| Plan: | Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013, 1e herziening (bvp Burg. Letschertweg) |
|---|---|
| Status: | onherroepelijk |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0855.BSP2014004-e001 |
De NoordWest tangent (Burgemeester Letschertweg), de nieuwe randweg om Tilburg, is inmiddels gereed en volledig in gebruik genomen. De gemeente wil aan de NWT een tankstationlocatie mogelijk maken. Onderhavige locatie is hiervoor in beeld gekomen. Deze locatie is gekozen naar aanleiding van een marktonderzoek naar tankstations langs de NWT. Op deze locatie is het echter planologisch niet mogelijk een brandstofverkooppunt te vestigen. Hiervoor is dit bestemmingsplan opgesteld.
De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
Het plangebied omvat een perceel gelegen aan de Burgemeester Letschertweg, tussen de Spoorlijn Breda- Tilburg en het gedeelte van de Dalemdreef dat naar aansluit op de Burgemeester Letschertweg. Het perceel is gelegen naast de sportvelden van voetbalvereniging Gudok en is toegankelijk vanaf de Burgemeester Letschertweg. Aan de achterzijde ligt de Dalemdreef.
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013'. Dit bestemmingsplan is op 7 april 2014 vastgesteld en op 8 juli 2014 in werking getreden. Het bestemmingsplan is ten tijde van schrijven nog niet onherroepelijk.
De planlocatie ligt in het uiterste westen van de gemeente Tilburg, ten noorden van de spoorlijn Breda-Tilburg en net ten oosten van de Burgemeester Letschertweg, naast een drietal voetbalvelden.
Het terrein ligt van oudsher in een groot heidegebied, van naar noord doorsneden door de ten oosten van het plangebied stromende Donge. Deze voormalige Tilburgsche Heide, vormde het middendeel van een uitgestrekt heidegebied ten westen van Tilburg tussen de gemeenten Loon op Zand, Dongen, Hulten en Riel. Het glooiende heidegebied met lokale landduinen was van oorsprong doorspekt met grote, relatief ondiepe vennen zoals de Blaak, de Witten Brand, De Hoge en Lage Witsie, het Zwartven en het Leikeven, evenals talrijke kleinere drassige laagten zoals de Stoorblaak bij het Kraaiven. De eerste grote (her)ontginning van de heide vond plaats ca. 1760 met de inrichting van het landgoed van Charles de Rey (Tey's Hof). De nattere gronden langs de Donge, waren eertijds ruigte en werden gaandeweg in gebruik genomen als grasland.
Geomorfologie: de Dongevallei is een zwakke beekdalglooiing.
Bodemgesteldheid: veldpodzolgronden. Deze zijn leemarm en zwak lemig fijn zand.
Historisch grondgebruik:
In de eerste helft van de twintigste eeuw ligt de planlocatie nog centraal in een steeds kleiner wordend heideareaal. Vanaf de Middeleeuwen is men op kleine schaal begonnen het gebied te ontwateren door middel van sloten. Het plangebied maakte deel uit van de oostelijke periferie van de Hultense Heide.
In 1542 wordt de globale omgeving van het plangebied nader omschreven: aan de landscheiding (...) bij de Blootbeempden. De Landscheiding is de nog bestaande waterloop even ten westen van de Donge, die vanouds de scheiding vormde tussen Tilburg en Gilze en Rijen. De Bloot Beemden staan nog op de kaart van Arts (ca. 1881) en liggen ten westen van de Donge en ten zuiden van de Bredaseweg, tegenover Koolhoven. Het waren graslanden die regelmatig overstroomden, en als hooiland werden gebruikt. Waar nu de wijk Koolhoven verrijst, lag tot voor kort nog een weiland, blommers geheten. De betekenis van de benaming bloemaerts is onduidelijk.
Aan het einde van de jaren zeventig van de twintigste eeuw is begonnen met de aanleg van het stadsdeel De Reeshof, waarna het gebied in hoog tempo is volgebouwd. De westelijk rondweg (Burgemeester Letschertweg) werd in 2012 voltooid. De bijna voltooide wijk Koolhoven-West hoort tot de laatste nog te bebouwen deelgebieden van de Reeshof.
Huidig grondgebruik: het terrein is momenteel in gebruik als weiland.
Het plangebied is gelegen in het meest westelijke gedeelte van de wijk Reeshof. Het perceel maakt onderdeel uit van de Stadsrand Dalem en ligt direct tegen de voetbalvelden van voetbalvereniging Gudok. De Stadsrand Dalem ligt tegen de NoordWest tangent (Burgemeester Letschertweg) aan. Deze weg maakt onderdeel uit van de ring om Tilburg en verbindt de Midden-Brabantweg (N261) met de rijksweg A58.
Ten oosten van de Stadsrand Dalem zijn woningen gelegen in de vorm van woonerven- en hoven. Deze woningen zijn naar binnen gericht en hebben hierdoor een geringe stedenbouwkundige invloed op het plangebied.
Op de om het plangebied heenliggende gronden is momenteel geen of slechts sporadisch bebouwing aanwezig. Het vigerende bestemmingsplan laat echter wel bebouwing ten behoeve van bedrijven, sport en recreatie, volkstuinen en matschappelijke doeleinden toe. Diredt tegen het plangebied ligt voetbalvereniging Gudok met drie (kunst)grasvelden, een clubhuis met kantine en kleedruimte en een parkeerterrein voor leden en bezoekers.
De situering van het brandstofverkooppunt is voor een belangrijk deel ingegeven door het beleid dat in de gemeentelijke nota Brandstofverkooppunten is vastgelegd. Verkeerskundige, landschappelijke, stedenbouwkundige, economische en milieutechnische factoren zijn leidend geweest bij de locatiekeuze.
Daarbij hebben onder andere de volgende overwegingen een rol gespeeld. Het brandstofverkooppunt mag niet in de buurt van kwetsbare functies (woningen) komen en mag geen belemmering vormen voor toekomstige ontwikkelingen. Het gebied ten noorden van de rotonde Dalemdreef valt om deze reden af, omdat dit gebied de potentie heeft als nieuw woongebied. Het zuidelijke deel van de Stadsrand Dalem, dat primair bedoeld en bestemd is voor bedrijvigheid en sportvoorzieningen, is zeer geschikt voor een brandstofverkooppunt.
Een locatie langs de Burgemeester Letschertweg heeft vanuit bedrijfseconomisch belang de voorkeur. Een locatie dicht bij de rotonde Dalemdreef is afgevallen, omdat de verwachte omzet hier lager was en de afstand tot de bestaande woningen kleiner. In verband met verkeersveiligheid is een locatie gekozen op voldoende afstand tot de aansluiting van de Dalemdreef op de Burgemeester Letschertweg.
Vanuit landschap, beleving en verkeersveiligheid is het gewenst dat het brandstofverkooppunt aan een vlak weggedeelte grenst. De gekozen locatie voldoet hieraan omdat afstand tot de helling in het tracé van de Burgemeester Letschertweg (waar de weg onder het spoor door gaat) groot genoeg is. De maximale hoogte is beperkt tot 5 meter.
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.
Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
Het Barro is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), die gestoeld is op de SVIR. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als Mainportontwikkeling Rotterdam, de grote rivieren, het kustfundament en de Waddenzee en het Waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is in 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. In het Barro staat aan welke regels (rijksbelangen) de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. In het verlengde van het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) van kracht. Deze regeling bevat o.a. een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart en een aanwijzing van reserveringsstroken ten behoeve van uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet.
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt
Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen.
Deze stappen zijn:
Met dit bestemmingsplan wordt de vestiging van een brandstofverkooppunt mogelijk gemaakt.
Trede 1: Is er een regionale behoefte?
De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan.
Voor het vaststellen van de regionale behoefte is het rapport 'onderzoek markteffecten tankstations NWT' opgesteld (bijlage 1). Ten behoeve van bovenstaande vraag is onderzocht hoe de voor het tankstation relevante regio er uit ziet, wat de vraag-aanbodverhouding in de motorbrandstoffenmarkt binnen deze regio is en of er binnen de regio nog marktruimte is voor de nieuwe vestiging. De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek zijn dat:
Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?
De conclusie van het hiervoor genoemde onderzoek is dat er wellicht andere locaties binnen het bestaand stedelijk gebied voorhanden zijn die vanwege de mogelijkheid tot een directe verbinding met de woonwijken Dalem Noord en Zuid in kwalitatief opzicht beter lijken aan te sluiten bij de bestaande marktruimte. In alle gevallen is echter een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling noodzakelijk om de gewenste tankvoorziening mogelijk te kunnen maken.
Conclusie
Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is toepassing geven aan art. 3.1.6 Bro.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Deel C
Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.
Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Deze verordening is op 19 maart 2014 in werking getreden.
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Wijzigingen en ontheffingen
In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Ook kunnen gemeenten om wijziging van de begrenzing van gebieden verzoeken, zonder dat de verordening daarvoor regels stelt: de jaarlijkse actualisering.
De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is een integraal ruimtelijk plan voor de gehele gemeente Tilburg. Deze visie is de opvolger van het 'Stadsbeheerplan Tilburg' uit 1990. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling en onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente Tilburg op de gebieden wonen, werken, voorzieningen, recreatie, mobiliteit, natuur, water en landbouw tot 2020. 'Tilburg, stad van contrasten' vormt het leidende thema voor de ruimtelijke ontwikkeling en dus het ruimtelijk beeld in de toekomst; contrasten tussen stad en landschap, tussen de stad en de omliggende dorpen, maar ook tussen de stedelijke en de dorpse elementen in de stad. De ruimtelijke contrasten, die Tilburg karakteriseren, maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar. Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van de andere grote steden in Noord-Brabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving.
De speerpunten van de Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende:
De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2005.
Tilburg kent één thematische structuurvisie, de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Hierin is opgenomen het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie.
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.
Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.
Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.
Het plangebied kent een lage trefkans op de indicatieve kaart van Archeologische Waarden (IKAW) van de rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Het plangebied ligt op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) in een gebied met middelhoge verwachting.
Het plangebied ligt niet of grenst niet aan een AMK-Terrein.
In en nabij de planlocatie zijn geen archeologische waarnemingen bekend.
Als archeologische regio is het voormalig heidegebied in hoofdzaak bekend om zijn rijke mesolithische vondstgeschiedenis. Langs en nabij de vennen in de Tilburgse Heide en in het beekdal van de donge zijn diverse laatpaleolithische en mesolithisceh vindplaatsen bekend. De sites van Lepelare Zand en Kraaiven ten noorden van het kanaal behoren tot de grootste mesolithische sites van nederland. Neoloithische vondsten zijn bekend bij zowel de Hoge Witsie als bij de Voldijk.
Verwachting: lage trefkans op resten van bewoning uit de steentijd (met name Paleo-Meso). De verstorende invloed van het gronddepot op de bodem is tot op heden onbekend.
In 2006 werd door Fontys Hogescholen Bilan een archeologisch vooronderzoek in het plangebied uitgevoerd: Tilburg (NB), Dalem Stadsrand, archeologisch vooronderzoek, ISSN 1572-3194-2006. Uit zowel het bureau- als het veldonderzoek blijkt dat het plangebied in het verleden tot een nat gebied behoorde dat weinig geschikt was voor bewoning. Archeologische waarnemingen en indicatoren komen in en rond het plangebied niet voor. Bovendien zijn bji het veldonderzoek diverse verstoringen in het plangebied vastgesteld.
Vanwege de lage archeologische verwachting in het plangebied en de relatief geringe omvang van de te verwachten bodemverstoring voor de bouw van het brandstofverkooppunt wordt geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
Conclusie
Voor wat betreft de archeologie is er op de planlocatie vanwege de lage archeologische verwachting en de relatief geringe omvang van de beoogde bodemverstoring geen vervolgonderzoek noodzakelijk.
Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.
In het plangebied bevinden zich op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg geen beschermde monumenten.
De bebouwing uit de periode 1850-1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie project (MIP). In het plangebied komen geen panden voor uit die periode.
Historische structuren: de omgeving van het plangebied werd tot in het begin van de twintigste eeuw doorkruist door een aantal wegen en paden, dat mogelijk teruggaat op een zeer oud padenpatroon. Bij de aanleg van de stadswijk De Reeshof is dit netwerk van wegen en paden echter grotendeels verloren gegaan. Het tracé van enkele van deze paden is echter nog deels herkenbaar in het huidige wegenpatroon: Langendijk, Korte Dijk (de huidige Reeshofdijk), Kamerikpad - Kamerikstraat - Reeshofweg.
Op de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant is de ten zuiden van het plangebied gelegen Bredaseweg aangeduid als een historisch geografische lijn van hoge waarde. De Bredaseweg werd op bestaande structuren verhard aangelegd als onderdeel van de oost-westelijke verbinding die via Bergen op Zoom, Breda, Tilburg, Den Bosch en Grave naar Nijmegen liep. Het grootste deel van deze route werd aangelegd in de periode 1826-1828.
De spoorlijn Breda-Tilburg werd aangelegd in 1863.
Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen waardevolle panden uit de periode na de Tweede Wereldoorlog aanwezig.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast.
Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.
Boomwaardezoneringskaart
Maatregelen in bestemmingsplan
De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de Bwz-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. Bomen met een hoofdwaarde, bomen van de 1e categorie en monumentale bomen zijn op een bijlagekaart (boomwaardekaart) bij dit bestemmingsplan opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. Bomen met een hoofdwaarde en bomen van de 1e categorie zijn daarop weergegeven als "potentieel waardevolle boom". Monumentale bomen staan als zodanig aangegeven. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van respectievelijk 8 en 15 m vanuit het hart van de desbetreffende boom.
In of direct grenzend aan het plangebied zijn geen waardevolle bomen aanwezig. In dit bestemmingsplan is dan ook geen Boomwaardekaart opgenomen.
De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:
In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
In maart 2009 is de Nota brandstofverkooppunten 2009 vastgesteld. Het doel van deze nota is de criteria weergeven waarmee kan worden bepaald waar brandstofverkooppunten zich mogen vestigen en aan welke inrichtingseisen brandstofverkooppunten moeten voldoen.
Om te bepalen waar een brandstofverkooppunt zich mag vestigen is een kaart samengesteld waarop is aangegeven wat de 'zoeklocaties' voor vestiging zijn (zie bijlage 2). De basis van deze kaart wordt gevormd door de hoofdinfrastructuur zoals deze is omschreven in het Tilburgs Verkeer- en Vervoersplan (TVVP0. Op basis van andere criteria zoals ecologische zones of transportleidingen voor gas zijn stukken uitgezonderd voor vestiging van brandstofverkoopunten. Uitgangspunt is dat Brandstofverkooppunten zodanig worden gesitueerd dat de ontsluiting rechtstreeks gebeurt op de aangegeven hoofdinfrastructuur.
Om te bepalen of een brandstofverkooppunt op een 'zoeklocatie' gerealiseerd mag worden, dient de potentiële locatie te worden getoetst aan de algemene- en locatiecriteria. Pas als een locatie ook op deze criteria positief scoort, kan een brandstofverkooppunt zich in principe vestigen.
Het plangebied is gelegen aan de Burgemeester Letschertweg, onderdeel van de NoordWesttangent. Deze weg is op de hierboven genoemde kaart aangeduid als 'zoeklocatie'. Daarnaast voldoet het brandstofverkooppunt aan de algemene criteria en de locatiecriteria, zoals nader in deze toelichting op het bestemmingsplan omschreven. Het te vestigen brandstofverkooppunt zal zich moeten houden aan de inrichtingseisen zoals omschreven in de Nota brandstofverkooppunten 2009.
Het uitgangspunt van het gemeentelijke detailhandelsbeleid (nota Ruimte voor Detailhandel, 2002; voortgangsrapportage detailhandel 2007, visie detailhandel 2013) is een bijdrage te leveren aan versterking en verbreding van de detailhandel in de buurten, in de wijken, in de dorpen, in de binnenstad en in de werkgebieden teneinde de werkgelegenheid te versterken en de inwoners van stad en regio een winkelaanbod te bieden dat past bij de status van Tilburg als zesde stad van het land.
Perifere detailhandel
Voor de centra voor doelgerichte aankopen zal de bestemming perifere detailhandel gelden. In deze centra zijn uitsluitend detailhandelsactiviteiten toegestaan die vallen onder de hoofdbranches: sport/spel, plant/dier, bruin- & witgoed, fiets & auto-accessoires, doe-het-zelf, wonen, auto/boot/caravan. Daarnaast mogen de winkels in deze centra producten verkopen uit andere hoofdbranches, mits ze verwant zijn aan de hoofdactiviteit van de betreffende winkel. Winkels in de centra dienen een minimale omvang te hebben van 1.000 m2 v.v.o. winkelruimte. Daarvan mag met een beperkt aantal kleinere winkels afgeweken worden als dat voor de completering van een themacentrum nodig is. In bijzondere gevallen kan de gemeente aanvullende brancheregels stellen, bijvoorbeeld waar het gaat om een zeer bijzonder concept als een groen tuincentrum of om beperkte detailhandelactiviteiten binnen een sportinstelling.
Brandstofverkooppunten
Brandstofverkooppunten vallen in de nota detailhandel niet onder perifere detailhandel. In de afgelopen jaren is het steeds gebruikelijker geworden om bij brandstofverkooppunten niet alleen brandstofpompen te hebben, maar ook zaken als horeca, een (kleine) winkel, een wasstraat, een restaurant e.d. In de visie detailhandel uit 2013 is aangegeven dan op de zogenaamde traffic- of werklocaties (o.a. tankstations) een beperkte mogelijkheid voor detailhandel aanwezig is. Wel moeten de voorziening kleinschalig van omvang zijn, blijft het aanbod beperkt tot producten in de dagelijkse sfeer en moet haalbaarheid mogelijk zijn op basis van alleen passanten.
De kleinschalige gemakswinkels van de brandstofverkooppunten zijn een aanvulling op de bestaande verzorgingsstructuur. Ze voorzien in een behoefte van consumenten om onderweg van de ene plek naar de andere snel wat boodschappen te doen. Doordat reguliere winkels een veel breder assortiment voeren en in de meeste gevallen ook goedkoper zijn, zullen de meeste mensen slechts incidenteel 'boodschappen doen'bij een winkel bij een brandstofverkooppunt. Er is sprake van verruiming/aanvulling van het aanbod aan winkels, omdat men ook buiten de reguliere winkeltijden terecht kan. Van daadwerkelijke concurrentie tussen deze soorten winkels is geen sprake. Wel past een maximum van 100m2 bij het karakter van het aanvullend aanbod op de bestaande detailhandel.
De verplichte winkelsluiting geldt nietvoor een winkel in een brandstofverkooppunt, indien in die winkel de bruto omzet tenminste voor 50% uit de verkoop van brandstoffen, smeermiddelen en aanverwante artikelen bestaat. Dit is besloten in het Vrijstellingsbesluit Winkeltijdenwet. De verkoop van alcohol in pompshops is uitgesloten. de oppervlakte van een pompshop wordt op maximaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte gesteld.
Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. Hierin geeft de gemeente Tilburg haar visie hoe zij wil omgaan met de mobiliteit.
Autoverkeer
Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde.
categorisering wegen
Het brandstofverkooppunt wordt aan de westzijde ontsloten door de Burgemeester Letschertweg. Dit is een gebiedsontsluitingsweg type 1, gelegen buiten de bebouwde kom, met een maximum toegestane snelheid van 80 km/h. Aan de oostzijde ligt op 100 meter afstand de Spaubeekstraat. Deze weg is gecategoriseerd als erftoegangsweg.
Ontsluiting
De ontsluiting van het brandstofverkooppunt moet plaatsvinden via de Burgemeester Letschertweg. De ontsluiting dient haaks op de weg gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de inrit naar het brandstofverkooppunt dient een uitvoegstrook langs de burgemeester Letschertweg te worden gerealiseerd met een lengte van in totaal 105 meter. De in- en uitrit moeten op een onderlinge afstand van 70 meter worden ingepast. De uitrit mag niet uitkomen in de uitvoegstrook van de Burgemeester Letschertweg.
Het brandstofverkooppunt ligt niet aan een fietsroute. De bereikbaarheid met de fiets en bromfiets kan mogelijk gemaakt worden aan de oostzijde, via de Spaubeekstraat.
Parkeren
Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012.
Uit de inrichtingstekening van het brandstofverkooppunt, zal moeten blijken dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden aangelegd. Dit komt bij de aanvraag om omgevingsvergunning aan de orde.
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:
ad a.
In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. (zelf invullen om welke activiteit het gaat). Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn.
ad b.
Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De Regte Heide & Riels Laag liggen het dichtstbij: ca. 7,3 kilometer ten zuiden van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied heeft een doelstelling voor 7 habitatttypen. De Regte Heide en Riels Laag liggen tussen de beken Lei en Roppelsche Leij, waarvan de laatste buiten de begrenzing valt. Het gebied is te verdelen in de beekdalen en het daar buiten gelegen licht golvende dekzandlandschap waarin hier en daar lage duingebiedjes voorkomen. Het gebied bestaat uit droge en vochtige heide, moerassige laagten, zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen (Bron: Ministerie van Economische Zaken).
De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten.
Conclusie
Een Mer (beoordeling) is niet noodzakelijk.
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Het bestemmingsplan maakt een brandstofverkooppunt mogelijk zonder LPG. In het vigerend bestemmingsplan zijn woningen in de omgeving van het brandstofpunt uitgesloten. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstanden voor een verkooppunt zonder LPG (Volgens de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering bedraagt de richtafstand 30m).
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.
De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.
Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:
Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico.
De verantwoordingsplicht draait kort gezegd om de vraag in hoeverre risico's, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, worden geaccepteerd en indien noodzakelijk welke veiligheidsverhogende maatregelen daarmee gepaard gaan. Met de verantwoordingsplicht worden betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid voor de maatschappij als geheel voldoende gewaarborgd wordt. Op deze manier wordt beoogd een situatie te creëren, waarbij zoveel mogelijk de risico's zijn afgewogen en geanticipeerd is op de mogelijke gevolgen van een incident. Deze afweging is kwalitatief van aard en richt zich op aspecten zoals de mogelijkheden van bestrijdbaarheid van een mogelijke calamiteit en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking. Bij de invulling van de verantwoordingsplicht dienen de volgende elementen te worden beschouwd:
In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, december 2007) zijn deze onderdelen nader uitgewerkt en toegelicht.
Conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moeten alle ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een inrichting verantwoord worden. Conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs) moet het bevoegd gezag verantwoording afleggen bij elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling is de uitgebreidheid van de invulling van de verantwoordingsplicht afhankelijk van de hoogte en toename van het groepsrisico. Wanneer de ontwikkeling buiten de 100% letaal effectafstand ligt, kunnen de punten 3, 4, 7 en 8 buiten beschouwing gelaten worden. Hetzelfde geldt wanneer het groepsrisico 1) onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt of 2) tussen 0,1 maal en 1 maal de oriëntatiewaarde ligt én minder dan 10% toeneemt. We spreken in deze gevallen van een beperkte verantwoordingsplicht. In de andere gevallen dient de verantwoordingsplicht compleet ingevuld te worden.
In het plangebied wordt een brandstofverkooppunt mogelijk gemaakt. De verkoop van LPG is uitgesloten. Er is geen sprake van een risicovolle inrichting. De mogelijkheid van een risicovolle inrichting en opslagvoorzieningen zijn op deze locatie uitgesloten.
Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour die van invloed is op het plangebied.
Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen binnen of rondom het plangebied.
Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in Tilburg vindt plaats over de weg, per spoor en over het Wilhelminakanaal.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg
Door de gemeente Tilburg worden over verschillende wegen gevaarlijke stoffen vervoerd.
Voor gemeentelijke wegen blijkt uit de Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen, die is opgesteld door Royal Haskoning in april 2008, dat op geen van deze wegen een 10-6 risicocontour aanwezig is c.q. een overschrijding van een risicocontour aan de orde is. Voor het groepsrisico van deze wegen geldt dat er conform deze rapportage, ter hoogte van dit bestemmingsplan geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.
De Burgemeester Letschertweg maakt geen onderdeel uit van de routering
De afstand tot aan de A58 bedraagt meer dan 3km en ligt daarmee buiten het invloedsgebied van de A58. De A58 is daarmee niet relevant voor de verantwoordingsplicht.
Vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor
Door de gemeente Tilburg loopt de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven/'s-Hertogenbosch. Hierover worden onder andere brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vervoerd.
In de beleidsvisie externe veiligheid is vastgelegd dat, tot het moment dat het Basisnet in wetgeving is vastgelegd, uitgegaan wordt van de uitgangspunten zoals deze zijn verwoord in het beleidsdocument Koersen op veilig. Dit betekent dat er, tot het van kracht worden van het Basisnet, geen objecten mogen worden opgericht binnen 29 meter van het hart van de buitenste spoorlijn. Het bestemmingsplan maakt geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk binnen deze afstandsmaat.
De afstand tot aan de spoorlijn bedraagt ongeveer 250 meter. De ontwikkeling ligt binnen het invloedsgebied van het spoor. Gezien de afstand tot aan het spoor en het gegeven dat hier al een bedrijfsbestemming ligt, maakt dat deze ontwikkeling niet leidt tot een toename van het groepsrisico. Ter hoogte van deze spoorlijn is er geen sprake van een overschrijding van het groepsrisico. Gezien de ligging in het invloedsgebied betekent dat conform het concept ontwerp Besluit externe veiligheid transportroutes invulling is gegeven aan de beperkte verantwoordingsplicht.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over het Wilhelminakanaal
Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (december 2009) blijkt dat er voor het Wilhelminakanaal geen risico- en veiligheidsafstanden gelden.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor, vandaar dat er invulling is gegeven aan de verantwoordingsplicht onder 5.4.9. De brandweer midden-en west Brabant is gevraagd advies uit te brengen maar heeft hiervan afgezien.
Bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in ieder geval ingegaan op:
Voor het plan is advies aangevraagd bij de brandweer Midden -en West Brabant, deze heeft afgezien van advies. De relevante zaken uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Het plangebied is bereikbaar voor hulpdiensten. Voor de aanwezigen zijn er voldoende vluchtwegen om bij een incident het bedrijf te verlaten. De personen die aanwezig zijn worden over het algemeen aangemerkt worden als normaal zelfredzame personen.Daarnaast ligt het gebied binnen het WAS (waarschuwings- en alarmeringssysteem) alarmeringsgebied en NL-alert. Er is of wordt voldoende bluswater gerealiseerd. De woningen liggen op voldoende afstand van het bedrijf.
Risicocommunicatie
Door actief te communiceren over risico's zal de zelfredzaamheid worden vergroot. De brandweer Midden -en West Brabant adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt communicatie plaats via de risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit. Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
Uit de risicoberekeningen die ten grondslag liggen aan het toekomstige Basisnet Spoor blijkt dat voor het relevante spoortraject de hoogte van het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt. Door de ontwikkeling neemt het groepsrisico niet toe.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
In het plangebied wordt een tankstation gerealiseerd. Het tankstation zelf betreft geen geluidgevoelig gebouw of terrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Dit betekent dat de normen uit de Wgh niet van toepassing zijn en verdere toetsing aan de Wgh niet aan de orde is.
Goede ruimtelijke ordening
Op grond van de VNG 2009 "Handreiking bedrijven en milieuzonering" valt een tankstation zonder verkooppunt voor LPG in milieucategorie 2. Dit betekent dat vanaf de grens van de inrichting een richtafstand van 30 meter voor geluid tot woonbebouwing geldt. De dichtsbijzijnde bestaande woningen liggen op een afstand van ruim 100 meter. Het vigerend bestemmingsplan laat geen geluidgevoelige bestemmingen toe binnen de richtafstand van 30 meter. Er is sprake van een "goede ruimtelijke ordening".
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand gehouden moet worden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van een tankstation langs de Burgemeester Letschertweg. Hier is aannemelijk dat de realisatie van dit tankstation niet zal leiden tot een significante toename van de hoeveelheid verkeer op deze weg. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen aanwezig in de directe omgeving van het plangebied, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
Vanuit de Wet milieubeheer en een goede ruimtelijke ordening bestaat er geen bezwaar tegen dit plan.
Het plangebied maakt de vestiging van een brandstofverkooppunt mogelijk wat niet wordt aangemerkt als geurgevoelig. Binnen de richtafstand voor geur zijn geen geurgevoelige objecten aanwezig.
In en om het plangebied worden diverse agrarische bedrijven toegestaan. Omdat er binnen de bestemming geen sprake is van langdurig verblijf wordt het object aangemerkt als niet geurgevoelig. Hier zal dus geen sprake zijn van agrarische geurhinder.
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Bodem
De bodemkwaliteit van het deelgebied ter hoogte van de nieuw te realiseren benzineverkooppunt is aan de hand van een verkennend onderzoek uit 1996 onderzocht. Uit deze gegevens is naar voren gekomen dat er over het gehele gebied verhogingen van zware metalen worden geconstateerd. Deze zware metalen worden ook in het grondwater in verhoogde maten aangetroffen. In 2007 is hier tevens een onderzoek verricht waarbij deze verontreiniging wordt bevestigd.
Uit onderzoeken uitgevoerd binnen een straal van 50 meter, worden vergelijkbare verhogingen geconstateerd.
Dempingen
Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op locatie een demping heeft gelegen. Naar deze verdachtmaking is nog geen onderzoek verricht.
Aanbeveling
Voor de bouw van het benzineverkooppunt kan er in het kader van de omgevingsvergunning een verkennend bodemonderzoek worden geëist. De in het verleden uitgevoerde onderzoeken mogen maximaal 5 jaar oud zijn en zijn dus reeds verouderd. Tijdens de uitvoering van het nieuwe onderzoek dient de verdachtmaking (demping) mede te worden onderzocht.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van de Ecologische Hoofdstructuur en beschermde soorten (Flora- en faunawet).
Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.
Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.
Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.
In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.
Er zijn drie mogelijkheden:
Analyse plangebied
Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn: de Regte Heide & Riels Laag, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De Regte Heide & Riels Laag liggen het dichtstbij: ca. 7,3 kilometer ten zuiden van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied heeft een doelstelling voor 7 habitatttypen. De Regte Heide en Riels Laag liggen tussen de beken Lei en Roppelsche Leij, waarvan de laatste buiten de begrenzing valt. Het gebied is te verdelen in de beekdalen en het daar buiten gelegen licht golvende dekzandlandschap waarin hier en daar lage duingebiedjes voorkomen. Het gebied bestaat uit droge en vochtige heide, moerassige laagten, zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen (Bron: Ministerie van Economische Zaken).
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. De tussenliggende afstand is hiervoor te groot. En de storende factoren door de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard zijn dat geen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied zijn te verwachten.
In de Verordening ruimte Noord-Brabant is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) begrensd. De EHS is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot de EHS is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot de EHS.
Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.
Indien de natuur- en landschapswaarden van de EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.
Analyse plangebied
In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Ecologische Hoofdstructuur. De dichtstbijzijnde EHS is gelegen op ca. 820 m. afstand van het plangebied. Dit betreft het ten oosten gelegen gebied de Donge met de natuurbeheertypen N05.01 Moeras en N03.01 Beek en Bron.
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significante negatieve effecten hebben op de Ecologische Hoofdstructuur in de omgeving. De EHS ligt buiten het plangebied en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde EHS.
De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. Het kerngebied groenblauw wordt ommanteld om kernen te versterken en te verbinden. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel zijn ook de zogenaamde beheersgebieden van de ecologische hoofdstructuur opgenomen. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten de EHS. Vanuit de watercomponent wordt vooral ingezet op het kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het wijstverschijnsel op de Peelrandbreuk in Oost Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de zogenaamde Naad van Brabant. De groenblauwe mantel geeft naast de ontwikkeling van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
Analyse plangebied
In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Groenblauwe mantel. De dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel is ten westen gelegen op ca. 800 m. afstand van het plangebied.
Conclusie
De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen (significante) negatieve effecten hebben op de Groenblauwe mantel. Het plangebied ligt niet in de Groenblauwe mantel en de ontwikkelingen zijn dusdanig van aard dat dit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de kwaliteit en kwantiteit van de dichtstbijzijnde Groenblauwe mantel.
In de Kadernota Groene Mal is het beleid ten behoeve van behoud en ontwikkeling van een duurzaam functionerende ecologische structuur rondom de stad Tilburg en de kernen Berkel-Enschot en Udenhout vastgelegd. De Groene Mal is een doorvertaling van de EHS naar de Tilburgse situatie. Met name de ecologische verbindingen tussen bestaande bos- en natuurgebieden zijn binnen de Groene Mal sterk(er) aangezet. Doel van de Groene Mal is het sturen van de verstedelijking. Aantasting van natuurgebieden wordt zoveel mogelijk voorkómen. Onvermijdbare incidentele ingrepen zullen gecompenseerd worden, bij voorkeur in daartoe aangewezen zoekgebieden binnen de Groene Mal. Het bestemmingsplan vormt het juridisch kader voor de realisering en bescherming van de Groene Mal.
Analyse plangebied
Het plangebied maakt geen deel uit van de Groene Mal.
Conclusie
Er zijn geen significante negatieve effecten op de Groene Mal aan de orde. Vanuit Groene Mal-beleid zijn geen aanvullende beschermingsmaatregelen aan de orde.
Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.
Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.
Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.
Analyse plangebied
Door een deskundige ecoloog van de gemeente Tilburg is het plangebied op basis van bronnenonderzoek (Nationale Databank Flora en Fauna, Waarneming.nl, en foto's) op (potentieel) aanwezige beschermde soorten geanalyseerd.
Het plangebied is een akker waarop mais wordt verbouwd. Andere opgaande gewassen, bomen, gebouwen, ondergrondse complexen en open water is afwezig. Tussen de wegberm van de N260 en de akker is een waterafvoergreppel aanwezig.
De aanwezigheid van voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-5 vogelsoorten zijn gebaseerd op het huidige habitat in het plangebied op voorhand uit te sluiten. Op basis van bronnenonderzoek te verwachten soorten hebben een (essentieel) habitat dat in het plangebied afwezig is.
Het plangebied is potentieel matig geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. In dit type habitat worden bezette vogelnesten verwacht van vnl. zangvogels van akker en weide (graspieper, kievit) en vogels van riet en ruigte (kleine karekiet).
Er is een matige kans op de aanwezigheid van soorten die niet in de tabellen van de Flora- en faunawet worden benoemd. Door de zeer kleine trefkans zijn extra mitigerende maatregelen niet nodig. Wel blijft de zorgplicht van kracht (Artikel 2 van de Flora- en faunawet).
Het plangebied is potentieel matig geschikt voor Flora- en faunawet tabel 1 soorten. Het gaat om vnl. verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door het habitat zijn potentieel te verwachten soorten: vnl. bosmuis, haas, konijn, mol, bruine kikker, groene kikker(complex) en gewone pad.
Conclusie
De aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied voor beschermde tabel 2 en 3 soorten en categorie 1-5 vogelsoorten is gebaseerd op het huidige habitat op voorhand uit te sluiten. Schadelijke effecten door de geplande activiteiten treden niet op. Het aanvragen van een ontheffingsaanvraag Flora- en faunawet is niet nodig.
Het plangebied is potentieel matig geschikt voor voortplantingsplaatsen en functioneel leefgebied van algemene vogels. Het treffen van mitigerende maatregelen om verstoring tijdens uitvoering van de geplande activiteiten te voorkomen is hiervoor nodig en mogelijk. In gebruik zijnde nesten zijn strikt beschermd, daarbuiten mogen ze worden verwijderd. Uitgangspunt is dat de geplande activiteiten alleen kunnen worden uitgevoerd indien bezette nesten niet worden verstoord. Om deze reden wordt geadviseerd het bouwrijp maken te starten in de periode 1 aug - 1 maart (buiten het vogelbroedseizoen).
Er is in het plangebied een matige kans op beschermde tabel 1 soorten. Het treffen van mitigerende maatregelen om schadelijke effecten tijdens uitvoering van de geplande activiteiten te voorkomen of tot het minimum te beperken is hiervoor nodig. De maatregelen dienen invulling te geven aan de zorgplicht. Hierdoor dient voorafgaand aan het bouwrijp maken het akkerland tot aan maaiveld te worden gemaaid (maaien van binnen naar buiten).
Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
Het plangebied ligt in het stroomgebied van de Donge. Hierdoor behoort het plangebied kwalitatief en kwantitatief tot het beheergebied van het waterschap de Brabantse Delta. Het gebied ligt tussen de Burg. Letschertweg en de woonwijk Dalem en is op dit moment niet bebouwd. Het bestemmingsplan Stadsrand Dalem-Reeshofweide 2013 voorziet voor deze locatie een bestemming gemengd. In het bestemmingsplan Stadsrand Dalem-Reeshofweide is reeds voorzien in de benodigde retentie voor dit deelgebied vanwege de toename van verhard oppervlak door de verandering van onbebouwd naar gemengd bebouwd gebied.
Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van ongeveer 4100 m² met een bebouwing van 630 m². Aangezien het een benzine verkoop station betreft zal het gebied grotendeels worden verhard, maximaal 3470 m². De herziening van het bestemmingsplan betreft alleen de omzetting van de bestemming gemengd naar brandstofverkooppunt. Dit plangebied blijft deel uitmaken van het totale plan Stadsrand Dalem-Reeshofweide.
Ten zuiden zijn sportvelden ingericht. Het terrein ligt ongeveer op NAP 7,50+ m Samen met naastliggende stedelijk gebied Dalem West volgt het terrein ongeveer de kenmerkend reliëf van het beekdal van de Donge.
Bodem en grondwater
De bodemopbouw bestaat uit matig leemarm tot zeer sterk lemig, matig fijn zand. De bovengrond varieert van humusarm tot humeus met een dikte tot 0,50 m en in sommige gevallen tot 1,0 m. In het plangebied zijn storende lagen aangetroffen, bestaande uit humeus, sterk lemig zand. Deze grondlagen hebben een doorlatendheid onder de 0,20 m/d en vormen daardoor een beperkende factor voor de neerwaartse stroming van percolerend hemelwater.
De maatgevende hoogste grondwaterstand ligt op ongeveer 6,20+ (0,9 m - mv).
Oppervlaktewater
Het dichtstbijzijnde oppervlaktewater is de singel in Dalem, die in verbinding staat met de Donge, met een peil ter hoogte van Dalem Zuid van 5,80.
Riolering
De sportvelden in het zuiden zijn aangesloten op de bestaande gescheiden riolering van Dalem door middel van een vrijverval gescheiden riolering.
Het regenwater van de Letschertweg wordt opgevangen in zaksloten. Deze bergingsvoorziening hebben voldoende capaciteit voor 40 mm en hebben geen overstort op oppervlaktewater. De sportvelden wateren af in een vijver langs de Burgemeester Letschertweg. De vijver heeft een escape op de zaksloten van de Burggemeester Letschertweg.
Beleidskader
De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzamer waterbeheer. Het Rijk heeft met het Kabinetsstandpunt Anders omgaan met Water, Waterbeleid 21ste eeuw (2000) het advies van de Commissie Waterbeheer 21ste eeuw omarmd. Het waterbeheer moet veranderen om Nederland in de toekomst, wat water betreft, veilig, leefbaar en aantrekkelijk te houden. Belangrijk in de nieuwe aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave.
Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen mogen de lidstaten en regio's zelf vaststellen. Voor grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Ook moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand.
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken het beleid van WB21 en de KRW uit te voeren. Het NBW houdt simpel gezegd in dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21), -kwaliteit en ecologie (KRW).
Wat het regionale beleid betreft, beheert Rijkswaterstaat het Wilhelminakanaal, de provincie de grondwatervoorraden en de waterschappen het oppervlaktewater. Het Provinciale Waterplan 2010 - 2015 beschrijft het strategische waterbeleid. De uitvoering van de Europese KRW-doelstellingen is daarin opgenomen. Parallel aan het provinciale beleid, zoeken de waterpartners samen met de betrokken landbouw-, natuur- en andere organisaties samen naar passende oplossingen om deze KRW-doelstellingen te realiseren.
Het waterschap de Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan Brabantse Delta 2010 - 2015 vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2010 - 2015 en het bovengenoemde Provinciale Waterplan 2010 - 2015. De visie van Brabantse Delta steunt op vier pijlers: dynamische samenleving, verantwoord en duurzaam, inhaalslag beheer en onderhoud en effectief samenwerken. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels, waarvan de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 van belang is voor ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR), met daarin opgenomen het GRP voor de periode 2010 - 2015, met een visie voor de komende 30 jaar. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De SWR vervangt het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en het Gemeentelijk Rioleringsplan (2005-2009), en werkt de nieuwe wet- en regelgeving uit, voornamelijk wat de nieuwe zorgplichten betreft voor het regen- en grondwater, en het actuele rijks-, het provinciale en het regionale beleid.
De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte:
Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers, gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren. Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe.
Afwegingen
Het plangebied bestaat uit een bedrijfsbestemming verkoop motorbrandstoffen dat voor 20 % mag worden bebouwd en een strook verkeerbestemming. De maximale bebouwing is 630 m2. De verwachting is dat een groot deel van het terrein wordt verhard, deels vloeistofdicht vanwege milieu-eisen.
Dat betekent weliswaar een toename van verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande onbebouwde situatie, maar geen toename ten opzichte van de huidige bestemming gemengd, zoals reeds is voorzien in bestemmingsplan Stadsrand Dalem-Reeshofweide. De benodigde retentie past binnen de centrale berging geprojecteerd in het. Gezien de ligging naast de Burgemeester Letschert weg wordt voorgesteld de schone verharde oppervlakken te bergen in de centrale waterberging, met escape naar de zaksloten langs de weg. Het hemelwater stroomt niet af naar het oppervlaktewater, maar infiltreert zowel in de berging als in de zaksloten.
Voor T=10 is uitgaande van maximale verharding is een berging benodigd van ca. 150 m3. De benodigde waterberging wordt gerealiseerd in de centrale waterberging heel stadsrand Dalem, gelegen tussen de burg. Letschertweg en het benzine verkoop station. Het betreft een watergang aan de zijde van de burgemeester Letschertweg, parallel aan de zaksloot. In deze waterberging kan ca. 2 m3/m' worden geborgen uitgaande van een waterschijf van 0,5 m en een talud 1:2, over de perceelslengte van 75 m is dit ca. 150 m3. voor T=100 is 253 m3 berekend. Dit kan worden opgevangen binnen de waakhoogte van 0,30 m in de berging. De waterberging wordt niet voorzien van een onderafdichting en kan infiltreren. De overstort naar de zaksloten langs de Burg. Letschertweg betreft een overloop die pas in werking treedt nadat de berging is gevuld. Het plan betreft slechts een klein deel van het totale Masterplan Stadsrand Dalem. Het totale systeem voldoet voor de realisatie van het gehele Masterplan, vastgelegd in het bestemmingsplan Stadsrand Dalem-Reeshofweide 2013.
Watersysteem
Voor het watersysteem in het plangebied gelden de algemene volgende randvoorwaarden:
Aangezien het waterbelang in het plangebied gering is, omdat het gaat om een herziening van het bestemmingsplan van gemengd bebouwd naar een andere vorm van verharding: benzine verkooppunt, hebben waterschap Brabantse Delta en gemeente besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Hierdoor wordt deze waterparagraaf direct verwerkt in het ontwerpplan, zoals in eerder gemaakte afspraken om het vooroverleg vereenvoudigd te volgen. Het waterschap heeft dan ook geen voorlopig wateradvies. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt dan ook (direct) verstrekt bij de ter inzagenlegging.
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.
De Tilburgse plansystematiek maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.
In dit bestemmingsplan is de bestemminggrens tevens het bouwvlak. Binnen dit bouwvlak is een bebouwingspercentage aangegeven dat mag worden bebouwd met hoofd- en bijgebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde, ten behoeve van de bestemming. Voor de bestemming "Bedrijf-Verkooppunt motorbrandstoffen" is dit bebouwingspercentage 20%. Binnen de andere twee bestemmingen is geen bebouwingspercentage aangegeven, waarmee het bouwvlak niet mag worden bebouwd met uitzondering tot hetgeen vergunningvrij mag worden gbouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (bijvoorbeeld erfafscheidingen).
Op grond van historisch/morfologische interpretatie worden de volgende gebiedstypen onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte:
Langs de 'Hoofdstructuur oude gebieden' wordt, indien sprake is van een lint van de 1e orde, een maximale hoogte toelaatbaar geacht van 15 m. Indien sprake is van een lint van de 2e orde, is de maximaal toelaatbare hoogte 11 m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15 m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10 m is toegestaan.
Het bestemmingsplan laat een verkooppunt motorbrandstoffen toe. De maximale bouwhoogte is hierop aangepast tot 6 meter en is aangegeven op de verbeelding.
Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.
Bestemmingen
In het plan komen de bestemmingen:
voor.
De bestemming regelt de verkoop van motorbrandstoffen zonder LPG met een in- en uitrit vanaf de NoordWest tangent. De bestemming 'groen' is bedoeld ten behoeve van een groenstrook (buffer) tussen de NoordWest tangent en het bedrijf. Binnen deze bestemming is een waterberging mogelijk. Parkeren is binnen deze bestemming uitgesloten.
De bestemming 'verkeer' is ten behoeve van de in- en uitrit naar het brandstofverkooppunt.
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
Vaak heeft het college de bevoegdheid om met in achtneming van de daarvoor geldende voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of afwijking van de bouwregels toe te staan.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en
werkzaamheden
Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een vergunningplicht t.a.v. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde.
Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:
Anti-dubbeltelregel
Artikel 5 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.
Algemene bouwregels
Artikel 6 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.
Algemene gebruiksregels
In artikel 7 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Algemene aanduidingsregels
In artikel 8 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 9.
Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
De gronden in het plangebied zijn eigendom van de gemeente. De kosten die met deze ontwikkeling gepaard gaan worden verhaald via de opbrengst van de grond. Eventuele planschadeclaims komen ook voor rekening van de grondexploitatie Dalem.
De leges voor de bestemmingsplanherziening, zijnde € 34.430,20, zijn reeds ten laste van de project van de Noordwest tangent voldaan. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar.
Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, is het bepalen van een tijdvak of fasering van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk en is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 7 december 2013 gepubliceerd in het Stadsnieuws.
Op 29 oktober 2014 heeft de gemeente een inloopavond gehouden in basisschool 'de Boemerang'. Een tiental omwonenden en geïnteresseerden zijn de plannen komen bekijken. 3 personen hebben een reactieformulier ingevuld, waarin zij vragen op de hoogte te worden gehouden van het verloop van de procedure. Na de informatieavond zijn bij de gemeente nog een aantal reacties binnengekomen van belanghebbenden van de naastgelegen voetbalvereniging 'Gudok' en omwonenden. Deze reacties betroffen voornamelijk de blootstelling van de (jeugd)leden van deze vereniging aan de uitstoot van fijnstof en aan vluchtige organische stoffen. Ook de uitbreiding met een 4e voetbalveld is niet meer mogelijk als het brandstofverkooppunt wordt gevestigd.
In 1 reactie wordt een andere situering van het brandstofverkooppunt voorgesteld.
Vanuit milieuoogpunt zijn er geen belemmeringen om een brandstofverkooppunt op deze locatie te vestigen. Het college heeft op 14 juli 2014 (collegebesluit 140708-14) de aanleg van een 4e veld afgewezen. De reacties geven geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelgen, te weten van 9 maart 2015 tot en met maandag 20 april 2015. Tijdens deze periode zijn er 2 zienswijzen ingediend. Voor de behandeling van deze zienswijzen wordt verwezen naar de 'notitie behandeling zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Stadsrand Dalem - Reeshofweide 2013 1e herz. (bvp Burg. Letschertweg)' die als bijlage bij de toelichting is opgenomen.