direct naar inhoud van REGELS
Plan: Bestemmingsplan Centrum 2017, herziening 3 (Keiweg - Ridderstraat)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0826.BSPhz3Centrum2017-VA01

REGELS

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan

Het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Centrum 2017, herziening 3 (Keiweg – Ridderstraat)' met identificatienummer 'NL.IMRO.0826.BSPhz3Centrum2017-VA01' van de gemeente Oosterhout.

1.2 Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en de daarbij behorende bijlagen).

1.3 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 Aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf

De uitoefening van een beroep op zakelijk, administratief, juridisch, financieel, therapeutisch, (para)-medisch, cosmetisch, ontwerptechnisch of hieraan gelijk te stellen gebied, dan wel de uitoefening van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten geheel of overwegend door middel van handwerk, voor zover deze behoren tot de milieucategorie 1 of 2, zoals bepaald in de Staat van bedrijfsactiviteiten, of een daarmee qua aard en invloed op de omgeving vergelijkbare activiteit, waarbij de activiteit in of bij een woning wordt uitgeoefend.

1.6 Achtererfgebied

Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

1.7 Achtergevellijn

De lijn waarin de achtergevel van een woning is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.

1.8 Achtergevelrooilijn

De van de weg, waarop het belangrijkste gebouw op een bouwperceel is georiënteerd, afgekeerde grens van een bouwvlak.

1.9 Archeologische waarden

Waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde.

1.10 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken een gebouwen zijnde.

1.11 Bed & Breakfast

Een voorziening in een (bedrijfs)woning, die als doel heeft het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse met een recreatieve doelstelling verblijft; onder Bed & Breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke, seizoensgebonden of permanente werkzaamheden en/of arbeid.

1.12 Begane grond

De bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau.

1.13 Bestaand(e) situatie
  • a. Ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig of in uitvoering op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel bebouwing, die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning.
  • b. Ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en/of opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
1.14 Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.15 Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.16 Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.17 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.18 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.19 Bouwlaag

Doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.

1.20 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.21 Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

1.22 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.23 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.24 Dak

Iedere boven beëindiging van een gebouw.

1.25 Dakbegroeiing

Een dakbedekking die hoofdzakelijk bestaat uit levende planten. De dakbegroeiing kan zowel extensief of intensief zijn:

  • a. extensief: daken, met een vegetatiepakket, dat is opgebouwd uit een wortelkerende laag, een drainagelaag, een substraatlaag en een vegetatielaag met droogteresistente soorten, en die geen gebruiksfunctie hebben. De extensieve daken zijn alleen voor onderhoud toegankelijk. De belasting ligt tussen de 20 en 200 kg per vierkante meter;
  • b. intensief: daken met een vegetatiepakket, dat is opgebouwd uit een wortelkerende laag, een drainagelaag, een substraatlaag en een vegetatielaag met een grote variatie aan soorten tot en met bomen toe en die een gebruiksfunctie kunnen hebben. De belasting ligt boven de 200 kg per vierkante meter;
1.26 Dakopbouw

Een opbouw op een deel van een hellend dak, waarmee de goot- en/of bouwhoogte van het gebouw wordt verhoogd.

1.27 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop) het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat postorderbedrijven, en daarmee vergelijkbare internetwinkels, flitsbezorgdiensten of darkstores (al dan niet met een baliefunctie) niet worden aangemerkt als detailhandel, tenzij ter plaatse de goederen ten verkoop worden uitgestald, en er sprake is van fysiek klantencontact, en minimaal 50% van het totale oppervlakte in gebruik is als verkoopvloeroppervlak, geheel toegankelijk voor klanten.

1.28 Dienstverlening

Bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder zijn begrepen kapperszaak, schoonheidsinstituut, fotostudio, bank, postkantoor, reisbureau en naar aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en instellingen, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.

1.29 Erf

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

1.30 Escortbedrijf

De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bij het bedrijf horende bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus e.d.).

1.31 Functie

Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

1.32 Gastouderschap

Kinderopvang op het woonadres van een gastouder of de ouder(s) die tot stand komt door bemiddeling van een gastouderbureau en die betrekking heeft op ten hoogste zes kinderen, naast eventuele eigen kinderen van de gastouder.

1.33 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.34 Geluidgevoelig object

Een geluidgevoelig object als aangewezen bij en krachtens de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer.

1.35 Geluidgevoelige ruimte

Ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon- of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van tenminste 11 m².

1.36 Gestapelde woning

Een woning in een gebouw waarin zich meerdere boven elkaar gelegen zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten bevinden.

1.37 Gevel

Bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak.

1.38 Gevelvlak

Het verticale vlak waarin de hoofdvlakken van een gevel zich bevinden.

1.39 Grondgebonden woning

Een woning die rechtstreeks contact heeft met het aangrenzende terrein.

1.40 Hogere waarde

Ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg, spoorweg of industrieterrein, die op grond van de Wet geluidhinder of het Besluit geluidhinder van toepassing is.

1.41 Hoofdfunctie

De belangrijkste functie waarvoor een gebouw mag worden gebruikt.

1.42 Hoofdgebouw

Een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel, en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is.

1.43 Huishouden

De leefvorm of samenlevingsvorm van één of meer personen die in vast verband samenleven, en waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling.

1.44 Huisvesting in verband met mantelzorg

Huisvesting in of bij een woning van één huishouden, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.

1.45 Internet handel

Het bedrijfsmatig via websites te koop aanbieden van goederen, alsmede het opslaan, verkopen en/of (af)leveren van deze goederen, waarbij de goederen niet ten verkoop worden uitgestald en ter plaatse geen sprake is van fysiek klantcontact en minder dan 50% van de totale oppervlakte in gebruik is als verkoopvloeroppervlak, geheel toegankelijk voor klanten.

1.46 Kamerverhuur

Het bedrijfsmatig verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning, gericht op langdurige huisvesting van meer dan één huishouden in één woning, niet zijnde een niet-een langdurige vorm zoals een hotel, bed & breakfast of een andersoortige logiesfunctie.

1.47 Kantoor

Een gebouw of deel van een gebouw dat door aard en indeling kennelijk is bestemd om uitsluitend of in hoofdzaak dienstig te zijn tot het verrichten van administratieve en/of ontwerptechnische arbeid, met de daarbij behorende voorzieningen.

1.48 Kap

De volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw met een dakhelling van minimaal 15º en maximaal 75º.

1.49 Karakteristieke geluidwering van de gevel

De karakteristieke geluidwering van de gevel als bedoeld in het Bouwbesluit.

1.50 Kunstobject

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde van weg-, rails- en waterbouwkundige aard, zoals palen, masten, portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van verkeer, draagconstructies voor bovenleidingen, seinpalen, bakens bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, geluidwerende voorzieningen, beschoeiingen, kademuren en dergelijken.

1.51 Kunstwerk

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde van weg-, rails- en waterbouwkundige aard, zoals palen, masten, portalen voor gasleiding, beveiliging en regeling van verkeer, draagconstructies voor bovenleidingen, seinpalen, bakens bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, geluidwerende voorzieningen, beschoeiingen, kademuren en dergelijken.

1.52 Maatvoeringsvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor de toegestane bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt.

1.53 Mantelzorg

Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

1.54 Natura 2000-gebied

Gebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet natuurbescherming.

1.55 Nutsvoorzieningen

Gebouwde voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van water, elektriciteit, gas e.d., zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor (tele)communicatie.

1.56 Omgevingsvergunning

Vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.57 Ondergeschikte detailhandel

Detailhandelsactiviteiten die qua uitstraling passend bij en ondergeschikt aan de hoofdfunctie, ter ondersteuning dienen van de hoofdfunctie en niet zelfstandig worden uitgeoefend en/of toegankelijk zijn los van de hoofdfunctie.

1.58 Ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf

Voorzieningen voor verkeer en verblijf die ondergeschikt en gelieerd zijn aan de functies die ingevolge de geldende bestemming ter plaatse zijn toegestaan, zoals in- en uitritten, voorzieningen en paden voor calamiteitenverkeer en afvalafhandeling, langzaam verkeerspaden, onverharde paden, trottoirs en brandgangen. Hieronder worden in ieder geval geen wegen en parkeervoorzieningen voor gemotoriseerd verkeer begrepen.

1.59 Onderkomens

Voor verblijf geschikte – al dan niet aan de bestemming onttrokken – voer- en vaartuigen, arken, caravans en stacaravans voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, als ook tenten.

1.60 Overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een vrijstaande dakconstructie met maximaal één wand.

1.61 Parkeergarage

Al dan niet ondergrondse, openbare gebouwde parkeervoorziening voor het parkeren van meerdere voertuigen.

1.62 Peil
  • a. Voor een op een perceel aanwezig bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
  • b. Voor een op een perceel aanwezig bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het aansluitende terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
  • c. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkt terrein.
1.63 Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verrichten van seksuele diensten aan anderen.

1.64 Raamprostitutie

Een seksinrichting bestemd voor of in gebruik voor het zich vanaf het openbaar toegankelijke gebied zichtbaar ter beschikking stellen tot het tegen betaling verrichten van seksuele diensten aan anderen.

1.65 Scheidingslijn

Lijn die de grens dan wel scheiding tussen verschillende aanduidingen vormt.

1.66 Seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch /pornografische aard plaatsvinden, waaronder in elk geval worden verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet gecombineerd met elkaar.

1.67 Speelvoorziening

Openbaar toegankelijke voorziening in de open lucht bestemd voor sport, spel, vermaak of ontspanning, niet zijnde een sportvoorziening waar georganiseerde sportbeoefening plaatsvindt, waaronder in ieder geval speeltuinen en trapveldjes worden verstaan.

1.68 Stedenbouwkundig beeld

Het beeld dat wordt bepaald door de situering, de bouwmassa's, de dakvormen en de dakrichtingen van de bebouwing in relatie tot de omgeving.

1.69 Stikstofdepositie

Het neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol per hectare per jaar.

1.70 Stikstofemissie

Stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht.

1.71 Straatprostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verrichten van seksuele diensten aan anderen, één en ander door passanten hiertoe te bewegen of uit te nodigen door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze.

1.72 Uitvoeren

Uitvoeren, het doen uitvoeren, het laten uitvoeren of in uitvoering geven.

1.73 Verkoopvloeroppervlak

De totale vloeroppervlakte van de voor het publiek zichtbare en toegankelijke winkelruimte ten behoeve van de detailhandel.

1.74 Vloeroppervlak(te)

De totale oppervlakte van alle ruimten die voor een functie wordt gebruikt.

1.75 Voorgevel

De naar de weg of naar het openbaar gebied gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft van meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel, de gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.76 Voorgevelrooilijn

De grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.

1.77 Voorkeursgrenswaarde

De standaard grenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig object of terrein bepaald bij of krachtens de Wet geluidhinder.

1.78 Voorzieningen voor verkeer en verblijf

Voorzieningen die verband houden met de afwikkeling van het verkeer en/of met het verblijfskarakter van de openbare ruimte, zoals wegen, straten, pleinen, langzaam verkeerspaden, inclusief daarbij behorende inrichtingselementen.

1.79 Waterhuishoudkundige voorzieningen

Voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang, alsmede voorzieningen voor waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, inclusief bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden en beschoeiingen.

1.80 Wonen

Het bewonen van een woning, door niet meer dan één huishouden.

1.81 Woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

1.82 Woningsplitsing

Het opdelen van een woning in meerdere wooneenheden.

1.83 Zelfstandige woonruimte

Een woning met een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, waarbij de wasgelegenheid, kookgelegenheid en het toilet niet worden gedeeld met andere bewoners.

1.84 Zijdelingse perceelsgrens

De grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt.

1.85 Zijstrook

De strook grond gelegen tussen de zijdelingse perceelsgrens en de denkbeeldige lijn op drie meter afstand vanaf de zijdelingse perceelsgrens, over de volledige diepte van het bouwperceel.

1.86 Zorgwonen

Het bewonen van zorgwoningen, al dan niet in combinatie met gemeenschappelijke (zorg)voorzieningen.

1.87 Zorgwoning

Een woning of wooneenheid bestemd voor verzorgd wonen, waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperkte zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geïndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in (de directe nabijheid van) de woning of wooneenheid.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

Afstanden

Van bouwwerken tot andere bouwwerken, bebouwingsgrenzen en perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

Bebouwingspercentage

het oppervlak dat met bouwwerken mag worden bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.

Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Dakhelling

De hoek gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

Diepte van een gebouw

  • Horizontale diepte: de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
  • Verticale diepte: de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de bovenzijde van de (afgewerkte) begane grondvloer.

Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken. Ondergronds bouwdelen en dakkapellen worden niet meegerekend voor het bepalen van de inhoud van een bouwwerk.

Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

Het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten over een aaneengesloten periode van tenminste tien minuten en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai, met dien verstande dat de bedrijfsduurcorrectie niet worden toegepast.

2.2 Ondergeschikte bouwonderdelen
  • a. Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, luchtkokers, wolfseinden, dakkapellen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken, ook indien gelegen buiten het aangegeven bestemmingsvlak en/of bouwvlak, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bestemmingsgrenzen niet meer dan één meter bedraagt;
  • b. Lid a is niet van toepassing indien daarmee de afstand tot de woningen gelegen aan de Ridderstraat 37, 39 en 41 minder bedraagt dan 8,3 meter.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Verkeer

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen voor verkeer en verblijf;
  • b. kunstobjecten;
  • c. kunstwerken;
  • d. geluidwerende voorzieningen;
  • e. straatmeubilair;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen);
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. parkeervoorzieningen;
  • j. speelvoorzieningen;
  • k. tijdelijke bouwplaatsinrichting.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. De bouwhoogte van kunstwerken, kunstobjecten, palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 15 m.
  • b. De bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer zijn dan 4,5 m.
  • c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten in de vorm van:
    • 1. Aan huis verbonden beroepen of bedrijven.
    • 2. Gastouderschap.
  • c. tuinen, erven en verhardingen;
  • d. groenvoorzieningen.
  • e. nutsvoorzieningen (met uitzondering van risicovolle inrichtingen).
  • f. ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf.
  • g. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
  • h. speelvoorzieningen.
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' een parkeergarage.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Voor het bouwen in het algemeen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Ter plaatse van het aanduidingsvlak 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan ter plaatse is aangegeven. Indien geen aanduiding is opgenomen, is ter plaatse slechts één woning toegestaan;
  • b. Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding – gesloten gevel' geldt dat er op de 2e, 3e en 4e woonlaag een verbod op gevelopeningen die direct zicht hebben op de woning Ridderstraat 37
4.2.2 Gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  • a. De volgende bebouwingstypologie is van toepassing:
    • 1. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' (gs) mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd.
  • b. De goothoogte respectievelijk bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven
4.2.3 Gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  • a. Gebouwen en overkappingen dienen op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd.
  • b. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,50 m.
  • c. De gronden gelegen achter de achtergevelrooilijn en het verlengde daarvan mogen voor maximaal 50% worden bebouwd, met dien verstande dat in ieder geval 25 m² aan gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak mag worden gebouwd.
4.2.4 Parkeergarage

Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' mogen (ondergrondse) parkeervoorzieningen worden gebouwd tot een verticale diepte van niet meer dan 3 m.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.
  • b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de lijn waarin de naar de weg gekeerde gevel van de woning staat niet meer mag bedragen dan 1 m.
  • c. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m.
4.2.6 Voorwaardelijke verplichting bodem

Het gebruik van de gronden met de bestemming wonen ten behoeve van wonen is toegestaan indien er aangetoond wordt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de grond voldoet aan de normen voor kwaliteit achtergrondwaarden.

4.2.7 Voorwaardelijke verplichting groen dak

Een omgevingsvergunning voor bouwen wordt slechts verleend indien aan de omgevingsvergunning het voorschrift wordt verbonden dat minimaal 70% van het dakoppervlak van het gebouw een dakbegroeiing heeft.

4.2.8 Voorwaardelijke verplichting bomen en hoofdgroenstructuur
  • a. Het verrichten van werkzaamheden binnen de bestemming 'Wonen', en het op enig moment in gebruik nemen en hebben van de woningen, is slechts toegestaan indien er conform bijlage 5 bij deze regels, maatregelen zijn getroffen en blijvend getroffen worden, voor zover die gericht zijn op de instandhouding van boomnummer 703, zoals weergegeven in bijlage 5;
  • b. Het op enig moment in gebruik nemen en hebben van woningen binnen de bestemming Wonen, is slechts toegestaan indien er conform bijlage 6 bij deze regels maatregelen zijn getroffen en blijvend getroffen worden;
  • c. De verplichting uit lid a en b zijn niet van toepassing op een boom die:
    • 1. Naar het oordeel van een ter zake, onafhankelijke deskundige in redelijkheid niet langer te handhaven is, voor zover dit niet voortkomt uit hinder die vanuit de woningen binnen de bestemming Wonen wordt ervaren;
    • 2. Waarbij voor de verplichting uit lid a geldt dat deze verplichting eveneens kan komen te vervallen als de eigenaar van de grond waarop deze boom staat, geen instandhouding van deze boom meer wenst;
    • 3. Waarbij voor de verplichting uit lid b geldt dat, ingeval lid c, sub 1 van toepassing is, deze betreffende boom of bomen alsnog moet worden gecompenseerd binnen de hoofdgroenstructuur.
4.2.9 Voorwaardelijke verplichting waterberging

Een omgevingsvergunning voor het bouwen kan uitsluitend worden verleend indien wordt voorzien in voldoende waterberging; indien niet in voldoende waterberging wordt voorzien, wordt de omgevingsvergunning geweigerd;

  • a. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning of wordt voorzien in een juiste en/of voldoende waterberging. Hiervoor gelden de volgende regels:
    • 1. bij een bui van 40 mm per uur (T=10) mag geen water op straat staan, berekend vanuit een leidingstelsel of ondergrondse voorziening
    • 2. bij een bui van 70 mm per uur (T=100) mag geen inundatie ontstaan vanuit een open voorziening (bv wadi);
  • b. de waterberging dient te worden berekend voor al het regenwater vallend op:
    • 1. al het op de voorziening aangesloten afvoerend verhard oppervlak, ongeacht de bestaande hoeveelheid verhard oppervlak;
    • 2. het oppervlak van de eventuele open voorziening i.v.m. daarin vallend regenwater;
  • c. Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.9 lid b, als er een onderbouwing wordt gegeven van de (technische) onmogelijkheden.
4.2.10 Voorwaardelijke verplichting geluidwering gevels

Een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een woning wordt slechts verleend indien:

  • a. de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van de gevels van het verblijfsgebied van de woning groter of gelijk is dan de gecumuleerde geluidsbelasting vanwege verkeerslawaai minus een binnenniveau van 33 dB, en;
  • b. de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van de gevel van het verblijfsgebied van een woning die is gelegen aan een gevel behorende bij de in Tabel 1 aangegeven toetspunten en hoogte, groter of gelijk is dan daarin is aangegeven; de toetspunten zijn weergegeven in bijlage 4 bij deze Regels.

Toetspunt   Hoogte (m)  
  2,5   5,5   8,5  
16   25   23   -  
17   29   25   21  
18   24   22   -  
19   21   -   -  
20   21   -   -  
23   21   -    
24   27   23   -  
25   27   23   -  
26   28   24   -  
27   29   24   21  
28   28   24   21  

Tabel : Karakteristieke geluidwering van de gevel in dB

  • c. de woning beschikt over ten minste één geluidsgevoelige ruimte met tenminste één geluidluwe gevel, waaronder wordt verstaan een buitengevel van een geluidgevoelige ruimte van een geluidgevoelig object waarop de geluidbelasting lager of gelijk is dan de voorkeursgrenswaarde voor verkeerslawaai óf een gevel van een geluidgevoelige ruimte die grenst aan een gemeenschappelijke verkeersruimte;
  • d. Voor de gecumuleerde geluidbelasting bedoeld onder a. moet worden uitgegaan van het akoestisch onderzoek dat in bijlage 3 van de regels is opgenomen.
4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 onder b indien:

  • a. aan de hand van een privacy-rapport inzage is geboden in de mate waarin de afwijking van het gestelde in artikel 4.2.1 onder b leidt tot aantasting van de privacy op het perceel Ridderstraat 37;
  • b. het college op basis van het privacy-rapport van mening is dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang waar artikel 4.2.1 onder b op toeziet.
4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Strijdig gebruik

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, wordt in ieder geval begrepen:

  • a. Het bewonen of het laten bewonen van een woning door meerdere huishoudens.
  • b. Het verhuren of laten verhuren van een woning voor kamerverhuur.
  • c. Het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woning, of ten behoeve van mantelzorg.
  • d. Het gebruik van de woning of de vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als Bed & Breakfast.
  • e. Het gebruik van platte daken als dakterras.
  • f. het gebruiken van gronden, gebouwen, of bouwwerken indien vanuit die gronden, gebouwen, of bouwwerken in totaal de stikstofemissie meer dan 5,7 kilogram ammoniak (NH3) /jaar en 239,3 kilogram stikstofoxiden (NOx) /jaar bedraagt, uitgezonderd de stikstofoxiden (NOx) die verband houdt met motorvoertuigen die samenhangen met bezoeken.
4.4.2 Strijdig gebruik stikstofdepositie
  • a. Het is verboden om een activiteit te ontplooien op de gronden met de bestemming Wonen als die activiteit ertoe leidt dat de totale stikstofemissie vanwege alle activiteiten op die gronden meer dan 5,7 kilogram ammoniak (NH3) /jaar en 239,3 kilogram stikstofoxiden (NOx) /jaar zal bedragen, gebaseerd op het stikstofdepositieonderzoek, bijgevoegd als bijlage 1.
  • b. Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning een afwijking toestaan van het bepaalde in artikel 4.4.2, onder a., indien op grond van een stikstofdepositieonderzoek, gebaseerd op de op dat moment actuele AERIUS-calculator, is gebleken dat een andere stikstofemissie per jaar niet zal leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied, waarbij te gelden heeft dat de activiteit waarop de afwijking ziet niet mag leiden tot overschrijding van die stikstofemissie
  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.4.2 onder b., kan slechts worden verleend indien vanwege de activiteiten in de realisatiefase en gebruiksfase samen, de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in enig rekenjaar niet meer bedraagt dan 0,00 mol N/ha/jaar (stikstof/ha/jaar) vergeleken met de stikstofdepositie vanwege het in artikel 4.4.1 onder f, bedoelde stikstofemissie gebaseerd op het stikstofdepositieonderzoek, bijgevoegd als bijlage 1.
4.4.3 Aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijf

Voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een aan huis verbonden bedrijf zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a. De activiteit wordt uitsluitend uitgeoefend door een bewoner van de woning.
  • b. De activiteit bedraagt niet meer dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en de bij deze woning behorende bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 50 m².
  • c. Buitenactiviteiten, waaronder opslag, ten dienste van het aan huis verbonden beroep of bedrijf zijn niet toegestaan.
  • d. Machinale productie en machinale reparatie- en herstelwerkzaamheden alsmede het verrichten van herstelwerkzaamheden aan gemotoriseerde voertuigen zijn niet toegestaan.
  • e. Horeca en detailhandel (w.o. showroom en/of afhaalpunt c.q. logistieke functie, al dan niet t.b.v. internethandel) zijn niet toegestaan.
  • f. Er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient voldaan te worden aan het bepaalde in artikel 10.2.
4.4.4 Voorwaardelijke verplichting geluid
  • a. Een woning mag alleen worden gebruikt indien de geluidbelasting op de gevel van de woning vanwege de geluidgezoneerde Keiweg ten noorden van de kruising met de Ridderstraat en de Ridderstraat ten westen van de kruising met de Keiweg, de wettelijke grenswaarde voor verkeerslawaai in de Wet geluidhinder dan wel de vastgestelde hogere waarde in het Besluit hogere waarde Wet geluidhinder (Keiweg-Ridderstraat), zoals opgenomen in bijlage 2 bij de Regels, niet overschrijdt, en aan de in dat Besluit gestelde voorwaarden wordt voldaan.
  • b. Voor een berekende geluidbelasting als bedoeld in het Besluit onder a. moet worden uitgegaan van het akoestisch onderzoek zoals opgenomen in de bijlage 3;
  • c. Een woning mag alleen worden gebruikt indien ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding – gesloten tuinafscherming' een volledig gesloten geluid-afschermende voorziening is gerealiseerd en in stand wordt gehouden met een hoogte van ten minste 2 meter.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1 Omgevingsvergunning dakterras (t.b.v. de woonfunctie)

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de gebruiksregels en toestaan dat een plat dak wordt gebruikt als dakterras, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. het dakterras wordt uitsluitend gebruikt t.b.v. de woonfunctie;
  • b. het dakterras mag niet binnen een afstand van 2 meter tot de grenslijn van het naburig erf zijn gelegen;
  • c. het bepaalde onder b. is niet van toepassing indien:
    • 1. voorzieningen worden aangebracht die er toe leiden dat vanaf het dakterras geen uitzicht is op het naburige erf; of
    • 2. toestemming is gegeven door de eigenaren van de naburige erven;
  • d. het dakterras is milieukundig aanvaardbaar.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde – Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

5.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. Vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw in generlei opzicht wordt vergroot en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
  • b. De bouw van een gebouw of de uitbreiding van een bestaand gebouw met een oppervlakte tot ten hoogste 100 m².
  • c. De bouw van een bouwwerk, dat kan worden gebouwd met graafwerkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,50 m en zonder heiwerkzaamheden.
5.3 Afwijken van de bouwregels
  • a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.2 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bestemming(en).
  • b. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, dan nadat de aanvrager aan de hand van een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport heeft aangetoond, dat door de oprichting van het gebouw het archeologische bodemarchief niet wordt verstoord.
  • c. Voor zover het oprichten van het in lid 5.2 bedoelde gebouw kan leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één van de volgende voorwaarden verbinden:
    • 1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of
    • 2. De verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. De verplichting de oprichting van het gebouw te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Omgevingsvergunning

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. Het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden.
  • b. Het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen.
  • c. Het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
  • d. Het verlagen van het waterpeil.
5.4.2 Uitzonderingen

Het verbod, zoals bedoeld in lid 5.4.1 is niet van toepassing, indien:

  • a. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen, waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte.
  • b. Het betreft werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een diepte van minder dan 0,50 m of, bij een grotere diepte, met een oppervlakte kleiner dan 100 m².
  • c. Op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • d. De werken en werkzaamheden:
    • 1. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
    • 2. Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning.
    • 3. De werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
5.4.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
  • a. Het is verboden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, de aanwezige bouwwerken te slopen. Uitgezonderd van dit verbod zijn sloopwerkzaamheden van bouwwerken, waarbij de oppervlakte minder bedraagt dan 100 m² en/of niet dieper wordt gewerkt dan 0,50 m onder maaiveld.
  • b. Aan de sloopvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld, dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerde deskundige (zijnde een archeologisch bedrijf met een opgravingsvergunning). Hiervoor is een door de door het bevoegd gezag schriftelijk goedgekeurd Programma van Eisen vereist, dat is opgesteld conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
  • c. Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarden worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag, die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de sloopvergunning.
  • d. De vergunning kan niet worden verleend, indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft.
5.4.4 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.4.1 en 5.4.3 wordt slechts verleend indien:

  • a. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. De volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. Een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. Een verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. Een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg conform de vigerende KNA.
5.5 Wijzigingsbevoegdheid
5.5.1 Wijziging op basis van archeologisch onderzoek

Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen in die zin, dat de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie' voor een nader aangegeven gebied vervalt, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

5.5.2 Advies

Alvorens de in lid 5.5.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, wordt deskundig advies gevraagd aan een door burgemeester en wethouders in te schakelen deskundige op het gebied van de archeologische Monumentenzorg conform de vigerende KNA.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels

7.1 Algemeen

Indien de bestaande maatvoering afwijkt van hetgeen in deze planregels is bepaald, mag deze afwijkende maatvoering worden gehandhaafd, mits het desbetreffende gebouw, bouwwerk, voorziening of werk op het moment van ter visielegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan aanwezig was.

7.2 Ondergronds bouwen
7.2.1 Algemeen

Voor ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Op plaatsen waar bestaande bovengrondse gebouwen zijn of nieuwe bovengrondse gebouwen worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden; eveneens en direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd.
  • b. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 3 meter.
7.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder 7.2.1 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder een gebouw, al dan niet op een grotere diepte dan bepaald onder 7.2.1 mits:

  • a. De oorspronkelijk functie op maaiveldniveau gehandhaafd blijft.
  • b. Er geen bezwaren zijn uit milieutechnisch oogpunt.
  • c. Er geen bezwaren zijn uit oogpunt van waterhuishouding.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. Het gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gericht gebruik en onderhoud.
  • b. Het gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer- vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie.
  • d. Het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor de exploitatie van een smart-, grow- en headshop, alsmede voor de groothandel in smart-, grow en/of headproducten.
  • e. Het gebruik van gronden en gebouwen voor een belwinkel.
  • f. Het gebruik van gronden en gebouwen als risicovolle inrichting, voor de opslag van propaan of een ander ontvlambaar gas in een ondergrondse of bovengrondse tank of voor het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen, in die gevallen dat het plaatsgebonden risico op een perceel van derden 10-6/jaar of meer bedraagt, tenzij dit gebruik ingevolge de regels in hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan expliciet is toegestaan.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

9.1 Algemene afwijkingen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken:

  • a. Van de in de planregels gegeven maten inzake afstanden en percentages voor oppervlakten tot niet meer dan 10% van die afmetingen respectievelijk percentages.
  • b. Van de planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen in geringe mate wordt aangepast indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft.
  • c. Van de planregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding van maximaal 3 m is toegestaan, mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing.
  • d. Van de planregels en toestaan dat de binnen de diverse bestemmingen aangegeven begrenzing van de maatvoeringsaanduidingen voor maximale goot- en bouwhoogte wordt overschreden, waarbij een overschrijding van deze begrenzing van maximaal 5 m is toegestaan, mits deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing;
  • e. Van de planregels en toestaan dat nutsvoorzieningen en openbare voorzieningen worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. De bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 m.
    • 2. De oppervlakte niet meer dan 50 m².
  • f. Van de planregels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van deze bouwwerken wordt vergroot:
    • 1. Ten behoeve van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling voor verkeer tot niet meer dan 35 m.
    • 2. Ten behoeve van kunstwerken tot niet meer dan 40 m.
    • 3. Ten behoeve van signalerings- en telecommunicatiemasten tot minder dan 40 m.
    • 4. Ten behoeve van kunstobjecten tot niet meer dan 35 m.
    • 5. Ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot niet meer dan 10 m.
  • g. Van de planregels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal toegestane bouwhoogte voor plaatselijke verhogingen, zoals lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat:
    • 1. De maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak.
    • 2. De bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.
  • h. Van de planregels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal toegestane bouwhoogte door zonnepanelen, met dien verstande dat de overschrijding niet meer mag bedragen dan 2 m.
  • i. Van de planregels en toestaan dat de achtergevelrooilijn wordt overschreden, waarbij een overschrijding van maximaal 5 m is toegestaan, mits:
    • 1. Er een tuindiepte van minimaal 10 m resteert.
    • 2. De gronden gelegen achter de achtergevelrooilijn of het verlengde daarvan voor maximaal 50% mogen zijn bebouwd.
9.2 Voorwaarden afwijking

De omgevingsvergunning voor het afwijken, als bedoeld in lid 9.1 kan slechts worden verleend, indien:

  • a. De belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad.
  • b. Het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 10 Overige regels

10.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze planregels wordt verwezen naar wetten, verordeningen of enige andere algemeen verbindende regeling, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan.

10.2 Parkeren

  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan uitsluitend worden verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen; indien niet in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen wordt voorzien, wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  • b. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen . Hiervoor gelden de volgende regels:
  • 1. In het geval van een omgevingsvergunning voor de oprichting of uitbreiding van een gebouw en in het geval van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels de functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
  • 2. Indien de aanvraag omgevingsvergunning het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen.
  • 3. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van het geldende door de gemeenteraad op 22 november 2022 vastgestelde gemeentelijke parkeerbeleid, als neergelegd in de 'Nota Parkeernormen 2022', bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid en/of de ruimte voor laden en lossen. Indien dit parkeerbeleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging.
  • 4. Indien het bevoegd gezag ten behoeve van het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder 3 een reductie van de parkeereis toepast vanwege de inzet van deelauto's, dan zullen aan deze vergunningsvoorschriften worden verbonden die het volgende omvatten:
    • a. de verplichting om ten dienste van voornoemde deelauto's structureel geoormerkte deelautoparkeerplaatsen beschikbaar te stellen;
    • b. de verplichting om binnen vijf jaar na ingebruikname van het bouwwerk waarvoor de vergunning is verleend, het autobezit van de bewoners van dat bouwwerk in beeld te brengen en deze te vergelijken met het aantal niet voor deelauto's geoormerkte parkeerplaatsen op eigen terrein.
  • 5. Als uit het onderzoek als bedoeld onder 4b blijkt dat het autobezit hoger is dan het aantal niet voor deelauto's geoormerkte parkeerplaatsen op eigen terrein, dan is het gebruik van het bouwwerk slechts toegestaan indien parkeerplaatsen op eigen terrein, in de openbare ruimte (of elders op acceptabele loopafstand tot de projectlocatie) worden gerealiseerd om het tekort te compenseren;
  • 6. De parkeervoorzieningen als bedoeld onder 1, 3 en 5 en de ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder 2 dienen in stand te worden gehouden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwen
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouw- of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. Gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.
    • 2. Na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a en b is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
11.3 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Centrum 2017, herziening 3 (Keiweg – Ridderstraat).