| Plan: | Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 2e herziening (Vierbundersweg 56) |
|---|---|
| Status: | onherroepelijk |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0855.BSP2009048-e001 |
Er is een verzoek om herziening van het bestemmingsplan ingediend ten behoeve van het vergroten van het agrarisch bouwblok aan Vierbundersweg 56 te Tilburg. De wens tot vergroting van het bouwblok is weergegeven in een door aanvrager van de onderhavige planherziening ingestuurde brief d.d. 25 juni 2009, en blijkt ook uit correspondentie van voor die datum. De Agrarische Adviescommissie Bouwaanvragen (AAB) heeft tweemaal over de gewenste uitbreiding geadviseerd, te weten bij brieven van 29 oktober 2008 en 10 november 2010. Laatstgenoemd advies omvat enerzijds een bevestiging van het postieve advies uit 2008 en anderzijds een negatief advies ten aanzien van hetgeen het in het advies van 2008 geaccordeerde overstijgt. Bij brief van 13 december 2010 heeft aanvrager in reactie op het tweede advies van de AAB verklaard de procedure tot planherziening te willen voortzetten op basis van hetgeen door de AAB akkoord werd bevonden in 2008.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen relevante ruimtelijke en sectorale regels en beleidskaders.
Het plangebied is gelegen aan/rondom Vierbundersweg 56 te Tilburg en omvat de kadastrale percelen sectie AG, nrs. 330, 332, 333 en 334 (gemeente Tilburg, Tilburg).
Op de desbetreffende - kadastrale - percelen vigeert tot de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan het bestemmingsplan Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010. In dat plan hebben de genoemde kadastrale percelen de bestemmingen Agrarisch en Agrarisch-Agrarisch Bedrijf. Daarin brengt het voorliggende plan geen verandering, maar de onderlinge bestemmingsgrenzen worden wel gewijzigd.
Het initiatief in kwestie behelst - voor zover toegelaten - vergroting van een bestaand, in twee aan elkaar gekoppelde delen uiteenvallend, agrarisch bouwblok tot één ongefragmenteerd bouwblok van ca. 0,95 ha. In dergelijke gevallen vraagt de gemeente de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) om advies. De Agrarische Adviescommissie Bouwaanvragen (AAB) heeft tweemaal over de gewenste uitbreiding geadviseerd, te weten bij brieven van 29 oktober 2008 en 10 november 2010. Laatstgenoemd advies omvat enerzijds een bevestiging van het postieve advies uit 2008 en anderzijds een negatief advies ten aanzien van hetgeen het in het advies van 2008 geaccordeerde overstijgt. De AAB is van oordeel dat de aanvrager van de planherziening, zijnde de exploitant van de rundveehouderij aan Vierbundersweg 56, ter plaatse een volwaardig agrarisch bedrijf exploiteert. Ten aanzien van de vergroting van het bouwblok stelt de commissie dat het bedrijf in kwestie inderdaad ontwikkelruimte nodig heeft, zij het niet in de mate die aanvrager op enig moment in de procedure voor ogen stond. Bij brief van 13 december 2010 heeft aanvrager in reactie op het tweede advies van de AAB verklaard de procedure tot planherziening te willen voortzetten op basis van hetgeen door de AAB akkoord werd bevonden in 2008.
Inventarisatie
1. Landschap en ontginningsgeschiedenis
2. Archeologische waarden
3. Cultuurhistorische waarden
Samenvatting
De planlocatie is ontgonnen vanaf de eerste helft twintigste eeuw en maakte voor die tijd deel uit van een voormalig uitgestrekt heidegebied aan de westkant van Tilburg. Dit heidegebied is als archeologische microregio hoofdzakelijk bekend vanwege zijn steentijdvindplaatsen, daterend uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Er kan echter geen uitsluitsel worden gegeven over de daadwerkelijke aanwezigheid van archeologische waarden noch over de fysieke kwaliteit van het bodemarchief ter plekke. De bij planrealisatie beoogde bodemverstoring is echter zo gering in omvang dat nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht wordt. Bij verwezenlijking van het plan worden geen cultuurhistorische waarden bedreigd of vernietigd. Uit cultuurhistorisch opzicht geldt dan ook geen bezwaar tegen voorgesteld plan.
Conclusie
Vanuit het oogpunt van archeologie of cultuurhistorie bestaat er geen bezwaar tegen de realisatie van het plan.
Bronnen en afkortingen:
AMK: Archeologische Monumentenkaart
Archis: Archeologisch informatiesysteem (ROB)
ArWaTi: Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg
BO: Dienst Beleidsontwikkeling
BSG: Beschermd Stadsgezicht
CHV: Cultuurhistorische Verkenning
CHW: Cultuurhistorische Waardeninventarisatie
IKAW: Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (ROB)
IVO: Inventariserend Vooronderzoek
MIP: Monumenten Inventarisatie Project
RAT: Regionaal Archief Tilburg
ROB: Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek
RUI: Afdeling Ruimtelijke Ordening
Team ABC: Team Architectuur, Beeldende Kunst en Cultuurhistorie
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
Bij het beoordelen van welke (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven invloed hebben binnen het plangebied is gebruik gemaakt van de desbetreffende milieuvergunning of AMvB (wettelijke afstanden) en de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. Laatstgenoemd document betreft een richtlijn en geen wettelijk kader. Er is voor de genoemde richtlijn gekozen, omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar, die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf het bedrijf (of de opslagvoorziening of installatie) tot woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De afstanden gelden tussen de perceelgrens van de inrichting en de gevel(s) van de woning(en) van derden.
De uitbreiding van het agrarisch bouwblok betreft geen gevoelige bestemming. Daarom zijn omliggende bedrijven niet van invloed voor de wijziging en heeft er dus ook geen inventarisatie plaatsgevonden.
Andersom heeft de wijziging (het vergroten van het agrarisch bouwblok) wel een impact op de omgeving. Deze impact heeft betrekking op het geuraspect (zie onderdeel Geur van dit hoofdstuk).
In en nabij het plangebied is geen sprake van opslagen van gevaarlijke stoffen en/of inrichtingen, waarvan de PR-contour over het plangebied ligt.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.
Binnen het plangebied ligt een 66,2 bar gastransportleiding (A-531) en een 40 bar gasleiding (Z-522-01) van de GasUnie. De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 ligt op 0 meter van de leidingen. De 1% letaliteitgrens (9,8 kW/M2 contour) van deze leidingen ligt op 100 meter (Z-522-01) en 240 meter (A-531). Er worden in het invloedsgebied echter geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Er zijn derhalve geen belemmeringen uit oogpunt van extrene veiligheid.
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
Het bestemmingsplan maakt de bouw van agrarische bedrijfsbouwwerken mogelijk bij een bestaand bedrijf. Het betreft hierbij geen geluidgevoelige functies zoals genoemd in de Wet geluidhinder. Verdere toetsing aan de Wet geluidhinder kan dan ook achterwege blijven.
In de directe nabijheid zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Vanuit 'een goede ruimtelijke ordening' bezien zijn er geen bezwaren tegen het bestemmingsplan.
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan, dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand gehouden moet worden.
De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de uitbreiding van een agrarisch bouwblok.De veestapel zal door deze wijziging naar verwachting niet significant veranderen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Uit oogpunt van luchtkwaliteit bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
Het plangebied beoogt de uitbreiding van het agrarisch bouwblok van een veehouderij aan de Vierbundersweg 56. De inrichting ligt in het buitengebied waardoor voor een dergelijk bedrijf een vaste afstand van 50 meter geldt tot geurgevoelige objecten (o.a. woningen). Voor de inrichting is een contour getekend voor de bestaande situatie (rode contour) en de nieuwe situatie (blauwe contour).
Op basis van het huidige bouwblok ligt de tegenovergelegen woning binnen de 50 metercontour vanaf het agrarisch bouwblok. De afstand vanaf de stal wordt wel gehaald. Bij de uitbreiding van het bouwblok blijkt alleen de eerder genoemde woning binnen de 50 metercontour vanaf het agrarisch bouwblok te liggen. Ook in deze situatie geldt dat de afstand ten opzichte van de stallen, zoals geprojecteerd, wel gehaald wordt. Milieuhygiënisch verandert de situatie dus niet en de milieudruk op de woning die nu ook al binnen de contour ligt verandert niet.
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
De locatie is niet verdacht. In 2001 is voor een bouwvergunning een bodemonderzoek ingediend. Uit het onderzoek bleek dat de bouwlocatie maximaal licht verontreinigd was. Voor het overige zijn bij de gemeente geen actuele bodemonderzoeken bekend. Direct ten zuiden van de locatie zijn een aantal slootdempingen bekend. Deze dempingen dienen in het geval van een bouwaanvraag nog onderzocht te worden. Dit dient bij de indiening van de concrete bouwaanvraag met exacte nieuwbouwsituatie bepaald te worden.
De planlocatie ligt niet in een Natura 2000-gebied of in de nabijheid of de invloedssfeer ervan. Hierdoor is geen sprake van significant negatieve effecten op een Natura 2000-gebied. Bescherming in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is dan ook niet aan de orde. Daarnaast ligt het plangebied niet in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of in de Groenblauwe mantel. Vanuit het bestaande rijks- en provinciale natuurbeleid is voor de locatie dienaangaande derhalve geen planologische gebiedsbescherming aan de orde.
De Flora- en faunawet staat aan de wijziging van deze locatie evenmin in de weg. Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet wel aan de zorgplicht van de Flora- en faunawet worden voldaan. Deze zorgplicht houdt in, dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel en tevens nadelig zijn voor de flora en fauna, achterwege moeten blijven.
Dit hoofdstuk geeft weer hoe wateraspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
In de huidige situatie is het merendeel van het plangebied grond met agrarisch gebruik. Op een klein deel van het perceel, ca. 650 m², is verharding aanwezig. Er is bestaande bebouwing aanwezig in de vorm van een woonhuis (215 m²) en een stal (870 m²), welke afwateren in het terrein. De hoogte van het huidige terrein varieert tussen 4,90 + NAP op de weidegronden en 5,70 + NAP nabij de bestaande bebouwing. Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Donge en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van waterschap De Brabantse Delta. Het plangebied is niet gelegen in een Keurbeschermings- of attentiegebied.
Voor het plangebied is de maatgevende hoogste grondwaterstand (MHG) op basis van de beschikbare gegevens ingeschat op 4,25 m + NAP. Met maatgevende grondwaterstanden ca. 1,40 meter onder het maaiveld ter plaatse van de bebouwing, is de ontwatering in de bestaande situatie voldoende.
In de bestaande situatie is er geen sprake van aanbod en afvoer van afvalwater. Langs de Vierbundersweg liggen sloten, die zorgen voor de afwatering van zowel de weg als de aangrenzende percelen. Naast het plangebied ligt de Schorleij. De sloten wateren af richting de Onkelsloot.
Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en kwantiteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing, een waterschapsverordening, die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur te lozen op het oppervlaktewater bij een uitbreiding van het verhard oppervlak groter of gelijk aan 2.000 m².
Overwegingen
Aan de hand van de ontwikkelingen in het plangebied zijn de kansen om duurzaam om te gaan met hemelwater verkend, zoals omschreven in het gemeentelijke waterplan (GWP) en zijn vertaling in het Waterstructuurplan (WSP), het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) en de vierde nota waterhuishouding (NW4). In de Structuurvisie Water en Riolering (SWR, waarin opgenomen het GRP 2010-2015) zijn beleidskeuzes vastgesteld om duurzaam om te gaan met het watersysteem in het bestaande stedelijk gebied. De regenwaterafvoer van stedelijke gebieden met een gemengde rioolstelsel word selectief doelmatig afgekoppeld van dit rioolstelsel. Omwille van de doelmatigheid zijn afkoppelgebieden gedefinieerd, waarin het zoveel regenwaterafvoer mogelijk wordt ontkoppeld van de bestaande riolering, en aangekoppeld op een secundaire afwateringsstructuur, de zogenaamde Blauwe Aders. Het water wordt verder getransporteerd naar de stadsranden waar het verwerkt wordt in waterparken.
Deze ontwikkeling houdt in dat er een nieuwe veldschuur wordt gebouwd (275 m²) en opslagplaatsen gemaakt voor kuilvoer (690 m2) en mest (440 m²). Hiertussen zal verharding worden aangebracht (850 m²) op een bestaand onverhard perceel met agrarisch gebruik. De opslagplaatsen dienen afgedekt te worden waardoor vervuiling van hemelwater wordt voorkomen. Bij dit plan zijn de kansen om duurzaam om te gaan met het watersysteem afgewogen. De ontwikkelingen hebben een minimaal effect op het watersysteem. Het hemelwater van de toekomstige verharding, veldschuur en kuilvoeropslag met een maximale oppervlakte van ca. 2.255 m², dient op eigen terrein te worden verwerkt. Het overtollige hemelwater kan afwateren naar de bestaande sloten aan de Vierbundersweg. Er kan ook gekozen worden om het afstromend hemelwater via de lager gelegen velden op eigen terrein in de grond te laten zijgen.
Watersysteem
In het plangebied en voor rekening van de ontwikkelende partij(en), dienen de volgende randvoorwaarden in acht genomen te worden bij het herontwikkelen van het plangebied:
De 'waterparagraaf' van dit bestemmingsplan is in het kader van het verplichte vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) op 12 juli 2011 ter beoordeling voorgelegd aan waterschap De Brabantse Delta. Bij brief van 9 augustus 2011 heeft het waterschap laten weten drie opmerkingen te hebben ten aanzien van de waterparagraaf:
1. verzocht werd een door het waterschap aangeleverde alinea op te nemen in onderdeel 5.2.3;
2. verzocht werd in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen;
3. opgemerkt werd dat de aan te leggen retentievoorziening (mogelijk) groter zal moeten zijn dan de in het conceptplan opgenomen waarde.
Aangezien de benodigde retentieomvang wordt opgenomen in de te verlenen Watervergunning en een grotere retentieomvang geen consequentie heeft voor de planregels of verbeelding geeft het waterschap een positief wateradvies.
De indeling van dit bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2008 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen). Deze indeling wordt in deze paragraaf toegelicht.
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel, dat de wijze van meten regelt.
Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod.
Bestemmingsomschrijvingen
De gronden in het plangebied krijgen de bestemming Agrarisch-Agrarisch Bedrijf. De bijbehorende planregels zijn gebaseerd op de Tilburgse standaard plansystematiek voor (beheer)bestemmingsplannen.
Bouwregels
De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen, etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouw zijnde.
Afwijken van de regels
Het college heeft de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning toestemming tot afwijken van de bouwregels te verlenen. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning gelden steeds een aantal voorwaarden.
Specifieke gebruiksregels
Hierna worden de regels omtrent het gebruik van bouwwerken en gronden gegeven, soms aangevuld met een aantal mogelijkheden tot afwijking, wisselend per bestemming.
Wijzigingsbevoegdheid
De bestemmingsregels zijn aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid voor bepaalde functies.
Hoofdstuk 3 betreft de ´Algemene regels´. Dit hoofdstuk bevat regels die voor alle gronden van toepassing zijn, ten aanzien van de volgende aspecten:
Algemene bouwregels
Het hoofdstuk bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels.
Het hoofdstuk bevat tevens een aantal algemene stedenbouwkundige regels die voor alle bestemmingsvlakken van toepassing zijn. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing.
Algemene gebruiksregels
Hoofdstuk 3 kent een algemene gebruiksregel, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functie-aanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
Algemene aanduidingsregels
Daarnaast zijn algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld.
Algemene afwijkingsregels
Een algemene bevoegdheid met betrekking tot het bij omgevingsvergunning verlenen van toestemming tot geringe afwijkingen van de regels van het plan is ook opgenomen.
Overige regels
Naast eventuele nadere eisen per bestemming zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een aantal algemene nadere eisen te stellen.
Het laatste hoofdstuk heeft het opschrift ´Overgangs- en slotregels´ en bevat algemene regels, betrekking hebbend op het overgangsrecht. Bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan (of die kunnen worden opgericht volgens een voor dit tijdstip aangevraagde vergunning) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Artikel 3.1.6. van het Bro verplicht de bestemmingsplanwetgever een vast te stellen bestemmingsplan te doen vergezellen door een toelichting, waarin (o.a.) zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat, hoewel aangevraagd ten behoeve van een mestzak, kuilvoerplaat en veldschuur van relatief beperkte omvang, in potentie een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Het bouwblok wordt immers vergroot met circa 7500 m², en dit bouwblok kan in beginsel grotendeels worden volgebouwd met agrarische bedrijfsgebouwen. De grondexploitatiewet (afdeling 6.2 van de Wro) is derhalve van toepassing. Gelet op het bepaalde in artikel 6.2.1a, onderdeel b, van het Bro (dat in werking is getreden met ingang van 1 november 2010), hoeft echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Er zullen geen voorzieningen van openbaar nut getroffen worden. De enige gemeentelijke kosten die gemaakt worden zijn de plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan. Bij initiatiefnemer zijn dienaangaande bij aanslag leges in rekening gebracht. Eventueel uit te keren planschade zal ten laste komen van de initiatiefnemer, die met de gemeente een overeenkomst inzake verhaal planschade heeft gesloten.
Gelet op het vorenstaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 10 december 2009 gepubliceerd op de gemeentelijke pagina´s in De Tilburgse Koerier.
Op 21 juni 2010 heeft aanvrager ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie omwonenden bij brief ingelicht over het voorliggende plan. Hierop zijn geen reacties binnengekomen.
Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties:
| Instantie | Datum verzending | Datum ontvangst reactie | Opmerkingen? |
| Directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving provincie Noord Brabant | 12 juli 2011 | 25 oktober 2011 | ja |
| Inspectie VROM |
12 juli 2011 | 5 augustus 2011 | nee |
| Waterschap De Brabantse Delta | 12 juli 2011 | 10 augustus 2011 | ja |
| Ministerie van Defensie (Dienst Vastgoed) | 12 juli 2011 | 5 augustus 2011 | nee |
| Nederlandse Gasunie | 12 juli 2011 | niet ontvangen | nee |
Hieronder worden de overlegreacties (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders wordt vermeld.
Waterschap De Brabantse Delta
De 'waterparagraaf' van dit bestemmingsplan is in het kader van het verplichte vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) op 12 juli 2011 ter beoordeling voorgelegd aan waterschap De Brabantse Delta. Bij brief van 9 augustus 2011 heeft het waterschap laten weten drie opmerkingen te hebben ten aanzien van de waterparagraaf:
1. verzocht werd een door het waterschap aangeleverde alinea op te nemen in onderdeel 5.2.3;
2. verzocht werd in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen;
3. opgemerkt werd dat de aan te leggen retentievoorziening (mogelijk) groter zal moeten zijn dan de in het conceptplan opgenomen waarde.
Aangezien de benodigde retentieomvang wordt opgenomen in de te verlenen Watervergunning en een grotere retentieomvang geen consequentie heeft voor de planregels of verbeelding geeft het waterschap een positief wateradvies.
Standpunt college
Wij hebben in het ontwerpbestemmingsplan de gewenste redactionele aanpassingen doorgevoerd. De in het concept nog genoemde maatvoering van de retentievoorziening is weggelaten in het ontwerp. Wij volstaan daarin met het noemen van de verplichte retentievoorziening. Hoe groot de voorziening uiteindelijk exact zal moeten zijn, zal de heer Willemse vernemen in antwoord op zijn aanvraag om Watervergunning.
Directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving provincie Noord Brabant
Onze Verordening kent twee hoofduitgangspunten ten aanzien van ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied waar onze opmerkingen in relatie tot onderhavige voorontwerp-bestemmingsplan op terug te voeren zijn:
- Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 2.1)
- Kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 2.2}
Ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap bepaalt de Verordening dat wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot nieuw ruimtebeslag, er feitelijk, juridisch en financieel wordt zekergesteld dat deze ontwikkeling leidt tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze zorgplicht geldt voor iedere ruimtelijke ontwikkeling binnen de aanduiding agrarisch gebied en groenblauwe mantel. Het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap is in onderhavig voorontwerp-bestemmingsplan niet als uitgangspunt betrokken bij de in het plan opgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Hiermee is het bestemmingsplan strijdig met artikel 2.2 van de Verordening ruimte. Wij vragen u dit uitgangspunt in het ontwerp-bestemmingsplan door te vertalen.
Standpunt college
De vereiste ruimtelijke kwaliteitsverbetering komt - na overleg met de stadsecoloog en de heer Willemse - tot stand door:
1. een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het nieuwe bouwblok;
2. het realiseren van een (kikker)poel in de uiterste zuidwestelijke hoek van het kadastrale perceel sectie AG, nr. 334, die de nabijgelegen ecologische verbindingszone (het Wilhelminakanaal) versterkt.
Beide zaken zijn verzekerd in de planregels (zie hiervoor de artikelen 3 en 4).
Toelichting op de keuze voor een poel: de stadsecoloog gaf aan dat langs het aan het plangebied grenzende Wilhelminakanaal, dat is aangewezen als ecologische verbindingszone, behoefte is aan dit soort poelen. Dit ter versterking van de verbindingszone. De gemeente legt zelf op ca. 700 meter van de in dit plan geregelde poel ten minste één soortgelijke poel aan, te weten op het kadastrale perceel sectie Ag, nr. 363. De door betrokkene te realiseren poel, de door de gemeente te realiseren poel(en) en de ecologische verbindingszone zullen elkaar versterken.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 16 april tot en met 29 mei 2012. Tijdens deze periode is er één zienswijze ingediend. Deze wordt hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijze.
Zienswijze 1 (Gasunie)
De Gasunie verzoekt in de toelichting in te gaan op de aanwezigheid van een tweetal leidingen. Daarnaast verzoekt de Gasunie t.a.v. de transportleiding met nr. A-531 een belemmeringenstrook van 5 meter (i.p.v. 4 meter) op te nemen in de regels (artikel 5).
Standpunt gemeentebestuur
De zienswijze is gegrond. Toelichting en regels worden in overeenstemming met de zienswijze aangepast.