5.8.4 Flora - en Faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuur- waarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

Analyse plangebied

Uit een quick-scan flora en faunaonderzoek (Natuurwetenschappelijk Centrum, okt 2014; zie Bijlage 3 Quick scan flora en fauna) is het volgende naar voren gekomen:

Grondgebonden zoogdieren

In het plangebied is de Eekhoorn (een soort van tabel 2 van de Flora- en fauna-wet) rennend en springend tussen de bomen waargenomen. Er is in de aanwezige bomen geen nest van deze soort aangetroffen. De Das en Steenmarter zijn niet binnen het plangebied waargenomen. Het terrein biedt voor de Das ook geen geschikt leefgebied. Deze soort heeft een voorkeur voor klein- schalig akker- en weidelandschap (met verspreide bosjes, heggen en houtwallen), of vochtige heiden en rivierdalen. Het plangebied voldoet niet aan deze habitateisen en biedt bovendien niet voldoende dekking voor de Das. Voor de Steenmarter biedt (de directe omgeving van) het plange- bied wel geschikt leefgebied. Met name de opstallen net buiten het bestemmingsplangebied, maar binnen de begrenzing van de percelen behorende tot Dongenseweg 100, kunnen als schuil- plaats voor deze marterachtige functioneren. Er zijn hier tijdens het veldbezoek echter geen spo- ren (zoals vraatsporen en uitwerpselen) gevonden.

Vleermuizen

Aangezien deze soortgroep hoofdzakelijk gedurende de nacht actief is, kon tijdens het dagbezoek de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen niet worden vastgesteld. De kleine schuur binnen het bestemmingsplangebied (zie foto D) is, vanwege de afwezigheid van spouw- muren en - gaten of andere openingen die als mogelijke invliegopening kunnen dienen, niet ge- schikt als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. De drie tot vier bomen die binnen het gewenste bouwvlak staan hebben geen holtes en zijn daarom ook niet van belang als verblijfplaats voor vleermuizen. Hetzelfde geldt voor de bomen langs de oprijlaan. Deze functioneren mogelijk wel als (klein deel van het) jachtbiotoop van verschillende soorten vleermuizen. In het zuidelijk deel van het bestemmingsplangebied (buiten de begrenzing van het gewenste bouw-vlak) en van de overige percelen aan Dongenseweg 100 zijn wel enkele bomen met spechtengaten aanwezig. Deze zouden door boombewonende vleermuizen als vaste verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Tevens maakt het zuidelijk deel van het bestemmingsplangebied (en van de overige percelen aan Dongen- seweg 100) waarschijnlijk deel uit van het jachtbiotoop van vleermuizen. Binnen het gewenste bouwvlak zijn verder geen duidelijke lijnvormige structuren (zoals een bomenrij) aanwezig. Er zal daarom als gevolg van de bestemmingsplanwijziging geen essentiële vliegroute van vleermuizen worden aangetast.

Vogels (met een vaste verblijfplaats)

Vogels met een vaste verblijfplaats zijn niet in het plangebied aangetroffen. Binnen het gewenste bouwvlak zijn geen gebouwen en bomen aanwezig die geschikt zijn als broedplaats voor deze vogelsoorten. Wel zijn de bomen in het zuidelijk deel van het bestemmingsplangebied (dit valt buiten de begrenzing van het gewenste bouwvlak) en het zuidelijkste perceel behorende bij Don- genseweg 100 (dit valt buiten de begrenzing van het bestemmingsplangebied) van belang voor zogenaamde categorie 5-soorten, zoals in ieder geval Grote bonte specht (Dendrocopos major) en mogelijk ook Boomklever (Sitta europaea), Boomkruiper (Certhia brachydactyla), Koolmees (Parus major) en Pimpelmees (Parus caeruleus). Nesten van deze vogels, zoals de aangetroffen spechtengaten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstan- digheden dat rechtvaardigen . Tot slot zijn de bomen en bosschages in het plangebied van belang als broedplaats voor algemeen beschermde broedvogels, zoals o.a. Houtduif (Columba palum- bus), Merel (Turdus merula) en Roodborst (Erithacus rubecula).

Herpetofauna

Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen waargenomen. Het plangebied biedt geen geschikt voortplantingswater en landhabitat voor zwaarder beschermde soorten van deze taxa. Wel kunnen algemeen beschermde soorten als Bruine kikker (Rana temporaria), Gewone pad (Bufo bufo), Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), Meerkikker (Pelophylax ridibundus) en Middelste groene kikker (Pelophylax klepton esculentus) in het plangebied voorkomen. De vijver behorende bij de woning aan Dongenseweg 100 zou voor deze soorten als voortplantingswater kunnen functioneren.

Vaatplanten

Er zijn in het onderzoeksgebied geen strikt beschermde vaatplanten aangetroffen. Gezien de gebiedskenmerken worden deze hier ook niet verwacht.

Conclusie

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Voor grondgebonden zoogdieren gelden op dit moment geen ver- plichtingen in het kader van de Flora- en faunawet. De kap van de drie tot vier bomen binnen de begrenzing van het gewenste bouwvlak zal niet leiden tot een significant negatief effect op vleermuizen. Voor de gewenste bestemmingsplanwijziging gelden daarom op dit moment voor vleermuizen geen beperkingen in het kader van de Flora- en faunawet. Indien er echter plannen zijn om bomen met holtes en/of groepen bomen aan de Dongenseweg 100 te gaan kappen, dient voorafgaand aan de kapwerkzaamheden een uitgebreid onderzoek naar de daadwerkelijke functie van de bomen voor vleermuizen, volgens het vleermuisprotocol, te worden uitgevoerd. Indien er vleermuisverblijfplaatsen in het plangebied aanwezig zijn en de functionaliteit hiervan in het geding komt, dient voor deze soortgroep een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd. Tot slot geldt ook voor vleermuizen altijd de algemene Zorgplicht.

In het plangebied zijn zichtwaarnemingen van (algemeen) beschermde vogelsoorten gedaan. Daarnaast zijn in enkele bomen holtes aangetroffen van de Grote bonte specht, een zogenaamde categorie 5-soort. Met betrekking tot deze soorten wordt aanbevolen om verstorende werkzaam- heden, zoals het slopen van bebouwing, het kappen van bomen en rooien van onderbegroeiing, buiten de broedtijd van vogels uit te voeren. Voor het opnieuw opnemen van het gewenste bouw- vlak in het bestemmingsplan „Vossenberg 2008, 4e herziening (naast Dongenseweg 100)" gelden op dit moment geen beperkingen in het kader van de Flora- en faunawet. Wel dient voor alle vogels altijd de algemene Zorgplicht in acht te worden genomen.

Voor amfibieën, reptielen en voor vaatplanten gelden er binnen het plangebied op dit moment geen beperkingen in het kader van de Flora- en faunawet en dient alleen de algemene Zorgplicht in acht te worden genomen.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

6.1 Bestaand watersysteem

Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Donge en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap de Brabantse Delta.

De bruto oppervlakte is ongeveer 2400 m². In de bestaande situatie is een deel van het perceel verhard, de verwachting is dat het afstromend hemelwater niet afvoert op de riolering. Het terrein in het aangrenzende openbaar gebied ligt ongeveer op ongeveer 12,00 m + NAP. De maatge- vende grondwaterstand ligt op ongeveer 10,40 m + NAP. Met maatgevende grondwaterstanden 1,50 meter onder het maaiveld, is de ontwatering in de bestaande situatie voldoende.

In de bestaande situatie ligt een gemengd rioolstelsel in de omgeving van het plangebied. Het vuil- en regenwater wordt niet inpandig gescheiden verzameld, en vanaf de perceelgrens aange- sloten op de hoofdriolering. Het vuilwater wordt verpompt richting de rioolwaterzuiveringsinstallatie Tilburg, welke in beheer is van waterschap De Dommel.

De woningen aan de Dongenseweg liggen ten noorden van het bedrijventerrein Albion. Het gebied Albion is bekend met wateroverlast. De gemeente neemt maatregelen om dit probleem op te los- sen door riolen te vergroten en een groene berging aan te leggen.

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten zuiden van het plangebied ligt het Wil- helminakanaal. Het Wilhelminakanaal wordt verbreed en verdiept. Bij de aanpassing van sluis III wordt een lokale stijging van de grondwaterstanden verwacht, waardoor de minimale ontwatering- diepte niet gehaald wordt. Hiervoor legt Rijkswaterstaat drainage aan om de nadelige effecten van de aanpassingen te mitigeren.

Ten noorden van het plangebied ligt de waterpartij de Wolterbeek, met een grondwaterafhankelijk waterpeil en een oppervlakte van 4,6 ha.

Volgens de Verordening Water Noord-Brabant 2009 ligt het plangebied binnen de groen-blauwe mantel. Het gebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied ten behoeve van een drinkwaterwinning. Het Wilhelminakanaal is een ecologische verbindingszone en is aangemerkt als Keurbeschermingsgebied.

6.2 Duurzaam waterbeheer

6.2.1 Beleidskader

De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehou- den moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzaam waterbeheer. Belangrijk in deze aanpak is het reali- seren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knel- punten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave.

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen zijn regionaal vastge- steld in het Stroomgebiedsbeheersplan Maas. De grondwatervoorraad moet stabiel zijn en natuurgebieden mogen niet verdrogen door een te lage grondwaterstand.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en ge- meenten afgesproken dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwan- titeit (WB21), - kwaliteit en ecologie (KRW).

Het waterschap de Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan Brabantse Delta 2010 - 2015 vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2010 - 2015 en het bovengenoemde Provinciale Waterplan 2010 - 2015. De visie van Brabantse Delta steunt op vier pijlers: dynamische samenleving, verantwoord en duurzaam, inhaalslag beheer en onderhoud en effectief samenwerken. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels, waarvan de Keur waterschap Brabantse Delta (datum intrede 1 maart 2015) van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR), met daarin opgenomen het GRP voor de periode 2010 - 2015, met een visie voor de komende 30 jaar. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De SWR vervangt het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en het Gemeentelijk Rioleringsplan (2005-2009), en werkt de nieuwe wet- en regelgeving uit, voornamelijk wat de nieuwe zorgplichten betreft voor het regen- en grondwater, en het actuele rijks-, het provinciale en het regionale beleid.

De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte:

  • Streven naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem;
  • Optimalisatie van de waterketen; zuinig en efficiënt gebruik van water;
  • Vergroten van de belevings-, ecologische, economische en recreatieve waarde van water.

Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers, gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren. Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoor- waarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe.

6.2.2 Afwegingen

Voor het plangebied zijn in de SWR geen specifieke opgaven benoemd, behalve de algemene doestellingen voor de gehele gemeente. Op dit moment is nog onduidelijk wat de ontwikkeling precies inhoudt. Het bestaande perceel Dongenseweg 100 wordt opgesplitst, om het bouwen van een woning mogelijk te maken. Gezien de grootte en ligging van het perceel is de insteek dat het perceel voor maximaal 50% verhard zal worden. De toename van afvoerende oppervlakte is ge- schat op maximaal 1200 m².

Aangezien er geen mogelijkheden in het gebied zijn om het afstromend hemelwater te bergen of af te voeren wordt voorgesteld om het hemelwater op eigen terrein te bergen, met een nooduitlaat op de bestaande riolering. Dit kan bijvoorbeeld door een verlaging te maken in het maaiveld of een vijver aan te leggen.

In het plangebied en voor rekening van de ontwikkelende partij(en), dienen de volgende randvoor- waarden in acht genomen te worden:

  • bij de inrichting van het plan dient men rekening te houden met de bestaande terreinhoogte van het openbaar gebied en de aangrenzende percelen;
  • voor de bescherming tegen wateroverlast wordt geadviseerd om voor het vloerpeil van de woning 20 cm boven de kruinhoogte van de weg (ongeveer 12.15 m +NAP) aan te houden;
  • de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen is voldoende voor het gebruik van het bouwdeel;
  • het toepassen van uitlogende materialen is uitgesloten;
  • het vuil- en hemelwater worden inpandig gescheiden ingezameld
  • het vuilwater wordt aangeboden voor aansluiting op de gemeentelijke gemengde riolering in de Dongenseweg;
  • het regenwater van de verharding en tuinen in particulier terrein wordt verwerkt op eigen terrein met een nooduitlaat op de bestaande gemengde riolering.

6.3 Watertoets

Het waterschap de Brabantse Delta is betrokken bij de planvorming. Aan de hand van de uit- gangspunten, de randvoorwaarden en het stedenbouwkundig opzet is de waterparagraaf opge- steld. De concept waterparagraaf is via e-mail voor advies aan het waterschap toegezonden op 9 september 2014. Met het waterschap is in het kader van de watertoets afgesproken, dat zij haar advies verstrekt bij de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmings- plannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aange- past. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.

7.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit bestemmingsplan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.

Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.

In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.

Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijk- heden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

7.2.2 Voorgevelrooilijn

De Bouwverordening kent grote waarde toe aan de voorgevelrooilijn als stedenbouwkundig element: de lijn waarin gebouwd moet worden. De voorgevelrooilijn is in dit bestemmingsplan omschreven als ´de voorste, naar het openbaar gebied toegekeerde lijn die het bouwvlak begrenst´. In de bouwregels wordt aangeven wanneer er sprake is van een voorgevelrooilijn.

7.2.3 Achtergevelrooilijn

De achtergevelrooilijn is ´de achterste, niet naar het openbaar gebied toegekeerde lijn, die het bouwvlak begrenst´.

7.2.4 Bouwhoogte

Langs de 'Hoofdstructuur oude gebieden' wordt, indien sprake is van een zogenaamd lint een maximale hoogte toelaatbaar geacht van 11 m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15 m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10 m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd.

Uitwerking m.b.t. het plangebied:

Volgens onderstaand kaartbeeld is sprake van 'overige gebieden' waarbij een hoogte toegestaan is van maximaal 10 m binnen het plangebied. In de regels is een maximale bouwhooogte van 10 m opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2014020-e001_0009.png"

7.2.5 Goothoogte

In de meeste gevallen is de goothoogte gelijk aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goot- hoogte dan ook gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoerings- aanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Dit zelfde geldt voor de goothoogte in de achtergevelrooilijn. Wanneer de systematiek voor de goothoogte in de voor- en achtergevelrooilijn resulteert in verschillende hoogten, wordt de laagste goothoogte weergegeven. Middels een omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de regels ten behoeve van het bouwen in het bouwvlak kan dan een hogere goothoogte voor de andere rooilijn worden verkregen.

Uitwerking m.b.t. het plangebied:

In de regels noch op de verbeelding is een maximale goothoogte opgenomen. In de regels is opgenomen dat de maximale goothoogte gelijk is aan de maximale bouwhoogte.

7.2.6 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied:

  • 1. oppervlakte:
    • a. 20 m2 indien erf kleiner is dan 50 m2;
    • b. 40% van erf met maximum van 60 m2 bij erf tussen de 50 m2 en 500 m2;
    • c. 80 m2 bij erf tussen de 500 m2 en 1000 m2;
    • d. 100 m2 bij erf vanaf 1000 m2.
  • 2. bouwhoogte: maximaal 3 m bij plat dak, bij schuin dak goothoogte maximaal 3 m en bouwhoogte maximaal 4,5 m.

Met omgevingsvergunning inzake binnenplans afwijken van de bouwregels is ten behoeve van mantelzorg een grotere oppervlakte mogelijk.

Uitwerking m.b.t. het plangebied:

In de regels is de standaard regeling opgenomen zoals hierboven is weergegeven. De oppervlakte van de te bouwen aan- en uitbouwen en bijgebouwen is afhankelijk van de oppervlakte van het erf. Het erf is op de verbeelding aangegeven met de aanduiding 'erf'.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.

Bestemmingen

Het bestemmingsplan bevat één bestemming 'Wonen".

Binnen artikel 3 van de regels zijn uitsluitend grondgebonden woningen toegestaan. onder voorwaarden zijn tevens beroepsmatige activiteiten toegestaan als een aan huis gebonden beroep. Met afwijking kan worden meegewerkt aan het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten. Qua uiterlijke verschijningsvorm dient de beroepsuitoefening ondergeschikt te zijn aan de omgeving en wordt de oppervlakte die voor de beroepsuitoefening naar omvang beperkt.

Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen, etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

Het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd. De maximale bouwhoogte bedraagt 10 meter. De maximale goothoogte in de voor- en achtergevelrooilijn is gelijk aan de maximale bouwhoogte.

De oppervlakte van bijgebouwen mag in zijn totaliteit 100 m2 bedragen aangezien het erf meer dan 1000 m2 bedraagt.

Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
De mogelijkheid is opgenomen om in een aantal gevallen met in achtneming van de daarvoor gel- dende voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of een afwijking van de bouwregels toe te staan.

Gebruiksregels
Er zijn regels opgenomen omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

Anti-dubbeltelregel

Artikel 4 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

Algemene bouwregels

Artikel 5 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling t.b.v. parkeren.

Algemene gebruiksregels

In artikel 6 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.

Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 7.

Algemene wijzigingsregels
Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 8 met betrekking tot wijziging van de bestemmingsgrenzen.

Overige regels
Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn burgemeester en wethouders middels artikel 10 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Uitvoerbaarheid postzegelplan

Voor de bestemmingsplanherziening zijn leges verschuldigd. Deze bedragen in dit geval € 4.477,70. De verschuldigde leges zijn inmiddels door de initiatiefnemer voldaan.

Met de initiatiefnemer is voorts een exploitatieovereenkomst en een overeenkomst tegemoet- koming in schade gesloten. In de overeenkomst tegemoetkoming in schade is bepaald dat scha- de als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor ver- goeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door ontwikkelaar. In de exploitatieovereen- komst is de bijdrage voor het fonds bovenwijkse voorzieningen en beeldende kunst opgenomen. Die bijdrage, groot € 2.000,--, is inmiddels voldaan.

Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.

Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmings- plan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effect- rapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 4e herziening (naast Dongen- seweg 100) gepubliceerd in het Stadsnieuws op 14 juni 2014.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Op grond van artikel 3.1.1 lid 1 Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de diensten van provincie en Rijk die belast zijn met de zorg voor de ruimtelijke ordening. Ook dient overleg plaats te vinden met de betrokken waterschappen. Indien binnen het bestemmingsplan geen sprake is van provinciale of Rijksbelangen kan op basis van lid 2 bepaald worden dat overleg niet nodig is.

Het plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Er zijn dan ook geen provinciale en/of Rijksbelangen mee gemoeid. Het ontwerpbestemmingsplan is derhalve niet aan provincie en Rijk toegestuurd in het kader van vooroverleg.

Met het waterschap De Brabantse Delta is afgesproken de watertoets maximaal verkort te volgen. Dit houdt in dat het waterschap haar advies verstrekt bij de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan.

9.3 Burgerparticipatie

In het kader van de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie heeft overleg plaats gevonden tussen initiatiefnemer en de aansluitende buren van het perceel Dongenseweg 106 en Dongenseweg 98. Door initiatiefnemer is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Dit heeft ertoe geleid dat de buren van perceel Dongenseweg 106 en Dongenseweg 98 schriftelijk hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen het voorgenomen plan om een nieuwe woning te bouwen tussen de percelen Dongenseweg 100 en Dongenseweg 106. Hiermee heeft initiatiefnemer voldaan aan de door de raad verplicht gestelde burgerparticipatie.

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 27 april 2015 tot en met 8 juni 2015. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.