Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Hakvoortseweg 26
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0798.BPHakvoortseweg26-VG01
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
 
1.1 plan:
het bestemmingsplan ‘Hakvoortseweg 26’ met identificatienummerNL.IMRO.0798.BPHakvoortseweg26-VG01 van de gemeente Hilvarenbeek;
 
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
 
1.3 bestemmingsplan 'Buitengebied Hilvarenbeek 2014':
het bestemmingsplan 'Buitengebied Hilvarenbeek 2014', zoals vastgesteld door de raad van degemeente Hilvarenbeek op 13 maart 2014, in combinatie met de uitspraak van de AfdelingBestuursrechtspraak Raad van State op 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:641), zoals opgenomen in degeometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagenmet identificatienummer NL.IMRO.0798.BPBGHilvarenbeek-VG04;
 
1.4 AAB:
stichting Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
 
1.5 aan huis verbonden bedrijf:
een bedrijf, gericht op het beroepsmatig verlenen van diensten en zorg of het uitoefenen van(ambachtelijke) bedrijvigheid door middel van handwerk, die door zijn beperkte omvang, door degebruiker van een woning in die woning of bij die woning kan worden uitgeoefend, waarbij dewoning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking ofuitstraling heeft die met de woonfunctie overeenkomt (inclusief kinderopvang in de vorm van eenkindercentrum voor maximaal 6 niet-eigen kinderen);
 
1.6 aan huis verbonden beroep:
een beroep, gericht op het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, zakelijk,maatschappelijk, juridisch, (para)medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, vastgesteldtechnisch ofkunstzinnig of hiermee gelijk te stellen gebied, alsmede gastouderschap, dat door de gebruiker vaneen woning in die woning of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning inoverwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft diemet de woonfunctie overeenkomt;
 
1.7 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regelsregels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
1.8 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
1.9 aangebouwd bijgebouw:
bijgebouw welke rechtstreek toegankelijk is vanuit de woning;
 
1.10 aardkundige waarde:
gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem die eenbepaalde mate van bescherming genieten;
 
1.11 afhankelijke woonruimte:
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeeltevan de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;
 
1.12 afrastering:
hekwerk van gaas of daarmee vergelijkbaar materiaal;
 
1.13 agrarisch bedrijf:
bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van telen van gewassen of hethouden van dieren;
 
1.14 agrarisch technisch hulpbedrijf:
bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aanagrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoalsloonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, metuitzondering van mestbewerking;
 
1.15 agrarisch verwant bedrijf:
bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulierenof niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houdenvan dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, metuitzondering van mestbewerking;
 
1.16 archeologische waarden:
cultuurhistorische waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen vanvroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig het cultuurhistorischerfgoed vertegenwoordigd;
 
1.17 attentiegebied EHS:
gebied gelegen rondom en binnen de ecologische hoofdstructuur waar fysieke ingrepen een negatiefeffect kunnen hebben op de waterhuishouding;
 
1.18 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
1.19 bebouwingsconcentratie:
kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;
 
1.20 bed & breakfast:
een nevenactiviteit met als doel het verstrekken van toeristisch kortdurend verblijf met het serverenvan ontbijt, aan steeds wisselend publiek; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachtingnoodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/ofarbeid;
 
1.21 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, inzamelen,herstellen, verhuren, opslaan en distribueren van goederen, alsmede het bedrijfsmatig verlenen vandiensten, aan huis verbonden beroepen en bedrijven daaronder niet begrepen;
 
1.22 bedrijfsactiviteiten:
handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf;
 
1.23 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
 
1.24 bedrijfsmatige exploitatie van recreatieverblijven:
het via een bedrijf, stichting of ander rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/ exploitatie, datin de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt;
 
1.25 bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishoudenvan) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk moet wordengeacht;
 
1.26 beperkt kwetsbaar object:
de definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
 
1.27 Besluit externe veiligheid inrichtingen:
Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingenmilieubeheer zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het vastgesteld van hetbestemmingsplan;
 
1.28 bestaand:
a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van
het plan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende
vergunning;
b. t.a.v. bebouwing ten behoeve van veehouderijen, niet zijnde bestaande bedrijfswoningen:
1. de bebouwing die op 21 september 2013 aanwezig of in uitvoering was, of
2. de bebouwing die gebouwd mag worden krachtens een verleende
omgevingsvergunning, of
3. de bebouwing die is gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige
en ontvankelijke bouwaanvraag die in overeenstemming is met het geldende
bestemmingsplan per 21 september 2013;
c. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van
inwerkingtreding van het plan;
 
1.29 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
1.30 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
 
1.31 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
1.32 bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om eenomgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
 
1.33 bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan wordenvan het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
 
1.34 boerderijsplitsing:
het - binnen de bestaande (hoofd)bouwmassa - opdelen van een boerderij(gebouw), in niet meerdan 2 woningen;
 
1.35 bos:
elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen enactiviteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwebossen ten behoeve van (een of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu(waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie;
 
1.36 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen en het vergroten van eenbouwwerk;
 
1.37 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
1.38 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogteliggende vloeren of balklagen is begrensd;
 
1.39 bouwmassa:
een complex van aaneengebouwde bouwwerken
 
1.40 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorendebebouwing is toegelaten;
 
1.41 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
 
1.42 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaaldegebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
1.43 bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde verbonden is;1.44 containerveld:
ondersteunende voorzieningen voor het telen van planten, die op de grond worden aangebracht,waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond, veelal van nietopneembare/gesloten verhardingen zoals beton, of van anti-worteldoek met daartussenopneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- en klinkerbestratingen;
 
1.45 cultuurhistorische waarden en kenmerken:
waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met hetbouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historischgeografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;
 
1.46 dagrecreatie:
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachtingniet is toegestaan; huifkarren worden hier mede onder begrepen;
 
1.47 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/ofleveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik ofaanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
1.48 diepploegen en - woelen:
het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel, eventueel tot in de diepere ondergrond;
 
1.49 ecologische verbindingszone:
langgerekt gebied waarbinnen verbindende landschapselementen zijn of worden gerealiseerd;
 
1.50 ecologische waarden:
aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied,waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, dewaterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte enopenheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde;
 
1.51 erfinrichtings- en beplantingsplan:
een plan inzake visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende enoverwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak ofbouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie, incl. de inrichting enhet beheer er van;
 
1.52 evenement:
een georganiseerde publieke gebeurtenis in de vorm van een voor het publiek toegankelijkeverrichting van vermaak in de vorm van sport, spel, cultuur, tradities en dergelijke;
 
1.53 extensief recreatief medegebruik:
die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- enlandschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën en natuurgerichte recreatie zoalsvogelobservatie;
 
1.54 extensieve dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen:
dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen die aansluiten bij het agrarisch bedrijf of bij de natuur- enlandschapsbeleving van het landelijk gebied;
 
1.55 gastouderschap:
de opvang van maximaal 6 kinderen aan huis, inclusief de eigen kinderen;
 
1.56 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wandenomsloten ruimte vormt;
 
1.57 geluidsgevoelige objecten:
woningen, een onderwijsgebouw, een ziekenhuis, een verpleeghuis, een verzorgingstehuis, eenpsychiatrische inrichting, een kinderdagverblijf;
 
1.58 geluidsgevoelige terreinen:
een woonwagenstandplaats en een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip teworden ingenomen;
 
1.59 geluidzoneringsplichtige inrichting:
bedrijven en/of inrichtingen welke zijn genoemd in onderdeel D van bijlage 1 van het Bor;
 
1.60 geomorfologisch:
de vorm van het landschap, ontstaan door geologische processen en beïnvloedt door menselijkhandelen;
 
1.61 geurgevoelige objecten:
gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voormenselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijzevan gebruik, wordt gebruikt;
 
1.62 glastuinbouwbedrijf:
een bedrijf, dat is gericht op het telen van gewassen door in hoofdzaak gebruik te maken vanpermanente kassen of tunnels;
 
1.63 groenblauwe mantel:
gebieden met een belangrijke nevenfunctie voor natuur en water die overwegend grenzen aan deecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszone en die deze verbinden;
 
1.64 groepsaccommodatie/logeergebouw:
een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie door meerdere personen in groepsverband;
 
1.65 grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van hetvoortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf.Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of hetbieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden agrarische bedrijvenzijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven,waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant;
 
1.66 grondgebonden veehouderij
veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijkaangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgevingliggen van de bedrijfslocatie;
 
1.67 grootschalige ontwikkeling
ontwikkeling waarbij, blijkens een economisch effectenonderzoek, de som van het te verwachtenaantal bezoekers en overnachtingen meer dan 150.000 per jaar bedraagt;
 
1.68 GVE (groot vee-eenheid)
optelsom van het aantal landbouwdieren op een bedrijf omgerekend naar de fosfaatproductie vanéén melkkoe;
 
1.69 halfverhard:
een verharding bestaande uit grasbeton of uit kiezel, grind, schelpen en/of gemalen baksteenalsmede vergelijkbare losse materialen;
 
1.70 hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van degeldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken ophet perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
 
1.71 horeca:
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies, dranken, maaltijden en/of geringeetenswaren voor het al dan niet gebruik ter plaatse en/of het exploiteren van zaalaccommodatie,nader te onderscheiden in:
a. horecabedrijf categorie A
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (al dan niet met alsnevenactiviteit het verstrekken van maaltijden voor de consumptie ter plaatse en hetverstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken), zoals een hotel of pension;
b. horecabedrijf categorie B
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie terplaatse (al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholhoudende enalcoholvrije dranken), en dat overdag en in de avonduren geopend kan zijn, zoals eenrestaurant;
c. horecabedrijf categorie C
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van (al dan niet voor consumptie terplaatse) bereide geringe etenswaren (al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken vanveelal alcoholvrije dranken) en dat zowel overdag als in de avonduren geopend kan zijn, zoalseen lunchroom, cafetaria, shoarmazaak;
d. horecabedrijf categorie D
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische dranken voorconsumptie ter plaatse (al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van geringeetenswaren) en het ten gehore brengen van muziek en/of het geven van gelegenheid totdansbeoefening, al dan niet incidenteel met levende muziek gecombineerd en dat in deavond en het begin van de nacht geopend kan zijn, zoals een (eet)café, feestzaal;
e. horecabedrijf categorie E
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische dranken voorconsumptie ter plaatse en het ten gehore brengen van muziek en/of het geven vangelegenheid tot dansbeoefening, al dan niet incidenteel met levende muziek gecombineerden dat aan het eind van de avond en een groot gedeelte van de nacht geopend kan zijn, zoalseen discotheek;
 
1.72 horecalokaliteit:
een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarinhet horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken vanalcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;
 
1.73 houtproductie:
het voortbrengen van hout op bedrijfsmatige wijze door een mede daarop afgestemd duurzaambeheer van bos;
 
1.74 hoveniersbedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het kweken en verkopen van planten en siergewassen en het aanleggenen onderhouden van tuinen en andere groenvoorzieningen;
 
1.75 huishouden:
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlingeverbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatig kamerverhuur wordtdaaronder niet begrepen;
 
1.76 inpandige statische opslag:
het in een gebouw bergen van goederen, die geen regelmatige verplaatsing behoeven, zoals(antieke) auto's, boten en caravans. De opslag mag niet bestemd zijn voor de handel ter plaatse vande opslag, dan wel worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf;
 
1.77 insteek van de watergang:
het begin van het sloottalud;
 
1.78 intensieve veehouderij:
agrarisch bedrijf met een bedrijfvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindten gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-,pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar deaard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebondenmelkrundveehouderij;
 
1.79 kampeerboerderij:
(voormalig) agrarisch bedrijf, waarvan de gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn ingericht om daarinaan steeds wisselende (groepen van) personen gelegenheid te geven tot recreatief nachtverblijf vooreen al dan niet aaneengesloten periode van maximaal 100 dagen;
 
1.80 kampeermiddel:
tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig ofgewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zoverdeze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan welworden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
 
1.81 kampeerplaats:
standplaats voor één of een aantal bij elkaar behorende kampeermiddelen;
 
1.82 kampeerterrein:
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daaropgelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve vanrecreatief verblijf;
 
1.83 kassen:
agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een anderlichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerdeklimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- ofboogkas hoger dan 1,5 meter;
 
1.84 kinderboerderij:
dagrecreatieve voorziening waar boerderijdieren worden gehouden voor de educatie van kinderen,al dan niet in combinatie met speelvoorzieningen en ondersteunende horeca;
 
1.85 kindercentrum:
de opvang van maximaal 6 niet-eigen kinderen;
 
1.86 kleinschalig kamperen:
kleinschalig recreatief nachtverblijf op gronden met een andere hoofdfunctie, waarbij het aantaltoegestane kampeermiddelen is beperkt tot het in de regels genoemde maximum;
 
1.87 koffie-/theetuin:
een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van zwak en niet-alcoholische dranken,met als nevenactiviteit het verstrekken van voor consumptie ter plaatse, bereide etenswaren;
 
1.88 kwaliteitsverbetering:
er is sprake van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiëlekwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatievemogelijkheden van het desbetreffende gebied, waarbij de notitie 'Werkafspraken' als uitgangspuntgeldt. De uitvoering en de instandhouding van de verbetering moet zijn gegarandeerd;
 
1.89 kwetsbaar object:
de definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
 
1.90 landbouwhuisdieren:
rundvee, pluimvee (kippen, eenden, ganzen, kalkoenen, parelhoenders, struisvogels e.d.), varkens,schapen, geiten, pelsdieren, konijnen, paarden, wormen e.d., consumptievissen (meerval, forel,paling, zeebaars, zeebrasem, tilapia e.d.);
 
1.91 landbouwinrichting:
inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken vanlandbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan welactiviteiten die daarmee verband houden worden verricht;
 
1.92 landschappelijke inpassing:
het inpassen van een gebouw of een gebruik in het landschap, waarbij afstemming plaatsvindt op decontext van het landschap door middel van de architectuur van het gebouw en de aanplant vangebiedseigen beplanting waarbij wordt getoetst aan de richtlijnen voor beeldkwaliteit uit hoofdstuk 3van de Structuurvisie buitengebied Hilvarenbeek, zoals opgenomenin Bijlage 6 Structuurvisie buitengebied van de toelichting;
 
1.93 landschappelijke waarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van hetaardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende enniet-levende natuur;
 
1.94 landschapscamping:
kampeerterrein dat gekenmerkt wordt door de beperkte dichtheid en de ligging in of nabij een bos ofnatuurgebied of bij een landgoed, met een in de regels nader bepaalde omvang;
 
1.95 landschapselementen:
ecologische en/of landschappelijk waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen enmoerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha en zonder een agrarische productiefunctie;
 
1.96 landschapsinpassingsplan:
plan waaruit blijkt hoe een gebouw of een gebruik in het landschap wordt ingepast, waarbijafstemming plaatsvindt op de context van het landschap door middel van de architectuur van hetgebouw en de aanplant van gebiedseigen beplanting waarbij wordt getoetst aan de richtlijnen voorbeeldkwaliteit uit hoofdstuk 3 van de Structuurvisie buitengebied Hilvarenbeek, zoals opgenomenin Bijlage 6 Structuurvisie buitengebied van de Toelichting;
 
1.97 lawaaisport:
een sportactiviteit al dan niet individueel of in groepsverband, professioneel of hobbymatig waarbijmotorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingslawaai wordtoverschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport, (model)vliegsport; dejachtsport wordt hier niet onder begrepen;
 
1.98 legaal:
gebouwd in overeenstemming met de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingenomgevingsrecht;
 
1.99 loon(werk)bedrijf:
een agrarisch technisch hulpbedrijf dat – voornamelijk met behulp van verplaatsbare werktuigen -geheel of in overwegende mate diensten verleent aan agrarische bedrijven, hetzij in verband met debodemcultuur, hetzij ter uitvoering van grondwerkzaamheden;
 
1.100 maatschappelijke voorzieningen:
educatieve, sociaal-culturele, sociaal-medische, levensbeschouwelijke, religieuze voorzieningen,onderwijsvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie envoorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, waaronder ook ondergeschiktedetailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen worden verstaan;
 
1.101 manege:
een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheidgeeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf ende verzorging van paarden;
 
1.102 mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychisch en/of sociaal vlak,op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;
 
1.103 mestbewerking:
de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling ofhoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding,hygiënisatie of indamping van mest;
 
1.104 mestverwerking:
het bewerken van mest ten behoeve van het exportwaardig maken daarvan;
 
1.105 minicamping:
een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of een burgerwoning;
 
1.106 natuurwaarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische,bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;
 
1.107 nevenactiviteiten:
een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel opzicht ondergeschikt is aan deop de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel en wordtuitgeoefend door de degene die tevens het (agrarisch) bedrijf uitoefent;
 
1.108 NGE:
Nederlandse Grootte Eenheid, een standaard eenheid voor de bepaling van de omvang van eenagrarisch bedrijf zoals die gehanteerd word door het Landbouw Economisch Instituut (LEI);
 
1.109 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van hetvoortbrengendvermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Nietgrondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: glastuinbouwbedrijven en gebouwgebondenteeltbedrijven en kwekerijen, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, nertsenfokkerijen,viskwekerijen en wormenkwekerijen;
 
1.110 normaal onderhoud en/of landschapsbeheer:
tot het normaal onderhoud en/of landschapsbeheer behoren onder andere:
a. maaien, beweiden en bemesten van grasland;
b. verbeteren van grasland door het scheuren van de grasmat buiten het broedseizoen van
weidevogels en het direct opnieuw inzaaien;
c. ploegen en cultiveren van bouwland niet dieper dan de bouwvoor;
d. verbouwen van akkerbouwgewassen, zoals maïs in wisselteelt;
e. maaien en schonen van sloot en slootkant;
f. vervangen van en onderhoud aan drainage;
g. normaal landschapsonderhoud, waaronder:
1. periodiek uitdunnen en snoeien van houtwal of singel;
2. knotten van bomen;
3. opvullen van open plekken in houtwal of singel;
h. normaal bosbeheer, waaronder;
1. uitdunnen;
2. verwijderen van dode bomen;
i. opslag van agrarische producten en gewassen tussen oogst en afvoer voor een periode van 2
weken;
 
1.111 nutsvoorziening:
gebouwde dan wel ongebouwde voorzieningen ten behoeve van algemene nutsdoeleinden zoals dewatervoorziening, afvalvoorziening, energievoorziening of het (tele)communicatie-verkeer;
 
1.112 omgevingsvergunning:
vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wet algemenebepalingen omgevingsrecht;
 
1.113 ondersteunende horeca:
een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maarwaar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie of een nevenactiviteit een ruimte specifiekheeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren in een aan de hoofdfunctie ofnevenactiviteit ondergeschikte vorm en omvang; verhuur ten behoeve van feesten en partijen valthier niet onder;
 
1.114 overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met deaarde is verbonden;
 
1.115 overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf
agrarisch bedrijf gericht op het telen van vissen, wormen, insecten en gewassen met eenbedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen -niet zijnde kassen- plaatsvindt, nietzijnde veehouderijen;
 
1.116 overkapping/ carport:
een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door degevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw;
 
1.117 overtollige bebouwing:
bebouwing die niet nodig is ten behoeve van de hoofdfunctie en/of de nevenactiviteit; dit houdt indat het bebouwing betreft die niet functioneel verbonden is aan de bedrijfsvoering;
 
1.118 paardenbak:
een onoverdekt al dan niet omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen doorzand of een ander waterdoorlatend materiaal ten behoeve van het africhten, trainen en berijden vanpaarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport;
 
1.119 paardenhouderij:
een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezette houderij voor paarden die uitsluitend of in hoofdzaakis gericht op het fokken, trainen, africhten, berijden en verhandelen van paarden, waarbij tevens alsondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan het geven van instructie aan ruiter en paard. Hierbij zijnpublieks- en/of verkeersaantrekkende activiteiten niet toegestaan.
De paardenhouderijen zijn nader te onderscheiden in:
• productiegerichte paardenhouderij: een paardenhouderij, waar uitsluitend of in hoofdzaak
handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het fokken,
africhten, trainen en verhandelen van paarden;
• gebruiksgerichte paardenhouderij: het bedrijfsmatig, niet op agrarische productie gericht
houden en stallen van paarden en pony's, met als ondergeschikte nevenactiviteit het fokken,
africhten, trainen en berijden van paarden en pony's;
 
1.120 pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid diedirect en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
 
1.121 pension:
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies met als nevenactiviteit het verstrekkenvan maaltijden en/of dranken aan logerende gasten;
 
1.122 pensionstalling:
een agrarisch verwant bedrijf, waarvan de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit hethouden van paarden van derden of het berijden ervan. Hieronder wordt verstaan de verhuur vanstalling met accommodatie en/of weiland en het verzorgen van paarden. Onder pensionstallingwordt geen manege verstaan;
 
1.123 plattelandswoning:
een bij een bedrijf behorende woning die als bedrijfswoning en/of door een derde bewoond magworden, in de zin van artikel 1.1a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
 
1.124 productiegebonden detailhandel:
beperkte, op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een (agrarisch) bedrijf, dat diegoederen teelt/vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij dedetailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;
 
1.125 recreatief medegebruik:
die vormen van openluchtrecreatie, die plaats hebben in een omgeving met een niet-recreatievehoofdfunctie, waarbij het medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en het hoofdgebruik;
 
1.126 recreatief verblijf:
verblijf, inclusief nachtverblijf, voor uitsluitend recreatieve doeleinden door bij voorkeur wisselendehuishoudens of daarmee gelijk te stellen groepen van personen, die hun hoofdverblijf elders hebben;
 
1.127 recreatiewoning:
een gebouw dat dient als recreatiewoonverblijf voor gebruikers die hun hoofdverblijf elders hebben;
 
1.128 recreatiewoningencomplex:
een terrein voor het plaatsen en geplaatst houden van recreatiewoningen;
 
1.129 relatie:
ter plaatse van de aanduiding 'relatie' wordt de verbinding aangegeven tussen twee of meerafzonderlijk begrensde bouwvlakken of bestemmingsvlakken, inclusief de daaraan toegekendeaanduidingen waarmee die bouwvlakken of bestemmingsvlakken één vlak vormen;
 
1.130 reëel agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf dat jaarrond een omvang heeft van ten minste 35 NGE;
 
1.131 reparatieplan:
het bestemmingsplan 'Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan' zoals vastgesteld door deraad van de gemeente Hilvarenbeek d.d. 7 maart 2017;
 
1.132 Reserveringsgebied waterberging:
gebied dat mogelijk in de toekomst noodzakelijk is om wateroverlast uit regionale watersystemen tegen te gaan;
 
1.133 rijhal:
een bedrijfsgebouw of een onderdeel daarvan bedoeld voor het berijden, africhten en latenbewegen van paarden. Hieronder wordt niet begrepen een overdekte longeercirkel of stapmolen;
 
1.134 rijstrook:
strook van de rijbaan van een weg, welke voldoende plaats biedt aan een enkele rij rijdendemotorvoertuigen op meer dan drie wielen, of, indien door middel van markering een bredere strookals rijstrook is aangegeven, die strook;
 
1.135 risicovolle inrichting:
een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
 
1.136 routegebonden horeca:
horeca in de vorm van kleinschalige rustpunten met bijvoorbeeld een terras waar koffie, thee,frisdranken, zwak-alcoholische dranken en kleine versnaperingen verkrijgbaar zijn;
 
1.137 seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hijbedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop,seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam) prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepeneen erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
1.138 slopen:
geheel of gedeeltelijk afbreken;
 
1.139 stacaravan:
een caravan of soortgelijk onderkomen al dan niet op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, nietbestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden alsaanhangsel van een auto te worden voortbewogen, bestemd om uitsluitend door een huishouden ofdaarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende eengedeelte van het jaar bewoond te worden, uitsluitend voor recreatieve doeleinden.
 
1.140 statische opslag:
inpandige opslag van goederen, die geen regelmatige verplaatsing behoeven, zoals (antieke) auto's,boten en caravans en dergelijke. De opslag mag niet bestemd zijn voor de handel ter plaatse van deopslag, dan wel worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf;
 
1.141 streekgebonden producten:
producten, gemaakt met grondstoffen die als streekeigen worden beschouwd en/of volgensstreektraditie geteelde producten, en/of producten die volgens een specifieke bereidingswijze ofreceptuur van een bepaalde regio wordt geproduceerd;
 
1.142 teeltondersteunende kassen:
teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een kas, voor een vollegrondstuinbouwbedrijf ofboomteeltbedrijf. Hieronder worden ook schuurkassen, permanente tunnel- of boogkassenbegrepen;
 
1.143 teeltondersteunende voorzieningen:
voorzieningen in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teeltenworden gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te latenplaatsvinden; te onderscheiden zijn de volgende categorieën:
• laag/ tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,5
m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden,
bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies, acryldoek, lage tunnels;
• laag/ permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal
1,5 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden;
• hoog/ tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal 1,5
m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden,
bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen en schaduwhallen;
• hoog/ permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal
1,5 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld stellingenteelt (bakken in stellingen,
regenkappen);
• overige permanente teeltondersteunende voorziening: boomteelthekken, te weten een
afrastering op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen
worden;
• overige teeltondersteunende voorziening: tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
anders dan de bovenstaande teeltondersteunende voorzieningen bijvoorbeeld stellages met
regenkappen bij de grondgebonden teelt van zachtfruit (waarbij de constructiepalen
permanent aanwezig mogen zijn), boomteelthekken, boomteeltstokken, hagelnetten en
vraatnetten;
 
1.144 tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers:
het tijdelijk huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurendeenkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk teverrichten, voorzover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
 
1.145 trekkershut:
een klein vrijstaand houten gebouw/ blokhut, zonder eigen sanitaire voorzieningen of meteenvoudige sanitaire voorzieningen, bestemd voor verhuur voor recreatieve doeleinden in de vormvan verblijfsrecreatie aan steeds wisselende wandelaars, fietsers, ruiters, kanoërs of autogebruikers,waarbij verhuur aan dezelfde personen maximaal 3 dagen/nachten mag zijn;
 
1.146 tuincentrum:
een kwekerij en een verkoopplaats waar dode en levende artikelen voor verwerking/gebruik in tuinen huis, daaronder ook begrepen dierbenodigdheden voor huisdieren, direct aan particulieren terverkoop worden aangeboden, waarbij een eventueel aanwezige koffiehoek deel uitmaakt terondersteuning van de tuincentrumfunctie;
 
1.147 tunnel(kas):
een werk of bouwwerk voorzien van een bedekking van lichtdoorlatend materiaal en dienend tot hetkweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, plantenof bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegenmilieubelastende stoffen;
 
1.148 vakantieappartement:
recreatiewoning, die deel uitmaakt van een gebouw met meerdere zich boven en naast elkaarbevindende recreatiewoningen;
 
1.149 veehouderij:
agrarisch bedrijf gericht op het houden van dieren met uitzondering van vissen, wormen, slakken eninsecten;
 
1.150 veldschuur:
een vrij in het open veld staande schuur, die wordt of werd gebruikt voor het stallen of het melkenvan vee, dan wel de opslag van agrarische producten of agrarische werktuigen;
 
1.151 verblijfsrecreatie:
recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf, zoals eenrecreatiewoning, groepsaccommodatie/logeergebouw, pension, bed & breakfast, kampeermiddel oftrekkershut door personen die hun hoofdwoonverblijf elders hebben;
 
1.152 verbrede landbouw:
het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwvlak die verbonden zijn aan de aanwezigeagrarische bedrijfsvoering;
 
1.153 verhard:
een verharding, bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmee vergelijkbarevaste/gesloten materialen;
 
1.154 verkoopvloeroppervlak:
de voor het publiek zichtbare en toegankelijke winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;1.154 vloeroppervlak(te):
de totale bebouwde oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt;1.155 volkstuinen:
grond waarop, anders dan ten dienste van een agrarisch bedrijf, op kleine schaal voedings- en/ofsiergewassen worden geteeld en voornamelijk ten eigen behoeve;
 
1.155 vloeroppervlak(te):
de totale bebouwde oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt;
 
1.156 volkstuinen:
grond waarop, anders dan ten dienste van een agrarisch bedrijf, op kleine schaal voedings- en/of siergewassen worden geteeld en voornamelijk ten eigen behoeve;
 
1.157 volwaardig agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf met de omvang van ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbijpassende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen;
 
1.158 voorgevelrooilijn:
de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een afstand vande weg die:
• gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de weg op
het betreffende bouwperceel;
• gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende
bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand;
 
1.159 voorzieningen van openbaar nut:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, hettelecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
 
1.160 vormverandering bouwvlak/bestemmingsvlak:
wijziging van de begrenzing van een bouwvlak respectievelijk bestemmingsvlak zonder dat ditgepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte;
 
1.161 water:
alle water dat zichtbaar (oppervlaktewater) aanwezig is in bijvoorbeeld waterlopen, poelen, vijvers,meren en zeeën, of onzichtbaar (grondwater) aanwezig is zoals freatisch grondwater direct benedenhet maaiveld;
 
1.162 watergang:
een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde waterloop;
 
1.163 waterhuishoudkundige doeleinden:
doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundigekunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d.en waterhuishoudkundige voorzieningen;
 
1.164 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer,waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals infiltratiekratten, wadi's, infiltratiegreppels,doorlatende bestrating en infiltratie- en transportriolen, dijken, dammen, grondwallen, duikers,stuwen, gemalen en inlaten;
 
1.165 werk:
een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde;
 
1.166 woning/ wooneenheid:
een complex van intern met elkaar in verbinding staande ruimten, in een (gedeelte van een) gebouw,uitsluitend geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
 
1.167 (woon)boerderij:
een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen (voormalige)agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid (bouwkarakteristiek waarbij woonen bedrijfsgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen;
 
1.168 woonunit:
een te verplaatsen/ verwijderen bouwwerk bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht tendienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen, niet zijnde een stacaravan ofchalet;
 
1.169 zijdelingse perceelsgrens:
de perceelsgrens die haaks of onder een hoek op de voorgevelrooilijn staat;
 
1.170 zorgboerderij:
een zorgfunctie waarbij de sociaal-medische opvang van personen - al dan niet in de vorm van hetter plaatse woonachtig zijn - gecombineerd wordt met agrarische activiteiten in dié zin dat depersonen behulpzaam zijn bij de agrarische of natuurbeherende activiteiten;
 
1.171 zorgvoorziening:
een voorziening ten behoeve van de welzijnszorg in de vorm van de verzorging/verpleging vanmensen op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, gericht op verbetering van hun welzijn, een enander met uitzondering van mantelzorg;
 
1.172 zorgvuldige veehouderij:
veehouderij die door het treffen van maatregelen onder andere gericht op landschap, het verdersluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier,ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:
de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse bouwperceelgrens tot enig punt van het opdat bouwperceel voorkomende bouwwerk;
 
2.2 bebouwd(e) oppervlak(te) van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;
 
2.3 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
2.4 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmeegelijk te stellen constructiedeel;
 
2.5 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van descheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.6 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, metuitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aarddaarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
2.7 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaartsgeprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van hetbouwwerk;
 
2.8 de hoogte van een windturbine:
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;
 
2.9 peil:
  • voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang van het perceel onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang van het perceel;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
 
2.10 ondergeschikte bouwonderdelen:
bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschiktebouwonderdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen,schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buitenbeschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.
2 Bestemmingsregels
 
Artikel 3 Agrarisch
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarisch gebruik
  2. erfbeplanting en landschappelijke inpassing;
  3. onverharde paden;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
Uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming én binnen een bouwvlak.
 
3.2.3 Bouwen
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van open perceelsafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter;b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2 meter.
 
3.3 Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Strijdig gebruik
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordtonder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/ofopstallen voor:
  1. het bedrijfsmatig houden van dieren;
  2. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  3. detailhandel;
  4. vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  5. woondoeleinden en het bewonen van bedrijfsruimte;
  6. een aan huis verbonden bedrijf;
  7. huisvesting van werknemers;
  8. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan, die een 10-6 risicocontour hebben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt;
  9. mestbe- en -verwerking en vergisting;
  10. een manege;
  11. gebruik dat vergunningplichtig is krachtens het bepaalde in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998, zoals dit luidt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan, niet zijnde:
    1. het bestaande gebruik overeenkomstig de Natuurbeschermingswet 1998;
    2. het gebruik dat vergund is op basis van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998;
  12. het betreden met en beproeven van, racen of crossen met motoren of overige motorvoertuigen (lawaaisporten);
  13. verblijfsrecreatieve doeleinden zoals lig- en/of speelweide, staanplaats voor onderkomens of kamperen;
  14. als wedstrijd- of sportterrein en voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport;
  15. het beproeven en in gebruik hebben van geluidsapparaten en toestellen;
  16. voor het winnen van bosstrooisel of mos;
  17. boomgaarden binnen een afstand van 50 meter tot (bedrijfs)woningen, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, behoudens bestaande en vervanging van bestaande boomgaarden.
Artikel 4 Groen
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het aanbrengen en in stand houden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
een en ander zoals weergegeven in Bijlage 1 bij deze regels en met bijbehorende voorzieningen,waaronder perceelsontsluitingen en sloten.
 
4.2 Bouwregels
Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van erfafscheiding worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 1 meter.
 
Artikel 5 Natuur
 
5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, waaronder (natte) natuurparels;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van de biotopen van flora en fauna;
  3. het als zondanig instandhouden van de niet-beboste gedeelten;
  4. behoud en bescherming van aardkundige waarden;
  5. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landgoed' het behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het landgoed;
  7. extensief recreatief medegebruik en de daarbij behorende voorzieningen, zoals informatievoorzieningen;
  8. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;
  9. doeleinden van openbaar nut; een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals (on)verharde paden;
  10. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals (on)verharde paden.
 
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen
Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming.
 
5.2.2 Nutsvoorzieningen
In afwijking van het voorgaande zijn ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening'nutsvoorzieningen toegestaan, uitsluitend met de bestaande goot- en bouwhoogte als maximum.
 
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende maatvoeringseisen:
  1. de bouwhoogte voor erfafscheidingen bedraagt maximaal 1 m.
 
5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Strijdig gebruik
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordtonder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen het gebruik van gronden enopstallen:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten, (chemisch) afval en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en/ of opstallen;
  2. verblijfsrecreatieve doeleinden zoals lig- en/of speelweide, staanplaats voor onderkomens of kamperen;
  3. voor agrarische doeleinden;
  4. voor het winnen van bosstrooisel of mos;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. voor militaire doeleinden;
  7. het betreden met en beproeven van of racen of crossen met motoren of motorvoertuigen (lawaaisporten);
  8. als wedstrijd- of sportterrein en voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport;
  9. het beproeven en in gebruik hebben van geluidsapparaten en toestellen.
 
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of vanwerkzaamheden
5.4.1 Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden op en in de in lid 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerkenzijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van eenomgevingsvergunning:
  1. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ehs' de verplichting tevens geldt bij de aanleg van oppervlakteverhardingen kleiner dan 100 m2;
  2. aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;
  3. afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  4. diepploegen en diepwoelen van de bodem;
  5. dempen van poelen, sloten en greppels;
  6. vellen of rooien van houtgewas;
  7. het wijzigen van de perceelsindeling, zoals door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
 
5.4.2 Beoordelingscriteria
Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 5.5.1 alleen indien doorde in sublid 5.5.1 genoemde werken of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzijdirect, hetzij indirect de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvendonevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, tenzij hieraan door het stellen vanvoorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
 
5.4.3 Uitzonderingen vergunningplicht
Geen omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 5.4.1 is vereist voor:
  1. werken of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
  2. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden;
  3. werken of werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of
aangevraagde vergunning.
Artikel 6 Wonen
 
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. woningen, met dien verstande dat per bestemmingsvlak maximaal één woning is toegestaan;
  2. een aan huis verbonden beroep;
  3. recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig logeren, met dien verstande dat:
    1. kleinschalig logeren in de vorm van bed & breakfast, appartementen en/of gastenkamers is toegestaan met een slaapvoorziening voor maximaal 3 kamers van maximaal 2 personen per bestemmingsvlak;
    2. de omvang van het kleinschalig logeren niet meer bedraagt dan 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de erfbebouwing, met dien verstande dat dit niet meer mag bedragen dan 150 m²;
    3. kleinschalig logeren zowel in de woning, aangebouwde bijgebouwen én vrijstaande bijgebouwen is toegestaan;
    4. parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden;
    5. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
  4. bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden zoals landschapsvisuele, cultuurhistorische en ecologische waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in Artikel 11, beogen te beschermen;
  5. ontsluitingswegen;
  6. parkeervoorzieningen;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
6.2 Bouwregels
6.2.1 Toegestane bebouwing
Uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming.
 
6.2.2 Woning
Voor woningen geldt het volgende:
  1. de goothoogte bedraagt niet meer dan 6 meter;
  2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 meter;
  3. de inhoud van de woning, inclusief aangebouwde bijgebouwen, bedraagt niet meer dan 750 m³
  4. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30° en niet meer dan 55°;
  5. de afstand van een woning bedraagt minimaal 15 m tot de as van de weg,
  6. de afstand van zowel woningen als aangebouwde bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 5 meter.
 
6.2.3 Vrijstaande bijgebouwen bij woning
Voor vrijstaande bijgebouwen bij een woning gelden de volgende bepalingen:
  1. de gezamenlijke bebouwde oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen bedraagt niet meer dan 473 m², met dien verstande dat het bestemmingsvlak voor niet meer dan 40% mag worden bebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen' de met deze aanduiding aangegeven oppervlakte als maximum;
  3. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter;
  4. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter;
  5. de bijgebouwen moeten uitsluitend minimaal 1 meter achter de voorgevel of het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw worden gesitueerd;
  6. de dakhelling bedraagt minimaal 30°.
 
6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. de bouwhoogte van een erfafscheiding bedraagt niet meer dan:
    1. 1 meter vóór de voorgevellijn;
    2. 2 meter achter de voorgevellijn;
  2. de bouwhoogte van carports en overkappingen bij de woning bedraagt niet meer dan 3 meter;
  3. de bebouwde oppervlakte van carports en overkappingen bij de woning bedraagt niet meer dan 25 m²;
  4. de bouwhoogte van een vrijstaande antennemast bedraagt niet meer dan 18 meter;
  5. de bouwhoogte van een licht- en andere masten bedraagt niet meer dan 8 meter;
  6. de bouwhoogte van een pergola bedraagt niet meer dan 3 meter;
  7. de bouwhoogte van een overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt niet meer dan 1 meter.
 
6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Grotere goot- en/of bouwhoogte
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van hetbepaalde onder 6.2.2 onder a en b, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de grotere goot- en/of bouwhoogte van de woning is stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar;
  2. er is aangetoond dat binnen een jaar na realisatie van de bebouwing sprake zal zijn van een goede landschappelijke inpassing alsmede de instandhouding daarvan.
 
6.3.2 Verkleinen afstand tot perceelsgrenzen
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van hetbepaalde in 6.2.2 teneinde een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens toe te staan voor hetbouwen van de woning, mits voldaan wordt aan de volgende bepalingen:
  1. het is noodzakelijk voor een doelmatige inrichting van het perceel;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  3. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast;
  4. de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden aangetast.
 
6.4 Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Strijdig gebruik
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het wijzigingsplan, als bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordtonder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/ofopstallen voor:
  1. vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  2. bedrijf aan huis.
 
6.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
  1. Binnen één jaar na het onherroepelijk worden van onderhavig bestemmingsplan dient de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 3 te zijn aangelegd.
  2. De landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduidingen 'Groen' en ‘Natuur’ dient na realisatie duurzaam in stand te worden gehouden.
  3. Het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de voor 'Wonen' aangewezen gronden is alleen toegestaan wanneer de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 3 wordt beheerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
 
6.5 Afwijken van de gebruiksregels
6.5.1 Aan huis verbonden bedrijf
Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen van het bepaalde in 6.4.1 onder b teneindeeen aan huis verbonden bedrijf toe te staan, mits:
  1. het ten behoeve van het aan huis verbonden bedrijf in gebruik te nemen bedrijfsvloeroppervlak niet meer bedraagt dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de erfbebouwing, met dien verstande dat de woonfunctie primair en in ruimtelijke zin gehandhaafd blijft;
  2. het aan huis verbonden bedrijf voorkomt in de milieucategorie 1 of 2 van de in Bijlage
    1. opgenomen bedrijfsactiviteiten of kan, voor wat betreft de aard en omvang van demilieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld worden aan een bedrijf behorende tot éénvan die milieucategorieën;
  3. het gebruik geen onevenredige afbreuk veroorzaakt op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans;
  4. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf;
  5. de aard en de activiteiten van het bedrijf niet leiden tot een onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat in de omgeving.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 2
 
7.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daarvoorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de middelhogeverwachtingswaarde en hoge verwachtingswaarde vanwege vindplaats jager / verzamelaars buitennatuurgebieden.
 
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen eisen burgemeester en wethoudersuitsluitend voor gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en vergroting van bestaandegebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij ter realisering bodemroerendewerkzaamheden noodzakelijk zijn, die:
  1. een totale oppervlakte hebben groter dan 2.500 m², en
  2. waarvoor grond op een diepte van 0,5 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd, of
  3. waarvoor grond ter plaatse van de bestemming 'Natuur' op een diepte van 0,1 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd
dat alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch rapportwordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag zullenworden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijnvastgesteld.
 
7.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning
Indien uit dit archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door hetverlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester enwethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen of;
  3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of vanwerkzaamheden
7.3.1 Omgevingsvergunning
Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning devolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm en ter plaatse van de bestemming Natuur niet dieper dan 10 cm onder maaiveld;
  2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 50 cm en ter plaatse van de bestemming Natuur niet dieper dan 10 cm onder maaiveld;
  4. het verlagen van de grondwaterstand over een oppervlakte van 2500 m2.
 
7.3.2 Uitzonderingen
Het verbod, zoals bedoeld in 7.3.1 is niet van toepassing, indien:
  1. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  2. het gaat om het vervangen van bestaande drainages op dezelfde plaats en op maximaal dezelfde diepte;
  3. op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  4. de werken en werkzaamheden:
    1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning;
  5. de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
Artikel 8 Waarde - Archeologie 3
 
8.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daarvoorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van bekende archeologischewaarden en archeologische vindplaats.
 
8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen eisen burgemeester en wethoudersuitsluitend voor gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en vergroting van bestaandegebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij ter realisering bodemroerendewerkzaamheden noodzakelijk zijn, die:
  1. een totale oppervlakte hebben groter dan 100 m², en
  2. waarvoor grond op een diepte van 0,5 meter of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd, of
  3. dat alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
 
8.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning
Indien uit dit archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door hetverlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester enwethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen of;
  3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of vanwerkzaamheden
8.3.1 Omgevingsvergunning
Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning devolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld;
  2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 50 centimeter onder maaiveld;
  4. het verlagen van de grondwaterstand over een oppervlakte van 100 m².
 
8.3.2 Uitzonderingen
Het verbod, zoals bedoeld in 8.3.1 is niet van toepassing, indien:
  1. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  2. het gaat om het vervangen van bestaande drainages op dezelfde plaats en op maximaal dezelfde diepte;
  3. op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  4. de werken en werkzaamheden:
    1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning;
  5. de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijngericht.
3 Algemene regels
 
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoeringis gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buitenbeschouwing.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
 
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordtonder gebruik strijdig met het plan in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen:
  1. ten behoeve van het boren naar gas.
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
 
11.1 overige zone - attentiegebied ehs
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ehs' zijn de gronden tevens bestemdvoor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie, gericht op het verbeterenvan de condities voor de natuur(waarden).
 
11.2 overige zone - beperkingen veehouderijen
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderijen' zijn specifieke regels vantoepassing die zijn opgenomen in artikel 3.
 
11.3 overige zone - historische verkavelingsstructuur
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - historische verkavelingsstructuur' wordt gestreefd naarbehoud, beheer en herstel van de historische verkavelingsstructuur uit oogpunt van cultuurhistorische waarden.
 
11.4 Reserveringsgebied waterberging
Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - reserveringsgebied waterberging’ strekt de bestemming mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.
 
11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of vanwerkzaamheden
11.5.1 Omgevingsvergunningsplicht
Het is verboden op en in de hierna genoemde gronden de volgende werken, geen bouwwerkenzijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van eenomgevingsvergunning:
 
Aanduidingen / Activiteiten

abcdefghij
overige zone - attentiegebied ehs

+-+++++---
overige zone - historische verkavelingsstructuur

----+----+
overige

--+------+
  
+ omgevingsvergunning vereist
- toegestaan (zonder omgevingsvergunning)
  1. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ehs' de verplichting geldt bij de aanleg van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m2;
  2. aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;
  3. afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
  4. diepploegen en diepwoelen van de bodem;
  5. dempen van poelen, sloten en greppels;
  6. aanleggen van drainage;
  7. verlagen van de waterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties;
  8. beplanten van gronden met houtgewas hoger dan 1,3 meter;
  9. vellen of rooien van houtgewas;
  10. het wijzigen van de perceelsindeling, zoals door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
 
11.5.2 Beoordelingscriteria
Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 11.5.1 alleen indien door de in sublid 11.5.1 genoemde werken of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzijdirect, hetzij indirect de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvendonevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, tenzij hieraan door het stellen vanvoorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen
.
11.5.3 Uitzonderingen vergunningplicht
Geen omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 11.5.1 is vereist voor:
  1. werken of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
  2. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden;
  3. werken of werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning;

4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of
  2. veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig afwijken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  3. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
12.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:Regels van het bestemmingsplan "Hakvoortseweg 26, Biest-Houtakker".