1.1 Algemeen
Initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied aan de Vrachelsestraat één nieuwe vrijstaande woning te realiseren. In de huidige situatie heeft het plangebied al de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen', er is echter geen bouwvlak aanwezig binnen het plangebied. Het realiseren van een nieuwe woning is daarom niet toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan. Om juridisch-planologisch een nieuwe woning mogelijk te maken is er een partiële wijziging van het bestemmingsplan nodig waarin een bouwvlak wordt toegevoegd aan het plangebied. Voorliggend plan voorziet hierin.
1.2 Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Vrachelsestraat tussen nummer 31 en 33 in Den Hout en is onderdeel van de gemeente Oosterhout. Het plangebied ligt ten westen van Oosterhout en in de omgeving van het plangebied is vanaf de jaren negentig gebouwd aan de totstandkoming van het woongebied Vrachelen. De Vrachelsestraat wordt gekenmerkt door lintbebouwing en loopt door tot aan de kern van Den Hout. Op onderstaande afbeeldingen (figuur 1 en 2) is de ligging van het betreffende plangebied weergegeven.
Figuur 1: Globale ligging van het plangebied, rood omcirkeld (bron: Google.com/maps)
Figuur 2: Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplannen
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'de Contreie 2017' vastgesteld op 24 januari 2017 door de gemeente Oosterhout. De gronden zijn voorzien van de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen'. De gronden zijn onder andere bestemd voor wonen, aan de woonfunctie ondergeschikte activiteiten, tuinen, erven, groenvoorzieningen en ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf. Onder de bestemming 'Tuin' zijn enkel tuinen, groenvoorzieningen bij woningen, inritten en parkeren toegestaan.
Tevens is de 'specifieke bouwaanduiding - brede zijstrook' opgenomen, dit betekent dat de bepalingen voor gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak (artikel 13.2.4) van toepassing zijn voor de gronden binnen 5 m van de zijdelingse perceelsgrenzen bij vrijstaande woningen.
Onderstaande afbeelding (figuur 3) toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Figuur 3: Uitsnede geldend bestemmingsplan 'de Contreie 2017', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.
2.1 Plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Vrachelsestraat aan het doodlopende zuidelijke deel van deze straat. Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en omgeven door bomen. Aan beide zijden van het perceel staan vrijstaande woningen.
Onderstaande afbeelding (figuur 4) geeft een impressie van het plangebied.
Figuur 4: Vooraanzicht plangebied vanaf de Vrachelsestraat (bron: Google.com/maps)
2.2 Toekomstige situatie
Het voornemen bestaat om in het plangebied één nieuwe vrijstaande woning mogelijk te maken. Er is nog geen concreet bouwplan uitgewerkt voor het plangebied. Wel is er een kavelpaspoort door de gemeente Oosterhout opgesteld waarin de kaders staan beschreven waar binnen één vrijstaande woning gerealiseerd kan worden in het plangebied. Onderstaande afbeelding (figuur 5) laat zien hoe een nieuwe woning in het plangebied geplaatst kan worden.
Figuur 5: Kavelpaspoort Vrachelsestraat 31a (bron: gemeente Oosterhout)
3 Beleid Ruimtelijke ordening
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
- ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
- duurzaam economisch groeipotentieel;
- sterke en gezonde steden en regio's;
- toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek
Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke gevolgen heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot ruimte voor klimaatadaptatie en een goede fysieke leefomgeving, door het groene karakter van het perceel te versterken en de woning duurzaam te bouwen.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd, om nationale en provinciale belangen te beschermen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) komen de volgende veertien nationale belangen terug:
- Rijksvaarwegen;
- Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
- Kustfundament;
- Grote rivieren;
- Waddenzee en waddengebied;
- Defensie;
- Hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
- Elektriciteitsvoorziening;
- Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
- Natuurnetwerk Nederland;
- Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
- IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
- Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
- Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
Het Barro blijft van kracht totdat de omgevingswet in gaat, daarna wordt het Barro vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, dient daarvoor op grond van de Ladder een verantwoording te worden gegeven. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt heeft zodoende:
- Een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling;
- En, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 12 nieuwe woningen. In het onderhavige geval wordt er per saldo één woningen toegevoegd. Daarmee is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Desalniettemin dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aangetoond te worden dat er sprake is van een behoefte. Uit
toelichting paragraaf 3.3.2 blijkt dat er gemeentelijk een behoefte aan woningen bestaat. Voorliggende plan komt door het toevoegen van een woning aan deze behoefte tegemoet.
Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant
Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
De visie noemt één basisopgave en een viertal hoofdopgaven:
- De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
- Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.
- Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
- Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken?
- Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2023) echt klaar te zijn, is er alvast een interim omgevingsverordening opgesteld. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling heeft met name betrekking op de basisopgave. Met de ontwikkeling wordt het mogelijk om een vrijstaande woning in het plangebied te realiseren. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling zal deze geen negatieve gevolgen hebben voor de opgaven die zijn genoemd in de omgevingsvisie.
3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant' vastgesteld. Op 1 oktober 2022 is de meest recente herziening vastgesteld. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen samengevoegd. De Interim Omgevingsverordening blijft van kracht totdat de Omgevingswet in gaat, daarna wordt deze vervangen door de Omgevingsverordening.
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd.
In de Verordening ruimte Noord Brabant, geconsolideerd op 1 januari 2019, staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn. Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
- ruimtelijke kwaliteit;
- stedelijke ontwikkelingen
- natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
- agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
- overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.
Belangrijk bij de beoordeling van nieuwe plannen is de inpasbaarheid in het provinciaal beleid. De verordening is daarbij het document wat de meest concrete regels biedt voor nieuwe ontwikkelingen. Binnen bestaand stedelijk gebied is stedelijke ontwikkeling mogelijk. Indien sprake is van nieuwbouw van woningen, dient verantwoord te worden hoe dit zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit en andere woningbouwafspraken.
Planspecifiek
Op de kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' staat aangegeven dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het 'stedelijk gebied'. Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkelingen binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvinden. Dat is in onderhavige situatie het geval. Verder dient de ontwikkeling regionaal te zijn afgestemd en dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
Duurzame stedelijke ontwikkeling
Het uitgangspunt voor een duurzame stedelijke ontwikkeling is eerst de mogelijkheid in het stedelijk gebied te benutten. Een duurzame stedelijke ontwikkeling bevordert de omgevingskwaliteit. Daarnaast dient er een optimale invulling te zijn van de mogelijkheden voor duurzame energie en dient er rekening gehouden te worden met klimaatverandering.
Met het voorliggende initiatief wordt er gebruik gemaakt van een open terrein binnen bestaand stedelijk gebied. Er wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. Met de beoogde ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte naar woningen. Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de ambities voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. De woning worden immers conform de BENG-eisen gerealiseerd en hemelwater wordt afgekoppeld van het riool om bodemverdroging tegen te gaan.
Regionale afstemming
Tevens dient de stedelijke ontwikkeling te passen binnen de regionale afspraken. Omdat een stedelijke ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen ook bovengemeentelijke gevolgen kan hebben, worden hierover binnen het regionale overleg afspraken gemaakt. Het is belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen op een juist niveau zijn afgestemd met andere initiatieven zowel vanuit kwantiteit als vanuit kwaliteit. Voorliggend initiatief heeft betrekking op het realiseren van één vrijstaande woning. Met het voorliggende plan wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente. Zoals beschreven is in
toelichting paragraaf 3.3.2.
Er kan daarmee geconcludeerd worden dat er voldaan wordt aan de 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant'.
3.2.3 De Brabantse Agenda Wonen
De Brabantse Agenda Wonen geeft aan wat er de komende jaren speelt op de woningmarkt van de provincie Noord-Brabant. Brabant telt verscheidene regionale woningmarkten, elk met hun eigen regiospecifieke en gemeentelijke karakteristieken, kwaliteiten, ontwikkelingen en opgaven. Voor de provincie gelden vier actielijnen:
- Accent op duurzame verstedelijking.
- Meer nadruk op de bestaande woningvoorraad.
- Inzetten op een vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen.
- Versterken van de regionale samenwerking en vernieuwen van de regionale woningbouwafspraken.
Daarnaast zijn er een aantal richtinggevende principes. Het woningbouwprogramma zet optimaal in op binnenstedelijke locaties. Woningbouwplannen binnen bestaand stedelijk gebied worden erg gewaardeerd door de provincie. Hiervoor wordt dan ook ruim baan gegeven. De nadruk voor woningbouwplannen ligt op de bestaande woningvoorraad. Daarnaast is vraaggericht bouwen van groot belang. Hiervoor is flexibiliteit in de regionale en gemeentelijke woningbouwplannen nodig. Als laatste dient de regionale woningbouwmarkt versterkt te worden.
Planspecifiek
Samenhangend met de grote groei van het aantal huishoudens moeten er tot 2050 ca. 160.000 woningen toegevoegd worden aan de woningmarkt in de provincie Noord-Brabant. Hiervan zullen er ca. 120.000 in de periode tot 2030 gebouwd moeten worden.
De woningbehoefte zal voornamelijk binnenstedelijk en waar mogelijk in bestaande bebouwing gerealiseerd moeten worden. De planlocatie betreft een onbebouwd terrein in bestaand stedelijk gebied. De locatie is dan ook geschikt voor woningbouw. De beoogde woning wordt daarnaast op een duurzame manier gebouwd. Daarmee levert het initiatief een bijdrage aan de kwantitatieve (en kwalitatieve) woningbehoefte in de provincie. Hiermee is de beoogde ontwikkeling in lijn met 'De Brabantse Agenda Wonen'.
3.3.1 Omgevingsvisie Oosterhout
De Omgevingsvisie Oosterhout is op 23 november 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Oosterhout. De gemeente heeft in samenspraak met inwoners de belangrijkste opgeven voor Oosterhout benoemd in deze visie. Aan deze opgaven wordt nog verder invulling gegeven door de gemeente samen met de dorpen, wijken en buurten.
In de visie zijn de opgaven geconcretiseerd en uitgewerkt, dit is gedaan voor diverse thema's en voor de verschillende wijken en gebieden in de gemeente. De gemeente heeft in de Toekomstvisie 2030 een ideaalbeeld beschreven voor de toekomst. De ambities uit de Toekomstvisie 2030 zijn in de Omgevingsvisie geconcretiseerd en uitgewerkt. Zo is er een samenhangend beeld ontstaan over welke opgaven er liggen om te komen tot het beoogde toekomstbeeld.
De gemeente heeft de volgende koepelthema's benoemt die van belang zijn:
- Leefbaar, gezond en aantrekkelijk wonen
- Economische vitaliteit
- Identiteit en ruimtelijke kwaliteit
- Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig
- Bereikbaarheid, mobiliteit en toegankelijkheid
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op een locatie in het deelgebied Vrachelen, De Wijsterd en omringend buitengebied. De wijk Vrachelen is de nieuwste wijk in Oosterhout, sinds de jaren 90 is de wijk in ontwikkeling. De wijk is nog steeds in ontwikkeling, met een hoog aandeel gezinnen met kinderen. In het algemeen kenmerkt de wijk zich door bijzondere vormgeving van de bebouwing en de zorgvuldig ingerichte openbare ruimte. De wijk is te verdelen in vier buurten: Vrachelen I met circa 1100 inwoners; Vrachelen II met circa 2420 inwoners; De Vlindervallei met ongeveer 2140 inwoners; De Contreie, deze buurt is nog in afronding. Voor de wijk zijn enkele opgaven beschreven in de visie.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in de woonwijk de Contreie en de gronden zijn aangeduid als 'aantrekkelijk woongebied'. De visie beschrijft voor het gehele gebied de volgende opgaven:
- Voldoende bereikbare voorzieningen voor alle leeftijden
- Energieneutraal en klimaatbestendig
- Vergroening, groen en water als meekoppelkans
- Autogebruik ondergeschikt aan aangenaam leefklimaat in woongebieden
- Fietsgebruik bevorderen
Het voorliggende plan maakt de realisatie van één vrijstaande woning mogelijk op een perceel dat bestemd is voor wonen maar waar geen bouwvlak is. Voor wat de buurtindicatoren betreft wordt het parkeren opgelost op het eigen terrein, er komt geen extra parkeerdruk in de wijk door het voorliggende plan.
Identiteit en ruimtelijke kwaliteit
De buurt de Contreie grenst aan het buitengebied, het plangebied ligt hier ook het dichtst bij. Dit deel van de wijk is dan ook erg groen en in de omgevingsvisie wordt erop ingezet om het aanwezige groen te behouden. Het voorliggende plan maakt de ontwikkeling van een vrijstaande woning mogelijk, waarbij het groen in het plangebied zo veel als mogelijk behouden blijft. Op deze manier blijft de identiteit en ruimtelijke kwaliteit van het gebied zo goed mogelijk behouden.
Het voorliggende plan sluit aan bij de Omgevingsvisie Oosterhout.
3.3.2 Woonvisie 2016 - 2021
De gemeente Oosterhout heeft op 24 mei 2016 de Woonvisie 2016 - 2021 vastgesteld. De aanleiding voor deze Woonvisie is dat er zich op het gebied van het wonen en aangrenzende beleidsterreinen sinds 2011 vele veranderingen hebben voorgedaan. De ontwikkelingen en veranderingen die zich gedurende de looptijd van de voorgaande Woonvisie 2011-2016 hebben voorgedaan zijn van invloed op het wonen. Met name de Woningwet, die per 1 juli 2015 van kracht is, is van invloed op het te voeren woonbeleid. Door deze wet dienen corporaties terug te keren naar hun kerntaak: het bouwen, verhuren en beheren van sociale huurwoningen.
De Woonvisie is tot stand gekomen doordat er continu verbinding is gezocht met diverse partijen belanghebbenden binnen het netwerk van de gemeente. Samen met deze lokale partijen wordt gezocht naar lokale optimalisatie van visie en ambitie op het wonen door binnen de wettelijke kaders de samenwerking te zoeken. De richting is daarnaast onderbouwd op basis van demografische ontwikkelingen en (lokale) onderzoeken. Regionale ontwikkelingen samen met de rol die daarin voor Oosterhout is weggelegd, zijn tevens van invloed op het te voeren woonbeleid. De gemeenteraad en de externe partners hebben de volgende hoofdthema's geïdentificeerd die van belang zijn voor het woonbeleid van Oosterhout:
- Betaalbaarheid: Het is de wens om mensen met een laag of middeninkomen een goed perspectief op de woningmarkt bieden. Belangrijk hierbij is dat de woningvoorraad aansluit op wensen en mogelijkheden van de bewoners, zowel nu als in de toekomst.
- Het sociaal domein: Vanaf 2015 is de langdurige zorg ingrijpend hervormd. Doel is om mensen zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen. De scheiding van wonen en zorg heeft directe gevolgen voor de bestaande woningvoorraad maar ook voor nieuw te bouwen woningen. Deze woningen moeten door aanpassingen kwalitatief geschikt te maken zijn voor het (langer) zelfstandig bewonen.
- Duurzaamheid: Oosterhout wil een duurzame woongemeente zijn onder andere door te investeren in duurzame nieuwbouw en het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad. Meer concreet betekent dit goed geïsoleerde woningen met een gezond binnenklimaat, toekomstbestendige woningen, een laag energieverbruik. Huishoudens zijn een belangrijk deel van hun besteedbaar inkomen kwijt aan energielasten. Verduurzaming is noodzakelijk om de woonlasten beheersbaar te houden en de duurzaamheidsambities van Oosterhout te halen.
- Bijzondere doelgroepen: In de afgelopen jaren is de woningvraag vanuit bijzondere doelgroepen toegenomen. Doelgroepen als statushouders, arbeidsmigranten en herstarters verdienen gezien hun specifieke situatie en mogelijkheden extra aandacht bij het huisvestingsvraagstuk.
- Leefbaarheid/Leefomgeving: De kwaliteit van het wonen in Oosterhout is voor een deel afhankelijk van de woonomgeving. De leefbaarheid van de leefomgeving is van groot belang voor de kwaliteit van het wonen voor nu en in de toekomst. De voorzieningen op het gebied van detailhandel, horeca, sport en recreatie dragen bij aan de leefbaarheid en hiermee de aantrekkelijkheid van de gemeente.
- Flexibiliteit woningbouw: Mede op basis van de hoofdthema’s is in beeld te brengen welke kwantitatieve en kwalitatieve woningvraag er in Oosterhout bestaat. Uitgangspunt is dat er gebouwd wordt naar de vraag en er wordt ingespeeld op de behoeften vanuit de woningmarkt. Bouwen naar behoefte vraagt om flexibiliteit, daarom is het van belang de kwantitatieve en kwalitatieve vraag in beeld te hebben.
Planspecifiek
Het voorliggende plan maakt de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning mogelijk. De locatie heeft op dit moment reeds een woonbestemming, maar geen bouwvlak die het mogelijk maakt om een woning op te richten. De locatie is daarmee geschikt als woonlocatie. Binnen de gemeente is er een opgave om nieuwe woningen te realiseren, het voorliggende plan sluit hier bij aan. De ontwikkeling van woningbouw in het plangebied geeft invulling aan de wensen en vraag uit de woonvisie.
3.3.3 Welstand
De gemeente Oosterhout heeft voor bijna heel de gemeente het welstandsbeleid afgeschaft, op de monumenten, de beschermde stads- en dorpsgezichten en het gebied de Contreie na. Met de ontwikkeling van de woonwijk Vrachelen groeit Oosterhout aan de westzijde. De ontwikkeling en uitvoering van de wijk Vrachelen zijn gepland in fasen. Inmiddels zijn Vrachelen 1 t/m 3 volledig gerealiseerd. De laatste fasen van het plan zijn de plangebieden Vrachelen 4 en 5, die sinds november 2008 samen de naam de Contreie dragen. In het 'Beeldregieplan de Contreie Oosterhout' wordt de architectonische invulling en de inrichting van het openbaar gebied beschreven.
Het beeldregieplan is bedoeld als toetsingskader en tegelijkertijd als inspiratiebron. Het geeft richting aan de uitwerking van het stedenbouwkundig plan en stelt de kaders vast waarbinnen deze uitwerking moet plaatsvinden. In het gebied blijft het welstandstoezicht gelden. Na realisering van het plan De Contreie vervalt de welstandstoetsing en geldt, net als in de overige gebieden van de stad uitsluitend de excessenregeling.
Planspecifiek
Het plangebied ligt in deelgebied 2: Vrachelsestraat. De Vrachelsestraat is als historisch lint in dit gebied een belangrijke en bepalende ruimtelijke structuur. Binnen de bestaande kavelstructuur worden kavels toegevoegd, in een ‘landgoedachtige’ opzet. De kaders waar een ontwikkeling in dit gebied aan moet voldoen zijn onder andere:
- in schaal en maat aansluiten op de bestaande objecten aan de Vrachelsestraat;
- het silhouet zichtbaar vanuit de omgeving is zeer belangrijk, deze moet een landelijke sfeer behouden;
- in stijl aansluiten bij de landelijke archetypen en historische lintbebouwing;
- overgangen tussen privé- en openbaar gebied vormgeven door middel van hagen (keuze uit: liguster, veldesdoorn, taxus, meedoorn en voor de oude kavels beukenhagen);
Het kavelpaspoort, dat voor het plangebied is opgesteld, geeft aan dat het bouwplan voor deze locatie moet voldoen aan de randvoorwaarden en uitgangspunten. Ieder schets- of bouwplan zal ingediend moeten worden, zodat het getoetst kan worden door het kwaliteitsteam.
4.1 Milieueffectrapportage
In deze casus is sprake van een plan. Voor een plan moet worden nagegaan of er met het plan sprake is van dusdanige milieueffecten in de omgeving dat een m.e.r of milieueffectbeoordeling moeten worden uitgevoerd. Daarvoor is het wettelijk kader van belang.
Het wettelijk kader wordt gegeven door de Wet natuurbescherming, de Interim-omgevingsverordening Noord-Brabant en de Wet milieubeheer. Alleen indien een passende beoordeling als bedoeld in de Wet natuurbescherming moet worden opgesteld moet ook een (plan)m.e.r worden opgesteld. Voor dit plan is die noodzaak er niet. In de Interim-omgevingsverordening Noord-Brabant is er geen aanwijzing voor een m.e.r opgenomen. In de Wet milieubeheer in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage is bepaald voor welke activiteiten en gevallen en plannen of besluiten er een m.e.r (A) dan wel of er een milieueffectbeoordeling (B) moet worden uitgevoerd om te bepalen of er een m.e.r moet worden opgesteld. De activiteiten zijn benoemd in onderdeel C en D van de bijlage Besluit milieueffectrapportage. In deze casus is er in beginsel sprake van alleen een activiteit “stedelijk ontwikkelingsproject” die alleen wordt genoemd in onderdeel D 11.2 van bijlage Besluit milieueffectrapportage.
Planspecifiek
Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dienen verschillende zaken afgewogen te worden.
Relevant zijn vooral de ruimtelijke effecten. In dit geval wordt er weliswaar een object mogelijk gemaakt in een relatief open gebied, maar zijn er ook al bestaande woningen aanwezig. Gelet op de vaste jurisprudentie is er met één woning in zo’n omgeving geen sprake van een relevant ruimtelijk effect. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in de Besluit milieueffectrapportage.
Dat betekent dat er geen m.e.r en geen m.e.r-beoordeling is vereist.
4.2 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt het mogelijk om op een perceel dat deels bestemd is als 'Wonen' en deels bestemd is als 'Tuin', één nieuwe woning mogelijk te maken. Het toekomstig bodemgebruik veranderd daarmee voor een deel. Het is daarom noodzakelijk om te bepalen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Om deze reden is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door NIPA milieutechniek (d.d. 28 oktober 2021, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 1).
Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Vrachelsestraat 33 te Den Hout, kadastraal bekend als gemeente Oosterhout, sectie U, nummer 697 (ged), blijkt dat de toplaag van de vaste bodem plaatselijk licht verhoogde gehaltes aan lood en/ of PAK bevat. In het grondwater is plaatselijk een sterk verhoogd gehalte aan nikkel gemeten. Tevens zijn overschrijdingen van de voormalige tussenwaarde voor kobalt en zink aangetoond en zijn licht verhoogde gehaltes aan cadmium en barium aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen in het grondwater vormen geen belemmering voor het beoogde gebruik van de locatie. Aanbevolen wordt het grondwater niet te gebruiken voor de bevloeiing van het gewas. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn vaker verhoogde gehaltes aan zware metalen in het grondwater aangetoond. Indien bij de herontwikkeling niet tot onder het grondwater wordt ontgraven, wordt aanvullend of nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.
4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling bestaat in planologische zin uit het mogelijk maken van één extra woning. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,2 μg/m³, 9,2 μg/m³ en 13,9 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
- verzorgingstehuizen;
- psychiatrische inrichtingen;
- medisch centra;
- poliklinieken;
- medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning. Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een geluidgevoelig object. Er dient dan ook te worden beschouwd of er geluidhinder ontstaat door geluidbronnen, zoals omschreven in de Wgh.
Wegverkeer
Het plangebied is gelegen aan de Vrachelsestraat, dit is een 30 km/u weg wat een niet gezoneerdeweg is. In de omgeving van het plangebied is wel de Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan gelegen wat een gezoneerdeweg is. In het kader van het bestemmingsplan 'de Contreie' is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. ('Integrale herziening Bestemmingsplan De Contreie', 6.10.2016 rev 1.0, Gemeente Oosterhout).
Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan in de buurt van het plangebied tussen de 47 en 48,5 dB ligt. Er kan aangenomen worden dat de geluidbelasting op de nieuw te realiseren woning beneden de grenswaarden van 48 dB blijft.
Spoorweglawaai
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Door de afwezigheid van spoorwegen zijn er geen belemmeringen wat betreft geluid van het spoor te verwachten.
Industrielawaai
In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing vindt plaats in
toelichting paragraaf 4.9.
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied, omdat de geluidsbelasting lager zal liggen dan 48 en de woningen aan een doodlopende weg liggen. Het aspect vormt geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.5 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 wordt het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer. Hieronder valt het waterkwantiteits- en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringen, waterzuivering, grondwaterbeheer, waterbodembeheer en scheepvaartbeheer. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 is het beleid met de bijbehorende doelstellingen van het waterschap Brabantse Delta opgenomen. In het Waterbeheerprogramma staan de kerntaken van het waterschap centraal. Dat zijn zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw, bescherming tegen overstromingen en het zuiveren van afvalwater. In dit plan is verwoord dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Deze thema’s pakt het waterschap in samenhang aan, omdat een integrale aanpak meerwaarde oplevert voor het resultaat.
Het waterschap beschikt daarnaast over een eigen 'Keur' en 'Legger'. In de keur staan de gebods- en verbodsbepalingen met betrekking op de waterhuishouding en het waterbeheer. In de legger zijn de waterstaatwerken met bijbehorende afmetingen en onderhoudsplicht opgenomen. De keuren van de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta zijn geüniformeerd. Onderdeel hiervan zijn de beleidsuitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename aan verhard oppervlak wordt uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.
Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Verhard oppervlak is al het oppervlak dat er voor zorgt dat hemelwater sneller tot afvoer komt dan in de huidige situatie zonder verharding.
Gemeentelijk beleid
Water- en rioleringsplan
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Hierin zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water) en een zorgplicht voor grond- en hemelwater. Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater en het verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel.
De gemeenteraad heeft een water- en rioleringsplan vastgesteld. Hierin staat hoe de gemeente omgaat met alle waterstromen binnen de gemeente en de zorgplichten vanuit de Waterwet. De belangrijke uitgangspunten in het water- en rioleringsplan voor het water in Oosterhout zijn: schoon water schoon houden, handhaving van de waterkwaliteit en waar noodzakelijk verbeteren, voldoen aan de normen voor volksgezondheid en veiligheid en ontwikkeling van natuur in en om het water waar mogelijk.
Bovenstaande betekent dat de verschillende vormen van grondgebruik afgestemd moeten worden op de aanwezige watersystemen. Dit met een toekomstgerichte aanpak/doorkijk met name op het gebied van het klimaat. Intensievere regenbuien kunnen enorme wateroverlast veroorzaken en de in het gemeentelijk grondgebied aanwezige grondwaterwinning voor de drinkwaterproductie kunnen vervuild raken door lozingen van schadelijke stoffen. Ook hiervoor is aandacht binnen het water- en rioleringsplan.
De landelijke voorkeursvolgorde infiltreren-bergen-afvoeren wordt daarom in de Gemeente Oosterhout ook aangehouden om schade bij regenwateroverlast en periodes van droogte te voorkomen of toch in ieder geval te beperken. Waarbij rekening gehouden moet worden met de onderstaande regenbuien als norm:
- Bij 40 mm regen per uur geen water op straat vanuit ondergrondse voorzieningen (infiltratiekratten, waterbergende funderingen, enzovoort)
- Bij 70 mm regen per uur geen inundatie vanuit open voorziening (wadi, sloot, enzovoort)
- Bij nieuwbouw geldt dat alle afvoerend verhard oppervlak (inclusief oppervlak van een open voorziening) meetelt in de te verwerken hoeveelheid regenwater. Dit ongeacht de hoeveelheid bestaand verhard oppervlak.
Afvalwaterverordening
Om aan de beleidsdoelstellingen te voldoen zijn er uitgangspunten, normen en regels nodig. In de afvalwaterverordening staat welke regels en normen er gelden voor het lozen van afvalwater en het aansluiten op een vuilwaterriool. Alle percelen waarop afvalwater vrijkomt worden aangesloten op het openbaar riool. Per woning of bedrijfspand wordt er in principe één perceelaansluiting voor afvalwater aangelegd. In de Wet Milieubeheer staat dat de gemeente een inzamelplicht heeft van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsmatig afvalwater valt hier niet onder. De gemeente wil bedrijven echter wel faciliteren mits het voldoet aan enkele voorwaarden. Bedrijfsmatig afvalwater mag worden afgevoerd naar het openbaar riool mits de samenstelling van het te lozen water overeenkomt met huishoudelijk afvalwater en de afvoercapaciteit van het gemeentelijk riool voldoende is. In het geval van nieuwbouw of bij toename van de afvoercapaciteit kan een bergingsvoorziening voorgeschreven worden.
Ook is in de afvalwaterverordening de procedure voor het aanvragen van een aansluiting op het gemeentelijk riool vastgelegd. Hierbij zal ook een toets plaatsvinden op de vastgelegde normen en regels, alvorens door de gemeente (maar op kosten van aanvrager) wordt aangesloten op het gemeentelijk riool.
Planspecifiek
WatercompensatieHet voorliggende bestemmingsplan maakt het mogelijk om maximaal 327 m² aan bebouwing te realiseren binnen het plangebied. Daarmee blijft de toename van verharding in voorliggend plan beneden de 500 m². Tevens gelden er vanuit het gemeentelijk beleid bergingsregels voor infiltratie waaraan voldaan moet worden. Het gaat er daarbij om dat regenwater op het kavel verwerkt moet worden, door directe infiltratie in de bodem of door lozing op het oppervlakte water. De normen 40 of 70 mm regen per uur (afhankelijk van situatie) gelden als bergingseis om wateroverlast bij aangrenzende percelen te voorkomen. In het voorliggende plan zal regenwater direct in de bodem infiltreren.
Riolering en afkoppeling
In de toekomstige situatie wordt aangesloten op de ambities van het waterschap. Zo wordt het hemelwater zoveel mogelijk geïnfiltreerd in de bodem en wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. De gebouwen zullen aangesloten worden op het gemeentelijke rioolstelsel.
Waterkeringen
Uit het raadplegen van de legger van het Waterschap Brabantse Delta blijkt dat binnen het plangebied geen regionale waterkeringen aanwezig zijn.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met het verwijderen van groen, geen bomen, in het plangebied, dit kan negatieve effecten hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Om deze reden is een ecologische quickscan uitgevoerd door Blom ecologie (d.d. 24 juni 2022,
bijlagen bij toelichting bijlage 4)
Soortenbescherming
De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebiede geen sprake. Een Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. In de ecologische quickscan is tevens aangegeven dat een AERIUS-berekening niet noodzakelijk is, de rapportage is echter opgesteld in de periode dat de tijdelijke 'bouwvrijstelling' van kracht was. Deze vrijstelling is komen te vervallen door een uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022. Derhalve dient er inzichtelijk gemaakt te worden of er significante gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie.
Stikstofdepositie
Een plan mag geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Gelet op de afstand tot de dichtst bijgelegen Natura 2000-gebieden (Biesbosch, Langstraat Waalwijk en Ulvenhoutse bos) kan alleen stikstofdepositie nog een verstorende factor zijn. Derhalve is een stikstofberekening uitgevoerd (d.d. 02 maart 2023, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 5). De nieuwe vrijstaande woning wordt gasloos uitgevoerd, waardoor voor de gebruiksfase enkel de verkeersgeneratie relevant is voor de stikstofdepositie. Daarnaast is ook de bouwfase relevant voor de stikstofdepositie, hiervoor is een inschatting gemaakt van de te gebruiken mobiele werktuigen en de verkeersgeneratie tijdens de bouw. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Natura 2000-gebieden is. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk. Daarmee staat vast dat er geen significante gevolgen zullen zijn voor een Natura 2000-gebied vanwege dit plan.
Houtopstanden
Met het beoogde plan zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
Conclusie
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Het voorliggende plan is daarmee uitvoerbaar met betrekking het aspect ecologie.
4.7.1 Gemeentelijk groen beleid
In Oosterhout is in de woonbuurten per woning gemiddeld 115m2 openbaar groen aanwezig. Op basis van dit gemiddelde kan worden gesteld dat Oosterhout een groene gemeente is. Omdat Oosterhout een groene gemeente wil blijven, streeft de gemeente Oosterhout naar een gemiddelde norm van 115m² openbaar groen per woning in de woonbuurten en kernen en 1,04 boom per woning.
In het politiek akkoord is het groene karakter van Oosterhout ook benoemd als kernwaarde van de stad. Het is een kenmerk waarmee Oosterhout zich onderscheidt van andere gemeenten. Doel van groenbeleid in algemene zin is daarom de instandhouding en verbetering van deze groene kwaliteit. De bijbehorende uitvoeringssporen zijn bescherming en ontwikkeling. Bescherming van het aanwezige groen in de stad gaat vooraf aan compensatie. Compensatie is immers het herstellen van of goedmaken voor iets dat verloren is gegaan.
4.7.1.1 APV
Bescherming vindt plaats door aanwijzing van monumentale bomen die via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en het bestemmingsplan zijn beschermd. Het kappen van niet monumentale bomen op gemeentegrond is op basis van de APV eveneens vergunning-plichtig. De ontwikkeling van groen gebeurt door koppelkansen. Onder andere bij herinrichting van het openbaar gebied (bijvoorbeeld bij aanpassingen aan de riolering) en bij (her)ontwikkeling van locaties.
Planspecifiek
Met het voorliggende plan wordt er een vrijstaande woning mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Om deze woning mogelijk te maken wordt de inrichting van het plangebied gewijzigd. Daarbij zal er groen in het plangebied verwijderd worden, maar er worden geen bomen gekapt. Dit is ook weergegeven op het kavelpaspoort in
toelichting paragraaf 2.2, hierop zijn de bestaande bomen weergegeven die gehandhaafd dienen te worden op het perceel. De groene omheining van het plangebied moet daarnaast ook intact worden gehouden.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie
4.8.1 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Planspecifiek
In het geldende bestemmingsplan heeft de planlocatie geen archeologische verwachtingswaarde.
Het gebied van de Contreie had oorspronkelijk een middelhoge archeologische verwachting. Op basis hiervan heeft onderzoek plaatsgevonden en is het gebied volledig vlakdekkend onderzocht. Hierbij is een groot aantal structuren en vondsten aangetroffen daterend van de Steentijd tot en met de periode van de Tweede Wereldoorlog. Na de archeologische opgraving kon de verwachting worden bijgesteld naar laag. Het gebied is daarmee is zijn geheel 'vrijgegeven'. Nader onderzoek naar archeologie is dan ook niet noodzakelijk.
4.8.2 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Planspecifiek
In het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. In de buurt van het plangebied aan de Vrachelsestraat 46 en 52 zijn wel twee gemeentelijke monumenten aanwezig, dit betreft twee monumentale boerderijen. De voorliggende ontwikkeling heeft geen invloed op deze monumenten. Met de beoogde ontwikkeling zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding. De locatie is niet gelegen in een beschermd stads-, en dorpsgezicht.
Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.9 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar.
Planspecifiek
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie van een nieuwe gevoelige bestemming mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of omliggende milieubelastende activiteiten invloed hebben op het woon- en leefklimaat bij de woning en of deze activiteiten niet belemmerd worden als gevolg van het plan. De ligging van het plangebied kan aangeduid worden als rustige woonwijk, gezien de hoofdzakelijke aanwezigheid van woningen.
Met behulp van bestemmingsplannen in de omgeving is bepaald welke milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. In de directe omgeving zijn geen bedrijven gevestigd, wel is er een gebied aangeduid met de bestemming 'gemengd - 1' waarbinnen bedrijfsmatige activiteiten mogelijk zijn. Hier zijn onder andere detailhandel, kantoren, maatschappelijke voorzieningen en horeca tot horeca categorie 2 toegestaan. Dit zijn functies in categorie 1 van de VNG-publicatie, waarvoor een richtafstand van 10 m geldt. Het plangebied is op minimaal 25 m van het gebied met de bestemming 'Gemengd - 1' gelegen. Er wordt voldaan aan de richtafstanden van de bedrijven in de omgeving,
Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van het aspect milieuzonering.
4.10 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
- risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour.
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn.
In de omgeving van het plangebied zijn wel risicovolle inrichtingen gelegen. Het betreft onder andere risicovolle inrichtingen aan de Zeilmakerijweg 1 & 8. De kortste afstand van het plangebied tot deze inrichtingen is ca 1,4 km. Het plangebied is daarmee ver buiten de risicocontour voor het plaatsgebonden risico van 10-6 gelegen. Het toevoegen van één woning binnen het invloedsgebied waarbinnen het groepsrisico kan worden bepaald zal verwaarloosbaar zijn. Het absolute groepsrisico is zeer gering. Wel moet er rekeing worden gehouden met het Stadaard advies van het Bestuur veiligheidsregio Midden- en West-Brabant 2022.
Geconcludeerd kan worden dat voor het aspect externe veiligheid er met het plan sprake is van een aanvaardbare veiligheidssituatie.
4.11 Niet gesprongen explosieven
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks conventionele explosieven gevonden. Onder Conventionele Explosieven wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden CE ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.
Er is een gemeentebreed vooronderzoek “Gemeente Oosterhout”, opgesteld door Saricon met projectkenmerk: 19S034-VO-02, d.d. 18-09- 2020. In het vooronderzoek wordt aangeven dat in het plangebied naar alle waarschijnlijkheid ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn. Bij een voorgenomen bodemingreep dient gekeken te worden naar de locatie waar de bodemingreep is gepland. Op basis van de ‘CE- bodembelastingkaart gemeente Oosterhout’ dient de locatie opgezocht te worden. Mocht er sprake zijn van een risicogebied, dan moet er een afweging worden genomen of er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer.
Planspecifiek
Gezien het voorgaande is er een onderzoek uitgevoerd naar niet gesprongen explosieven voor het plangebied door AVG Explosieven Opsporing Nederland (140000102-PVO-01, d.d. 27-05-2022, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 2).
Het plangebied is onderzocht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten tot een diepte van 2,00 m -mv ( ca. 0,90 m +NAP). Het gebied is afgezocht om de in de toekomst geplande werkzaamheden veilig uit te voeren. Tijdens de opsporingswerkzaamheden van AVG zijn geen (restanten-) ontplofbare oorlogsresten aangetroffen en heeft er derhalve geen overdracht van ontplofbare oorlogsresten aan de EODD plaatsgevonden. Het aangetroffen “Schroot” is door AVG geïdentificeerd, gecontroleerd en verwijdert en afgevoerd uit het opsporingsgebied.
De aangetroffen verstoringen zijn zodoende geïdentificeerd en verwijderd. AVG Explosieven Opsporing Nederland verklaart dat met de gebruikte onderzoeksmethode verder geen verdachte objecten zijn waargenomen in het onderzochte gebied. Het onderzochte gebied wordt, in technische zin, vrijgegeven van ontplofbare oorlogsresten, zodat eventuele vervolgwerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'Niet gesprongen explosieven' geen belemmering zal vormen voor de beoogde ontwikkeling.
AVG Explosieven Opsporing Nederland kan niet garanderen dat na afronding van dit onderzoek door eventueel grondverzet c.q. ontwikkelingen alsnog ontplofbare oorlogsresten in het gevrijwaarde gebied terecht komen.
Indien er tijdens een bodemingreep een conventioneel explosief wordt aangetroffen, dient de Nota-toelichting Protocol toevalsvondsten CE uit WO2 te worden gevolgd.
4.12.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn kencijfers voor de verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Met het plan wordt ten opzichte van de huidige situatie een extra woning mogelijk gemaakt, waardoor de hoeveelheid verkeersbewegingen licht toe zal nemen. De extra verkeersgeneratie door de toevoeging van een woning ligt voor een vrijstaande woning in de rest bebouwde kom tussen de 7,8 en 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Dit is een hoeveelheid die de huidige ontsluiting goed kan verwerken. De ontsluiting van het plangebied is geregeld via Vrachelsestraat- Heijligerweg- Burg. H. Schiedonlaan. De Vrachelsestraat is een relatief rustige erftoegangsweg waar enkele voertuigbewegingen aan kunnen worden toegevoegd. De Heijligerweg en Burg. H. Schiedonlaan zijn gebiedsontsluitende wegen die ook nog voldoende capaciteit bevatten.
Gelet op de beperkte toename van de verkeersgeneratie kan gesteld worden dat het opgevangen kan worden met de bestaande verkeersstructuur.
4.12.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het gemeentelijke parkeerbeleid voor zowel auto’s als fietsen, is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2022’. Deze nota is door de gemeenteraad op 22 november 2022 vastgesteld. In het beginsel is het uitgangspunt voor de gemeente dat de parkeerbehoefte op eigen terrein of binnen de grenzen van het plangebied gerealiseerd wordt.
Planspecifiek
Doordat er een woning wordt toegevoegd en er verder geen functies bij komen neemt de parkeereis ten opzichte van de bestaande situatie toe. Omdat het bij voorliggend plan gaat om een vrijstaande woning in het gebied rest bebouwde kom betreft deze eis conform de 'Nota Parkeernormen 2022' 2,3 parkeerplaatsen. Voor de toekomstige situatie zijn er dus 2,3 parkeerplaatsen nodig. Doordat het perceel van de nieuwe woning beschikt over een ruim erf kan de parkeereis hier gemakkelijk opgevangen worden.
4.13 Duurzaamheid
Duurzaamheid is een breed begrip. In een duurzamere wereld wordt gekeken of mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht kunnen zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Om te zorgen voor deze balans heeft Nederland zich geconformeerd aan het klimaatakkoord, wat heeft geresulteerd in de Klimaatwet. Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling voor een duurzame en gezondere leefomgeving, ook in Oosterhout. Naast het feit dat de gemeente hierin een belangrijke voorbeeldrol en eigen verantwoordelijkheid heeft, willen we het nemen van duurzamere keuzes vooral stimuleren en faciliteren. Daarbij moet er meer ruimte zijn voor eigen initiatieven en eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en belangengroeperingen.
Het belangrijkste afwegingskader voor duurzaamheid is, naast wet- en regelgeving, de in 2019 door de gemeenteraad vastgestelde documenten ‘’Ambities voor de energietransitie Oosterhout 2030” en de “Routekaart energietransitie 2019-2022”, alsmede de in 2021 vastgestelde ‘’Transitievisie Warmte – Aardgasvrij Oosterhout’’. Duurzaamheid bestaat voor de gemeente Oosterhout uit drie speerpunten: energietransitie (inclusief warmtetransitie), circulariteit en klimaatadaptatie.
4.13.1 Energietransitie
De huidige samenleving zorgt voor uitputting van de bestaande energiebronnen (fossiel). Met de energietransitie werken we aan een samenleving waarin sprake is van duurzaam opgewekte, hernieuwbare energie. Deze transitie is essentieel om de nationale doelstellingen op het gebied van CO2-reductie te behalen. De Klimaatwet zegt ons dat we 49% CO2 moeten reduceren in 2030 ten opzichte van onze uitstoot in 1990. Ook Oosterhout moet voldoen aan de landelijke doelstellingen. Naast het gebruik van duurzame energie, draagt het verminderen van energieverbruik (isoleren) ook bij aan het reduceren van CO2 uitstoot.
De gemeente beoordeelt (ver-)bouwplannen op hun bijdrage aan de lokale, regionale of nationale duurzaamheidsdoelstellingen. Deze doelstellingen zijn verwoord in het ambitie document Energietransitie Oosterhout 2030 en de RES West-Brabant. Het absolute minimum staat beschreven in het Bouwbesluit, waarin naast eisen ten aanzien van de EPC en geluidisolatie, ook eisen ten aanzien van gasloos nieuwbouwwoningen bouwen zijn opgenomen. Sinds januari 2021 is de BENG-eis ingevoerd (Bijna Energie Neutraal Gebouw). De gemeente Oosterhout heeft de ambitie om op het gebied van duurzaamheid een extra inspanning boven op het bouwbesluit te stimuleren. De energietransitie van de gemeente Oosterhout is uitgewerkt in de Transitievisie Warmte.
Transitievisie Warmte – Aardgasvrij Oosterhout
Op 22 december 2021 heeft de gemeenteraad de Transitievisie Warmte van Oosterhout (TVW) vastgesteld. In deze TVW maakt de gemeente inzichtelijk wanneer zij welke wijken of buurten van het aardgas afkoppelt en de overstap maakt naar duurzame energiebronnen. In 2050 moeten alle woningen in Oosterhout aardgasvrij zijn. Het tussendoel is: 20% van de bestaande woningvoorraad in 2030 aardgasvrij of aardgasvrij-ready. Daarvoor moeten in Oosterhout ongeveer 5.000 woningen worden aangepakt. De nieuwbouw, die vanaf 2020 al gasloos wordt gerealiseerd, telt hierbij niet mee. Nieuwe (woning)bouw plannen dienen wel aan te sluiten bij de uitgangspunten van de TVW.
De transitievisie warmte wordt uiteindelijk uitgewerkt in plannen per wijk of buurt, waarin het proces en de alternatieve energiebronnen worden beschreven. Op dit moment heeft de transitievisie nog geen invloed op onderhavig bestemmingsplan. Zodra de plannen per wijk of buurt zijn uitgewerkt, worden de kaders duidelijk waaraan ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen. Meer informatie over de transitievisie warmte van de gemeente Oosterhout is te vinden op
https://www.oosterhout.nl/inwoners/duurzaamheid/duurzame-warmte.
Planspecifiek
De woning in het voorliggende plan zal volgens de BENG-eisen worden gerealiseerd. Daarmee wordt er voldaan aan de eisen voor energietransitie.
4.13.2 Circulariteit
De gemeente Oosterhout streeft naar het bundelen van lokale kennis, technologie en innovaties om zo een meer circulaire lokale economie te krijgen. Een circulaire economie draagt bij aan het hergebruik van materialen, producten en diensten in plaats van de vernietiging daarvan. Het gebruik van biobased producten, gemaakt van hernieuwbare grondstoffen, draagt bij aan circulariteit en een duurzame samenleving, en wordt daarom gestimuleerd door de gemeente Oosterhout.
4.13.3 Klimaatadaptatie
Een veranderd klimaat heeft gevolgen voor de samenleving. Wateroverlast, droogte, hitte en bodemdaling komen in meer of mindere mate regelmatig voor en dat neemt de komende jaren verder toe. Vanuit de landelijke overheid is bepaald dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig moet zijn ingericht. In de ‘Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016’ (NAS), het Uitvoeringsprogramma NAS en in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt klimaatadaptatie verder uitgelegd. Ook wij streven naar een klimaatbestendig Oosterhout in 2050. Dit betekent dat onze woningen en de ruimtelijke inrichting aangepast moeten worden zodat ze bestand zijn tegen o.a. hitte, droogte en wateroverlast. Bovendien moet dit ervoor zorgen dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt vergroot.
De gemeente stelt momenteel beleid op waarin de gevolgen van klimaatverandering inzichtelijk worden gemaakt op ons grondgebied. Dit beleid dient ook als ruimtelijke onderbouwing voor het stellen van toekomstige planregels in het bestemmingsplan. Hierbij ziet de gemeente Oosterhout het programma van eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en het Manifest Bouwen voor Natuur, beide van de provincie Zuid-Holland, als richtinggevend.
Totdat het beleid is vastgesteld verwacht de gemeente Oosterhout dat bij nieuwe ontwikkelingen de uitkomsten van de stresstesten worden meegenomen bij de planvorming. Hierbij mag de nieuwe ontwikkeling de situatie in het plangebied en omliggend gebied voor de thema’s hitte, droogte en wateroverlast niet verergeren t.o.v. de bestaande situatie, en draagt het liefst bij aan het verminderen daarvan. De initiatiefnemer moet in het bestemmingsplan aangeven welke maatregelen genomen worden om het project klimaatbestendig te maken.
Specifiek voor het thema Water (infiltratie, berging, afvoer, etc.) gelden de bestaande normen. Zoals ook in
toelichting paragraaf 4.5 aanbod is gekomen.
Planspecifiek
Het voorliggende plan wordt gerealiseerd in een groene omgeving en de toevoeging van één woning is beperkt. Het groene karakter van het plangebied kan daardoor behouden blijven, waardoor hittestress niet verwacht wordt.
5 Toelichting op de regels
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
- bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
- bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
- afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Bepalen Goothoogte
Er is wel eens sprake van misverstanden over de wijze waarop de goothoogte of bouw- c.q. nokhoogte van een gebouw moet worden geïnterpreteerd. De goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, lichtkoepels, dakkapellen, lucht- en liftkokers, zonnepanelen, andere technische ruimten en/of technische constructies, hekwerken en antennes. Voor de meest voorkomende gevallen is hieronder aangegeven hoe de goothoogte wordt bepaald:
Figuur 6: dakvormen met bijbehorende maatgevende goothoogte
Figuur 7: toelaatbare uitbreidingen in het dakvlak
5.5 Wijze van bestemmen
Dit bestemmingsplan bevat de navolgende bestemmingen:
Tuin
De tot 'Tuin' bestemde gronden zijn bedoeld voor tuinen en groenvoorzieningen bij woningen, inritten en parkeren. Op of in deze gronden mogen uitsluitend uitbreidingen aan een woning op de aangrenzende bestemming 'Wonen' worden gebouwd. In de regels is aangegeven hoe groot deze uitbreidingen mogen zijn. Bestaande gebouwen in deze bestemming mogen worden gehandhaafd. Er zijn nadere regels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Parkeren is niet toegestaan voor de voorgevel van de woning. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van dit verbod.
Wonen
De tot 'Wonen' bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen, aan huis verbonden beroepen of aan huis verbonden bedrijven en gastouderschap, tuinen, erven en verhardingen, groen- en nutsvoorzieningen, ondergeschikte voorzieningen voor verkeer en verblijf, en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse van de betreffende aanduiding zijn de gronden ook bestemd voor bescherming en instandhouding van een gemeentelijk monument. Per bouwperceel is één woning toegestaan. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen die binnen het bouwvlak worden gebouwd, en gebouwen die buiten het bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding zijn de toegestane bebouwingstypologie (patio, vrijstaand, twee-aan-een of aaneengebouwd), de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen en is aangeduid waar een blinde gevel uitgevoerd moet worden. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van een aantal bouw- en gebruiksregels. Er zijn gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf.
6 Handhaafbaarheid
Handhaving vormt een belangrijk onderdeel van een beleidscyclus. Regels worden gesteld met als doel het beschermen van een bepaald belang. Zonder toezicht op naleving van deze regels bestaat het risico dat dit doel onvoldoende bereikt wordt. Tevens komt de gemeente ongeloofwaardig over als gestelde regels niet worden gehandhaafd.
Handhaafbaarheid, draagvlak en naleefgedrag
Een eerste voorwaarde voor handhaving is een duidelijk en handhaafbaar beleid en regelgeving. Om die reden worden nieuwe versies van digitale handboeken en die onderdelen van bestemmingsplannen die afwijken van het digitale handboek, door de afdeling die belast is met vergunningverlening en handhaving, gecontroleerd op uitvoerbaarheid. Ook voor dit bestemmingsplan heeft deze toets plaats gevonden.
Naast handhaafbare regels dient er ook het nodige draagvlak voor het nieuwe beleid en de daaruit voortvloeiende regels te zijn. Immers zal een plan met weinig draagvlak op weinig naleefgedrag kunnen rekenen. Het creëren van draagvlak is onder andere bewerkstelligd door in de verschillende fasen van het planproces burgers, belangenorganisaties en andere belanghebbenden te betrekken, al dan niet via wettelijk bepaalde inspraakmomenten.
Preventieve en repressieve handhaving
Naast repressie (handhavend optreden op het moment dat er sprake is van een overtreding) heeft preventie een belangrijke functie in de gemeentelijke handhavingsstrategie (de gemeente hanteert de landelijke handhavingsstrategie). Bij preventief handhaven spelen vooral dialoog, voorlichting en advisering een belangrijke rol. Zo voorziet het handhavingsbeleid van de gemeente Oosterhout in meer aandacht voor voorlichting en communicatie, onder andere door het uitgeven van voorlichtingsbrochures.
Qua repressie voorziet het gemeentelijk handhavingsbeleid en het daarop gebaseerde integrale uitvoeringsprogramma in het continu opsporen van overtredingen van het bestemmingsplan. Ook worden er gezamenlijk met andere overheden (brandweer, politie, belastingdienst) multidisciplinaire handhavingsacties georganiseerd. Binnen dergelijke acties is er ook aandacht voor overtredingen van het bestemmingsplan. Indien een overtreding wordt geconstateerd, zal als eerste stap in het handhavingstraject telkens worden bezien of het illegale gebruik of bouwwerk op grond van het bestemmingsplan of afwijking daarvan, alsnog gelegaliseerd kan worden. Is dat niet het geval dan wordt het handhavingstraject doorgezet. Al deze aspecten zijn vastgelegd in het beleidsplan Fysieke Leefomgeving en de daarin opgenomen handhavingsstrategie en dienen als leidraad voor de alledaagse handhavingspraktijk binnen de gemeente Oosterhout.
IJkmoment, overgangsrecht en monitoring beleid
De totstandkoming van dit bestemmingsplan is een ijkmoment voor de handhaving. Indien bebouwing of gebruik afwijkt van het bestemmingsplan, zal hier tegen handhavend worden opgetreden. Voor zowel bouwen als gebruik is het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan de peildatum. Tegen bebouwing en gebruik dat onder het overgangsrecht valt, kan niet handhavend worden opgetreden.
7.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º en 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Participatie
Om directe omwonenden te informeren over het voorgenomen initiatief is op dinsdag 8 maart 2022 een omgevingsdialoog gehouden. Initiatiefnemers hebben de omwonenden geïnformeerd over de wens het bestemmingsplan te herzien en er één woningen te realiseren. De omwonenden hebben aangegeven dat er geen bezwaar is tegen het voorgenomen initiatief en dat de aanpassing prima past in het huidige straatbeeld. Het verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 3, zie
bijlagen bij toelichting.
7.2.1 Resultaat vooroverleg
Het bestemmingsplan is toegezonden geweest aan de vooroverlegpartners in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro. Hierop zijn een tweetal reacties binnengekomen. De Provincie Noord-Brabant heeft aangegeven dat het voorliggende plan passend is binnen de Interim omgevingsverordening van de provincie. Het Waterschap Brabantse Delta heeft aangegeven dat aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het bestemmingsplan zij een positief wateradvies geven over het voorliggende plan.
7.2.2 Verslag zienswijzen
Het bestemmingsplan heeft in het kader van de wettelijke voorgeschreven vasstellingsprocedure als ontwerp, met ingang van 15 juni 2023 voor de duur van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon een belanghebbende een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen bij de gemeenteraad van de gemeente Oosterhout. Hiervan is geen gebruik gemaakt, er zijn geen zienswijze ingediend.