| Plan: | Komplan Wilbertoord - Willemsweg 6 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0815.BPWiWillemsweg6-VA01 |
De eigenaar van de woning aan de Willemsweg 6 in Wilbertoord, heeft het plan om op het bestaande woonperceel een tweede woning mogelijk te maken.
Omdat een nieuwe woning op het bestaande perceel strijdig is met het geldende bestemmingsplan en omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is wordt medewerking verleend. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de zuidkant van de bebouwde kom van Wilbertoord. Bijgevoegde afbeelding toont het plangebied en de omgeving.
De omgeving van het plangebied; bron, ruimtelijkeplannen.nl
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt aan de Willemsweg 6 aan de zuidkant van de kern Wilbertoord. Het plangebied behoort tot de buitenste bebouwingspercelen van de kern Wilbertoord, daarachter begint het buitengebied.
Direct ten noorden en westen van de planlocatie liggen de woningen behorende bij de kern van Wilbertoord. De woningen worden afgewisseld met enkele maatschappelijke functies. Ten noordoosten van het plangebied is een bedrijf gevestigd. Aan de oost- en zuidkant wordt het plangebied omringd door agrarische gronden.
In het plangebied staan twee-onder-een-kapwoningen. Dit woonblok, waar navolgende foto's enkele aanzichten van tonen, staat dicht gepositioneerd op de Willemsweg en bestaat uit één bouwlaag met een kap in dezelfde richting als de weg. Naast dit woonblok ligt een grasperceel behorende bij het plangebied, waarop een schuur staat. Aan de oostzijde van het plangebied bevinden zich agrarische gronden.
Navolgende afbeeldingen tonen de bestaande situatie.
Een gedetailleerde weergave van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Aanzicht op het te herontwikkelen perceel met zichtbaar de bestaande schuur en de twee-onder-een-kap woning (bron: eigen foto)
Een gedetailleerder aanzicht op de bestaande twee-onder-een-kap woning (bron: eigen foto)
In de toekomstige situatie wordt de bouw van één extra woning binnen het plangebied mogelijk. Deze woning, die als een vrijstaande woning gesitueerd wordt aan de oostkant van het perceel, zal landschappelijk worden ingepast. De naastgelegen woningen zijn in het plangebied opgenomen, omdat het bouwvlak van die woningen als gevolg van de ontwikkeling aangepast dient te worden. Er vinden hier geen
De woning sluit qua goot- en nokhoogte globaal aan op het naastgelegen westelijke woonblok. De woning komt echter wel wat verder van de Willemsweg te liggen. Aan de voorzijde van het perceel wordt een groenstrook van 4 meter diep met daarin drie bomen gerealiseerd. Tevens worden er deels hagen aan de zijkanten van het perceel gerealiseerd. Het gehele schetsontwerp, waar navolgende afbeelding een uitsnede van toont, is opgenomen als bijlage 1. De oostelijke groenstrook op het schetsontwerp maakt geen onderdeel uit van voorliggend plan. De overige gronden van het plangebied rondom de woning worden ingericht als tuin.
De woning wordt ontsloten via een nieuwe oprit op de Willemsweg. Parkeren gebeurt op eigen terrein. Meer hierover volgt in paragraaf 4.4.
Uitsnede van het schetsontwerp van de toekomstige situatie (Buro SRO)
Voorliggend plan biedt een goede mogelijkheid om de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse te verbeteren. Door het vervangen van de bestaande, vervallen, schuur voor een nieuwe woning zorgt het plan voor een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast leidt het plan tot een toename van de hoeveelheid groen, waarmee het plan aansluit op de ambities van de gemeente op dit punt.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'treden' die doorlopen moeten worden om te bezien of een ontwikkeling bijdraagt aan duurzame verstedelijking:
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt in één van de aangewezen gebieden m.b.t. de SVIR, namelijk binnen een radarverstoringsgebied. In algemene zin geldt dat voor deze gebieden maximale bouwhoogtes gelden voor nieuwe bouwplannen in verband met de mogelijke verstoring van windturbines of vliegroutes. Voorliggend plan voorziet niet in een bouwplan waarbij de toegestane maximale bouwhoogtes voor enig nadelig effect kunnen zorgen voor turbines of vliegroutes. Het initiatief is daardoor niet strijdig met de nationale belangen uit de structuurvisie.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Uit jurisprudentie blijkt dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij woningbouwplannen die voorzien in 11 nieuwe woningen of meer. Voorliggend plan voorziet in de komst van één nieuwe woning en is daarmee geen stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is een toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame ontwikkeling niet van toepassing.
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Met de Brabantse omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe zij hieraan wil werken.
De provincie gelooft dat men met elkaar moet zorgen voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving en dat zij dat kunnen bereiken met een nieuwe manier van (samen)werken. Dat door het juiste samenspel – waarbij zij streven naar synergie en meerwaarde - de kwaliteit van leven hier en nu goed samengaat met de kwaliteit van leven elders en later.
Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien en stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie.
De provincie heeft vier hoofdopgaven opgesteld. Aan de basis van deze hoofdopgaven liggen veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. Dit is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen (milieu, wegen, ontgronden, natuurbescherming, ruimte en water).
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid.
Planspecifiek
Op de kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' van de omgevingsverordening is het plangebied (rood omkaderd) aangeduid als bestaand stedelijk gebied en landelijke kern. Hieronder worden de relevante artikelen uit de omgevingsverordening voor onderhavig plan besproken.
Uitsnede plangebied Interim omgevingsverordening kaart stedelijke ontwikkeling en erfgoed
Artikel 3.16 externe werking natuur netwerk Brabant
In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd.
Voorliggend plan is van een dusdanig klein schaalniveau (mogelijk maken één nieuwe woning) dat er geen ecologische waarden of kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant worden aangetast (zie ook paragraaf 4.3 Ecologie).
Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling
Onderhavig plangebied ligt binnen stedelijk gebied en behoort in de bestaande situatie al tot een woonperceel. In navolgende paragraaf 'regionaal beleid' wordt toegelicht dat voorliggend plan passend is binnen de regionale woningbouwafspraken zoals opgesteld door de gezamenlijke gemeente van het Land van Cuijk, waar de gemeente Mill en Sint Hubert onderdeel van uitmaakt. Hieronder wordt nader ingegaan op hoe het plan bijdraagt aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Met voorliggend plan is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6 Interim omgevingsverordening), omdat de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag van bebouwing. De bebouwing wordt geconcentreerd binnen het bouwperceel. Door de beperkte toevoeging van 1 woning is een nadere onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing (zie paragraaf3.1). Wat betreft de lagenbenadering (artikel 3.7 Interim omgevingsverordening) wordt rekening gehouden met de aanwezige waarden in het plangebied. Hier wordt nader op ingegaan in hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid.
Wat betreft meerwaardecreatie (artikel 3.8 Interim omgevingsverordening) is in paragraaf 2.2 en het bijbehorende schetsontwerp in bijlage 1 de wijze waarop dit plan landschappelijk wordt ingepast, inzichtelijk gemaakt en toegelicht. Om het toevoegen van een nieuwe woning te compenseren, wordt het perceel landschappelijk ingepast en wordt een bijdrage gedaan aan het plaatselijke investeringsfonds voor ruimtelijke kwaliteit, wat nader is toegelicht in paragraaf 3.4.3.
Eindconclusie
Het plan is passend binnen de regels van de provinciale omgevingsverordening.
Woningmarktstrategie Land van Cuijk
De woningmarktstrategie is een gemeenschappelijk product van de vijf samenwerkende gemeenten van het Land van Cuijk (Grave, Cuijk, Mill en Sint Hubert, Boxmeer en Sint Anthonis) en de in de regio werkzame woningbouwcorporaties en Pantein. Het document is in 2012 gepubliceerd en bestaat uit een strategisch deel en een achtergronddocument. De woonwensen van de inwoners van de vijf gemeenten vormen een belangrijk onderdeel van de strategie.
De woningmarktstrategie staat zowel voor een kwantitatieve opgave (fors meer bouwen dan de voorgaande jaren), maar ook voor een kwalitatieve opgave (zorg dragen voor wonen voor een toenemende groep ouderen). De woningmarkt blijft daarmee de komende decennia volop in beweging.
Voor de gemeente Mill en Sint Hubert is tot aan 2022 een beperkte groei (1.6% t.o.v. 2012) van het aantal inwoners voorspelt. De groei van het aantal huishoudens neemt echter sterker toe tot aan 2022 (9,7% t.o.v. 2012). Als er wordt gekeken naar de vraag naar toekomstig woningaanbod dan is er binnen Mill en Sint Hubert voornamelijk vraag naar koopwoningen. Er wordt daarnaast een tekort verwacht van het aantal meergezinswoningen.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt één nieuwe vrijstaande woning mogelijk. Het kwantitatieve woningaanbod van Mill en Sint Hubert neemt daardoor gering toe. In de woningmarktstrategie blijkt dat er beperkt ruimte is voor nieuwbouw in de gemeente. De woning voorziet in de kwalitatieve behoeve voor de gemeente, namelijk koopwoningen die mede geschikt zijn als meergezinswoning.
Het plan past binnen de woningmarkt strategie Land van Cuijk.
De gemeenteraad van Mill en St Hubert heeft op 29 september 2011 de structuurvisie 'In duurzaam perspectief' vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente haar toekomstvisie en richtingen met betrekking tot de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Bij de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente wordt sterk rekening gehouden met regionale en provinciale ontwikkelingen.
In de structuurvisie wordt de gemeente opgedeeld in een viertal zones. Deze zones zijn inzichtelijk gemaakt in de structuurvisiekaart, behorende bij de structuurvisie.
Uitsnede structuurvisiekaart
Peelkant (plangebied)
In de Peelkant-zone bevinden zich jonge ontginningsdorpen Langenboom en Wilbertoord. Met betrekking tot nieuwe bouwontwikkelingen zet de gemeente voor deze gebieden in op landelijk bouwen. Hieronder wordt verstaan: een integrale dorpsbouwkundige aanpak, waarbij de samenhang binnen de kern en de verweving met het buitengebied structureel verbeterd kunnen worden. Deze zou tot uitdrukking kunnen komen in beeldkwaliteitsplannen voor de vier dorpslandschappen, die algemeen bekend zijn voor de hele gemeente. Aanvullend op deze algemene richting voor het Peelkant, gaat de gemeente in de visie specifieker in op het deelgebied 'Dorpslandschap Wilbertoord'. Voor dit gebied ambieert de gemeente o.a. dat bij nieuwe plannen aandacht is voor het 'realiseren van een 'groene geleding' van het bebouwingslint met doorzichten naar het aan- en omliggende landschap' en een 'afronding van de dorpsrand'.
Planspecifiek
In paragraaf 2.2 en het bijbehorende schetsontwerp uit bijlage 1 is toegelicht op welke wijze dit plan landschappelijk wordt ingepast. De inpassing van het plan sluit goed aan op de ambities die zijn opgenomen voor de peelkant zone. Door het opnemen van groen aan de noordkant van de woning wordt de groene geleding van het bebouwingslint uitgebreid. Bewust is gekozen om de gronden achter de woning vrij te houden van groen, om zo het weidse uitzicht achter de woning te behouden.
Het initiatief sluit aan bij de gemeentelijke structuurvisie.
De gemeenteraad van Mill en St Hubert heeft op 27 september 2012 de beleidsregel 'Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit (IRK) vastgesteld. Deze regeling is op 3 september 2013 gewijzigd en aangevuld. De IRK is een uitvoeringsregel die voortkomt uit paragraaf 8.4 van de structuurvisie 'In duurzaam perspectief'. In de structuurvisie wordt de IRK regeling nog 'Fonds ruimtelijke ontwikkelingen voor kernen en buitengebied' genoemd. De IRK komt voort uit de gedachte van de gemeente dat ieder bouwproject een toegevoegde waarde moet hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en/of leefbaarheid van de kernen of het buitengebied. Ruimtelijke ontwikkelingen met een aanzienlijke impact leveren een (redelijke) financiële bijdrage. Deze bijdrage is gebaseerd op een percentage van de vastgestelde grondwaardevermeerdering.
Planspecifiek
Door uitvoer van voorliggend plan wordt het plangebied herontwikkeld tot een bouwkavel voor een nieuwe woning. Ter compensatie van de waardestijging van de gronden die door de herontwikkeling ontstaat, dient het plan een bijdrage te leveren aan de investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit. In navolgende subparagraaf wordt nader toegelicht dat het plan een positieve bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit.
In het regionaal overleg 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Het bijgestelde afsprakenkader is in december 2015 vastgesteld.
Uitgangspunt van het afsprakenkader is dat bij niet planmatige ontwikkelingen de tegenprestatie gerelateerd is aan de impact. Hiervoor zijn drie categorieën ingesteld.
cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie
cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing
cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap
Welk ontwikkeling in welke categorie valt is in de bijlage van het afsprakenkader uitgewerkt.
Planspecifiek
Voorliggend plan betreft een categorie 3 ontwikkeling. Dit maakt dat het plan dient te voldoen aan de berekenende kwaliteitsberekening van het landschap. Voorliggend plan levert een directe bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse doordat groen wordt toegevoegd aan de noordzijde van het plangebied en de zijkanten van het perceel deels worden voorzien van hagen. Met deze ingreep wordt de waardestijging van de gronden echter niet volledig gecompenseerd. Hierdoor is er sprake van een extra, financiële, investering aan de IRK. De fysieke ingrepen en de investering aan de IRK leiden gezamenlijk tot een positieve bijdrage van de ruimtelijke kwaliteit.
Het initiatief is passend binnen het gemeentelijk beleid.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Komplan Wilbertoord', vastgesteld op 29 september 2011.
Uitsnede van het vigerende bestemmingsplan (ruimtelijkeplannen.nl)
Ter plaatse van het plangebied zijn binnen het bestemmingsplan 'Komplan Wilbertoord' de volgende bestemmingen van toepassing:
Voorliggend plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan, omdat er geen bouwvlak aanwezig is waarin de nieuwe woning kan worden gebouwd. Tevens staan de regels van de bestemming 'Wonen' geen nieuwe woning toe.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Hiermee wordt in beeld gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt één woning binnen het plangebied mogelijk. Het plangebied beschikt in de bestaande situatie al over de bestemming 'Wonen'. In een eerder stadium, bij de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan, zijn de gronden dus al geschikt geacht als gronden voor een woonfunctie. Bodemonderzoek ten behoeve van voorliggende bestemmingsplanwijziging is daarmee niet noodzakelijk. Een bodemonderzoek is wel nodig in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Het uitvoeren van dit bodemonderzoek tijdens een latere fase van de planontwikkeling wordt vastgelegd middels het ontheffingsformulier, zoals toegevoegd in bijlage 2.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde 40 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de metingen is gebruik gemaakt van de gegevens van het dichtstbijzijnde meetpunt, zoals te zien is in navolgende afbeelding.
Het meetpunt
(rode stip) ten opzichte van de toekomstige woning (rode pijl)), bron: nsl-monitoring.nl
Uit metingen van het meest nabijgelegen rekenpunt 226612 (aan de Wethouder Lindersstraat) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) | PM10 (Fijn stof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2016 (µg/m3) | 17.2 µg/m3 | 18.3 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Met het initiatief wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Daarmee blijft het plan ver onder het aantal van 1.500 woningen, de drempel voor een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Met betrekking tot het aspect geluid zijn er geen geluidsbronnen aanwezig die vanuit industrie- en/of spoorweglawaai van belang zijn.
Het plangebied ligt aan de Willemsweg. Dit is een rustige weg waarover, ter hoogte van het plangebied, een maximum snelheid geldt van 30 km/u. Op basis van de Wet Geluidhinder is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk voor 30 km-wegen. Wel is het aspect wegverkeerslawaai van belang voor een goede ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt echter aan de rand van Wilbertoord en de Willemsweg leidt richting het bosgebied in het noordoosten. Er liggen geen winkels of bedrijventerreinen aan deze weg, waardoor de weg voornamelijk door bestemmingsverkeer wordt gebruikt. Daarmee betreft het een rustige weg en zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige woning vanuit het aspect geluid.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
Planspecifiek
Op 13 december 2007 heeft de gemeenteraad een Geurverordening voor de gehele gemeente Mill en Sint Hubert vastgesteld. Hierin is lokaal geurbeleid ontwikkeld, dat recht doet aan de integrale zonering van de intensieve veehouderij, met behoud van een afdoend
beschermingsniveau tegen geuroverlast voor burgers. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de bijbehorende geurnormenkaart, waarbij het plangebied is aangeduid met de rode stip. Uit de kaart blijkt dat de planlocatie valt onder gebied B: 'Bebouwde kom landelijk' met een daarbij behorende maximale waarde voor de geurbelasting van een geurgevoelig object van 3 Ou/m³. In aanvulling hierop stelt de verordening dat de minimale afstand tussen een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom in het landelijk gebied en een veehouderij, 100 meter bedraagt.
Uitsnede geurnormenkaart gemeente Mill en Sint Hubert (Geurveordening 2007)
Gelet op de minimale afstand van 100 die de gemeentelijke verordening stelt tussen een woning in de bebouwde kom 'landelijk' en de afwezigheid van veehouderijen binnen een straal van 100 meter rondom de woning, kan worden gesteld dat van geurhinder op de nieuwe woning geen sprake is. Een goed woon- en leefklimaat vanuit geur is gewaarborgd.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt de komst van één milieugevoelig object (woning) mogelijk. Hierdoor is het van belang om de invloed van omliggende bedrijven te onderzoeken.
Aan de andere kant van de Willemsweg, ten noordoosten van de planlocatie ligt een bedrijf dat is gespecialiseerd in grondwerkzaamheden. Het betreft een loonwerkbedrijf met bedrijfsgebouwen met een gezamenlijk b.o. van circa 1.500 m². De publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' hanteert voor loonwerkbedrijven met een b.o. van 500 m² of meer een richtafstand van maximaal 50 meter (geluid). Hierdoor kan de conclusie worden getrokken dat het bedrijf geen nadelig effect heeft op de toekomstige woning.
De gronden aan de oost- en zuidkant betreffen akkerbouwgronden die worden beheerd door de initiatiefnemer van dit plan. De initiatiefnemer houdt er zelf rekening mee dat het bespuiten van gewassen geen negatief effect heeft op de uitbreiding van het woonperceel.
Gelet op bovenstaande toelichting zijn er geen negatieve invloeden van omliggende bedrijfsactiviteiten, waarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat op basis van milieuzonering.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Voor inrichtingen geldt daarnaast dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart waarbij het plangebied is aangegeven met de gele stip (risicokaart.nl)
Voorliggend plan maakt de komst van een nieuw gevoelig object binnen het plangebied mogelijk. Uit voorgaande afbeelding blijkt dat er enkel een aantal (agrarische) bedrijven in de omgeving liggen waar vloeibare gassen worden opgeslagen. Het plangebied ligt echter niet in de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van deze risicobronnen. Verder zijn er ook geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen aanwezig in de directe omgeving van het plangebied.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit externe veiligheid.
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapporate (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:
M.e.r.-beoordeling
Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:
Planspecifiek
Het onderhavige plan behelst het mogelijk maken van één extra woning binnen het plangebied en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2000 woningen zoals op benoemd in categorie D 11.2. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht.
In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in deze toelichting ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten.
Bij een overweging van de kenmerken van het project zijn de volgende criteria van belang: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering en risico's voor de menselijke gezondheid.
Toetsing
Voorliggend plan betreft de ontwikkeling van één woning. De ontwikkeling van 1 woning zorgt niet voor belemmeringen wat betreft gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder. Ook is er gezien de aard van de ontwikkeling geen verhoogd risico voor de menselijke gezondheid door bijvoorbeeld rampen.
De mate van kwetsbaarheid van het milieu van gebieden waarop het project invloed heeft is afhankelijk van de volgende criteria: het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied.
Toetsing
Het voormalige gebruik van het plangebied (tot aan 1927 akkerbouwgrond, daarna woonperceel) en de beperkte aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen zorgen ervoor dat het project zich niet in een qua milieu kwetsbaar gebied bevindt. Zoals beschreven in dit bestemmingsplan ligt het plangebied niet binnen gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten.
De potentiële effecten van het project worden bepaald door de kenmerken en plaats van het project, in samenhang met de volgende criteria: de orde van grootte, het ruimtelijk bereik, de aard, het grensoverschrijdend karakter, de intensiteit en complexiteit, de waarschijnlijkheid en de verwachte duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten. Daarnaast kunnen ook de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen in overweging worden genomen.
Toetsing
Gezien de beperkte omvang en de aard van de ontwikkeling van 1 woning is er geen sprake van onevenredige effecten voor het milieu in de omgeving.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
De digitale watertoets geeft slechts een indicatie van de waterbelangen in het gekozen gebied. De digitale watertoets is een hulpmiddel en geen vervanging van het watertoetsproces of instemming van het waterschap.
Planspecifiek
Beleid Waterschap Aa en Maas
Voor dit plan is het beleid van Waterschap Aa en Maas mede van belang. Het beleid van het waterschap is vastgelegd in de legger, Keur en het Waterbeheerplan 2016-2021. De volgende drie principes zijn richtinggevend bij de advisering over ruimtelijke plannen:
Het Waterschap hanteert geen verplichting tot hemelwaterberging bij een toename van het verhard oppervlakte van minder dan 2.000 m².
Middels het uitvoeren van de digitale watertoets is het Waterschap Aa en Maas op de hoogte gesteld van voorliggende planontwikkeling. Het resultaat van de watertoets is opgenomen in bijlage 4. Voorliggend plan betreft de realisatie van één woning. De toename van het verhard oppervlak blijft daarmee onder de 2.000 m². Daarom is voor dit initiatief geen compenserende waterberging nodig. De toekomstige woning zal worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Overtollig hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterlopen en waterkeringen gelegen. Tevens ligt het plangebied niet in één van de van de voor water relevante beschermingszones of attentiegebieden.
Het initiatief is haalbaar met betrekking tot het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermt. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt een nieuwe woning mogelijk binnen het plangebied. Om plaats te maken voor de nieuwe woning wordt de bestaande schuur gesloopt. Om te kunnen bepalen wat het effect is van deze voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en natuurgebieden, is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd. Het gehele rapport is als bijlage 3 toegevoegd. Hierin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde soorten. Ten tijde van het onderzoek was het Programma Aanpak Stikstof (PAS) nog in werking. De PAS is sindsdien onderuit gegaan bij de Raad van State. Echter blijven de conclusies uit het onderzoek ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden overeind: gelet op de afstand van de locatie tot Natura 2000-gebieden en de beperkte omvang en impact van het project, worden er geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden verwacht.
Wat betreft soortenbescherming dient tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen genomen te worden om effecten te voorkomen. De te nemen maatregelen zijn opgenomen in het volledige onderzoeksrapport.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.
Voorliggend plan maakt de komst van 1 vrijstaande woning mogelijk. Deze woning wordt ontsloten op de Willemsweg. Door het plan neemt de verkeersaantrekkende werking (zeer) beperkt toe, de Willemsweg kan deze toename goed aan.
Met betrekking tot parkeren zijn de verkeersgegevens van het CROW in dit het plan het uitgangspunt. Voor een vrijstaande woning binnen de bebouwde kom in een niet stedelijke omgeving hanteert het CROW een minimale norm van 1,9, afgerond 2 parkeerplaatsen. Op het nieuwe woonperceel is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voldoen aan deze norm. In de regels is gewaarborgd dat aan de geldende parkeernorm wordt voldaan.
Het plan is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.
In elk ruimtelijk plan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 overgegaan in de Erfgoedwet. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke besluiten) opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. Voorliggend plan heeft dan ook geen effect op het aspect cultuurhistorie.
Archeologie
Uitsnede archeologische beleidskaart, plangebied aangegeven met de gele stip (vigerend bestemmingsplan 'Komplan Wilbertoord, 2011')
Voorgaande afbeelding toont een uitsnede van een archeologische beleidskaart. Op de kaart is zichtbaar dat het plangebied ligt op gronden met een lage archeologische verwachtingswaarde. Voor deze waarde is als regel opgenomen dat bij nieuwe ontwikkelingen geen archeologisch onderzoek nodig is. Het plan zorgt derhalve niet voor aantasting van mogelijke archeologische waarden.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.12, lid 2 van de Wro.
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de plankosten. Daarnaast wordt met het plan een bijdrage gedaan aan het IRK (Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit), zoals beschreven in paragraaf 3.4.3.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen.
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Daarnaast zijn de volgende gebiedsaanduidingen opgenomen:
Dit plan kent verder de volgende noemenswaardige bijzonderheden:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt dit vooroverleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de belanghebbende instanties.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van woensdag 26 februari 2020 tot en met dinsdag 7 april 2020 voor een termijn van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is er één zienswijze ingediend door het waterschap Aa en Maas. Naar aanleiding van deze zienswijze heeft een aanpassing in de tekst van de toelichting en de regels plaatsgevonden.