1.1 plan:
het bestemmingsplan Pastoor van Vroonhovenstraat 6 van de gemeente Schijndel;
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0844.BPPastVroonhovstr6-VG01, met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen);
1.3 aan huis verbonden bedrijf:
een bedrijf, gericht op het beroepsmatig verlenen van diensten en zorg of het uitoefenen
van (ambachtelijke) bedrijvigheid door middel van handwerk, die door zijn beperkte
omvang, door de gebruiker van een woning in die woning of bij die woning kan worden
uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een
ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie overeenkomt (inclusief
kinderopvang voor maximaal 6 niet-eigen kinderen);
1.4 aan huis verbonden beroep:
het uitoefenen van een beroep dan wel het beroepsmatig verlenen van diensten op
administratief-, juridisch-, medisch-, therapeutisch-, kunstzinnig-, vastgesteldtechnisch- of
uiterlijke verzorgingsgebied, c.q. een naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen activiteit, dat door zijn beperkte omvang in of vanuit een woning, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;
1.5 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.6 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.7 aardkundige waarde:
gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem die
een bepaalde mate van bescherming genieten;
1.8 afhankelijke woonruimte:
1. delen van een boerderij en/of
2. een bijgebouw bij een woning, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met die
Woning waar een gedeelte van de huishouding, zoals gehuisvest in die woning, uit een oogpunt van mantelzorg is ondergebracht;
1.9 agrarisch bedrijf:
bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van telen van
gewassen of het houden van dieren;
1.10 agrarisch bouwvlak:
een aanduiding 'bouwvlak' binnen de bestemming Agrarisch - Log, Agrarisch met waarden - Kleinschalig landschap, Agrarisch met waarden - Natuur en landschap of Agrarisch met waarden - Open landschap;
1.11 agrarisch gebruik:
het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
1.12 agrarisch technisch hulpbedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door
middel van het telen van gewassen, het houden en/of (medisch) verzorgen van dieren, of
de toepassing van andere landbouwkundige methoden, met uitzondering van
mestverwerking, zoals: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en
mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor
landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven en veehandelsbedrijven;
1.13 agrarisch verwant bedrijf:
een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of
niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden zoals dierenasiels,
dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven,
stalhouderijen, instellingen voor agrarische praktijkonderwijs, proefbedrijven,
pensionstalling;
1.14 archeologische waarden:
cultuurhistorische waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met
sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig het
cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigd;
1.15 ander bouwwerk:
bouwwerk, geen gebouw zijnde;
1.16 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken;
1.17 bebouwingsconcentratie:
een op de verbeelding als zodanig aangegeven kernrand, bebouwingslint of
bebouwingscluster met een historisch gegroeide menging van kleinschalige buitengebieden niet-buitengebiedfuncties;
1.18 bed & breakfast:
het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot
recreatief nachtverblijf en ontbijt aan een beperkt aantal personen die hun hoofdverblijf
elders hebben;
1.19 bedrijf:
een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief de daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van opslag- en administratie;
1.20 bedrijfsactiviteiten:
handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een
bedrijf;
1.21 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
1.22 bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het
huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering
noodzakelijk moet worden geacht;
1.23 beperkt kwetsbaar object:
de definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.24 Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij:
Besluit van 8 december 2005, houdende regels ter beperking van de ammoniakemissie uit huisvestingssystemen van veehouderijen, zoals deze luidde op het moment van de
terinzagelegging van het vastgesteld van het bestemmingsplan;
1.25 Besluit externe veiligheid inrichtingen:
Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van
inrichtingen milieubeheer zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van
het vastgesteld van het bestemmingsplan;
1.26 bestaand:
t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de
terinzagelegging van het vastgesteldplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens
een voor dat tijdstip verleende vergunning;
t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het
tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;
1.27 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.28 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.29 bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een
aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende
omgevingsvergunning;
1.30 bijgebouw:
een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt;
een bijgebouw wordt aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk in de zin van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;
1.31 boerderij:
een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen
(voormalige) agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid
(bouwkarakteristiek waarbij woon- en stalgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen;
1.32 Bouwbesluit 2003:
besluit van 7 augustus 2001, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot
het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid,
energiezuinigheid en milieu;
1.33 bouwen:
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een
bouwwerk;
1.34 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.35 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke
hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, niet zijnde de ruimte onder de kap;
1.36 bouwmassa:
een complex van aaneengebouwde bouwwerken
1.37 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar
behorende bebouwing is toegelaten;
1.38 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
1.39 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten;
1.40 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij
direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.41 cultuurhistorische waarden en kenmerken:
waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met
het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden,
het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;
1.42 dagrecreatie:
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij
overnachting niet is toegestaan; huifkarren worden hier mede onder begrepen;
1.43 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop,
verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen
gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit;
1.44 ecologische waarden:
aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het
gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische
processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate
van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde;
1.45 extensief recreatief medegebruik:
die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en
landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën en natuurgerichte
recreatie zoals vogelobservatie;
1.46 extensiveringsgebied:
een aangeduid ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gelegen
aangrenzend aan woon- of natuurgebieden, waar uitbreiding, hervestiging of
nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is;
1.47 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt;
1.48 geluidsgevoelige objecten:
woningen, scholen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs, hoger
onderwijs en gezondheidszorggebouwen;
1.49 geluidzoneringsplichtige inrichting:
bedrijven welke vallen onder artikel 2.4. van Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer;
1.50 geurgevoelige objecten:
gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden
gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een
daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt;
1.51 glastuinbouwbedrijf:
een bedrijf, dat is gericht op het telen van gewassen door in hoofdzaak gebruik te maken
1.52 groenblauwe mantel:
gebieden die grenzen aan de ecologische hoofdstructuur, de ecologische verbindingszone
of het zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen, en deze verbinden, zijnde
gebieden met overwegend grondgebonden agrarisch gebruik en belangrijke nevenfuncties voor natuur en water;
1.53 hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, afmetingen, functie of ligging
als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;
1.54 horeca:
bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse of het
bedrijfsmatig verstrekken van logies, één en ander al dan niet in combinatie met een
vermaaksfunctie, nader te onderscheiden in:
- horeca categorie 1: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren ten behoeve van consumptie ter plaatse, alsmede het daaraan ondergeschikt verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, al dan niet in combinatie met het verstrekken van nachtverblijf en/of van zaalverhuur, zoals een (hotel-) restaurant, pannenkoekhuis, eetcafé en pizzeria, uitgezonderd een maaltijdafhaalcentrum.
- horecacategorie 2: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide snacks, ijs en kleine maaltijden voor consumptie zowel ter plaatse als elders, met daaraan ondergeschikt het verstrekken van dranken, zoals een snackbar, cafetaria, lunchroom en ijssalon.
- horecacategorie 3: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet in combinatie met kleine etenswaren, zoals een café.
- horecacategorie 4: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot dansen dan wel tot het uitoefenen van een kans- en behendigheidsspel al dan niet in combinatie met het verstrekken van alcoholhoudende en niet-alcoholhoudende dranken, zoals een dancing, discotheek, casino of automatenhal.
- horecacategorie 5: een horecabedrijf dat een combinatie is van horecacategorie 1, 2, 3 en/of 4.
1.55 huishouden:
persoon of groep personen die gezamenlijk één huishouding voert, waarbij sprake is van
onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatig
kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen;
1.56 inpandige statische opslag:
het in een gebouw voor langere tijd bergen van goederen, die geen regelmatige
verplaatsing behoeven, zoals (antieke) auto's, boten en caravans. De opslag mag niet
bestemd zijn voor de handel dan wel worden opgeslagen voor een elders gevestigd
niet-agrarisch bedrijf;
1.57 insteek van de watergang:
het begin van het sloottalud;
1.58 koffie-theeschenkerij:
een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van zwak- en niet-alcoholische
dranken, met als nevenactiviteit het verstrekken van voor consumptie ter plaatse, bereide etenswaren; het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard zoals feesten en partijen is niet toegestaan;
1.59 kwetsbaar object:
de definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.60 landbouwdieren:
rundvee, pluimvee (kippen, eenden, ganzen, kalkoenen, parelhoenders, struisvogels e.d.), varkens, schapen, geiten, pelsdieren, konijnen, paarden, wormen e.d., consumptievissen (meerval, forel, paling, zeebaars, zeebrasem, tilapia e.d.);
1.61 landschapselementen:
ecologische en/of landschappelijk waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen,
poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha en zonder een agrarische
productiefunctie;
1.62 landschappelijke inpassing:
het inpassen van een gebouw of een gebruik in het landschap, waarbij afstemming
plaatsvindt op de context van het landschap door middel van de architectuur van het
gebouw en/of de aanplant van gebiedseigen beplanting;
1.63 landschappelijke waarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het
aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de
levende en niet-levende natuur;
1.64 legaal:
gebouwd in overeenstemming met de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
1.65 maatschappelijk:
voorzieningen ten behoeve van medische, sociale, culturele, spirituele of religieuze
activiteiten, voorzieningen ten dienste van onderwijs, kinderopvang, alsmede
overheidsdiensten met een overwegend openbaar karakter;
1.66 mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychisch en/of
sociaal vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;
1.67 minicamping:
een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of een
burgerwoning;
1.68 natuurwaarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische,
bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge
samenhang;
1.69 nevenactiviteiten:
het ontplooien van activiteiten bij een agrarisch bedrijf, die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen;
1.70 nieuwvestiging agrarisch bedrijf:
projectie van een al dan niet gekoppeld agrarisch bouwvlak op een locatie die niet is
voorzien van een bouwvlak;
1.71 omgevingsvergunning:
vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
1.72 ondergeschikte detailhandel:
detailhandel als activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht
duidelijk ondergeschikt is aan de volgens het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie.
De detailhandelsactiviteit is van zulke beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang
dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm,
overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft;
1.73 ondergeschikte horeca:
een horecavoorziening, gericht op het verstrekken van zwak- en niet-alcoholische dranken met als nevenactiviteit het verstrekken van voor consumptie ter plaatse, bereide
etenswaren, binnen een bestemming waarvan de hoofdfunctie een andere dan horeca is,
waarvan door de vorm en omvang duidelijk herkenbaar is dat de horecavoorziening slechts een ondergeschikt onderdeel is van en voortkomt uit de hoofdfunctie en niet is gericht op het aantrekken van bezoekers; het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard zoals feesten en partijen niet is toegestaan;
1.74 ondersteunende horeca:
een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de hoofdfunctie een andere dan
horeca is maar waar men uitsluitend ten dienste van c.q. ter ondersteuning van de
hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en
etenswaren;
1.75 overkapping/ carport:
een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd
door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw;
1.76 overtollige bebouwing:
bebouwing die niet in gebruik is ten behoeve van de hoofdfunctie en/of de nevenactiviteit
of, in het geval van functiewijziging, bebouwing die niet noodzakelijk is voor de nieuwe
hoofdfunctie;
1.77 paardenbak:
een onoverdekt al dan niet omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen
door zand of een ander waterdoorlatend materiaal ten behoeve van het africhten, trainen
en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport;
1.78 recreatief medegebruik:
die vormen van openluchtrecreatie, die plaats hebben in een omgeving met een
niet-recreatieve hoofdfunctie, waarbij het medegebruik ondergeschikt is aan de
hoofdfunctie en het hoofdgebruik;
1.79 risicovolle inrichting:
een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.80 routegebonden horeca:
horeca, ondergeschikt aan de ter plaatse positief bestemde hoofdfunctie, in de vorm van
kleinschalige rustpunten met bijvoorbeeld een terras waar koffie, thee, frisdranken,
zwak-alcoholische dranken en kleine versnaperingen verkrijgbaar zijn;
1.81 schuilstal:
een bouwwerk, dat aan tenminste één zijde geheel open is (geen wand of af te sluiten
wand) en uitsluitend dient c.q. wordt gebruikt voor het laten schuilen.c.q. huisvesten van
zogenoemde boerderijdieren, zoals rundvee, (trek)paarden, pony's, geiten, schapen e.d.;
onder een schuilstal wordt tevens verstaan een schaduwparasol en een
voederrekoverkapping;
1.82 seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang
alsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval
verstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam)
prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
combinatie met elkaar;
1.83 slopen:
geheel of gedeeltelijk afbreken;
1.84 statische opslag:
opslag van goederen, die geen regelmatige verplaatsing behoeven, zoals (antieke) auto's, boten en caravans en dergelijke;
1.85 streekgebonden producten:
producten, gemaakt met grondstoffen die als streekeigen worden beschouwd en/of
volgens streektraditie geteelde producten, en/of producten die volgens een specifieke
bereidingswijze of receptuur van een bepaalde regio wordt geproduceerd;
1.86 verblijfsrecreatie:
recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning, groepsaccommodatie/logeergebouw, pension, bed & breakfast,
kampeermiddel of trekkershut door personen die hun hoofdwoonverblijf elders hebben;
1.87 verhard:
een verharding, bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmee
vergelijkbare vaste/gesloten materialen;
1.88 verwevingsgebied:
een aangeduid ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied, gericht op
verweving van landbouw, wonen en natuur. Hervestiging of uitbreiding van intensieve
veehouderij is mogelijk mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar
niet tegen verzetten;
1.89 vloeroppervlak(te):
de totale bebouwde oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt
gebruikt;
1.90 voorgevel
de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw, indien een gebouw met meerdere
gevels naar de weg is toegekeerd wordt de naar architectuur, indeling en/of uitstraling
meest gezichtsbepalende gevel van een gebouw aangemerkt als voorgevel.
1.91 voorgevelrooilijn:
de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een
afstand van de weg die:
gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de
weg op het betreffende bouwperceel;
gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het
betreffende bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels
voorgeschreven afstand;
1.92 voorzieningen van openbaar nut:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
1.93 vormverandering bouwvlak:
wijziging van de begrenzing van een agrarisch bouwvlak zonder dat dit gepaard gaat met
een vergroting van de totale oppervlakte;
1.94 water:
alle water dat zichtbaar (oppervlaktewater) aanwezig is in bijvoorbeeld waterlopen, poelen, vijvers, meren en zeeën, of onzichtbaar (grondwater) aanwezig is zoals freatisch
grondwater direct beneden het maaiveld;
1.95 waterhuishoudkundige doeleinden:
doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen,
waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en
onderhoud van een watergang e.d. en waterhuishoudkundige voorzieningen;
1.96 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer,
waterafvoer, waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals infiltratiekratten, wadi's, infiltratiegreppels, doorlatende bestrating en infiltratie- en transportriolen, dijken, dammen, grondwallen, duikers, stuwen, gemalen en inlaten;
1.97 watergang:
een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde waterloop;
1.98 werk:
een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde;
1.99 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:
Wet van 6 november 2008 (Stb. 496), houdende regels inzake een vergunningstelsel met
betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake
handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het vastgesteld van dit plan;
1.100 Wet geluidhinder:
Wet van 16 februari 1979 (Stb. 99) houdende regels inzake het voorkomen of beperken
van geluidhinder, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het
vastgesteld van het plan;
1.101 Wet geurhinder en veehouderij:
Wet van 5 oktober 2006, houdende regels inzake geurhinder vanwege tot veehouderijen
behorende dierenverblijven (Wet geurhinder en veehouderij), zoals deze luidde op het
moment van de terinzagelegging van het vastgesteld van het plan;
1.102 Wet milieubeheer:
Wet van 13 juni 1979, Stb. 442, houdende regelen met betrekking tot een aantal
algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne, zoals deze luidde op het
moment van de terinzagelegging van het vastgesteld van het plan;
1.103 woning/ wooneenheid:
een complex van intern met elkaar in verbinding staande ruimten, in een (gedeelte van
een) gebouw, uitsluitend geschikt en bestemd voor de huisvesting van maximaal één
huishouden;
1.104 Woningwet:
Wet van 29 augustus 1991 , (Stb. 1991, nr. 439), tot herziening van de Woningwet;
1.105 (woon)boerderij:
een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen
(voormalige) agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid
(bouwkarakteristiek waarbij woon- en bedrijfsgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen;
1.106 woonunit:
een te verplaatsen/ verwijderen bouwwerk bestaande uit één bouwlaag, geschikt en
ingericht ten dienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen, niet
zijnde een stacaravan of chalet;
1.107 zijdelingse perceelsgrens:
de perceelsgrens, die parallel aan de zijgevel van het hoofdgebouw ligt;
1.108 zorgvoorziening:
een voorziening ten behoeve van de welzijnszorg in de vorm van de verzorging/verpleging van mensen op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, gericht op verbetering van hun welzijn, een en ander met uitzondering van mantelzorg.