| Plan: | Udenhout 2008, 2e herziening (Teunisbloem) |
|---|---|
| Status: | onherroepelijk |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0855.BSP2011014-e001 |
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend voor de realisatie van vier vrijstaande woningen aan de Teunisbloem te Udenhout. Het plangebied betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Udenhout, sectie F, nrs. 5661 en 5744 (ged.).
Onderhavig plan is de tweede fase van Teunisbloem, een kleinschalige woningbouwontwikkeling aan de zuidwestelijke zijde van de dorpskern Udenhout. Het vormt een intermediaire tussen de bebouwing aan de Schoorstraat/Slimstraat en het achtergelegen agrarische buitengebied. De invulling hiervan bestaat uit patiowoningen (fase I) en vrijstaande woningen (fase II).
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen (gedeeltelijk):
Udenhout 2008, vastgesteld door de gemeenteraad op 12 oktober 2009 en onherroepelijk geworden op 16 januari 2010;
Udenhout beschermd dorpsgezicht 2008, vastgesteld door de gemeenteraad op 26 september 2011 en onherroepelijk geworden op 26 oktober 2012.
Het plan voor de bouw van vier vrijstaande woningen aan de Teunisbloem past niet in deze bestemmingsplannen. Voor het plangebied geldt welliswaar grotendeels een woonbestemming, maar er zijn op de bedoelde strook geen bouwvlakken aanwezig. Het oprichten van hoofdgebouwen is derhalve niet toegestaan.
Udenhout ligt ten noordoosten van Tilburg en behoort sinds de herindeling van 1997 bij de gemeente Tilburg.
figuur 1: ligging Udenhout
Het plangebied is gelegen tussen de woningen aan de Schoorstraat in het noorden, de woningen van Teunisbloem fase 1 in het oosten, woonbuurt De Kuil in het zuiden en een open gebied (het buitengebied) in het westen.
figuur 2: plangebied
In het plangebied bevind zich ondergrondse infrastructuur.
De ondergrondse infrastructuur rondom het plangebied bestaat uit een middenspanningskabel, riolering en telecomkabels.
Voor het bouwen van woningen aan de Teunisbloem is de benodigde infrastructuur aanwezig voor toekomstige aansluitingen. De riolering en de middenspanningskabel zullen onder de nieuwe weg komen te liggen. Dit moet geen probleem te zijn, maar de belanghebbenden moeten wel in de gelegenheid gesteld worden om eventueel te verleggen.
Voor de realisatie van het plan moet dus rekening gehouden worden met de aanwezige infrastructuur.
De financiële gevolgen op basis van mogelijke verleggingen dienen te worden onderzocht en te worden getoetst op regelingen uit de privaatrechtelijke overeenkomsten en criteria uit de Telecommunicatiewet.
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.
De Nota Ruimte (afgerond en in werking getreden in 2006) bevat de centrale visie op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en de ruimtelijke bijdrage aan een sterke economie, een veilige en leefbare samenleving en een aantrekkelijk land. Het gaat om de inrichtingsvraagstukken die spelen tussen nu en 2020, met een doorkijk naar 2030. In de nota worden de hoofdlijnen van beleid aangegeven, waarbij wat betreft de sturingsfilosofie is gekozen voor het motto 'decentraal wat kan, en centraal wat moet'. Dat betekent in veel gevallen dat provincies en gemeenten aan zet zijn. Meer dan voorheen focust het Rijk zich slechts op de ruimtelijke hoofdstructuur (RHS) van Nederland.
De Nota Ruimte is in 2012 vervangen door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR; definitief vastgesteld op 13 maart 2012). In de nieuwe Structuurvisie staan de plannen m.b.t. ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.
De inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft gevolgen gehad voor de doorwerking van het nationale ruimtelijke beleid. Totdat de Wro in werking was getreden, werd het geldende rijksbeleid vastgelegd in Planologische KernBeslissingen (PKB’en), zoals de Nota Ruimte. Per 1 juli 2008 waren deze beslissingen alleen nog bindend voor het Rijk zelf en niet meer voor andere overheden. De Wro gaat voor elke bestuurslaag immers uit van structuurvisies, die burgers en andere overheden niet rechtstreeks binden. Deze structuurvisies moeten ook actiegericht zijn. De desbetreffende overheid moet duidelijk maken hoe ze denkt de voorgenomen ontwikkeling te realiseren. Dit heeft het kabinet in juni 2008 gedaan in de zogenaamde Realisatieparagraaf (‘Realisatie Nationaal Ruimtelijk Beleid’), waarin alle nationale ruimtelijke belangen uit de verschillende PKB'en en de voorgenomen verwezenlijking daarvan zijn gebundeld. Daarbij wordt onder meer ingezet op zuinig ruimtegebruik, de bescherming van kwetsbare gebieden (nationale landschappen en Ecologische Hoofdstructuur) en op bescherming van het land tegen overstromingen en wateroverlast. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. De Realisatieparagraaf is toegevoegd aan de Nota Ruimte en heeft de status van structuurvisie.
De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als: Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) gepubliceerd. Het Barro is vervolgens op
22 augustus 2011 vastgesteld. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen (denk hierbij aan onderwerpen als het project Mainportontwikkeling Rotterdam, grote rivieren, kustfundamenten en Waddenzee en waddengebied). Het Barro is gericht op doorwerking van deze nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het besluit is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de 'oude' AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden aan de Tweede Kamer en deels uit nieuwe onderwerpen. Het Barro is - grotendeels - in werking getreden op 30 december 2011. Het Barro is per 1 oktober 2012 uitgebreid met de onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet (reserveringsstroken met bepaalde breedte worden in het Rarro aangewezen), veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Daarmee is de juridische verankering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) nagenoeg compleet. Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructuurbeleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. In het Barro staat aan welke regels de gemeenten en provincies zich moeten houden, bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan. Met de wijziging van het Barro gaat ook een aanpassing van het Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) per 1 oktober 2012 in. Deze regeling bevat ook een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart.
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.
Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen.
Deze stappen zijn:
Met dit bestemmingsplan wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Hierna worden de bovenstaande stappen doorlopen voor dit bestemmingplan.
rede 1: Is er een regionale behoefte?
De ladder voor duurzame verstedelijking beoogt dat in regionaal verband de gezamenlijke ontwikkelingsbehoefte wordt bepaald. Als meerdere locaties aangewezen worden om in die behoefte te voorzien, is het aan de regio om de behoefte te verdelen over die locaties. Als de regionale behoefte voldoende is om een beoogde locatie te ondersteunen en in regionaal verband tevens deze locatie wordt geselecteerd om in de behoefte te voorzien, dan kan dit afdoende motivering vormen in de toelichting bij het bestemmingsplan.
De regionale behoefte is afgestemd in het regionaal ruimtelijk overleg waaraan ook de provincie deelneemt. Hierbij is de afspraak gemaakt dat de gemeente Tilburg tot 2020 mag voorzien in een uitbreiding van 9100 woningen (kwantitatieve behoefte).
In de paragraaf Woonvisie is weergegeven hoe de regionale woonbehoefte is toebedeeld aan de gemeente Tilburg.
Het plan Teunisbloem is van een zodanig beperkte omvang dat het niet concurreert met de plannen die in Udenhout prioriteit hebben, te weten Den Bogerd, Vincentius, Residence en Van De Voort. De woningen zijn een zodanig specifiek product dat deze afwijken van de woningen die in de andere plannen worden aangeboden. Ook wordt de woonconsument daadwerkelijk betrokken bij het realiseren van de woningen, hetgeen uitstekend past in de uitgangspunten van particulier opdrachtgeverschap.
Trede 2: Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?
De regionale behoefte wordt opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied. Trede 3 is daarom niet meer van toepassing.
Conclusie
Er is sprake van een regionale behoefte, welke wordt opgevangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is toepassing geven aan art. 3.1.6 Bro.
Het plangebied is binnen de Verordening Ruimte gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Provinciale belangen spelen hierbij geen rol. Verdere bespreking van de provinciale regelgeving vindt dan ook niet plaats.
De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is een integraal ruimtelijk plan voor de gehele gemeente Tilburg. Deze visie is de opvolger van het 'Stadsbeheerplan Tilburg' uit 1990. De structuurvisie is de ruimtelijke vertaling en onderlinge afstemming van de ambities van de gemeente Tilburg op de gebieden wonen, werken, voorzieningen, recreatie, mobiliteit, natuur, water en landbouw tot 2020. 'Tilburg, stad van contrasten' vormt het leidende thema voor de ruimtelijke ontwikkeling en dus het ruimtelijk beeld in de toekomst; contrasten tussen stad en landschap, tussen de stad en de omliggende dorpen, maar ook tussen de stedelijke en de dorpse elementen in de stad. De ruimtelijke contrasten, die Tilburg karakteriseren, maken de kwaliteiten van de stad zichtbaar. Kiezen voor het benutten en versterken van deze kwaliteiten betekent een verbijzondering van Tilburg ten opzichte van de andere grote steden in Noord-Brabant: een prettige stad om in te verblijven met een goed voorzieningenniveau, woningen en arbeidsplaatsen voor alle geledingen van de bevolking en gelegen in een blijvend groene omgeving.
De speerpunten van de Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende:
De Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 is door de gemeenteraad vastgesteld in januari 2005.
De Structuurvisie Noordoost 2020 (door de gemeenteraad vastgesteld op 14 december 2009) beschrijft de ruimtelijke ontwikkeling tot 2020 van het gebied ten noorden van Tilburg Noord, inclusief Rugdijk / Kouwenberg. De visie heeft geen betrekking op de grotere woningbouwontwikkelingen ontwikkelingen in de bestaande bebouwde gebieden van Udenhout en Berkel-Enschot, wel op de uitbreidingen aan de randen van deze dorpen.
Een deel van het plangebied is opgenomen in het grondgebied van de structuurvisie en is daar opgenomen in een deel van de visie dat wordt aangeduid als 'bestaande natuur'. De betreffende gronden hebben echter reeds een woonbestemming en worden zodoende niet onttrokken aan de bestaande natuur. Er is derhalve geen strijd met de uitgangspunten van de structuurvisie.
N.B: de gemeenteraad heeft op 7 november 2011 besloten om de Structuurvisie Noordoost 2020 op een aantal onderdelen anders of niet uit te voeren. Dit geldt vooral de Noordkamer.
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
Dit plan is een vervolgfase van Teunisbloem, een kleinschalige woningbouwontwikkeling aan de zuidwestelijke zijde van dorpskern Udenhout. Het vormt een intermediaire tussen de patiowoningen van fase I van het plan Teunisbloem en het achtergelegen agrarische buitengebied.
Het plan voorziet in de mogelijkheid om 4 vrijstaande woningen te bouwen. Om een geleidelijke overgang van de bestaande woningen naar het buitengebied te verkrijgen, worden de woningen als bungalows van één laag uitgevoerd met de optie om een verdieping van bescheiden omvang toe te voegen. Het woningtype 'bungalow' komt niet veel voor in Udenhout en is gewenst ter uitbreiding van de differentiatie in het aanwezig woningaanbod met het oog op de groeiende groep senioren.
De bebouwing begeleidt de bestaande weg, de Teunisbloem, die hiertoe verder doorgetrokken wordt. De bouwvlakken zijn met de kopse kant (de smalle kant) aan de weg gelegen zodat er ruime openingen ertussen blijven. Deze openingen betekenen zichtlijnen naar het achtergelegen buitengebied. Tevens bieden ze ruimte voor tuinen aan de zonzijde (zuidwest of zuidoost) van de woningen.
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.
Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.
Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta uit 1992 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:
De introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
De verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.
Met de komst van de wet wijzigt het archeologiebestel in Nederland met name voor de overheidsorganen sterk. De nota 'Grond voor het verleden' (2007) is het beleidsplan voor het Tilburgse archeologiebeleid.
Ligging: het plangebied ligt aan de zuidwestelijke rand van de bebouwde kom van Udenhout.
Landschap: open agrarisch / dorpslandschap met woningen en boerderijen langs de oostelijk gelegen Slimstraat en de noordelijk gelegen Schoorstraat.
Geomorfologie: het plangebied is gelegen in het centrale dekzandlandschap van Noord-Brabant in het noordoostelijke deel van de Roerdalslenk. De Roerdalslenk, ook wel Centrale Slenk genoemd, is een tektonisch dalingsgebied dat door breuken, de Feldbiss / Breuk van Vessem en de Peelrandbreuk, wordt begrensd. Op de geomorfologische kaart is het plangebied grotendeels gekarteerd als een gebied met dekzandruggen, al dan niet met oud-bouwlanddek. In het midden van het plangebied loopt een noordoost-zuidwest georiënteerde dalvormig laagte, zonder veen, het beekdal van de Roomley.
Historisch landgebruik: Udenhout is van oorsprong een boshoevennederzetting, ontstaan in de dertiende eeuw vanuit een schenking van zes hoeven door de hertog van Brabant aan de abdij van Tongerlo. De bosontginning wordt gekenmerkt door strookvormige ontginningspercelen, haaks op de weg, met aan de kop boerderijen.
Huidig landgebruik: agrarisch, grotendeels onbebouwd grasland.
IKAW: het plangebied heeft grotendeels een hoge archeologische verwachting, die te relateren is aan de aanwezigheid van hoge zwarte enkeerdgronden en dekzandruggen die in het verleden aantrekkelijk waren voor bewoning.
AMK: het plangebied niet weergegeven als deel van een terrein met vastgestelde archeologische waarde. Dergelijke terreinen zijn evenmin in de omgeving van het plangebied geregistreerd.
ArWaTi: het plangebied ligt in een zone met hoge archeologische verwachting.
Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een AMK-Terrein.
In 2003 is door Fontys Hogescholen BILAN een archeologisch vooronderzoek voor het plangebied uitgevoerd. (Udenhout Schoorstraat (gemeente Tilburg) Aanvullende Archeologische Inventarisatie Bilan rapportnummer 2003/21.) Uit het booronderzoek blijkt dat het plangebied is verstoord.
Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.
In dit plangebied liggen geen beschermde monumenten, geen MIP-panden en geen panden of objecten van cultuurhistorische waarde.
Direct ten oosten van het plangebied bevinden zich aan de Slimstraat diverse beschermde monumenten en anderszins als cultuurhistorisch waardevol aan te merken panden. Met name het kerkelijke complex van de Sint Lambertus met pastorie en klooster en het voormalige gemeentehuis zijn daarbij van belang. Deze bebouwing ontstaat rond het midden van de negentiende eeuw. Ten noorden van het plangebied bevindt zich aan de Schoorstraat het complex huize Vincentius dat dient voor de verzorging van mensen met een verstandelijke beperking. Dit complex ontstaat in de jaren vanaf 1927. langs de Scoorstraat bevinden zich verder nog enkele van rijkswege beschermde boerderijen uit de late negentiende eeuw.
Bebouwing van het plangebied tast de waardevolle panden in de nabijheid niet aan al is er wel sprake van een mogelijke aantasting van het landschappelijk beeld waarbij het open karakter van het achterliggende landschap gewijzigd wordt.
Gebieden: het plangebied bevindt zich net buiten de oostelijke grens van het op 15 juni 2009 door de raad als beschermd dorpsgezicht aangewezen gebied "Kom Udenhout".
Lijnen (historische assen, linten,…): de Slimstraat en de Schoorstraat zijn lijnen van hoge historisch-geografische waarde.
Historisch groen: n.v.t.
In cultuurhistorisch opzicht zal er geen schade aan het plangebied worden toegebracht omdat er geen bebouwing of historische structuren worden aangetast. Aangezien uit booronderzoek in het verleden (2003) blijkt dat de bodem in het plangebied volledig is verstoord, is het niet noodzakelijk archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.
Bij brief van 5 februari 2010 zijn door de provincie de in de subregio Tilburg gemaakte kwantiatieve woningbouwafspraken bevestigd. Daarmee ligt vast dat Tilburg in de planperiode tot 2020 in totaal 9.100 woningen (= uitbreiding woningvoorraad) kan/mag bouwen ter voorziening in de gemeentelijke woningbehoefte. Met de ontwikkeling van de locatie Teunisbloem wordt hieraan mede invulling gegeven.
In de WoonVisie komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd.
De afgelopen jaren is de woningmarkt sterk ingezakt, de huizenkoper heeft geen vertrouwen in de woningmarkt en er zijn strengere regels ten aanzien van de financiering, zowel voor particulieren als voor ontwikkelaars. Daarnaast groeit het aantal huishoudens in Nederland minder snel, waardoor de groei in de woningbehoefte af zal nemen. De energieprijzen en overige woonlasten zullen de komende jaren sterk stijgen. Er is sprake van een structureel veranderde situatie op de woningmarkt, oude tijden komen niet meer terug.
De lokale effecten van de veranderde marktomstandigheden zijn in Tilburg merkbaar: er is een overmaat aan bouwplannen, die vaak onvoldoende aansluiting vinden bij de feitelijke wensen van de woonconsument. Er is sprake van een teveel aan appartementen en rijtjeswoningen met onvoldoende kwaliteit.
De komende jaren zal in de nieuwbouw een verdere verschuiving optreden naar kwalitatieve eisen en de wens van de woonconsument centraal staan. Maar ook de bestaande voorraad zal een kwaliteitsslag maken, met name in verduurzaming (beperking energielasten).
Wonen blijft een onderwerp van gemeentelijke aandacht, maar in het besef dat de invloed op het (ver)bouwproces gering is. Samenwerking met procespartijen, ook over de gemeentegrenzen heen, moet centraal komen te staan.
De woondoelen:
Focus op de woningvoorraad, verbetering en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad;
Nieuwbouw nog beter en meer klantgericht (particulier opdrachtgeverschap);
Versterking samenhang wonen, welzijn, zorg
Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften is de stad ingedeeld in woonmilieus: Centrum-stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-stedelijk, (Centrum)-dorps en Landelijk. Daarbij wordt per gebied aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan het gewenste woonmilieu te voldoen. Bij (woningbouw)ontwikkelingen in een bepaald gebied dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met deze woonmilieuopgave. De eerder genoemde ´stad in balans´dient vorm te krijgen binnen de woonmilieus.
Het gemeentelijk woonbeleid (zowel kwalitatief als kwantitatief) volgt primair uit de vierjaarlijkse WoonVisie. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. Het centrale thema in de WoonVisie is het streven naar een 'stad in balans' , een stad waarin voldoende mate van differentiatie in het woningaanbod is zodat iedereen passende woonruimte kan vinden. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften is de gemeente in de WoonVisie ingedeeld in vijf woonmilieus: Centrum-stedelijk, Stedelijk-buiten-centrum, Groen-stedelijk, (Centrum)-dorps en Landelijk. Daarbij wordt per gebied aangegeven in welke richting het zich moet ontwikkelen om aan het gewenste woonmilieu te voldoen. Bij (woningbouw)ontwikkelingen in een bepaald gebied dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met deze woonmilieuopgave.
Woonvisie Udenhout
De kwaliteit van de woning en de woonomgeving wordt in de WoonVisie onder andere benaderd door het benoemen van woonmilieus. Udenhout is in de WoonVisie benoemd als een centrum-dorps woonmilieu. De omschrijving van dit woonmilieu is als volgt: gemengd wonen, werken een voorzieningen in een lage dichtheid, een combinatie van redelijke nabijheid en matige bereikbaarheid. Consolidatie van het centrum-dorps woonmilieu is op zijn plaats. Daarbij dienen, waar mogelijk en zinvol, intensivering en/of functieverandering voor het voorzien van de lokale woningbehoefte optimaal benut te worden. Handvatten hiervoor worden onder andere gegeven in de nota 'Gereedschapskist dorps wonen' van de gemeente Tilburg 2004.
De gemeente Tilburg voert iedere vier jaar een woningbehoefte-onderzoek uit. Het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2008. Als de uitkomsten van dit onderzoek worden vergeleken met de uitkomsten van 2004 dan blijkt dat de vraag naar goedkope huurwoningen duidelijk is afgenomen ten gunste van het segment van € 343 tot € 527, wat duidt op een toenemende kwaliteitsvraag. Die kwaliteitsvraag lijkt zich ook te manifesteren bij starters.
De Tilburgse woningmarkt is in kwalitatief opzicht nog niet in evenwicht. Als de vraag naar woningen wordt afgezet tegen het aanbod, dan blijken de tekorten zich vooral voor te doen in de koopsector. Het gaat dan om een tekort aan (dure) vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen, (goedkope) rijstjeshuizen en (middeldure) flats/appartementen met lift. In de huursector bestaat een tekort aan flats/appartementen met lift (met name van € 343 tot € 527). Het grootste overschot doet zich voor bij goekope rijtjeswoningen in de huursector (tot € 343 per maand).
Bedacht moet worden dat het aantal koopstarters weer zal oplopen zodra een economisch herstel optreedt, het consumentenvertrouwen opveert en de prijzen in de koopsector stabiel blijven. Deze verwachting is gebaseerd op de landelijke trend dat veel woonconsumenten blijvend gericht zijn op een kwalitatief hoogwaardige en ruime (koop)woning.
Woningbehoefte voor Udenhout
Uit het Kwalitatief Woningbehoefte-onderzoek (Gemeente Tilburg, 2008) blijkt dat Udenhout veel meerpersoonshuishoudens vanaf 55 jaar telt. Het gemiddeld besteedbare huishoudinkomen is beduidend hoger dan gemiddeld in Tilburg. Er staan veel koopwoningen, vrijstaande/2-onder-1-kapwoningen en dure huur- en koopwoningen. In Udenhout is 24% van de woningen geschikt voor ouderen tegen een gemiddelde van 19% voor heel Tilburg.
Verder blijkt uit het Kwalitatief Woningbehoefte-onderzoek dat de meeste bewoners van Udenhout zeer tevreden zijn met de woning en de woonomgeving.
De gemeente Tilburg wil bevorderen dat mensen meer zeggenschap en keuzevrijheid krijgen in de bouw van woningen. Dat kan onder andere door particulier opdrachtgeverschap te stimuleren. Er bestaan verschillende vormen van particulier opdrachtgeverschap:
Om particulier opdrachtgeverschap te vergroten voert de gemeente een actief informerend, stimulerend en deels faciliterend beleid, zoals verwoord in de woonvisie. De gemeente is echter ook voorwaardenscheppend actief door bij planontwikkeling duidelijke afspraken te maken over aantallen en vormen van particulier. Ook inzet van juridisch instrumentarium (WRO en GREX-wet) behoort nadrukkelijk tot de mogelijkheden. Zo zal zowel bij gemeentelijke gronduitgifte als bij particuliere exploitaties het aandeel particulier opdrachtgeverschap als voorwaarde worden gesteld.
De initiatiefnemer van het plan aan de Teunisbloem heeft aangegeven de kavels voor ontwikkeling te verkopen aan particulieren. Dit voornemen past in de Nota particulier opdrachtgeverschap.
Het plan Teunisbloem is van een zodanig beperkte omvang dat het niet concurreert met de plannen die in Udenhout prioriteit hebben, te weten Den Bogerd, Vincentius, Residence en Van De Voort. De woningen zijn een zodanig specifiek product dat deze afwijken van de woningen die in de andere plannen worden aangeboden. Ook wordt de woonconsument daadwerkelijk betrokken bij het realiseren van de woningen (particulier opdrachtgeverschap). Daarnaast is van belang dat de woningen aanpasbaar en levensloopbestendig en met Politiekeurmerk Veilig Wonen worden gebouwd.
Het groen van het Buitengebied ten noordwesten van de locatie vormt het 'decor' voor de geplande woningen. Ruime tuinen tussen de woningen bieden doorkijkjes naar dit groen.
Het huidige asymmetrische straatprofiel van Teunisbloem met bomen aan de noordzijde wordt in het plangebied doorgetrokken.
In het plangebied bevinden zich geen bomen die een belemmering kunnen vormen voor de beoogde woningen.
Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015.
De gehele dorpskern Udenhout is inmiddels ingericht als 30 km/uur gebied. In dit gebied zijn de Kreitenmolenstraat, Groenstraat, Slimstraat en Schoorstraat de belangrijkst ontsluitingswegen. Door het plan Teunisbloem aan de Schoorstraat aan te sluiten is de locatie goed bereikbaar voor het gemotoriseerde verkeer.
Ook ten aanzien van het openbaar vervoer en het langzaam verkeer is het plangebied goed ontsloten. Op loopafstand bevindt zich een bushalte aan de Slimstraat, bereikbaar via Schoorstraat en Boterbloem.
Fietsers en voetgangers kunnen zowel vanaf de Schoorstraat ten noorden van de locatie als vanaf het Kuilpad en Boterbloem ten zuiden ervan het plangebied bereiken.
Ten noorden van de locatie, aan de overzijde van Schoorstraat, bevindt zich Huize Sint Vincentius. Om de bewoners daarvan een alternatieve, veilige route naar de dorpskern te bieden, voorziet het plan in het doortrekken van het voetpad aan één zijde van de Teunisbloem. Via een doorsteek steekt men over naar een paadje dat naar de Boterbloem leidt. Deze mondt uit bij de Slimstraat.
Het extra verkeer van de 4 nieuwe woningen is dusdanig gering dat de bestaande rijweg van Teunisbloem en de aansluiting op Schoorstraat geen aanpassingen behoeven. Het plan voorziet in het opwaarderen van de bestaande route voor langzaam verkeer zodat de twee zuidelijkst gelegen woningen berikbaar worden voor autoverkeer.
Conform de norm voor nieuwbouw in dit gebied worden er bij iedere woning 2 parkeerplaatsen op eigen erf gerealiseerd.
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
Bij het beoordelen van welke (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven invloed hebben binnen het plangebied is gebruik gemaakt van de desbetreffende milieuvergunning of AMvB (wettelijke afstanden) en de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. Laatstgenoemd document betreft een richtlijn en geen wettelijk kader. Er is voor de genoemde richtlijn gekozen, omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar, die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf het bedrijf (of de opslagvoorziening of installatie) tot woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
n de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor het plangebied.
Het plangebied ligt aan de rand van het dorp tegen het agrarisch gebied aan. Bij het kweken van gewassen waarbij gebruik wordt gemaakt van bestrijdingsmiddelen, moet een afstand van 50 meter in acht worden genomen in verband met de gezondheid van bewoners. Tot voor kort was op percelen nabij het plangebied, het kweken van bomen en dergelijke waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt mogelijk. In de omgeving is dit niet meer mogelijk op percelen nabij het plangebied. Hiermee wordt de gezondheid van toekomstige bewoners beschermd.
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:
Op dit moment wordt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) herzien. De regelgeving omtrent het Basisnet wordt hierin opgenomen. De kwaliteitseisen voor externe veiligheid die verband houden met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de transportroutes zijn op 18 december 2012 gepubliceerd in het ontwerpbesluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour).
Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt, is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke objecten en bestemmingen vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.
De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.
Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:
Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is en hoe hoger het groepsrisico.
De verantwoordingsplicht draait kort gezegd om de vraag in hoeverre risico's, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, worden geaccepteerd en indien noodzakelijk welke veiligheidsverhogende maatregelen daarmee gepaard gaan. Met de verantwoordingsplicht worden betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid voor de maatschappij als geheel voldoende gewaarborgd wordt. Op deze manier wordt beoogd een situatie te creëren, waarbij zoveel mogelijk de risico's zijn afgewogen en geanticipeerd is op de mogelijke gevolgen van een incident. Deze afweging is kwalitatief van aard en richt zich op aspecten zoals de mogelijkheden van bestrijdbaarheid van een mogelijke calamiteit en de mate van zelfredzaamheid van de bevolking. Bij de invulling van de verantwoordingsplicht dienen de volgende elementen te worden beschouwd:
1 het projectkader;
2 de hoogte en toename van het groepsrisico;
3 bronmaatregelen;
4 ruimtelijke maatregelen te treffen maatregelen in het ruimtelijke besluit;
5 mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit en de gevolgen daarvan;
6 mogelijkheden tot zelfredzaamheid;
7 mogelijkheden planontwikkeling op andere locatie;
8 mogelijkheden en voorgenomen maatregelen in de nabije toekomst.
In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, december 2007) zijn deze onderdelen nader uitgewerkt en toegelicht. Conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moeten alle ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een inrichting verantwoord worden. Conform de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs) moet het bevoegd gezag verantwoording afleggen bij elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling. Conform het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling is de uitgebreidheid van de invulling van de verantwoordingsplicht afhankelijk van de hoogte en toename van het groepsrisico.
Wanneer de ontwikkeling buiten de 100% letaal effectafstand ligt, kunnen de punten 3, 4, 7 en 8 buiten beschouwing gelaten worden. Hetzelfde geldt wanneer het groepsrisico 1) onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt of 2) tussen 0,1 maal en 1 maal de oriëntatiewaarde ligt én minder dan 10% toeneemt. We spreken in deze gevallen van een beperkte verantwoordingsplicht. In de andere gevallen dient de verantwoordingsplicht compleet ingevuld te worden.
In het voorliggende plan zijn risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen binnen het plangebied uitgesloten. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour die van invloed is op het plangebied.
Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen binnen of rondom het plangebied.
Het niet-leidinggebonden transport van gevaarlijke stoffen in Tilburg vindt plaats over de weg, per spoor en over het Wilhelminakanaal.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg
Over verschillende wegen binnen de gemeente Tilburg worden gevaarlijke stoffen vervoerd.
Voor gemeentelijke wegen blijkt uit de Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen, die is opgesteld door Royal Haskoning in april 2008, dat op geen van deze wegen een 10-6 risicocontour aanwezig is c.q. een overschrijding van een risicocontour aan de orde is. Voor het groepsrisico van deze wegen geldt dat er conform deze rapportage, ter hoogte van dit bestemmingsplan geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.
Over de A65 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dit initiatief ligt op meer dan 3 km van de A65. Daarmee is de A65 niet relevant voor de planontwikkeling.
Vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor
De spoorlijn Breda - Tilburg - Eindhoven/'s-Hertogenbosch loopt door de gemeente Tilburg. .
Hierover worden onder andere brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vervoerd.
In de beleidsvisie externe veiligheid is vastgelegd dat, tot het moment dat het Basisnet in wetgeving is vastgelegd, uitgegaan wordt van de uitgangspunten zoals deze zijn verwoord in het beleidsdocument Koersen op veilig. Dit betekent dat er, tot het van kracht worden van het Basisnet, geen objecten mogen worden opgericht binnen 29 meter van het hart van de buitenste spoorlijn. Het bestemmingsplan maakt geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk binnen deze afstandsmaat.
Het invloedsgebied van de spoorlijn is 3000 meter en valt dus over het plangebied. Uit de risicoberekeningen die ten grondslag liggen aan het toekomstige Basisnet Spoor blijkt dat voor het relevante spoortraject de hoogte van het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt in de huidige situatie. Vanwege de afstand tot de spoorlijn (ongeveer 1 km), leidt dit bestemmingsplan niet tot een toename van het groepsrisico. De verantwoordingsplicht is daarom niet ingevuld.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over het Wilhelminakanaal
Uit de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (december 2009) blijkt dat er voor het Wilhelminakanaal geen risico- en veiligheidsafstanden gelden.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoor. Aangezien er geen sprake is van een toename van het groepsrisico en er geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde is de verantwoordingsplicht niet ingevuld. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk,) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er zal dan ook geen medewerking worden verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
Binnen het plangebied worden geluidsgevoelige bestemmingen gerealiseerd. De woningen worden echter niet gerealiseerd binnen wegen die een zone (=aandachtsgebied) hebben zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder ("zones langs wegen"). De normen uit de Wet geluidhinder (Wgh) zijn hierdoor formeel niet van toepassing.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidsbelastingen indicatief berekend en beoordeeld (1 Geluidonderzoek). Uit de geluidberekeningen blijkt dat, zonder toepassing van de wettelijke aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder, de (gecumuleerde) geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai maximaal 46 dB bedraagt waardoor sprake is van een goed akoestisch woon- en leefklimaat.
Binnen het plangebied worden geluidsgevoelige bestemmingen gerealiseerd. De geluidbelasting t.g.v. het spoortraject Tilburg / 's-Hertogenbosch op het maatgevende referentiepunt bedraagt 66 dB (Geluidregister spoor).
Dit komt overeen met een zonebreedte van 600 meter. (artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder)
De nieuwe woningen liggen niet binnen deze zone. Dit betekent dat er geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden naar de geluidsbelasting en dat er geen toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder hoeft plaats te vinden.
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder artikel 2.4 van het Inrichtingen en Vergunningen Besluit (c.q. de desbetreffende bijlage bij de Wabo). Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidcontouren (de zogenaamde Ke-contouren). Deze contouren liggen niet over het plangebied.
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand gehouden moet worden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van een viertal woningen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast zijn er geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), aanwezig. Vanuit de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen, bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van 800 meter van het plangebied. Gezien de aard van dit bedrijf en andere, verder weg gelegen, bedrijven zal het plan niet binnen de maximaal toegestane voorgrondbelasting komen te vallen. Omdat er binnen een straal van 2 kilometer diverse veehouderijen actief zijn is door de initiatiefnemer een achtergrondberekening (Geuronderzoek) @@ rapport aangepast toevoegen @@ uitgevoerd. Uit de conclusie van het rapport blijkt dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat.
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen actuele bodemonderzoeken bekend. Wel zijn een aantal verdachtmakingen in de directe omgeving bekend, waaronder een opslag voor brandstoffen en een schietbaan. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning in het kader van een bouwaanvraag dient men een actueel bodemonderzoek aan te leveren. Dit onderzoek mag maximaal 5 jaar oud zijn, en dient rekening te houden met de verdachtmakingen in de omgeving.
Het plangebied Teunisbloem te Udenhout ligt op circa 250 meter afstand van het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen en op circa 150 meter afstand van de Ecologische Hoofdstructuur. De kans dat er sprake zal zijn van significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied dan wel de EHS, wordt vanuit een deskundigenoordeel uitgesloten. Vanuit het bestaande rijks- of provinciale natuurbeleid rust dan ook geen planologische gebiedsbescherming op de locatie.
Het plangebied is niet gelegen in de Groene Mal van de gemeente Tilburg. Vanuit het gemeentelijk natuurbeleid rust daarom ook geen planologische gebiedsbescherming op de locatie.
Op basis van de huidige inrichting en een deskundigenoordeel kan worden gesteld dat de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten hoogst waarschijnlijk tamelijk beperkt zal zijn. Momenteel bestaat het plangebied uit een braakliggend terrein, een weiland, enkele alleenstaande bomen en 'bomenrijen'. Waarschijnlijk zullen in de genoemde elementen uitsluitend zogenaamde tabel 1- c.q. algemene soorten voorkomen, waarvoor de aanvraag van een ontheffing niet noodzakelijk is. De mogelijkheid dat er naast vogels ook nog strenger beschermde soorten voorkomen, zoals vleermuizen, is aanwezig.
In het kader van de Flora- en faunawet in het plangebied nader onderzoek verricht naar beschermde soorten, in de vorm van een quick scan (Quick scan Flora & Fauna). Uit de quickscan volgt dat de geplande ontwikkeling geen nadelige effecten heeft op beschermde natuurgebieden of de EHS.
Ten aanzien van de Flora- en faunawet wordt geconcludeerd dat algemeen voorkomende soorten mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkeling niet in gevaar gebracht. Het is uiteraard wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke moet gedaan worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober.
Voor striks beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele kapwerkzaamheden tussen half julie en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden conform de Flora- en faunawet. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend.
Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
Het plangebied is gelegen in het deelstroomgebied van de Zandleij en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap De Dommel.
Het plangebied heeft een bruto oppervlakte van ongeveer 3.000 m². De bestaande afwaterende oppervlakten zijn:
| Oppervlakten | m² |
| Dak | 320 |
| Terrein verharding | 0 |
| Verharding openbaar | 0 |
| Water | 0 |
| Totaal | 320 |
De terreinhoogte langs het perceel waar de kas staat varieert tussen 9,60+ en 9,85+. Langs de oostelijke rand, waar het voetpad en de openbare ruimte verhard is, varieert de terreinhoogte tussen 9,60+ en 9,85+. De terreinhoogte in het weiland verloopt naar beneden bij de watergangen tot ongeveer 8,80+.
De bodemopbouw is in beeld gebracht met het bodemkundig - hydrologisch onderzoek van 2004 voor het naastliggende plan Kuil (huidige Teunisbloem): tussen 0,0 en 0,7 m – bestaand maaiveld is een zwak humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn zand aanwezig. Variërend tussen 0,0 m tot 0,7 m – bestaand maaiveld tot 1,5 m à 2,5 m – bestaand maaiveld is een zwak zandige leemlaag aanwezig. Volgens diepe boringen, bestaat de bodemopbouw verder tot een diepte van 5,0 à 7,5 m – bestaand maaiveld uit zwak tot matig siltig, matig fijn zand. Vanaf 5,0 m à 7,5 m – bestaand maaiveld tot een diepte van 51,5 m – bestaand maaiveld uit een matig tot uiterst grof lokaal grindhoudende zandlaag.
De stroming van het grondwater in het freatische pakket is globaal noordnoordoostelijk gericht en heeft een gradiënt van circa 0,7 m/km. Lokaal kan de stroming hiervan afwijken. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is vastgesteld op circa 8,80+. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is vastgesteld op 7,40+. Het plangebied is drassig in natte tijden; de beschikbare ontwateringdiepte is onvoldoende voor de nieuwe bestemming van het terrein.
Ten noordwesten van het plangebied ligt de afvoerende waterloop ZL10. Het water stroomt af tot de schacht X1010 en verder richting de watergang ZL11, via een schuif. De watergang ZL11 ligt achter de woningen aan de Boterbloem en loopt tot aan de bestaande Teunisbloem. Bij de bouwrijp van deze eerste fase van het bouwplan werd de watergang overkluisd door middel van infiltrerende / drainerende riolen tot de Schoorstraat. Een stuwput met onderdoorlaat en een drempel op 9,00+ regelt de afstroming van de landbouwkundige afvoer en de afwatering van de Teunisbloem. Vanaf dat punt stroomt het water verder af richting de watergang de Kasteelloop (ZL7) via de bestaande duikers. De overkluizing reproduceert de drainerend / infiltrerende werking van de watergang en zorgt voor waterberging voor de bestaande Teunisbloem. Daarbij is het waterbezwaar nagenoeg nihil.
Ongeveer 500 m ten noorden van de locatie is het gebied de Brand gelegen. Dit gebied wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van vele sloten. Thans is de waterhuishouding in het gebied van de Brand afgestemd op landbouwkundig gebruik. Waterschap De Dommel is voornemens om de waterhuishouding in de EHS af te stemmen op de functie “water voor de landnatuur”. In eerste instantie gebeurt dit alleen door het wijzigen van de tracés voor de huidige waterlopen. Zodra in delen van de Brand aaneengesloten natuur en bospercelen zijn ontstaan, zal in tweede instantie vernatting gaan plaatsvinden. Op het plangebied berust een antiverdrogingsbeleid, waardoor ontwikkelingen mogen plaatsvinden onder hydrologisch neutrale omstandigheden.
Het aangrenzende woongebied De Kuil is voorzien van een drainagesysteem, dat loost op de gemengde riolering. Het plangebied is niet gerioleerd. Het regenwater infiltreert in de bestaande situatie in de bodem en het regionale watersysteem zorgt voor de af- en ontwatering voor het huidige gebruik van het gebied. Nabij het plangebied ligt het bestaande stedelijk gebied, welk volledig gerioleerd is, voornamelijk met gemengde riolering. De overstort in X1010 loost op waterloop ZL10. De eerste fase van het bouwplan Teunisbloem is van een duurzaam gescheiden riolering voorzien. Er ligt een persleiding tussen vanaf het rioolgemaal langs Boterbloem nr. 20 in de richting van de Schoorstraat.
De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er, in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzamer waterbeheer. Belangrijk in deze aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave.
Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen zijn regionaal vastgesteld in het stroomgebiedbeheersplan Maas. De grondwatervoorraad moet stabiel zijn en natuur gebieden mogen niet verdrogen door een te lage grondwaterstand. In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken het beleid van WB21 en de KRW uit te voeren. Het NBW houdt simpel gezegd in dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21), -kwaliteit en ecologie (KRW).
Wat het regionale beleid betreft, beheert Rijkswaterstaat het Wilhelminakanaal, de provincie de grondwatervoorraden en de waterschappen het oppervlaktewater. Het Provinciale Waterplan 2010 - 2015 beschrijft het strategische waterbeleid. De uitvoering van de Europese KRW-doelstellingen is daarin opgenomen. Parallel aan het provinciale beleid, zoeken de waterpartners samen met de betrokken landbouw-, natuur- en andere organisaties samen naar passende oplossingen om deze KRW-doelstellingen te realiseren.
Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Krachtig Water' 2010 - 2015 vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2010 - 2015 en het bovengenoemde Provinciale Waterplan 2010 - 2015. Het plan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap, en maakt een indeling in zes thema's: droge voeten, voldoende water, natuurlijk water, schoon water, schone waterbodem en mooi water. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de verordening Keur waterschap De Dommel (datum intrede 22 december 2009), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in de Structuurvisie Water en Riolering (SWR), met daarin opgenomen het GRP voor de periode 2010 - 2015, met een visie voor de komende 30 jaar. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De SWR vervangt het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002) en het Gemeentelijk Rioleringsplan (2005-2009), en werkt de nieuwe wet- en regelgeving uit, voornamelijk wat de nieuwe zorgplichten betreft voor het regen- en grondwater, en het actuele rijks-, het provinciale en het regionale beleid.
De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte:
Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers, gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren. Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe.
In voorbereiding op de verleden ontwikkeling in de huidige Teunisbloem werd twee onderzoeken uitgevoerd ten aanzien van de geohydrologisch situatie en de mogelijkheden om duurzaam om te gaan met het nieuwe watersysteem. De studie naar de gevolgen van het vernattingplan van natuurgebied de Brand is ook betrokken bij de afwegingen:
Conform het vigerende beleid zijn de volgende uitgangspunten van belang voor het plangebied:
De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) was al bij de eerste fase van het bouwplan Teunisbloem vastgesteld op 8,80+. De minimale ontwatering bij woningbouw is conform de Structuurvisie Water en Riolering 0,90 m tn opzichten van GHG. Ook de ontsluitingsweg moet beschikken over een minimale ontwatering van 0,90 m. Ervan uitgaande dat de kruin van de weg minimaal 10 cm onder de terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrenzen in verband met 'berging op straat', is deze terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrenzen (T-hoogte) vastgesteld op minimaal 9,80+
De afwaterende oppervlakten in de nieuwe situatie zijn ongeveer:
| Oppervlakten | m² |
| Dak | 730 |
| Terrein verharding | 315 |
| Verharding openbaar | 300 |
| Water | 160 |
| Totaal | 1.505 |
In het plangebied is sprake van een toename van verharde oppervlakte van ongeveer 1.185 m².
Bij nieuwbouw is het beste voor het watersysteem als het vuil- en regenwater inpandig gescheiden verzameld worden en bij de perceelgrens aangeboden voor verder berging en afvoer. Het regenwater afkomstig van wegen is relatief schoon te verwachten en kan daarom direct afvoeren richting de bergingsvoorziening.
Het vuil- en regenwater worden inpandig gescheiden verzameld tot de perceelgrens. Het vuilwater voert verder af richting de aan te leggen vuilwater riolering in (toekomstig) openbaar gebied to de bestaande schacht X1472, nabij de Teunisbloem 21. Het vuilwater wordt getransporteerd richting de Schoorstraat tot de bestaande gemengde riolering en verder tot het eindgemaal in de Groenstraat, waar het verpompt wordt richting de zuivering Tilburg, in beheer van het waterschap De Dommel.
Het regenwater wordt verzameld tot en geloosd op de aan te leggen waterberging langs de perceelgrens en de openbare ruimte. Het regenwater wordt verzameld tot de bergingsvoorziening. De bergingsopgave is verschillend voor bestaand stedelijk gebied en uitbreidingsgebied:
De bergingopgave voor het bestaande deel is 3 m³. Van de uitbreiding 31 m³, conform berekeningen met de regenduurlijn bijhorend bij 'Ontwikkelen met een duurzaam oogmerk' (De Dommel, juli 2006). Het bergingopgave voor het plan bedraagt dan ook 34 m³. Bij extreme neerslag komt daarbovenop een volume neerslag vrij uit het plangebied van ongeveer 30 m³.
Voor de realisatie van de bergingsvoorziening zijn verschillende opties afgewogen:
De waterberging ondergronds, is vrij kostbaar in aanleg en beheer, waardoor het onaantrekkelijk blijkt en er wordt getwijfeld aan de technische haalbaarheid. In particulier terrein is het tegen het beleid om de waterberging te centraliseren in openbaar gebied en de burger te ontlasten. De verbreiding van de watergang zou technisch haalbaar zijn; het verdient echter niet de voorkeur van de waterbeheerder. De meest aantrekkelijke keuze blijkt het inrichten van een deel van perceel F4068 als ondiepe waterberging en aankleden met groenvoorzieningen. Daarbij moet het ontwerp rekening houden met voldoende toegang tot de waterberging en langs de watergang ZL11 voor beheer.
Om de waterberging van 34 m³ te realiseren is gekozen voor aanleggen van ondiepe watergangen tussen de percelen en de openbare weg, een strook met een breedte van 3,50 m. Deze watergangen hebben een drooglegging van minimaal 40 cm en een bergende waterlaag van 30 cm. De taluds zijn 1:1,5. De bodem ligt dan ook 70 cm onder het maaiveld ter plaatse van de insteek van het talud. Als de terreinhoogte daar ongeveer 9,80+ is, wordt de bodemhoogte van de watergang ongeveer op 9,10+ (ongeveer 30 cm boven GHG). De benodigde minimale oppervlakte voor de watergangen is dan 250 m² (gemeten op maaiveld); deze oppervlakte valt binnen de gereserveerde 330 m². De overige oppervlakte is voor de inritten.
De peilstijging bij een neerslag van 10 jaar (plus 10% t.b.v. klimaatontwikkeling) is ongeveer 30 cm. Bij extreem hevige neerslag mag geen onacceptabele schade ontstaan. Bij een bui met een herhalingstijd van 100 jaar en bijhorende 10% voor klimaatontwikkeling geven wordt berekend een extra peilstijging van 15 cm, waardoor geconcludeerd kan worden dat het neerslagvolume afkomstig van het plangebied volledig geborgen kan worden in de bergingsvoorziening.
De watergangen kunnen het beste aangesloten worden op elkaar door middel van duikers. Het regenwaterstelsel kan een escape op de bestaande regenwaterriolering in de Teunisbloem hebben. Bij voorkeur via een overstortmuur met een onderdoorlaat voor de landbouwkundige afvoer (1,67 l/s).
Het regenwater wordt verder afgevoerd richting ZL7 via de bestaande onderdoorlaat in de bestaande overstort in de Schoorstraat. Bij waterpeilen boven 9,00+ stort het water over richting ZL7, via de bestaande overstort in de Schoorstraat. De afvoercapaciteit van de bestaande leidingen bij Teunisbloem 1e fase is ruim voldoende.
Op grond van bovengenoemde onderzoeken, beleidsdocumenten en de vastgestelde uitgangspunten is het watersysteem in overleg met de waterbeheerder gedefinieerd. In het plangebied en voor rekening van de ontwikkelende partij(en), dienen de volgende randvoorwaarden in acht genomen te worden bij het ontwikkelen van het plangebied:
Het plan is meermalen voorgelegd aan de waterbeheerder waterschap De Dommel tijdens verschillende overlegmomenten. De conceptwaterparagraaf is voorgelegd via de e-mail van 5 april 2013. De Dommel leverde op- en aanmerkingen welke zijn verder verwerkt in de definitieve waterparagraaf. De Dommel stemt met deze waterparagraaf in, via de brief / mail d.d. 14 mei 2013.
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Stedenbouw van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2008 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2008 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op .
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.
De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit bestemmingsplan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.
Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding.
In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.
Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
De Bouwverordening kent grote waarde toe aan de voorgevelrooilijn als stedenbouwkundig element: de lijn waarin gebouwd moet worden. De voorgevelrooilijn is in dit bestemmingsplan omschreven als ´de voorste, naar het openbaar gebied toegekeerde lijn die het bouwvlak begrenst´. In de bouwregels wordt aangeven wanneer er sprake is van een voorgevelrooilijn. Indien er sprake is van enkelvoudige volumes, wordt veelal een groot bouwvlak weergegeven, dat niet volledig (100%) mag worden bebouwd. In dat geval wordt op de verbeelding een ´bebouwingsfront´ weergegeven. In de regels wordt dan geregeld dat ter plaatse van deze aanduiding bebouwing in deze lijn moet worden gebouwd. Het bebouwingsfront geldt dan als voorgevelrooilijn.
De achtergevelrooilijn is ´de achterste, niet naar het openbaar gebied toegekeerde lijn, die het bouwvlak begrenst´. Omgevingsvergunningen voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn zijn mogelijk en bijvoorbeeld nodig in situaties, waarin binnen de stroken- of blokverkaveling (gelegen binnen of aansluitend op het bestaande stadsweefsel) sprake is van:
Bij het verlenen van omgevingsvergunning dient een afweging plaats te vinden aan de hand van de volgende criteria:
Conform de regeling in de Bouwverordening is de bouwdiepte gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. In het algemeen is de achterste begrenzing van het bouwvlak bepaald door de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen in het betreffende bouwblok. Indien sprake is van een bouwstrook is de bouwdiepte bepaald door de helft van de diepte van de bouwstrook, gelegen achter de voorgevelrooilijn. In beide gevallen wordt als maximum gehanteerd een diepte van 12 m. Gelet op de specifieke situatie of vanuit stedenbouwkundige overwegingen kan voor het bepalen van de achtergevelrooilijn van deze richtlijn worden afgeweken.
Op grond van historisch/morfologische interpretatie worden de volgende gebiedstypen onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte:
Langs de 'Hoofdstructuur oude gebieden' wordt, indien sprake is van een lint van de 1e orde, een maximale hoogte toelaatbaar geacht van 15 m. Indien sprake is van een lint van de 2e orde, is de maximaal toelaatbare hoogte 11 m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15 m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10 m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen-1, Wonen-2 en Wonen-3. Ook in het buitengebied geldt een afwijkende regeling.
Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels ten behoeve van een hogere bouwhoogte is vaak mogelijk voor specifieke constructies.
Binnen de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein is omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de voorgeschreven bouwhoogte mogelijk in een gradatie in hoogtes en percentages. Afwijking is niet toegestaan binnen een zone van 50 m van bepaalde grenzen van bedrijventerreinen, weergegeven op onderstaand kaartbeeld. In geval van ligging direct naast beschermde dorps- of stadsgezichten en/of gemeentelijke dan wel rijksmonumenten, waarmee hogere bebouwing zou kunnen concurreren, dient afstemming met genoemde objecten plaats te vinden. Advies wordt gevraagd aan de gemeentelijke Omgevingscommissie.
De toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn is in het algemeen gerelateerd aan de straatbreedte. De toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tussen de achtergevelrooilijnen. De formule ter bepaling van de goothoogte in de voorgevelrooilijn kan als volgt worden omschreven: de straatbreedte (gemeten van gevel tot gevel) + 1 m met een maximum van:
In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Dit zelfde geldt voor de goothoogte in de achtergevelrooilijn. Wanneer de systematiek voor de goothoogte in de voor- en achtergevelrooilijn resulteert in verschillende hoogten, wordt de laagste goothoogte weergegeven. Middels een omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de regels ten behoeve van het bouwen in het bouwvlak kan dan een hogere goothoogte voor de andere rooilijn worden verkregen.
Aanvullend op deze regeling dient langs de 'Hoofdstructuur oude en nieuwe gebieden' echter rekening te worden gehouden met de bestaande hoogte van de belendingen in de voorgevelrooilijn. Hierbij dienen de volgende uitgangspunten in acht te worden genomen:
In bijzondere gevallen kan, afhankelijk van het type lint, omgevingsvergunning worden verleend voor binnenplans afwijken van de bouwregels t.b.v. bebouwing in de strook van 5 m langs de zijdelingse perceelsgrens tot een maximale hoogte behorende bij het type lint. Rekening houdende met de belendingen en/of het straatbeeld kunnen uit oogpunt van een goede ruimtelijke inpassing nadere eisen worden gesteld ten aanzien van vorm, afmetingen en plaats van de bovenste bouwlaag of de bovenste twee bouwlagen.
In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen.
Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied:
Met omgevingsvergunning inzake binnenplans afwijken van de bouwregels is ten behoeve van mantelzorg een grotere oppervlakte mogelijk.
In het buitengebied geldt (op basis van provinciaal beleid) voor bijgebouwen bij woningen in beginsel een maximale oppervlaktemaat van 75 m², terwijl de goothoogte maximaal 3 m en bouwhoogte maximaal 4,5 m mag bedragen.
Hoofdstuk 2 bevat de ´´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d.
Bestemmingen
In het plangebied komen drie bestemmingen voor: Wonen (W), Verkeer - verblijf (V-VB) en Groen (G).
De bestemming Wonen staat de bouw van grondgebonden woningen toe, met een beperkte maximale bouwhoogte (7 meter voor de dakopbouw en 3,5 meter voor het gedeelte met één bouwlaag), geschikt voor een dorps woonmilieu. De bestemming Verkeer-verblijf voorziet in verkeersvoorzieningen ten behoeve van wegverkeer en verblijf. Tot slot is de bestemming Groen opgenomen om onder andere groen- en speelvoorzieningen mogelijk te maken.
Functieaanduiding
In het plangebied is de functieaanduiding Water gelegd op de voorterreinen van de geplande woningen. Op deze gronden moet in waterretentie worden voorzien. (Zie ook waterparagraaf).
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen, etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Binnen de bestemming Wonen zijn bouwvlakken aangegeven waarbinnen de hoofdmassa van de woningen gebouwd dient te worden. De bouwvlakken aan de noordzijde van de lijn Teunisbloem-Kuilpad zijn voor bungalows bedoeld. De bouwhoogte daarvan wordt tot 3,5 meter beperkt, dus 1 bouwlaag. Binnen de maatvoeringvlak is het mogelijk een tweede bouwlaag te realiseren van maximaal 30 m2. Voor het bouwvlak ten zuiden van de lijn Teunisbloem-Kuilpad geldt een bouwhoogte van maximaal 6 meter. Binnen dit vlak is het toegestaan om een volume van maximaal 600 m3 te realiseren.
Nadere eisen en omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels
Vaak heeft het college de bevoegdheid om met in achtneming van de daarvoor geldende voorwaarden nadere eisen aan bouwplannen te stellen of afwijking van de bouwregels toe te staan.
Gebruiksregels
Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Hoofdstuk 3 bevat de ´´ ten aanzien van de volgende aspecten:
Anti-dubbeltelregel
Artikel bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.
Algemene bouwregels
Artikel bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, de situering van de hoofdtoegang voor woningen, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen en een regeling voor het bouwen nabij op de verbeelding aangeduide bomen.
Algemene gebruiksregels
In artikel staat een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Algemene afwijkingsregels
Algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan staan in artikel .
Overige regels
Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn burgemeester en wethouders middels artikel bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen. Algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, staan eveneens in dit artikel.
Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Met de initiatiefnemer is een exploitatieovereenkomst en een overeenkomst tegemoetkoming in schade gesloten. In de overeenkomst tegemoetkoming in schade is bepaald dat schade als gevolg van onderhavig bestemmingsplan, welke op de voet van afdeling 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door ontwikkelaar. In de exploitatieovereenkomst is de bijdrage voor het fonds bovenwijkse voorzieningen gezekerd alsmede de kosten voor de benodigde aanpassingen in het openbaar gebied.
Aangezien het verhaal van kosten anderszins verzekerd is, het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro niet noodzakelijk is, is er geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro opgesteld.
Gelet op bovenstaande is het onderhavige plan economisch uitvoerbaar.
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan 'Udenhout 2008, 2e herziening (Teunisbloem) op 7 juli 2011 gepubliceerd in de Tilburgse Koerier.
Het bestemmingsplan is in stedelijk gebied gelegen. Het project ten behoeve waarvan het bestemmingsplan wordt opgesteld, heeft een zeer beperkte ruimtelijke impact. Er zijn dan ook geen provinciale of rijksbelangen mee gemoeid.
De initiatiefnemer heeft - ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie - omwonenden per brief geinformeerd over de planontwikkeling. Hierbij zijn de omwonenden in de gelegenheid gesteld schriftelijk vragen te stellen of een afspraak te maken voor een persoonlijk gesprek. Er zijn geen schriftelijke reacties ingekomen en drie omwonenden hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot een persoonlijk gesprek.
Een bewoner van de Teunisbloem geeft aan bezwaar te hebben tegen de bouw van een woning achter hun perceel. Zij stellen dat hun woongenot zal worden aangetast. De initiatiefnemer heeft de procedure van bestemmingsplanherziening toegelicht en uitgelegd dat bezwaren tegen het bestemmingsplan ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan aan de gemeente kunnen worden gericht.
Twee bewoners van de Boterbloem hebben een aantal vragen ges teld aan de initiatiefnemer. De vragen hebben deels betrekking op feitelijkheden en deels niet op het voorliggende plan. De vragen die betrekking hebben op het voorliggende plan gingen over het waarborgen van het woongenot en wooncomfort en over de manier waarop wordt omgegaan met de belangen van bestaande bewoners. De initiatiefnemer heeft de vragen beantwoord.
Voor het volledige door initiatiefnemer opgestelde verslag wordt verwezen naar de bijlage bij deze toelichting (Verslag burgerparticipatie).
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8. van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 8 juli tot en met maandag 19 augustus 2013. Tijdens deze periode zijn er vier zienswijzen ingediend. Deze worden in bijlage 5 Notitie behandeling zienswijzen zakelijk weergegeven, met daarbij het standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.
N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009).