direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Groenewoud 2008, 5e herziening (Condorstraat-Korhoenstraat)
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

De gemeenteraad van Tilburg heeft de Vogeltjesbuurt in zijn vergadering van 26 september 2011 (raadsvoorstel d.d. 29 augustus 2011) aangewezen als herstructureringsgebied. De herstructurering in de Vogeltjesbuurt bestaat uit nieuwbouw van woningen en uit groot onderhoud. Het gaat over een gebied dat ligt ten zuiden van de Ringbaan-Zuid en ten oosten van de Broekhovenseweg (gedeelte ten zuiden van de Ringbaan Zuid) nabij het Elisabeth ziekenhuis.

Woningcorporatie Tiwos heeft in maart 2012 een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de nieuwbouw van 112 woningen in de Vogeltjesbuurt. Ondertussen heeft Tiwos een vervolg verzoek ingediend op 19 maart 2013 voor herziening van het bestemmingsplan voor het bouwen van 8 woningen op de hoek Condorstraat/ Korhoenstraat. De bestaande 11 woningen zullen hiervoor worden gesloopt. De omgevingsvergunning voor de nieuwbouw kan niet worden verleend omdat dit plan niet past in het geldende bestemmingsplan Groenewoud 2008. Met het nu voorliggende herzieningsplan kan wel medewerking worden verleend aan nieuwbouw van 8 woningen. De bestemmingsplanherziening heeft betrekking op de locatie gelegen aan de noord west zijde van de Condorstraat/Korhoenstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0001.jpg"

.

Deze toelichting geeft een basis voor de bestemmingsplanherziening. De toelichting geeft aan waarom de beoogde herstructurering past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het plan over herstructurering aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. In de toelichting worden tevens verwoord de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden, welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan. Dit plan is gelijktijdig besproken bij de uitgebreide buurtparticipatie die plaats heeft gevonden voor de herstructureing van de 112 woningen. De toelichting geeft verder de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat het bouwen van 8 woningen ter vervanging van de bestaande 11 woningen en is gelegen op de hoek Condorstraat met de Korhoenstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0002.jpg"

ligging plangebied

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan vervangt een deel van het bestemmingsplan Groenewoud 2008 dat is vastgesteld op 8 december 2008.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Geschiedenis

Op de kaart van 1910 is in Broekhoven nog niet meer te zien dan wat lintbebouwing langs de Broekhovenseweg. De Korhoenstraat is niet meer dan een landweg tussen Broekhoven en Tilburg. In het daaropvolgende decennium zijn de plannen uitgevoerd voor het centrale deel van de Vogeltjesbuurt. Dit eerste deel voorzag in arbeiderswoningen, gelegen rondom een gemeenschappelijk buurtpleintje. De wijk lag in de directe nabijheid van drie omliggende textielfabrieken: Van Dooren (Hilvarenbeekseweg), AaBe (Fatimastraat) en de Tilburgsche Wolwasserij N. Daamen & Co (Alpenlaan). Met de bouw van de buurt werd op duidelijke afstand tot de stad Tilburg in het open landschap begonnen. Dit is ook een verklaring voor de redelijk besloten en naar binnen gekeerde opzet: in het begin was er weinig beschutting en houvast, wat het omsloten, centrale plein aan de Meesstraat wel kon bieden. Zo wordt door dit eerste deel de gemeenschappelijke opzet van de buurt tot op de dag van vandaag bepaald. In de periode voor de Tweede Wereldoorlog zijn vervolgens nog plukjes nieuwbouw ten noorden van het centrale plein uitgevoerd. Zie ook bijgaande afbeeldingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0003.jpg"

Het deel ten westen van de Korhoenstraat is voor het overgrote deel in de 50er jaren van de 20e eeuw gebouwd. De woningen zijn weliswaar groter en ruimer dan de woningen uit de vooroorlogse periode, de wijkopzet sluit in principe aan bij het eerste deel rondom het centrale pleintje aan de Meesstraat, de woonstraten zijn eveneens op zichzelf gericht en intiem. Pas bij de ontwikkeling van het deel ten oosten van de Korhoenstraat in de 50er en 60er jaren werd uitgegaan van een andere filosofie: dit deel van de buurt is veel opener en landschappelijker ontworpen. Straten lopen in lange lijnen door, er is sprake van doorzichten en veel groen in de openbare ruimte. Dit hangt samen met het feit dat in die periode de stad Tilburg ook om de buurt heen is gaan groeien. Waar in de begindagen van de buurt het doel moet zijn geweest om beschutting en intimiteit te creëren, was nu het doel om in een steeds dichter wordende stad ruimte en openheid te verkrijgen.

2.2 Huidige stedenbouwkundige situatie

Op de kaart van Tilburg lijkt de buurt nu helemaal 'opgeslokt' door de stad. In de beleving is dit echter anders. De Broekhovenseweg aan de west- en zuidzijde, de Ringbaan Zuid aan de noordzijde en de brede groenstroken en parken aan noord- en oostzijde zorgen voor een duidelijke begrenzing van de buurt. De bebouwing is op een paar uitzondering na ongewijzigd gebleven.

De Vogeltjesbuurt heeft een zeer steenachtig karakter. Er zijn veel stoepen, maar deze zijn qua afmetingen niet geschikt voor het informeel spelen. Er is een speelterrein achter het huidige buurtcentrum 't Vogeltje. Dit speelterrein ligt qua zicht letterlijk 'achter'. Er is weinig toezicht vanuit de openbare ruimte mogelijk.

Er staan weinig bomen in de buurt en de bomen die er wel staan bepalen het straatbeeld zeer beperkt. In het verleden zijn door bewoners zelfs bomen illegaal gekapt, om ruimte te maken voor bijvoorbeeld parkeren. Er zijn geen groene ruimtes in de buurt zelf. Bijgaande afbeeldingen geeft een indruk van de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0004.jpg"

Daarentegen is er wel veel groen in de directe omgeving. Ten noorden van de Reiger- en Nachtegaalstraat is een brede, parkachtige groenstrook aanwezig, met een groot speel- en voetbalterrein voor kinderen. Ten oosten van de buurt ligt het Leijpark; een mooie, groene omgeving die ook direct bereikbaar is vanuit de buurt. Bijgaande luchtfoto geeft daarvan een goed beeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0005.jpg"

Op de afbeelding hierna zijn de voorzieningen in de wijk weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0006.png"

De bestaande situatie van de openbare ruimte en groen staat weergegeven op de volgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0007.png"

2.3 Technische infrastructuur

Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk

3.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt

Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen.

Deze stappen zijn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0008.png"

Met dit bestemmingsplan wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Het initiatief maakt deel uit van de herstructurering 'Vogeltjesbuurt' waarbij 11 woningen worden gesloopt en worden vervangen door 8 woningen. Hierna worden de bovenstaande stappen doorlopen voor dit bestemmingplan.

rede 1: Is er een regionale behoefte?

De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan.

De regionale behoefte is afgestemd in het regionaal ruimtelijk overleg waaraan ook de provincie deelneemt. Hierbij is de afspraak gemaakt dat de gemeente Tilburg tot 2020 mag voorzien in een uitbreiding van 9100 woningen (kwantitatieve behoefte).

In de paragraaf Volkshuisvesting is weergegeven hoe de regionale woonbehoefte is toebedeeld aan de gemeente Tilburg. Op lokaal niveau is behoefte aan vormen van centrum-stedelijk wonen. Het initiatief voldoet hieraan.

Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?

De regionale behoefte wordt opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied en leidt tegelijkertijd tot kwaliteitsverbetering van de omgeving. Trede 3 is daarom niet meer van toepassing.

Conclusie

Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Tegelijkertijd leidt de herstructurering door het slopen van 11 woningen en vervangen door 8 woningen tot kwaliteitsverbetering van de omgeving. Hiermee is toepassing geven aan art. 3.1.6 Bro.

3.3 Provincie

3.3.1 Structuurvisie

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant in werking getreden. Provinciale Staten hebben deze op 1 oktober 2010 vastgesteld.

In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:

  • 1. De kwaliteit van het landschap;
  • 2. De ontwikkeling van het buitengebied;
  • 3. De regionale verstedelijking.
3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant

Ook ten aanzien van provinciale ruimtelijke belangen geldt dat deze niet zonder meer doorwerken nadat deze zijn opgenomen in een structuurvisie. Zoals op rijksniveau daardoor besloten is de nationale belangen, die juridische doorwerking vragen, te borgen in de AMvB Ruimte, verankert de provincie Noord-Brabant haar ruimtelijke belangen in een Verordening ruimte 
(vastgesteld op 17 december 2010, door Provinciale Staten integraal geactualiseerd op 11 mei 2012). Hierin zijn de volgende onderwerpen opgenomen:

      • I. Regionaal perspectief voor wonen en werken;
      • II. Kantoren, voorzieningen en detailhandel;
      • III. Overlegzones infrastructuur;
      • IV. Grond- en oppervlaktewatersysteem;
      • V. Grondwaterbeschermingsgebieden;
      • VI. Bescherming tegen wateroverlast en overstromingen;
      • VII. Milieuaspecten;
      • VIII. Biomassavergistingsinstallaties en mestbewerking en –verwerking;
      • IX. Windenergie;
      • X. Cultuurhistorische waarden;
      • XI. Aardkundige waarden;
      • XII. EHS/Groenblauwe mantel/agrarisch gebied;
      • XIII. Land- en tuinbouw (ontwikkelingsmogelijkheden intensieve veehouderij, glastuinbouw, teeltondersteunende voorzieningen);
      • XIV. Ruimte-voor-ruimteregeling;
      • XV. Overige agrarische functies, niet-agrarische functies (buitengebied);
      • XVI. Nieuwe economische dragers;
      • XVII. Toeristisch-recreatieve voorzieningen.

Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied.

3.4 Gemeente

3.4.1 Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020

De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is een integraal ruimtelijk plan voor de gehele gemeente Tilburg. Deze visie is de opvolger van het 'Stadsbeheerplan Tilburg' uit 1990. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling en onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente Tilburg op de gebieden wonen, werken, voorzieningen, recreatie, mobiliteit, natuur, water en landbouw tot 2020. 'Tilburg, stad van contrasten' vormt het leidende thema voor de ruimtelijke ontwikkeling en dus het ruimtelijk beeld in de toekomst; contrasten tussen stad en landschap, tussen de stad en de omliggende dorpen, maar ook tussen de stedelijke en de dorpse elementen in de stad. De ruimtelijke contrasten, die Tilburg karakteriseren, maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar. Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van de andere grote steden in Noord-Brabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving.

De speerpunten van de Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende:

  • a. Het buitengebied van Tilburg is gevarieerd en wordt behouden en verder versterkt;
  • b. Primair wordt de invulling van de verstedelijkingsopgave gezocht in het bestaand stedelijk gebied (binnen de tangenten). Soms is benutting van het buitengebied echter onvermijdelijk, bijvoorbeeld om de vereiste variatie in woonmilieus aan te bieden. Ruimtelijke ingrepen in het buitengebied zijn altijd kleinschalig en worden alleen gerealiseerd op die plaatsen die op grond van de bestaande kwaliteiten van water, bodem, ecologie en cultuurhistorie zijn geselecteerd;
  • c. De kenmerkende ruimtelijke structuur van oude linten en historische driehoekige pleinen blijft altijd herkenbaar. Op enkele plaatsen in de stad wordt op verantwoorde wijze geïntensiveerd. Op plekken met een hoge dynamiek is hoogbouw toegestaan;
  • d. De noodzakelijke intensivering van het stedelijk gebied mag niet ten koste gaan van het structurele groen in de stad.

De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2005.

Het plangebied is in deze structuurvisie opgenomen als wonen bestaand. Dit betreft bestaande gebieden die overwegend een woonfunctie hebben.

3.4.2 Overige gemeentelijke structuurvisies

Tilburg kent één thematische structuurvisie, de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Hierin is opgenomen het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie.

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

4.2.1 Stedenbouwkundige invulling

Het plan bestaat uit 8 grondgebonden woningen, op de gronden waar nu 11 woningen staan.

5 woningen worden georiënteerd op de Korhoenstraat, 3 woningen hebben hun voordeur aan de Condorstraat.De bestaande hoekoplossing blijft gehandhaafd als principe, zij het dat de zijgevel van de hoekwoning aan de Korhoenstraat in lijn komt te staan met de voorgevels van de nieuwe woningen in de Condorstraat, hetgeen nu niet het geval is.

De bouwhoogte is max.10 m en sluit aan bij de hoogte van de woningen in de directe omgeving (3 woonlagen, meest gerealiseerd als 2 lagen met kap).

In de herstructurering Vogeltjesbuurt worden op prominente plekken eveneens woningen gebouwd in 3 volledige bouwlagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0009.jpg"

4.2.2 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.

Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

4.3.1 Archeologie
4.3.1.1 Nota ´Grond voor het verleden´

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  • 1. De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
  • 2. De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' (2007) is het beleidsplan voor het Tilburgse archeologiebeleid.

4.3.1.2 Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek

De standaard archeologische en cultuurhistorische inventarisatie ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan is tot stand gekomen op basis van verschillende bronnen.

De volgende werkinstrumenten zijn hoofdzakelijk gebruikt bij het archeologische deel van bureauonderzoek:

  • 1. De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek;
  • 2. De database van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (Archis, Archeologisch informatiesysteem);
  • 3. De Archeologische Monumenten Kaart (AMK).

Naast deze bronnen is gebruik gemaakt van de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ARWATI) en het databestand van het Regionaal Archief Tilburg (RAT). Op grond van de beschikbare gegevens wordt een goed beeld verkregen van de algemene archeologische verwachtingswaarde in het plangebied. Dit beeld wordt verder aangescherpt door een landschapsanalyse en door gebruik van lokale bronnen. De landschapsanalyse is opgesteld aan de hand van onder andere de geomorfologie en de bodem, maar ook door het interpreteren van bijvoorbeeld de (vroegere) infrastructuur en lokale archeologische waarnemingen. Om de historische ontwikkelingen in het plangebied in een breder kader te kunnen plaatsen, werd eerst de ontwikkelingsgeschiedenis van Tilburg in het algemeen onderzocht en vervolgens die van het plangebied in detail. De lokale bronnen omvatten onder andere historische kaarten, architectuurfoto´s en luchtfoto´s en geschreven bronnen waaronder plaatsbeschrijvingen en veldnamen, bebouwingsgegevens en veldverkenningen. Landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens werden in het onderzoek samengevoegd tot een reconstructie van de ontwikkelingsgeschiedenis van het plangebied. De reconstructie werd vervolgens vertaald naar een archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied, die nader kon worden gespecificeerd door er bodemverstorende activiteiten zoals wegen- en huizenbouw bij te betrekken.

4.3.1.3 Historische geografie plangebied

Ad. 1. Historische geografie, landschap en ontginningsgeschiedenis:

  • Ligging: het plangebied ligt tussen het zuidelijke deel van de Korhoenstraat en de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg in de wijk Groenewoud tegen de zuidoostelijke rand van de bebouwde kom van Tilburg.
  • Het plangebied bevindt zich op het meest zuidelijke deel van de hoge akkergronden van De Keel, Eselven en Broekhoven die de zuidelijkste uitloper vormden van het grootste, centrale akkercomplex van Tilburg (De Schijf). Er zijn aanwijzingen dat in dit gebied al in de twaalfde eeuw, maar zeer waarschijnlijk nog eerder, ontginningen plaatsvonden. De hoge akkergronden van Tilburg werden in het zuiden begrensd door het brede beekdal van de Oude en Nieuwe Leij. De wijk Groenewoud werd van noordwest naar zuidoost doorsneden door een aantal dijken die het beekdal van de Oude en Nieuwe Leij overstaken. Dit waren, van oost naar west, de Gemeene Dyk en de Broekhovenschen Dyk (nu deel van de Oude Hilvarenbeekseweg). De nederzettingen in Groenewoud, De Keel, Eselven/Groenewoud en Broekhoven, lagen bij het begin van deze verhoogde wegen.
  • Tot ver in de twintigste eeuw bleef het plangebied onderdeel van een overwegend agrarisch gebied. Rond 1920 werd ten noorden van Broekhoven een kleine wijk gebouwd (Vogeltjesbuurt) die later werd uitgebreid. Na de Tweede Wereldoorlog volgde nieuwbouw ten westen van de Broekhovenseweg (Vissenbuurt, omgeving Jan Truijenlaan - Groenewoudstraat). De eerste fase van de bebouwing van onderhavig plangebied dateert van het begin van de jaren ´20 van de twintigste eeuw.
  • Pas in de jaren vijftig van de twintigste eeuw wordt het nabijgelegen gebied rond het Pater van den Elsenplein bebouwd en worden ook de oostelijke en zuidoostelijke delen van de Vogeltjesbuurt bebouwd.
4.3.1.4 Verwachtingswaarde plangebied

Ad. 2. Archeologische waarden:

  • Het noordelijke deel van het plangebied heeft op de Archeologische Waarschuwingskaart van Tilburg (ARWATI), vanwege de ligging op een relatief hooggelegen dekzandrug, een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. Het iets lager gelegen gebied ten zuiden hiervan, in het beekdal van de Oude en Nieuwe Leij, heeft een 'onbekende' verwachting. Een klein gebied hierin heeft een basis- tot middelhoge verwachting
  • Net als andere stadsdelen van Tilburg voldoet het plangebied aan een aantal historisch-landschappelijke criteria dat kansen biedt aan vroege bewoning of deze althans doet vermoeden. Het gaat hierbij om elementen zoals de nabijheid van water, de afwisseling van reliëf (met name het voorkomen van hoger gelegen locaties), de bodemgesteldheid en de voormalige aanwezigheid van oude structuren die een aanduiding kunnen zijn van oude bewoningspatronen.
  • In 2001 is door BILAN een booronderzoek uitgevoerd ten westen van de Broekhovenseweg, tussen de Jan Truijenlaan en de Ringbaan-Zuid (Leyendael), in 2002 gevolgd door een proefsleuvenonderzoek door BAAC. Bij het booronderzoek zijn aardewerkfragmenten uit de ijzertijd en de periode vanaf circa 700 na Christus aangetroffen. Het vervolgonderzoek bracht enkele bewoningssporen (een kuil, vier paalgaten en diverse fragmenten aardewerk) aan het licht die vermoedelijk dateren uit de ijzertijd. Uit het onderzoek is gebleken dat het toenmalige plangebied deel uitmaakte van de periferie van een nederzetting dan wel deel uitmaakte van het landbouwareaal van een dergelijke nederzetting (Archiswaarnemingsnr. 404378).
  • Naar aanleiding van de herziening van het beheerbestemmingsplan Groenewoud is door BILAN in 2007 een cultuurhistorisch en archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is deel van een reeks onderzoeken die de globale herziening van alle beheersbestemmingsplannen van de gemeente omvat.
  • De archeologische verwachting, zoals aangeduid op de ARWATI, is op basis van het uitgevoerde cultuurhistorisch en archeologisch onderzoek nader toegespitst en weergegeven in een verwachtingskaart. Deze verwachting geeft echter een historische situatie weer, waarbij geen rekening is gehouden met moderne en submoderne verstoringen waarmee de snelle urbanisatie van het plangebied in de twintigste eeuw gepaard is gegaan. Zo zullen bij de aanleg van woonwijken delen van het plangebied zijn geëgaliseerd en/of afgegraven (funderingen), waardoor de kans op archeologische waarden sterk is verminderd of zelfs geheel is verdwenen. Volgens het onderzoek BILAN 2007 hebben delen van het plangebied daardoor een lagere archeologische verwachting.
  • In het bestemmingsplan Groenewoud 2008 liggen geen terreinen van bijzondere archeologische trefkans of waarde, waarvoor wordt aanbevolen om deze als primaire bestemming archeologie te geven en waarbij voor wijzigingen aan de bestemming een aanlegvergunning vereist is.
  • In 2012 is in opdracht van de gemeente Tilburg een gedetailleerd bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied Vogeltjesbuurt uitgevoerd door de firma BAAC (Miedema 2012). Uit het dit bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een middelhoge verwachting heeft voor vindplaatsen uit de vroege prehistorie en een hoge verwachting voor de bronstijd tot de middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor de nieuwe tijd. In tegenstelling tot eerdere verwachtingen blijkt uit aanvullend bouwhistorisch en booronderzoek dat de verstoring van de bestaande bebouwing beperkt zal zijn. Ondanks de bebouwing van het gebied verwacht BAAC in het bebouwde deel van het noordelijke en zuidelijke deel van het plangebied weliswaar een aangetast plaggendek maar een redelijk intacte C-horizont. Hiermee behoudt volgens BAAC het plangebied grotendeels zijn relatief hoge archeologische verwachtingswaarde.
4.3.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

4.3.2.1 Waardevolle objecten en structuren

Ad. 3. Cultuurhistorische waarden: 

  • Objecten: in dit plangebied liggen geen op grond van Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening gemeente Tilburg beschermde monumenten.
  • Op enige afstand ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich het rijksmonument Oude Hilvarenbeekseweg 38, een boerderij met bijgebouwen uit 1912.
  • In de Vogeltjesbuurt bevindt zich een groot aantal woningen die zijn opgetrokken in de periode vanaf 1921 toen het uit 1917 daterende Algemeen Uitbreidingsplan van Ir. Rückert verder uitgewerkt werd. Woningen en stedenbouwkundig plan werden ontworpen door de Woningbouwdienst van de gemeente Tilburg. Hoewel deze bebouwing niet formeel beschermd is, beschikt een groot deel van de vooroorlogse bebouwing wel degelijk over enige cultuurhistorische waarde als exponent van de architectuur en stedenbouw uit die periode en is zij opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project van de provincie Noord-Brabant (MIP). Dit zijn: Korhoenstraat 39 t/m 79 (oneven); Pelikaanstraat 2-38 (even); 1 t/m 27 (oneven), Meesstraat 2 t/m 46 (even), 39 t/m 57 (oneven), Lijsterstraat 40 t/m 70 (even), 51, 59. Merelstraat 36 t/m 46 (even), 39 t/m 57 (oneven).
  • Architectuur en stedenbouw 1940-1970: Oude Hilvarenbeekseweg 1; Don Sartoschool (jongensschool) uit 1955 naar ontwerp van de Tilburgse architect J. Huijsmans, in opdracht van het Schoolbestuur van de Pius X parochie.
  • Gebieden (beschermd stadsgezicht)): niet van toepassing in of in de nabijheid van de planlocatie.
  • Structuren: het plangebied werd tot ver in de twintigste eeuw doorkruist door een aantal wegen en paden, dat mogelijk teruggaat op een zeer oud padenpatroon. Bij de aanleg van de nieuwbouwwijken en van de A58 is een groot deel van het netwerk van wegen en paden verloren gegaan. Het tracé van enkele van deze wegen en paden is echter nog deels herkenbaar in het huidige wegenpatroon.
  • Lijnen (historische assen, linten,…): het tracé van de Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg is al tenminste vanaf de vroege veertiende eeuw aanwezig en leidde naar het ruim ten zuiden van het plangebied gelegen omgrachte en versterkte huis Broekhoven. Dit huis dat ook wel als kasteel werd aangeduid is in de historie meermaals verwoest. Op de locatie van het huis werd in 1904 een nieuwe woning opgericht (Berglandweg 32). Het tracé van Broekhovenseweg/Oude Hilvarenbeekseweg heeft als historisch-geografische lijn op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (versie 2006) de waardering redelijk hoog gekregen.
  • Uit de periode 1940-1970 zijn de volgende kenmerken van bovengemiddelde waarde in het plangebied Groenewoud bewaard gebleven: de Ringbaan Zuid; als stedelijke hoofdroute die in de periode kort na de Tweede Wereldoorlog werd aangelegd.
  • Historisch groen: niet van toepassing in of in de nabijheid van de planlocatie.
4.3.3 Advies

Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie of archeologie bestaat er geen bezwaar tegen de geplande nieuwbouw en zijn er geen aanvullende voorwaarden noodzakelijk.

4.4 Volkshuisvesting

Bij brief van 5 februari 2010 zijn door de provincie de in de subregio Tilburg gemaakte kwantiatieve woningbouwafspraken bevestigd. Daarmee ligt vast dat Tilburg in de planperiode tot 2020 in totaal 9.100 woningen (= uitbreiding woningvoorraad) kan/mag bouwen ter voorziening in de gemeentelijke woningbehoefte. Met de (her)ontwikkeling van de locatie Condorstraat - Korhoenstraat wordt hieraan mede invulling gegeven.

4.4.1 Woonvisie

Het gemeentelijk woonbeleid (zowel kwalitatief als kwantitatief) volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. Het centrale thema in de WoonVisie is het streven naar een 'stad in balans', een stad waarin voldoende mate van differentiatie in het woningaanbod is, zodat iedereen passende woonruimte kan vinden. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften is de gemeente in de WoonVisie ingedeeld in vijf woonmilieus: Centrum-stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-stedelijk, (Centrum)-dorps en Landelijk. Daarbij wordt per gebied aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan het gewenste woonmilieu te voldoen. Bij (woningbouw)ontwikkelingen in een bepaald gebied dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met deze woonmilieuopgave.

Woonvisie Groenewoud/Jeruzalem

De kwaliteit van de woning en de woonomgeving wordt in de WoonVisie onder andere benaderd

door het benoemen van woonmilieus. Groenewoud/Jeruzalem kan getypeerd worden als een buiten-centrum woonmilieu. In dit gebied liggen kansen voor transformatie naar een groenstedelijk woonmilieu. De WoonVisie geeft aan deze transformatie met name via kwaliteitsverbetering van woningen en woonomgeving alsmede via enige mate van verdunning op termijn te willen realiseren. Daarnaast geeft de Woonvisie aan dat Groenewoud/Jeruzalem een te eenzijdige woningvoorraad kent. Het is wenselijk meer differentiatie in het woningaanbod te brengen, door meer koopwoningen aan de voorraad toe te voegen. Als belangrijke strategie om deze differentiatie te bereiken geeft de Woonvisie sloop en vervangende nieuwbouw en verkoop van huurwoningen aan.

4.4.2 Nota Wonen en Monitor Woningbouw 2013

Uit de Nota Wonen blijkt dat de aandacht van de gemeente en bouwprocespartners gericht moet blijven op kwaliteitsbevordering van de woningmarkt. De verleiding bestaat om, onder druk van de financieel-economische omstandigheden, een woonproduct aan te bieden dat minder toekomstbestendig is. Om aan te sluiten bij de structurele wens van consumenten en een kwaliteitsslag te maken, dient de beleidsfocus van de gemeente en andere partijen zich te (blijven) richten op een gedifferentieerd aanbod naar woonmilieus, woningtypen en prijsklassen. Bovendien wordt onder kwaliteit ook begrepen levensloopbestendigheid/flexibiliteit, duurzaamheid/energiezuinigheid (ook i.r.t. betaalbaarheid) en vormen van (collectief) particulier opdrachtgeverschap / eigenbouw. Elk jaar doet de gemeente in de Monitor Woningbouw verslag van de ontwikkeling van de woningvoorraad in het voorafgaande kalenderjaar. In deze monitor, editie 2013, gaat het over de nieuwbouw en sloop van woningen, dan wel toevoegingen respectievelijk onttrekkingen anderszins (= woningsplitsing of sloop, resp. woningsamenvoegingen of -onttrekkingen) in 2012. Tevens vermeldt de monitor de nieuwbouwprognose voor 2013 en 2014. De Monitor Woningbouw is te vinden op www.tilburg.nl.

4.4.3 Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek

De gemeente Tilburg voert elke vier jaar een woningbehoefteonderzoek uit. Het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2012. Veel woonwensen blijken in de tijd gezien behoorlijk bestendig en weinig te veranderen. De onderzoeksresultaten van het KWBO-2012 wijken niet wezenlijk af van de resultaten uit 2004 en 2008, maar er lijkt in 2012 wel sprake van (verdere) 'downgrading' in de woonwensen. Zo richten doorstromers zich minder op de koopsector en is er in het algemeen meer belangstelling voor de huursector. Tilburgers zijn nog tevredener met hun woning en woonomgeving dan in eerdere edities. De verhuisgeneigdheid van Tilburgse huishoudens is (verder) gedaald naar een toch nog aanmerkelijk niveau van 37%; een deel van de doorstromers en starters wacht af of stelt actie uit, daarmee lijkt de woningmarkt in toenemende mate 'op slot' te zitten en de effecten van de crisis voelbaar.

De Tilburgse woningmarkt is in kwalitatief opzicht nog niet in evenwicht gekomen. Uit de vraag-aanbodbalans van verhuisgeneigden blijkt een (dreigend) overschot aan meergezins huurwoningen en is het tekort aan koopwoningen verdwenen. Het woningtekort richt zich op eengezins huur- en koopwoningen. In de koopsector in alle soorten en prijssegmenten, maar met uitzondering van het topsegment. De eengezinswoning met drie of vier kamers (en tuin) blijft favoriet.
Qua woonmilieu bestaat er overschot aan buitencentrum-stedelijk wonen, maar tekort in de andere woonmilieus (met name -vormen van- centrum-stedelijk wonen). De toekomstverwachting is dat veel woonconsumenten zich blijvend richten op een kwalitatief hoogwaardige en ruime  –hoofdzakelijk–  grondgebonden (koop)woning, mits de economie herstelt.

Woningbehoefte voor Groenewoud/Stappegoor/Het Laar

Uit het Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek (Gemeente Tilburg, 2012) is gebleken dat er in Groenewoud/Stappegoor/Het Laar veel meerpersoonshuishoudens en veel 35 tot 55 jarigen wonen. Het inkomen dat de bewoners te besteden hebben is lager dan gemiddeld in Tilburg.

In het Groenewoud/Stappegoor/Het Laar staan relatief veel eengezins huurwoningen en rijtjeshuizen, met een in verhouding lage huurprijs. In het gebied is 29% van de woningvoorraad volledig toegankelijk en daarmee geschikt voor ouderen. Gemiddeld in Tilburg is dat 22%. Verder blijkt uit het Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek dat de tevredenheid met de woning en de woonomgeving in Groenewoud/Stappegoor/Het Laar de afgelopen jaren substantieel is gestegen en dichtbij het Tilburgse gemiddelde komt.

4.4.4 Actieplan Stimulering Eigenbouw Tilburg 2012

Getuige de WoonVisie staat de woonconsument centraal in het woonbeleid. In z'n ultieme vorm gaat dit over ruimte geven aan eigenbouw middels particulier opdrachtgeverschap (PO). Stimulering van het (collectief) particulier opdrachtgeverschap, ofwel het als consument/particulier zelf of samen met anderen bouwen van je woning, heeft in Tilburg al jaren prioriteit, maar blijkt in de praktijk moeizaam van de grond te komen. Om de beleidsambitie rond eigenbouw te bevestigen en aan te scherpen, heeft het college besloten tot een actieplan stimulering eigenbouw. Geen voornemens meer, geen pilots, maar gewoon doen! Door zelf meer grond voor eigenbouw uit te gaan geven, en hiertoe ook de projectontwikkelaars uit te nodigen, streeft het huidige college naar een (C)PO-aandeel in 2014 van minimaal 30 procent van de grondgebonden woningproductie. Het actieplan stimulering eigenbouw is te vinden op www.tilburg.nl 

4.4.5 Politiekeurmerk Veilig Wonen

Het Politiekeurmerk Veilig Wonen is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en wijken die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond sociale veiligheid, leefbaarheid, inbraak- en brandpreventie. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw. Voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast.

Het beleid dat de gemeente voert omtrent het keurmerk is vastgelegd in de nota Beleid en implementatie Politiekeurmerk Veilig Wonen. Een folder is te vinden op www.tilburg.nl.

4.4.6 Levensloopbestendigheid

De gemeente Tilburg wil dat alle nieuwe woningen zo worden gebouwd dat ze minimaal toegankelijk (bezoekbaar) zijn voor mensen met een fysieke beperking. Verder moet tenminste 40% van de nieuwbouwwoningen “levensloopbestendig” worden ontwikkeld, dan wel daartoe eenvoudig aanpasbaar.

Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", namelijk woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers (te maken) zijn op entreeniveau van de woning. De doelstelling maakt ook onderdeel uit van de woningbouwafspraken met hogere overheden. De notitie Levensloopbestendige woningbouw in Tilburg (2009) evalueert vijf jaar gemeentelijk woonbeleid met betrekking tot levensloopbestendigheid. Belangrijkste conclusies zijn dat het percentage van 40% levensloopbestendige woningen in de nieuwbouwopgave wordt voortgezet en dat er in enkele wijken een extra opgave ligt. Dit betreft met name de wijken Blaak/Zorgvliet, Reit/Zand/Wandelbos en Tilburg Noord. Zie ook de Werkwijzer Levensloopbestendigheid 2.0 voor concrete ontwerphandreikingen.

4.4.7 Toetsing plan

Het plan aan de Condorstraat - Korhoenstraat maakt onderdeel uit van de herstructurering van de 'Vogeltjesbuurt'. Er worden 11 woningen gesloopt en hiervoor in de plaats worden 8 grondgebonden woningen met tuin teruggebouwd in de huursector. Dit is in lijn met de volkshuiswestelijke uitgangspunten en randvoorwaarden die in dit kader zijn vastgesteld door de gemeenteraad (d.d. 26 september 2011). Hierin is (onder andere) aangegeven dat verdunning van het huidige woningaantal wenselijk is gezien de opgave om meer lucht en ruimte te creëren en dat bij vervangende nieuwbouw wordt aangesloten bij het huidige grondgebonden wonen met tuin.

Volkshuisvestelijke uitgangspunten herstructurering 'Vogeltjesbuurt'

De raad heeft op 26 september 2011 de Vogeltjesbuurt aangewezen als herstructureringsgebied en daarbij de stedenbouwkundige- en volkshuisvestelijke uitgangspunten vastgesteld.

De volgende volkshuisvestelijke uitgangspunten en randvoorwaarden ten aanzien van de herstructurering van de Vogeltjesbuurt zijn van toepassing:

  • Verdunning van het huidige woningaantal is wenselijk gezien de opgave om meer lucht en ruimte te creëren. De woonsfeer die zo kenmerkend is voor het huidige bebouwing en stedenbouwkundige opzet ("kleinschalig", "landelijk", "knus"), en die zeer gewaardeerd wordt door bewoners, vormt de basis voor de nieuwe opzet van de buurt en de woningen.
  • De bouw- en woontechnische staat van de woningen dient te worden verbeterd. Waar (financieel en bouwkundig) mogelijk is sprake van groot onderhoud. Sloop en nieuwbouw waar dat noodzakelijk is.
  • Zowel bij nieuwbouw als groot onderhoud wordt ingezet op energetische verbetering van de woningen, gericht op reduceren van energielasten voor de bewoners en CO2 uitstoot in het algemeen. Uitgangspunt is minimaal behalen van energielabel B na de ingreep.
  • Bij ingrepen wordt uitgegaan van grotendeels behoud van huidige differentiatie van de woningvoorraad ten aanzien van eigendomsvorm en prijsklassen (waaronder het aandeel sociale huur). Qua woningtype wordt aangesloten bij het huidige grondgeboden wonen (met tuin). Eventuele uitzondering geldt voor huisvesting voor specifieke doelgroepen (zoals voor ouderen).
  • De mogelijkheden voor senioren om in de buurt te (blijven) wonen moeten worden verbeterd. Enerzijds door bij groot onderhoud waar mogelijk uit te gaan van de criteria van aanpasbaarheid (toegankelijkheid van de woning) anderzijds door toevoeging van nieuwe levensloopbestendige huurwoningen.
  • De wens van bewoners om in de buurt te blijven wonen, wordt zo veel mogelijk gefaciliteerd. Fasering en vervangende huisvesting in de buurt zijn daarvoor van belang. Fasering dient optimaal aan te sluiten op de herhuisvesting. Betaalbaarheid van de (nieuwe) huisvesting is essentieel. Bij groot onderhoud wordt afgesproken dat de totale woonlasten van de zittende huurders gemiddeld niet zullen stijgen (conform convenant Aedes-Woonbond). Nieuwbouw bestaat, met uitzondering van toevoeging van seniorenhuisvesting, voor het leeuwendeel uit vervangende grondgebonden eengezinswoningen met tuin in de huur.
  • Bij de ingrepen dient zoveel mogelijk ruimte geboden voor opdrachtgeverschap van bewoners en eigen werkzaamheden. Bij groot onderhoud moet dat gezocht worden in keuzevrijheid binnen werkzaamheden en uitrusting. Bij de nieuwbouw betreft het zeggenschap in vorm, indeling en afwerking van de woning.
  • Leidraad voor de kwaliteit van de nieuwbouw is de gemeentelijke woonproduct-differentatie.
  • Ten behoeve van de veiligheid van woning en woonomgeving wordt uitgegaan van het PolitieKeurmerk Veilig Wonen.

Toetsing/conclusie

Op 10 april 2012 heeft het college ingestemd met het stedenbouwkundig plan voor de Vogeltjesbuurt d.d. 3 februari 2012 met bijbehorend woonprogramma. Tiwos gaat naast sloop en nieuwbouw een aantal omliggende huurwoningen in de wijk verbeteren door middel van groot onderhoud. Met deze ingrepen krijgt de woningvoorraad een stevige impuls en voldoet het weer aan de woon- en bouwtechnisch alsmede energetisch eisen van deze tijd. Er wordt bewust terug gebouwd voor de buurt; alle nieuwbouw wordt sociale huur en grotendeels grondgebonden. Er worden seniorenwoningen toegevoegd aan het woningaanbod. De sfeer en de structuur van de buurt worden gerespecteerd en er wordt door verdunning van de voorraad meer licht, lucht en ruimte gecreëerd. Ook PolitieKeurmerk Veilig Wonen wordt toegepast.

Het stedenbouwkundig plan voldoet daarmee uitstekend aan de volkshuisvestelijke uitgangspunten zoals deze eerder door het college zijn vastgelegd.

4.5 Groen en speelruimte

4.5.1 Bomennota Tilburg boomT

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0010.png"

Boomwaardezoneringskaart

Maatregelen in bestemmingsplan

Binnen het plangebied en direct aansluitend aan het plangebied zijn geen beeldbepalende of monumentale bomen aanwezig.

4.5.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  • 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
  • 2. Het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
  • 3. Het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

4.5.3 Nota Ruimte voor Buitenspelen

Naar aanleiding van de ambities uit de Kadernota Jeugd en de behoefte aan algemene voorwaarden ten aanzien van richtlijnen voor de aanleg van speelplekken is de nota Ruimte voor Buitenspelen (2003) opgesteld. Doel van de nota is dat de jeugd als volwaardige medegebruikers van de openbare ruimte wordt geaccepteerd. Spelen is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een kind. De nota geeft o.a. een analyse van de formele speelruimte in Tilburg weer. Algemene voorwaarden ten aanzien van speelruimte (veiligheid, bereikbaarheid, spreiding, ruimtegebruik, inrichting) en programmering van de spelenplannen en inrichtingseisen van speelruimte komen aan de orde. Een minimumnorm voor formele speelruimte wordt gesteld om voldoende speelruimte te kunnen garanderen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen transformatiegebieden (> 50 woningen), nieuwbouw en bestaande bouw.

Transformatiegebieden
Er worden twee stappen doorlopen:

  • 1. Per hectare uitgegeven gebied wordt 300 m2 van de ruimte gereserveerd voor formele speelruimte.
  • 2. De huidige grondoppervlakte aan formele speelruimte per kind bedraagt voor Tilburg 7,2 m2. Naar aanleiding van het aantal kinderen woonachtig in het transformatiegebied wordt bepaald hoeveel formele speelruimte er in een wijk/buurt gerealiseerd dient te zijn.

Nieuwbouw
Bij nieuwbouwgebieden wordt uitgegaan van stap 1. De inrichting van de formele speelplekken wordt gedaan aan de hand van de actieradius voor speelplekken. In de toekomst zal dit wordt gedaan naar aanleiding van gegevens vanuit het woningbouwprogramma waarmee een schatting gemaakt zal kunnen worden van het aantal kinderen dat in de nieuwbouwwijk komt te wonen (dit wordt in het kader van de uitvoering van de nota Ruimte voor Buitenspelen uitgewerkt).

Bestaande stad
Voor de bestaande stad wordt uitgegaan van een standstill-situatie. Dit betekent dat het bestaande oppervlak voor buitenspelen niet (verder) mag afnemen.

Bij nieuwe stedenbouwkundige plannen dient reeds bij de nota van uitgangspunten (programma van eisen) de speelruimtenormering - zoals hierboven beschreven - te worden meegenomen. Dit geldt zowel voor gemeentelijke als particuliere plannen. Op deze manier worden formele speelplekken al vroegtijdig in het ontwerpproces meegenomen.

4.6 Openbaar gebied

Ontsluiting en parkeren

De straten in de wijk zijn vrij smal. Daarom, en naar aanleiding van de Herstructurering Vogeltjesbuurt, bestudeert de gemeente de mogelijkheid voor een aangepaste verkeerscirculatie c.q. eenrichtingsverkeer in een groot aantal straten van deze buurt. Het plangebied zal toegankelijk blijven vanaf zowel de Broekhovenseweg, de Oude Hilvarenbeekseweg alsook de Leijparkweg.

De parkeernorm bedraagt 1,5 pp per niet gestapelde woning < 110 m². In totaal zijn derhalve 12 pp benodigd. Aangezien er 11 (kleinere) woningen worden gesloopt, waarvoor met de huidige normen 17 pp benodigd zijn, wordt de parkeerbalans gunstiger. Het plan voldoet dus aan het parkeerbeleid.

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

De functie van het bouwplan wijzigt niet. Zowel in de bestaande-- als in de nieuwe situatie wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter. In de nieuwe situatie zal de afstand tot de reeds bestaande milieubelastende activiteiten (garage-activiteiten) niet veranderen. De huidige woningen in het plangebied zijn nu al bepalend voor de normen waaraan de aanwezige garagebedrijven moeten voldoen. Hoewel het woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen hiermee voldoende is geborgd is er toch een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierin is onderzocht of de bestaande garagebedrijven niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering, maar ook om een uitspraak te kunnen doen over de kwaliteit van het woon- en leefklimaat.

De geluidbelasting t.g.v. de twee aanwezige garagebedrijven is berekend op basis van de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai'. Voor de uitgangspunten en de rekenresultaten van de berekeningen wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek opgesteld door RoyalHaskoningDHV d.d. november 2013, registratienummer HL.BC6539.R02. ( Zie Bijlage 2 Onderzoek industrielawaai).

De berekende geluidbelasting is getoetst aan de standaard geluidnormen van het Activiteitenbesluit.

Dit betekent 50 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau respectievelijk

70 dB(A) etmaalwaarde voor de maximale piekgeluiden. Hierbij wordt opgemerkt dat de maximale piekniveaus gedurende de dagperiode (07.00-19.00 uur) op basis van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de maximale piekgeluiden wel beschouwd.

Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder) wordt opgemerkt dat dit niet expliciet in het akoestisch rapport is beschouwd. Gelet op het beperkt aantal motorvoertuigen die de inrichtingen aandoen, de rijsnelheid op de Condortstraat en de Korhoenstraat (30 km/uur) en het gegeven dat de motorvoertuigbewegingen enkel in de dagperiode plaatsvinden mag verondersteld worden dat de voorkeurgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde niet wordt overschreden.

Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt (tabel 3 en 4) dat ter plaatse van de nieuwe woningen voldaan kan worden aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit, zowel ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau alsmede de maximale piekgeluiden. Dit betekent dat:

  • er op het gebied van industrielawaai geen bezwaren zijn om het bestemmingsplan te wijzigen en de nieuwe woningen toe te staan;
  • de garagebedrijven kunnen voldoen aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit en derhalve niet in hun bestaande bedrijfsvoering worden beperkt door realisatie van het nieuwbouwplan;
  • er sprake is van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.3 Externe veiligheid

5.3.1 Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen.

De belangrijkste zijn:

  • 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
  • 2. Circulaire "Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen" (cRnvgs), 31 juli 2012 (De circulaire wordt per 1 januari 2014 vervangen door de Wet Basisnet);
  • 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), 1 januari 2011.

De eerste kamer heeft op 9 juli 2013 ingestemd met het wetsvoorstel Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen,deze wordt op 1 januari 2014 van kracht. In de wet worden de maximale risico's vastgelegd waaraan het transport van gevaarlijke stoffen over weg-, spoor- en watertrajecten moet voldoen.

De Wet Basisnet vervangt de cRnvgs. Gelijktijdig met de Wet Basisnet wordt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht.

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

5.3.2 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt, is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke objecten en bestemmingen vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

5.3.3 Groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

  • 1. de kans op een ongeval;
  • 2. het effect van het ongeval;
  • 3. het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft;
  • 4. de mate waarin personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is en hoe hoger het groepsrisico.

5.3.4 Verantwoordingsplicht

De verantwoordingsplicht draait kort gezegd om de vraag in hoeverre risico's, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, worden geaccepteerd en indien noodzakelijk welke veiligheidsverhogende maatregelen daarmee gepaard gaan. Met de verantwoordingsplicht worden betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid voor de maatschappij als geheel voldoende gewaarborgd wordt. Op deze manier wordt beoogd een situatie te creëren, waarbij zoveel mogelijk de risico's zijn afgewogen en geanticipeerd is op de mogelijke gevolgen van een incident. Deze afweging is kwalitatief van aard en richt zich op aspecten zoals de mogelijkheden van bestrijdbaarheid van een mogelijke calamiteit en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking.

Bij de invulling van de verantwoordingsplicht dienen de volgende elementen te worden beschouwd:

  • 1. het projectkader;
  • 2. de hoogte en toename van het groepsrisico;
  • 3. bronmaatregelen;
  • 4. ruimtelijke maatregelen te treffen maatregelen in het ruimtelijke besluit;
  • 5. mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit en de gevolgen daarvan;
  • 6. mogelijkheden tot zelfredzaamheid;
  • 7. mogelijkheden planontwikkeling op andere locatie;
  • 8. mogelijkheden en voorgenomen maatregelen in de nabije toekomst.

In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, december 2007 en het supplement op de handreiking "Verantwoorden bij een ruimtelijk besluit", januari 2011) zijn deze onderdelen nader uitgewerkt en toegelicht. Conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moeten alle ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een inrichting verantwoord worden. Conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) moet het bevoegd gezag verantwoording afleggen bij elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling is de uitgebreidheid van de invulling van de verantwoordingsplicht afhankelijk van de hoogte en toename van het groepsrisico. Wanneer de ontwikkeling buiten de 100% letaal effectafstand ligt, kunnen de punten 3, 4, 7 en 8 buiten beschouwing gelaten worden. Hetzelfde geldt wanneer het groepsrisico 1) onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt of 2) tussen 0,1 maal en 1 maal de oriëntatiewaarde ligt én minder dan 10% toeneemt. We spreken in deze gevallen van een beperkte verantwoordingsplicht. In de andere gevallen dient de verantwoordingsplicht compleet ingevuld te worden.

5.3.5 Inrichtingen

In het voorliggende plan zijn risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen binnen het plangebied uitgesloten. Daarnaast ligt het bestemmingsplan buiten het invloedsgebied van een risicovolle inrichting.

5.3.6 Buisleidingen

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen.

5.3.7 Overig transport van gevaarlijke stoffen

Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in Tilburg vindt plaats over de weg, per spoor en over het Wilhelminakanaal.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Door de gemeente Tilburg worden over verschillende wegen gevaarlijke stoffen vervoerd.

Voor gemeentelijke wegen blijkt uit de Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen, die is opgesteld door Royal Haskoning en RMD in april 2008, dat op geen van deze wegen een 10-6 risicocontour aanwezig is c.q. een overschrijding van een risicocontour aan de orde is. Voor het groepsrisico van deze wegen geldt dat er conform deze rapportage en op basis van toepassing van de vuistregels, ter hoogte van dit bestemmingsplan geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

De ontwikkeling ligt op een afstand van ongeveer 900 meter van de A58. Voor de A58 geldt conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs) een veiligheidsafstand van 24 meter.

De ontwikkeling ligt daarbuiten.

De afstand van de A58 tot het plangebied is zodanig groot dat dit niet leidt tot een toename van het groepsrisico. De A58 is daarmee verder niet relevant voor de planontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor

Door de gemeente Tilburg loopt de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven/'s-Hertogenbosch.

Hierover worden onder andere brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vervoerd.

In de beleidsvisie externe veiligheid is vastgelegd dat, tot het moment dat het Basisnet in wetgeving is vastgelegd, uitgegaan wordt van de uitgangspunten zoals deze zijn verwoord in het beleidsdocument 'Koersen op veilig'. Gelet op het feit dat het plangebied op een grotere afstand dan 1500 meter van het doorgaand spoor ligt, wordt voldaan aan de uitgangspunten zoals verwoord in de Beleidsvisie Externe Veiligheid. Risicoberekeningen zijn niet noodzakelijk en er gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik binnen het plangebied.

Het invloedsgebied van de spoorlijn is 3000 meter en valt dus over het plangebied. Uit de risicoberekeningen die ten grondslag liggen aan het toekomstige Basisnet Spoor blijkt dat voor het relevante spoortraject de hoogte van het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt in de huidige situatie. Voor de spoorlijn dient daarom de verantwoordingsplicht ingevuld te worden. In paragraaf 5.3.8  is deze verantwoording opgenomen. Vanwege de afstand tot de spoorlijn, leidt dit bestemmingsplan niet tot een toename van het groepsrisico.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het Wilhelminakanaal

Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (januari 2011) blijkt dat er voor het Wilhelminakanaal geen risico- en veiligheidsafstanden gelden.

Conclusie relevantie risicobronnen: Voor dit ruimtelijke besluit hoeft alleen voor de spoorlijn de verantwoordingsplicht ingevuld te worden. Vanuit externe veiligheid worden verder geen beperkingen aan deze ontwikkelingen gesteld. De verantwoording is opgenomen in paragraf 5.3.8.

5.3.8 Verantwoording groepsrisico

In deze paragraaf wordt de verantwoordingsplicht van het groepsrisico verwoord. In het kader van deze verantwoording heeft de regionale brandweer advies uitgebracht. (zie Bijlage 3 Advies Brandweer) De relevante inbreng van dit advies is verwerkt in deze verantwoording.

Beleidsvisie

In de Beleidsvisie externe veiligheid is ingegaan op een aantal gebiedstypes. Het bestemmingsplan ligt in de zone die in de Beleidsvisie is gedefinieerd als "Risicoluw woongebied in Tilburg".

Het bestemmingsplan ligt niet binnen het invloedsgebied van een LPG-tankstation en kent geen bijzondere functies voor gebouwen met meer dan 2000 personen. De generieke verantwoording voor luwe gebied uit de Beleidsvisie externe veiligheid is daarmee van toepassing. Onderstaand is deze generieke verantwoording uit de beleidsvisie overgenomen. De afwegingen die ten grondslag liggen aan deze verantwoording staan verwoord in de beleidsvisie.

Groepsrisico

Dit ruimtelijk plan ligt in een luw gebied, waarvoor in de Beleidsvisie Externe Veiligheid geen planologisch kader is opgesteld. Ook bij een hogere personendichtheid zal er geen significante toename van het groepsrisico optreden, omdat:

  • de afstand tot de plaats van het mogelijke incident groot genoeg is;
  • de aard van incident is blootstelling aan toxisch gas.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico

Er is hier sprake van een afname van het groepsrisico van 11 woningen naar 8 woningen. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is echter geen item, vanwege het gegeven dat de:

  • de afname van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft;
  • kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is.

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheids vraagstuk niet of nauwelijks.De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de Beleidsvisie Externe Veiligheid.

Het plan zal wat betreft de bluswatervoorzieningen voldoen aan de eisen uit het bouwbesluit.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.

Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het gebied ligt binnen het dekkingsgebied van een WAS-installatie.

De aanwezige personen in de woningen worden beoordeelt als zelfredzame personen.

Risicocommunicatie

Door actief te communiceren over risico's zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot.

De regionale brandweer adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt uitsluitend passieve communicatie plaats.

5.3.9 Restrisico en conclusies

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven/'s-Hertogenbosch. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen.

Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobron is de verantwoordingsplicht ingevuld, welke stoelt op de 'Beleidsvisie externe veiligheid'.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.4 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.4.1 Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied worden acht nieuwe woningen gerealiseerd ter vervanging van de bestaande woningen. Deze geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de volgende zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (hierna Wgh): Ringbaan Zuid en de Professor van Buchemlaan.

Ingevolge artikel 82 van de Wgh geldt voor nieuwe woningen een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Voor de realisatie van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Royal HaskoningDHV. (september 2013, registratienummer: MO-AF20130549) en heeft een toetsing aan de normen uit de Wgh plaatsgevonden. (Zie Bijlage 1 Akoestisch onderzoek).

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de Ringbaan Zuid en de Professor van Buchemlaan lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit is inclusief toepassing van de wettelijke aftrek van 2 dB voor de Ringbaan Zuid respectievelijk 5 dB voor de Professor van Buchemlaan conform artikel 110g ingevolge de Wgh. Omdat voldaan wordt aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB is nader akoestisch onderzoek en nadere toetsing aan de Wgh niet verder noodzakelijk. Er is geen noodzaak om hogere grenswaarden vast te stellen.

5.4.2 Railverkeerslawaai

De geluidbelasting t.g.v. het spoortraject Tilburg/Eindhoven/Den Bosch gebaseerd op het Geluidregister spoor bedraagt maximaal ca. 73 dB. Dit komt overeen met een zonebreedte van 900 meter conform artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder. De nieuwe woningen liggen buiten deze zone. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden naar de optredende geluidsbelasting t.g.v. railverkeerslawaai en dat er geen nadere toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder hoeft plaats te vinden.

5.4.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder artikel 2.4 van het Inrichtingen en Vergunningen Besluit (c.q. de desbetreffende bijlage bij de Wabo). Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

5.4.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

5.4.5 Goede ruimtelijke ordening

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen de effecten van alle geluidbronnen (Wgh-bronnen (in dit geval wegverkeerslawaai) en de niet Wgh-bronnen (o.a. 30 km/uur wegen en de bijdrage t.g.v. bestaande garagebedrijven (industrielawaai) cumulatief te worden beschouwd.

De gecumuleerde geluidsbelasting wordt hoofdzakelijk bepaald door de optredende geluidbelasting t.g.v. wegverkeer op de Condorstraat en de Korhoenstraat aan de voorzijde van de nieuwe woningen en door industrielawaai aan de achterzijde van de nieuwe woningen. De indicatief, berekende gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 55 dB. Dit betekent dat sprake is van een aanvaardbaar, akoestisch woon- en leefklimaat.

5.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 8 nieuwe woningen. Het plan kan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), aanwezig. Vanuit de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen, bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

5.6 Geur

5.6.1 Industriële geur

In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

5.6.2 Agrarische geur

In en om het plangebied worden geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

5.7 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

Voor de locatie Condorstraat-Korhoenstraat zijn in het verleden verschillende onderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken is naar voren gekomen dat er enkele sterke verontreinigingen zijn geconstateerd. Sommige van deze verontreinigingen kunnen gezien worden als verhoogde achtergrond waardes. Echter de verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten niet.

Aan de hand van naderonderzoek is de omvang van deze verontreiniging geschat op 6,5 m3 grond en 12,5m3 grondwater. Hierdoor is er geen soprake van een geval van ernstige bodem verontreiniging en is er ook geen spoed tot saneren.

Bedrijfsactiviteiten

In het verleden zijn er op locatie verschillende bedrijven gevestigd geweest, zoals een machine groothandel en garage. De aangetroffen verontreiniging zou veroorzaakt kunnen zijn door deze bedrijvigheden.

Ondergrondse tank.

Op 10 december 1998 is er één ondergrondse tank gesaneerd met KIWA-certificaat. Na reiniging is de tank verwijderd. de bodem op locatie bleek zintuiglijk schoon te zijn.

Aanbeveling

Aan de hand van de beschikbare resultaten kan worden gesteld dat de aangetroffen verontreiniging niet als ernstig geval dient te worden beschouwd. Echter bij graaf en/of bouwwerkzaamheden ter plaatse van de verontreiniging bevelen wij aan om de bodem door een gecertificeerd aannemer onder toezicht van een milieukundige begeleiden te laten saneren.

5.8 Natuur en Ecologie

5.8.1 Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van de Ecologische Hoofdstructuur en beschermde soorten (Flora- en faunawet).

Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

5.8.2 Beleid m.b.t. gebieds- en soortenbescherming
  • Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

Er zijn drie mogelijkheden:

  • 1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.
  • 2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.
  • 3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

Analyse plangebied

Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op ruim 3 km van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen, omdat het plangebied op een ruime afstand van dit dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt en de voorgenomen ontwikkelingen lokaal van aard zijn en in beperkte mate functieverandering aan de orde is.

  • Ecologische Hoofdstructuur

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) begrensd. De EHS is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot de EHS is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot de EHS.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van de EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Ecologische Hoofdstructuur. De dichtstbijzijnde EHS (Oostplas e.o.) is gelegen ten zuiden van de snelweg (A58), op circa 1200 meter van het plangebied.

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significante negatieve effecten hebben op de Ecologische Hoofdstructuur in de omgeving, omdat er maar beperkt sprake is van functiewijziging en de dichtstbijzijnde EHS op ruime afstand is gelegen. De (tijdelijke) sloop- en bouwwerkzaamheden zullen ook geen significante negatieve effecten hebben op de dichtstbijzijnde EHS.

  • Kadernota Groene Mal

In de Kadernota Groene Mal is het beleid ten behoeve van behoud en ontwikkeling van een duurzaam functionerende ecologische structuur rondom de stad Tilburg en de kernen Berkel-Enschot en Udenhout vastgelegd. De Groene Mal is een doorvertaling van de EHS naar de Tilburgse situatie. Met name de ecologische verbindingen tussen bestaande bos- en natuurgebieden zijn binnen de Groene Mal sterk(er) aangezet. Doel van de Groene Mal is het sturen van de verstedelijking. Aantasting van natuurgebieden wordt zoveel mogelijk voorkómen. Onvermijdbare incidentele ingrepen zullen gecompenseerd worden, bij voorkeur in daartoe aangewezen zoekgebieden binnen de Groene Mal. Het bestemmingsplan vormt het juridisch kader voor de realisering en bescherming van de Groene Mal.

Analyse plangebied

Het plangebied maakt geen deel uit van de Groene Mal. De Ecologische Hoofdstructuur ter plaatse van de Oostplas daarentegen wel. Vanuit Groene Mal-beleid zijn geen aanvullende beschermingsmaatregelen - naast bovengenoemde EHS-bescherming - aan de orde.

Conclusie

Er zijn geen significante negatieve effecten op de Groene Mal aan de orde.

  • Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

Analyse plangebied

Uit natuuronderzoek (uitgevoerd in 2012, zie bijlage) is naar voren gekomen in het plangebied wel fouragerende vleermuizen maar geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen. De geplande werkzaamheden hebben geen significant nadelige invloed op de gunstige staat van instandhouding van vleermuizen die in de omgeving fourageren. Ook is gebleken dat in het plangebied geen broedterritoria van de huismus of andere beschermde vogelsoorten zijn geconstateerd.

Elders in de Vogeltjesbuurt zijn wel broedterritoria van huismus en kauw aangetroffen, maar deze worden door de ontwikkelingen in het plangebied niet nadelig beïnvloed.

Conclusie

Op basis van veldonderzoek, literatuuronderzoek en deskundigenoordeel is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en faunawet nodig voor de ontwikkelingen in het plangebied.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

6.1 Bestaand watersysteem

6.1.1 Gebiedskenmerken

Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Beneden Dommel en Zandleij en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap de Dommel.

Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van ongeveer 880 m². In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg volledig bebouwd en de terreinhoogte is ongeveer 14,20+. Uit globaal onderzoek blijkt de grondopbouw over het algemeen te bestaan uit sterk lemig matig fijn zand. Door de aanwezigheid van de leemlenzen kunnen lokaal schijngrondwaterspiegels ontstaan.

6.1.2 Bodem en grondwater

De maatgevende grondwaterstand ligt op ca. 11,60 m + NAP. Met maatgevende grondwaterstanden ongeveer 1 m onder het maaiveld is de ontwatering in de bestaande situatie voldoende.

6.1.3 Oppervlaktewater

Nabij het plangebied ligt geen oppervlaktewater van belang.

6.1.4 Riolering

In de bestaande situatie ligt een gemengd rioolstelsel onder de Condorstraat. Het vuil- en regenwater worden gezamenlijk verzameld, en vanaf de perceelgrens aangesloten op de gemengde hoofdriolering. Het afvalwater stroomt af naar de zuiveringsinstallatie Tilburg, in beheer van het waterschap De Dommel.

6.2 Duurzaam stedelijk water

Beleidskader

De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzaam waterbeheer. Belangrijk in deze aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave.

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen zijn regionaal vastgesteld in het Stroomgebiedbeheersplan Maas. De grondwatervoorraad moet stabiel zijn en natuurgebieden mogen niet verdrogen door een te lage grondwaterstand.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21), -kwaliteit en ecologie (KRW).

Wat het regionale beleid betreft, beheert Rijkswaterstaat het Wilhelminakanaal, de provincie de grondwatervoorraden en de waterschappen het oppervlaktewater. Het Provinciale Waterplan 2010 - 2015 beschrijft het strategische waterbeleid. De uitvoering van de Europese KRW-doelstellingen is daarin opgenomen. Parallel aan het provinciale beleid, zoeken de waterpartners samen met de betrokken landbouw-, natuur- en andere organisaties samen naar passende oplossingen om deze KRW-doelstellingen te realiseren.

Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Krachtig Water' 2010 - 2015 vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2010 - 2015 en het bovengenoemde Provinciale Waterplan 2010 - 2015. Het plan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap, en maakt een indeling in zes thema's: droge voeten, voldoende water, natuurlijk water, schoon water, schone waterbodem en mooi water. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de verordening Keur waterschap De Dommel (datum intrede 22 december 2009), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR), met daarin opgenomen het GRP voor de periode 2010 - 2015, met een visie voor de komende 30 jaar. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De SWR vervangt het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en het Gemeentelijk Rioleringsplan (2005-2009), en werkt de nieuwe wet- en regelgeving uit, voornamelijk wat de nieuwe zorgplichten betreft voor het regen- en grondwater, en het actuele rijks-, het provinciale en het regionale beleid.

De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte:

  • streven naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem;
  • optimalisatie van de waterketen; zuinig en efficiënt gebruik van water;
  • vergroten van de belevings-, ecologische, economische en recreatieve waarde van water.

Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers, gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren. Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe.

Afwegingen

De ontwikkeling betreft de sloop van oude en de bouw van nieuwe woningen. In de huidige situatie is het terrein volledig verhard, in de toekomstige situatie worden delen van de percelen onverhard tuin. Hiermee zijn er geen significante effecten voor het watersysteem.

De locatie is niet gelegen in een afkoppelgebied, de gemeente heeft in het vastgestelde beleid van de SWR geen voornemens om het regenwater af te koppelen van het gemengde riool. Voor het plangebied gelden de algemene doelstellingen uit de SWR voor de gehele gemeente.

Watersysteem

Voor het watersysteem in het plangebied gelden de volgende randvoorwaarden:

  • bij de inrichting van het plan dient men rekening te houden met de bestaande terreinhoogte van het openbaar gebied en de aangrenzende percelen;
  • de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen is voldoende voor het gebruik van het bouwdeel;
  • het toepassen van uitlogende materialen is uitgesloten;
  • het vuil- en hemelwater worden inpandig gescheiden ingezameld en per perceel aan de perceelgrens aangeboden voor aansluiting op de gemeentelijke riolering;
  • de aansluitleidingen worden aangesloten op de bestaande riolering in de Condorstraat en de Korhoenstraat.

6.3 Watertoets

Aangezien er geen sprake is van waterbelangen in het plangebied, hebben waterschap De Dommel en gemeente besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Hierdoor wordt deze waterparagraaf direct verwerkt in het ontwerpplan, zoals in eerder gemaakte afspraken om het vooroverleg vereenvoudigd te volgen. Het waterschap heeft dan ook geen voorlopig wateradvies. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt dan ook (direct) verstrekt bij de terinzagelegging.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.

7.2.1 Bouwvlak en erf

De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit bestemmingsplan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.

Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.

In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.

Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

7.2.2 Voorgevelrooilijn

De Bouwverordening kent grote waarde toe aan de voorgevelrooilijn als stedenbouwkundig element: de lijn waarin gebouwd moet worden. De voorgevelrooilijn is in dit bestemmingsplan omschreven als ´de voorste, naar het openbaar gebied toegekeerde lijn die het bouwvlak begrenst´. In de bouwregels wordt aangeven wanneer er sprake is van een voorgevelrooilijn.

7.2.3 Bouwdiepte

Conform de regeling in de Bouwverordening is de bouwdiepte gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. In het algemeen is de achterste begrenzing van het bouwvlak bepaald door de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen in het betreffende bouwblok. Indien sprake is van een bouwstrook is de bouwdiepte bepaald door de helft van de diepte van de bouwstrook, gelegen achter de voorgevelrooilijn. In beide gevallen wordt als maximum gehanteerd een diepte van 12 m. Gelet op de specifieke situatie of vanuit stedenbouwkundige overwegingen kan voor het bepalen van de achtergevelrooilijn van deze richtlijn worden afgeweken.

7.2.4 Bouwhoogte

Op grond van historisch/morfologische interpretatie worden de volgende gebiedstypen onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte:

  • 1. Hoofdstructuur oude gebieden, onderverdeeld in:
    • a. Linten van de 1e orde;
    • b. Linten van de 2e orde.
  • 2. Hoofdstructuur nieuwe gebieden;
  • 3. Overige gebieden.

Langs de 'Hoofdstructuur oude gebieden' wordt, indien sprake is van een lint van de 1e orde, een maximale hoogte toelaatbaar geacht van 15 m. Indien sprake is van een lint van de 2e orde, is de maximaal toelaatbare hoogte 11 m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15 m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10 m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2013012-e001_0011.jpg"

7.2.5 Goothoogte

De toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn is in het algemeen gerelateerd aan de straatbreedte. De toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tussen de achtergevelrooilijnen. De formule ter bepaling van de goothoogte in de voorgevelrooilijn kan als volgt worden omschreven: de straatbreedte (gemeten van gevel tot gevel) + 1 m met een maximum van:

  • 15 m bij linten van de eerste orde;
  • 15 m bij de hoofdstructuur nieuwe gebieden;
  • 11 m bij linten van de tweede orde;
  • 10 m bij de overige gebieden.

In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd.

7.2.6 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied:

  • 1. oppervlakte:
    • a. 20 m2 indien erf kleiner is dan 50 m2;
    • b. 40% van erf met maximum van 60 m2 bij erf tussen de 50 m2 en 500 m2;
    • c. 80 m2 bij erf tussen de 500 m2 en 1000 m2;
    • d. 100 m2 bij erf vanaf 1000 m2.
  • 2. bouwhoogte: maximaal 3 m bij plat dak, bij schuin dak goothoogte maximaal 3 m en bouwhoogte maximaal 4,5 m.

Met omgevingsvergunning inzake binnenplans afwijken van de bouwregels is ten behoeve van mantelzorg een grotere oppervlakte mogelijk.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.

Bestemmingen

In het plangebied komt alleen de bestemming 'Wonen' voor. Voor het achtererf is de aanduiding 'erf' opgenomen. Van 'onbebouwd erf' is binnen het plangebied geen sprake.

Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen, etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.

Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
Vaak heeft het college de bevoegdheid om met in achtneming van de daarvoor geldende voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of afwijking van de bouwregels toe te staan.

Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

Anti-dubbeltelregel

Artikel 4 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

Algemene bouwregels

Artikel 5 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen en een regeling over de ruimte tussen gebouwen.

Algemene gebruiksregels

In artikel 6 staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.

Algemene aanduidingsregels

In artikel 7 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.

Binnen het plangebied is sprake van de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone'. Vanwege de aanvliegroute van vliegveld Gilze - Rijen is de hoogte beperkt.

Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 8.

Algemene wijzigingsregels
Een algemene wijzigingsbevoegdheid staat in artikel 9, o.a. met betrekking tot reconstructie van oude complexgewijze bebouwing, schrappen van functieaanduidingen en uitwisseling van functieaanduidingen, het toelaten van diverse functies binnen de woonbestemming, wijziging van de bestemmingsgrenzen en het toelaten van utiliteitsvoorzieningen met een oppervlak groter dan 50 m2.

Overige regels
Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn burgemeester en wethouders middels artikel 11 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangs- en slotregels

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangs- en slotregels´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Uitvoerbaarheid

De gronden binnen het exploitatiegebied zijn eigendom van de gemeente Tilburg. Een deel van de gronden is momenteel in erfpacht uitgegeven aan Tiwos. Voor de gronden die door de gemeente in erfpacht zijn uitgegeven aan Tiwos zijn de bepalingen van toepassing zoals vastgelegd in de overeenkomst 'Verzelfstandiging Gemeentelijk Woningbedrijf'. Hierin is bepaald dat, indien er opstallen worden gesloopt, het erfpachtrecht voor de desbetreffende grond wordt beëindigd, waarbij de grond onbelast naar de gemeente komt. De gemeente zal vervolgens de grondexploitatie geheel uitvoeren. Naar verwachting levert deze grondexploitatie een tekort op van € 4,5 mln. Dit tekort wordt geheel gedekt door bijdragen uit de herstructureringsreserve.

Voor de bestemmingsplanherziening zijn leges verschuldigd. De verschuldigde leges zijn bij de initiatiefnemer (Tiwos) in rekening gebracht. Bij de daadwerkelijke grondverkoop aan Tiwos zal het legesbedrag in mindering worden gebracht op de te betalen grondprijs. Hiermee is in de berekening van het tekort van de grondexploitatie rekening gehouden.

De eventuele tegemoetkoming in planschade voortvloeiende uit de ontwikkeling van de locatie zal ten laste van de grondexploitatie Vogeltjesbuurt worden gebracht indien hiervan sprake is.

Het plan is economisch uitvoerbaar en omdat het uitsluitend gemeentegronden handelt is er geen exploitatieplan benodigd.

Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan 'Groenewoud 2008, 5e herziening (Condorstraat-Korhoenstraat)' op 11 mei 2013 gepubliceerd in het Stadsnieuws.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het plangebied voor het herzieningsplan is gelegen in stedelijk gebied. Het project ten behoeve waarvan het herzieningsplan wordt opgesteld, maakt onderdeel uit van de herstructurering van de Vogeltjesbuurt (sloop en herbouw woningen) en heeft een beperkte ruimtelijke impact. In casu worden 11 bestaande grondgebonden gesloopt waarvoor 8 grondgebonden woningen worden herbouwd. Er zijn dan ook geen provinciale of rijksbelangen mee gemoeid. Met deze overheden is dan ook geen vooroverleg gevoerd.

Het waterschap De Dommel heeft ingestemd met de waterparagraaf.

9.3 Burgerparticipatie

In opdracht van woningbouwcorporatie Tiwos heeft KAW architecten in 2011 een stedenbouwkundig plan gemaakt voor de herstructurering van de Vogeltjesbuurt. Tiwos, de gemeente Tilburg en KAW architecten hebben de buurtbewoners vroeg betrokken bij het opstellen van de uitgangspunten en het maken van het plan. Communicatiebureau B-in motion heeft daarnaast ook intensief contact met de bewoners gehouden en zo de betrokkenheid en het draagvlak bevordert. De herstructurering bestaat uit groot onderhoud, renovatie en sloop nieuwbouw/renovatie door Tiwos. De gemeente Tilburg is verantwoordelijk voor herinrichting van het openbaar gebied.

Uitgangspunt van het stedenbouwkundig plan is "bouwen voor en met de buurt". Daarom zijn De gemeente Tilburg, Tiwos en KAW architecten in 2011 de wijk ingegaan om van de bewoners zelf te horen wat hun wensen zijn. Deze wensen zijn meegenomen in het plan. De inrichting van het openbaar gebied is eveneens voor een groot deel samen met de bewoners bepaald.

De gemeente en Tiwos hebben de bewoners vanaf het begin betrokken bij het maken van de plannen. De buurtparticipatie heeft zich gericht op het uitwerken van de plannen en het informeren over praktische zaken bij de uitvoering van de plannen.

  • Er is doorlopend overleg geweest met de contactgroep buurtbewoners waarmee de plannen zijn besproken. Elke 4 weken is er contact geweest met ingestelde klankbordgroepen uit de buurt.
  • Er is regelmatig een buurtbrief verspreid om bewoners te informeren
  • Er is een informatiehuis opengesteld. Hier werden wekelijks spreekuren gehouden.
  • Er zijn diverse informatieavonden en themabijeenkomsten georganiseerd. Hiernaast heeft in maart jl. een informatiemarkt plaatsgevonden waarvoor alle bewoners uitgenodigd zijn en waar de plannen wederom uitgebreid aan de orde zijn gekomen. Eenzelfde informatiemarkt zal in september weer plaatsvinden.

9.4 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 13 januari 2014 tot en met 24 februari 2014. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.