direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kempenbaan 2
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Het Bastionhotel op de hoek van de Kempenbaan en de IJsclubweg is in 1993 gerealiseerd. Om beter op de vraag vanuit de markt te kunnen reageren is er de behoefte het hotel te herontwikkelen. Ter vervanging van het bestaande hotel met 40 kamers wordt een nieuw hotel gebouwd met in totaal 105 kamers. Het nieuwe hotel kent een andere bouwkundige opzet dan het bestaande: van een laag, uitgestrekt gebouw wordt het veranderd in een compact, hoog gebouw. Aangezien het bouwplan niet te vergunnen is binnen de kaders van het ter plaatse geldende bestemmingsplan is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de herontwikkeling van het bestaande Bastion hotel aan de Kempenbaan 2. Het betreft het perceel nummer 1228 dat in eigendom is van Bastion Tilburg BV.

De herontwikkeling gaat uit van een hoger bouwvolume en een vergroting van het eigen terrein ten behoeve van parkeren. Ten noorden van het plangebied is een nieuwe verkeerskundige inrichting voorgesteld door de gemeente. Het te realiseren hotelvloeroppervlak bedraagt na de herontwikkeling nog maar de helft van wat het voorheen geldende bestemmingsplan toestond (van 12.900 m2 bvo naar 6.590 m2 bvo).

Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en he beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat ca. 4.400 m² en wordt globaal begrensd door de Meierijbaan in het noorden, de IJsclubweg in het zuiden en de Kempenbaan in het westen. Een bedrijfsperceel vormt de oostelijke begrenzing.

Op de onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0001.png"

Afbeelding: plangebied bestemmingsplan 'Kempenbaan 2'

1.3 Voorgaande plannen

Voor de gronden van het Bastion hotel en het bijbehorende (parkeer) terrein zijn, tot de inwerkingtreding van het nieuwe in voorbereiding zijnde bestemmingsplan 'Kempenbaan 2', de bestemmingsplannen 'Kempenbaan West 2013' en 'Piushavengebied 2009' van kracht.

De gemeente dient op 1 juli over bestemmingsplannen te beschikken die niet ouder zijn dan 10 jaar. Aangezien het nieuwe bestemmingsplan voor het Bastion hotel niet vóór 1 juli 2013 in werking zal treden is ervoor gekozen om de huidige planologische situatie van het perceel aan de Kempenbaan 2 in het bestemmingsplan 'Kempenbaan West 2013' over te nemen. Hiermee wordt voor dit perceel aan de actualisatieplicht voldaan.

Bestemmingsplan Kempenbaan West 2013

Voor het grootste deel het onderhavige plangebied vigeert momenteel het bestemmingsplan 'Kempenbaan West 2013'. Dit plan is door de gemeenteraad op 10 juni 2013 (gewijzigd) vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0002.png"

Afbeelding: Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Kempenbaan West 2013'.

Het plangebied van de nieuwe hotelontwikkeling valt in hoofdzaak binnen de bestemming 'Horeca'. De erfgrens van Bastion loopt tot het voetpad langs de weg naar het voormalige P+R terrein.

In de bestemming 'Horeca' is onder anderen een hotel toegestaan. Het grootste deel van de bestemming 'Horeca' mag volledig bebouwd worden. De goot- en nokhoogte bedraagt over het algemeen 12 respectievelijk 15 meter en in de zone aan de zuidzijde van het perceel 6 respectievelijk 9 meter.

Op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan mocht 100% van het bouwvlak bebouwd worden. Dat had een oppervlakte van circa 2.800 m2 waarvan 2.100 m2 met een goothoogte van 12 meter kon worden bebouwd (=4 bouwlagen) en een nokhoogte van 15 meter (kap = 50%). Een grondoppervlakte van 700 m2 kon worden bebouwd met een goothoogte van 6 meter en een nokhoogte van 9 meter. Het bruto vloeroppervlak dat kon worden gebouwd was dus (4 x 2.100 m2 + 0,5 x 2.100 m2 = 9.450 m2) + (2 x 1.400 m2 + 0,5 x 1.400 m2 = 3.500 m2 ) = in totaal 12.900 m2.

Bestemmingsplan Piushavengebied 2009

Ter plaatse van het noordelijk deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan Piushavengebied 2009. Dit bestemmingsplan is op 19 juli 2010 door de gemeenteraad vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0003.png"

Afbeelding: Uitsnede bestemmingsplan Piushavengebied 2009

Het toekomstig parkeren valt voor een deel binnen de bestemming Verkeer-Verblijf. Deze gronden zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen ten behoeve van wegverkeer en verblijf (waaronder parkeren), groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen en bouwwerken van algemeen nut. Tevens bevindt zich hier een zone met een wijzigingsbevoegdheid. Burgemeester en wethouders kunnen hier onder voorwaarden ook woningen (gestapeld), maatschappelijke voorzieningen en groen mogelijk maken.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Ruimtelijke structuur

Het plangebied ligt aan de zuidoostelijke rand van Tilburg net buiten de Ringbaan. Bij de kruising van de Kempenbaan met de Ringbaan Zuid en Ringbaan Oost komen meerdere vormen van verstedelijking en het buitengebied samen. De IJsclubweg is een landelijke weg met grote bomen die het sportcomplex 'Were di' ontsluit en door het Wilhelminakanaal geen rechtstreeks vervolg naar het buitengebied heeft. Het sportcomplex 'Were di' voorziet in voetbal, hockey, tennis, Jeu de Boules en Beachvolleybal.

De deels parallel aan de Kempenbaan gelegen Koningshoeven is een historisch lint. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de Meierijbaan. De Ringbaan Zuid vormde tezamen met de Meierijbaan de verbinding met Eindhoven. Inmiddels heeft de autosnelweg A65 deze functie overgenomen en is de Meierijbaan nog slechts in gebruik als busbaan en fietsverbinding. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een openbare parkeerplaats, het voormalig 'Transferium Kempenbaan'.

Op de onderstaande afbeelding is een luchtfoto van het plangebied en directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0004.png"

Afbeelding: luchtfoto plangebied en directe omgeving

2.2 Functionele structuur

Noordwestelijk van het plangebied bevindt zich een bedrijvencomplex en vooroorlogse woonbebouwing. Het Leijpark ligt ten westen van het plangebied. Hier bevindt zich langs de Kempenbaan en de Ringbaan-Zuid het Cenakel. Het Cenakel was oorspronkelijk gebouwd als klooster, later fungeerde het complex als conservatorium. Eind vorige eeuw is het complex uitgebreid en omgebouwd tot luxe appartementencomplex. De opvallendste toevoegingen bij deze operatie zijn de twee bijna 60 meter hoge woontorens. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een bedrijfsperceel. Ten zuiden en oosten langs de IJsclubweg zijn diverse laagbouwwoningen aanwezig.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.2 Rijk en provincie

Volgens de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is het plan gelegen in bestaand stedelijk gebied. Er spelen geen provinciale of rijksbelangen. Derhalve wordt het ruimtelijk beleidskader op provinciaal en rijksniveau (provinciale Verordening Ruimte en de Barro) niet besproken.

Het plan is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 8.1 van de toelichting wordt hier nader op ingegaan.

3.3 Gemeente

3.3.1 Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020

De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is een integraal ruimtelijk plan voor de gehele gemeente Tilburg. Deze visie is de opvolger van het 'Stadsbeheerplan Tilburg' uit 1990. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling en onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente Tilburg op de gebieden wonen, werken, voorzieningen, recreatie, mobiliteit, natuur, water en landbouw tot 2020. 'Tilburg, stad van contrasten' vormt het leidende thema voor de ruimtelijke ontwikkeling en dus het ruimtelijk beeld in de toekomst; contrasten tussen stad en landschap, tussen de stad en de omliggende dorpen, maar ook tussen de stedelijke en de dorpse elementen in de stad. De ruimtelijke contrasten, die Tilburg karakteriseren, maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar. Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van de andere grote steden in Noord-Brabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving.

De speerpunten van de Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende:

  • a. Het buitengebied van Tilburg is gevarieerd en wordt behouden en verder versterkt;
  • b. Primair wordt de invulling van de verstedelijkingsopgave gezocht in het bestaand stedelijk gebied (binnen de tangenten). Soms is benutting van het buitengebied echter onvermijdelijk, bijvoorbeeld om de vereiste variatie in woonmilieus aan te bieden. Ruimtelijke ingrepen in het buitengebied zijn altijd kleinschalig en worden alleen gerealiseerd op die plaatsen die op grond van de bestaande kwaliteiten van water, bodem, ecologie en cultuurhistorie zijn geselecteerd;
  • c. De kenmerkende ruimtelijke structuur van oude linten en historische driehoekige pleinen blijft altijd herkenbaar. Op enkele plaatsen in de stad wordt op verantwoorde wijze geïntensiveerd. Op plekken met een hoge dynamiek is hoogbouw toegestaan;
  • d. De noodzakelijke intensivering van het stedelijk gebied mag niet ten koste gaan van het structurele groen in de stad.

De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2005.

Het voorliggende bestemmingsplan sluit aan op verschillende beleidsuitgangspunten van de Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020. De herontwikkeling van het Bastion hotel draagt bij aan het ontwikkelen van grootstedelijke elementen in de bestaande stad, om de stedelijkheid te vergroten dan wel zichtbaar te maken. Ook wordt in de nieuwe situatie beter aangesloten op de omliggende bestaande stedenbouwkundige patronen, zoals de twee woontorens in het Leijpark.

3.3.2 Overige gemeentelijke structuurvisies

Tilburg kent één thematische structuurvisie, de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Hierin is opgenomen het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), waarin Tilburg haar beleidsmatige invulling geeft aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in de structuurvisie. In hoofdstuk 6 'Wateraspecten' wordt uitgebreid ingegaan op de wateraspecten van het voorliggende plangebied.

Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

4.2.1 Hoogbouw

Het gemeentelijke hoogbouwbeleid is opgenomen in de Handreiking Hoogbouw die op 29 oktober 2007 is vastgesteld door de gemeenteraad.

De gemeente Tilburg staat positief tegenover hoogbouw. Hoogbouw stimuleert de bedrijvigheid, draagt bij aan functiemenging, zorgt voor herkenbaarheid, de leesbaarheid van de stad, kan bijdragen aan de verbetering van de openbare ruimte en zorgt voor het zuinig omgaan met ruimte.

Onder hoogbouw worden gebouwen hoger dan 15 meter verstaan. Hoogbouw kan niet overal in de stad. De gemeente Tilburg geeft in de Handreiking Hoogbouw aan waar zij in de stad op de lange termijn hoogbouw wenselijk acht. Dit is aangegeven op een prioriteitenkaart. Met rood is het voorkeursgebied aangegeven, met geel het gebied waar hoogbouw overwogen kan worden en met grijs de gebieden waar hoogbouw ongewenst is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0005.jpg"

De plekken waar hoogbouw het overwegen waard is, zijn gebieden langs de hoofdinfrastructuur zoals de Ringbanen, gebieden langs stadsranden en groenranden zoals de Piushaven, het St. Elisabeth Ziekenhuis en het Wandelbos en de (winkel)centra Wagnerplein, Paletplein, Heyhoef en De Knoop.

Het voorliggende plangebied is op de prioriteringskaart aangewezen als 'Hoogbouw mogelijk'. In aansluiting op de Handreiking Hoogbouw is het derhalve noodzakelijk een 'Ruimtelijke Onderbouwing Hoogbouw' op te stellen. In de 'Ruimtelijke Onderbouwing Hoogbouw - Kempenbaan 2' is het bouwplan getoetst op o.a. windhinder, uitzicht en privacy. Ook wordt ingegaan op schaalsprong en verkeer en parkeren.

De onderbouwing is opgenomen als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde nieuwbouw aansluit op de uitgangspunten van het hoogbouwbeleid. De hoogbouw bevindt zich langs een knooppunt van de Kempenbaan met de Ringbaan Zuid en Ringbaan Oost. De hoogbouw bevindt op de overgang naar het buitengebied, langs een hoofdweg en op belangrijke kruispunt. De hoogbouw blijft hierbij ondergeschikt aan de twee woontorens van het Cenakel als markering naar de binnenstad.

Schaduwwerking

Ten behoefte van het voorliggende bestemmingsplan is een schaduwstudie uitgevoerd. De studie bestaat uit twee onderdelen. Er is een schaduwstudie uitgevoerd met de bouwmogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan 'Kempenbaan West 2013' en het voorliggende bestemmingsplan 'Kempenbaan 2'. De schaduwstudie is opgenomen als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan.

De schaduwstudie heeft uitgewezen dat de hogere bouwhoogte door de grotere afstand (ten opzichte van de omliggende bebouwing) en het kleinere bouwvlak geen significant effect heeft op de bezonning van woningen in de omgeving. Wel zou de toegestane erfbebouwing op enkele momenten voor een geringe toename van de schaduwwerking kunnen zorgen. De omvang is echter zeer beperkt en heeft alleen betrekking op de gronden van het aangrenzende woon- en bedrijfsperceel. Bovendien kon binnen het geldende bestemmingsplan vergunningvrij óók erfbebouwing worden gerealiseerd nabij de IJsclubweg 65. Over het algemeen verbeterd de bezonning van omliggende objecten en bijbehorende terreinen.

4.2.2 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo bepaalt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.

Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.

In het kader van de voorliggende bestemmingsplanprocedure zal de omgevingscommissie toetsen of het bouwplan binnen het gegeven stedenbouwkundig kader voldoet aan redelijke eisen van welstand.

4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

4.3.1 Archeologie
4.3.1.1 Nota ´Grond voor het verleden´

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  • 1. De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
  • 2. De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' (2007) is het beleidsplan voor het Tilburgse archeologiebeleid.

4.3.1.2 Archeologisch onderzoek

Archeologisch adviesbureau ADC ArcheoProjecten heeft in oktober 2012 ten behoeve van de nieuwbouw van een Bastion Hotel en bijgaande herinrichting van het terrein een Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Kempenbaan 2 te Tilburg. Het onderzoek (ADC Rapport 3223, d.d. 16 oktober 2012) is op genomen als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan.

Het inventariserende veldonderzoek is uitgevoerd op basis van het archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek uit 2007 dat voor het bestemmingsplan 'Leijpark-Koningshoeven 2008' is uitgevoerd. In het archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek (1572-3194-2007/80, Groenewoud- Koningshoeven, d.d. 3-07-2007) uit 2007 is aangegeven dat er ter plaatse van het plangebied mogelijk sprake is van een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Op basis van het bureauonderzoek kunnen archeologische resten worden verwacht uit Steentijd tot en met de Nieuwe tijd indien sprake is van een intact bodemprofiel. In het plangebied is in het Inventariserend veldonderzoek echter een omgewerkt bodemprofiel aangetroffen. De bodem ter hoogte van het Bastion Hotel is verstoord. In het Inventariserend veldonderzoek wordt aangegeven dat aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.

Mocht er tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische vondsten worden gevonden geldt de wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 53 van de Monumentenwet.

4.3.2 Cultuurhistorie en monumentenzorg

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

Waardevolle objecten en structuren

In het plangebied zelf bevinden zich geen waardevolle en/of kenmerkende objecten.

De omgeving van het plangebied werd tot ver in de twintigste eeuw doorkruist door verschillende wegen en paden, die mogelijk teruggaan op een zeer oud padenpatroon. Bij de realisatie van het Leijpark, het Sint Elisabethziekenhuis en de Kempenbaan is een deel van het netwerk van wegen en paden verloren gegaan. Het tracé van enkele van deze wegen en paden is tot op heden nog herkenbaar in het huidige wegenpatroon.

Het Leijpark direct ten westen van het plangebied heeft, als stadspark in Engelse landschapsstijl, een bijzondere historische geografische waarde.

Conclusie

In het plangebied zelf bevinden zich geen waardevolle en/of kenmerkende objecten.

4.4 Groen en speelruimte

4.4.1 Bomennota Tilburg boomT

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Om deze reden is de Boomwaardezoneringskaart (Bwz-kaart) opgesteld, die deel uitmaakt van de Bomennota Tilburg boomT. Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare bomen in het stedelijk gebied van de gemeente Tilburg. Op de Bwz-kaart worden de boomzones die belangrijk zijn voor de structuur van de stad weergegeven; zones met bomen met een hoofdwaarde, nevenwaarde, basiswaarde of stadsecologie. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderhoud en beheer en straatbeeld. Door middel van de Bwz-kaart wordt duidelijk waar er kansen liggen voor openbare bomen; bomen die op de Bwz-kaart staan krijgen extra bescherming, intensiever onderhoud/beheer, bescherming tegen kap, herplantplicht e.d..

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0006.png"

Afbeelding: Boomwaardezoneringskaart

Maatregelen in bestemmingsplan

De Bwz-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen in de bestaande stad waar huidige openbare bomen mee gemoeid zijn. De bomen binnen het voorliggende plangebied zijn aangeduid als 'Basiswaarde'. Het westelijk gelegen Leijpark is aangewezen als 'Hoofdwaarde'.

Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Boomwaardezoneringskaart weergegeven. De locatie van het voorliggende plangebied is globaal aangegeven met de rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0007.jpg"

Afbeelding: uitsnede Boomwaardezoneringskaart

Stadsbomen aangeduid als 'Basiswaarde' zijn van belang voor de verschillende Tilburgse wijken en buurten. De bomen verfraaien de straat en verhogen de leefomgeving, maar hebben geen bijzonder structuurbepalend functie. De kwalificatie 'Basiswaarde' wil echter niet zeggen dat de bomen geen waarde hebben. Wel kan de keuze anders uitvallen als de bomen problemen (overlast) gaan krijgen of veroorzaken. Bij ernstige overlast is kappen van de boom bijvoorbeeld een optie. Tevens kan worden overwogen geen extra verzorgingsmaatregelen te treffen, maar bijvoorbeeld een nieuwe boom te planten. Ook kan het zo zijn dat het niet mogelijk is een nieuwe boom op dezelfde locatie te planten. Herplant is het uitgangspunt.

Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de bomeninventarisatie opgenomen. De Bomennota Tilburg boomT schrijft voor dat bebouwing bij bomen van de 1e grootte 8 meter verwijderd dient te blijven. 2 Bomen (italiaanse piopulieren, 382 en 383) komen te dicht op de toekomstige bebouwing te staan. Deze 2 bomen maken deel uit van een basiswaardewaarde en zijn niet monumentaal. Gezien de grondtransactie komen twee andere bomen (1 inlandse eik en 1 esdoorn, 380 en 381) in toekomstige situatie in beheer bij Bastion. Deze bomen blijven behouden in het maaiveldontwerp.

In hoofdstuk 5.7 'Natuur en ecologie' wordt nader ingegaan op de natuurwaarden van de binnen het plangebied aanwezige bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0008.png"

Afbeelding: bomeninventarisatie

4.4.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  • 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
  • 2. Het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
  • 3. Het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 wordt het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

In hoofdstuk 5.7 wordt nader ingegaan op natuur en ecologie.

4.5 Horeca

Doelstellingen van de Horecanota ´Over smaak valt best te twisten´ (2006) zijn:

  • 1. Actualiseren van en inzicht geven in de hoofdlijnen van het gemeentelijk horecabeleid in relatie tot andere voor de horeca van belang zijnde beleidsterreinen en of -aspecten;
  • 2. Het geven van inzicht in de toepasselijke wet- en regelgeving ten aanzien van de horeca;
  • 3. Het vormen van een objectief en duidelijk toetsingskader voor beoordeling van aanvragen voor vergunningen ook in relatie tot bijvoorbeeld monumentenzorg en welstand;
  • 4. Het bereiken van een dynamisch evenwicht tussen de bescherming van het woon- en leefklimaat en het zo goed mogelijk benutten van de sociaal-recreatieve en economische waarde van de horeca;
  • 5. Inzicht geven in en voorstellen doen voor versterking van de economische positie van de horeca in de gemeente;
  • 6. Het benoemen van onderwerpen voor aanvullend beleid, welke in de vorm van modules aan deze nota worden toegevoegd.

In de nota is het beleid voor (nieuwvestiging van) horecabedrijven, buiten het zogenaamde horecaconcentratiegebied, sterk aan banden gelegd. De nota onderscheidt drie - in zwaarte oplopende - categorieën horeca. Tot de categorie ´horeca 1´ worden cafés, restaurants, koffieshops, lunchrooms, brasserieën, cafetaria's, snackbars etc. met een maximum vloeroppervlak van 150 m2 gerekend. Ook de horeca die een inpandig onderdeel uitmaakt van winkels of binnen hetzelfde sluitingsregime van de detailhandel valt, behoort tot deze categorie.
Tot ´horeca 2´ worden dezelfde horecagelegenheden gerekend, maar dan met een netto vloeroppervlakte van tussen de 150 en 500 m. In de categorie ´horeca 3´ vallen o.a. hotels. Ook de onder categorie 1 en 2 genoemde gelegenheden die een groter netto vloeroppervlak hebben dan 500 m2 worden tot deze categorie gerekend.

Het horecabeleid verschilt per gebiedstype. De vijf te onderscheiden gebiedstypen zijn: horecaconcentratiegebied, winkelcentra, Lijnstructuur horeca, woongebied en overig gebied.

Het voorliggende plangebied valt in het gebiedstype 'overig gebied'. Hieronder worden o.a. buitengebieden, industriegebieden, kantoorlocaties, sportterreinen, onderwijsterreinen en terreinen waar de gezondheidszorg de hoofdfunctie is onder verstaan. Voor overige gebieden gold dat horeca tot categorie 3 was toegestaan ondersteunend aan de hoofdfunctie van deze gebieden, zoals hotels en grote restaurants. In het nieuwe horecabeleid wordt hieraan de mogelijkheid toegevoegd van thema gerelateerde horeca zoals in een kartcentrum of bijvoorbeeld een natuureducatieve inrichting. De gemeente Tilburg benadrukt het belang van de horeca voor het functioneren van de stad en de betekenis van de sector voor de economie en de werkgelegenheid. Gelet op het uitgangspunt dat de horeca moet bijdragen aan de versterking van de stedelijke economie zijn in de horecanota ´Over smaak valt best te twisten´ verschillende ambities geformuleerd. Eén van deze ambities is het bijhouden van landelijke groeipercentages voor de horecasector, waarbij deze groei terecht komt op wenselijke locaties. De gemeente zal voor deze groei in haar bestemmingsplannen, bouwplannen, uitgifte- en vergunningenbeleid voldoende ruimte bieden.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de sloop -nieuwbouw van een bestaand hotel, waarbij het anatal kamers weliswaar wordt vergroot maar de plancapaciteit wordt gehalveerd (van 12.900 m2 bvo naar 6.590 m2 bvo). Het bestemmingsplan gaat niet uit van themagerelateerde horeca.

Hotels

Het college heeft op 10 december 2013 ingestemd met de conclusies uit het behoefteonderzoek van Horwarth HTL van 2 december 2013. Uit dit onderzoek blijkt dat er nog een ruime regionale behoefte is aan hotelkamers. bij het realiseren van hotels dient gestreefd te worden naar vestiging van hotels in verschillende gebiedsprofielen, zowel centrumstedelijk, in de nabijheid van de snelweg en gelegen in het landelijk gebied.

4.6 Verkeer en parkeren

4.6.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)

Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:

Algemeen

  • 1. De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen.
  • 2. Alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.

    Autoverkeer
  • 3. Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde.
  • 4. Voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Dynamisch verkeersmanagement is een mogelijk in te zetten instrument.

    Parkeren
  • 5. Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2003, die in 2007 is aangepast ten aanzien van de parkeernormering voor woningen.
  • 6. Het vergunningparkeren wordt uitgebreid naar gebieden in de Oude stad en rond wijkwinkelcentra waar de parkeerdruk hoog is en als gevolg daarvan een draagvlak bestaat voor invoering van parkeervergunningen. Bewoners betalen een beperkt bedrag voor een vergunning.

    Goederenvervoer
  • 7. Tot 2015 groeit het goederenvervoer sterk. Tilburg heeft de ambitie om de regionale functie in overslag en logistiek verder uit te bouwen. Hierbij wordt ernaar gestreefd dat het goederenvervoer het stedelijk wegennet zo beperkt mogelijk belast. De tangenten zullen zo aantrekkelijk moeten zijn ten opzichte van de ringbanen dat het goederenvervoer vanzelf voor deze route kiest. Goederenvervoer over de weg met een herkomst of bestemming in de regio Tilburg moet waar mogelijk worden afgewikkeld om de stad Tilburg heen. De huidige overslagvoorzieningen zijn gevestigd op bedrijventerrein Loven. Daarnaast maakt een aantal bedrijven gelegen aan het Wilhelminakanaal rechtstreeks gebruik van vervoer over water. Tilburg streeft ernaar om de beschikbare multimodale voorzieningen te behouden en bij toenemende vraag verder uit te bouwen. De gemeente ontwikkelt hiertoe een hoofdnet goederenvervoer waarmee een goede uitwisseling tussen vervoerwijzen mogelijk wordt.

    Mobiliteitsmanagement
  • 8. Om de automobiliteit te beperken probeert de gemeente Tilburg de vraag te beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan het verbeteren van het openbaar vervoer en fietsvoorzieningen en het vergroten van overstapmogelijkheden tussen vervoerwijzen. Daarnaast wordt aan vraagbeïnvloeding gedaan door het autoverkeer te reguleren via het doorrekenen van kosten of het opleggen van restricties (bijv. parkeerbeleid). Naast de inzet van de gemeente kunnen vooral bedrijven het nodige doen om de vervoerwijzekeuze voor hun medewerkers en/of bezoekers te beïnvloeden. Dit begint al bij de locatiekeuze van een bedrijf. De gemeente stimuleert de aandacht voor vervoermanagement. Via de wet worden eisen gesteld aan milieuprestaties door bedrijven, onder meer op het vlak van vervoer. De gemeente handhaaft door te controleren op de gestelde eisen. De gemeente stimuleert, faciliteert en handhaaft de uitvoering van vervoermanagement ten aanzien van bedrijven met een grote vervoersstroom, bedrijven in de oude stad (binnen- en aan de ringbanen) en bedrijven op nieuwe bedrijventerreinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0009.png"

4.6.2 Verkeer en parkeren plangebied Kempenbaan 2

Het nieuwe bouwplan betreft 105 kamers in plaats van de huidige 40. Realisatie van de nieuwbouw zal leiden tot extra verkeersbewegingen en een grotere parkeerbehoefte. Om te voorzien in de parkeerbehoefte is een deel van het bestaande openbare parkeerterrein, ten noorden van het Bastionhotel door de gemeente verkocht aan Bastion.

Door de gemeente Tilburg is ten noorden van het plangebied een nieuwe verkeerskundige inrichting voorgesteld. Op de onderstaande afbeelding is deze inrichting weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0010.png"

Ten behoeve van de ontsluiting van het Bastionhotel wordt een ijnrit gemaakt aan de Koningshoeven (ter hoogte van het parkeerterrein aan de Meijerijbaan) en een uitrit aan de IJsclubweg, teneinde een eenrichtingsverkeersituatie op het parkeerterrein te bewerkstelligen.

In de toekomst is via de parallelweg van de Kempenbaan, de Koningshoeven een tweede ontsluiting van de wijk Jeruzalem voorzien. Bij de verkeerskundige uitwerking is uitgegaan van het concept 'fietsstraat'. De verkeersveiligheid van fietsers prevaleert boven het langzaam autoverkeer richting de wijk Jeruzalem en de oostelijk gelegen carpoolplaats.

Direct grenzend aan het voorliggende plangebied zijn 40 fietskluizen voorzien. Voor de overige erfgrens wordt aan de buitenzijde uitgegaan van een groene haag.


- Verkeersbewegingen

Het hotel krijgt 105 kamers. In het bouwprogramma is geen ruimte gereserveerd voor zalenaccommodatie en het restaurant richt zich op de gast die overnacht. In hoofdzaak een ontbijtruimte, daarnaast 's avonds tevens restaurant voor primair de hotelgasten en zeer beperkt een lunch. Het Bastionhotel is (en wordt gebouwd als) een zakelijk overnachtingconcept.


De CROW gaat bij dit type hotel uit van het generen van 16,7-23 bewegingen per 10 kamers per dag. Het bouwplan leidt tot een toename van 65 kamers. Uitgaande van gemiddeld 20 bewegingen betekent dat 130 nieuwe verkeersbewegingen per dag. De nadruk ligt bij dit type hotel bij het vertrek in de ochtend met name (80 %) tussen 07.00 en 09.00 uur en een wat langere aankomstperiode in de namiddag en avond. In de daardoor maatgevende ochtendspits betekent dat de helft van het aantal verkeersbewegingen, daar 80% van en dat verdeeld over twee uren: 130/2/2x0,8= 26 motorvoertuigen extra per uur. Het verkeer verdeelt zicht ongeveer in gelijke mate naar de A58 en richting stedelijke ring, dus 13 extra auto's per uur per richting. De aansluiting van de IJsclubweg via de Koningshoeven op de Kempenbaan kan daze extra verkeersgeneratie verwerken.


- Parkeerbehoefte

Een groot deel van de gasten komt met de auto of wordt afgezet per taxi of door het bedrijf waar men activiteiten onderneemt. In de zakelijke markt wordt bijna uitsluitend alleen op een kamer geslapen, ook al komt men gezamenlijk met een auto. Het Bastionhotel richt zich primair op de overnachtingbehoefte vanuit deze zakelijke markt. Dit heeft tot gevolg dat er uitsluitend 's avonds en 's nachts parkeerbehoefte is en dat de parkeervraag minder is dan het aantal kamers van het hotel. In de huidige situatie zijn er altijd (ook bij volledige bezetting van het hotel) vrije parkeerplaatsen op het parkeerterrein bij deze 40 kamers. Het hotel beschikt nu over 32 parkeerplaatsen op haar eigen terrein. Dat wil zeggen 0,8 plaatsen per kamer. Bij de regelmatige tellingen is gebleken dat ook bij volledige bezetting er altijd vrije plaatsen op eigen terrein zijn. Bij een groter aantal kamers neemt de flexibiliteit toe en bij haar andere hotels in Nederland is gebleken dat dan volstaan kan worden met een lagere norm. Gebaseerd op eigen ervaring (tellingen) hanteert Bastion voor Tilburg bij herontwikkeling een parkeernorm van in ieder geval 0,7 per kamer, met een voorkeur om 0,8 per kamer beschikbaar te hebben.

Door de gemeente Tilburg is parkeerbeleid vastgesteld. Bij de te berekenen parkeerbehoefte leidt de ligging van het hotel (in "de rest van de bebouwde kom") tot een norm van 1,2 parkeerplaats per kamer dus in totaal 126 parkeerplaatsen.

De buitenruimte die bij het hotel is ontworpen gaat echter uit van de voor het hotel berekende behoefte met een marge naar boven en komt uit op circa 90 parkeerplaatsen (0,85 per kamer). Dat is relatief meer dan de huidige situatie (0,8), maar lager dan de 1,2 volgend uit de norm voor hotels uit het gemeentelijke parkeerbeleid. Als motivatie geldt daarvoor dat er reden is om van het gemiddelde waar de norm uit het parkeerbeleid is gebaseerd, af te wijken. In de eerste plaats is het vanuit duurzaamheid (beperking verharding) en vanuit de ruimtelijke kwaliteit onwenselijk om meer parkeerverharding aan te leggen dan noodzakelijk voor het feitelijk gebruik (de behoefte). Voorts wijkt het hotelconcept af van een gemiddeld hotel.

Het hotel beschikt niet over zalen en het restaurant is intern gericht. Een deel van de gasten eet in het restaurant, er is geen of nagenoeg geen klandizie van buiten. Er is derhalve geen andere parkeerbehoefte dan vanuit de slapende hotelgast. In de zakelijke markt slaapt men over algemeen alleen op de kamer. Een deel van de gasten komt per gemeenschappelijk vervoer of met de taxi. Dat leidt tot een lagere parkeerbehoefte dan 1 plaats per kamer. De CROW normering ging uit van een bandbreedte van 0,5-1,5 per kamer afhankelijk van de ligging en de overige voorzieningen (uitgebreid restaurant, zalen etc.) van het hotel. Recent is de normstelling geactualiseerd en verfijnd. Een Bastionhotel is te beschouwen als een 3-4 sterrenconcept. Per 10 kamers is voor een sterk stedelijk gebied (een grote gemeente) bij de rest van de bebouwde kom een behoefte van 4,2 - 5,2 (3 ster) en 6,3 - 7,3 (4 ster) parkeerplaatsen bepaald. Indien we de maximale norm voor een 4 sterrenhotel zouden aanhouden (0,73 per kamer) zou de parkeerbehoefte uitkomen op 77 parkeerplaatsen. Alhoewel blijkens haar tellingen (nu bij 40 kamers maximaal 29 bezette plaatsen geteld) volstaan zou kunnen worden met deze norm, wordt bij het bouwplan (dus in totaal 105 kamers) uitgegaan van het beschikbaar zijn van circa 90 plaatsen. Dat is een parkeernorm van 0,85 per kamer.

Op de onderstaande afbeelding zijn de binnen het plangebied aanwezige parkeerplaatsen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0011.png"

Conclusie

Ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning kan het college besluiten gemotiveerd af te wijken van de gemeentelijke parkeernorm. De zakelijke markt heeft een afwijkend parkeerbehoeftepatroon. Voorts is het vanuit duurzaamheid (beperking verharding) en vanuit de ruimtelijke kwaliteit onwenselijk om meer parkeerverharding aan te leggen dan noodzakelijk voor het feitelijk gebruik (de behoefte).

4.7 Overige onderwerpen

4.7.1 Toerisme en recreatie

Toerisme en recreatie komen aan bod in de Kadernota ´Toerisme en Recreatie 2003 - 2010: de Tilburgse Ervaring´. Bij toerisme denken we nadrukkelijk aan bezoekers van buiten de stad, bij recreatie ligt het accent op vrijetijdsbesteding van de eigen bewoners.

In de huidige belevingseconomie is toerisme en recreatie een groeisector die bijdraagt aan de stedelijke ontwikkeling, de economie en het woon/werkklimaat. Voor de gemeente Tilburg is toerisme en recreatie een relatief nieuw aandachtsgebied binnen het economisch beleid.

Ontwikkelingen op o.a. het Pieter Vreedeplein, in het Veemarktkwartier, in Moerenburg en in de Piushaven hebben de afgelopen jaren geleid en leiden de komende jaren tot een vergroting van het toeristisch-recreatieve aanbod. Met de start van de StadsVVV en de nieuwe stadspromotiecampagne is een belangrijke stap gezet op weg toeristische stadspromotie.

Samengevat wordt in deze nota gepleit voor een strategie met 4 sporen:

  • 1. randvoorwaarden: gemeentelijke inbedding van toerisme en (regionale) samenwerking;
  • 2. toeristische infrastructuur: uitbreiding van (verblijfs)accommodatie en bewegwijzering;
  • 3. productontwikkeling: gericht op de speerpunten cultuurtoerisme, evenementen gecombineerd met de recreatieve mogelijkheden van de groene regio;
  • 4. promotie: toerisme en recreatie als nieuw element van stadspromotie.

Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van herontwikkeling van het bestaande Bastionhotel. Hoewel het hotel voornamelijk gericht is op het zakelijke segment draagt het voorliggende bestemmingsplan, door de sloop-nieuwbouw bij aan het verbeteren van de toeristische sector van Tilburg. Bovendien wordt de plancapaciteit door middel van het voorliggende bestemmingsplan gehalveerd (van 12.900 m2 bvo naar 6.590 m2 bvo) .

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

5.2 Milieuhinder bedrijven

Het bestaande hotel wordt aan de zijde van de Kempenbaan herontwikkeld met een hoogbouwvolume in zeven lagen boven de algemene ruimte. Door de VNG wordt in haar circulaire “Bedrijven en Milieuzonering” over de hotelbestemming ten opzichte van wonen gesteld dat deze gemengd kunnen worden. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de richtlijn wordt geadviseerd een afstand van 10 meter aan te houden. Het nieuwe bouwplan is op ca. 25 meter ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning gesitueerd. Het bouwinitiatief past binnen de door de VNG gehanteerde zonering.

Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van de herontwikkeling van een hotel, de functie blijft derhalve gelijk. Door de positionering van het hotel langs de Kempenbaan kan er worden gesteld dat de onderlinge afstand voor de meeste woningen in de nieuwe situatie zal toenemen.

5.3 Externe veiligheid

5.3.1 Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • Circulaire "Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen";
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

5.3.2 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

5.3.3 Groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

  • 1. de kans op een ongeval;
  • 2. het effect van het ongeval;
  • 3. het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft;
  • 4. de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico.

5.3.4 Verantwoordingsplicht

De verantwoordingsplicht draait kort gezegd om de vraag in hoeverre risico's, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, worden geaccepteerd en indien noodzakelijk welke veiligheidsverhogende maatregelen daarmee gepaard gaan. Met de verantwoordingsplicht worden betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid voor de maatschappij als geheel voldoende gewaarborgd wordt. Op deze manier wordt beoogd een situatie te creëren, waarbij zoveel mogelijk de risico's zijn afgewogen en geanticipeerd is op de mogelijke gevolgen van een incident. Deze afweging is kwalitatief van aard en richt zich op aspecten als de mogelijkheden van bestrijdbaarheid van een mogelijke calamiteit en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking. Bij de invulling van de verantwoordingsplicht kunnen de volgende elementen beschouwd moeten worden:

  • 1. het projectkader;
  • 2. de hoogte en toename van het groepsrisico;
  • 3. bronmaatregelen;
  • 4. ruimtelijke maatregelen te treffen maatregelen in het ruimtelijke besluit;
  • 5. mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit en de gevolgen daarvan;
  • 6. mogelijkheden tot zelfredzaamheid;
  • 7. mogelijkheden planontwikkeling op andere locatie;
  • 8. mogelijkheden en voorgenomen maatregelen in de nabije toekomst.

In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, december 2007) zijn deze onderdelen nader uitgewerkt en toegelicht.

Conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moeten alle ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een inrichting verantwoord worden. Conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs) moet het bevoegd gezag verantwoording afleggen bij elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen(Bevb) en de bijbehorende regeling is de uitgebreidheid van de invulling van de verantwoordingsplicht afhankelijk van de hoogte en toename van het groepsrisico. Wanneer de ontwikkeling buiten de 100% letaal effectafstand ligt kunnen de punten 3, 4, 7 en 8 buiten beschouwing gelaten worden. Hetzelfde geldt wanneer het groepsrisico 1) onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt of 2) tussen 0,1 maal en 1 maal de oriëntatiewaarde ligt én minder dan 10% toeneemt. We spreken in deze gevallen van een beperkte verantwoordingsplicht. In de andere gevallen dient de verantwoordingsplicht compleet ingevuld te worden.

5.3.5 Inrichtingen

In het voorliggende plan zijn risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen binnen het plangebied uitgesloten. Het bestemmingsplan maakt voorts geen ontwikkelingen mogelijk, die een vergroting van het groepsrisico met zich brengen.

Aan de Kempenbaan 35 bevindt zich, op een afstand van meer dan 250 meter een brandstofverkooppunten met opslag en verkoop van LPG.

Het plaatsgebonden risico voor deze inrichting is 110 meter (doorzet is gelimiteerd op 1500 m3). Voor de grootte van het plaatsgebonden risico wordt uitgegaan van de afstand voor het plaatsgebonden risico (40m) waarbij is uitgegaan van de maatregelen uit het convenant waarmee LPG-tankwagens veiliger zijn geworden (hittewerende bekleding op LPG-tankwagens en verbeterde afleverslangen). Dit ondanks dat het nog niet in wetgeving is geborgd. Op dit moment vindt bevoorrading plaats met tankwagens die veiliger zijn. Het bestemmingsplan kent binnen deze afstandsmaat geen bestemmingen die kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken. Aan deze afstandsmaat voor basisveiligheid wordt ruimschoots voldaan.

Het standaard invloedsgebied is 150 meter vanuit het vulpunt en de bovengrondse leidingen van de LPG-installatie en het LPG-reservoir. Het invloedsgebied van het vulpunt van de LPG-installatie wordt bepaald door de BLEVE van de tankauto. Het invloedsgebied van de risicoveroorzakende objecten (vulpunt en bovengrondse leidingen van de LPG-installatie en het LPG-reservoir) liggen niet over het voorliggende bestemmingsplan en daarmee is deze inrichting niet relevant voor dit bestemmingsplan.

5.3.6 Buisleidingen

Binnen het plangebied liggen twee gasleidingen die in de toekomst worden verlegd. Het gaat om een hoge druk alsmede een lage druk gasleiding. Het betreft hier geen aardgastransportleiding met een risicocontour.

Voor de locatie is een KLIC-melding gedaan. Op de ondetstaande afbeelding zijn de aanwezige kabels en leidingen weergegeven. Bastion zal zelf zorgdragen voor het verplaatsen van de huisaanluitingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0012.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0013.png"

5.3.7 Transport van gevaarlijke stoffen

Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in Tilburg vindt plaats over de weg, per spoor en over het Wilhelminakanaal.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Rond het plangebied vindt het vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de A58 en het zuidelijk deel van de Kempenbaan (afrit A58 en dan in de richting Hilvarenbeek).

Het voorliggende bestemmingsplan ligt op meer dan 650 meter van de A58 en het zuidelijk deel van de Kempenbaan. De vereiste basisveiligheid van het invloedsgebied van het plangebied voor de A58 is hiermee geboden. De bebouwing ligt ruimschoots buiten het plasbrandaandachtsgebied.

Over het noordelijk deel van de Kempenbaan kan alleen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden op basis van ontheffing. De omvang van dit vervoer van gevaarlijke stoffen is dermate klein dat er geen sprake kan zijn van een plaatsgebonden risico 10-6 en geen sprake kan zijn van een overschrijding van de oriëntatiewaarde en/of significante toename van het groepsrisico.

Vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor

Door de gemeente Tilburg loopt de spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven/'s-Hertogenbosch. Hierover worden o.a. brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vervoerd. Het bestemmingsplan ligt op een afstand van 1150 meter van de spoorlijn.

Het invloedsgebied van de spoorlijn is 3000 meter en valt dus over het plangebied. Uit de risicoberekeningen die ten grondslag liggen aan het Basisnet Spoor blijkt dat voor het relevante spoortraject de hoogte van het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde ligt in de huidige situatie. Voor de spoorlijn dient daarom de verantwoordingsplicht ingevuld te worden. Vanwege de afstand tot de spoorlijn, leidt dit bestemmingsplan niet tot een toename van het groepsrisico van de spoorlijn. In de bijlage is de verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het Wilhelminakanaal

Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (december 2009) blijkt dat voor het Wilhelminakanaal geen risico- en veiligheidsafstanden gelden.

Conclusie relevantie risicobronnen: Voor dit ruimtelijke besluit moeten de volgende risicobronnen betrokken worden bij de invulling van de verantwoordingsplicht: Rijksweg A58 en de spoorlijn.

5.3.8 Restrisico en conclusies

Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze twee risicobronnen is de verantwoordingsplicht (zie bijlage) ingevuld. In de verantwoording worden de volgende relevante conclusies getrokken:

  • 1. In het kader van bestemmingsplan 'Kempenbaan West' is het plaatsgebonden risico van de A58 onderzocht. Uit de uitgevoerde groepsrisicoberekening blijkt een toename van het groepsrisico. Voor zowel de huidige als de toekomstige situatie ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Gezien de veel grotere afstand van het voorliggende plangebied ten opzichte van de A58 kan er worden aangenomen dat het groepsrisico in het voorliggende bestemmingsplan tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.
  • 2. Bevi-inrichtingen zijn in dit bestemmingsplan uitgesloten.
  • 3. Vluchten:
    • a. Gezien de situering van westelijke entree is het hotel goed van de bron af te ontvluchten.
    • b. Ontvluchting gebied: Personen kunnen het plangebied, mede door de onderlinge afstand van 650 meter goed ontvluchten bij een (dreigende) calamiteit met brandbare gassen en giftige gassen op de A58.
    • c. Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt geen actieve risicocommunicatie plaats.De gemeente Tilburg beschikt wel over een WAS (waarschuwing– en alarmeringsysteem).

De hierboven genoemde maatregelen zijn ter verbetering van de veiligheid. Een aantal van deze maatregelen zijn echter niet te borgen in het bestemmingsplan omdat deze maatregelen niet ruimtelijk relevant zijn. De verantwoording van het groepsrisico bij dit ruimtelijke besluit, kan dan ook niet gebaseerd zijn op deze maatregelen. Toch verbeteren deze maatregelen wel de veiligheid, daarom wil de gemeente deze maatregelen meegeven.

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de volgende relevante risicobronnen: de Rijksweg A58 en de spoorlijn. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.4 Geluid

Een hotel is volgens de Wet geluidhinder geen geluidsgevoelige bestemming. Nader akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Wel zullen in verband met het comfort van de gasten maatregelen (binnenwaarde) aan de gevel worden getroffen.

5.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand gehouden moet worden.

In de Wet luchtkwaliteit is geregeld dat voor projecten die "niet in betekenende mate bijdragen" aan de luchtverontreiniging niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. De NIBM regeling houdt dus in dat als een project niet in betekenende mate bijdraagt, het project doorgang mag vinden. Gezien de beperkte omvang van het bouwplan ten opzichte van de definitie van NIBM bij woningbouw en kantoren is aannemelijk dat de herontwikkeling van het Bastionhotel tot minder verkeersbewegingen leidt en daarom in niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is door adviesbureau Peutz een luchtkwaliteitsonderzoek op basis van de "NIBM-tool" uitgevoerd. Dit onderzoek (NIBM luchtkwaliteit nieuwbouw Bastion hotel Tilburg, H 4559-1-RA, d.d. 15 oktober 2012) is opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan.

Op basis van de berekening met de “NIBM-tool” blijkt dat het herontwikkelingsplan van het Bastion hotel in Tilburg niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

5.6 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.

Door adviesbureau Tauw is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek (kenmerk R001-121088ARJ-nja-V01-NL, d.d. 7-09-2012) is opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan. Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat de bodem maximaal licht verontreinigd is. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt in het bodemonderzoek aangegeven dat er geen milieu-hygiënische belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie.

5.7 Natuur en Ecologie

5.7.1 Inleiding

Vanuit de huidige natuurwetgeving moet bij ruimtelijke ingrepen inzichtelijk zijn of er sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. Het gaat daarbij om beschermde natuurgebieden (Natuurbeschermingswet 1998 en het beschermingsregime van de Ecologische Hoofdstructuur en beschermde soorten (Flora- en faunawet).

Hieronder volgt een korte toelichting op het beleid voor gebiedsbescherming en soortenbescherming. Per beleidskader is een analyse van het plangebied en een conclusie vermeld.

5.7.2 Beleidskaders natuur en ecologie

Natura 2000

Het wettelijke toetsingskader van de gebiedsbescherming is verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet 1998), die op 1 oktober 2005 in werking is getreden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en in de toekomst de Habitatrichtlijn zijn hiermee in de nationale regelgeving verankerd. Voor de habitatrichtlijngebieden geldt echter dat de overheid bij vergunningverlening de habitattoets dient uit te voeren conform de EU-HRL (Habitatrichtlijn), zolang het gebied nog niet formeel is aangewezen door het Ministerie van EZ. Op dit moment vallen de habitatrichtlijngebieden op grond van jurisprudentie nog onder de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn. De VRL (Vogelrichtlijn) gebieden zijn in 2000/2003 wel formeel aangewezen en vallen derhalve onder de NB-wet 1998.

Om schade aan natuurwaarden waarvoor de zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, te voorkómen, bepaalt de NB-wet 1998 dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (artikel 19d, eerste lid). Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000-gebieden (artikel 19j). Hiertoe dient de zogenaamde habitattoets.

In de oriëntatiefase wordt bepaald hoe de verdere procedure dient te worden doorlopen; dit is afhankelijk van de informatie over de mogelijke aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De hoofdvraag is of er een kans op een significant negatief effect bestaat.

Er zijn drie mogelijkheden:

  • 1. Er is zeker geen negatief effect. Er is dan geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig.
  • 2. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect. De verslechterings- en verstoringstoets moet worden doorlopen.
  • 3. Er is een kans op een significant negatief effect. Een passende beoordeling is vereist.

Analyse plangebied

Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op circa 2,2 km van Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen In het plangebied zullen geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen, omdat het plangebied op een ruime afstand van dit dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt.

Ecologische Hoofdstructuur

In de Verordening ruimte Noord-Brabant is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) begrensd. De EHS is een robuust netwerk van bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuurgebieden, verbindingszones en beheersgebieden. De provincie heeft in 2009 het Natuurbeheerplan vastgelegd, dat bestaat uit twee kaarten, respectievelijk de ambitie- en de beheertypenkaart. De beheertypenkaart laat de huidige situatie zien en de ambitiekaart geeft de gewenste situatie weer. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor subsidies met betrekking tot beheer en inrichting. In het nieuwe beleid van de provincie met betrekking tot de EHS is nog duidelijker als voorheen de lijn gevolgd van een aaneengesloten ecologische structuur. Kleine(re) bosgebieden die buiten deze structuur liggen en ook niet voldoen aan specifieke natuurwaarden, behoren niet tot de EHS.

Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken.

Indien de natuur- en landschapswaarden van de EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt, dan dient natuurcompensatie plaats te vinden.

Analyse plangebied

In het plangebied komen geen terreinen voor die begrensd zijn als Ecologische Hoofdstructuur. De dichtstbijzijnde EHS is gelegen in Moerenburg, op circa 300 meter van het plangebied.

Conclusie

De gewenste ontwikkelingen in het plangebied zullen geen significante negatieve effecten hebben op de Ecologische Hoofdstructuur in de omgeving, omdat er geen sprake is van functiewijziging. De (tijdelijke) sloop- en bouwwerkzaamheden zullen ook geen significante negatieve effecten hebben op de EHS nabij het plangebied.

Kadernota Groene Mal

In de Kadernota Groene Mal is het beleid ten behoeve van behoud en ontwikkeling van een duurzaam functionerende ecologische structuur rondom de stad Tilburg en de kernen Berkel-Enschot en Udenhout vastgelegd. De Groene Mal is een doorvertaling van de EHS naar de Tilburgse situatie. Met name de ecologische verbindingen tussen bestaande bos- en natuurgebieden zijn binnen de Groene Mal sterk(er) aangezet. Doel van de Groene Mal is het sturen van de verstedelijking. Aantasting van natuurgebieden wordt zoveel mogelijk voorkómen. Onvermijdbare incidentele ingrepen zullen gecompenseerd worden, bij voorkeur in daartoe aangewezen zoekgebieden binnen de Groene Mal. Het bestemmingsplan vormt het juridisch kader voor de realisering en bescherming van de Groene Mal.

Analyse plangebied

Het plangebied maakt geen deel uit van de Groene Mal. De Ecologische Hoofdstructuur in Moerenburg daarentegen wel. Vanuit Groene Mal-beleid zijn geen aanvullende beschermingsmaatregelen - naast bovengenoemde EHS-bescherming - aan de orde.

Conclusie

Er zijn geen significante negatieve effecten op de Groene Mal aan de orde.

Flora- en faunawet

Volgens de Flora- en faunawet is bij de ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde flora en fauna binnen het plangebied. Het doel van de Flora- en faunawet is het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijk ingrepen, stil te staan bij rekening te houden met aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkómen of beperkt.

Onder ruimtelijke ingrepen wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in de (buiten)ruimte. Een ontheffing is nodig op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet (derde lid, vijfde lid en zesde lid, onderdeel c) als er beschermde soorten leven op de plek waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke ingrepen zijn de soorten ingedeeld in drie tabellen. Als in het plangebied alleen soorten leven uit de vrijstellinglijst in tabel 1, dan hoeft geen ontheffing aan te worden aangevraagd. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In tabel 1 staan de lichtst beschermde soorten en in tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In tabel 2 staan de overige soorten. Deze indeling geldt alleen voor ruimtelijke ingrepen. Naast de soorten in tabel 3 zijn ook alle vogels zwaar beschermd.

Activiteiten die een schadelijk effect hebben op soorten die beschermd zijn volgens de Flora- en faunawet zijn in principe verboden. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken, met een vrijstelling, door het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of - indien geen of onvoldoende maatregelen genomen kunnen worden om schadelijke effecten te voorkomen - door een ontheffing aan te vragen voor artikel 75 Flora- en faunawet.

Analyse plangebied

Uit natuuronderzoek (uitgevoerd in 2009 en 2012) is naar voren gekomen in het plangebied (waaronder de bestaande bebouwing) geen beschermde soorten zijn aangetroffen en evenmin verwacht worden. Ook vleermuizen (tabel 3-soorten) zijn niet in het plangebied waargenomen. De geplande werkzaamheden hebben geen significant nadelige invloed op de gunstige staat van instandhouding van vleermuizen die mogelijk toch in het plangebied zouden kunnen foerageren.

Conclusie

Op basis van veldonderzoek, literatuuronderzoek en deskundigenoordeel is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en faunawet nodig voor de ontwikkelingen in het plangebied.

5.7.3 Quick scan ecologie

In februari 2009 is door ecologisch adviesbureau Cools een quick scan ecologie uitgevoerd ten behoeve van de herontwikkeling van het Bastion Hotel. Dit onderzoek (Toetsing Flora- en faunawet plangebied Bastion Hotel te Tilburg, februari 2009) is opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de geplande activiteiten zonder ontheffing kunnen worden uitgevoerd met inachtneming van de zorgplicht van de Flora- en faunawet.

Ten behoeve van het voorliggende bestemmingsplan is een actualisatie met betrekking tot flora en fauna uitgevoerd. Door ecologisch adviesbureau Els & en Linde is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek (Quick scan ecologie Bastion hotel te Tilburg, oktober 2012, projectnummer 12.142) is tevens als bijlage opgenomen.

Tijdens het veldbezoek van 11 oktober 2012 is door Els & Linde onderzocht of er in potentie beschermde planten en dieren aanwezig zijn binnen het plangebied. Daarvoor is gezocht naar sporen of andere aanwijzingen van dieren en op basis van de aanwezige herkenbare begroeiing en het habitat beoordeeld of er leefgebieden aanwezig kunnen zijn voor beschermde soorten. Aanvullend is een bureau-studie uitgevoerd naar onder andere de verspreiding van potentieel aanwezige planten en dieren.

Vegetatie

Het voorliggende plangebied is grotendeels verhard en bebouwd. Tussen klinkers van de parkeerplaats is de tredvegetatie niet of nauwelijks ontwikkeld. Ten zuiden van de bestaande parkeerplaats is een smalle groenstrook aanwezig. Hier zijn bomen aangeplant. De bodemlaag wordt geheel bedekt met klimop. In het plantsoen langs de bebouwing zijn enkel zeer algemene tuinplanten aangeplant. Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen of te verwachten.

Langs de IJsclubweg staat een rij waardevolle beuken. De overige bomen op het terrein hebben geen bijzondere natuurwaarde en zijn als tuinplant te beschouwen. Aan de zijde van de Meierijbaan staan twee Italiaanse populieren op het terrein van het hotel. Deze bomen hebben geen bijzondere natuurwaarde. Ook al hebben de binnen het plangebied aanwezige bomen geen bijzondere natuurwaarden zijn enkele wel geïntegreerd in het maaiveldontwerp. De binnen het plangeied aanwezige bomen versterken de overgang naar het buitengebied.

Zoogdieren

Binnen een stedelijke omgeving zijn vleermuizen de belangrijkste groep strikt beschermde dieren die verwacht kunnen worden. Het gedeelte van het gebouw dat geamoveerd wordt, is daarom nauwkeurig onderzocht op potentieel geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. Potentieel geschikte invliegopeningen voor vleermuizen zijn tijdens het ecologisch onderzoek niet gevonden.

Vleermuizen zijn in twee groepen te verdelen; enerzijds de soorten die in gebouwen een verblijfplaats hebben en anderzijds soorten die in bomen een verblijfplaats hebben. Om die reden zijn de bomen op de planlocatie tevens onderzocht op aanwezige holen en spleten waarin vleermuizen kunnen verblijven. Potentieel geschikte in- en uitvliegopeningen voor vleermuizen zijn tijdens het ecologisch onderzoek niet gevonden. In de literatuur zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied.

Vogels

Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor vogels met een vaste verblijfplaats in het gebouw. Gezocht is naar potentieel geschikte nestplekken voor onder andere de huismus (Passer domesticus) en de gierzwaluw (Apus apus) in de bebouwing. Deze zijn tijdens het ecologisch onderzoek niet gevonden. Er is een zeer kleine kans op broedvogels in de bomen langs de parkeerplaats ten zuiden van de bebouwing.

Herpetofauna en vissen

Binnen de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Beschermde watergebonden soorten (vissen, amfibieën) zijn daarom niet te verwachten. In de werkatlas van Brabant zijn geen aanwijzingen gevonden voor potentieel aanwezige reptielen binnen het plangebied (Van Delft & Schuitema 2005).

Conclusie

Uit het onderzoek is gebleken dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat er beschermde soorten in het hotel aanwezig zijn. Ook elders op het terrein van het hotel worden geen beschermde soorten verwacht. Er is geen ontheffing van de Flora en Faunawet noodzakelijk.

In het rapport wordt geconcludeerd dat de rij beuken langs de IJclubweg waardevol zijn. Het is wenselijk deze bomen te behouden. In de toekomstige situatie zullen de bedoelde rij met beuken gehandhaafd blijven.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

6.1 Bestaand watersysteem

Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Voorste Stroom en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap de Dommel.

Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van ongeveer 4.500 m². In de huidige situatie ligt in het plangebied een hotel met parkeerplaatsen. Op ongeveer dezelfde locatie vindt nieuwbouw van het hotel plaats. Om aan de parkeerbehoefte te voldoen wordt een stuk aangrenzende grond van de gemeente gekocht dat nu is ingericht als Transferium (Meierijbaan).

De terreinhoogte is ongeveer 13,00+. Uit globaal bodemkundig/hydrologisch onderzoek, blijkt de bodemopbouw in het plangebied te bestaan uit een overgang van sterk lemig, matig fijn zand naar matig grof zand. De leemhoudende grond kan de neerwaartse grondwaterstromingen belemmeren, waardoor de kans op schijngrondwaterspiegels groter is. De maatgevende grondwaterstand in het plangebied is ongeveer 11,55 + NAP. Met grondwaterstanden ruim 1,5 m onder het maaiveld is de ontwateringdiepte voldoende voor de bestemming.

Nabij het plangebied ligt geen oppervlaktewater van belang. In de bestaande situatie ligt een gemengde rioolstelsel. Het vuilwater stroomt af naar de zuiveringsinstallatie Tilburg via het eindgemaal Moerenburg. Beide installaties zijn in beheer van het waterschap De Dommel. ten zuiden van het gebied bevindt zich een gescheiden riolering.

6.2 Duurzaam waterbeheer

6.2.1 Beleidskader

De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzaam waterbeheer. Belangrijk in deze aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave.

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen zijn regionaal vastgesteld in het Stroomgebiedbeheersplan Maas. De grondwatervoorraad moet stabiel zijn en natuurgebieden mogen niet verdrogen door een te lage grondwaterstand.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21), -kwaliteit en ecologie (KRW).

Wat het regionale beleid betreft, beheert Rijkswaterstaat het Wilhelminakanaal, de provincie de grondwatervoorraden en de waterschappen het oppervlaktewater. Het Provinciale Waterplan 2010 - 2015 beschrijft het strategische waterbeleid. De uitvoering van de Europese KRW-doelstellingen is daarin opgenomen. Parallel aan het provinciale beleid, zoeken de waterpartners samen met de betrokken landbouw-, natuur- en andere organisaties samen naar passende oplossingen om deze KRW-doelstellingen te realiseren.

Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Krachtig Water' 2010 - 2015 vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2010 - 2015 en het bovengenoemde Provinciale Waterplan 2010 - 2015. Het plan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap, en maakt een indeling in zes thema's: droge voeten, voldoende water, natuurlijk water, schoon water, schone waterbodem en mooi water. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de verordening Keur waterschap De Dommel (datum intrede 22 december 2009), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR), met daarin opgenomen het GRP voor de periode 2010 - 2015, met een visie voor de komende 30 jaar. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De SWR vervangt het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en het Gemeentelijk Rioleringsplan (2005-2009), en werkt de nieuwe wet- en regelgeving uit, voornamelijk wat de nieuwe zorgplichten betreft voor het regen- en grondwater, en het actuele rijks-, het provinciale en het regionale beleid.

De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte:
- Streven naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem;
- Optimalisatie van de waterketen; zuinig en efficiënt gebruik van water;
- Vergroten van de belevings-, ecologische, economische en recreatieve waarde van water

Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers, gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren. Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe.

6.2.2 Afwegingen

Voor het plangebied zijn in SWR beperkte specifieke opgaven, behalve de algemene doestellingen voor de gehele gemeente. De nieuwbouw van het hotel komt overeen met de bestaande bouwmassa. Bastion heeft niet voldoende ruimte op eigen terrein om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren. Om aan de parkeerbalans te kunnen voldoen kopen zij een stuk grond van de gemeente. Dit stuk grond ligt op de Meierijbaan en is nu in gebruik als openbare parkeerplaats, als voormalig Transferium.

De toename van het verhard oppervlak is beperkt (297 m²). Daarbij zijn geen significante effecten voor de riolering en de waterhuishouding te verwachten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0014.png"

6.2.3 Watersysteem

Voor het watersysteem in het plangebied gelden de volgende randvoorwaarden:

  • Bij de inrichting van het plan dient men rekening te houden met de bestaande terreinhoogte van het openbaar gebied en de aangrenzende percelen;
  • De water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen is voldoende voor het gebruik van het bouwdeel;
  • Het toepassen van uitlogende materialen is uitgesloten;
  • Er wordt geen drainage toegepast;
  • Het vuil- en hemelwater worden inpandig gescheiden ingezameld aan de perceelgrens aangeboden voor aansluiting op de gemeentelijke riolering;
  • Het vuil- en hemelwater worden aangesloten op de bestaande gemengde riolering op eigen terrein (put E0894);
  • De parkeervoorziening wordt zoveel mogelijk aangelegd met waterdoorlatende verharding, zodat het hemelwater kan infiltreren in de bodem.

6.3 Watertoets

Aangezien er geen sprake is van waterbelangen in het plangebied, hebben waterschap De Dommel en gemeente besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Hierdoor wordt deze waterparagraaf direct verwerkt in het ontwerpplan, zoals in eerder gemaakte afspraken om het vooroverleg vereenvoudigd te volgen. Het waterschap heeft dan ook geen voorlopig wateradvies. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt (direct) verstrekt bij de terinzagelegging.

Hoofdstuk 7 Opzet planregels

7.1 Inleiding

De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Stedenbouw van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2008/2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en ROstandaarden. De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. Het voorliggende bestemmingsplan gaat enkel uit van de bestemming 'Horeca'.

Bestemmingsomschrijving

De voor ´Horeca´ aangewezen gronden zijn bestemd voor: horeca tot en met categorie 3 (hotel), water en waterhuishoudkundige voorzieningen en bouwwerken van algemeen nut. Het achterliggende erf is aangegeven met de functieaanduiding 'erf'. Ook zijn bij het hotel behorende ondergeschikte functies toegestaan. Het betreft hier parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen, groen- en speelvoorzieningen, terassen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tuinen en erven, objecten voor beeldende kunst en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De luifel is op de verbeelding aangegeven met de 'specifieke bouwaanduiding - luifel'.

Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen, etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Gebouwen

Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Ondergeschikte delen van een bouwwerk, mag het bouwvlak overschrijden. Het bebouwingspercentage is 100% ter plaatse van het hoofdgebouw. Ter plaatse van de aanduiding erf geldt een maximum bebouwingspercentage van 10% en een maximum bouwhoogte van 5 meter.

Nutsvoorzieningen mogen indien noodzakelijk binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht. In verband met het aanzicht op het terrein vanaf de Kempenbaan mogen nutsvoorzieningen niet op de gronden worden gerealiseerd gelegen voor de (verlengde) voorgevelrooilijn van het hotel. De maximale hoogte bedraagt 3,5 meter met een maximale oppervlak van 50 m².

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het onbebouwd erf niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  • de hoogte van van vlaggenmasten mag niet meer dan 10 meter bedragen;
  • de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag in het bouwvlak en in het erf niet meer dan 3 meter en in het onbebouwd erf niet meer dan 1 meter bedragen.

Nadere eisen

Het bevoegd gezag is bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van o.a. een samenhangende straat- en bebouwingsbeeld, veiligheid, milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen.

Afwijken van de bouwregels

Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het bouwvlak

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken ten behoeve van de hoogte van erfafscheidingen, zulks tot een hoogte van maximaal 3 meter en de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zulks tot een hoogte van maximaal 10 meter.

Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het (onbebouwd) erf

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken voor het bouwen van entrees, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, zulks tot een hoogte van maximaal 4,5 meter, tot een oppervlakte van maximaal 20 m² per eenheid en met dien verstande dat niet meer dan 40% van het onbebouwd erf op deze wijze mag worden bebouwd, de hoogte van erfafscheidingen, zulks tot een hoogte van maximaal 3 meter en de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zulks tot een hoogte van maximaal 10 meter.

Voorwaarden

Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan slechts worden verleend indien dit vanuit het oogpunt van de bedrijfsvoering, de bedrijfspresentatie, de constructie of verschijning van het gebouw of de aard van het bedrijf noodzakelijk is, de bebouwingskarakteristiek van de straat niet onevenredig wordt geschaad, gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt, de veiligheid en milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast en de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond.

Specifieke gebruiksregels

Strijdig gebruik

Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend:

  • het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning;
  • het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel of bedrijvigheid;
  • het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
  • opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
  • opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
  • het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van de volgende aspecten:

Anti-dubbeltelregel

Artikel 4 bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.

Algemene bouwregels

Artikel 5 bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot de bereikbaarheid van de gebouwen voor wegverkeer, de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten en de parkeergelegenheid en de laad- en losmogelijkheden. Ook zijn regels opgenomen ter bescherming van ´monumentale bomen´ of ´beeldbepalende bomen'.

Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel 7.

Overige regels
Naast eventuele nadere eisen per bestemming is het bevoegd gezag middels artikel 9 bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.

Algemene procedureregels

Op het stellen van nadere eisen op grond van enige bepaling van de regels van dit bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.

Overige regels

Het bevoegd gezag is bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de bereikbaarheid van gebouwen vanuit en de situering van de hoofdentree van gebouwen ten opzichte van de openbare ruimte, de situering en afmetingen van groenvoorzieningen, de situering en afmetingen van parkeergelegenheid, ook op eigen terrein, de situering van toegangswegen en -paden tot gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, open erven en ´monumentale bomen´ of ´beeldbepalende bomen'.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel

Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangsrecht en slotregel´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Duurzaamheidsladder

De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen (de ladder) borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.

In lid 2 van artikel 3.1.6 Bro is geregeld dat in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden die zien op het onderzoeken van de regionale behoefte en een afweging omtrent het voorzien in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, nu het slechts een andere bouwvorm mogelijk maakt dan het voorheen geldende bestemmingsplan. De planologische wijziging is immers slechts gelegen in dat het oude plan een groot bebouwingsoppervlak (2.800 m2) met een geringe hoogte (9 en 15 meter) kende en het nieuwe bestemmingsplan de bouwmassa op een klein oppervlak projecteert (700 m2) doch met een grotere hoogte (27 meter).

Op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan mocht 100% van het bouwvlak bebouwd worden. Dat had een oppervlakte van circa 2.800 m2 waarvan 2.100 m2 met een goothoogte van 12 meter kon worden bebouwd (=4 bouwlagen) en een nokhoogte van 15 meter (kap = 50%). Een grondoppervlakte van 700 m2 kon worden bebouwd met een goothoogte van 6 meter en een nokhoogte van 9 meter. Het bruto vloeroppervlak dat kon worden gebouwd was dus (4 x 2.100 m2 + 0,5 x 2.100 m2 = 9.450 m2) + (2 x 1.400 m2 + 0,5 x 1.400 m2 = 3.500 m2 ) = in totaal 12.900 m2.

Het nieuwe bestemmingsplan maakt bebouwing van een grondoppervlak van 700 m2 mogelijk, met met een bouwhoogte van 27 meter (9 bouwlagen) en 10% bebouwing van het erf. Het bruto vloeroppervlak dat nu mag worden gebouwd is dan maximaal (9 x 700 m2 = 6.400 m2 ) + (10% x 1.900 m2 = 190 m2) = in totaal 6.590 m2.

Het nu voorliggende nieuwe bestemmingsplan leidt daarom tot een beperking van het te realiseren vloeroppervlak horeca c.q. hotelkamers ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan - bijna een halvering.

Uit het behoefteonderzoek van Horwarth HTL van 2 december 2013 blijkt dat er nog een ruime regionale behoefte is aan hotelkamers. Deze ontwikkeling is in dit onderzoek ook meegenomen als reëel te ontwikkelen. Het college heeft op 10 december 2013 ingestemd met dit behoefteonderzoek en heeft besloten dat bij het realisren van hotels gestreefd wordt naar vestiging van hotels in verschillende gebiedsprofielen, zowel centrumstedelijk, in de nabijheid van de snelweg en gelegen in het landelijk gebied.

8.2 Uitvoerbaarheid bestemmingsplan

Om te voorzien in voldoende parkeerruimte is het eigen terrein van Bastion vergroot. Op de onderstaande afbeelding is deze vergroting globaal weergegeven. In hoofdstuk 4.7.2 wordt nader ingegaan op het verkeerskundige inrichtingsvoorstel van de aangrenzende gronden.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0855.BSP2012028-e001_0015.jpg"

Op 11 oktober 2012 is een planschade overeenkomst gesloten door gemeente en initiatiefnemer. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer.

Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, is het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk en is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.

Hoofdstuk 9 Burgerparticipatie en overleg

9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan 'Kempenbaan 2' op 8 september 2012 gepubliceerd in het Stadsnieuws.

9.2 Burgerparticipatie

Op 28 augustus 2013 is ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een informatieavond gehouden in het Bastion Hotel aan de Kempenbaan. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de herontwikkeling en het voorliggende bestemmingsplan. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Een verslag van de burgerparticipatie is opgenomen als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan.

9.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van10 februari 2014   tot en met 24 maart 2014. Tijdens deze periode zijn er 4 zienswijzen ingediend. In de bijlage 'notitie behandeling zienswijzen' worden deze zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.