direct naar inhoud van Regels
Plan: Wereld van de Efteling 2030
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0809.BPWvdEfteling2030-VA03

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Wereld van de Efteling 2030 van de gemeente Loon op Zand.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0809.BPWvdEfteling2030-VA03 met de bijbehorende regels.

1.3 antennemast

een hoge ondersteuningsconstructie die een antenne draagt.

1.4 aanbouw

een aan een hoofdgebouw toegevoegde, afzonderlijke ruimte die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 aangebouwd bijgebouw

een aan een hoofdgebouw gebouwd bijgebouw, dat een functionele eenheid vormt met het hoofdgebouw, maar dat in bouwkundig opzicht (afmetingen) ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.8 aan-huis-gebonden bedrijf

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten gericht op consumentenverzorging c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.9 aan-huis-gebonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of daarmee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.

1.10 aardkundige waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen dan wel anderszins vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van algemeen belang zijn vanuit aardkundig oogpunt.

1.11 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van telen van gewassen of het houden van dieren, waarbij onderscheid wordt gemaakt in:

  • a. een (vollegronds)teeltbedrijf;
  • b. een veehouderij;
  • c. een glastuinbouwbedrijf;
  • d. een overig agrarisch bedrijf.

agrarisch bedrijf, (vollegronds)teeltbedrijf:

agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

agrarisch bedrijf, veehouderij:

agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.

agrarisch bedrijf, grondgebonden veehouderij:

veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie.

agrarisch bedrijf, intensieve veehouderij:

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderij.

agrarisch bedrijf, glastuinbouwbedrijf:

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt.

agrarisch bedrijf, overig

agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, vollegrondsteeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt, gericht op het telen van vissen, wormen, insecten en/ of gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt.

1.12 archeologische waarden

waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

1.13 archeologische verwachtingswaarden

verwachte aanwezige waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroeger menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

1.14 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

1.15 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.16 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen.

Bedrijfsbebouwing ten behoeve van een veehouderij:

onder bedrijfsbebouwing ten behoeve van een (intensieve) veehouderij wordt verstaan:

  • gebouwen in gebruik voor de huisvesting van vee (niet zijnde hobbyvee);
  • gebouwen in gebruik ten behoeve van de uitoefening van de (intensieve) veehouderij in de brede zin (zoals bijvoorbeeld een machineberging waarin de machines die gebruikt worden ten behoeve van de veeteelt zijn of worden gestald);
  • bouwwerken voor de opslag van mest.

1.17 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.18 bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een gebouw of bouwwerk en/of op een terrein die wordt gebruikt voor de uitoefening een bedrijf, een dienstverlenend bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief (binnen)opslag, rust- en rookruimten, administratieruimten en dergelijke.

1.19 bedrijfsmatig

in uitoefening van een bedrijf.

1.20 bedrijfswoning/dienstwoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

1.21 bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie

het bedrijfsmatig exploiteren en beheren van een verblijfsrecreatief complex, gericht op het jaarlijks aanbieden van recreatief verblijf aan meerdere, steeds wisselende personen.

1.22 bestaande situatie

de bebouwing en het gebruik, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden overeenkomstig Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wet gegeven voorschriften.

1.23 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.24 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.25 bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.26 bijbehorende voorzieningen

voorzieningen, die horen bij de betreffende bedrijfsvoering op gronden (onder andere weg- en waterbouwkundige voorzieningen) en/of bouwvlakken (onder andere opslag en energievoorziening).

1.27 bijgebouw

een op zichzelf staand, vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.28 boerderij of boerderijgebouw

één gebouw, dat bestaat uit één overwegend ongelede (hoofd)bouwmassa, waarbinnen zich de (voormalige) agrarische bedrijfswoning en de (voormalige) agrarische bedrijfsruimten bevinden, zoals bijvoorbeeld een langgevelboerderij of een kortgevelboerderij.

1.29 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.30 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.31 bouwlaag of verdieping(slaag)

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.

1.32 bouwmassa

een complex van aaneen gebouwde bouwwerken.

1.33 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.34 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

1.35 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.36 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.37 brand- of uitkijktoren

een toren die gebruikt wordt om vanuit een hoog punt de wijde omgeving te kunnen bekijken en bewaken.

1.38 café

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

1.39 cultuurhistorische waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.

1.40 dagrecreatie

verblijf buiten de woning voor recreatieve doeleinden zonder dat er een overnachting elders mee gepaard gaat.

1.41 dagrecreatieve voorziening

voorziening ten behoeve van dagrecreatie.

1.42 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.43 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.44 ecologische waarden en kenmerken

aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.

1.45 erfbeplanting

visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie.

1.46 extensief recreatief medegebruik

een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen gegeven doeleinden zoals wandelen, fietsen en dergelijke, al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen substantieel beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en strandjes.

1.47 functie

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

1.48 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.49 gemeenschappelijke voorziening

voorzieningen ten dienste van en ondergeschikt aan de verblijfsrecreatie, zoals een ontvangstkantoor/receptie, kampeerwinkel, ruimtes voor vermaak, sport- en speelvoorzieningen, sanitaire voorzieningen, een zwembad of horeca.

1.50 geluidsgevoelige objecten

woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

1.51 groepsaccommodatie

gebouwen en/of gronden die geheel of gedeeltelijk zijn ingericht om daarin respectievelijk daarop gelegenheid te geven tot recreatief nachtverblijf in groepen, waarbij gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

1.52 herbouw

reconstructie, wederopbouw, opnieuw bouwen.

1.53 hergebruik

gebruik van een bestaande agrarische bouwlocatie (bouwvlak) ofwel een bestaande niet-agrarische bouwlocatie (niet-agrarisch bedrijf of wonen) voor de nieuwvestiging of verplaatsing van een bedrijf.

1.54 hoofdfunctie

een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag worden gebruikt.

1.55 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.56 hotel/pension

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse.

1.57 horeca

bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse, bedrijfsmatig bieden van hotelaccommodatie, bedrijfsmatig bieden van vermaaks- of wellnessfaciliteiten of bedrijfsmatig bieden van congres- of vergaderfaciliteiten, één en ander al dan niet in combinatie met elkaar.

1.58 kampeermiddel
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, bedoeld voor recreatief nachtverblijf.

1.59 kantoor

voorziening gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

1.60 karakteristiek

herkenbaar, markant, wegen schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde van belang.

1.61 kas

agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 m.

1.62 kleinschalig kamperen

kleinschalig recreatief nachtverblijf op gronden met een andere hoofdfunctie, met gebruikmaking kampeermiddelen tot een in de regels aangegeven maximum aantal kampeermiddelen.

1.63 kleinschalig logeren

kleinschalige recreatieve activiteiten in de vorm van logies (en ontbijt) tot een in de regels aangegeven maximum aantal verblijfseenheden, zoals logeren bij de boer.

1.64 (beperkt) kwetsbare objecten

een (beperkt) kwetsbaar object, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.65 landschapselementen

ecologische en/of landschappelijke waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha zonder een agrarische productiefunctie.

1.66 landschappelijke waarden en kenmerken

gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.

1.67 lawaaisporten

het in wedstrijdverband, voorafgaand aan wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van bromfietsen en/of gemotoriseerde voertuigen, waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingslawaai wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de autosport, motorsport (inclusief 4x4-terreinrijden), (model)vliegsport, karting, watersport in de vorm van Jetski’s en soortgelijke geluidsproducerende sporten.

1.68 maatschappelijke voorziening

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorziening.

1.69 manege

een bedrijf dat op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf en de verzorging van paarden.

1.70 mantelzorg

het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.

1.71 natuurwaarden

waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied.

1.72 nutsvoorzieningen

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten.

1.73 ondergeschikte horeca

een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren, zoals een kantine in een verenigingsgebouw of sportvoorziening.

1.74 overbouwing

een bouwwerk, of een deel van een bouwwerk dat geen steun vindt op het maaiveld, met als doel de functie van het maaiveld door te zetten, c.q. met elkaar te verbinden.

1.75 overkapping

een dakconstructie in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

1.76 overstek

een overstekend deel van een dak of gootconstructie, waarbij het overstekende deel niet dieper mag zijn dan 0,5 m.

1.77 peil
  • 1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
  • 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

1.78 paardenbak

een onoverdekte voorziening bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden.

1.79 perceelsindeling

de omvang, vorm en situering van percelen.

1.80 perceelsgrens

de grens van een perceel.

1.81 permanent verblijf

het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als woonruimte op een wijze, die ingevolge de bepalingen van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister van de gemeente waarin dat gebouw is gelegen, of indien betrokkene op meer dan één adres woont, het gebruik van het gebouw of ander onderkomen als verblijf waar betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten, met dien verstande dat van permanent verblijf voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse door betrokkene meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt.

1.82 platte afdekking

een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat.

1.83 plattelandswoning

een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden en die niet wordt beschermd tegen de milieugevolgen van het bijbehorende agrarische bedrijf en die wordt geacht deel uit te maken van de inrichting van het agrarische bedrijf.

1.84 productiegebonden detailhandel

qua oppervlakte beperkte detailhandel van streekproducten en/of eigen goederen/producten vanuit een bedrijf dat die goederen/producten vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

1.85 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.

prostitutie, raamprostitutie:

een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen.

prostitutie, straatprostitutie:

het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken.

1.86 recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.

1.87 recreatief verblijf

het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als woonruimte ten behoeve van niet permanent verblijf.

1.88 recreatieve voorziening

voorzieningen bedoeld voor recreatief gebruik.

1.89 recreatiewoning

woning ten behoeve van recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

1.90 recreatieverblijf

een gebouw of onderkomen, zoals een chalet of stacaravan, bestemd voor recreatieve doeleinden ten dienste van een huishouden dat zijn hoofdverblijf elders heeft, veelal gedurende het zomerseizoen of weekenden.

1.91 restaurant

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken.

1.92 risicovolle inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

1.93 ruimtelijke kwaliteit

kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde.

1.94 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.95 slopen

het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

1.96 sociale en educatieve voorzieningen

een kleinschalige al dan niet gekoppeld aan een agrarisch bedrijf welke is gericht op het (in groepsverband) informeren over landbouw, landschap, natuur en recreatie.

1.97 sportvoorziening

faciliteit, bijvoorbeeld een sportveld, sporthal of soortgelijke accommodatie, waar lichamelijke activiteiten kunnen worden beoefend.

1.98 stacaravans

zie recreatieverblijf.

1.99 standplaats (voor een kampeermiddel)

een afgescheiden, gemarkeerde of anderszins aangegeven plaats op een kampeerterrein voor het tijdelijk plaatsen of geplaatst houden van een mobiel kampeermiddel, waarbij een bijzettentje niet als afzonderlijk kampeermiddel wordt aangemerkt.

1.100 statische (binnen)opslag

(binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto’s, boten, caravans, campers en dergelijke.

1.101 teeltondersteunende voorzieningen

ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij.

(teelt)ondersteunende kas:

een teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden.

teeltondersteunende voorzieningen, permanent:

teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas. Hieronder worden verstaan schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen (> 1,5 meter).

teeltondersteunende voorzieningen, tijdelijk:

teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, voor aaneengesloten periode van maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten.

teeltondersteunende voorzieningen, overig

een permanente (teelt)ondersteunende voorziening c.q. een bouwwerk in de vorm van een hek met afrastering, met een hoogte van niet meer dan 3 m, op boomteelt percelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen worden (boomteelthek en regenkappen).

1.102 uitbouw

de vergroting van een bestaande ruimte in een hoofdgebouw, die qua afmetingen en/of in visueel opzicht (onder meer wat betreft (goot)hoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.103 verblijfseenheden

verblijfsruimte bedoeld voor recreatief nachtverblijf zoals logies en ontbijt of gastenkamers.

1.104 verblijfsrecreatie

het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen. Hieronder worden onder andere verstaan een camping, groepsaccommodatie, etcetera.

1.105 verbrede landbouw

activiteiten bij een agrarisch bedrijf die voortvloeien uit de agrarische bedrijfsvoering en die ten dienste staan van het agrarische bedrijf zoals agro-toerisme, agrarisch natuurbeheer, bewerking en waardevermeerdering van ter plaats geproduceerde producten, productiegebonden/ondergeschikte detailhandel en zorgboerderijen.

1.106 verkoopvloeroppervlakte

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel.

1.107 volwaardig(heid van een) bedrijf

een bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van tenminste één volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen, en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd, dat wil zeggen zowel bedrijfseconomisch als milieuhygiënisch.

1.108 voorgevelrooilijn

de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel (i.c. de meest gezichtsbepalende gevel) van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse bestemmingsgrenzen.

1.109 vormverandering van een bouwvlak

wijziging van de begrenzing van een bouwvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte.

1.110 vrijstaande bebouwing

bebouwing waarbij de hoofdgebouwen aan beide zijden niet zijn gebouwd in de perceelsgrens.

1.111 vrijstaand bijgebouw

een van de woning (en haar aangebouwde bijgebouwen) vrijstaand bijgebouw, dat niet direct ten dienste staat van de woonfunctie, zoals een garage, berging, hobbyruimte en dat zowel wat betreft afmetingen als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.112 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen, die het waterhuishoudkundige belang dienen, zoals watergangen, waterlopen, retentievoorzieningen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop.

1.113 weg

alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

1.114 werk

een werkzaamheid of constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.

1.115 windmolen

bouwwerk bedoeld voor het opwekken van elektriciteit door middel van wind(energie).

1.116 wonen

het gebruik van een complex van ruimten voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

1.117 woning

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één huishouden.

1.118 woonunit

een geprefabriceerd, demontabel en/of relatief eenvoudig te verwijderen gebouw, bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht (met de basisvoorzieningen) ten dienste van een niet permanent (woon)verblijf.

1.119 zorgboerderij

een (voormalige) boerderij - inclusief bijbehorende gebouwen met uitsluitend een dagbestedingsfunctie, bestemd voor opvang van mensen met een zorgvraag waarbij sprake is van een combinatie van zorg en functioneel gebruik van de groene ruimte door het begeleid verrichten van eenvoudige activiteiten gerelateerd aan de boerderij.

1.120 zorgvoorziening

een voorziening ten behoeve van de welzijnszorg, in combinatie met de verzorging/verpleging van mensen op het fysieke, psychische en/of sociale vlak in het kader van de verbetering van hun welzijn, met uitzondering van mantelzorg.

1.121 zorgvuldige veehouderij

veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.

1.122 ingebruikname van gronden

het moment waarop een attractie dan wel recreatief verblijf op de betreffende gronden wordt opengesteld voor publiek.

1.123 Natuurgebied Het Loonsche Land

het natuurgebied 'Het Loonsche Land', dat door middel van arcering is aangeduid op de kaart die als bijlage 4 bij de planregels is gevoegd.

1.124 knierotonde

een variant op een turborotonde, waarbij door het realiseren van meerdere, verspringende, rijstroken een optimale doorstroming wordt gerealiseerd.

1.125 speeltoestel

toestel bestemd voor vermaak of ontspanning met een maximale hoogte van 4 m en waarbij uitsluitend van zwaartekracht of fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt.

1.126 overdekte attractie

een attractie die geheel inpandig wordt gerealiseerd, met dien verstande dat de opstelstrook voor de wachtrij in de openlucht gelegen mag zijn.

1.127 buitenattractie

een attractie die niet inpandig, maar geheel of gedeeltelijk in de openlucht is gelegen.

1.128 inpandig

binnen een gebouw, met dien verstande dat het gebouw met wanden omsloten dient te zijn.

1.129 huisvestingssysteem

Huisvestingssysteem als bedoeld in bijlage 1 Rav.

1.130 Rav

Regeling ammoniak en veehouderij zoals die regeling luidt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand tot de weg

de afstand tot de bebouwing en de as van de weg.

2.2 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.

2.3 bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de grondoppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige gebouwen tezamen.

2.4 bebouwingspercentage

het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.

2.5 breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren.

2.6 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.7 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.8 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.9 inhoud van een gebouw

tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.10 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een agrarische bedrijfsuitoefening, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;
  • b. het houden van bijen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'natuur': tevens ter behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden;
  • d. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • e. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen in de vorm van (erf)beplantingen;
  • g. extensief recreatief medegebruik.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bedraagt niet meer dan 3 m, waarbij geldt dat de oppervlakte niet meer dan 2,5 ha bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van overige teeltondersteunende voorzieningen bedraagt niet meer dan 3 m, waarbij geldt dat de oppervlakte niet meer dan 3 ha bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de afrastering een open karakter dient te hebben.

Artikel 4 Bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven in de vorm van:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf': een loon-, grondverzet-, sloop- en transportbedrijf van ten hoogste categorie 3.2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1;
  • b. niet-agrarische bedrijven in de vorm van:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg': een verkooppunt voor motorbrandstoffen inclusief lpg;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf': een aannemersbedrijf/akoestisch adviesbureau van ten hoogste categorie 3.2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - waterleidingstation': een waterleidingstation;
  • c. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • d. per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning waarbij geldt dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal bedrijfswoningen niet meer bedraagt dan is aangegeven;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoningen zijn toegestaan;
  • e. aan-huis-gebonden beroepen;
  • f. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen in de vorm van (erf)beplantingen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen
  • a. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één bedrijf toegestaan;
  • b. bebouwing is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij anders bepaald;
  • c. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder bedraagt dan 15 m;
    • 2. de afstand van gebouwen tot de grens van het bouwvlak niet minder bedraagt dan 5 m.

4.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de goothoogte bedraagt niet meer dan 7,5 m;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • c. de maximaal te bebouwen oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)'.

4.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 750 m³;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 5,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • d. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30º en niet meer dan 65º;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in sub d mogen aan- en uitbouwen aan de woning worden voorzien van een plat dak waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 3,2 m.

4.2.4 Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. bijgebouwen en overkappingen worden op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning gebouwd, waarbij de afstand tot de woning niet minder bedraagt dan 3 m;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 80 m²;
  • c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in sub c en d mag de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 3,2 m.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. er wordt maximaal één kleine windmolen gebouwd, waarbij geldt dat:
    • 1. de afstand tot de bestemmingsgrens niet minder bedraagt dan de straat van de wieken vermeerderd met 1 m;
    • 2. de bouwhoogte van een kleine windmolen niet meer bedraagt dan 12 m;
  • b. de bouwhoogte van overkappingen ten behoeve van bedrijfsbebouwing bedraagt niet meer dan 6 m;
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 6 m.
4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 4.2.1 onder c.1 voor het bouwen van gebouwen en overkappingen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 4.2.1 onder c.2 voor het bouwen binnen 5 m van de zijdelingse en/of achterste bestemmingsgrens, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.

4.3.2 Vergroting oppervlakte bedrijfsbebouwing

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder c voor het uitbreiden van het bebouwde oppervlak waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de vergroting is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het bedrijf;
  • b. de vergroting vindt plaats binnen het bestaande bestemmingsvlak;
  • c. agrarisch technische hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven zoals genoemd in lid 4.1 onder a mogen uitbreiden met maximaal 25% van de aangegeven bebouwde oppervlakte;
  • d. niet-agrarische bedrijven zoals genoemd in lid 4.1 onder b mogen uitbreiden met maximaal 15% van de aangegeven bebouwde oppervlakte;
  • e. de vergroting past binnen de regionale afspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant;
  • f. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan;
  • g. er is geen sprake van milieuhygiënische belemmeringen.
4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Aan-huis-gebonden beroep

Binnen de bestemming 'Bedrijf' is de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen bij de bedrijfswoning toegestaan, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bedrijfswoning en vrijstaande bijgebouwen tot een maximum van 45 m²;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte;
  • c. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • d. de activiteit wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan huis gebonden beroepsactiviteiten. 

4.4.2 Overige gebruiksregels

Risicovolle inrichtingen, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zijn niet toegestaan, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen met lpg’.

4.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen voor het vestigen van een ander soort bedrijf dan op basis van de bestemmingsomschrijving is toegestaan, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de oppervlakte bedrijfsbebouwing wordt niet vergroot;
  • b. het nieuw te vestigen bedrijf levert naar aard en invloed niet meer milieuhinder voor de omgeving op, waarbij geldt dat deze past in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bijlage;
  • c. risicovolle inrichtingen, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zijn niet toegestaan;
  • d. geluidszoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, zijn niet toegestaan;
  • e. het nieuw te vestigen bedrijf levert geen onevenredige beperking op van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  • f. het nieuw te vestigen bedrijf heeft geen grotere publieks- en/of verkeersaantrekkende werking dan de oorspronkelijk toegestane bedrijfssoort;
  • g. er vindt geen uitbreiding van bestaande detailhandel of nieuwvestiging van detailhandel plaats.

Artikel 5 Bos

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van het bos/bosschages en de bijbehorende bosgroeiplaats;
  • b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de houtteelt/houtproductie;
  • c. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  • d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de ecologische en natuurwaarden;
  • e. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. extensief recreatief medegebruik.
5.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd voor extensief recreatief medegebruik, met uitzondering van speelvoorzieningen, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.

5.3 Specifieke gebruiksregels

Binnen deze bestemmingen is het gebruik van de gronden ten behoeve van lawaaisporten niet toegestaan.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m2 per perceel wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,5 m wordt gewijzigd;
  • b. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,5 m onder maaiveld;
  • c. het aanleggen of verdiepen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels;
  • d. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering;
  • e. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
  • f. het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 m opgaand of dieper dan 0,5 m onder maaiveld wortelend houtgewas met productiefunctie;
  • g. het permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten van grasland naar een ander bodemcultuur;
  • h. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilranden;
  • i. het verwijderen van onverharde wegen of paden;
  • j. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

5.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. voorzover daarvoor op grond van de Ontgrondingenwet een vergunning is vereist.

5.4.3 Toelaatbaarheid

De in lid 5.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden.

Artikel 6 Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. voet- en fietspaden met daarbij behorende voorzieningen;
  • c. inritten;
  • d. speelvoorzieningen;
  • e. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. extensief recreatief medegebruik;
  • g. artistieke kunstwerken;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. hondenuitlaatplaats.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van een gebouw ten dienste van nutsvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 15 m²;
  • b. de bouwhoogte een gebouw ten dienste van nutsvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 m.

6.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van nieuwe verlichtingsarmaturen is niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van (artistieke) kunstwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • d. overkappingen zijn niet toegestaan;
  • e. bestaande verlichtingsarmaturen die aanwezig waren ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen in stand blijven en mogen worden vervangen door nieuwe verlichtingsarmaturen, voor zover de nieuwe verlichtingsarmaturen worden geplaatst op dezelfde locatie als de bestaande verlichtingsarmaturen en niet hoger zijn dan de bestaande verlichtingsarmaturen.
6.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd die waarvoor krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, indien dit noodzakelijk is in verband met het bewerkstelligen van voor de verkeersveiligheid benodigde uitzichthoeken, met name op hoeken van wegen en paden.

6.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden ten dienste van parkeren.

Artikel 7 Horeca

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. horecavoorzieningen in de vorm van een café uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'café';
  • b. per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal bedrijfswoningen niet meer bedraagt dan is aangegeven;
  • c. aan huis gebonden beroepen;
  • d. terras, tuinen, erven en terreinen;
  • e. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen ten behoeve van horeca en/of dagrecreatie;
  • f. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen
  • a. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één horecabedrijf toegestaan;
  • b. gebouwen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak tenzij anders bepaald;
  • c. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd bedraagt niet minder dan 15 m;
  • d. de afstand van gebouwen tot de bestemmingsgrens bedraagt niet minder dan 5 m.

7.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de goothoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • c. het bebouwde oppervlak aan bedrijfsbebouwing en overkappingen bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)'.

7.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 750 m3;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 5,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • d. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30º en niet meer dan 65º;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in lid d mogen aan- en uitbouwen aan de woning worden voorzien van een plat dak waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 3,2 meter.

7.2.4 Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. bijgebouwen en overkappingen worden op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning gebouwd, waarbij de afstand tot de woning niet minder bedraagt dan 3 m;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 80 m2;
  • c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in lid c en d mag de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 3,2 m.

7.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 6 m.
7.3 Afwijkingen van de bouwregels
7.3.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 7.2.1 onder c voor het bouwen van gebouwen en overkappingen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 7.2.1 onder d voor het bouwen binnen 5 m van de zijdelingse en/of achterste bestemmingsgrens, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • c. lid 7.2.5 onder b voor het bouwen van hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximum van 15m.

7.3.2 Vergroting oppervlakte bedrijfsbebouwing

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 7.2.2 onder c voor het uitbreiden van het bebouwde oppervlakte waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de vergroting is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het bedrijf;
  • b. de vergroting vindt plaats binnen het bestaande bestemmingsvlak;
  • c. de vergroting bedraagt maximaal 15% van de aangegeven bebouwde oppervlakte;
  • d. de vergroting past binnen de regionale afspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant;
  • e. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan;
  • f. er is geen sprake van milieuhygiënische belemmeringen.
7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Aan huis gebonden beroepen

Binnen de bestemming 'Horeca' is de uitoefening van aan huis gebonden beroepen bij de bedrijfswoning toegestaan, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bedrijfswoning en vrijstaande bijgebouwen tot een maximum van 45 m2;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • c. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • d. de activiteit wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan huis gebonden beroepsactiviteiten.
7.5 Wijzigingsbevoegdheid
7.5.1 Wijziging ten behoeve van wonen

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige bedrijfswoning met bijhorende tuinen, erven en verhardingen en deze wijziging vindt gelijktijdig plaats met wijziging van de overige gronden naar de aangrenzende bestemming 'Bos' waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de genoemde aangrenzende bestemming, waarbij het bestemmingsvlak voor 'Wonen' maximaal 1.500 m2 mag bedragen;
  • b. de voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, waarbij geldt dat, ofwel 10% van de te slopen oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 850 m2, ofwel 10% van de te slopen oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen worden toegevoegd aan de oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen tot een maximum van 200 m2;
  • c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • d. de woning levert geen onevenredige beperking op van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  • e. de woning is aanvaardbaar uit oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat.

Artikel 8 Maatschappelijk

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen in de vorm van een zorgboerderij, uitsluitend uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij';
  • b. per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal bedrijfswoningen niet meer bedraagt dan is aangegeven;
  • c. aan huis gebonden beroepen;
  • d. terras, tuinen, erven en terreinen;
  • e. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • f. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen
  • a. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één maatschappelijke voorziening toegestaan;
  • b. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd bedraagt niet minder dan 15 m;
  • c. de afstand van gebouwen tot de bestemmingsgrens bedraagt niet minder dan 5 m.

8.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de goothoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • c. het bebouwde oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en overkappingen bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte (m2)’.

8.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 750 m3;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 5,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • d. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30º en niet meer dan 65º;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in lid d mogen aan- en uitbouwen aan de woning worden voorzien van een plat dak waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 3,2 meter;
  • f. de afstand tot de bestemmingsgrens bedraagt niet minder dan 5 m

8.2.4 Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. bijgebouwen en overkappingen worden op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning gebouwd, waarbij de afstand tot de woning niet minder bedraagt dan 3 m;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 80 m²;
  • c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in lid c en d mag de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 3,2 m.

8.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 6 m.
8.3 Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 8.2.1 onder b voor het bouwen van gebouwen en overkappingen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 8.2.1 onder c voor het bouwen binnen 5 m van de zijdelingse en/of achterste bestemmingsgrens, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.

8.3.2 Vergroting oppervlakte bebouwing

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 8.2.2 onder c voor het uitbreiden van het bebouwde oppervlakte waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de vergroting is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het bedrijf;
  • b. de vergroting vindt plaats binnen het bestaande bestemmingsvlak;
  • c. vergroting ten behoeve van de voorzieningen zoals genoemd in lid 8.1 onder a is mogelijk met maximaal 15% van het aangegeven bebouwde oppervlakte;
  • d. de vergroting past binnen de regionale afspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant;
  • e. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan;
  • f. er is geen sprake van milieuhygiënische belemmeringen.
8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Aan huis gebonden beroepen

Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ is de uitoefening van aan huis gebonden beroepen bij de bedrijfswoning toegestaan, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bedrijfswoning en vrijstaande bijgebouwen tot een maximum van 45 m²;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte;
  • c. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • d. de activiteit wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan huis gebonden beroepsactiviteiten.
8.5 Wijzigingsbevoegdheid
8.5.1 Wijzigen ten behoeve van wonen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige bedrijfswoning met bijhorende tuinen, erven en verhardingen en deze wijziging vindt gelijktijdig plaats met wijziging van de overige gronden naar de aangrenzende bestemming ‘Agrarisch’ waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de genoemde aangrenzende bestemmingen waarbij het bestemmingsvlak voor 'Wonen' maximaal 1.500 m² mag bedragen;
  • b. de voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, waarbij geldt dat ofwel 10% van de oppervlakte van de te slopen voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 850 m³, ofwel 10% van de oppervlakte van de te slopen voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen tot een maximum van 200 m²;
  • c. de woning levert geen onevenredige beperking op van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  • d. de woning is aanvaardbaar uit oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat;
  • e. de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden worden niet onevenredig aangetast.

Artikel 9 Natuur

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de ecologische en natuurwaarden;
  • b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  • c. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden;
  • d. het houden van bijen;
  • e. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. extensief recreatief medegebruik.
9.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd voor recreatief medegebruik, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.

9.3 Afwijken van de bouwregels
9.3.1 (Recreatieve) bouwwerken in het Natuurgebied Het Loonsche Land

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 9.2 voor het bouwen van een uitkijktoren en/of schaapkooi in het Natuurgebied Het Loonsche Land waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van de uitkijktoren bedraagt niet meer dan 30 m;
  • b. het bebouwd oppervlak van de uitkijktoren bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • c. de bouwhoogte van de schaapskooi bedraagt niet meer dan 8 m;
  • d. het bebouwd oppervlak van de schaapskooi bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • e. het aantal en de situering van de bouwwerken doen geen onevenredige afbreuk aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische waarden, natuurwaarden en landschappelijke waarden.

9.3.2 (Recreatieve) bouwwerken buiten Natuurnetwerk Brabant

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 9.2 voor het bouwen van een uitkijktoren en speel- en educatieve voorzieningen in de bestemming natuur die niet is begrensd als Natuur Netwerk Brabant waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van de uitkijktoren bedraagt niet meer dan 30 m;
  • b. het bebouwd oppervlak van de uitkijktoren bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • c. het bebouwd oppervlak van speel- en educatieve voorzieningen bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • d. de bouwhoogte van speel- en educatieve voorzieningen bedraagt niet meer dan 10 m.
9.3.3 Overige bouwwerken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 9.2 voor het bouwen van gebouwen ten dienste van slechtweervoorzieningen, recreatief medegebruik en (artistieke) kunstwerken, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de oppervlakte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 15 m²;
  • b. de bouwhoogte een gebouw mag niet meer bedragen dan 5 m;
  • c. het aantal en de situering van de gebouwen doet geen onevenredige afbreuk aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische waarden, natuurwaarden en landschappelijke waarden.
9.4 Specifieke gebruiksregels

Binnen deze bestemmingen is het gebruik van de gronden ten behoeve van lawaaisporten niet toegestaan.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.5.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,5 m wordt gewijzigd;
  • b. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,5 m onder maaiveld;
  • c. het aanleggen of verdiepen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels;
  • d. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering;
  • e. het vellen of rooien van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;
  • f. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
  • g. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
  • h. het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 m opgaand of dieper dan 0,5 m onder maaiveld wortelend houtgewas met productiefunctie;
  • i. het permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten van grasland naar een andere bodemcultuur;
  • j. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilranden;
  • k. het verwijderen van onverharde wegen of paden;
  • l. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen, of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

9.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 9.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale beheer/onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. voorzover daarvoor op grond van de Ontgrondingenwet een vergunning is vereist.

9.5.3 Toelaatbaarheid

De in lid 9.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurwaarden en landschappelijke waarden.

Artikel 10 Recreatie - Dagrecreatie

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Recreatie - Dagrecreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. dagrecreatieve voorzieningen voor 7 miljoen bezoeken per jaar, met dien verstande dat meer dan 6,33 miljoen bezoeken per jaar zijn toegestaan indien is voldaan aan de volgende voorwaarde:

de capaciteit van de bestaande rotondes bij de aansluiting op de N261 ter hoogte van Loon op Zand moet zijn verruimd door twee knierotondes aan te leggen conform de aan de planregels als bijlage 6 aangehechte tekeningen;

  • b. aan de in a genoemde functie gerelateerde voorzieningen zoals horeca;
  • c. verblijfsrecreatieve voorzieningen;
  • d. ter plaatse van de bestemmingen Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie en Recreatie - Sport geldt dat in totaal ten hoogste 5.800 slaapplaatsen/bedden toegestaan zijn;
  • e. (ondersteunende) functies ten behoeve van de bestemmingen Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie en Recreatie - Sport zoals kantoren, opslag- en tijdelijke gronddepots, parkeren, natuur(ontwikkeling), water, groen enzovoort;
  • f. het houden van bijen;
  • g. voorzieningen voor verkeer en verblijf, (onverharde) paden, (openbare) wegen en parkeervoorzieningen;
  • h. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • i. geluidwerende voorzieningen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Algemeen
  • a. de afstand van gebouwen tot de bestemmingsgrens bedraagt niet minder dan 3 m;
  • b. binnen deze bestemming zijn 4 bedrijfswoningen toegestaan.

10.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd met dien verstande dat gebouwde parkeervoorzieningen met een maximale bouwhoogte van ten hoogste 9 m ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan, tenzij anders aangeduid;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • c. daar waar de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' 50 m bedraagt, dient de onderlinge afstand tussen gebouwen minimaal 50 m te bedragen;
  • d. over de totale lengte van het perceel ter plaatse van de aanduidingen 'maximum bouwhoogte (m)' 35 m en 'maximum bouwhoogte (m)' 50 m mag bebouwing over een lengte van maximaal 45% van het perceel boven de boomgrens uitkomen;
  • e. de bebouwde grondoppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' met dien verstande dat gebouwde parkeervoorzieningen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde hierbij niet meetellen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - gebouwde parkeervoorzieningen' zijn gebouwde parkeervoorzieningen niet toegestaan.

10.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 750 m³;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 5,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • d. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30º en niet meer dan 65º;
  • e. in uitzondering op het bepaalde onder d mogen aan- en uitbouwen aan de woning worden voorzien van een plat dak waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 3,2 m.

10.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte overige bouwwerken';
  • c. over de totale lengte van het perceel ter plaatse van de aanduidingen 'maximum bouwhoogte (m)' 35 m en 'maximum bouwhoogte (m)' 50 m mag bebouwing over een lengte van maximaal 45% van het perceel boven de boomgrens uitkomen;
  • d. erf- en terreinafscheidingen, geluidwerende voorzieningen en licht- en vlaggenmasten mogen buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen niet meer dan 3 m bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte van vlaggenmasten niet meer dan 25 m bedraagt;
    • 4. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen en lichtmasten bedraagt ten hoogste 8 meter;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'overkappingen ten behoeve van zonnepanelen' zijn overkappingen ten behoeve van het plaatsen van zonnepanelen toegestaan buiten het bouwvlak, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt.
10.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen te stellen aan verlichting ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' 50 m, zoals het gebruik van armaturen die niet uitstralen naar het Nationaal Park Loonse en Drunense Duinen, op basis van de volgende overwegingen:

  • a. de kernkwaliteiten (landschap en duisternis) van de Loonsche en Drunense Duinen worden daardoor niet aangetast;
  • b. ter plaatse van het Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen is door de initiatiefnemer aangetoond dat de kwalificerende soorten daardoor niet significant worden aangetast.
10.4 Afwijken van de bouwregels
10.4.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 10.2.1 onder a voor het bouwen van gebouwen op de bestemmingsgrens, mits dit een bijdrage levert aan beperking van geluidshinder, ongeoorloofde toetreding en zichtbaarheid in verband met de beleving op het recreatieterrein;
  • b. lid 10.2.2 onder b voor het bouwen van gebouwen tot een maximale bouwhoogte van:
30 m   ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' 60%  
35 m   ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' 11%  
60 m   ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' 11% én de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' 50 m. Hierbij geldt aanvullend dat ten hoogste 2 gebouwen toegestaan zijn met een maximale bouwhoogte van 60 m.  

mits middels onderzoek kan worden aangetoond dat de landschappelijke waarden van de omgeving niet onevenredig worden geschaad;

  • c. lid 10.2.2 onder c voor een onderlinge afstand tussen gebouwen van minder dan 50 m indien door middel van een goedgekeurd beeldkwaliteitsplan is aangetoond dat landschappelijke waarden en stedenbouwkundige kwaliteiten van de omgeving niet onevenredig worden geschaad;
  • d. lid 10.2.2 onder d voor een bebouwde oppervlakte tot een maximum bebouwingspercentage van 70%, met dien verstande dat:
    • 1. deze afwijking alleen van toepassing is daar waar op de verbeelding een maximum bebouwingspercentage van 60% is opgenomen;
    • 2. door middel van een goedgekeurd beeldkwaliteitsplan is aangetoond dat landschappelijke waarden en stedenbouwkundige kwaliteiten van de omgeving niet onevenredig worden geschaad;
  • e. lid 10.2.4 onder b voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot een maximale bouwhoogte van:
30 m   ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' 60%  
35 m   ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' 11%  
60 m   ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' 11% én de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' 50 m. Hierbij geldt aanvullend dat ten hoogste 2 bouwwerken toegestaan zijn met een maximale bouwhoogte van 60 m.  

    • 1.
      mits middels onderzoek kan worden aangetoond dat de landschappelijke waarden van de omgeving niet onevenredig worden geschaad;
  • f. lid 10.2.4 onder c voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen tot een maximale bouwhoogte van 4 m, mits dit noodzakelijk is in verband met beperking van geluidhinder;
  • g. artikel 10.2.4 onder d, onder 4, ten behoeve van lichtarmaturen en lichtmasten hoger dan 8 meter tot ten hoogste 50 meter, met dien verstande dat:
    • 1. geen instraling van licht in woningen optreedt;
    • 2. de lichtuitstraling mag niet zodanig zijn, dat deze leidt tot een aantasting van de milieusituatie ter plaatse van de Loonse en Drunense Duinen en Natuur Netwerk Brabant. De armaturen dienen van de Loonse en Drunense Duinen en Natuur Netwerk Brabant af georiënteerd te worden en er dienen armaturen met een scherpe afsnijding toegepast te worden teneinde lichtuitstraling te beperken dan wel afscherming toe te passen.
10.5 Specifieke gebruiksregels
10.5.1 Voorwaardelijke verplichting verkeersstromen Dodenauweg

De gronden ten westen van de Dodenauweg mogen enkel worden ingericht ten behoeve van de in lid 10.1 genoemde functies nadat ter plaatse van de Dodenauweg zodanige verkeersmaatregelen zijn getroffen dat de verkeersstromen van het Eftelingverkeer en van het overige verkeer elkaar niet gelijkvloers kruisen.

10.5.2 Indoor attracties

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – indoor attracties' zijn uitsluitend overdekte attracties toegestaan. Buitenattracties zijn, met uitzondering van speeltoestellen, niet toegestaan.

10.5.3 Voorwaardelijke verplichting zuidelijke ontsluiting en voldoende parkeervoorzieningen
  • a. Het gebruik van de gronden die in het Beeldkwaliteitsplan Wereld van de Efteling 2030 zijn aangeduid als gebiedspaspoort 8.1 (Efteling Park - Oost) is slechts toegestaan, indien de parkeervoorziening die in het Beeldkwaliteitsplan is aangeduid als gebiedspaspoort 8.10 (Parkeervooziening - Oost) is voltooid;
  • b. Het gebruik van de gronden die in het Beeldkwaliteitsplan Wereld van de Efteling 2030 zijn aangeduid als gebiedspaspoorten 8.2 (Efreling Park - West l), 8.3 (Efteling Park - West ll) en 8.9 (Parkeervoorziening - West) is slechts toegestaan, indien de aanpassingen aan de Heideweg, de Eftelingsestraat en de verbindingsweg van de Eftelingsestraat naar het westelijke parkeerterrein conform de inrichtingstekening, die als bijlage 3 bij de planregels is gevoegd, zijn voltooid.

10.5.4 Voorwaardelijke verplichting groen
  • 1. Het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'minimum percentage groen (%)' is uitsluitend toegestaan indien ten minste het ter plaatse aangegeven percentage aan groen of water is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
  • 2. Voor de uitbreidingen van het attractiepark, zoals weergegeven in gebiedspaspoort 8.1 (Efteling Park - Oost), gebiedspaspoort 8.2 (Efteling Park - West l), gebiedspaspoort 8.3 (Efteling Park - West ll) en gebiedspaspoort 8.9 (Parkeervooziening - West) van het beeldkwaliteitsplan wordt het minimum percentage te realiseren groen of water in de gebieden zoals aangeduid in de hiervoor genoemde gebiedspaspoorten berekend als een percentage van de oppervlakte van het betreffende gebied. De ingebruikname van de gronden gelegen in de gebieden waarvoor de gebiedspaspoorten 8.1, 8.2, 8.3 of 8.9 uit het Beeldkwaliteitsplan van toepassing zijn, is uitsluitend toegestaan indien het minimum percentage groen of water binnen het desbetreffende gebiedspaspoort is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

10.5.5 Voorwaardelijke verplichting vleermuizen en vogels met vaste nestplaatsen

De gronden ten westen van de Dodenauweg waar ontwikkelingen plaatsvinden mogen enkel worden ingericht ten behoeve van de in lid 10.1 genoemde functies nadat uit aanvullend onderzoek ter plaatse naar vleermuizen en vogels met vaste nestplaatsen is gebleken dat mogelijke effecten op deze beschermde soorten de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek dienen voldoende mitigerende en compenserende maatregelen te worden getroffen zodat eventueel benodigde ontheffingen verkregen worden.

10.5.6 Parkeren touringcars

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - parkeren touringcars uitgesloten' is het parkeren van touringcars niet toegestaan.

10.5.7 Recreatieverblijven

De volgende gebruiksregels zijn van toepassing op verblijfsrecreatieve voorzieningen:

  • a. permanente bewoning van recreatieverblijven is niet toegestaan;
  • b. recreatieverblijven dienen bedrijfsmatig te worden geëxploiteerd.

10.5.8 Stiltegebieden

Het gebruik van de gronden met de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' mag niet leiden tot een aantasting van de milieusituatie ter plaatse van het stiltegebied Loonse en Drunense Duinen door bij het realiseren van attracties:

  • a. uitgelokt gegil te oriënteren van de Loonse en Drunense Duinen af;
  • b. uitgelokt gegil op een hoogte hoger dan 25 m af te schermen.
10.6 Afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van alternatieve verkeersmaatregelen in plaats van knierotondes

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 10.1, onder a, door te bepalen dat in plaats van knierotondes alternatieve verkeersmaatregelen gerealiseerd mogen worden, indien op basis van een nader verkeersonderzoek is aangetoond dat bij meer dan 6,33 miljoen bezoeken per jaar door middel van deze alternatieve verkeersmaatregelen een deugdelijke verkeersafwikkeling gegarandeerd is op de aansluiting op de N261 ter hoogte van Loon op Zand.

Artikel 11 Recreatie - Kampeerterrein 4

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Kampeerterrein 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een bedrijfsmatig geëxploiteerd kampeerterrein;
  • b. een caravanstalling;
  • c. per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal bedrijfswoningen niet meer bedraagt dan is aangegeven;
  • d. aan huis gebonden beroepen;
  • e. dagrecreatieve voorzieningen;
  • f. aan de in a en e genoemde functies ondergeschikte horeca;
  • g. het houden van bijen;
  • h. (onverharde) paden, (openbare) wegen en parkeervoorzieningen;
  • i. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • j. groenvoorzieningen.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen
  • a. de afstand tot de bestemmingsgrens bedraagt niet minder dan 10 m;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a, bedraagt de afstand tot de bestemmingsgrens bij bedrijfswoningen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen niet minder dan 5 m;
  • c. per standplaats mogen sanitaire voorzieningen worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m2.

11.2.2 Recreatieverblijven

Voor het bouwen van recreatieverblijven gelden de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal recreatieverblijven bedraagt niet meer dan 1;
  • b. het aantal recreatieverblijven in de vorm van stacaravans/chalets bedraagt niet meer dan 6;
  • c. de bouwhoogte van een recreatieverblijf bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • d. de oppervlakte van een recreatieverblijf bedraagt niet meer dan 106 m2;
  • e. de oppervlakte van recreatieverblijven in de vorm van stacaravans/chalets bedraagt niet meer dan 70 m2.

11.2.3 Gemeenschappelijke voorzieningen

Voor het bouwen van gemeenschappelijke voorzieningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. gemeenschappelijke voorzieningen worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd, met uitzondering van gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte aan gemeenschappelijke voorzieningen, inclusief gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen, bedraagt niet meer dan 915 m2;
  • c. de bouwhoogte van gemeenschappelijke voorzieningen bedraagt niet meer dan 5 m.

11.2.4 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bedrijfswoning wordt uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd
  • b. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 750 m3;
  • c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  • d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8 m;
  • e. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30º en niet meer dan 65º;
  • f. in uitzondering op het bepaalde in lid e mogen aan- en uitbouwen aan de woning worden voorzien van een plat dak waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 3,2 meter.

11.2.5 Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. bijgebouwen worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. bijgebouwen en overkappingen worden op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd, waarbij de afstand tot de woning niet minder bedraagt dan 3 m;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 80 m2;
  • d. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • e. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • f. in uitzondering op het bepaalde in lid d en e mag de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 3,2 m.

11.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 6 m.
11.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 11.2.1 onder a of b voor het bouwen binnen 10 m respectievelijk 5 m van de zijdelingse en/of achterste bestemmingsgrens, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 11.2.6 onder b voor het bouwen van hogere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximum van 15m.
11.4 Specifieke gebruiksregels
11.4.1 Aan huis gebonden beroepen

Binnen de bestemming 'Recreatie - Kampeerterrein 4' is de uitoefening van aan huis gebonden beroepen bij de bedrijfswoning toegestaan, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bedrijfswoning en vrijstaande bijgebouwen tot een maximum van 45 m2;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte;
  • c. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • d. de activiteit wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan huis gebonden beroepsactiviteiten.

11.4.2 Toeristische standplaatsen

Het aantal toeristische standplaatsen mag niet meer bedragen dan 90.

11.4.3 Recreatieverblijven

De volgende gebruiksregels zijn van toepassing op verblijfsrecreatieve voorzieningen:

  • a. permanente bewoning van recreatieverblijven is niet toegestaan;
  • b. recreatieverblijven dienen bedrijfsmatig te worden geëxploiteerd.

Artikel 12 Recreatie - Sport

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Recreatie - Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. sportvoorzieningen in de vorm van sportterreinen en -velden;
  • b. aan de in a genoemde functie gerelateerde voorzieningen zoals een clubhuis en een restaurant;
  • c. ondergeschikte detailhandel met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²;
  • d. verblijfsrecreatieve voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie';
  • e. ter plaatse van de bestemmingen Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie en Recreatie - Sport geldt dat in totaal ten hoogste 5.800 slaapplaatsen/bedden toegestaan zijn;
  • f. (ondersteunende) functies ten behoeve van de bestemmingen Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie en Recreatie - Sport zoals kantoren, opslag- en tijdelijke gronddepots, parkeren, natuur(ontwikkeling), water, groen enzovoort;
  • g. het houden van bijen;
  • h. voorzieningen voor verkeer en verblijf, (onverharde) paden, (openbare) wegen en parkeervoorzieningen;
  • i. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden.
12.2 Bouwregels
12.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bebouwde grondoppervlakte aan gebouwen en overkappingen ten behoeve van sportvoorzieningen bedraagt niet meer dan 2.750 m²;
  • b. de bebouwde grondoppervlakte aan gebouwen en overkappingen ten behoeve van verblijfsrecreatieve voorzieningen bedraagt niet meer dan 7.500 m²;
  • c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 6 m;
  • d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 12 m;
  • e. binnen deze bestemming zijn geen bedrijfswoningen toegestaan.

12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m;
  • b. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 10 m;
  • c. de bouwhoogte van sportgerelateerde voorzieningen zoals vangnetten, hekwerken en dergelijke bedraagt niet meer dan 8 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 4 m.
12.3 Specifieke gebruiksregels
12.3.1 Voorwaardelijke verplichting groen

Het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'minimum percentage groen (%)' is uitsluitend toegestaan indien ten minste het ter plaatse aangegeven percentage aan groen c.q. water gelijktijdig wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Aangezien sprake zal zijn van een fasegewijze ontwikkeling zal het ter plaatse aangegeven percentage worden gerelateerd aan de grondoppervlakte van het te ontwikkelen gebied waardoor het aandeel groen c.q. water toeneemt naarmate het gebied uitontwikkeld wordt om uiteindelijk het ter plaatse aangegeven percentage te bedragen.

12.3.2 Voorwaardelijke verplichting vleermuizen en vogels met vaste nestplaatsen

De gronden ten westen van de Bernsehoef en Duiksehoef waar ontwikkelingen plaatsvinden mogen enkel worden ingericht ten behoeve van de in lid 12.1 genoemde functies nadat uit aanvullend onderzoek ter plaatse naar vleermuizen en vogels met vaste nestplaatsen is gebleken dat mogelijke effecten op deze beschermde soorten de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek dienen voldoende mitigerende en compenserende maatregelen te worden getroffen zodat eventueel benodigde ontheffingen verkregen worden.

12.3.3 Recreatieverblijven

De volgende gebruiksregels zijn van toepassing op verblijfsrecreatieve voorzieningen:

  • a. permanente bewoning van recreatieverblijven is niet toegestaan;
  • b. recreatieverblijven dienen bedrijfsmatig te worden geëxploiteerd.

Artikel 13 Recreatie - Verblijfsrecreatie

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. recreatiebedrijven en/of recreatieterreinen bedoeld voor verblijfsrecreatie;
  • b. recreatieverblijven in vrijstaande, geclusterde of gestapelde vorm;
  • c. ter plaatse van de bestemmingen Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie en Recreatie - Sport geldt dat in totaal ten hoogste 5.800 slaapplaatsen/bedden toegestaan zijn;
  • d. centrale voorzieningen ten behoeve van recreatieverblijven;
  • e. aan de in a genoemde functie gerelateerde voorzieningen zoals horeca;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'hotel': tevens een hotel;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'antennemast': tevens een antennemast;
  • h. ondersteunende dagrecreatieve- en sportvoorzieningen, die ondergeschikt zijn aan de overige toegelaten functies binnen de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', in de vorm van sport- en speelvelden, speeltoestellen, wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en strandjes;
  • i. (ondersteunende) functies ten behoeve van de bestemmingen Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie en Recreatie - Sport zoals kantoren, opslag- en tijdelijke gronddepots, parkeren, natuur(ontwikkeling), water, groen enzovoort;
  • j. het houden van bijen;
  • k. voorzieningen voor verkeer en verblijf, (onverharde) paden, (openbare) wegen en parkeervoorzieningen;
  • l. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden.
13.2 Bouwregels
13.2.1 Algemeen
  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • c. de bebouwde grondoppervlakte bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)'.
  • d. er mogen maximaal 2 bedrijfswoningen worden gerealiseerd met een maximale inhoud van 750 m³ per bedrijfswoning.

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m;
  • b. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 10 m;
  • c. de bouwhoogte van de antennemast ter plaatse van de aanduiding 'antennemast' bedraagt niet meer dan 40 m;
  • d. de bouwhoogte van sportgerelateerde voorzieningen zoals vangnetten, hekwerken en dergelijke bedraagt niet meer dan 8 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 6 m.
13.3 Afwijken van de bouwregels
13.3.1 (Recreatieve) bouwwerken in het Natuurgebied Het Loonsche Land

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 13.2 voor het bouwen van een uitkijktoren en/of schaapkooi in het Natuurgebied Het Loonsche Land waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van de uitkijktoren bedraagt niet meer dan 30 m;
  • b. het bebouwd oppervlak van de uitkijktoren bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • c. de bouwhoogte van de schaapskooi bedraagt niet meer dan 8 ;
  • d. het bebouwd oppervlak van de schaapskooi bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • e. het aantal en de situering van de bouwwerken doen geen onevenredige afbreuk aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische waarden, natuurwaarden en landschappelijke waarden.

13.3.2 (Recreatieve) bouwwerken buiten Natuurnetwerk Brabant

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 9.2 voor het bouwen van een uitkijktoren en speel- en educatieve voorzieningen in de bestemming natuur die niet is begrensd als Natuur Netwerk Brabant waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van de uitkijktoren bedraagt niet meer dan 30 m;
  • b. het bebouwd oppervlak van de uitkijktoren bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • c. het bebouwd oppervlak van speel- en educatieve voorzieningen bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • d. de bouwhoogte van speel- en educatieve voorzieningen bedraagt niet meer dan 10 m.
13.4 Specifieke gebruiksregels
13.4.1 Voorwaardelijke verplichting groen

Het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'minimum percentage groen (%)' is uitsluitend toegestaan indien ten minste het ter plaatse aangegeven percentage aan groen c.q. water gelijktijdig wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Aangezien sprake zal zijn van een fasegewijze ontwikkeling zal het ter plaatse aangegeven percentage worden gerelateerd aan de grondoppervlakte van het te ontwikkelen gebied waardoor het aandeel groen c.q. water toeneemt naarmate het gebied uitontwikkeld wordt om uiteindelijk het ter plaatse aangegeven percentage te bedragen.

13.4.2 Voorwaardelijke verplichting vleermuizen en vogels met vaste nestplaatsen

De gronden ten westen van de Bernsehoef en Duiksehoef waar ontwikkelingen plaatsvinden mogen enkel worden ingericht ten behoeve van de in lid 13.1 genoemde functies nadat uit aanvullend onderzoek ter plaatse naar vleermuizen en vogels met vaste nestplaatsen is gebleken dat mogelijke effecten op deze beschermde soorten de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek dienen voldoende mitigerende en compenserende maatregelen te worden getroffen zodat eventueel benodigde ontheffingen verkregen worden.

13.4.3 Recreatieverblijven

De volgende gebruiksregels zijn van toepassing op verblijfsrecreatieve voorzieningen:

  • a. permanente bewoning van recreatieverblijven is niet toegestaan;
  • b. recreatieverblijven dienen bedrijfsmatig te worden geëxploiteerd.

Artikel 14 Sport - Manege

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Sport - Manege' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een manege;
  • b. één bedrijfswoning waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal bedrijfswoningen niet meer bedraagt dan is aangegeven;
  • c. aan-huis-gebonden beroepen;
  • d. aan de in a genoemde functie ondergeschikte horeca;
  • e. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • f. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen in de vorm van (erf)beplantingen;
  • h. extensief recreatief medegebruik.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Algemeen
  • a. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één bedrijf toegestaan;
  • b. bebouwing is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij anders bepaald;
  • c. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder bedraagt dan 15 m;
    • 2. de afstand van gebouwen tot de grens van het bouwvlak niet minder bedraagt dan 5 m.

14.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de goothoogte bedraagt niet meer dan 7,5 m;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • c. de maximaal te bebouwen oppervlakte aan bedrijfsgebouwen bedraagt 2.050 m².

14.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 750 m³;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 5,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • d. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30º en niet meer dan 65º;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in sub d mogen aan- en uitbouwen aan de woning worden voorzien van een plat dak waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 3,2 m.

14.2.4 Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. bijgebouwen en overkappingen worden op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning gebouwd, waarbij de afstand tot de woning niet minder bedraagt dan 3 m;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 80 m²;
  • c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in sub c en d mag de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 3,2 m.

14.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. er wordt maximaal één kleine windmolen gebouwd, waarbij geldt dat:
    • 1. de afstand tot de bestemmingsgrens niet minder bedraagt dan de straat van de wieken vermeerderd met 1 m;
    • 2. de bouwhoogte van een kleine windmolen niet meer bedraagt dan 12 m;
  • b. de bouwhoogte van overkappingen ten behoeve van bedrijfsbebouwing bedraagt niet meer dan 6 m;
  • c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 6 m.
14.3 Specifieke gebruiksregels

Binnen de bestemming 'Sport - Manege' is de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen bij de bedrijfswoning toegestaan, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bedrijfswoning en vrijstaande bijgebouwen tot een maximum van 45 m²;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte;
  • c. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • d. de activiteit wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepsactiviteiten.

Artikel 15 Tuin

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen en erven met bijbehorende voorzieningen;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. tuinpaden en in- en uitritten;
  • d. bestaande paardenbakken;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
15.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 6 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 6 m.
15.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 15.2:

  • a. lid a voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een hoogte van maximaal 2 m vóór de voorgevel van de woning, mits de erf- en terreinafscheiding een open karakter heeft, de erf- en terreinafscheidingen stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. voor het bouwen van paardenbakken bij de woning, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. per woning is in totaal maximaal 1 paardenbak toegestaan;
    • 2. de oppervlakte bedraagt niet meer dan 800 m²;
    • 3. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt mag niet meer dan 1,7 m;
    • 4. er worden geen lichtmasten opgericht;
    • 5. de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
    • 6. de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden worden niet onevenredig aangetast;
    • 7. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bebouwing op basis van een erfbeplantingsplan.

Artikel 16 Verkeer

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen, bruggen, viaducten, tunnels, bermen, paden en parkeervoorzieningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'overbouwing': tevens een overbouwing ten behoeve van de bestemming in artikel 10 'Recreatie - Dagrecreatie';
  • c. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. kunstwerken;
  • f. behoud van landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in de vorm van wegbeplanting of laanbeplanting;
  • g. openstelling maximaal 74 dagen per jaar: De toegangsweg ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - openstelling maximaal 74 dagen per jaar' mag hoogstens 74 dagen per jaar worden opengesteld voor verkeer. De bebording op de N261 mag het verkeer uitsluitend op de dagen dat de toegangsweg is opengesteld naar de zuidelijke ontsluiting leiden. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "dag" verstaan: de dag dat het attractiepark is opengesteld tot 2:00 uur in de ochtend van de daaropvolgende dag.
16.2 Bouwregels
16.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen van openbaar nut, zoals wachthuisjes voor het openbaar vervoer/ontvangen van recreanten, worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,5 m en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m².

16.2.2 Overbouwing

Voor het bouwen van een overbouwing gelden de volgende voorwaarden:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'overbouwing' zijn de bouwregels van de omliggende percelen met de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie', specifiek artikel 10.2.2 sub b en e en artikel 10.2.4 sub b, van toepassing;
  • b. in aanvulling op de bouwregels zoals genoemd onder a:
    • 1. blijven de gronden tot ten minste 4 m boven maaiveld onbebouwd;
    • 2. vindt de overbouwing geen steun in de gronden met de bestemming 'Verkeer'.

16.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van boven- en ondergrondse kunstwerken, andere masten, informatieborden, verkeerstekens en -regelinstallaties bedraagt niet meer dan 10 m;
  • b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken, waaronder verlichtingsarmaturen, bedraagt niet meer dan 3 m;
  • c. het bouwen van nieuwe verlichtingsarmaturen hoger dan 3 meter is niet toegestaan;
  • d. bestaande verlichtingsarmaturen die hoger zijn dan 3 meter en die aanwezig waren ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mogen in stand blijven en mogen worden vervangen door nieuwe verlichtingsarmaturen, voor zover de nieuwe verlichtingsarmaturen worden geplaatst op dezelfde locatie als de bestaande verlichtingsarmaturen en niet hoger zijn dan de bestaande verlichtingsarmaturen.

Artikel 17 Water

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. waterberging;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. extensief recreatief medegebruik.
17.2 Bouwregels
17.2.1 Algemeen

Er mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals, weg- en waterbouwkundige kunstwerken, ten dienste van de bestemming worden gerealiseerd.

17.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte van de bouwwerken geen gebouw zijnde niet meer mag bedragen dan 3 m.

Artikel 18 Wonen

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. aan-huis-gebonden beroepen;
  • c. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden.
18.2 Bouwregels
18.2.1 Algemeen
  • a. per bestemmingsvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan ter plaatse met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  • b. nieuwbouw van woningen is niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw;
  • c. bij vervangende nieuwbouw mogen de woningen uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen of de bestaande locatie en, ingeval van uitbreiding, daar direct op aansluitend;
  • d. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en/of achterste bestemmingsgrens bedraagt niet minder dan 5 m.

18.2.2 Woningen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de inhoud van een woning bedraagt niet meer dan 750 m³;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m;
  • d. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30º en niet meer dan 65º;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in sub d mogen aan- en uitbouwen aan de woning worden voorzien van een plat dak waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 3,2 m.

18.2.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de woning te gebouwd, waarbij de afstand tot de woning ten minste 1 m en maximaal 30 meter bedraagt;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen binnen het bestemmingsvlak bedraagt per woning:
    • 1. voor bestemmingsvlakken die niet groter zijn dan 800 m² niet meer dan 80 m²;
    • 2. voor bestemmingsvlakken die groter zijn dan 800 m² en niet groter zijn dan 1.000 m² niet meer dan 100 m²;
    • 3. voor bestemmingsvlakken die groter zijn dan 1.000 m² en niet groter zijn dan 1.500 m² niet meer dan 150 m²;
    • 4. voor bestemmingsvlakken die groter zijn dan 1.500 m² niet meer dan 200 m²;

mits het betreffende bestemmingsvlak voor niet meer dan 50% is bebouwd;

  • c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m;
  • e. in uitzondering op het bepaalde in sub c en d mag de bouwhoogte van plat afgedekte bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 3,2 m;
  • f. bij afbraak van een bestaand(e) vrijstaand(e) bijgebouw(en) en overkappingen met een oppervlakte van meer dan 80 m², mag de in sub b genoemde oppervlakte worden verhoogd met 50% van het oppervlak van de te slopen bijgebouwen, met dien verstande dat de in sub b genoemde oppervlakte niet bij de berekening mag worden betrokken. Het maximaal toegestane gezamenlijke oppervlak van de bijgebouwen na afbraak bedraagt niet meer dan 200 m² per woning.

18.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 6 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 6 m.
18.3 Afwijken van de bouwregels
18.3.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van lid 18.2.1 onder d voor het bouwen binnen 5 m van de zijdelingse en/of achterste bestemmingsgrens, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.

18.3.2 Paardenbakken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 18.2.4 voor het bouwen van paardenbakken bij de woning, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. per woning is in totaal maximaal 1 paardenbak toegestaan;
  • b. de oppervlakte bedraagt niet meer dan 800 m²;
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt mag niet meer dan 1,7 m;
  • d. er worden geen lichtmasten opgericht;
  • e. de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  • f. de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden worden niet onevenredig aangetast.

18.3.3 Inhoud woning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 18.2.2 onder a voor het vergroten van de inhoud van bestaande woningen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bestaande woning is gesitueerd op een perceel met een bestemmingsvlak groter dan 1.000 m²;
  • b. het bebouwde oppervlak van de bestaande woning, een aangebouwd gebouw en een bestaand tussenlid daarbij inbegrepen, aanwezig ten van de vaststelling van het bestemmingsplan, mag niet worden uitgebreid;
  • c. de vergroting blijft beperkt tot een dakopbouw;
  • d. de maximaal toelaatbare inhoud wordt begrensd door het bestaande bebouwd oppervlak, als bedoeld onder a en de regels genoemd in lid 18.2.2 onder b en c, maar mag in ieder geval niet groter zijn 1.000 m²;
  • e. het initiatief gaat gepaard met een verbetering van de kwaliteit van het landschap.
18.4 Specifieke gebruiksregels

Binnen de bestemming 'Wonen' is de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen bij de woning toegestaan, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en vrijstaande bijgebouwen tot een maximum van 45 m²;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte;
  • c. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • d. de activiteit wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door de bewoner van de woning;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepsactiviteiten.
18.5 Afwijken van de gebruiksregels
18.5.1 Afwijken aan huis gebonden bedrijven

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 18.1 voor het toestaan van aan-huis-gebonden bedrijven binnen de gebouwen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. er wordt geen afbreuk gedaan aan het karakter van de omgeving;
  • b. er wordt, gelet op de omvang, ligging en wijze van uitoefening, geen onevenredige afbreuk gedaan aan het milieu van de omgeving;
  • c. de vloeroppervlakte die ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten in gebruik is, bedraagt niet meer dan 25 m²;
  • d. aan-huis-gebonden bedrijven zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van bedrijven die zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bijlage;
  • e. er zijn daarvoor geen extra verkeersmaatregelen en parkeervoorzieningen op of aan de openbare weg nodig;
  • f. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan-huis-gebonden bedrijfsactiviteiten.

18.5.2 Kleinschalig logeren en/of kleinschalig kamperen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 18.1 voor het vestigen van een kleinschalige logeervoorziening en/of kleinschalige kampeervoorziening bij de woning, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de woonfunctie blijft op het bestemmingsvlak als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar;
  • b. de activiteit wordt hoofdzakelijk uitgeoefend door een bewoner van de woning;
  • c. het bestemmingsvlak wordt ten behoeve van de voorziening niet uitgebreid;
  • d. ten behoeve van de voorziening wordt geen nieuwe bebouwing opgericht;
  • e. de totale omvang van de kleinschalige logeervoorziening bedraagt niet meer bedraagt dan 5 verblijfseenheden tot een maximum van 250 m² gezamenlijk en maximaal 70 m² per stuk;
  • f. de totale omvang van de kleinschalige kampeervoorziening bedraagt niet meer dan 15 kampeermiddelen alsmede maximaal 25 m² aan algemene voorzieningen in bestaande bebouwing;
  • g. de kleinschalige voorziening heeft geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg. Parkeren vindt plaats op eigen terrein;
  • h. de kleinschalige voorziening is milieuhygiënisch inpasbaar;
  • i. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bebouwing op basis van een erfbeplantingsplan.

Artikel 19 Leiding - Water

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van een afvalwaterleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - water' en de bijbehorende belemmeringenstrook.

19.2 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mogen op of in deze bestemming begrepen grond uitsluitend bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 3 m worden gebouwd ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de ondergrondse leiding(en).

19.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 13.2 voor het bouwen ten behoeve van de overige bestemmingen van deze gronden, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de afvalwaterleiding is gewaarborgd;
  • b. het bevoegd gezag wint schriftelijk advies in bij de betreffende leidingbeheerder.
19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
19.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Leiding - Water' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  • c. diepploegen;
  • d. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
  • f. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur;
  • g. het ophogen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte;
  • h. het aanleggen, verdiepen, vergraven, verruimen, verbreden of dempen van sloten, watergangen, vijvers en overige waterpartijen;
  • i. het aanbrengen van drainage;
  • j. het opslaan van grond en/of goederen.

19.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 19.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

19.4.3 Toelaatbaarheid

De in lid 13.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de leiding zijn gewaarborgd. Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de betreffende leidingbeheerder.

Artikel 20 Waarde - Archeologie - 1

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

20.2 Bouwregels
  • a. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. indien uit het in lid 20.2 onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
20.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 20.2 onder a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
20.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verlagen of verhogen van de grondwaterstand;
  • d. VERVALLEN.

20.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 20.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

20.4.3 Toelaatbaarheid
  • a. de in lid 20.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  • b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

Artikel 21 Waarde - Archeologie - 2

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden.

21.2 Bouwregels
  • a. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en met een diepte van 0,5 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
21.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 21.2 onder a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
21.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verlagen of verhogen van de grondwaterstand;
  • d. VERVALLEN.

21.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 21.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

21.4.3 Toelaatbaarheid
  • a. de in lid 21.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  • b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
21.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Artikel 22 Waarde - Archeologie - 3

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden.

22.2 Bouwregels
  • a. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 5.000 m² en met een diepte van 0,5 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
22.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 22.2 onder a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
22.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en dieper dan 0,5 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verlagen of verhogen van de grondwaterstand;
  • d. VERVALLEN.

22.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 22.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

22.4.3 Toelaatbaarheid
  • a. de in lid 22.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  • b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
22.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Artikel 23 Waarde - Archeologie - 4

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden.

23.2 Bouwregels
  • a. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en met een diepte van 0,5 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
23.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 23.2 onder a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
23.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,5 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
  • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verlagen of verhogen van de grondwaterstand;
  • d. VERVALLEN.

23.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 23.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

23.4.3 Toelaatbaarheid
  • a. de in lid 23.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  • b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
23.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 24 Antidubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 25 Algemene bouwregels

25.1 Bestaande afwijkende maatvoering

In die gevallen, dat de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of bestemmingsgrenzen, ondergrondse bouwdiepte en andere maten, voor zover in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

25.2 Ondergronds bouwen
  • a. bestaande ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan;
  • b. op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen aanwezig zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd. De oppervlakte van ondergrondse bouwwerken telt niet mee bij de berekening van het bebouwingspercentage;
  • c. de verticale diepte bedraagt bij ondergronds bouwen niet meer dan 3,5 m.
25.3 Afwijken regels ondergronds bouwen
  • a. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 25.2 onder b voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw en bijgebouw, mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 25.2 onder c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een verticale diepte van 10 m, mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.
25.4 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. De in artikel 10.1, onder a en c, van de planregels omschreven bestemming mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - voorwaardelijke verplichting zuidelijke ontsluiting en voldoende parkeervoozieningen' slechts gerealiseerd worden en in stand worden gehouden, indien binnen het plangebied op eigen terrein minimaal 1,74 parkeerplaatsen per 1 .000 bezoeken per jaar zijn aangelegd en in stand worden gehouden.

Artikel 26 Algemene gebruiksregels

26.1 Voorwaardelijke verplichting - optimalisatie aansluiting Loon op Zand op N261

Indien de omvang van het Eftelingbezoek 6,54 miljoen bezoeken per jaar bedraagt, dient de capaciteit van de bestaande rotondes op de aansluiting Loon op Zand zodanig te zijn verruimd dat sprake is van een verantwoorde verkeersafwikkeling. Anticiperend hierop dient, indien de omvang van het Eftelingbezoek 6,33 miljoen bezoeken per jaar bedraagt, de omgevingsvergunningenprocedure voor de aanpassing van deze rotondes opgestart te zijn. Zolang geen sprake is van een verantwoorde verkeersafwikkeling op de aansluiting Loon op Zand, mag het Eftelingbezoek niet meer bedragen als 6,54 miljoen bezoeken per jaar.

26.2 Voorwaardelijke verplichting ontsluitingsroute parkeerterrein verblijfsrecreatieve voorzieningen westzijde Bernsehoef en Dodenauweg

De verblijfsrecreatieve voorzieningen ten westen van de Bernsehoef (gebiedspaspoort 8.4 van het Beeldkwaliteitsplan (Efteling verblijf)) mogen uitsluitend gebruikt worden indien:

  • a. de parkeervoorzieningen ten behoeve van deze verblijfsrecreatieve voorzieningen zijn gerealiseerd en daarna onafgebroken in stand worden gehouden op een uitsluitend ten behoeve van deze verblijfsrecreatieve voorzieningen ingericht gedeelte van het Parkeerterrein West (gebiedspaspoort 8.9); en
  • b. het onder a bedoelde gedeelte van het Parkeerterrein West door verblijfsgasten, personeel en leveranciers van de verblijfsrecreatieve voorzieningen niet direct vanaf de Eftelingsestraat kan worden aangereden; en
  • c. het onder a bedoelde gedeelte van het Parkeerterrein West uitsluitend kan worden aangereden vanaf een interne weg over het Eftelingterrein, welke interne weg ontsluit via de Europalaan of de aansluiting op de Eftelingsestraat ter plaatse van gebiedspaspoort 8.2 (zuidelijke ontsluiting); en
  • d. verkeersbewegingen ten behoeve van laden en lossen op het verblijfsrecreatieterrein door verblijfsgasten, personeel en leveranciers uitsluitend plaatsvinden vanaf het onder a bedoelde gedeelte van het Parkeerterrein West, waarbij directe ontsluiting op en/of verkeersuitwisseling met de Eftelingsestraat ter hoogte van het Parkeerterrein West niet mogelijk is.
26.3 Voorwaardelijke verplichting - voldoende milieugebruiksruimte
26.3.1

De ingebruikname van gronden ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande attractiepark zoals aangeduid op pagina 7 van het Beeldkwaliteitsplan als'Efteling Park' en die zijn weergegeven in gebiedspaspoort 8.1 (Efteling Park - Oost), gebiedspaspoort 8.2 (Efteling Park - West l), gebiedspaspoort 8.3 (Efteling Park - West ll) van het Beeldkwaliteitsplan is uitsluitend toegestaan indien:

  • a. het bestaande agrarische gebruik op de percelen, die zijn aangeduid op de kaart die als bijlage 5 bij de planregels is gevoegd, feitelijk is beëindigd en voor zolang dat gebruik gestaakt blijft;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - regeling emissie' het gebruik van diesel niet meer dan 218.650 liter diesel per jaar bedraagt, uitgezonderd het dieselverbruik dat verband houdt met motorvoertuigen die samenhangen met bezoeken;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - regeling emissie' het gebruik van aardgas binnen het plangebied niet meer dan 1.207.054 m3 per jaar bedraagt;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - regeling emissie' maximaal 276.000 kg hout per jaar wordt verbrand. Deze hoeveelheid mag uitsluitend verbrand worden in een biomassacentrale op de huidige locatie;
  • e.  
    • 1. de drijver van de melkrundveehouderij aan de Loonse Molenstraat 45 in Loon op Zand (5175 PS) bij het college van burgemeester en wethouders van Loon op Zand een melding als bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer heeft ingediend die ziet op het veranderen van de werking van deze melkrundveehouderij door een vermindering van het aantal te houden dieren met:
      • ten minste 50 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar in het huisvestingssysteem A3.100; en
      • ten minste 94 stuks melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar in het huisvestingssysteem A1.100;

ten opzichte van de vergunde dieraantallen en huisvestingssystemen zoals die volgen uit de milieuvergunning van 8 augustus 2006 met nummer 0618 opgenomen als Bijlage 8 bij de planregels.

Met deze melding is verzekerd dat sprake is van een afname van ten minste 50 stuks vrouwelijk jongvee en ten minste 46 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar in de betreffende huisvestingssystemen, zoals die volgen uit de Hinderwetvergunning d.d. 10 december 1991 nr. 9139 opgenomen als Bijlage 9 bij de planregels (vergunde rechten op de relevante referentiedatum 7 december 2004);

2. de melding als bedoeld onder e.1 door het college van burgemeester en wethouders schriftelijk is geaccepteerd;

3. uit de melding als bedoeld onder e.1 en de acceptatie als bedoeld onder e.2 blijkt dat de gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging strekt ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande attractiepark zoals in de aanhef van dit artikel 26.3.1 is geformuleerd;

4. het houden van vee in het bedrijf Loonse Molenstraat 45 in Loon op Zand (5175 PS) feitelijk is beëindigd en voor zolang dat gebruik gestaakt blijft.

26.3.2

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het bepaalde in artikel 26.3.1 onder a tot en met d, indien door middel van onderzoek is aangetoond dat dit, met inbegrip van de activiteiten die in de omgevingsvergunning worden toegelaten, geen significant negatieve gevolgen heeft op gevoelige habitats in Natura 2000-gebied Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen.

26.4 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

De bouw van gebouwen, attracties en recreatieverblijven in de nieuw te ontwikkelen deelgebieden waarvoor gebiedspaspoorten zijn opgesteld in het beeldkwaliteitsplan is uitsluitend toegestaan indien op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing' de ruimtelijke inpassing zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan, zie bijlage 2 van deze regels, gelijktijdig wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Aangezien sprake zal zijn van een fasegewijze ontwikkeling zal de landschappelijke inpassing worden gerelateerd aan het te ontwikkelen gebied.

26.5 Voorwaardelijke verplichting - Parkeerterrein West

Het Parkeerterrein West mag niet direct ontsloten worden op de Eftelingsestraat vanuit de zuidzijde maar mag enkel aangereden worden vanaf de interne weg die ter hoogte van de camping aan de Bernsehoef achter de bestaande grondwal komt te liggen.

26.6 Beeldkwaliteit

De ontwikkeling van nieuwe recreatieve voorzieningen in de deelgebieden waarvoor gebiedspaspoorten zijn opgesteld in het beeldkwaliteitsplan is uitsluitend toegestaan indien de ruimtelijke inpassing zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan, zie bijlage 2 van deze regels, is gewaarborgd.

26.7 VERVALLEN
26.8 Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met de gegeven bestemmingen wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden voor de opslag van (aan het oorspronkelijke verkeer onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering;
  • b. het opslaan of storten van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, buiten erven van gebouwen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
26.9 Voorwaardelijke verplichting geluid
  • a. het gebruik van de gronden met de functieaanduiding: 'specifieke vorm van recreatie – voorwaardelijke verplichting geluid' is uitsluitend toegestaan, indien ter plaatse van de in tabel 1 genoemde beoordelingspunten wordt voldaan aan de in die tabel aangegeven grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau.

Tabel 1 Grenswaarden langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

Beoordelingspunt   X   Y   Hoogte   dag   avond   nacht  
  [m]   [m]   [m]   [dB(A)]   [dB(A)]   [dB(A)]  
1   131966,5   407316,1   5   60   55   50  
2   131732,8   407291,7   5   51   48   40  
3   131538,2   407281,9   5   50   50   41  
4   131355,4   407285,4   5   49   48   43  
5   131004,2   407207,7   5   52   50   43  
6   130908,6   407024,6   5   50   47   42  
7   130772,2   407038,8   5   50   49   42  
8   130469,2   406971,8   5   53   52   45  
9   130053,1   407004,7   5   51   49   42  
10   129636,7   406563,5   5   47   45   39  
11   129625,2   406353,3   5   45   45   35  
12   129769,5   405714,5   5   45   45   35  
13   130017,4   405069,3   5   45   45   35  
14   132278,4   405666,6   5   53   52   45  
15   132140,6   406258,5   5   56   52   48  
18   131948,5   407098,3   5   46   45   37  
19   130522,5   406176,7   5   45   45   35  
20   130802,7   405842,2   5   45   45   35  
21   131277,1   405710,6   5   48   40   30  
22   130841,5   405547,6   5   45   45   35  

  • b. de locatie van de beoordelingspunten is weergegeven in Bijlage 7 van deze regels;
  • c. de waarden in de kolommen 'X' en 'Y' betreffen de coördinaten in het systeem van de Rijksdriehoeksmeting.

Artikel 27 Algemene aanduidingsregels

27.1 veiligheidszone - lpg

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - lpg' is geen nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, toegestaan.

27.2 overige zone - in verordening ruimte te verwijderen structuur natuur netwerk brabant

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - in verordening ruimte te verwijderen structuur Natuur Netwerk brabant' wordt de structuur 'Natuur Netwerk Brabant' verwijderd.

27.3 overige zone - in verordening ruimte toe te voegen aanduiding integratie stad - land

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - in verordening ruimte toe te voegen aanduiding integratie stad - land' wordt de aanduiding 'Integratie stad - land' toegevoegd.

27.4 overige zone - vlieggebied

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - vlieggebied - dient het vlieggebied zoals dat is afgebakend in de geldende vergunning gerespecteerd te worden. Dit brengt met zich mee dat bij de ontwikkeling van nieuwe holes de inrichting en situering van de holes en de Tee (afslagplaats) in overleg met de vliegvereniging zodanig gesitueerd en ingericht moeten worden zodat het vlieggebied van de vereniging niet onevenredig beperkt wordt.

27.5 overige zone - zoekgebied trace hoogspanningsverbinding
27.5.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekgebied trace hoogspanningsverbinding' zijn de gronden, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd als zoekgebied voor de ontwikkeling van een hoogspanningsverbinding.

27.5.2 Bouwregels

Op gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekgebied trace hoogspanningsverbinding' zijn geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan die de aanleg, het beheer en het onderhoud van de hoogspanningsverbinding belemmeren.

27.5.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 27.5.2 voor het bouwen ten behoeve van de onderliggende bestemmingen van deze gronden, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de ontwikkeling, het beheer en het onderhoud van een hoogspanningsverbinding is gewaarborgd;
  • b. het bevoegd gezag wint schriftelijk advies in bij de betreffende leidingbeheerder.

27.5.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de aanduiding 'overige zone - zoekgebied trace hoogspanningsverbinding' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien op basis van een inpassingsplan is aangetoond dat ter plaatse geen belemmeringen voor ontwikkelingen (meer) aanwezig zijn.

Artikel 28 Algemene afwijkingsregels

28.1 Algemene afwijkingen

Het bevoegd gezag kan, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, een omgevingsvergunning verlenen voor:

  • a. het afwijken van de in het plan voorgeschreven begrenzing/maatvoering ten aanzien van dakhellingen, aanduidingen, bouwvlakken, goot- en bouwhoogte en bebouwde oppervlakten met ten hoogste 10% wanneer door het toepassen van de afwijking een betere bouwkundige en/of stedenbouwkundige aansluiting ontstaat met bestaande direct aansluitende bouwwerken c.q. gronden;
  • b. het in geringe mate, doch niet meer dan 5 m afwijken van een bestemmingsgrens, van het profiel van een straat, alsmede de vorm van bouwvlakken, voor zover zulks noodzakelijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen;
  • c. het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het bouw- c.q. het bestemmingsvlak en toestaan dat de grenzen van het bouw- c.q. het bestemmingsvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
    • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
    • 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken; mits de bouwgrens met niet meer dan 0,5 m overschrijdend is;
    • 3. balkons mits:
      • de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijdend is;
      • de breedte niet meer dan tweederde van de voorgevelbreedte bedraagt;
  • d. de bestemmingsregels voor het toestaan van meer dan 15 kampeerplaatsen ter plaatse van en/of aansluitend aan een bestemmingsvlak ‘Wonen', waarbij het totaal aantal kampeerplaatsen niet meer bedraagt dan 25;
  • e. de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
      • de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² bedraagt;
      • de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt;
  • f. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
      • ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
      • ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m.
28.2 Voorwaarden afwijking

De in lid 28.1 genoemde omgevingsvergunningen mogen slechts worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 29 Algemene wijzigingsregels

29.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 20 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 20% worden vergroot. Toepassing van deze wijzigingsregel mag niet leiden tot aantasting van het Natuur Netwerk Brabant.

29.2 Wijzigingsbevoegdheid aanpassing situering attracties

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de aanpassing van de positionering van de te realiseren attracties die bestemd zijn voor 'Recreatie - Dagrecreatie' met bouwvlak, waarbij geldt dat:

  • a. de bestemming 'Recreatie-Dagrecreatie' met bouwvlak zoals deze is opgenomen ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan met maximaal 100 m mag worden verschoven in alle windrichtingen voor zover gelegen in het plangebied;
  • b. de gronden die niet langer als 'Recreatie-Dagrecreatie' met bouwvlak bestemd zijn dienen voorzien te worden van de bestemming 'Recreatie-Dagrecreatie' zonder bouwvlak;
  • c. de landschappelijke inpassing van het terrein gewaarborgd dient te blijven;
  • d. uit een akoestisch onderzoek dient te blijken dat de aanpassing van de positionering van de attracties mogelijk is uitgaande van de geldende wet- en regelgeving;
  • e. de inpassing van de infrastructuur gewaarborgd dient te blijven/zijn;
  • f. toepassing van deze wijzigingsregel mag niet leiden tot aantasting van het Natuur Netwerk Brabant.
29.3 Wijziging naar Bos of Natuur

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Agrarisch’ te wijzigen in de bestemming ‘Bos’ en/of ‘Natuur’ ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van bos, landschapselementen en/of de natuur, waarbij de wijziging uitsluitend kan plaatsvinden ten behoeve van de realisatie van vastgesteld natuur- en landschapsbeleid, zoals het beleid voor Natuur Netwerk Brabant en bos-, natuur-, en/of landschapscompensatie.

29.4 Wijziging naar Water

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ‘Agrarisch’ te wijzigen in de bestemming ‘Water’ ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van water, waarbij de wijziging uitsluitend kan plaatsvinden ten behoeve van de realisatie van vastgesteld natuur- en waterbeleid, zoals het beleid voor Natuur Netwerk Brabant, beekherstel, waterberging of waterzuivering.

29.5 Veiligheidszone - lpg

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd dit plan te wijzigen door de aanduiding ‘veiligheidszone - lpg’ te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien dit noodzakelijk is voor de bescherming van het woon- en leefmilieu, of, bij verwijdering, de bescherming van het woon- en leefmilieu ter plaatse niet meer noodzakelijk is.

29.6 Verwijderen aanduiding

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd dit plan te wijzigen door een aanduiding zoals genoemd in de artikelen 3 tot en met 23 en/of 27 te verwijderen, indien het betreffende gebruik definitief is beëindigd danwel de betreffende bebouwing en/of waarden niet meer aanwezig zijn.

Artikel 30 Overige regels

30.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 31 Overgangsrecht

31.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

31.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 32 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Wereld van de Efteling 2030 van de gemeente Loon op Zand'.