direct naar inhoud van Artikel 4 Maatschappelijk
Plan: St. Elisabeth ziekenhuis e.o. 2009
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0855.BSP2008027-e001

Artikel 4 Maatschappelijk

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Functies

De voor ´Maatschappelijk´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen;
  • b. bouwwerken van algemeen nut,

voor zover geen sprake is van een gevoelige bestemming binnen een zone van 300 meter gemeten vanuit de buitenste rand van het asfalt van de rijksweg A58.

4.1.2 Bijbehorende voorzieningen

De voor ´Maatschappelijk´ aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor:

  • a. algemene voorzieningen ten behoeve van (para-)medische voorzieningen zoals kapel, mortuarium, huisvesting verplegend personeel, ronald mc donaldhuis;
  • b. kantines en restauratieve voorzieningen;
  • c. detailhandel tot een maximum van 1.000 m2 bruto vloer oppervlakte, horeca I en persoonlijke en zakelijke zorg- en dienstverlening, voor zover zorggerelateerd;
  • d. verkeersvoorzieningen;
  • e. parkeer- en stallingsvoorzieningen;
  • f. groen- en speelvoorzieningen;
  • g. aan-, uitbouwen en bijgebouwen;
  • h. tuinen en erven;
  • i. objecten voor beeldende kunst;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

voor zover deze behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 4.1.1 genoemde functies.

4.1.3 Afwijking bestemmingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd omgevingsvergunning te verlenen voor het binnenplans afwijk van het verbod op het vestigen dan wel uitbreiden van gevoelige bestemmingen binnen een zone van 300 meter gemeten vanuit de buitenste rand van het asfalt van de rijksweg A58, zoals opgenomen in artikel 4.1.1, mits;

  • uit onderzoek blijkt dat geen sprake is van een overschrijding of dreigende overschreiding als bedoeld in de AMvB gevoelige bestemmingen met betrekking tot zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2), of;
  • er sprake is van een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming die leidt tot een toename van ten hoogste 10% van het ‘rechtens aantal personen dat ter plaatse mag verblijven’.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Bestaande bebouwing welke krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht.

4.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ondergeschikte delen van een bouwwerk, voor zover gelegen binnen het bestemmingsvlak, het bouwvlak overschrijden;
  • c. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • d. de bouwhoogte binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan het met de maatvoeringsaanduiding aangegeven maximum;
  • e. het bouwen van ondergrondse bouwwerken is toegestaan.
  • f. het bouwen van een gevoelige bestemming als bedoeld in artikel 2 van de AMvB gevoelige bestemmingen kan slechts plaatsvinden onder de voorwaarde dat nader onderzoek naar luchtkwaliteit wordt overlegd, waaruit blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) overschrijding.
4.2.3 Bouwwerken van algemeen nut

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht;
  • b. de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5 m;
  • c. de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50 m².
4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen op het onbebouwd erf niet meer dan 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag in het bouwvlak niet meer dan 4 m en in het onbebouwd erf niet meer dan 1 m bedragen.
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van:
    • 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de brandveiligheid;
    • 5. de milieusituatie;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • b. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen;
4.4 Afwijken van de bouwregels
4.4.1 Binnenplans afwijken m.b.t. bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met inachtneming van de voorwaarden in 4.4.2, omgevingsvergunning te verlenen voor het binnenplans afwijken van:

  • a. het bepaalde in 4.2.2 onder a voor bouwen buiten het bouwvlak ten behoeve van entrees, overstekende daken, draagconstructies van de gebouwen, luifels, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die naar hun aard en bestemming op een onbebouwd erf toelaatbaar zijn en hieraan gelijk te stellen voorzieningen;
  • b. het bepaalde in 4.2.2 onder c met betrekking tot het bebouwingspercentage tot een maximum van 10 punten meer dan met de maatvoeringsaanduiding is aangegeven;
  • c. bepaalde in 4.2.2 onder d met betrekking tot de maximale bouwhoogte tot een maximum van 15 m;
  • d. het bepaalde in 4.2.4 onder a voor de hoogte en situering van erfafscheidingen tot een hoogte van maximaal 3 m;
  • e. het bepaalde in 4.2.4 onder b voor de hoogte en situering van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een hoogte van maximaal 10 m.
4.4.2 Voorwaarden

De in artikel 4.4.1 genoemde omgevingsvergunningen kunnen slechts worden verleend, mits:

  • a. dit vanuit het oogpunt van de bedrijfsvoering, de constructie of verschijning van het gebouw of de aard van het bedrijf noodzakelijk is;
  • b. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt;
  • c. de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. de milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast;
  • e. de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • f. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
  • g. de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond;
  • h. vanuit stedenbouwkundig oogpunt in beginsel rekening wordt gehouden met eventuele zichthoeken vanuit belendende percelen.
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ´Maatschappelijk´, wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning;
  • b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel of bedrijvigheid;
  • c. het storten van puin en afvalstoffen, tenzij dit ter realisering en/of handhaving van de bestemming is;
  • d. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, tenzij dit ter realisering en/of handhaving van de bestemming is;
  • e. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
  • f. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens;
  • g. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten.
4.5.2 Binnenplans afwijken t.b.v. meest doelmatig gebruik

Burgemeester en wethouders verlenen omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 4.5.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.