1 Inleidende bepalingen
Pre-ambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Schoolstraat 5 te Oostelbeers en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22 a 2) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Oirschot. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit plan) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22 a 2 van het omgevingsplan van de gemeente Oirschot. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22 a 2' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22 a 2' gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereik
1.1 Omgevingsplan Oirschot
Dit plan wijzigt het omgevingsplan Oirschot in die zin dat hoofdstuk 22 a 2 wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.
1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.
1.3 Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22 a 2, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0823.TAMOOSCHOOLSTRAAT5-VAST.
Artikel 2 Begripsbepaling
2.1 Algemene begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
2.2 Aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.2.1 tot en met 2.2.35 gehanteerd.
2.2.1 afhankelijke woonruimte
een bijgebouw bij een woning, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met die woning en waar een gedeelte van de huisvesting van één of meer personen, is ondergebracht;
2.2.2 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
2.2.3 bed & breakfast
Kleinschalige overnachtingsaccommodatie met maximaal twee afzonderlijk verhuurbare objecten voor kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt;
2.2.4 bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
2.2.5 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, veranderen of vernieuwen en het vergroten van een bouwwerk;
2.2.6 bouwgrens
een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak;
2.2.7 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
2.2.8 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
2.2.9 bouwperceelsgrens
een grens van een bouwperceel;
2.2.10 bouwvlak
een op de plankaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten;
2.2.11 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
2.2.12 dak
een gesloten bovenbeëindiging van een gebouw, c.q. bouwwerk;
2.2.13 eerste bouwlaag
de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf straatniveau dan wel waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1,5 meter boven peil is gelegen;
2.2.14 functie
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;
2.2.15 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
2.2.16 hoofdfunctie
een functie waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt;
2.2.17 maaiveld
hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning;
2.2.18 waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding zoals waterlopen, retentievoorzieningen, bergbezinkbassins e.d.;
2.2.19 woning
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één of meer personen;
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens
de kortste afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse grens van het bouwperceel;
3.2 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;
3.3 de breedte, van een bouwwerk
de maat, gemeten tussen de buitenwerkse zijgevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren;
3.4 de diepte van een aan- of uitbouw
de diepte van een aan- of uitbouw wordt loodrecht vanaf de gevel van het hoofdgebouw, waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd, gemeten;
3.5 de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
3.6 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
3.7 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
3.8 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
3.9 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
3.10 de oppervlakte van een carport
tussen de buitenzijde van de afdekking van de carport, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
3.11 peil
voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte
bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
2 Functies en activiteiten
4.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0823.TAMOOSCHOOLSTRAAT5-VAST is aangewezen als 'Wonen'.
4.2 Functieomschrijving
Binnen de als 'Wonen' aangewezen locatie zijn uitsluitend de volgende functies en activiteiten toegestaan:
- woningen;
- aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
- ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouw' bijgebouwen;
- ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast' een bed & breakfast;
Met de daarbij behorende:
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
- tuin;
- groen.
4.3 Bouwactiviteiten
Binnen de als 'Wonen' aangewezen locaties zijn de volgende algemene beoordelingsregels voor bouwactiviteiten van toepassing:
4.3.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat:
- Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
- Een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
- Ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum goothoogte (m)' mag de goothoogte van een bouwwerk niet meer bedragen dan met aanduiding is aangegeven;
- Ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer bedragen dan met de aanduiding is aangegeven;
4.3.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen geldt dat:
- Bijgebouwen en aan- en uitbouwen mogen uitsluitend op een afstand van 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde van die voorgevel worden gesitueerd, tenzij het gaat om bestaande bebouwing;
aan- en uitbouwen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, mogen een maximale diepte hebben van
3,5 m;
- een uitbreiding aan de achtergevel over de hele breedte van een halfvrijstaande woning is toegestaan, mits
- het bouwvlak met maximaal 5 meter wordt overschreden en,
- de uitbreiding geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de aangrenzende bouwpercelen met zich meebrengt . Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden beperkt.
- de bebouwde oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en carports, voorzover gelegen buiten het bouwvlak, mag 80 m² per bouwperceel bedragen.
- het bebouwingspercentage buiten de bouwvlakken mag maximaal 50 bedragen;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 m;
- de bebouwingshoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
- carports mogen binnen en buiten het bouwvlak worden opgericht, mits de verkeersveiligheid niet in het geding komt, en voldoen aan de volgende kenmerken:
- gebouwd op het zijerf, in of achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
- de carport dient aan één zijde aan de woning te worden gebouwd;
- de carport dient aan minimaal 2 zijden open te zijn, met dien verstande dat de carport aan een derde zijde aan een carport of zijgevel van een gebouw op het belendende perceel mag worden gebouwd;
- de goothoogte maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag bedraagt, met een maximum van 3 m;
- de bouwhoogte maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag bedraagt, met een maximum van 3 m;
- de oppervlakte maximaal 20 m² bedraagt.
- de aan-, uit- en bijgebouwen gesitueerd binnen het bouwvlak voor hoofdgebouwen tellen niet mee bij de bepaling van de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel.
- De regels in artikel 4.3.2 gelden niet voor bijgebouwen gesitueerd binnen de bouwaanduiding 'bijgebouwen'.
4.3.3 Bijgebouwen binnen de bouwaanduiding 'bijgebouwen'
Voor bijgebouwen binnen de bouwaanduiding 'bijgebouwen' geldt dat:
- uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd mag worden;
- ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum goothoogte (m)' de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer mag bedragen dan met de aanduiding is aangegeven;
- ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer mag bedragen dan met de aanduiding is aangegeven.
4.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat:
- de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1 m;
- de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 2 m;
- de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 3 m.
4.4 Specifieke functieregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende specifieke functieregels:
- faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten, zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak, waarbij ten behoeve van paardenbakken tevens de volgende regels gelden:
- per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan;
- de afmetingen van de paardenbak bedraagt maximaal 20 bij 40 m;
- lichtmasten zijn niet toegestaan.
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze functie.
4.5.2 Tot een gebruik, strijdig met deze functie, zoals bedoeld in lid 4.5.1, wordt in ieder geval gerekend:
- het gebruik van bijgebouwen voor bewoning;
- het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
5.1 Toepassingsbereik
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0823.TAMOOSCHOOLSTRAAT5-VAST is aangewezen als 'Tuin'.
5.2 Functieomschrijving
De op de plankaart aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen.
5.3.1 Gebouwen
Voor het bouwen van aan- en/of uitbouwen geldt dat:
- de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m;
- deze gebouwd mogen worden aan maximaal 2/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw.
5.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
- de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen;
- de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2 m bedragen.
Artikel 6 Toepassingsbereik
De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en indien dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2.
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene gebruiksactiviteiten
8.1 Het is verboden de in dit plan begrepen gronden en zich daarop bevindende opstallen te gebruiken of laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de functie.
8.2 Onder gebruik in strijd met de functie wordt in ieder geval begrepen:
- gebruik van ruimten binnen de woning voor een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
- gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen bij woningen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.

8.3 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 8.2 onder a ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijgebouwen bij de woning voor aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de
- maximaal 30 m² van het vloeroppervlak van de woning en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten;
- degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn;
- de parkeerbehoefte moet passen binnen de woonomgeving;
- de activiteit dient qua aard, milieubelasting, uitstraling en intensiteit te passen in een woonomgeving;
- de activiteit mag niet milieuvergunningplichtig zijn;
- er mag geen detailhandel of groothandel ter plaatse plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de aan huis verbonden activiteit.
8.4 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 8.2 onder b en toestaan dat een (vrijstaand) bijgebouw wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
- het een (vrijstaand) bijgebouw betreft behorende bij een woning binnen een bestemming waarbinnen een permanente (bedrijfs)woning is toegestaan;
- een dergelijke bewoning is noodzakelijk vanuit het oogpunt van mantelzorg, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring van in ieder geval de behandelende huisarts;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
- de afhankelijke woonruimte wordt ingepast binnen de toegestane bijgebouwen, met een maximale bebouwde oppervlakte van 80 m²;
- het bijgebouw vormt een onlosmakelijk geheel met de woning van waaruit de mantelzorg wordt verleend.
Burgemeester en wethouders verlenen de vrijstelling zowel op naam van de mantelzorgverlener als de mantelzorgontvanger onder de voorwaarden dat binnen één maand na beëindiging van het gebruik van het (vrijstaand) bijgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg hiervan schriftelijke melding wordt gemaakt bij burgemeester en wethouders en het (vrijstaand) bijgebouw binnen drie maanden na beëindiging van het gebruik als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg ongedaan wordt gemaakt voor bewoning.
8.5 Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het in lid 8.1 vervatte verbod, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
8.6 Overtreding van het bepaalde in lid 8.1 is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten aanzien van de plaats van de functiegrens, voor zover de afwijking van geringe aard is en ten aanzien van ondergeschikte punten, wanneer dit met het oog op de praktische uitvoering gerechtvaardigd is resp. indien de aanpassing aan de terreingesteldheid dit noodzakelijk maakt en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 10 Overgangsrecht
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
10.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergoot,
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
10.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 10.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 10.1.1 met maximaal 10%.
10.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in 10.1 is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
10.2 Overgangsrecht gebruik
10.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
10.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 10.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
10.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in 10.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
10.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in 10.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.