1.1 plan:
het bestemmingsplan ‘Hakvoortseweg 26’ met identificatienummerNL.IMRO.0798.BPHakvoortseweg26-VG01 van de gemeente Hilvarenbeek;
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
1.3 bestemmingsplan 'Buitengebied Hilvarenbeek 2014':
het bestemmingsplan 'Buitengebied Hilvarenbeek 2014', zoals vastgesteld door de raad van degemeente Hilvarenbeek op 13 maart 2014, in combinatie met de uitspraak van de AfdelingBestuursrechtspraak Raad van State op 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:641), zoals opgenomen in degeometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagenmet identificatienummer NL.IMRO.0798.BPBGHilvarenbeek-VG04;
1.4 AAB:
stichting Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
1.5 aan huis verbonden bedrijf:
een bedrijf, gericht op het beroepsmatig verlenen van diensten en zorg of het uitoefenen van(ambachtelijke) bedrijvigheid door middel van handwerk, die door zijn beperkte omvang, door degebruiker van een woning in die woning of bij die woning kan worden uitgeoefend, waarbij dewoning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking ofuitstraling heeft die met de woonfunctie overeenkomt (inclusief kinderopvang in de vorm van eenkindercentrum voor maximaal 6 niet-eigen kinderen);
1.6 aan huis verbonden beroep:
een beroep, gericht op het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, zakelijk,maatschappelijk, juridisch, (para)medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, vastgesteldtechnisch ofkunstzinnig of hiermee gelijk te stellen gebied, alsmede gastouderschap, dat door de gebruiker vaneen woning in die woning of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning inoverwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft diemet de woonfunctie overeenkomt;
1.7 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regelsregels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.8 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.9 aangebouwd bijgebouw:
bijgebouw welke rechtstreek toegankelijk is vanuit de woning;
1.10 aardkundige waarde:
gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem die eenbepaalde mate van bescherming genieten;
1.11 afhankelijke woonruimte:
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeeltevan de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;
1.12 afrastering:
hekwerk van gaas of daarmee vergelijkbaar materiaal;
1.13 agrarisch bedrijf:
bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van telen van gewassen of hethouden van dieren;
1.14 agrarisch technisch hulpbedrijf:
bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aanagrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoalsloonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, metuitzondering van mestbewerking;
1.15 agrarisch verwant bedrijf:
bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulierenof niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houdenvan dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, metuitzondering van mestbewerking;
1.16 archeologische waarden:
cultuurhistorische waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen vanvroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig het cultuurhistorischerfgoed vertegenwoordigd;
1.17 attentiegebied EHS:
gebied gelegen rondom en binnen de ecologische hoofdstructuur waar fysieke ingrepen een negatiefeffect kunnen hebben op de waterhuishouding;
1.18 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
1.19 bebouwingsconcentratie:
kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;
1.20 bed & breakfast:
een nevenactiviteit met als doel het verstrekken van toeristisch kortdurend verblijf met het serverenvan ontbijt, aan steeds wisselend publiek; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachtingnoodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/ofarbeid;
1.21 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, inzamelen,herstellen, verhuren, opslaan en distribueren van goederen, alsmede het bedrijfsmatig verlenen vandiensten, aan huis verbonden beroepen en bedrijven daaronder niet begrepen;
1.22 bedrijfsactiviteiten:
handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf;
1.23 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
1.24 bedrijfsmatige exploitatie van recreatieverblijven:
het via een bedrijf, stichting of ander rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/ exploitatie, datin de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt;
1.25 bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishoudenvan) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering noodzakelijk moet wordengeacht;
1.26 beperkt kwetsbaar object:
de definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.27 Besluit externe veiligheid inrichtingen:
Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingenmilieubeheer zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het vastgesteld van hetbestemmingsplan;
1.28 bestaand:
a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van
het plan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende
vergunning;
b. t.a.v. bebouwing ten behoeve van veehouderijen, niet zijnde bestaande bedrijfswoningen:
1. de bebouwing die op 21 september 2013 aanwezig of in uitvoering was, of
2. de bebouwing die gebouwd mag worden krachtens een verleende
omgevingsvergunning, of
3. de bebouwing die is gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige
en ontvankelijke bouwaanvraag die in overeenstemming is met het geldende
bestemmingsplan per 21 september 2013;
c. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van
inwerkingtreding van het plan;
1.29 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.30 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
1.31 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.32 bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om eenomgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
1.33 bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan wordenvan het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.34 boerderijsplitsing:
het - binnen de bestaande (hoofd)bouwmassa - opdelen van een boerderij(gebouw), in niet meerdan 2 woningen;
1.35 bos:
elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen enactiviteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwebossen ten behoeve van (een of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu(waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie;
1.36 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen en het vergroten van eenbouwwerk;
1.37 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.38 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogteliggende vloeren of balklagen is begrensd;
1.39 bouwmassa:
een complex van aaneengebouwde bouwwerken
1.40 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorendebebouwing is toegelaten;
1.41 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
1.42 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaaldegebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.43 bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde verbonden is;1.44 containerveld:
ondersteunende voorzieningen voor het telen van planten, die op de grond worden aangebracht,waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond, veelal van nietopneembare/gesloten verhardingen zoals beton, of van anti-worteldoek met daartussenopneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- en klinkerbestratingen;
1.45 cultuurhistorische waarden en kenmerken:
waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met hetbouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historischgeografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;
1.46 dagrecreatie:
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachtingniet is toegestaan; huifkarren worden hier mede onder begrepen;
1.47 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/ofleveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik ofaanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
1.48 diepploegen en - woelen:
het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel, eventueel tot in de diepere ondergrond;
1.49 ecologische verbindingszone:
langgerekt gebied waarbinnen verbindende landschapselementen zijn of worden gerealiseerd;
1.50 ecologische waarden:
aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied,waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, dewaterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte enopenheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde;
1.51 erfinrichtings- en beplantingsplan:
een plan inzake visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende enoverwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak ofbouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie, incl. de inrichting enhet beheer er van;
1.52 evenement:
een georganiseerde publieke gebeurtenis in de vorm van een voor het publiek toegankelijkeverrichting van vermaak in de vorm van sport, spel, cultuur, tradities en dergelijke;
1.53 extensief recreatief medegebruik:
die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- enlandschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën en natuurgerichte recreatie zoalsvogelobservatie;
1.54 extensieve dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen:
dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen die aansluiten bij het agrarisch bedrijf of bij de natuur- enlandschapsbeleving van het landelijk gebied;
1.55 gastouderschap:
de opvang van maximaal 6 kinderen aan huis, inclusief de eigen kinderen;
1.56 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wandenomsloten ruimte vormt;
1.57 geluidsgevoelige objecten:
woningen, een onderwijsgebouw, een ziekenhuis, een verpleeghuis, een verzorgingstehuis, eenpsychiatrische inrichting, een kinderdagverblijf;
1.58 geluidsgevoelige terreinen:
een woonwagenstandplaats en een ligplaats in het water, bestemd om door een woonschip teworden ingenomen;
1.59 geluidzoneringsplichtige inrichting:
bedrijven en/of inrichtingen welke zijn genoemd in onderdeel D van bijlage 1 van het Bor;
1.60 geomorfologisch:
de vorm van het landschap, ontstaan door geologische processen en beïnvloedt door menselijkhandelen;
1.61 geurgevoelige objecten:
gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voormenselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijzevan gebruik, wordt gebruikt;
1.62 glastuinbouwbedrijf:
een bedrijf, dat is gericht op het telen van gewassen door in hoofdzaak gebruik te maken vanpermanente kassen of tunnels;
1.63 groenblauwe mantel:
gebieden met een belangrijke nevenfunctie voor natuur en water die overwegend grenzen aan deecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszone en die deze verbinden;
1.64 groepsaccommodatie/logeergebouw:
een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie door meerdere personen in groepsverband;
1.65 grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van hetvoortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf.Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of hetbieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden agrarische bedrijvenzijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven,waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant;
1.66 grondgebonden veehouderij
veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijkaangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgevingliggen van de bedrijfslocatie;
1.67 grootschalige ontwikkeling
ontwikkeling waarbij, blijkens een economisch effectenonderzoek, de som van het te verwachtenaantal bezoekers en overnachtingen meer dan 150.000 per jaar bedraagt;
1.68 GVE (groot vee-eenheid)
optelsom van het aantal landbouwdieren op een bedrijf omgerekend naar de fosfaatproductie vanéén melkkoe;
1.69 halfverhard:
een verharding bestaande uit grasbeton of uit kiezel, grind, schelpen en/of gemalen baksteenalsmede vergelijkbare losse materialen;
1.70 hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van degeldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken ophet perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.71 horeca:
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies, dranken, maaltijden en/of geringeetenswaren voor het al dan niet gebruik ter plaatse en/of het exploiteren van zaalaccommodatie,nader te onderscheiden in:
a. horecabedrijf categorie A
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (al dan niet met alsnevenactiviteit het verstrekken van maaltijden voor de consumptie ter plaatse en hetverstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken), zoals een hotel of pension;
b. horecabedrijf categorie B
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie terplaatse (al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholhoudende enalcoholvrije dranken), en dat overdag en in de avonduren geopend kan zijn, zoals eenrestaurant;
c. horecabedrijf categorie C
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van (al dan niet voor consumptie terplaatse) bereide geringe etenswaren (al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken vanveelal alcoholvrije dranken) en dat zowel overdag als in de avonduren geopend kan zijn, zoalseen lunchroom, cafetaria, shoarmazaak;
d. horecabedrijf categorie D
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische dranken voorconsumptie ter plaatse (al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van geringeetenswaren) en het ten gehore brengen van muziek en/of het geven van gelegenheid totdansbeoefening, al dan niet incidenteel met levende muziek gecombineerd en dat in deavond en het begin van de nacht geopend kan zijn, zoals een (eet)café, feestzaal;
e. horecabedrijf categorie E
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische dranken voorconsumptie ter plaatse en het ten gehore brengen van muziek en/of het geven vangelegenheid tot dansbeoefening, al dan niet incidenteel met levende muziek gecombineerden dat aan het eind van de avond en een groot gedeelte van de nacht geopend kan zijn, zoalseen discotheek;
1.72 horecalokaliteit:
een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarinhet horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken vanalcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;
1.73 houtproductie:
het voortbrengen van hout op bedrijfsmatige wijze door een mede daarop afgestemd duurzaambeheer van bos;
1.74 hoveniersbedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het kweken en verkopen van planten en siergewassen en het aanleggenen onderhouden van tuinen en andere groenvoorzieningen;
1.75 huishouden:
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlingeverbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatig kamerverhuur wordtdaaronder niet begrepen;
1.76 inpandige statische opslag:
het in een gebouw bergen van goederen, die geen regelmatige verplaatsing behoeven, zoals(antieke) auto's, boten en caravans. De opslag mag niet bestemd zijn voor de handel ter plaatse vande opslag, dan wel worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf;
1.77 insteek van de watergang:
het begin van het sloottalud;
1.78 intensieve veehouderij:
agrarisch bedrijf met een bedrijfvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindten gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-,pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar deaard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebondenmelkrundveehouderij;
1.79 kampeerboerderij:
(voormalig) agrarisch bedrijf, waarvan de gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn ingericht om daarinaan steeds wisselende (groepen van) personen gelegenheid te geven tot recreatief nachtverblijf vooreen al dan niet aaneengesloten periode van maximaal 100 dagen;
1.80 kampeermiddel:
tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig ofgewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zoverdeze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan welworden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
1.81 kampeerplaats:
standplaats voor één of een aantal bij elkaar behorende kampeermiddelen;
1.82 kampeerterrein:
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daaropgelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve vanrecreatief verblijf;
1.83 kassen:
agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een anderlichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerdeklimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- ofboogkas hoger dan 1,5 meter;
1.84 kinderboerderij:
dagrecreatieve voorziening waar boerderijdieren worden gehouden voor de educatie van kinderen,al dan niet in combinatie met speelvoorzieningen en ondersteunende horeca;
1.85 kindercentrum:
de opvang van maximaal 6 niet-eigen kinderen;
1.86 kleinschalig kamperen:
kleinschalig recreatief nachtverblijf op gronden met een andere hoofdfunctie, waarbij het aantaltoegestane kampeermiddelen is beperkt tot het in de regels genoemde maximum;
1.87 koffie-/theetuin:
een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van zwak en niet-alcoholische dranken,met als nevenactiviteit het verstrekken van voor consumptie ter plaatse, bereide etenswaren;
1.88 kwaliteitsverbetering:
er is sprake van een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiëlekwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatievemogelijkheden van het desbetreffende gebied, waarbij de notitie 'Werkafspraken' als uitgangspuntgeldt. De uitvoering en de instandhouding van de verbetering moet zijn gegarandeerd;
1.89 kwetsbaar object:
de definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.90 landbouwhuisdieren:
rundvee, pluimvee (kippen, eenden, ganzen, kalkoenen, parelhoenders, struisvogels e.d.), varkens,schapen, geiten, pelsdieren, konijnen, paarden, wormen e.d., consumptievissen (meerval, forel,paling, zeebaars, zeebrasem, tilapia e.d.);
1.91 landbouwinrichting:
inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken vanlandbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan welactiviteiten die daarmee verband houden worden verricht;
1.92 landschappelijke inpassing:
het inpassen van een gebouw of een gebruik in het landschap, waarbij afstemming plaatsvindt op decontext van het landschap door middel van de architectuur van het gebouw en de aanplant vangebiedseigen beplanting waarbij wordt getoetst aan de richtlijnen voor beeldkwaliteit uit hoofdstuk 3van de Structuurvisie buitengebied Hilvarenbeek, zoals opgenomenin Bijlage 6 Structuurvisie buitengebied van de toelichting;
1.93 landschappelijke waarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van hetaardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende enniet-levende natuur;
1.94 landschapscamping:
kampeerterrein dat gekenmerkt wordt door de beperkte dichtheid en de ligging in of nabij een bos ofnatuurgebied of bij een landgoed, met een in de regels nader bepaalde omvang;
1.95 landschapselementen:
ecologische en/of landschappelijk waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen enmoerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha en zonder een agrarische productiefunctie;
1.96 landschapsinpassingsplan:
plan waaruit blijkt hoe een gebouw of een gebruik in het landschap wordt ingepast, waarbijafstemming plaatsvindt op de context van het landschap door middel van de architectuur van hetgebouw en de aanplant van gebiedseigen beplanting waarbij wordt getoetst aan de richtlijnen voorbeeldkwaliteit uit hoofdstuk 3 van de Structuurvisie buitengebied Hilvarenbeek, zoals opgenomenin Bijlage 6 Structuurvisie buitengebied van de Toelichting;
1.97 lawaaisport:
een sportactiviteit al dan niet individueel of in groepsverband, professioneel of hobbymatig waarbijmotorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingslawaai wordtoverschreden, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, motorsport, (model)vliegsport; dejachtsport wordt hier niet onder begrepen;
1.98 legaal:
gebouwd in overeenstemming met de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingenomgevingsrecht;
1.99 loon(werk)bedrijf:
een agrarisch technisch hulpbedrijf dat – voornamelijk met behulp van verplaatsbare werktuigen -geheel of in overwegende mate diensten verleent aan agrarische bedrijven, hetzij in verband met debodemcultuur, hetzij ter uitvoering van grondwerkzaamheden;
1.100 maatschappelijke voorzieningen:
educatieve, sociaal-culturele, sociaal-medische, levensbeschouwelijke, religieuze voorzieningen,onderwijsvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie envoorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, waaronder ook ondergeschiktedetailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen worden verstaan;
1.101 manege:
een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheidgeeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf ende verzorging van paarden;
1.102 mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychisch en/of sociaal vlak,op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;
1.103 mestbewerking:
de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling ofhoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding,hygiënisatie of indamping van mest;
1.104 mestverwerking:
het bewerken van mest ten behoeve van het exportwaardig maken daarvan;
1.105 minicamping:
een kleinschalig kampeerterrein als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of een burgerwoning;
1.106 natuurwaarde:
de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische,bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;
1.107 nevenactiviteiten:
een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel opzicht ondergeschikt is aan deop de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel en wordtuitgeoefend door de degene die tevens het (agrarisch) bedrijf uitoefent;
1.108 NGE:
Nederlandse Grootte Eenheid, een standaard eenheid voor de bepaling van de omvang van eenagrarisch bedrijf zoals die gehanteerd word door het Landbouw Economisch Instituut (LEI);
1.109 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van hetvoortbrengendvermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Nietgrondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: glastuinbouwbedrijven en gebouwgebondenteeltbedrijven en kwekerijen, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, nertsenfokkerijen,viskwekerijen en wormenkwekerijen;
1.110 normaal onderhoud en/of landschapsbeheer:
tot het normaal onderhoud en/of landschapsbeheer behoren onder andere:
a. maaien, beweiden en bemesten van grasland;
b. verbeteren van grasland door het scheuren van de grasmat buiten het broedseizoen van
weidevogels en het direct opnieuw inzaaien;
c. ploegen en cultiveren van bouwland niet dieper dan de bouwvoor;
d. verbouwen van akkerbouwgewassen, zoals maïs in wisselteelt;
e. maaien en schonen van sloot en slootkant;
f. vervangen van en onderhoud aan drainage;
g. normaal landschapsonderhoud, waaronder:
1. periodiek uitdunnen en snoeien van houtwal of singel;
2. knotten van bomen;
3. opvullen van open plekken in houtwal of singel;
h. normaal bosbeheer, waaronder;
1. uitdunnen;
2. verwijderen van dode bomen;
i. opslag van agrarische producten en gewassen tussen oogst en afvoer voor een periode van 2
weken;
1.111 nutsvoorziening:
gebouwde dan wel ongebouwde voorzieningen ten behoeve van algemene nutsdoeleinden zoals dewatervoorziening, afvalvoorziening, energievoorziening of het (tele)communicatie-verkeer;
1.112 omgevingsvergunning:
vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wet algemenebepalingen omgevingsrecht;
1.113 ondersteunende horeca:
een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maarwaar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie of een nevenactiviteit een ruimte specifiekheeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren in een aan de hoofdfunctie ofnevenactiviteit ondergeschikte vorm en omvang; verhuur ten behoeve van feesten en partijen valthier niet onder;
1.114 overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met deaarde is verbonden;
1.115 overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf
agrarisch bedrijf gericht op het telen van vissen, wormen, insecten en gewassen met eenbedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen -niet zijnde kassen- plaatsvindt, nietzijnde veehouderijen;
1.116 overkapping/ carport:
een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door degevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw;
1.117 overtollige bebouwing:
bebouwing die niet nodig is ten behoeve van de hoofdfunctie en/of de nevenactiviteit; dit houdt indat het bebouwing betreft die niet functioneel verbonden is aan de bedrijfsvoering;
1.118 paardenbak:
een onoverdekt al dan niet omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen doorzand of een ander waterdoorlatend materiaal ten behoeve van het africhten, trainen en berijden vanpaarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport;
1.119 paardenhouderij:
een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezette houderij voor paarden die uitsluitend of in hoofdzaakis gericht op het fokken, trainen, africhten, berijden en verhandelen van paarden, waarbij tevens alsondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan het geven van instructie aan ruiter en paard. Hierbij zijnpublieks- en/of verkeersaantrekkende activiteiten niet toegestaan.
De paardenhouderijen zijn nader te onderscheiden in:
• productiegerichte paardenhouderij: een paardenhouderij, waar uitsluitend of in hoofdzaak
handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het fokken,
africhten, trainen en verhandelen van paarden;
• gebruiksgerichte paardenhouderij: het bedrijfsmatig, niet op agrarische productie gericht
houden en stallen van paarden en pony's, met als ondergeschikte nevenactiviteit het fokken,
africhten, trainen en berijden van paarden en pony's;
1.120 pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid diedirect en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
1.121 pension:
een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies met als nevenactiviteit het verstrekkenvan maaltijden en/of dranken aan logerende gasten;
1.122 pensionstalling:
een agrarisch verwant bedrijf, waarvan de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit hethouden van paarden van derden of het berijden ervan. Hieronder wordt verstaan de verhuur vanstalling met accommodatie en/of weiland en het verzorgen van paarden. Onder pensionstallingwordt geen manege verstaan;
1.123 plattelandswoning:
een bij een bedrijf behorende woning die als bedrijfswoning en/of door een derde bewoond magworden, in de zin van artikel 1.1a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
1.124 productiegebonden detailhandel:
beperkte, op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een (agrarisch) bedrijf, dat diegoederen teelt/vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij dedetailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;
1.125 recreatief medegebruik:
die vormen van openluchtrecreatie, die plaats hebben in een omgeving met een niet-recreatievehoofdfunctie, waarbij het medegebruik ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en het hoofdgebruik;
1.126 recreatief verblijf:
verblijf, inclusief nachtverblijf, voor uitsluitend recreatieve doeleinden door bij voorkeur wisselendehuishoudens of daarmee gelijk te stellen groepen van personen, die hun hoofdverblijf elders hebben;
1.127 recreatiewoning:
een gebouw dat dient als recreatiewoonverblijf voor gebruikers die hun hoofdverblijf elders hebben;
1.128 recreatiewoningencomplex:
een terrein voor het plaatsen en geplaatst houden van recreatiewoningen;
1.129 relatie:
ter plaatse van de aanduiding 'relatie' wordt de verbinding aangegeven tussen twee of meerafzonderlijk begrensde bouwvlakken of bestemmingsvlakken, inclusief de daaraan toegekendeaanduidingen waarmee die bouwvlakken of bestemmingsvlakken één vlak vormen;
1.130 reëel agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf dat jaarrond een omvang heeft van ten minste 35 NGE;
1.131 reparatieplan:
het bestemmingsplan 'Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan' zoals vastgesteld door deraad van de gemeente Hilvarenbeek d.d. 7 maart 2017;
1.132 Reserveringsgebied waterberging:
gebied dat mogelijk in de toekomst noodzakelijk is om wateroverlast uit regionale watersystemen tegen te gaan;
1.133 rijhal:
een bedrijfsgebouw of een onderdeel daarvan bedoeld voor het berijden, africhten en latenbewegen van paarden. Hieronder wordt niet begrepen een overdekte longeercirkel of stapmolen;
1.134 rijstrook:
strook van de rijbaan van een weg, welke voldoende plaats biedt aan een enkele rij rijdendemotorvoertuigen op meer dan drie wielen, of, indien door middel van markering een bredere strookals rijstrook is aangegeven, die strook;
1.135 risicovolle inrichting:
een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.136 routegebonden horeca:
horeca in de vorm van kleinschalige rustpunten met bijvoorbeeld een terras waar koffie, thee,frisdranken, zwak-alcoholische dranken en kleine versnaperingen verkrijgbaar zijn;
1.137 seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hijbedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop,seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam) prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepeneen erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.138 slopen:
geheel of gedeeltelijk afbreken;
1.139 stacaravan:
een caravan of soortgelijk onderkomen al dan niet op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, nietbestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden alsaanhangsel van een auto te worden voortbewogen, bestemd om uitsluitend door een huishouden ofdaarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende eengedeelte van het jaar bewoond te worden, uitsluitend voor recreatieve doeleinden.
1.140 statische opslag:
inpandige opslag van goederen, die geen regelmatige verplaatsing behoeven, zoals (antieke) auto's,boten en caravans en dergelijke. De opslag mag niet bestemd zijn voor de handel ter plaatse van deopslag, dan wel worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf;
1.141 streekgebonden producten:
producten, gemaakt met grondstoffen die als streekeigen worden beschouwd en/of volgensstreektraditie geteelde producten, en/of producten die volgens een specifieke bereidingswijze ofreceptuur van een bepaalde regio wordt geproduceerd;
1.142 teeltondersteunende kassen:
teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een kas, voor een vollegrondstuinbouwbedrijf ofboomteeltbedrijf. Hieronder worden ook schuurkassen, permanente tunnel- of boogkassenbegrepen;
1.143 teeltondersteunende voorzieningen:
voorzieningen in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teeltenworden gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te latenplaatsvinden; te onderscheiden zijn de volgende categorieën:
• laag/ tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,5
m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden,
bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolies, acryldoek, lage tunnels;
• laag/ permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal
1,5 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden;
• hoog/ tijdelijk: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal 1,5
m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden,
bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen en schaduwhallen;
• hoog/ permanent: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal
1,5 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld stellingenteelt (bakken in stellingen,
regenkappen);
• overige permanente teeltondersteunende voorziening: boomteelthekken, te weten een
afrastering op boomteeltpercelen waarmee dieren van die percelen geweerd kunnen
worden;
• overige teeltondersteunende voorziening: tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
anders dan de bovenstaande teeltondersteunende voorzieningen bijvoorbeeld stellages met
regenkappen bij de grondgebonden teelt van zachtfruit (waarbij de constructiepalen
permanent aanwezig mogen zijn), boomteelthekken, boomteeltstokken, hagelnetten en
vraatnetten;
1.144 tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers:
het tijdelijk huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurendeenkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk teverrichten, voorzover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
1.145 trekkershut:
een klein vrijstaand houten gebouw/ blokhut, zonder eigen sanitaire voorzieningen of meteenvoudige sanitaire voorzieningen, bestemd voor verhuur voor recreatieve doeleinden in de vormvan verblijfsrecreatie aan steeds wisselende wandelaars, fietsers, ruiters, kanoërs of autogebruikers,waarbij verhuur aan dezelfde personen maximaal 3 dagen/nachten mag zijn;
1.146 tuincentrum:
een kwekerij en een verkoopplaats waar dode en levende artikelen voor verwerking/gebruik in tuinen huis, daaronder ook begrepen dierbenodigdheden voor huisdieren, direct aan particulieren terverkoop worden aangeboden, waarbij een eventueel aanwezige koffiehoek deel uitmaakt terondersteuning van de tuincentrumfunctie;
1.147 tunnel(kas):
een werk of bouwwerk voorzien van een bedekking van lichtdoorlatend materiaal en dienend tot hetkweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, plantenof bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegenmilieubelastende stoffen;
1.148 vakantieappartement:
recreatiewoning, die deel uitmaakt van een gebouw met meerdere zich boven en naast elkaarbevindende recreatiewoningen;
1.149 veehouderij:
agrarisch bedrijf gericht op het houden van dieren met uitzondering van vissen, wormen, slakken eninsecten;
1.150 veldschuur:
een vrij in het open veld staande schuur, die wordt of werd gebruikt voor het stallen of het melkenvan vee, dan wel de opslag van agrarische producten of agrarische werktuigen;
1.151 verblijfsrecreatie:
recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf, zoals eenrecreatiewoning, groepsaccommodatie/logeergebouw, pension, bed & breakfast, kampeermiddel oftrekkershut door personen die hun hoofdwoonverblijf elders hebben;
1.152 verbrede landbouw:
het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwvlak die verbonden zijn aan de aanwezigeagrarische bedrijfsvoering;
1.153 verhard:
een verharding, bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmee vergelijkbarevaste/gesloten materialen;
1.154 verkoopvloeroppervlak:
de voor het publiek zichtbare en toegankelijke winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;1.154 vloeroppervlak(te):
de totale bebouwde oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt;1.155 volkstuinen:
grond waarop, anders dan ten dienste van een agrarisch bedrijf, op kleine schaal voedings- en/ofsiergewassen worden geteeld en voornamelijk ten eigen behoeve;
1.155 vloeroppervlak(te):
de totale bebouwde oppervlakte, gemeten op vloerniveau, die voor een functie wordt gebruikt;
1.156 volkstuinen:
grond waarop, anders dan ten dienste van een agrarisch bedrijf, op kleine schaal voedings- en/of siergewassen worden geteeld en voornamelijk ten eigen behoeve;
1.157 volwaardig agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf met de omvang van ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbijpassende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen;
1.158 voorgevelrooilijn:
de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een afstand vande weg die:
• gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de weg op
het betreffende bouwperceel;
• gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende
bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand;
1.159 voorzieningen van openbaar nut:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, hettelecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
1.160 vormverandering bouwvlak/bestemmingsvlak:
wijziging van de begrenzing van een bouwvlak respectievelijk bestemmingsvlak zonder dat ditgepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte;
1.161 water:
alle water dat zichtbaar (oppervlaktewater) aanwezig is in bijvoorbeeld waterlopen, poelen, vijvers,meren en zeeën, of onzichtbaar (grondwater) aanwezig is zoals freatisch grondwater direct benedenhet maaiveld;
1.162 watergang:
een voor de oppervlaktewaterkwantiteit van overwegend belang zijnde waterloop;
1.163 waterhuishoudkundige doeleinden:
doeleinden die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundigekunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d.en waterhuishoudkundige voorzieningen;
1.164 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer,waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals infiltratiekratten, wadi's, infiltratiegreppels,doorlatende bestrating en infiltratie- en transportriolen, dijken, dammen, grondwallen, duikers,stuwen, gemalen en inlaten;
1.165 werk:
een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde;
1.166 woning/ wooneenheid:
een complex van intern met elkaar in verbinding staande ruimten, in een (gedeelte van een) gebouw,uitsluitend geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
1.167 (woon)boerderij:
een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen (voormalige)agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid (bouwkarakteristiek waarbij woonen bedrijfsgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen;
1.168 woonunit:
een te verplaatsen/ verwijderen bouwwerk bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht tendienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen, niet zijnde een stacaravan ofchalet;
1.169 zijdelingse perceelsgrens:
de perceelsgrens die haaks of onder een hoek op de voorgevelrooilijn staat;
1.170 zorgboerderij:
een zorgfunctie waarbij de sociaal-medische opvang van personen - al dan niet in de vorm van hetter plaatse woonachtig zijn - gecombineerd wordt met agrarische activiteiten in dié zin dat depersonen behulpzaam zijn bij de agrarische of natuurbeherende activiteiten;
1.171 zorgvoorziening:
een voorziening ten behoeve van de welzijnszorg in de vorm van de verzorging/verpleging vanmensen op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, gericht op verbetering van hun welzijn, een enander met uitzondering van mantelzorg;
1.172 zorgvuldige veehouderij:
veehouderij die door het treffen van maatregelen onder andere gericht op landschap, het verdersluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier,ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.