Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a.6 Broekeindsedijk 12, Oost-, West- en Middelbeers
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0823.Broekeindsedijk12-VAST

Regels

1 Algemene bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Broekeindsedijk 12 en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk 22a.6 van het omgevingsplan van de gemeente Oirschot. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a.6 [of opvolgend] van het omgevingsplan van de gemeente Oirschot. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen, moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct vóór het artikelnummer ‘22a.6’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct vóór het nummer van de bijlage ‘22a.6’ gelezen worden.
    

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

 

2.1 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.2 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.3 aan-huis-verbonden bedrijf

bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 en 2 (op basis van VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering), dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een kappersbedrijf, een schoonheidssalon en een pedicure.

2.4 aan-huis-verbonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerk met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een huisartsenpraktijk, een fysiotherapiepraktijk, een architectenbureau en een advocatenkantoor.

2.5 archeologische waarden

cultuurhistorische waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik in deze bodem, en die als zodanig het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

2.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.7 bebouwingspercentage

een opgenomen getal dat het percentage van een bouw- of bestemmingsvlak aangeeft dat ten hoogste mag worden bebouwd.

2.8 bed and breakfast

een nevenactiviteit, gekoppeld aan de woonfunctie, met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse verblijft. Onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.

2.9 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan (o.a. statische opslag), installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, uitgezonderd aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten.

2.10 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

2.11 bijbehorend bouwvlak

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

2.12 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.13 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.14 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.15 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct hetzij indirect steun vindt in of op de grond.

2.16 caravan

een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot logies-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze wagen of dit voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt hij voor de toepassing van dit plan aangemerkt als caravan.

2.17 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur.

2.18 dak

een gesloten bovenbeëindiging van een gebouw, c.q. bouwwerk.

2.19 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.20 evenement

al of niet periodiek terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van sport, cultuur, folklore, handel, recreatie, liefdadigheid, religie, gezondheid, wetenschap, amusement en vergelijkbare gebeurtenissen. Het betreft een gebeurtenis die aaneengesloten plaatsvindt met een maximum duur van drie dagen.

2.21 functie

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

2.22 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.23 groepsaccommodatie

een bouwwerk of een gedeelte van een bouwwerk bestemd voor het houden van recreatief nachtverblijf in permanent daarvoor ingerichte ruimten met gemeenschappelijke verblijven.

2.24 grondwateronttrekking

het onttrekken van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting.

2.25 groothandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, instellingen dan wel aan personen in een aanwending in een ander bedrijf.

2.26 hoofdfunctie

een functie waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt.

2.27 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen dan wel, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken.

2.28 huishouden

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur en huisvesting van tijdelijke werknemers wordt daaronder niet begrepen.

2.29 hydrologische waarden

waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie voor daaraan gebonden organismen (planten en dieren), leefgemeenschappen en potenties voor de ontwikkeling daarvan, met daarbij behorende kwantitatieve aspecten (zoals hoge waterstand, stabiel waterpeil) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild), zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

2.30 infrastructurele voorzieningen

ontsluitingswegen en kavelpaden.

2.31 kampeerboerderij

het gelegenheid geven tot het houden van recreatief nachtverblijf in gebouwen deel uitmakend van een agrarisch bedrijf dan wel een voormalig agrarisch bedrijf inclusief bijbehorende sanitaire voorzieningen.

2.32 kampeermiddel

  1. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

2.33 landschapswaarden / landschappelijke waarden

bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.

2.34 maaiveld

hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning.

2.35 minicamping

een kleinschalig kampeerterrein met minimale voorzieningen als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of een burgerwoning.

2.36 natuurwaarden

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de aanwezige biotopen bijzondere flora en fauna, ecologische samenhangen en structuren.

2.37 nevenactiviteiten

activiteiten die naast de primaire agrarische activiteit worden uitgeoefend op een (agrarisch) bouwvlak en niet rechtstreeks de uitoefening van de (agrarische) bedrijfsvoering betreffen.

2.38 ondergeschikte functie

functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt, tenzij anders in de regels is bepaald.

2.39 ondergronds

beneden het peil.

2.40 overkapping

een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw.

2.41 perceelgrens

de grens van het kadastrale perceel.

2.42 recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.

2.43 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.44 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

teeltondersteunende voorzieningen, zoals folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het gebruik van de ondergrond;

2.45 trekkershut

een bedrijfsmatige geëxploiteerde, houten kleine vrijstaande blokhut, zonder of met eigen sanitaire voorziening, die dient als periodiek verblijf voor wisselende groepen van recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben.

2.46 vakantiewoning / vakantieappartement

een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben, gedurende een gedeelte van het jaar te worden bewoond.

2.47 veehouderij

agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.

2.48 voorgevelrooilijn

de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een afstand van de weg die:
  • gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de weg, of
  • gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg, indien deze afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand.

2.49 waterhuishoudkundige voorzieningen

Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.

2.50 werk

een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.

2.51 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

Artikel 3 Toepassingsbereik.

  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie, [Broekeindsedijk 12 Oost-, West-, en Middelbeers], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0823.Broekeindsedijk12-ONTW.

3.1 Omgevingsplan gemeente Oirschot

Het omgevingsplan van de Gemeente Oirschot

3.2 Verwijzing naar verbeelding

De digitale weergave van het TAM-omgevingsplan als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0823.Broekeindsedijk12-ONTW;

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit TAM-omgevingsplan in m, m² of m³ zijn uitgedrukt voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1 tot en met 4.8.

4.1 De afstand tot de weg

De kortste afstand van een bouwwerk tot de as van de weg.

4.2 De afstand tot de zijdelingse perceelgrens

De kortste afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse grens van het bouwperceel.

4.3 Het bebouwd oppervlak van een bouwperceel

De oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.

4.4 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.5 De breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.

4.6 De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.7 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.8 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.9 Ondergrondse bouwwerken

De diepte van ondergrondse bouwwerken wordt gemeten vanaf het peil.

4.10 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.11 Peil

De gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;

4.12 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a.6 “Broekeindsedijk 12, Oost-, West- en Middelbeers”.

2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten;

Artikel 7 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden.

7.2 Functieomschrijving

 
7.2.1 Algemeen
De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. openbare nutsvoorzieningen;
  2. extensief recreatief medegebruik;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. wegen, paden en overige infrastructurele voorzieningen;
  5. tuinen en erven;
  6. landschappelijke inpassing;
  7. het behoud van de volgende landschaps-, natuur-, hydrologische- en cultuurhistorische waarden.
    1. kenmerkende landschapwaarden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - aardkundig waardevol gebied' moeten worden gehandhaafd;
    2. de hydrologische waarden in de vorm van de aanwezige oppervlakte- en grondwateren;
    3. overige cultuurhistorische waardevolle elementen en gebieden. 

7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

Binnen de als Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor gebouwen van toepassing:
7.3.1 Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak
Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend de hierna genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, waarbij de volgende bepalingen gelden:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten behoeve van afrastering van het agrarisch grondgebruik mag niet meer bedragen dan 2 m.
  2. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van recreatief medegebruik, zoals bewijzering en picknicktafels mag niet meer bedragen dan 2 m

7.4 Afwijken van de bouwregels

7.4.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde:
  1. subsubparagraaf 7.3.1 en toestaan dat warmtebuffers, CO2-installaties en windmolens worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 15 m.  
7.4.2 Afwijking tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en boomteelthekken
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in subsubparagraaf 7.3.1  teneinde tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en/of boomteelthekken buiten het bouwvlak toe te staan, met dien verstande dat:
  1. de maximale bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en boomteelthekken 2,5 m is, met uitzondering van hagelnetten, waarvan de maximale bouwhoogte maximaal 4,5 m mag bedragen;
  2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan voor de termijn dat de teelt dit vereist met een maximum van 6 maanden;
  3. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en bedrijven;
  4. het oprichten hiervan geen onevenredige effecten heeft op de natuur- en/of landschapswaarden.

7.5 Specifieke gebruiksregels

 
7.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en/of opstallen voor: 
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  2. detailhandel;
  3. het gebruik van gronden voor kampeermiddelen;
  4. het gebruik voor diverse vormen van semi - en/of niet-agrarische bedrijvigheid;
  5. voor het beproeven van of racen/crossen met motoren of voertuigen;
  6. als wedstrijd/sportterrein;
  7. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten
  8. het gebruik van gronden voor het houden van evenementen;

7.6 Afwijken van de gebruiksregels

 
7.6.1 Algemene voorwaarden voor afwijken
In het geval burgemeester en wethouders gebruik maken van de bevoegdheid tot afwijken van de gebruiksregels betrekken zij daarbij de volgende overwegingen:
  1. Er is geen sprake van een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking en het parkeren vindt plaats op eigen terrein.
  2. Er wordt geen afbreuk gedaan aan nabijgelegen omgevingswaarden.
  3. Er wordt voorzien in een landschappelijke inpassing via een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantingsplan.
  4. Er wordt geen afbreuk gedaan aan nabijgelegen woon- en werkfuncties.
  5. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
  6. Er vindt geen aantasting plaats van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur.
7.6.2 Houden van evenementen
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde subsubparagraaf 7.5.1 sub h voor het houden van evenementen op deze gronden met dien verstande dat:
  1. maximaal 4 evenementen per kalenderjaar mogen plaatsvinden;
  2. een evenement maximaal 5 aaneengesloten dagen, inclusief op- en afbouwen, mag plaatsvinden.

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Wonen.

8.2 Functieomschrijving

De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. woningen;
  2. het gebruik van de bedrijfsgebouwen voor statische opslag gedurende de tijdelijke vergunningstermijn van 10 jaar;
  3. tuinen en erven;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. het behoud van cultuurhistorische en landschappelijke waarden.

8.3 Beoordelingsregels bouwwerken

Binnen de als Wonen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor gebouwen van toepassing:
8.3.1 Algemeen
Voor het bouwen van gebouwen geldt dat de afstand van gebouwen tot de as van de weg niet minder mag bedragen dan 15 m.
8.3.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd;
  2. Een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  3. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan;
  4. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m;
  5. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;
  6. De inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m³;
  7. De afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder mag bedragen dan 5m;
  8. De dakhelling mag niet minder bedragen dan 12° en niet meer bedragen dan 45°.
8.3.3 Bouwregels
Herbouw van bestaande woningen is uitsluitend toegestaan, indien en voor zover:
  1. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de (voor zover aanwezig) bestaande fundamenten onder de voorwaarde dat er geen grotere afbreuk wordt gedaan aan of geen grotere aantasting plaatsvindt van in de directe omgeving aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden noch de belangen van de omliggende (agrarische) bedrijven onevenredig worden geschaad;
  2. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn;
  3. de bouwwijze (vrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning niet afwijkt van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning.
8.3.4 Bijbehorende bouwwerken bij woningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen, aan- en uitbouwen) bij woningen gelden de volgende bepalingen:
  1. Bijbehorende bouwwerken bij woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
  2. De afstand tot de voorgevelrooilijn mag niet minder bedragen dan 3 m.
  3. De afstand tot de woning mag niet meer bedragen dan 20 m.
  4. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4 m.
  5. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
  6. De bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 120 m².
  7. In afwijking van het bepaalde onder f mag in geval van sloop maximaal 20% van de te slopen oppervlakte als extra oppervlakte worden teruggebouwd tot een maximale totale oppervlakte van 240 m² aan bijbehorende bouwwerken.
  8. In afwijking van het bepaalde onder f mag de oppervlakte ter plaatse van de aanduiding 'maatvoering' niet meer bedragen dan aangegeven.
  9. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m.
8.3.5 Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. de bebouwing moet worden opgericht onder een woning en/of onder de bij de woning behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie, met dien verstande dat deze aan één zijde maximaal 2 m buiten het bovengrondse gevelvlak mag uitsteken;
  2. de inhoud van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan de inhoud van het gebouw waaronder de ondergrondse bebouwing wordt gebouwd;
  3. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 5 m.
8.3.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak.
  2. De bouwhoogte van erfscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 1 m.
  3. De bouwhoogte van antennes mag niet meer bedragen dan 10 m.
  4. Overkappingen: 
    1. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
    2. De bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m².
  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 4 m.

8.4 Afwijken van de bouwregels

8.4.1 Algemene voorwaarden voor afwijkingen
In het geval burgemeester en wethouders gebruik maken van de bevoegdheid tot afwijken van de gebruiksregels betrekken zij daarbij de volgende overwegingen:
  1. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van:
    1. het straat- en bebouwingsbeeld en de woonsituatie;
    2. de verkeersveiligheid en de sociale veiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
8.4.2 Algemene afwijkingen
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:
  1. het bepaalde subsubparagraaf 8.3.2 en toestaan dat de dakhelling van hoofdgebouwen wordt verkleind c.q. vergroot, mits het landelijk karakter van het gebied niet onevenredig wordt aangetast;
  2. het bepaalde subsubparagraaf 8.3.3 en toestaan dat algehele herbouw van een woning plaatsvindt buiten de bestaande funderingen onder de volgende voorwaarden:
    1. de herbouw vindt plaats op het desbetreffende perceel;
    2. de herbouw buiten de bestaande fundering is stedenbouwkundig aanvaardbaar;
    3. er wordt geen afbreuk gedaan aan, of er vindt geen aantasting plaats van, in de directe omgeving aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden;
    4. er wordt geen afbreuk gedaan aan de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en bedrijven.

8.5 Specifieke gebruiksregels

8.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval begrepen:
  1. het gebruik van een (gedeelte) van de woning of bijbehorend bouwwerk voor nevenactiviteiten;
  2. het gebruik van gronden als standplaats van kampeermiddelen;
  3. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  4. het gebruik van gronden voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  5. het gebruik van gebouwen en bouwwerken voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij het inpandige berging in ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande en vergunde gebouwen, van toercaravans, kampeerauto's, boten en vouwwagens betreft.
  6. het gebruik van gronden en bouwwerken voor het houden van evenementen.
8.5.2 Permanente bewoning
Onder strijdig gebruik met het bepaalde in subsubparagraaf 8.5.1, subsubparagraaf 8.6.2 en subsubparagraaf 8.6.3 valt het gebruik van gebouwen en kampeermiddelen voor permanente bewoning. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik voor bewoning door een huishouden langer dan 30 dagen aaneengesloten voor trekkershutten, bed & breakfast-voorzieningen, vakantiewoningen/ -appartementen en groepsaccommodaties/kampeerboerderij en langer dan 60 dagen aaneengesloten voor kleinschalig kamperen/minicamping.
8.5.3 Aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten
Voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteit gelden de volgende bepalingen: 
  1. Het is toegestaan om ruimten binnen een woning en/of bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten, mits:
    1. het gebruik overeenkomstig de hoofdfunctie blijft mogelijk;
    2. degene die de activiteiten in de woning en/of het bijbehorende bouwwerk uitvoert, tevens de bewoner is van de woning;
    3. parkeren plaatsvindt op eigen terrein;
    4. er geen detailhandel en/of groothandel ter plaatse plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de aan huis verbonden activiteit;
    5. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en van (agrarische) bedrijven;

8.6 Afwijken van de gebruiksregels

8.6.1 Algemene voorwaarden voor afwijken
In het geval burgemeester en wethouders gebruik maken van de bevoegdheid tot afwijken van de gebruiksregels betrekken zij daarbij de volgende overwegingen:
  1. Indien sprake is van een afwijking ten behoeve van een nevenactiviteit, is/blijft de nevenactiviteit ondergeschikt aan de hoofdfunctie van de bestemming.
  2. Buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten is niet toegestaan.
  3. Er is geen sprake van een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking en het parkeren vindt plaats op eigen terrein.
  4. Er wordt geen afbreuk gedaan aan nabijgelegen omgevingswaarden.
  5. Er wordt voorzien in een landschappelijke inpassing via een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantingsplan.
  6. Er wordt geen afbreuk gedaan aan nabijgelegen woon- en werkfuncties.
  7. De maximale oppervlakte aan nevenactiviteiten mag in totaal niet meer bedragen dan 240 m².
8.6.2 Bed & breakfast als nevenactiviteit
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in subsubparagraaf 8.5.1 ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijbehorend bouwwerk bij de woning voor bed & breakfast als nevenactiviteit, onder de volgende voorwaarden:
  1. de nevenactiviteit vindt plaats binnen de bestaande bebouwing;
  2. de voorzieningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing tot een maximale oppervlakte van 150 m², waarbij de maximale oppervlakte per kamer 50 m² bedraagt;
  3. het maximaal aantal personen dat logies en ontbijt kan worden geboden is 9.
8.6.3 Vakantiewoning/-appartementen als nevenactiviteit
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in subsubparagraaf 8.5.1 ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijbehorend bouwwerk bij de woning voor vakantiewoningen/-appartementen als nevenactiviteit, onder de volgende voorwaarden:
  1. de voorzieningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing of vervangende nieuwbouw tot een maximale oppervlakte van 120 m², waarbij de maximale oppervlakte per kamer 50 m² bedraagt;
  2. het maximaal aantal personen dat logies en ontbijt kan worden geboden is 9.
8.6.4 Zorgverlenende activiteiten
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in subsubparagraaf 8.5.1 ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijbehorend bouwwerk bij de woning voor zorgverlenende nevenactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 1 'Indicatieve lijst nevenfuncties en gebruiksfuncties' bij deze regels, dan wel een vergelijkbare zorgverlenende activiteit, onder de volgende voorwaarden:
  1. er is sprake van een versterking van de ruimtelijke kwaliteit door het toestaan van de activiteit;
  2. de activiteit vindt plaats binnen de bestaande bebouwingsmogelijkheden;
  3. de maximale oppervlakte voor de zorgverlenende nevenactiviteiten binnen de bestaande bebouwing of vervangende nieuwbouw bedraagt maximaal 240 m²;
  4. er wordt maximaal 200 m² aan buitenruimte ingericht.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 5

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 5.

9.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.

9.3 Beoordelingsregels bouwwerken

  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte van 2.500 m² en groter en een diepte van meer 0,5 m onder maaiveld een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
    Overlegging van een rapport is niet nodig, indien het gronden betreft waarvan verstoring blijkt uit een eerder verleende omgevingsvergunning.
  2. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.
    2. De verplichting tot het doen van opgravingen.
    3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  3. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder b genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  4. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kan het schriftelijk advies inwinnen bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, over een oppervlakte van 2.500 m² en groter:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage, dieper 0,5 m onder maaiveld;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
9.4.2 Uitzonderingen
Het in subsubparagraaf 9.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, welke:
  1. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.
  3. in het kader van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd inclusief het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige.
9.4.3 Toelaatbaarheid
  1. De in subsubparagraaf 9.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  2. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder a genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  3. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  4. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in subsubparagraaf 9.4.1 kan het advies inwinnen bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 10 Waarde - Natte natuurparel

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Natte natuurparel

10.2 Functieomschrijving

De voor Waarde - Natte natuurparel aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
  1. het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie binnen de natte natuurparels met bijbehorende beschermingszones;
  2. het verbeteren van de condities voor de natuurwaarden.

10.3 Beoordelingsregels bouwwerken

10.3.1 Algemeen
  1. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met het bepaalde in subsubparagraaf 10.3.3 sub a.
  2. Voor een toename van het verharde oppervlak groter dan 250 m² is een advies van de waterbeheerder vereist. 
10.3.2 Gebouwen
Gebouwen mogen niet worden gebouwd met uitzondering van gebouwen binnen bouwvlakken.
10.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik zijn toegestaan.
  2. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 m.

10.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 10.3 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits geen sprake is van ondergronds bouwen, geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waarden die de Natte natuurparel moet beschermen en alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend advies gevraagd wordt aan de waterbeheerder.

10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

10.5.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ontgronden, vergraven en afgraven van de gronden;
  2. het ophogen van gronden;
  3. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage;
  5. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainage of bronbemaling;
  6. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
10.5.2 Uitzonderingen
Het in subsubparagraaf 10.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. waarvan het ruimtebeslag minder is dan 250 m²;
  2. welke het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen;
  3. die op het moment van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning.
10.5.3 Toelaatbaarheid
De in subsubparagraaf 10.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 10.2 genoemde waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen.  
Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, wordt advies gevraagd aan de waterbeheerder.

Artikel 11 Waarde - Natura 2000

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Natura 2000.

11.2 Functieomschrijving

De voor Waarde - Natura 2000 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het instandhouden van de landschaps- en natuurwaarden en het voorkomen van verslechtering en verstoring van de aanwezige natuurlijke habitats.

11.3 Beoordelingsregels bouwwerken

Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet worden opgericht.

11.4 Afwijken van de bouwregels

  1. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 11.3 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits geen sprake is van (significant) nadelige effecten op de belangen die door de aanwijzing van het Natura 2000-gebied worden beschermd en, indien nodig, vergunning is verkregen op basis van de Natuurbeschermingswet.
  2. Afwijken is niet toegestaan voor de bouw van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Voor zover ingevolge de bestemmingen waarmee deze bestemming samenvalt, een omgevingsvergunning kan worden verleend, dient bij de verlening van deze omgevingsvergunning tevens de volgende voorwaarde in acht te worden genomen:
  1. de werken/werkzaamheden mogen geen (significant) nadelige effecten te hebben op de belangen die door de aanwijzing van het Natura 2000-gebied worden beschermd.
  2. werken en werkzaamheden gericht op de onttrekking van grondwater zijn niet toegestaan.

3 Algemene regels

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene bouwregels

13.1 Algemeen

13.1.1 Reclameaanduiding
Voor het bouwen van reclameaanduidingen gelden de volgende voorwaarden:
  1. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 m.
  2. De bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 1,5 m².
13.1.2 Niet-overdekte zwembaden bij een woning
Voor het bouwen van niet-overdekte zwembaden bij een woning gelden de volgende voorwaarden:
  1. De afstand achter de voorgevelrooilijn van de woning mag niet minder bedragen dan 3 m.
  2. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 5 m.

13.2 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. Situering: 
    1. De bebouwing moet worden opgericht onder een woning en/of onder de bij de woning behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie, met dien verstande dat deze aan één zijde maximaal 2 m buiten het bovengrondse gevelvlak mag uitsteken;
  2. De inhoud van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan de inhoud van het gebouw waaronder de ondergrondse bebouwing wordt gebouwd;
  3. De verticale diepte mag niet meer bedragen dan 5 m.

13.3 Afwijking maten

In die gevallen, waarin de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of perceelsgrenzen, en andere maten, in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand gekomen, op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan voor de bestaande feitelijke situatie, uitgezonderd in geval van nieuwbouw.

Artikel 14 Algemene gebruiksactiviteiten

14.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in elk geval verstaan:
  1. het gebruik van bijbehorende bouwwerken bij een woning voor bewoning;
  2. het gebruik van gronden in strijd met de op grond van dit plan geldende bestemming.
  3. de nieuwvestiging van mestbewerking, de uitbreiding van de bestaande gebruiksoppervlakte van mestbewerking en de toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte voor mestbewerking, uitgezonderd in het geval van mestbewerking van ter plaatse geproduceerde mest bij een veehouderij.

14.2 Ondergeschikte functie

Een ondergeschikte functie mag een omvang hebben van niet meer dan 30% van de vloeroppervlakte van de bebouwing, die bestemd is voor de hoofdfunctie.

14.3 Aan huis gebonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten

Het is toegestaan om ruimten binnen een woning en/of bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten, mits:
  1. het gebruik overeenkomstig de hoofdfunctie blijft mogelijk;
  2. degene die de activiteiten in de woning en/of het bijbehorende bouwwerk uitvoert, tevens de bewoner is van de woning;
  3. parkeren plaatsvindt op eigen terrein;
  4. er geen detailhandel en/of groothandel ter plaatse plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de aan huis verbonden activiteit;
  5. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en van (agrarische) bedrijven;

Artikel 15 Algemene aanduidingsregels

15.1 Overige zone - 500 meterzone Natura 2000

15.1.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - 500 meterzone Natura 2000' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het instandhouden van de landschaps- en natuurwaarden en het voorkomen van verslechtering en verstoring van de aanwezige natuurlijke habitats in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
15.1.2 Specifieke gebruiksregel
In aanvulling op het bepaalde bij de andere bestemmingen, mogen op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - 500 meterzone Natura 2000', geen grondwateronttrekkingen plaatsvinden, met uitzondering van bestaande grondwateronttrekkingen;

15.2 Overige zone - groenblauwe mantel

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gelden de volgende regels:
  1. Van toepassing is het bepaalde in Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden.

15.3 Overige zone - ecologische hoofdstructuur

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische hoofdstructuur' gelden de volgende regels:
  1. Van toepassing is het bepaalde in Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden.

15.4 Overige zone - regionale waterberging

 
15.4.1 Omschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regionale waterberging' zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud van het waterbergend vermogen van het gebied.
15.4.2 Beoordelingsregels bebouwing
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regionale waterberging' mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de waterberging en indien de bouwhoogte hiervan niet meer bedraagt dan 2 m.
 
In afwijking kan een andere bouwactiviteit of een nieuwe gebruiksactiviteit worden toegestaan, als is aangetoond dat het waterbergend vermogen van het gebied niet wordt belemmerd.
15.4.3 Afwijken van de bouwregels
In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan ter plaatse van Regionale waterberging een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:
  1. reële alternatieven voor de bouw- of gebruiksactiviteit ontbreken;
  2. vervangende maatregelen zijn opgenomen die borgen dat het waterbergend vermogen van het gebied gelijk blijft; en
  3. uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.
15.4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regionale waterberging' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden voor zover deze activiteiten niet worden uitgevoerd in het kader van normaal beheer en onderhoud.

15.5 Overige zone - reservering waterberging

15.5.1 Omschrijving
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Reservering waterberging' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.   
15.5.2 Specifieke gebruiks- of bouwactiviteit
In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, bevat een plan dat voorziet in de ontwikkeling van een gebruiks- of bouwactiviteit een onderbouwing van de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft. 
 
15.5.3 Voorwaarden
In afwijking van het tweede lid kan een plan ter plaatse van Reservering waterberging een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:
  1. reële alternatieven voor die bouw- of gebruiksactiviteit ontbreken;
  2. vervangende maatregelen zijn opgenomen die borgen dat het waterbergend vermogen van het gebied gelijk blijft; en
  3. uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.

15.6 Overige zone - aardkundig waardevol gebied

15.6.1 Omschrijving
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - aardkundig waardevol gebied' zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken.
15.6.2 Specifieke gebruiksregel
In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, houdt een plan bij de toedeling van functies en activiteiten rekening met de aanwezige aardkundige waarden en kenmerken en betrekt daarbij de mogelijkheden om die waarden te versterken.
15.6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - aardkundig waardevol gebied' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
  2. het ontgronden, vergraven, afgraven en egaliseren van gronden.
 

Artikel 16 Overige regels

16.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Indien in het kader van een vergunningplicht als opgenomen in dit Hoofdstuk 22a.6 dient te worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing, dient het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in de aanvraag en vervolgens is vergund, na de aanleg duurzaam in stand te worden gehouden.

16.2 Voorwaardelijke verplichting sloop bedrijfsgebouwen

Binnen 1 jaar na afloop van de tijdelijke vergunningstermijn van 10 jaar voor het gebruik van de bedrijfsgebouwen voor statische opslag, welke termijn is ingegaan op de datum 8 juni 2023, dient dit gebruik te worden beëindigd en de bedrijfsgebouwen als aangeduid op de tekening in bijlage 2 van deze regels te worden gesloopt. Deze na afloop van de tijdelijke vergunningstermijn te slopen overtollige bebouwing, kan niet worden ingezet als tegenprestatie voor bijvoorbeeld een vervolgactiviteit.

16.3 Voorwaardelijke verplichting bodemonderzoek

Bij de herontwikkeling van het terrein ter plaatse van de te slopen bedrijfsgebouwen als aangeduid op de tekening in bijlage 2 van deze regels, of bij het opbreken van de betonvloer aldaar, dient aanvullend onderzoek naar asbest in de onderliggende puinlaag te worden uitgevoerd.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

17.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangs- bepalingen van dat plan.

Artikel 18 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a.6 Broekeindsedijk 12, Oost-, West- en Middelbeers.