direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, herziening Bremsteeg 8-B, Oirschot
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Ter plaatse van de locatie Bremsteeg 8-B te Oirschot is de voormalige bedrijfslocatie van een klusbedrijf gelegen. Op de locatie zijn een bedrijfswoning, een bedrijfsloods ter grootte van ca. 330 m2 en een kleine schuur ter grootte van ca. 65 m2 aanwezig. Op 26 januari 2016 is het bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening Bremsteeg ongenummerd' vastgesteld, waarmee destijds de herontwikkeling en het gebruik van de bedrijfslocatie, als onderdeel van een Ruimte-voor-Ruimte traject ten behoeve van de realisatie van een woning aan de noordzijde, planologisch-juridisch werd verankerd.

Inmiddels is het klusbedrijf op de locatie beëindigd en bestaat het voornemen om het volledige perceel, conform het beoogde gebruik, her te bestemmen naar 'Wonen'. Hierbij bestaat de wens de bestaande loods ter grootte van ca. 330 m2 te behouden ten behoeve van opslag inherent aan de woonfunctie. Verder zal het schuurtje op het achterterrein worden gesloopt, wordt overtollige verharding verwijderd en wordt de bestaande landschappelijke inpassing van de locatie versterkt, waarmee het zicht vanaf de openbare weg en naastgelegen percelen op de loods zoveel als mogelijk wordt beperkt.

Gezien de aard van onderhavig planvoornemen, is in feite enkel sprake van een planologische functiewijziging, waarbij het gebruik van de bestaande bedrijfswoning als 'reguliere' woning en het gebruik van de bestaande bedrijfsloods voor opslag wordt toegestaan. In het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening Bremsteeg ongenummerd' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt de bedrijfsbestemming te wijzigen naar wonen (Artikel 4.6.1). Als wijzigingsvoorwaarde is opgenomen dat het oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer mag bedragen dan 120 m2 (240 m2 bij toepassing van een sloopregeling). Onderhavig planvoornemen ziet echter toe op het behoud van een bijgebouw ter grootte van ca. 330 m2. Daarnaast geldt dat de wens bestaat om het merendeel van het perceel (nu deels bestemd als 'Bedrijf', deels bestemd als 'Agrarisch met waarden - landschapswaarden') te herbestemmen tot 'Wonen', in plaats van enkel de gronden die nu bestemd zijn als 'Bedrijf'. Om deze reden wordt geen gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in het geldend bestemmingsplan, maar wordt het bestemmingsplan partieel herzien.

Het planvoornemen is ambtelijk afgestemd (per mail d.d. 3 maart 2021) met de gemeente Oirschot. In de reactie daarop is ambtelijk aangegeven dat in principe medewerking kan worden verleend aan de beoogde planologische functiewijziging. Voorwaarde is wel dat voorzien moet worden in landschappelijke inpassing en sprake moet zijn van een tegenprestatie/kwaliteitsbijdrage (wegbestemmen bedrijfsbestemming, verwijderen overtollige verharding en bebouwing). Deze toelichting heeft betrekking op een bestemmingsplan om de planologische functiewijziging naar 'Wonen' toe te staan, waarbij de bestaande woning en loods ter grootte van ca. 330 m2 blijven gehandhaafd. Overtollige bebouwing en verharding worden gesloopt c.q. gesaneerd en de bestaande landschappelijke inpassing van de locatie wordt versterkt. Zodoende vindt geen wezenlijke wijziging van de ruimtelijke structuur plaats en is er sprake van een kwaliteitsverbetering.

1.2 Ligging plangebied

Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oirschot, op ca. 2,2 km van de bebouwde kom. Tevens is het plangebied op ca. 1,1 km van de bebouwde kom van Spoordonk gelegen. Het plangebied is ca. 6.900 m2 groot en kadastraal bekend als gemeente Oirschot, sectie H, nummer 1347.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0001.png"

Begrenzing plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied gelden het bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening Bremsteeg ongenummerd' (vastgesteld 26 januari 2016), '2de bestuurlijke lus BG Oirschot' (vastgesteld 18 juni 2013) en 'Buitengebied, correctieve herziening' (vastgesteld 21 november 2017). Op basis van de geldende bestemmingsplannen is het plangebied gedeeltelijk bestemd als 'Bedrijf' (ca. 2.319 m2, ter plaatse van o.a. bedrijfswoning en bedrijfdsloods met bijbehorende verhardingen) en gedeeltelijk als 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' (ca. 4.581 m2, ter plaatse van omliggende gronden welk in gebruik zijn als tuin/erf). Binnen de bestemming 'Bedrijf' zijn de functieaanduidingen 'bedrijfswoning' en 'specifieke vorm van bedrijf - klusbedrijf' van toepassing. Verder geldt de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en zijn de gebiedsaanduidingen 'overige zone - bebouwingsconcentratie 1', 'overige zone - groenblauwe mantel', 'reconstructiewetzone - iv nee tenzij' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' van kracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0002.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplannen met plangebied bij rode contour

Op basis van de geldende bestemmingsplannen, is het gebruik van de binnen het plangebied aanwezige gronden voor woondoeleinden (als zelfstandige functie) niet toegestaan. Om deze reden worden de geldende bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied herzien. Hierbij wordt tevens het behoud van de aanwezige bedrijfsloods ter grootte van ca. 330 m2 ten behoeve van opslag toegestaan en de versterking van de landschappelijke inpassing als een voorwaardelijke verplichting geborgd. De gebiedsaanduidingen 'overige zone - groenblauwe mantel', 'reconstructiewetzone - iv nee tenzij' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' komen daarbij binnen de beoogde woonbestemming te vervallen omdat deze niet relevant zijn voor de woonbestemming.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 eerst een beschrijving van de ruimtelijke en functionele context, de huidige situatie en het beoogde planvoornemen van de woning binnen het plangebied gegeven. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de huidige de beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 aandacht besteed aan de verschillende omgevingsaspecten die van invloed (kunnen) zijn op de opzet en inhoud van het nieuwe bestemmingsplan, zoals milieuaspecten, water, flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie, etc. In hoofdstuk 5 wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan met betrekking tot de regels en de verbeelding beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 en 7 respectievelijk de uitvoerbaarheid aangetoond en de doorlopen procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Ruimtelijke-functionele context

Onderhavig plangebied is gelegen aan de Bremsteeg 8-B te Oirschot. De Bremsteeg is een plattelandsweg die onderdeel uitmaakt van een bebouwingsconcentratie in het buitengebied ten noordoosten van Spoordonk. De bebouwingsconcentratie kenmerkt zich door het groene landschappelijke karakter. Het landschap kan in deze omgeving gekenmerkt worden als een coulisselandschap. Dit landschap kenmerkt zich door kronkelige wegen met laanbeplanting, kleine bosjes, meanderende beeklopen en kleinschalige akkergronden. Zo meandert ten westen het beekje de Beerze door het beekdal in het landschap. De wegen, waaronder ook de Bremsteeg, hebben laanbeplanting en er zijn kleine bospercelen aanwezig. De Broekstraat en Nieuwedijk, andere straten in de omgeving, zijn van oudsher aanwezig, en bepalen de historische setting van de omgeving. De Bremsteeg sluit hier op aan.

De omgeving van onderhavig plangebied kenmerkt zich door de functies wonen en agrarisch in het buitengebied. Met de functie agrarisch wordt inbegrepen veehouderijen en akkerbouw. Het buitengebied is hier sterk aan verandering onderhevig. De functie wonen wordt steeds dominanter, waar dat voorheen voornamelijk agrarisch was. Zowel aan de overzijde als aan weerszijden van het plangebied is woonbebouwing aanwezig. Aan de achterzijde van het plangebied, aan de Nieuwedijk, is een paardenhouderij gelegen

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0003.png"

Ligging plangebied (rode contour) in wijdere omgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0004.png"

Ligging plangebied (rode contour) tussen woonbebouwing met aan achterzijde paardenhouderij

2.2 Huidige situatie

Het plangebied wordt gevormd door het perceel gelegen aan Bremsteeg 8-B te Oirschot (kadastraal bekend als gemeente Oirschot, sectie H, nummer 1347). De grootte van het perceel bedraagt ca. 6.900 m2. Op het perceel zijn een bedrijfswoning en bedrijfsloods ter grootte van 330 m2 aanwezig. De bedrijfsloods is achter de bedrijfswoning gelegen en vanaf de Bremsteeg gedeeltelijk zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0005.png"

Aanzicht (bedrijfs)woning met achterliggende bedrijfsloods vanaf Bremsteeg

Vanaf de Bremsteeg is een inrit gelegen waarmee het perceel en de bedrijfsloods toegankelijk is voor auto's. Via een afsplitsing van deze inrit is ook de (bedrijfs)woning per auto bereikbaar. Tussen de (bedrijfs)woning en (bedrijfs)loods is een voetpad aanwezig. De gronden ten noorden en oosten van de bedrijfsloods zijn grotendeels verhard. Aan de achterzijde van het terrein bevindt zich nog een kleine schuur en een poel. De randen van het perceel worden omgeven door beplanting, welke is aangebracht in het kader van de landschappelijke inpassing ten behoeve van de eerdere bestemmingswijziging (Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Bremsteeg ongenummerd). Hierbij geldt dat de beplanting van matige kwaliteit is, waardoor de beoogde kwaliteitswinst op dit moment beperkt is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0006.png"

Bovenaanzicht plangebied

2.3 Toekomstige situatie

2.3.1 Versterking landschappelijke inpassing

Dit planvoornemen ziet enkel toe op een planologische functiewijziging van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie. De bestaande bedrijfswoning blijft hierbij behouden en herbestemd tot reguliere woning. Ook de bestaande bedrijfsloods ter grootte van 330 m2 blijft behouden en zal in de toekomst worden gebruikt voor opslag inherent aan de woonfunctie. Zodoende vinden geen wijzigingen in de ruimtelijke structuur plaats. Het behoud van de bestaande loods in de huidige omvang wordt, gezien de ruime grootte van het perceel (ca. 6.900 m2), ook stedenbouwkundig inpasbaar geacht.

Het behoud van de bestaande loods is wenselijk omdat deze van recente datum is en functioneel onderdeel is van het perceel in relatie tot de woning. Het eventueel verkleinen van de loods is niet aan de orde omdat dit op bouwkundige problemen stuit. Daarnaast is gezien de omvang van het perceel (ongeveer 6.900 m2) in relatie tot de aanwezige bebouwing (woning en loods: ongeveer 590 m2) het bebouwingspercentage beperkt (< 10%). Tevens zijn er in de directe omgeving aan de Bremsteeg vergelijkbare situaties waarbij sprake is van een dergelijke situatie waarbij de 'bijgebouwen' (voormalige agrarische bebouwing) een relatief groot oppervlak hebben binnen een woonbestemming vanuit het verleden.

Verder heeft deze loods een functie voor opslag inherent aan de woonbestemming en in relatie tot de omvang van het perceel voor de stalling van de auto's (2 stuks), aanhanger, caravan, traktor, zitmaaier, hooiopslag e.d.). Dit is meer dan bij een regulier woonperceel van kleiner omvang. Het is wenselijk dat dit soort zaken binnen gestald kunnen worden om daarmee ook verrommeling op het perceel te voorkomen.

In het kader van de eerdere bestemmingswijziging (Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Bremsteeg ongenummerd, d.d. 26 januari 2016) is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze landschappelijke inpassing bestond uit de volgende onderdelen:

  • Bomenrij met knotwilgen aan de noordzijde van het perceel.
  • Solitaire bomen (wilgen) in de noord-oost hoek van het perceel.
  • Houtwal met gemengde aanplant aan de oost- en zuidzijde van het perceel met daarin opgaande beplanting.
  • Beukenhaag (1,50 m hoog) aan de zijdzijde van het perceel.
  • Grasland.
  • Natuurvijver met oeverbeplating in de noord-oosthoek van het perceel.

Deze bestaande langdschappelijke inpassing wordt ook in de nieuwe situatie behouden en vormt de basis c.q. uitgangspunt voor de nieuwe (aanvullende) landschappelijke inpassing voor onderhavige bestemmingswijziging.

Middels de houtwal werd de te behouden (bedrijfs)loods ten dele uit het uitzicht wordt ontrokken. In de huidige situatie blijkt dat de houtwal op sommige delen incompleet is. Hierdoor is het zicht vanaf het omliggende landschap op de (bedrijfs)loods niet meer beperkt. Onderdeel van dit planvoornemen is dan ook om de landschappelijke inpassing te herstellen c.q. versterken, om zo de loods uit het zicht te onttrekken (zoals oorspronkelijk bedoeld). Daarnaast worden de bestaande haagstructuren versterkt en worden sier- en fruitbomen op het achterterrein aangeplant. Overtollige bebouwing (zijnde een schuur ter grootte van ca. 65 m2) wordt gesloopt en overtollige verharding rondom de schuur wordt verwijderd (netto ongeveer 550 m2). In plaats hiervan wordt een gazon ingezaaid. Tot slot wordt de bestaande poel vergroot. Onderstaande figuren geven de huidige en toekomstige situatie ten aanzien van de landschappelijke inpassing van de locatie weer. De uitvoering en instandhouding van de landschappelijke inpassing is als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen, waarmee de inpassing van de locatie planologisch-juridisch geborgd is.

Concreet houdt dit in dat de bestaande landschappelijke inpassing behouden blijft en de nieuwe landschappelijk inpassing hierop een aanvulling c.q. versterking is. De 'nieuwe' landschappelijke inpassing gaat dus niet ten koste van de 'bestaande landschappelijke inpassing. Beide landschappelijke inpassingen zullen tegelijkertijd op het perceel aanwezig zijn en in stand worden gehouden. Dit wordt planologisch-juridisch gewaarborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting voor zowel de bestaande als de nieuwe landschappelijke inpassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0007.png"

Schematische weergave huidige situatie (zie ook Bijlage 1)

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0008.png"

Schematische weergave toekomstige situatie, inclusief bestaande landschappelijke inpassing (zie ook Bijlage 1 )

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0009.png"

Schematische weergave te slopen overtollige bebouwing en verharding, en nieuwe verharding (zie ook Bijlage 1)

2.3.2 Verkeer en parkeren

Verkeer

De herbestemming van de voormalige bedrijfslocatie naar 'Wonen' leidt ten opzichte van de huidige situatie tot een afname in het aantal verkeersbewegingen. In de huidige situatie is namelijk sprake van een bedrijfslocatie voor een klusbedrijf in combinatie met een bedrijfswoning. De verkeersgeneratie ten gevolge van de voormalige bedrijfslocatie voor het klusbedrijf komt in de toekomst te vervallen. Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie is sprake van een verkeersgeneratie ten gevolge van de (bedrijfs)woning. Er wordt geen onderscheid gemaakt in de verkeersgeneratie ten gevolge van een bedrijfswoning en een reguliere woning. Ten aanzien van de woonfunctie blijft de verkeersgeneratie daarom ongewijzigd.

Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat de verkeersgeneratie ten gevolge van het planvoornemen afneemt. De bestaande inrit vanaf de Bremsteeg blijft gehandhaafd, waardoor er geen wijzigingen in de verkeersituatie ter plaatse plaatsvinden. Er worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de verkeersafwikkeling.

Parkeren

Ten aanzien van het parkeren geldt dat dit in de huidige situatie probleemloos plaatsvindt op de inrit bij de bedrijfswoning en bij de bedrijfsloods. Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie is sprake van een parkeerbehoefte ten gevolge van de (bedrijfs)woning. Er wordt geen onderscheid gemaakt in de verkeersgeneratie ten gevolge van een bedrijfswoning en een reguliere woning. Ten aanzien van de woonfunctie blijft de parkeerbehoefte (2 paarkeerplaatsen) daarom ongewijzigd. Deze situatie blijft met het plan ongewijzigd en er is binnen het plangebied voldoende ruimte om op eigen terrein in de noodzakelijke parkeerplaatsen te kunnen voorzien. Verder geldt dat de parkeerbehoefte ten gevolge van het voormalige klusbedrijf komt te vervallen.

Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat de parkeerbehoefte ten gevolge van het planvoornemen afneemt. Het parkeren wordt, net als in de huidige situatie, opgelost op eigen terrein. Er worden geen belemmeringen ten aanzien van het aspect 'Parkeren' verwacht.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De nationale omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het rijk opgesteld in het kader van de nieuwe omgevingswet, die per 1 januari 2023 in werking treedt. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:

  • 1. Ruimte voor klimaat adaptatie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstigbestendige ontwikkelinge van het landelijk gebied.

Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. Het planvoornemen vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave'.

Gevolg planvoornemen

Dit planvoornemen heeft enkel betrekking op een planologische functiewijziging waarbij een bedrijfswoning behorend bij een voormalig klusbedrijf wordt herbestemd tot reguliere woning. De voormalige bedrijfsloods van het klusbedrijf ter grootte van ca. 330 m2 blijft behouden ten behoeve van opslag. Er vinden hierbij geen wijzigingen in de ruimtelijke structuur plaats. Het planvoornemen betreft enkel een bestemmingswijzing, is zeer kleinschalig en niet in strijd met de doelstellingen van de NOVI.

3.1.2 Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening

Het Barro en Rarro voorzien in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb. 2012, nr. 388):

  • 1. Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • 2. Kustfundament;
  • 3. Grote rivieren;
  • 4. Waddenzee en Waddengebied;
  • 5. Defensie;
  • 6. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
  • 7. Rijksvaarwegen
  • 8. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • 9. Natuurnetwerk Nederland;
  • 10. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • 11. IJsselmeergebied;
  • 12. Electriciteitsvoorziening;
  • 13. Algemene overige bepalingen;
  • 14. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • 15. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan

Gevolg planvoornemen

Het plangebied is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het Rijk een nationaal belang heeft aangewezen. Derhalve leiden het Barro en de Rarro niet tot beperkingen voor voorliggend plan.

3.1.3 Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening dienen overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren (Ladder-onderbouwing). Per 1 juli 2017 zijn de 3 treden van de Ladder losgelaten en geldt dat de toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor de aanvraag omgevingsvergunning die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaande stedelijk gebied, een motivatie waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Zoals gezegd is de Ladder-onderbouwing verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de Ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.

In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Zo wordt een ontwikkeling tot 11 woningen niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921).

Gevolg planvoornemen

Het planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van een woning. De bestaande (voormalige) bedrijfswoning wordt namelijk herbestemd tot reguliere woning. Tevens komt hiermee de bedrijfsbestemming te vervallen. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, toetsing aan de Ladder is niet aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie 'De Kwaliteit van Brabant'

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil laten zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

Gevolg planvoornemen

Dit planvoornemen ziet toe op het duurzaam hergebruik van een voormalige bedrijfslocatie als woonlocatie. Overtollige bebouwing (schuur ter grootte van ca. 65 m2) en erfverharding worden in dit kader gesloopt c.q. gesaneerd en de bestaande landschappelijke inpassing van de locatie wordt versterkt. Het planvoornemen leidt niet tot een wijziging in de ruimtelijke structuur of een meer intensief gebruik van de locatie. Het planvoornemen betreft enkel een bestemmingswijziging, is kleinschalig van aard en niet in strijd met de provinciale ambities.

3.2.2 Interim omgevingsverordening

Provinciale Staten hebben op 29 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening vastgesteld (geconsolideerde versie d.d. 1 maart 2020). De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

De Interim omgevingsverordening vervangt een aantal provinciale verordeningen:

  • provinciale milieuverordening
  • verordenring natuurbescherming
  • verordening ontgrondingen
  • verordening ruimte
  • verordening water
  • verordening wegen

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de Omgevingsvisie. De beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er in het geheel geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt.

Belangrijke uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie zijn verwerkt. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit door bijvoorbeeld sanering van leegstaand vastgoed elders. De nadruk op omgevingskwaliteit komt ook tot uitdrukking bij de kwalitatieve benadering voor hergebruik van leegstaand vastgoed in het landelijk gebied en duurzame verstedelijking.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0010.png"

Uitsnede Interim verordening met plangebied bij rode contour

Landelijk gebied - Groenblauwe mantel

Het plangebied is gelegen in het Landelijk gebied, meer specifiek 'Groenblauwe mantel'. Op basis van artikel 3.68 geldt dat een bestemmingsplan van toepassing op het Landelijk gebied alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen toestaat. Verder geldt op basis van artikel 3.32 dat een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.

Gevolg planvoornemen

Dit planvoornemen ziet toe op het behoud van een bestaande (voormalige) bedrijfswoning als reguliere woning. Er is zodoende geen sprake van een toevoeging van een woning: enkel van planologische functiewijziging. Als onderdeel van de planologische functiewijziging wordt het bedrijf op de locatie beëindigd en wordt de bestemming 'Bedrijf' gewijzigd naar 'Wonen' (middels deze bestemmingsplanherziening), waardoor ook in de toekomst geen nieuw (solitair) bedrijf is toegestaan. De bestaande bedrijfsloods blijft behouden ten behoeve van opslag inherent aan de woonfunctie. Het toekomstig gebruik van de loods wordt hiermee minder intensief dan in de huidige situatie het geval is in verband met het klusbedrijf.

Ten gevolge van het planvoornemen vinden geen wijzigingen in de bebouwde structuur plaats, afgezien van het feit dat een opslagschuurtje wordt gesloopt en overtollige erfverharding wordt verwijderd. Daarnaast geldt dat middels een versterking van de bestaande landschappelijke inpassing een extra kwaliteitswinst wordt gerealiseerd (zie ook 2.3.1).

Het plangebied is verder niet in een beschermd natuur-, stilte- of milieugebied gelegen. Geconcludeerd wordt dat het plan passend is binnen de kaders van de Interim omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Oirschot

Op 26 september 2017 is de 'Omgevingsvisie Oirschot' vastgesteld. De omgevingsvisie richt zich op de ontwikkeling van de gemeente Oirschot. Het beleid voor de toekomst van Oirschot is vastgelegd in acht thema’s en vijf gebieden. De thema’s en gebieden en de wijze waarop Oirschot hieraan sturing wil geven, zeggen niet alleen iets over inhoud en rolverdeling, maar ook veel over de identiteit van Oirschot. De acht thema's betreffen:

  • 1. Natuur, landschap & cultuurhistorie;
  • 2. Landbouw;
  • 3. Recreatie;
  • 4. Gezonde woon- en leefomgeving;
  • 5. Economie en werkgelegenheid;
  • 6. Energie, klimaat en milieu;
  • 7. Mobiliteit en bereikbaarheid;
  • 8. Basis voorzieningen.

Natuur, landschap en cultuurhistorie:

In het kader van het thema natuur, landschap en cultuurhistorie is het plangebied gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'jonge heideontginningen'. Een aantal decennia geleden werd deze omgeving gekarakteriseerd door houtsingels en kleine weides, afwisselend met heidegronden. In de huidige situatie is van het kleinschalige karakter nog steeds, wel in mindere mate, sprake. Tevens zijn vele sporen uit de historische setting van een aantal decennia terug zichtbaar in het landschap. Het huidige landschap is te betitelen als een coulisselandschap. De akkers zijn klein van aard, waarbij bebouwing aan de randen plaats vindt.

Gezonde woon- en leefomgeving:

Vanuit het thema gezonde woon- en leefomgeving is het plangebied eveneens niet in een gebied met een nadere specificatie gelegen. Het planvoornemen heeft betrekking op het hergebruik van een bestaande bedrijfswoning als reguliere woning.

Gevolg planvoornemen

Onderhavig planvoornemen heeft enkel betrekking op een planologische functiewijziging, deze zal de structuur van het landschap waarin het is gelegen niet beïnvloeden. Er vindt enkel een versterking van de bestaande landschapelementen plaats door middel van een versterking van de landschappelijke inpassing van de locatie (zie ook 2.3.1). Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten voor het thema natuur, landschap en cultuurhistorie.

In verband met de huidige bedrijfswoning is reeds afgewogen dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat c.q. gezonde woon- en leefomgeving. Daarbij geldt dat het bestaande klusbedrijf op de locatie wordt beëindigd, waarmee eventuele hinder voor de omgeving ter plaatse wordt beëindigd. In Hoofdstuk 4 wordt nader onderbouwd dat het woon- en leefklimaat bij dit bestemmingsplan gewaarborgd is.

3.3.2 Landschapsinvesteringsregeling De Kempen

In de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant zijn regels vastgesteld die de belangen van de provincie bij ruimtelijke ontwikkeling moeten beschermen. In artikel 3.2 van de Verordening Ruimte wordt verplicht gesteld dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied bij moeten dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Dit is de landschapsinvesteringsregeling en is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend.

De Kempen-gemeenten (waar de gemeente Oirschot onderdeel van uitmaakt) heeft in de notitie 'Landschapsinvesteringsregeling De Kempen' (hierna: LIR) concreet gemaakt hoe de uniforme aanpak eruit ziet. Op basis van de LIR is categorie 3 (ruimtelijke ontwikkelingen waarbij een investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt verlangd) aan de orde vanwege de waarde stijging die het perceel ondergaat. Het gaat hierbij om omzetting van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming met de volgende rekentabel.

Functie 1 (bestaand)   Oppervlak/m2   Waarde/m2   Totaal  
Bedrijfsbestemming inclusief bouwvlak en bedrijfswoning tot 1.000 m2   1.000   € 160,00   € 160.000,00  
Bedrijfsbestemming inclusief bouwvlak en bedrijfswoning > 1.000 m2   1.713   € 80,00   € 137.040,00  
Agrarisch onbebouwd   4.198   € 5,00   € 20.990,00  
Subtotaal   6.911     € 318.030,00  
       
Functie 2 (nieuw)        
Wonen inclusief bouwvlak tot 1.000 m2   1.000   € 270,00   € 270.000,00  
Wonen inclusief bouwvlak > 1.000 m2   1.713   € 60,00   € 102.780,00  
Wonen exclusief bouwvlak (voortuin)   1.338   € 60,00   € 80.280,00  
Agrarisch onbebouwd   2.860   € 5,00   € 14.300,00  
Subtotaal   6.911     € 467.360,00  
       
Waardevermeerdering       € 149.330,00  
Bijdrage LIR       € 29.866  

De kosten voor de landschappelijke inpassing in combinatie met het verwijderen van de verharding en sloop bouwwerk worden geraamd op:

  • Grondwerk en voorbereiding € 19.000,--
  • Bestrating € 17.500,--
  • Vergroting van de natuurvijver € 8.500,--
  • Fruittuin € 2.500,--
  • Beukenhaag € 3.900,--
  • Gazon € 4.000,--
  • Totaal € 55.400,00 (zie Bijlage 2).

Dit betekent dat er in het kader van de LIR geen verdere bijdrage hoeft te worden geleverd.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

Milieuaspecten mogen niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van een ontwikkeling. Het is van belang dat onderhavige ontwikkeling plaats vindt binnen een goed woon- en leefklimaat en dat de verandering niet leidt tot onevenredige (milieukundige) gevolgen voor bestaande waarden en functies. Dit hoofdstuk gaat hier nader op in.

4.1 Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.

Binnen het plangebied is in de huidige situatie sprake van o.a. een bedrijfswoning en bedrijfsloods. De bedrijfsloods is enkel in gebruik geweest voor de exploitatie van een klusbedrijf. Gezien het voormalige gebruik is er vanuit historisch oogpunt geen aanleiding om te verwachten dat de bodem ter plekke verontreinigd is. Daarnaast geldt dat de bedrijfswoning enkel in gebruik is geweest voor woondoeleinden. Dit gebruik zal met dit planvoornemen worden voortgezet. Hiermee is geen sprake van verzwaring van milieugevoeligheid van de functie.

Op basis van een verkennend bodemonderzoek conform de strategie onverdacht uit de NEN5740, uitgevoerd door Archimil BV (rapportnr. C216993.008.R1/PHE, d.d. 26 mei 2021, zie ook Bijlage 3), wordt de hypothese niet-verdachte locatie voor de ondergrond aangenomen. Voor de bovengrond dient de hypothese formeel te worden verworpen. In de bovengrond zijn namelijk lichte verontreiniging met minerale olie en PCB's aangetroffen. De lichte verontreinigingen met minerale olie en PCB's in de bovengrond vormen echter geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek conform de Circulaire Bodemsanering. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen restricties gesteld hoeven te worden aan de gewenste bestemmingswijziging van het plangebied. Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2 Geluid

Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (aanpassing weg) mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.

Op dit moment zijn ter plaatse van Bremsteeg 8-B o.a. een bedrijfswoning en een bedrijfsloods aanwezig. De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning wordt in het kader van de Wet geluidhinder als reguliere woning aangemerkt en betreft een geluidgevoelig object. Gezien het feit dat in de huidige situatie reeds sprake is van een geluidgevoelig object, leidt de voorgenomen bestemmingswijziging naar 'Wonen' en het gedeeltelijk behouden van de agrarische bestemming niet tot het oprichten van een nieuw geluidgevoelig object. Ook geldt dat in het kader van de bedrijfswoning reeds is beoordeeld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geluid. Verder geldt dat de bedrijfsloods die in gebruik zal worden genomen als opslagruimte inherent aan de woonfunctie, geen geluidsgevoelig object is in het kader van de Wet geluidhinder.

Conclusie

Dit planvoornemen voorziet niet in de oprichting van een nieuw geluidgevoelig object of de toevoeging van een object dat geluidhinder voor de omgeving veroorzaakt. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.3 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

NIBM

Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Conclusie

Onderhavige ontwikkeling voorziet in een functiewijziging van een bedrijfslocatie naar woonlocatie. De bestaande bedrijfswoning wordt hergebruikt als 'reguliere' woning en de verkeersbewegingen ten gevolge van het voormalige klusbedrijf komen te vervallen. Per saldo neemt het aantal verkeersbewegingen in en rondom het plangebied af. Het planvoornemen wordt dan ook aangemerkt als NIBM en leidt niet tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Verder geldt dat in het kader van de bestaande bedrijfswoning reeds is beoordeeld dat de luchtkwaliteit ter plaatse een goed woon- en leefklimaat niet in de weg staat. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering vormt voor dit planvoornemen.

4.4 Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector).

In de huidige situatie is reeds een geurgevoelig object binnen het plangebied aanwezig, namelijk de bedrijfswoning. De bestemmingswijziging naar 'Wonen' leidt derhalve niet tot het oprichten van een nieuw geurgevoelig object. Er is reeds beoordeeld dat voor de bedrijfswoning ter plekke van Bremsteeg 8-B aan de richtafstanden voor geur wordt voldaan en er ten aanzien van geur sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit blijft met het planvoornemen onveranderd.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ten oosten van het plangebied een paardenhouderij is gelegen. Op grond van de Wgv dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

De afstand van de paardenhouderij tot aan de te behouden woning bedraagt ca. 110 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de vaste afstand voldaan. De binnen het plangebied aanwezige bedrijfsloods zal worden hergebruikt als opslagruimte inherent aan de woonfunctie. Het betreft geen geurgevoelig object. Ook leidt het planvoornemen niet tot geuroverlast op omliggende gevoelige functies (zie ook 4.6).

Voor de realisatie van ruimte-voor-ruimte woningen aan de Bremsteeg 8b te Oirschot is 14 januari 2010 het rapport ‘Omgekeerde werking en leefklimaat’ in het kader van de Wgv opgesteld door SRE Milieudienst. In dit rapport wordt uitgegaan van een situatie waarbij twee ruimte-voor-ruimte gebouwd gaan worden. In onderhavige situatie, zoals beschreven in voorliggende toelichting, betreft de bouw van één ruimte-voor-ruimte woning. De locatie van de woningen zoals opgenomen in het rapport ‘Omgekeerde werking en leefklimaat’ uit 2010 is in de huidige situatie ongewijzigd. De gegevens zijn qua verstreken tijd gedateerd, maar qua inhoud echter niet. Het rapport is derhalve ook representatief voor onderhavige situatie..

In het rapport worden de volgende conclusies weergegeven:

  • 1. De geurcontouren en vaste afstanden liggen niet over de woningen. Met andere woorden, bij realisatie van de ruimte voor ruimte woningen worden de belangen an de omliggende veehouderijen niet geschaad.
  • 2. De voor- en achtergrondbelasting op de woningen in de huidige situatie is acceptabel. De berekende achtergrondbelasting in de toekomstige situatie is hoog. Dit betreft echter een worst-case situatie die zich in werkelijkheid niet zal voordoen. Bovendien is het maar de vraag in hoeverre rekening moet worden gehouden met een theoretische toekomstige situatie. Op grond van de huidige situatie kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.”

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd ter plaatse van onderhavig plangebied omdat de woning onderdeel is van hetzelfde 'gebied'.

Dit wordt bevestigd door de kaart achtergrondbelasting geur van de atlas Odzob. Hieruit blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving redelijk goed is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0011.png"

Kaart achtergrondbelasting geur (atlast Odzob)

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.5 Gezondheid

Op basis van de atlas Odzob kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van mogelijke aantasting van de gezondheid. Zowel agrarische bedrijven met endotoxinen contouren als geitenhouderijen zijn op voldoende afstand gelegen.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies en gevoelige functies op een verantwoorde afstand van elkaar gesitueerd worden. Dit dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
  • 2. het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient derhalve rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven, om de kwaliteit van het leefmilieu te garanderen en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde handreiking Bedrijven en milieuzonering. Hierin wordt per bedrijf aangegeven wat de milieu-invloed op de omgeving is en welke indicatieve afstand hierbij minimaal in acht moet worden genomen. Van deze indicatieve afstand kan worden afgeweken indien op basis van een onderzoek de daadwerkelijke afstand kan worden bepaald. Daarnaast geldt voor inrichtingen waar dieren worden gehuisvest geurspecifieke regelgeving, waarin milieuafstanden zijn bepaald.

Gevolg planvoornemen

Voorgenomen planologische functiewijziging naar 'Wonen' leidt niet tot het oprichten van een nieuw milieugevoelig object: binnen het plangebied is reeds een gevoelige functie in de vorm van een bedrijfswoning aanwezig. Ten behoeve van de bestaande bedrijfswoning is reeds beoordeeld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast geldt dat ten gevolge van de bestemmingswijziging geen sprake is van belemmering van omliggende bedrijven in hun bedrijfsontwikkeling: deze is reeds beperkt door de bestaande milieugevoelige bedrijfswoning dan wel andere woningen die op korter afstand zijn gelegen.

Omgekeerd geldt dat het planvoornemen niet leidt tot hinder op omliggende gevoelige functies. Het bestaande klusbedrijf wordt namelijk beëindigd, waarmee sprake is van beëindiging van een hinderveroorzakende functie. De bedrijfsloods wordt in de toekomst gebruikt als opslag inherent aan de woonfunctie. Dit zal niet leiden tot overlast ten aanzien van geur, geluid, stof en gevaar op de directe omgeving.

Op ongeveer 190 meter is een bedrijfsbestemming (dierenpension) gelegen. Dit betreft een bedrijf in milieucaterorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter (geluid). Aangezien de afstand meer is dan 100 meter is er geen sprake van belemmering. Omgekeerd vormt de woning geen belemmering voor dit bedrijf omdat andere woningen reeds op kortere afstand zijn gelegen.

Verder is aan de achterzijde van het plangebied een paardenhouderij gelegen. Hiervoor geldt milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter. De afstand tussen de buitenste grens van de paardenhouderij (bouwvlak) en de woning bedraagt meer dan 50 meter. Ook hiervoor geldt dat de woning geen belemmering is voor de paardenhouderij gezien de ligging van andere woningen op kortere afstand.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen herbestemming, waarbij de bestaande bedrijfswoning wordt bestemd tot 'reguliere' woning en het hergebruik van de bedrijfsloods ten behoeve van opslag, inherent aan de woonfunctie, mogelijk wordt gemaakt, niet leidt tot nadelige milieueffecten op omliggende functies en er geen bedrijven in hun duurzame bedrijfsvoering worden geschaad. Op grond van voorgaande wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Het voornemen bestaat uit de planologische functiewijziging van 'Bedrijf' en 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' naar 'Wonen' en het gedeeltelijk behouden van de agrarische bestemming. De bestaande bedrijfswoning en de bestaande bedrijfsloods zullen in de nieuwe situatie als reguliere woning en opslagruimte inherent aan de woonfunctie worden gebruikt. Daarmee worden geen nieuwe kwetsbare objecten binnen het plangebied toegevoegd. Daarnaast geldt dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen en relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is gelegen. Op een afstand van ca. 750 meter ten noorden van het plangebied zijn twee gasleidingen gelegen en op een afstand van ca. 875 meter ten noorden van het plangebied is nog een gasleiding aanwezig. Het plangebied is buiten het invloedsgebied van deze buisleidingen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0012.png"

Uitsnede Risicokaart met plangebied bij paarse contour

Conclusie

Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron. In de nabije omgeving zijn geen risicobronnen aanwezig. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.8 Ecologie

In deze paragraaf wordt toegelicht of wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Dit wordt gedaan aan de hand van de bespreking van bescherming van gebieden en de bescherming van soorten.

4.8.1 Gebiedsbescherming

Het plangebied is gelegen buiten Natura 2000-gebieden. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is 'Kampina & Oisterwijkse Vennen' op ca. 2 kilometer afstand. Verder is 'Kempenland-West' op ca. 6 kilometer afstand. gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0013.png"

Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (bron: AERIUS)

Wegens de grote afstand van Natura 2000-gebieden tot het plangebied en de kleinschaligheid van de aard van het planvoornemen, zijn negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Dit geldt ook voor het aspect stikstof. Voor de beoordeling van het aspect stikstof geldt in onderhavig geval dat enkel sprake is van een nieuw gebruik van de locatie en niet van een bouwplan. Het nieuwe gebruik van de locatie leidt tot een wijziging in de verkeersgeneratie ten opzichte van het huidige gebruik: het aantal verkeersbewegingen neemt af (zie ook 2.3.2). Gezien er in de nieuwe situatie minder stikstofemissies ten gevolge van het wegverkeer aan de orde zijn ten opzichte van de huidige situatie, wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het plan kan doorgang vinden zonder vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect gebiedsbescherming geen belemmering oplevert voor onderhavig planvoornemen.

4.8.2 Beschermde soorten

De Wet natuurbescherming vormt het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en/of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten. Ten allen tijde geldt dat de algemene zorgplicht van toepassing is. Dit houdt in, dat handelingen die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora en fauna, achterwege moet blijven.

Onderhavig planvoornemen heeft enkel betrekking op een planologische functiewijziging van 'Bedrijf' en 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' naar 'Wonen' en het gedeeltelijk behouden van de agrarische bestemming ten behoeve van woondoeleinden en opslag inherent aan de woonfuncties. De bestaande bebouwing, zijnde de bedrijfswoning en de loods, blijven met het plan behouden. Negatieve gevolgen voor beschermde soorten ten gevolge van het planvoornemen kunnen derhalve worden uitgesloten. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.9 Waterparagraaf

4.9.1 Algemeen

De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening wordt gehouden met eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt.

Met het oog op de verwachte toename van de neerslag, veranderend landgebruik, de bodemdaling en de zeespiegelstijging wordt het belang om snel te zoeken naar oplossingen voor de waterproblematiek benadrukt. De oplossingen liggen in de lijn van de drietrapsstrategie “vasthouden-bergen-afvoeren” (watertrits).

Bij alle bouwplannen dient gestreefd te worden naar een scheiding van vuil water en (schoon) regenwater (afkoppeling). Bij de inrichting, het bouwen en het beheer worden zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Bij een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) dient het overtollige water overeenkomstig de hierboven genoemde watertrits te worden gehanteerd (stand-still beginsel).

4.9.2 Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebieds-beheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's.

  • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;
  • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;
  • Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

De belangrijkste relevantie uitdagingen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen betreffen:

  • voldoende water voor landbouw en natuur;
  • wateroverlast en hittestress;
  • vergroten waterbewustzijn.
4.9.3 Brabant Keur

Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. Deze keur is in samenwerking tussen de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel tot stand gekomen, waardoor nu sprake is van een uniforme Keur. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. Daarnaast zijn in de Keur tevens regels opgenomen ten aanzien van de versnelde afvoer van neerslag van verhard oppervlak middels een verbodsbepaling, algemene en beleidsregels.

4.9.4 (Verbreed) gemeentelijk rioleringsplan (VGRP)

In het (Verbreed) gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) staat hoe de gemeente Oirschot haar gemeentelijke watertaken gaat uitvoeren. Deze taken zijn wettelijk vastgelegd en hebben betrekking op het afvalwater, grondwater en hemelwater in de gemeente. Het VGRP beschrijft het beleid, de ambities en de te nemen maatregelen voor de aankomende periode (meestal 4 of 5 jaar). Daarnaast bevat het VGRP de onderbouwing van de gemeentelijke rioolheffing.

De belangrijkste beleidsuitgangspunten voor het onderhavige plan luiden als volgt:

  • (grond-)waterneutraal bouwen: niet aankoppelen of toekomstige afkoppeling niet frustreren;
  • hemelwater behandelen volgens de watertrits; hergebruiken, infiltreren, bergen, afvoeren;
  • gebruik van duurzame, niet uitlogende bouwmaterialen;
  • aansluiting van droogweerafvoer (DWA) op het riool.

Een genoemde belangrijke maatregel is het afkoppelen van hemelwater van gemengde rioolbuizen. Het hemelwater komt dan niet bij het afvalwater terecht en ook niet bij de zuivering. In plaats daarvan wordt het naar het oppervlaktewater of in de grond (door middel van een wadi) gebracht. Minder hemelwater in het gemengde rioolstelsel betekent minder vervuilende overstortende op het oppervlaktewater. In de afgelopen planperiode is jaarlijks verhard oppervlak afgekoppeld. Bij ieder nieuw gebouw of grootschalige reconstructie van een gebouw wordt verlangd dat de eigenaar het hemelwater en het afvalwater gescheiden aanlevert als hier mogelijkheden toe zijn.

4.9.5 Gevolg ontwikkeling

Onderhavig planvoornemen heeft enkel betrekking op de planologische functiewijziging van 'Bedrijf' en 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' naar 'Wonen' en het gedeeltelijk behouden van de agrarische bestemming . De bestaande woning en bedrijfsloods blijven behouden. Overtollige verharding en bebouwing (incl. een klein schuurtje) worden verwijderd c.q. gesloopt. Er zijn geen negatieve effecten ten aanzien van de waterhuishouding te verwachten.

Het planvoornemen betreft een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarbij de afvoer van regenwater binnen de locatie en de afvoer van afvalwater (via riool) niet veranderen. Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.9.6 Advies waterschap

Onderhavig bestemmingsplan is voor advies voorgelegd aan het waterschap. Op 28 april 2022 heeft het waterschap aangegeven in te kunnen stemmen met het bestemmingsplan.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie

4.10.1 Archeologie

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.

De op 1 juli 2016 in werking getreden Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 deels vervangen als het gaat om archeologie. In de Erfgoedwet is vastgelegd wat onder cultureel erfgoed (waar archeologie onder valt) wordt verstaan. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet. Voor een aantal onderdelen (onder andere bestemmingsplannen) is voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen.

Het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4'. Deze dubbelbestemming wordt in onderhavig plan overgenomen. Volgens het archeologisch beleid van de gemeente is bij een bodemverstorende activiteit met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld, een archeologisch onderzoek verplicht om het bodemarchief veilig te stellen.

Conclusie

Onderhavig planvoornemen voorziet niet in bodemverstorende activiteiten groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Een nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Gelet op vorenstaande geldt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.10.2 Cultuurhistorie

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Bro (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0823.BPSPBREMSTEEG8B-VAST_0014.png"

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Brabant met plangebied bij paarse ster

Het plangebied is in een cultuurhistorisch landschap gelegen. Het betreft het gebied dat is aangemerkt als Het Groene Woud. In dit gebied biedt de provincie ruimte voor menging van verschillende functies, waarbij de functies zich in evenwicht met elkaar kunnen ontwikkelen. Daarnaast staat behoud van het kleinschalig karakter van het landschap centraal. Verder geldt dat zich binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen bevinden.

Conclusie

De aanwezige woning en loods zijn in 2008 gerealiseerd en bevatten geen cultuurhistorische waarden. De voorgenomen ontwikkeling is kleinschalig van aard en voorziet enkel in het hergebruik van aanwerzige bebouwing ten behoeve van wonen en opslag inherent aan de woonfunctie. De ontwikkeling leidt niet tot aanpassingen in de structuur van het landschap. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een aantasting van het cultuurhistorisch landschap.

Gelet op vorenstaande geldt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.11 Milieueffectrapportage

Beoordeeld moet worden of het planvoornemen kan leiden tot het opstellen van een milieueffectrapport (MER). Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit mer lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben (C-lijst) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (D-lijst). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.

Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De criteria als bedoeld betreffen:

  • de kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie);
  • de plaats waar de activiteit wordt verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie tot de kwetsbaarheid van de omgeving);
  • de kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid).

Op basis van onderhavig Hoofdstuk 4 (paragraaf 4.1 tot en met 4.12) van deze toelichting kan worden geconcludeerd dat er geen belangrijke negatieve milieueffecten te verwachten zijn die een volwaardige project m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. In het licht van het voorgaande leidt de conclusie derhalve dat voor de bestemmingswijziging van een voormalige bedrijfswoning naar een reguliere woning géén milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

5.2 Uitgangspunten

5.2.1 Wettelijk kader

Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan.

5.2.2 Planonderdelen

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast.

Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het vigerende bestemmingsplan. De gebiedsaanduidingen 'overige zone - groenblauwe mantel', 'reconstructiewetzone - iv nee tenzij' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied', uit het vigerende bestemmingsplan, zijn hierbij gehandhaafd voor het deel dat zijn agrarische bestemming behoud. Voor de woonbestemming komen deze te vervallen.

De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

5.3 Toelichting op de planregels

5.3.1 Inleidende regels

In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in het SVBP en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen.

Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen. Ook over de bepaling van afstanden, hoogtes en oppervlaktes kunnen interpretatieverschillen ontstaan. Om op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de wijze van meten worden in de SVBP2012 regels gegeven, welke in het plan letterlijk zijn overgenomen.

5.3.2 Bestemmingsregels

Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels;
  • Nadere eisen;
  • Afwijken van de bouwregels;
  • Specifieke gebruiksregels;
  • Afwijken van de gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden;
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • Wijzigingsbevoegdheid;

Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies genoemd. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.

Bouwregels

In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels (zijnde algemene regels).

Specifieke gebruiksregels

Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening vervallen. In dit artikel was het verbod opgenomen om gronden te gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. Derhalve moeten in de specifieke gebruiksregels bepaalde functies concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik. Ook het laten gebruiken moet specifiek worden genoemd.

Afwijken van de gebruiksregels

Door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel kan worden afgeweken van de gebruiksregels ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via het afwijken geen 'nieuwe' functies kunnen worden toegestaan. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of een afzonderlijke bestemmingsplanherziening.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden

Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.

5.4 Toelichting op bestemmingen

Hierna zijn de binnen het plangebied gelegen bestemmingen afzonderlijk opgenomen. Daarbij wordt ingegaan op de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de desbetreffende bestemming.

5.4.1 Bestemming Wonen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, tuinen en erven, in- en uitritten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen alsmede voor het behoud van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Per bestemmingsvlak/bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte van een woning bedraagt respectievelijk 4,5 meter en 10 meter. De inhoud van de woning maximaal 750 m3, met dien verstande dat indien de inhoud van de woning groter is de bestaande maatvoering geldt. Bij de woning zijn bijgebouwen toegestaan met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 120 m2. Ook hiervoor geldt dat als het oppervlak aan bijgebouwen groter is de bestaande maatvoering geldt.

Tevens is binnen de bestemming 'Wonen' een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing en sloop bebouwing/verharding om te waarborgen dat deze ook daadwerkelijk wordt aangeplant en gesloopt en zodanig in stand wordt gehouden. Dit betreft voor zowel de reeds bestaande landschappelijke inpassing als de nieuwe landschappelijke inpassing ten behoeve van deze bestemmingsplanherziening.

5.4.2 Bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

De gronden waar de agrarische bestemming behouden blijft worden bestemd als 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, landschappelijke inpassing, openbare nutsvoorzieningen, extensief recreatief medegebruik, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, wegen, paden en overige infrastructurele voorzieningen alsmede tuinen en erven.

Ter plaatsen van deze gronden zijn in beperkte mate gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan.

5.4.3 Dubbelstemming Waarde - Archeologie 4

De dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4” geldt voor de gronden waar ingevolge het gemeentelijke erfgoedbeleid een lage verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische waarden. Het is verboden bodemverstorende ingrepen uit te voeren die een gebied beslaan groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld zonder een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

5.5 Algemene regels

5.5.1 Anti-dubbeltelregeling

Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

5.5.2 Algemene bouwregels

Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden eveneens een aantal algemene bouwregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen.

5.5.3 Algemene gebruiksregels

Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden eveneens een aantal algemene gebruiksregels. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in de afzonderlijke bestemmingen.

5.5.4 Afwijken van de gebruiksregels

Er kan worden afgeweken van de specifieke gebruiksregels voor de bestemming 'Wonen' ten behoeve van het toestaan dat een bijbehorend bouwwerk bij een woning wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte.

5.5.5 Algemene afwijkingsregels

Behalve de specifieke afwijkingsregels, opgenomen binnen de bestemmingsregels, kent het plan ook een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden. Deze bevoegdheden hebben als doel om flexibel te kunnen inspelen op afwijkingen en overschrijdingen van beperkte aard of omvang.

5.5.6 Algemene wijzigingsregels

De specifieke en algemene wijzigingsbevoegdheden hebben als doel het bestemmingsplan van flexibiliteit te voorzien. Via gedeeltelijke planwijziging, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, kan worden besloten tot wijziging van het plan, zonder dat daarvoor een normale (integrale) herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is.

5.6 Overgangs- en slotregels

5.6.1 Overgangsrecht

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen.

5.6.2 Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding

Naast het toetsen van een bestemmingsplan aan diverse omgevingsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij wordt gekeken naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan inzichtelijk te maken. De gemeente kan van een exploitatieplan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien:

  • Het kostenverhaal anderszins is verzekerd;
  • Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is;
  • Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is.

Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een anterieure overeenkomst niet aan de orde, aangezien er geen werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen of aanpassingen aan de openbare ruimte aan de orde zijn. Voor zover er aanpassingen nodig zijn, is kostenverhaal afdoende verzekerd via het legesspoor. Gelet op de aard en schaal van het planvoornemen is het bepalen van een tijdvak of fasering evenmin aan de orde.

Tussen de gemeente Oirschot en de initiatiefnemer is wel een planschadeovereenkomst (d.d. 26 april 2022) gesloten. In deze overeenkomst is vastgelegd dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op grond van deze planschadeovereenkomst mag het kostenverhaal als voldoende verzekerd worden verondersteld.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het planvoornemen betreft de planologische functiewijziging naar 'Wonen' waarbij tevens het behoud van de bestaande loods ter grootte van ca. 330 m2 is toegestaan. Daarnaast behoudt een deel van het perceel zijn agarische bestemming. Middels het weg bestemmen van de bedrijfsbestemming en een versterking van de bestaande landschappelijke inpassing vindt ruimtelijk gezien een kwaliteitsverbetering plaats. Tevens is uit de omgevingsdialoog gebleken dat de directe omwonenden kunnen instemmen met de bestemmingswijziging (zie Bijlage 4). Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen en de geringe impact op de omgeving, wordt het planvoornemen maatschappelijk aanvaardbaar geacht.

Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode is ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de ter inzage legging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure, te weten:

  • a. Ontwerp:
    • 1. 1e ter inzage legging (ontwerp bestemmingsplan)
  • b. Vaststelling:
    • 1. Vaststelling door de Raad
    • 2. 2e ter inzage legging (vastgesteld bestemmingsplan)
  • c. Beroep:
    • 1. (Gedeeltelijk) onherroepelijk bestemmingsplan
    • 2. Reactieve aanwijzing
    • 3. Beroep bij Raad van State

In het kader van deze procedure kunnen gedurende de ter inzageligging van het ontwerp bestemmingsplan (fase a) door eenieder zienswijzen worden ingesteld. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.

7.2 Kennisgeving

Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening Bremsteeg 8-B, Oirschot'. Hierbij is aangegeven dat dit bestemmingsplan een herziening betreft van het geldende bestemmingsplan in verband met de planologische functiewijziging naar 'Wonen'.

7.3 Vooroverleg met instanties

Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op een planologische functiewijziging van 'Agrarisch met waarden - Landschapwaarden' en 'Bedrijf' naar 'Wonen' en het gedeeltelijk behouden van de agrarische bestemming . Er vinden geen wijzigingen in de ruimtelijke structuur plaats of een verzwaring van eventuele milieuhinder. Wel vindt er een versterking an de landschappelijke inpassing plaats, waarbij de bestaande landschappelijke inpassing wordt aangevuld c.q. versterkt. Er zijn hiermee geen rijks-, provinciale en gemeentelijke belangen in het geding. Om deze reden is er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. De vooroverlegpartners zijn wel geinformeerd over de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan.

Provincie

Op 7 juni is een reactie ontvangen van de provincie. Hierin heeft de provincie opmerkingen gemaakt ten aanzien van de landschappelijke inpassing en de planregels. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing heeft op 13 juni 2022 nadere afstemming plaats gevonden met de provincie. Naar aanleiding van deze afstemming kan de opmerking ten aanzien van de landschappelijke inpassing als niet gemaakt worden beschouwd en is de landschappelijke inpassinge verder akkoord

De opmerkingen ten aanzien van de planregels zijn verwerkt. De gronden ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden - landschapswaarden' zijn bestemd voor 'agrarische bodemexploitatie' in plaats van 'de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij, geiten- en schapenhouderij en glastuinbouw. Tevens is de afwijkingsmogelijkheid met betrekking tot afhankelijke woonruimte vervallen. Met de opmerking ten aanzien van het maximum toegestaan oppervlak (120 m2) voor bijbehorende bouwwerken versus het bestaande bijgebouw (330 m2) is niets gedaan. Voor de gemeente is dit afdoende geregeld in artikel 7.3 waarin bepaald is dat de bestaande maatvoering in afwijking daarvan als maximaal toegestaan is voor de bestaande feitelijke situatie, uitgezonderd in geval van nieuwbouw.

Daarmee is onderhavig bestemmingsplan in overeenstemming met de Interim-Omgevingsverordening.

Waterschap

Het waterschap heeft in haar reactie van 28 april 2022 aangegeven zich te kunnen vinden in onderhavig bestemmingsplan en is hiermee dan ook akkoord.

7.4 Ontwerp en vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 30 juni 2022, gedurende 6 weken, tot en met 10 augustus 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze kenbaar te maken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Het bestemmingsplan is dan ook ongewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 18 oktober 2022.