direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Voordijk 37
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het wijzigingsplan

Het voornemen is om de agrarische bestemming die nu van toepassing is op de locatie Voordijk 37 in St Hubert, te herbestemmen naar een woonbestemming. De familie Hendriks, de initiatiefnemer van dit plan, zet in op deze wijziging omdat het agrarische bedrijf ter plaatse is beëindigd en de bedrijfswoning als burgerwoning verkocht gaat worden. De oorspronkelijke varkenshouderij die op deze locatie gevestigd was, is inmiddels verplaatst. De bestemming wonen past beter in het huidige en toekomstige gebruik van de locatie.

Omdat een woonbestemming strijdig is met het geldende bestemmingsplan en omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is wordt medewerking verleend. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van het dorp Sint Hubert. bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving. Goed zichtbaar op de afbeelding is dat het plangebied gelegen is op de grens tussen de bebouwde kern van St Hubert en het open landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0002.png"

De omgeving van het plangebied; bron, ruimtelijkeplannen.nl

1.3 Opbouw wijzigingsplan

Het wijzigingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een wijzigingsplan wordt de bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het wijzigingsplan regels over het gebruik van de grond en wat daarop gebouwd mag worden. Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het wijzigingsplan. Een wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en planregels.


Toelichting

De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen:

  • een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;
  • een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
  • de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg;
  • de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;
  • een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het wijzigingsplan zijn betrokken;
  • de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.


Omdat bij de voorbereiding van het wijzigingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro, ten minste neergelegd:

  • een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden;
  • voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied;
  • een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.


Verbeelding

De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding omvat de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.


Planregels

De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en vaak ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.

1.4 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied Mill en Sint Hubert, vastgesteld op 20 juni 2013, van toepassing.

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Voordijk 37 te St Hubert. Op deze locatie was in het verleden een varkenshouderij actief. De varkenshouderij is verplaatst naar een andere locatie. De stallen behorende bij deze varkenshouderij zijn gesloopt. Op het erf staat nog één schuur van 168 m² die als bijgebouw in gebruik is. Naast deze schuur staat er een agrarische bedrijfswoning op enige afstand tot de weg.

In de nabije omgeving van het plangebied zijn gebouwen aanwezig met een verschillend aantal functies. Het betreffen voornamelijk woningen met een aantal agrarische bedrijven en panden met een maatschappelijke functie, waaronder een basisschool. Het pand wat direct ten noordwesten van het plangebied gelegen is, heeft een bestemming wonen. Direct ten zuiden van het plangebied is een akkerbouwbedrijf gelegen (Voordijk 39) met een agrarisch bouwblok.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0003.png"

Een gedetailleerde weergave van het plangebied; bron, ruimtelijkeplannen.nl

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie krijgt het plangebied de nieuwe bestemming 'Wonen' en 'Agrarisch' zonder bouwvlak. Dit heeft verder geen gevolgen voor de bestaande bebouwing, deze blijft behouden. De omvang van de woonbestemming is vergelijkbaar met de noordelijk gelegen woning.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'treden' die doorlopen moeten worden om te bezien of een ontwikkeling bijdraagt aan duurzame verstedelijking:

  • 1. de voorgenomen stedelijke ontwikkeling dient te voorzien in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit stap 1 volgt dat de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte moet beschreven worden in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. indien uit stap 2 blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden m.b.t. SVIR. Het initiatief is daardoor niet strijdig met de nationale belangen uit de structuurvisie.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De omvang van het initiatief is dusdanig kleinschalig dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is een toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame ontwikkeling overbodig.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie ruimtelijke ordening - partiele herziening 2014

Op 7 februari 2014 hebben Provinciale Staten de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 beschreven. Dit beleid heeft als hoofddoel om zorgvuldiger om te gaan met de Brabantse ruimte, waarbij belangrijke beleidswijzigingen zijn opgenomen met betrekking tot de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij.

Om het beleid gebiedsgericht te maken hanteert de provincie vier ruimtelijke structuren met daarop toegespitst ambities en beleid per structuur. Doordat het plangebied gelegen is aan de rand van de kern St Hubert en valt binnen de stedelijke structuur van Sint Hubert is de kern in het landelijk gebied van belang.

Voor de kernen in het landelijk gebied die vallen onder de stedelijke structuur (o.a. St Hubert) vraagt de provincie aan gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen, werken en voorzieningen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit is van belang, waarbij oog is voor het behoud van de eigen karakter van de kern en het versterken van de relatie met het landschap.

Met betrekking tot wonen in het landelijk gebied dient voornamelijk rekening te worden gehouden met bevolkingsafname. Er is ruimte beschikbaar voor verbeterprojecten van enige omvang. Het gaat om kwalitatieve verbeteringen in bestaand stedelijk gebied zoals het saneren van milieuhinderlijke bedrijvigheid in de kern en het behouden van vrijkomende cultuurhistorisch waardevolle complexen.

 

Planspecifiek 

Op het plangebied was voorheen een varkenshouderij gevestigd. Door het vertrek van de varkenshouderij is een grote milieuwinst behaalt voor het plangebied en de omgeving. Met het initiatief worden geen nieuwe woningen gerealiseerd, waardoor het aantal woningen niet toeneemt. Het initiatief past binnen de doelen van de omgevingsvisie van de provincie.

Verordening Ruimte 2014 

Op 7 februari 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 vastgesteld. De verordening is op 19 maart 2014 in werking getreden. In de verordening zijn regels opgenomen waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het nemen van ruimtelijke besluiten.

Op de 'integrale plankaart met structuren en aanduidingen', behorende bij de verordening, is zichtbaar dat het deel van het plangebied waar de bedrijfswoning is gelegen valt onder het bestaand stedelijk gebied, kern in landelijk gebied. Voor het overige deel zijn ook 'Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, kern in landelijk gebied', 'Beperkingen veehouderij' en 'Gemengd landelijk gebied' aangegeven. Voor deze locatie zijn regels van toepassing m.b.t. de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en het bestaande stedelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0004.png"

Uitsnede plangebied verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie.

In de verordening is onder artikel 3.1 voor de ruimtelijke kwaliteit opgenomen dat de toelichting van het wijzigingsplan voor stedelijke gebieden ingaat op dat het plan bijdraagt aan het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Tevens is van belang dat de omvang en functie van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling past binnen de omgeving, gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving.

Regels uit de verordening met betrekking tot het bestaand stedelijk gebied hebben in het geval van woningen enkel betrekking op nieuwbouw. Omdat er met het initiatief geen nieuwe woningen in het plangebied gerealiseerd worden zijn de regels op basis van het stedelijk gebied niet relevant voor dit initiatief.

Voor deel van het plangebied dat buiten het stedelijk gebied is gelegen, verdwijnt het agrarisch bouwvlak, maar blijft de agrarische gebiedsbestemming behouden. De provinciale regels staan dit niet in de weg.

Planspecifiek

Dit wijzigingsplan maakt het onmogelijk om toekomstige agrarische bedrijvigheid in het plangebied te realiseren. Door het vertrek van de voormalig varkenshouderij en de wijziging naar bestemmen wonen zorgt het initiatief voor een positief effect op het plangebied en de omgeving met betrekking tot het milieuaspect. Het uitoefenen van een agrarisch bedrijf op dit perceel wordt daarmee onmogelijk gemaakt. Het initiatief past hierdoor binnen de regels van de verordening Ruimte Noord-Brabant 2014.

3.3 Gemeentelijk beleid

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Mill en Sint Hubert, vastgesteld op 20 juni 2013. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding behorende bij het geldend bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0005.png"

De verbeelding met daarop het plangebied: bron, ruimtelijkeplannen.nl


Uit de verbeelding van het geldend bestemmingsplan blijkt dat er een agrarische bestemming van toepassing is op het plangebied. Hierdoor is het initiatief in strijd met het vigerend bestemmingsplan. In artikel 3.7.8. 'Wijziging naar wonen' in het geldend bestemmingsplan zijn er wijzigingsregels opgenomen waardoor een agrarische bestemming omgezet kan worden naar een woonbestemming. Burgermeester en wethouders zijn volgens dit artikel bevoegd om deze bestemming te wijzigen. Hierbij moet voldaan worden aan een aantal voorwaarden. Een selectie van de meest relevante voorwaarden volgt in de navolgende opsomming. In artikel 3.7.8. van het geldend bestemmingsplan is de volledige lijst met voorwaarden opgenomen.

-(3.7.8. d) De voormalige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, waarbij geldt dat 60% van de te slopen voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot maximaal 400 m².

Op de locatie zijn alle bedrijfsgebouwen reeds gesloopt, een schuur met een oppervlakte van 170 m² blijft behouden.

-(3.7.8. e) De woning mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.

Ten zuiden van de locatie ligt een akkerbouwbedrijf. In paragraaf 4.1.5. wordt beschreven hoe de voorgenomen ontwikkeling geen beperking oplevert voor het bedrijf.

-(3.7.8. f) De woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat.

In paragraaf 4.1 is beschreven hoe een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

-(3.7.8. g - 13 d) De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.

Met het verwijderen van een groot agrarisch bouwblok worden, naast de eerdere verwijdering van de stallen, de landschappelijke potenties van het landschap verder versterkt. De openheid van het landschap ter plaatse kan niet meer aangetast worden door toekomstige bebouwing.

Structuurvisie gemeente Mill St Hubert

De gemeenteraad van Mill en St Hubert heeft op 29 september 2011 de structuurvisie 'In duurzaam perspectief' vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente haar toekomstvisie en richtingen met betrekking tot de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Bij de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente wordt sterk rekening gehouden met regionale en provinciale ontwikkelingen.

In de structuurvisie wordt de gemeente opgedeeld in een viertal zones. Deze zones zijn inzichtelijk gemaakt in de structuurvisiekaart, behorende bij de structuurvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0006.png"

Uitsnede structuurvisiekaart

Maasterraszone (plangebied):
Het maasterras is een rivieroverstromingsvlakte met daarin een vlechtend stelsel van oude stoomgeulen.

In de maasterraszone onderscheidt de gemeente drie ontwikkelingsgebieden. Het 'Landschapspark Raamvallei' is één van de drie ontwikkelingszones. Daarbinnen valt het plangebied in zijn geheel binnen het Gemeentelijk waardevol landschap 'polder Hollanderbroek'. Kenmerkend voor het deelgebied zijn een karakteristiek strak polderlandschap met slagenverkaveling van uit de randen, extreme openheid en vergezichten en de relicten van de historische moerasbeekloop de Roode Beek. Agrarisch grondgebruik is een belangrijke drager voor dit waardevolle landschap.

Planspecifiek

In relatie tot het initiatief is al een groot aantal bedrijfsschuren gesloopt die gelegen waren in het plangebied. De huidige bedrijfswoning blijft aanwezig in het plangebied en krijgt een nieuwe bestemming. Hierdoor is door het initiatief en de sloop van de schuren een positieve bijdrage geleverd aan het versterken van het zicht op het monumentale polderlandschap vanaf de dorpsrand van St Hubert. De overige gronden houden de agrarische bestemming en gebruik zodat het waardevolle landschap in stand blijft. Het initiatief past hierdoor binnen het beleid van de structuurvisie.

Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit

De gemeenteraad van Mill en St Hubert heeft op 27 september 2012 de beleidsregel 'Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit (IRK) vastgesteld. Deze regeling is op 3 september 2013 gewijzigd en aangevuld. De IRK is een uitvoeringsregel die voortkomt uit paragraaf 8.4 van de structuurvisie 'In duurzaam perspectief'. In de structuurvisie wordt de IRK regeling nog 'Fonds ruimtelijke ontwikkelingen voor kernen en buitengebied' genoemd. De IRK komt voort uit de gedachte van de gemeente dat ieder bouwproject een toegevoegde waarde moet hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en/of leefbaarheid van de kernen of het buitengebied. Ruimtelijke ontwikkelingen met een aanzienlijke impact leveren een (redelijke) financiële bijdrage. Deze bijdrage is gebaseerd op een percentage van de vastgestelde grondwaardevermeerdering.

Planspecifiek

Voor dit wijzigingsplan is een berekening gemaakt op basis van de normbedragen uit de IRK. De berekening is te vinden in bijlage 3 'berekening IRK'. Uit de berekening blijkt dat het initiatief niet hoeft bij te dragen aan de IRK.

Het onttrekken van het bouwvlak binnen de agrarische bestemming zorgt hiervoor. Door de ontwikkeling die met het initiatief gemoeid is, wordt een positieve bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Een extra investering volgens de IRK is daarmee overbodig geworden.

Afsprakenkader uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap, december 2015

In het regionaal overleg 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Het bijgestelde afsprakenkader is in december 2015 vastgesteld.

Uitgangspunt van het afsprakenkader is dat bij niet planmatige ontwikkelingen de tegenprestatie gerelateerd is aan de impact. Hiervoor zijn drie categorieën ingesteld.

cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie

cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing

cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap

Welk ontwikkeling in welke categorie valt is in de bijlage van het afsprakenkader uitgewerkt.

Planspecifiek

Het gaat hierbij om de wijziging van de bestemming agrarisch bedrijf in de bestemming wonen met VAB aanduiding. Het bestemmingsvlak is groter dan 1500 m² maar kleiner dan 5000 m². De overtollige voormalige bedrijfsbebouwing is gesloopt en minder dat 500 m² (te weten 170 m2) voormalige bedrijfsbebouwing resteert. Volgens het afsprakenkader is een landschappelijke inpassing noodzakelijk. In dit specifieke geval wordt hier van af geweken. De reden hiervoor is de ligging in het landschapspak Raamvallei en dan specifiek Polder Hollanderbroek. Kwaliteiten van die polder bestaan uit extreme openheid en vergezichten. Landschappelijk inpassing van de Voordijk 37 aan de oostzijde, betekent dat deze kwaliteiten verminderen en deels vanaf de Voordijk niet meer beleefbaar zijn. Daarnaast is het erf aan de noord, zuid en westzijde reeds landschappelijk ingepast door aanwezigheid van een bomen, hagen, struweel en solitaire boom. Verder landschappelijke inpassing van het erf zou de landschappelijke kwaliteiten aantasten, om die reden wordt dan ook af gezien van een landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

In overeenstemming met de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Hiermee wordt in beeld gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Planspecifiek

Voor dit initiatief is een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot het aspect bodem, dit onderzoek richt zich op de beoogde woonbestemming. Het overig deel van het plangebied (waar voorheen de stallen stonden) is in 2009 in opdracht van de gemeente Mill een verkennend onderzoek uitgevoerd. Na sloop van de stallen zijn er geen potentieel bodembedreigende activiteiten uitgevoerd op het betreffende perceel. Het complete onderzoek naar de bodemkwaliteit voor de beoogde woonbestemming is te vinden in bijlage 1. Uit dit onderzoek blijkt dat plaatselijk bijmengingen met puin in de grond zijn geconstateerd. Ook was er ter plaatse van een tweetal boorpunten verder boren niet mogelijk. Dit laatste had te maken met de aanwezigheid van betonnen fundatieresten van een eerder aanwezige silo. Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van asbest in de bodem plaatsgevonden. Uit bijlage 2 blijkt dat de aangetroffen gehalten ruim onder de gestelde parameters vallen.

Uit beide onderzoeken blijkt dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn ten aanzien van de beoogde woonfunctie op de locatie.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). De grenswaarde hiervan bedraagt 40 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in (paragraaf 5.2). De Wet kent onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de metingen is gebruik gemaakt van de gegevens van het dichtstbijzijnde meetpunt, zoals te zien is in navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0007.png"

Het meetpunt (rode pijl) ten opzichte van het plangebied (rode cirkel), bron: nsl-monitoring.nl

Uit metingen van het rekenpunt 15858653 (aan de R Pastoor Jacobsstraat ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 (Fijn stof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2013 (µg/m3)   20.4 µg/m3   20.3 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3
 

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Met het initiatief worden er geen nieuwe gebouwen of andere objecten aan het plangebied toegevoegd die een bijdrage leveren aan de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • 1. een verzorgingstehuis;
    • 2. een psychiatrische inrichting;
    • 3. een kinderdagverblijf.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Verder gaat de Wgh onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Met betrekking tot het aspect geluid is de aanwezigheid van het naastgelegen akkerbouwbedrijf aan de Voordijk 37 van belang. In paragraaf 4.1.5 milieuzonering wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast is de Voordijk een zonering plichtige weg. Omdat in de huidige situatie al sprake is van een geluidsgevoelige bedrijfswoning en dit in de toekomstige situatie niet verandert is een geluidsonderzoek niet noodzakelijk.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

Planspecifiek

Volgens de Wgv is een woning behorende tot een voormalige veehouderij niet een geurgevoelig object. Ook bij het bestemmen als woning verandert dit niet. De woning is dus niet belemmerend ten opzichte van andere veehouderijen. Ten aanzien van een goed woon en leefklimaat is gekeken naar veehouderijen in de directe omgeving.

In de directe omgeving van het plangebied, aan de Voordijk 31, is een grondgebonden agrarische bestemming aanwezig. De afstand tussen de dichtstbijzijnde schuur en het plangebied bedraagt 123m. Uit de verordening Geurhinder en veehouderijen van de gemeente Mill en Sint Hubert blijkt dat de minimale afstand voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object, voor het buitengebied, 50 meter bedraagt. In paragraaf 4.1.5 milieuzonering wordt nader op het aspect geur ingegaan in relatie tot de maximale mogelijkheden.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.


Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek

Binnen het plangebied blijft door dit wijzigingsplan een milieugevoelig object aanwezig. Dit is de huidige bedrijfswoning. Hierdoor is het van belang om de invloed van omliggende bedrijven te onderzoeken.

De bedrijfswoning aan de Voordijk 37 ligt aan de oostzijde van Sint Hubert. In de omgeving zijn vooral woningen aanwezig. Daarnaast is er direct ten zuidoosten van de bedrijfswoning een agrarisch bedrijf (akkerbouw) Voordijk 39 zonder nevenfuncties gevestigd. Gezien de ligging van de projectlocatie dicht op het naastgelegen bedrijf, is het van belang om te onderzoeken of er belemmeringen voor zowel de functiewijziging tot woning als de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. Belangrijkste punten in dat kader de aspecten geur en geluid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0008.png"

Luchtfoto met naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning rood omcirkeld en het agrarisch bedrijf blauw omcirkeld

Voor het bedrijf Voordijk 39 geldt de bestemming 'Agrarisch'. Hierbinnen zijn agrarisch bodemexploitatie, het voeren van een grondgebonden bedrijf toegestaan, bedrijfsgebonden mestbewerking en –verwerking, extensief recreatief medegebruik en bestaande nevenactiviteiten toegestaan.

Met een afwijkingsmogelijkheid zijn de volgende nevenfuncties en/of verbrede landbouwactiviteiten tevens toegestaan in de bestaande bebouwing:

  • 4. productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekproducten, waarbij de verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 200 m²;
  • 5. dagrecreatieve voorzieningen;
  • 6. verblijfsrecreatie in de vorm van kleinschalig kamperen tot niet meer dan 25 kampeermiddelen;
  • 7. een zorgboerderij, kinderboerderij, educatieve en sociale voorzieningen,
  • 8. statische opslag waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 1.000 m²;
  • 9. bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1);
  • 10. verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van recreatieve nachtverblijven;
  • 11. verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van groepsaccommodatie.

Een van de voorwaarden voor het toepassen van deze afwijkingsmogelijkheid is dat er geen sprake mag zijn van milieuhygiënische belemmeringen.

Andere vormen van agrarische bedrijvigheid (niet grondgebonden, glastuinbouw, intensieve veehouderij en overige niet grondgebonden) zijn alleen mogelijk naar wijziging van de betreffende bestemming.

Grondgebonden bedrijf:

In het bestemmingsplan is grondgebonden bedrijf als volgt gedefinieerd. Agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Agrarisch bedrijf is dan weer gedefinieerd als: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van telen van gewassen of het houden van dieren

Hieronder vallen bedrijven als melkveehouderij, akkerbouwbedrijven, fruitteeltbedrijven, boomkwekerijen of overige graasdierbedrijven (Schapen, Geiten, Paarden, Ezels, Midden-Europese Edelherten, Damherten Waterbuffels, etc.). Het is de vraag of hondenfokkerijen (huisdieren) en dergelijk ook vallen onder bovenstaande definitie, echter maakt dit voor de beoordeling van de ontwikkelingsmogelijkheden niet uit.

Geur

In de Wet geurhinder en veehouderij is aangegeven dat elk gebouw dat mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf een geurgevoelig object is. De bestaande bedrijfswoning is daarmee een geurgevoelig object voor derden. Omliggende bedrijven moeten wat betreft geur al rekening houden met deze woning. De toekomstige burgerwoning blijft een geurgevoelig object. De ontwikkelingsmogelijkheden voor wat betreft bedrijvigheid dit geuruitstoot met zich meebrengt wijzigen niet door de voorgenomen wijziging.

Op het perceel van het zuidelijk gelegen agrarisch bedrijf zijn enkel dieren zonder geuremissiefactor toegestaan, aangezien het perceel in het geldende bestemmingsplan niet is aangeduid als intensieve veehouderij. In de Wet geurhinder en veehouderij is bepaald dat voor dieren zonder geuremissiefactoren (vaste afstandsdieren) vanaf de bebouwde kom een minimale afstand van 100 m geldt (Art. 4 Wgv). Het akkerbouwbedrijf ligt grotendeels binnen de contour van 100 meter vanaf het dichtstbijzijnde geurgevoelig object in de bebouwde kom. Hierdoor is het slecht zeer beperkt mogelijk om dieren te houden op de locatie in de huidige situatie.

Op de bijgevoegde afbeelding zijn de 50 meter contour vanaf de huidige woning en de 100 meter contour vanaf de bebouwde kom weergegeven. Duidelijk is dat de mogelijkheden van de locatie voor vaste afstandsdieren voornamelijk door de aanwezigheid van de bebouwde kom wordt beperkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0009.png"

Luchtfoto plangebied met minimale afstand vaste afstandsdieren (bron: Buro SRO)

Bescherming tegen geurhinder afkomstig van het bedrijfsmatig houden van dieren:

In de huidige situatie is de woning een agrarische bedrijfswoning waardoor geldt dat altijd vaste afstanden van toepassing zijn, ook voor dieren met geuremissiefactoren. In de aangevraagde situatie geldt dat sprake is van een voormalige agrarische bedrijfswoning, en dan zijn eveneens vaste afstanden van toepassing, ook bij dieren met geuremissiefactoren, zoals ook bij woningen die vanaf of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer uitmaken van de veehouderij. Deze woningen moeten wel als zodanig herkenbaar zijn voor de burger-gebruiker, om die reden wordt de aanduiding VAB opgenomen in het plan waarmee duidelijk wordt gemaakt dat het hier een voormalige agrarische bedrijfswoning betreft die een lagere bescherming geniet dan een reguliere burgerwoning in het buitengebied.


Bescherming tegen overige (geur)hinder:

Daarnaast is op het perceel bedrijfsgebonden mestbewerking en –verwerking toegestaan. Ook hiervoor geldt dat in de huidige situatie al rekening gehouden moet worden met de bestaande bedrijfswoning, daarnaast zijn de mogelijkheden voor het houden van dieren zeer beperkt. Bedrijfsgebonden mestbewerking en –verwerking is dan ook niet aannemelijk en wordt niet beperkt door de omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. He bescherming van de voormalige bedrijfswoning aan de Voordijk 37 blijft hetzelfde.

Op het gebied van geur vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het akkerbouwbedrijf.

Geluid

De bestaande bedrijfswoning is een geluidsgevoelig object voor het naastgelegen agrarisch bedrijf volgens het Activiteitenbesluit. Artikel 1.1. geluidgevoelig: . woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting.

Omliggende bedrijven moeten wat betreft geluid al rekening houden met de bestaande woning. Wanneer de woning tot burgerwoning is omgezet is er nog steeds sprake van een geluidsgevoelig object. Ook bij de ontwikkeling van de locatie voor ander toegestaan gebruik is de bestaande situatie maatgevend. In het bestemmingsplan is onderzocht dat de voorkeursafstand van 30 meter tussen het bestaande akkerbouwbedrijf en de beoogde woning weliswaar niet wordt gehaald, maar dat bedrijfsspecifiek onderzoek zie bijlage 3, heeft aangetoond dat een goed woon- en leefklimaat wel gegarandeerd kan worden. Mocht het bedrijf zijn activiteiten uitbreiden of intensiteit vergroten, dan zal net als in de huidige situatie ook rekening gehouden moeten worden met de bestaande bedrijfswoning.

Op het gebied van geluid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel is het zaak de bestaande locatie van de woning vast te leggen zodat het geluidsgevoelig object niet dichter naar het agrarisch bedrijf kan komen en het bedrijf daardoor in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt.

Conclusie

De bedrijfswoning aan de Voordijk 37 is reeds een geur- en geluidsgevoelig object en dit blijft ook het geval in de toekomstige situatie. Het naastgelegen agrarische bedrijf moet al rekening houden met deze woning en met de andere woningen in de directe omgeving. Het agrarische bedrijf wordt door de voorgenomen omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning niet belemmerd indien een bouwvlak strak om de huidige gevels van de woning die in de richting van het agrarisch bedrijf zijn gesitueerd.

Direct naast het plangebied is aan de Voordijk 39 een akkerbouwbedrijf met een agrarisch bouwblok gevestigd. Volgens de VNG normen zou door de aanwezigheid van dit bedrijf wegens akoestisch overlast woningbouw binnen het plangebied niet mogelijk zijn. Voor dit initiatief is daarom een specifiek akoestisch onderzoek uitgevoerd, welke is toegevoegd als bijlage 2. Dit rapport concludeert dat er geen belemmeringen zijn voor de herbestemming naar de bestemming wonen. Bij de toekomstige woonbestemming is er nog steeds sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens concludeert het rapport dat de nieuwe woonbestemming het naastgelegen akkerbouwbedrijf niet (onevenredig) belemmert in zijn bedrijfsvoering.

Om toekomstige hinder van het initiatief op het naastgelegen akkerbouwbedrijf te voorkomen dienen de uitbreidingsmogelijkheden van het hoofdgebouw duidelijk begrenst te worden. Om die reden wordt een bouwvlak opgenomen op de verbeelding en is daardoor uitbreiding/verplaatsing van de woning in de richting van het naastgelegen akkerbouwbedrijf niet mogelijk.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Voor inrichtingen geldt daarnaast dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.0815.BPL17074WST-VA01_0010.png"

De externe veiligheid in de omgeving van Sint Hubert, bron: risicokaart.nl

Uit de bijgevoegde afbeelding is op te maken dat in de (directe) omgeving van het plangebied (blauwe stip) geen sprake is van externe risico's. Daarnaast neemt het aantal personen dat op de locatie verblijft met de voorgenomen functiewijziging niet toe.

De wet- en regelgeving omtrent externe veiligheid staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.1.7 Milieueffectrapportage

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:

  • in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;
  • een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
  • op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling

Een aantal activiteiten op kleinere schaal is m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:

  • als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;
  • als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Planspecifiek

Het onderhavige plan behelst het functioneel wijzigen van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Deze activiteit is niet opgenomen in bijlage C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling kan dan ook achterwege blijven.

4.2 Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterlopen en waterkeringen gelegen. Tevens ligt het plangebied niet in één van de voor water relevante beschermingszones of attentiegebieden. De invloed van de woning op de lokale waterhuishouding zal door dit wijzigingsplan niet veranderen.

Het initiatief is haalbaar met betrekking tot het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermt. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Met het initiatief zijn geen fysieke ingrepen gemoeid. De huidige woning blijft staan en verandert enkel van bestemming. De enige schuur in het plangebied blijft behouden. Er vinden dan ook geen activiteiten plaats waarbij een effect op aanwezige soorten of beschermde natuurgebied te verwachten is.

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Hierbij kan worden gedacht aan ontsluiting, wegenstructuur, parkeren en parkeerbalans.

Planspecifiek

Omdat er met dit initiatief enkel sprake is van een wijziging van de bestemming, verandert er niets aan de feitelijke situatie. De huidige woning zal op dezelfde wijze ontsloten blijven op de Voordijk. In het plangebied zijn reeds voldoende parkeerplaatsen aanwezig, deze blijven ook in de toekomstige situatie behouden.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk ruimtelijk plan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 overgegaan in de Erfgoedwet. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke besluiten) opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. 

Planspecifiek

De belangrijkste ingreep in het plangebied met betrekking tot het aspect cultuurhistorie is reeds voltooid. Het verwijderen van de voormalig bedrijfsbebouwing zorgt voor een toename van het zicht op het monumentale polderlandschap vanaf de Voordijk.

Op nagenoeg het gehele plangebied ligt volgens het geldend een Waarde Archeologie 2 bestemming. Met betrekking tot het initiatief zullen er geen nieuwe gebouwen of andere objecten binnen het plangebied gerealiseerd worden. Daarmee zal de grond ongemoeid blijven. Hiermee is een archeologisch onderzoek voor het initiatief niet van toepassing.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een wijzigingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.12, lid 2 van de Wro.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Voor het wijzigingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Dit wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit wijzigingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.

5.2 Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.

Dit wijzigingsplan is gemaakt op basis van de regels uit het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Mill en Sint Hubert'.

Agrarisch 

De bestemming agrarisch blijft voor een groot deel van het plangebied van toepassing. Wel is het bouwvlak verwijderd. In de regels zijn alleen die regels uit het moederplan overgenomen die betrekking hebben op de onbebouwde grond.

Wonen

De regels uit het moederplan zijn overgenomen. Wel is er in afwijking van de systematiek van het moederplan een bouwvlak rondom de locatie van de huidige woning opgenomen. De belangrijkste reden hiervoor is om ongewenste uitbreiding van de woning in de richting van de weg of het naastgelegen akkerbouwbedrijf, te voorkomen.

5.4 Wijze van bestemmen

Voorliggend wijzigingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • Enkelbestemming Agrarisch;
  • Enkelbestemming Wonen;
  • Dubbelbestemming Waarde Archeologie 2

Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp wijzigingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt dit vooroverleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het wijzigingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpwijzigings dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het wijzigingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het wijzigingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit wijzigingsplan wordt in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de provincie en het waterschap. Van de provincie is de reactie gekomen het aantal te behouden m2 bijgebouw nader te verduidelijken, verder waren er geen bezwaren tegen het plan. Het aantal m2 bijgebouw is zowel in de toelichting als de regels verder verduidelijkt en bepaald op 170 m2.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Vanwege de beperkte omvang van het plan, wordt afgezien van inspraak.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerp wijzigingsplan en bijbehorende stukken hebben van woensdag 11 april 2018 tot en met dinsdag 22 mei 2018 ter inzage gelegen. Gedurende voornoemde termijn was eenieder in de gelegenheid schriftelijk of mondeling zijn zienswijze op het ontwerp wijzigingsplan kenbaar maken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.