direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Vendreef 2, Vlijmen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Vendreef 2, Vlijmen" van de gemeente Heusden.

1.1 Aanleiding en doel

Aan de Middelweg te Nieuwkuijk is het bedrijf Peter Dekkers Grondwerken gevestigd. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het aanleggen van tuinen, parken, sportvelden en openbare ruimten.

Het bedrijf wil zich gaan toeleggen op het veredelen van grond, waarbij teelaarde wordt gemengd met andere grondsoorten en/of droge meststoffen, voor verwerking op locatie. Omdat de grondveredeling een behoorlijk ruimtebeslag vraagt, is de huidige bedrijfslocatie te klein. De vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie Vendreef 2 in het buitengebied ten zuiden van Vlijmen is qua omvang en ligging gunstig om het bedrijf naartoe te verplaatsen.

Het vigerende bestemmingsplan "Heusden Buitengebied" en bijbehorende partiële herzieningen staan de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf ter plaatse niet toe. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Vlijmen, sectie P, nummers 832, 833 en 835. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2,5 hectare.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeren het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad op 12 december 2012, en verschillende reparatieplannen en partiële herzieningen. De meest recente partiële herziening betreft het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied, 3de herziening", vastgesteld door de gemeenteraad op 27 september 2016. Onderstaande afbeeldingen geven uitsneden van beide bestemmingsplannen. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING BESTEMMINGSPLAN "HEUSDEN BUITENGEBIED"

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0004.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING BESTEMMINGSPLAN "HEUSDEN BUITENGEBIED, 3DE HERZIENING"

Omdat het bestemmingsplan "Heusden Buitengebied, 3de herziening" een geconsolideerde planregelset bevat, volstaat toetsing aan die betreffende planregels.

De gronden binnen het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch', onder meer bedoeld voor grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten. Binnen het plangebied ligt voorts een bouwvlak met een oppervlakte van circa 1,3 hectare, waarbinnen een agrarisch bedrijf gevestigd mag worden.

Voorts gelden de volgende gebiedsaanduidingen:

  • 'overige zone - attentiegebied ehs': bevat regels ter voorkoming van verlaging van de grondwaterstand in het nabijgelegen Natuurnetwerk Brabant (voorheen ecologische hoofdstructuur (ehs));
  • 'overige zone - beperkingen veehouderij': voorkomt uitbreiding van bebouwing van veehouderijen;
  • 'overige zone - cultuurhistorisch vlak': bevat regels voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden;
  • 'overige zone - groenblauwe mantel': bevat algemene regels voor het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden
  • 'overige zone - openheid': bevat regels voor het beoordelen van de effecten op de openheid van het landschap bij bepaalde werken en werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied.

2.1 Geschiedenis

Het plangebied en de omgeving kennen een relatief jonge geschiedenis van betrokkenheid van de mens. Die geschiedenis begint aan het einde van de negentiende eeuw toen het laaggelegen, moerassige gebied van het Vlijmensche Ven voor de landbouw werd ontgonnen. Hiertoe werd in het gebied een fijnmazig en regelmatig patroon van slootjes en weteringen aangelegd om het gebied voldoende droog te leggen. Gedurende de twintigste eeuw werd dit patroon nog verder verdicht. Het gebied bleef nog lang onbebouwd.

In de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw vond een flinke schaalvergroting plaats, met name ten zuiden van de Vlijmensche Vensche Hoofdloop. In die periode werd ook de Vendreef aangelegd en werden diverse veehouderijen gesticht, onder andere de veehouderij binnen onderhavig plangebied.

Circa tien jaar geleden is het plan opgepakt om delen van het Vlijmensche Ven weer een natuurbestemming te geven, met name de gebieden ten noorden van de Vlijmensche Vensche Hoofdloop. Hiertoe werd de bodem over grote delen van het gebied weer verlaagd en verarmd door het verwijderen van de voedselrijke humuslaag, en werd de grondwaterstand omhoog gebracht om weer een moerassig karakter te krijgen. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van omzetting van agrarische grond naar natuurgebied.

Onderstaande afbeeldingen tonen de ontwikkeling van het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0005.jpg"

TOPOGRAFISCHE ONTWIKKELING PLANGEBIED EN OMGEVING

2.2 Wijdere omgeving

Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied in de wijdere omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0006.jpg"

WIJDERE OMGEVING

Het plangebied is onderdeel van het Vlijmensche Ven, het gebied tussen de ringdijk ten zijden van de kern Vlijmen en het Drongelens Kanaal. Het gebied heeft een zeer open karakter en een grootschalige verkaveling, en is tot voor kort nagenoeg volledig in gebruik geweest voor de beweiding van koeien en de teelt van maïs.
Het gebied dat grofweg ten noorden van de Vlijmensche Vensche Hoofdloop ligt krijgt - zoals vermeld - momenteel zijn oorspronkelijke natuurfunctie terug, door het aanbrengen van vochtig hooiland en kruidenrijk grasland.

Het gebied wordt doorsneden door de Vendreef, waaraan enkele agrarische bedrijven liggen die voornamelijk op de melkproductie gericht zijn. Enkele melkveehouderijen, waaronder die binnen onderhavig plangebied, hebben hun agrarische activiteiten recent beëindigd.

2.3 Directe omgeving en plangebied

Onderstaande afbeelding en de foto's geven de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0007.jpg"

DIRECTE OMGEVING

2.3.1 Bebouwing en functies

De voormalige melkveehouderij binnen het plangebied is onderdeel van een cluster van (voormalige) veehouderijen in het open landschap.

Zoals vermeld zijn de agrarische activiteiten al enkele jaren geleden beëindigd. Het bedrijf omvatte circa 2.600 m² bedrijfsopstallen en circa 2.000 m² verharding.
Op de luchtfoto is te zien dat de daken van de stallen gehaald zijn. Inmiddels zijn ook de muren en overige delen van de stallen verwijderd. De voormalige bedrijfswoning is behouden.

2.3.2 Ontsluiting

Het plangebied wordt ontsloten door de Vendreef, een landbouwweg met een beperkte doorgaande functie tussen Vlijmen en Cromvoirt. Er is sprake van één inrit naar het perceel.

2.3.3 Groen en water

Het gebied heeft een zeer open karakter met een rationeel slotenpatroon dat haaks op de Vendreef ligt. Langs de zuidzijde van de Vendreef staat een eenzijdige beplanting van eiken. Voorts is er langs en op de agrarische percelen een beperkte hoeveelheid opgaande beplanting aanwezig. Opvallend hierbij is dat de achterkanten van de bedrijfspercelen een directe relatie met het open agrarische achterland hebben. De erfbeplanting binnen het plangebied is door achterstallig onderhoud flink doorgeschoten.

Langs de Vendreef ligt een smalle greppel. Op de zijdelingse perceelgrenzen liggen waterlopen met een B-status.

Hoofdstuk 3 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen.

3.1 Bedrijfsplan

Het bedrijf Peter Dekkers Grondwerken, gevestigd aan de Middelweg 36 te Nieuwkuijk, verzorgt thans voornamelijk grond- en graafwerkzaamheden voor de aanleg van onder meer parken, sporttereinen en natuurgebieden.

Het bedrijf heeft recent een systeem ontwikkeld voor het aanlegen van een bodemlaag waarin de grondwaterstand eenvoudig geregeld kan worden - een noviteit! Dit systeem is uitermate geschikt voor de aanleg van parken, stedelijk groen en sportvelden. Bij de aanleg wordt een cunet gegraven dat voorzien wordt van een folielaag en waarop voorts een laag zand of grond met de gewenste samenstelling wordt aangebracht. Dat samenstellen van zand en grond wordt grondveredeling genoemd.

Het grondveredelingsproces bestaat uit het zeven en mengen van verschillende soorten zand en grond. Daarnaast kan droge mest of kalk worden toegevoegd. Het zeven en mengen moet onder droge omstandigheden en derhalve inpandig plaatsvinden. De opslag van grondstoffen en gereed product vindt plaats in afgedekte depots op het bedrijfsterrein.

Peter Dekkers Grondwerken wil zich in de toekomst uitsluitend gaan toeleggen op de grondveredeling. Hiervoor is een flink bedrijfsperceel nodig, voor onder meer gebouw en opslag. Omdat er sprake is van de verwerking van mest - hetgeen een beperkte geurbelasting geeft - is situering van het bedrijf in agrarisch gebied noodzakelijk. De huidige situatie aan de Middelweg is onvoldoende groot en ligt nabij bedrijven en woningen.

De voormalige agrarisch bedrijfslocatie Vendreef 2 heeft voldoende omvang voor Peter Dekkers Grondwerken en ligt op grote afstand van de bebouwde kom. Deze locatie vormt een geschikte plek voor de verplaatsing van het bedrijf.

Het bedrijf zal maximaal circa 20.000 m³ grondstoffen per jaar verwerken tot veredelde grond. Het bedrijf biedt ruimte aan 4 tot 6 arbeidsplaatsen.

3.2 Inrichtingsplan

Bijlage 1 bevat de inrichtingsschets op hoofdlijnen van het plangebied.

Het inrichtingsplan bestaat uit:

  • 1. het oprichten van bedrijfshal A voor het grondveredelingsproces;
  • 2. het oprichten van bedrijfshal B voor de opslag van materieel, kantoor en personeelsruimten;
  • 3. het aanbrengen van sleufsilo's voor de opslag van de grondstoffen (onder meer zand/grond, droge mest, kalk);
  • 4. het aanleggen van een buitenterrein voor transporten tussen de sleufsilo's en bedrijfshallen;
  • 5. het hergebruiken van de bestaande bedrijfswoning en het realiseren van een nieuw bijgebouw bij de bedrijfswoning;
  • 6. het aanleggen/verplaatsen van twee inritten (bedrijf en bedrijfswoning);
  • 7. het aanbrengen van een flinke landschappelijke inpassing in de vorm van groen, een grondwal en oppervlaktewater.

Kenmerkend voor de agrarische bedrijven in het Vlijmensch Ven is de opbouw van het perceel. Langs de weg is veelal een onbebouwde zone van zo'n 15 tot 25 meter waar de tuin, de parkeervoorzieningen en/of de terreinverharding liggen. De bedrijfswoning met de bijbehorende tuin staat vóór op het perceel met daarachter en daarnaast de grootschalige bedrijfsbebouwing. De buitenopslag in de vorm van (sleuf)silo's bevindt zich vaak weer achter de bedrijfsbebouwing, uit het zicht vanaf de openbare weg. Vanaf het werkperceel is vaak een directe en open relatie met het agrarische achterland.

Binnen het plangebied is gekozen voor dezelfde perceelindeling. In de zuidwesthoek van het perceel staat de bedrijfswoning met een bijgebouw op een afstand van circa 25 meter tot de Vendreef. Daarnaast staan de twee bedrijfshallen. Deze staan op een afstand van circa 35 meter tot de rand van de weg. Daarachter vindt de opslag in de sleufsilo's plaats. Er ligt zodoende een brede, open bufferzone tussen de openbare weg en het bedrijfsperceel. Rondom de bedrijfshallen ligt het terrein voor parkeren en rangeren.

3.2.1 Bedrijfshal A

In bedrijfshal A worden de volgende handelingen verricht:

  • het opslaan en drogen van aangeleverde grond;
  • het trommelen en zeven van de aangeleverde grond (er zullen geen puin en stenen worden gezeefd);
  • mengen van de diverse grondsoorten al of niet met mest of kalk;
  • het opslaan van het gerede product.

De bedrijfshal krijgt een bijzondere vormgeving, waarbij de constructie aan de buitenzijde van het gebouw wordt gerealiseerd. Hiermee ontstaat in het gebouw een volledig gladde werkruimte, waardoor het schoonspuiten ervan eenvoudig is en het gebouw snel gereed gemaakt kan worden voor een nieuwe partij te veredelen grond (met een andere samenstelling).

Bedrijfshal A heeft een oppervlakte van circa 875 m². De goot- en bouwhoogte bedragen maximaal 8,8 meter respectievelijk 10,5 meter. De bouwhoogte van de constructie bedraagt 11,5 meter. Deze hoogten zijn nodig voor het manoeuvreren van de kraan waarmee de grondstoffen worden bewerkt. De constructie van het gebouw aan de buitenzijde maakt dat de hoogten van het gebouw beperkter zijn dan in het geval van een inwendige constructie.

De conctructie van de hal bestaat uit gegalvaniseerd staal dat meekleurt met de lucht en daardoor deels wegvalt tegen de achtergrond.
De onderste vier meter van de gevels bestaan uit beton. Daarboven wordt een semitransparante gevelbekleding aangebracht. Tegen de voorgevel van het gebouw komt een strook van gras en klimop, waarbij het eigen eb- en vloedsysteem (zie paragraaf 3.1) wordt toegepast. Hiermee wordt de harde gevel van de hal verzacht.

3.2.2 Bedrijfshal B

In bedrijfshal B wordt het materieel geparkeerd, zodat het droog en veilig kan staan. Het materieel bestaat uit onder meer twee graafmachines, twee loaders, een minitractor en een minigraver.

Bedrijfshal B heeft dezelfde uiterlijke vormgeving als bedrijfshal A, maar is een maatje kleiner. De goot- en nokhoogte van het gebouw bedragen respectievelijk maximaal 7 en maximaal 8,5 meter. De constructie reikt tot maximaal 9,5 meter hoogte. De oppervlakte van bedrijfshal B bedraagt 660 m².

Vóór de bedrijfshal wordt een uitbouw over twee bouwlagen geplaatst, ten behoeve van het kantoor en de personeelsruimten (met onder meer een kantine en kleedruimten). Deze 'uitbouw' staat enigszins los van de bedrijfshal, maar wordt met een overdekte 'tussenstraat' met de hal verbonden. Deze tussenstraat zorgt voor een geluiddempende werking en laat licht toe in het gebouw.

3.2.3 Sleufsilo's

In de sleufsilo's op het terrein zullen de volgende hoeveelheden grondstoffen worden opgeslagen:

  • maximaal 2.500 m³ schone grond, zonder toevoeging van chemicaliën;
  • maximaal 40 ton kalk;
  • maximaal 75 m³ mest van verschillende herkomst, zoals droge kippenmest, koeienmest en paardenmest. De mest moet onder droge condities worden opgeslagen, omdat anders verwerking/vermenging niet mogelijk is;
  • maximaal 100 m³ aan overige grondstoffen, zoals schone compost en turf.

De sleufsilo's worden uitgevoerd in beton en hebben een oppervlakte van circa 1.300 m² en een maximale hoogte van 4 meter.

3.2.4 Buitenterrein

Tussen de bedrijfsgebouwen en de sleufsilo's wordt verharding aangebracht voor de transporten van de grondstoffen en eindproducten van en naar de sleufsilo's en de verwerkingshal A. Ten behoeve van dit bedrijf wordt ook 3.575 m² verharding buiten de bedrijfsbestemming toegestaan. In het geval er een functieverandering gaat plaatsvinden, moet deze verharding weer worden verwijderd.
De totale oppervlakte van het nieuwe bedrijf bedraagt 8.575 m².

3.2.5 Bedrijfswoning

De bestaande agrarische bedrijfswoning wordt hergebruikt als bedrijfswoning bij het nieuwe bedrijf. De inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³.

Bij de bedrijfswoning wordt een nieuw bijgebouw gebouwd met een oppervlakte van maximaal 100 m².

De gronden rondom de bedrijfswoning worden ingericht als tuin.

3.2.6 Landschappelijke inpassing

Het bedrijf zal op een gebiedseigen wijze landschappelijk worden ingepast. In de zone rondom het bedrijf wordt opgaand groen aangebracht en worden voorzieningen ten behoeve van de waterberging gerealiseerd. De landschappelijke inpassing is uitgewerkt in een beplantingsplan (zie paragraaf 3.3).

3.3 Beplantingsplan

3.3.1 Beplantingsplan

Het gebied Vlijmensch Ven, waarvan het bedrijfsperceel onderdeel is, heeft een grootschalig en robuust karakter met een grote openheid en lange lijnen. Het is wenselijk dat de landschappelijke inrichting aansluit bij deze gebiedskarakteristiek.

Het feitelijke bedrijfsperceel met bebouwing, opslag en terreinverharding ligt op een afstand van de weg waardoor er een gazonstrook van circa 25 meter tussen het perceel en de weg ligt. De bestaande smalle sloten langs de Vendreef worden behouden. In deze zone worden solitaire bomen en boomgroepen aangeplant om de bebouwing vanaf de weg enigszins te camoufleren. Aan weerszijden van de entree naar het bedrijfsterrein komt een groep van drie meerstammige, transparante bomen (bijv. krentenboompjes) te staan om de entree te markeren. Verder komen in deze strook enkele solitaire lindebomen. Een (beuken)haag, in aansluiting op de hagen van het buurperceel Vendreef 4, neemt de parkeerplaatsen voor het kantoor uit het zicht.

Aan de noordoostzijde van het bedrijfsterrein wordt een lage aarden wal (max. 1 m) aangebracht. In lijn met de haakse verkavelingsrichting van dit deel van het Vlijmensch Ven wordt een houtsingel op de aarden wal aangeplant. Hiermee wordt het zicht op het bedrijfsterrein weggenomen. De singel bestaat uit gebiedseigen soorten (linde, es, eik) met enkele groenblijvende struiken (hulst). Verder is gekozen voor soorten die geen doorns hebben. Vanuit de bedrijfsvoering zijn berken niet wenselijk. Deze houtwal kan een belangrijke ecologische functie gaan vervullen.

De achterste perceelgrens wordt vrij gehouden van opgaande beplanting om de directe relatie met het open agrarische achterland te behouden. Ook tussen de houtwal en de bebouwing blijft een zicht naar het open achterland behouden.

De tuin bij de bedrijfswoning wordt afgeschermd door middel van een taxushaag van 2 meter hoog aan de westzijde en een grotendeels groenblijvende struweelsingel met hulst en taxus aan de zijde van het bedrijf. Deze zal een uitgroeihoogte van circa 3 meter krijgen. Vanuit de woning is een vrij zicht op het achterland.

Achter het bedrijfsperceel en de tuin wordt een waterpartij met natuurvriendelijke oevers aangelegd. Deze poel dient als waterberging en biedt een potentiële biotoop voor waterminnende soorten.

3.3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap

In de algemeen geldende regels van de provinciale Verordening ruimte (paragraaf 4.2.2.3) is een verplichting opgenomen ten aanzien het leveren van een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze van kwaliteitsverbetering van het landschap in relatie tot voorliggend bestemmingsplan, waarbij gebruik is gemaakt van de "Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap" (2011). Aan de orde komen:

  • mate van kwaliteitsverbetering;
  • wijze van kwaliteitsverbetering (fysieke prestatie);
  • zekerstelling kwaliteitsverbetering (juridische verankering).
3.3.2.1 Mate van kwaliteitsverbetering

De genoemde handreiking bevat een categorie-indeling van ruimtelijke ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied:

  • categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig;
  • categorie 2: beperkte impact; landschappelijke inpassing volstaat;
  • categorie 3: grote impact; landschappelijke inpassing én berekende kwaliteitsverbetering van het landschap.

De voorgenomen ontwikkeling van agrarisch bedrijf naar niet-agrarisch bedrijf betreft een categorie 3-ontwikkeling, die samen moet gaan met een landschappelijke inpassing en een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap.

De basisinspanning voor de kwaliteitsverbetering 20% bedraagt van de waardevermeerdering van de grond. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de waarde van de grond op basis van het vigerende bestemmingsplan en de waarde op basis van het nieuwe bestemmingsplan, uitgedrukt in euro's. De gemeente Heusden heeft geen vaste m²-bedragen vastgesteld. In dit kader is aangesloten bij de door de provincie geaccordeerde regeling van buurgemeente Haaren.

In onderstaande schema's is de waardebepaling van de grond voor de bestaande en nieuwe situatie weergegeven. Daarbij wordt opgemerkt dat de genoemde bedragen uitsluitend bedoeld zijn voor de berekening van de kwaliteitsverbetering van het landschap.

WAARDE GROND BESTAANDE SITUATIE

categorie   omvang   eenheidsprijs   waarde  
agrarisch zonder natuurlijke of landschappelijke waarden (onbebouwd)   11.267 m²   € 10/m²   € 112.670  
agrarisch bouwvlak   13.269 m²   € 25/m²   € 331.725  
totaal   24.536 m²     € 444.395  

WAARDE GROND NIEUWE SITUATIE

categorie   omvang   eenheidsprijs   waarde  
agrarisch zonder natuurlijke of landschappelijke waarden (onbebouwd)   15.961 m²   € 10/m²   € 159.610  
bedrijf   5.000 m²   € 65/m²   € 325.000  
verharding buiten bedrijfsbestemming   3.575 m²   € 25/m²   € 89.375  
totaal   24.536 m²     € 573.985  

Zoals vermeld moet 20% van de waardevermeerdering van de grond worden ingezet voor de landschappelijke kwaliteitsverbetering, ofwel 20% x (573.985 - 444.395) = € 25.918.

3.3.2.2 Wijze van kwaliteitsverbetering (fysieke prestatie)

Kwaliteitsverbetering van het landschap
De kwaliteitsverbetering moet rechtstreeks gerelateerd zijn aan het project, of passen binnen een voorgenomen gemeentelijke ontwikkeling ten aanzien van kwaliteitsverbetering van het landschap.
Bij het bepalen van de omvang van de fysieke prestatie worden niet alleen de kosten van de aanleg in ogenschouw genomen, zoals de verwerving van de gronden c.q. de waarde van de ingebrachte gronden en het feitelijk realiseren van het groen (planvorming, arbeid, materialen), maar ook de onderhouds- en beheerkosten voor een periode van tien jaar (bestemmingsplanperiode conform de Wro). Voorliggend plan omvat de volgende fysieke prestatie in het kader van de kwaliteitsverbetering van het landschap:

  • 1. het slopen van de agrarisch bedrijfsopstallen;
  • 2. het verwijderen van terreinverharding.

De waarde van de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt bepaald aan de hand van:

  • de waardedaling van de grond;
  • de feitelijke aanleg van de fysieke prestatie;
  • de onderhoudskosten voor een periode van tien jaar.

In onderstaand schema is de waarde van de fysieke prestatie gespecificeerd.

WAARDE FYSIEKE PRESTATIE

fysieke prestatie   omvang   eenheidsprijs   waarde  
1.   sloop stallen:        
  - aanleg prestatie   2.600 m²   € 25/m²   € 65.000  
2.   verwijderen verharding:        
  - aanleg prestatie   2.000 m²   € 5/m²   € 10.000  
totaal       € 75.000  

De fysieke prestaties vertegenwoordigen een totale waarde van € 75.000 en daarmee wordt aan de 20%-regeling voldaan.

Landschappelijke inpassing
In het beplantingsplan, dat als bijlage bij de planregels is gevoegd, zijn de landschapselementen opgenomen die de landschappelijke inpassing verzorgen.

3.3.2.3 Zekerstelling kwaliteitsverbetering (juridische verankering)

Gelet op de Verordening ruimte Noord-Brabant moet bij het nemen van een ruimtelijk besluit (i.c. het vaststellen van het bestemmingsplan) aangetoond zijn, dat wordt voldaan aan het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap. De betreffende bebouwing en verharding zijn reeds verwijderd, waardoor er geen nadere juridische verankering nodig is voor het onderdeel kwaliteitsverbetering van het landschap.
De landschappelijke inpassing is als voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.

3.4 Verkeer en parkeren

3.4.1 Verkeersgeneratie

De vestiging van het grondveredelingsbedrijf leidt tot een bepaalde verkeersgeneratie. Omdat er geen gegevens bekend zijn van het voormalige agrarische bedrijf, wordt in deze paragraaf uitsluitend de verkeersgeneratie van het nieuwe bedrijf beoordeeld. Er is daarbij een berekening gemaakt op basis van algemene kencijfers (CROW) en op basis van de verwerkte hoeveelheid grond.

Kencijfers CROW
De digitale publicatie "ASVV 2012" (CROW, 30 oktober 2012) bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. In de publicatie wordt onderscheid gemaakt in verschillende stedelijkheidsgraden en deelgebieden. Voor de gemeente Heusden is de stedelijkheidsgraad "weinig stedelijk" van toepassing. Het plangebied ligt in het deelgebied "buitengebied".

Het grondveredelingsbedrijf is te kenmerken als een arbeidsextensief/bezoekersextentief bedrijf. Het kencijfer voor dit type bedrijf bij de genoemde stedelijkheidsgraad bedraagt 3,9 tot 5,7 motorvoertuigbewegingen per 100 m² bvo per etmaal. Dit is inclusief vrachtverkeer en 5% bezoekersaandeel.

De verkeersgeneratie van het bedrijf (maximaal 2.000 m² bvo) bedraagt 78 tot 114 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

Praktijkcijfers
In de praktijk zal de verkeersgeneratie van het bedrijf lager zijn dan middels de kencijfers berekend. Ten behoeve van de beoordeling van het geluid op de omliggende woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.1.2). Daaruit volgt dat in de representatieve bedrijfssituatie sprake is van maximaal 34 voertuigbewegingen van vrachtwagen, graafmachines en tractors per etmaal.
Het bedrijf heeft 4 tot 6 werknemers. Het aantal personenautobewegingen bedraagt (4 x 6 =) 24 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

De totale, maximale verkeersgeneratie bedraagt 58 motorvoertuigbewegingen per etmaal, waarvan 58,6% als gevolg van vrachtverkeer. De verkeersgeneratie is daarmee in de praktijk lager dan conform algemene kencijfers.

3.4.2 Verkeersafwikkeling

De verkeersafwikkeling zal plaatsvinden via de Vendreef. De Vendreef betreft een landbouwweg met een relatief lage verkeersintensiteit. De weg heeft voldoende technische capaciteit om het extra verkeer te kunnen verwerken.

3.4.3 Parkeren

Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor een goed functioneren van het bedrijf en voorkomt overlast voor de omgeving. Voor het berekenen van het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt gebruik gemaakt van de normen in de "Nota Parkeernormen Heusden 2016" (17 mei 2016).

Voor een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf in het gebied "rest bebouwde kom en buitengebied" bedraagt de norm 1,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Uitgaande van 2.000 m² bvo moeten 20 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het terrein biedt hiervoor voldoende ruimte.

Opgemerkt wordt dat er bij een volledige bedrijfsbezetting maximaal 6 personen op het bedrijfsperceel aanwezig zijn. Het feitelijke aantal benodigde parkeerplaatsen is daardoor minder dan het berekende aantal.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland.

Voor onderhavig plan is het belang "Natuurnetwerk Nederland" aan de orde. Dit belang is beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (zie paragraaf 4.1.2). Als aan dat besluit wordt voldaan, wordt tevens aan de SVIR voldaan.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Zoals hiervoor als aangegeven is het nationale belang "Natuurnetwerk Nederland" aan de orde. Conform titel 2.10 van het Barro wordt in de provinciale Verordening een exacte begrenzing van het natuurnetwerk opgenomen en worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

Een toetsing een aan de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant is in paragraaf 4.2.2 opgenomen.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Analyse
In grote delen van Nederland - waaronder Midden-Brabant - is grote behoefte aan grondstoffen en bouwmaterialen voor onder meer nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen. Peter Dekkers Grondwerken levert veredelde gronde voor de aanleg van openbare groen, parken en sportterreinen, en voorziet daarmee deels in de landelijke/regionale behoefte.

Gezien de omvang en kenmerken van de bedrijfsactiviteiten is vestiging op een regulier bedrijventerrein in de regio niet mogelijk. Het gebied rond Vlijmen bevat zeer goede grondstoffen. Verplaatsing van het bedrijf naar een locatie buiten deze regio is niet wenselijk, omdat het kostenverhogend is en meer belastend voor het milieu. Derhalve wordt gebruik gemaakt van een voormalige agrarische bedrijfslocatie.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Structuurvisie Ruimtelijke Ordening;
  • Verordening ruimte 2014.

Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014 bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van het provinciale bestuur op de ontwikkeling van Noord-Brabant.

Het plangebied ligt binnen de 'groenblauwe mantel', die overwegend bestaat uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze de bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. Ontwikkelingen moeten qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel passen en rekening houden met omliggende waarden. Dit wordt betrokken bij de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit.

Analyse
Het plan omvat de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf op een voormalige bedrijfslocatie. De nieuwe functie is qua invloed op de omgeving (zowel ruimtelijk als milieutechnisch) beperkter dan het voormalige agrarische bedrijf. Bovendien is spraek van een ruime landschappelijke inpassing dor middel van nieuw groen.

Conclusie
Het plan past binnen het beleid van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

4.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant
4.2.2.1 Algemeen

De Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie per 31 juli 2018) stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

De Verordening maakt onderscheid in structuren en aanduidingen. De Verordening kent vier structuren, die tezamen provinciedekkend zijn. Daarin is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden. Afhankelijk van de waarden in of kenmerken van een gebied kunnen er één of meerdere aanduidingen gelden. De Verordening bevat voorts algemene regels ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit.

4.2.2.2 Structuren en aanduidingen

Structuren
Het plangebied ligt binnen de structuur 'Groenblauwe mantel'. Dit gebied is aangewezen voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Conform artikel 6.10 van de Verordening kan onder voorwaarden voorzien worden in de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Hieronder zijn die voorwaarden genoemd, waarbij tevens is aangegeven op welke wijze de ontwikkeling daaraan voldoet.

  • De totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling bedraagt te hoogste 5.000 m²
    De omvang van het bouwperceel van het grondveredelingsbedrijf bedraagt exact 5.000 m², waarmee aan de voorwaarde wordt voldaan.
  • De ontwikkeling gaat gepaard met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken
    De vestiging van het grondveredelingsbedrijf gaat gepaard met het wegnemen van een agrarisch bedrijf met verouderde bebouwing en het realiseren van een flinke hoeveelheid landschappelijk groen. Dit levert zowel een milieutechnische als landschappelijke kwaliteitswinst op.
  • Verzekerd is dat overtollige bebouwing wordt gesloopt
    De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen zijn inmiddels gesloopt. Er is geen sprake meer van overtollige bebouwing.
  • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een bedrijf behorend tot de milieucategorie 3 of hoger
    Het grondveredelingsbedrijf betreft een milieucategorie 2-bedrijf (zie paragraaf 5.1.2).
  • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot twee of meer zelfstandige bedrijven
    Er is sprake van één grondveredelingsbedrijf.
  • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie
    De ontwikkeling omvat geen kantoorvoorziening met baliefunctie.
  • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m²
    De ontwikkeling omvat geen detailhandelsvoorziening.
  • Aangetoond is dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang
    De Verordening biedt nog verdere ontwikkelingsruimte voor het toevoegen van nieuwe gebouwen. Hiervan wordt vooralsnog geen gebruik gemaakt.
  • De beoogde activiteit leidt niet tot een grootschalige ontwikkeling
    Van een grootschalige ontwikkeling is sprake bij meer dan 300.000 bezoekers per jaar. Daarvan is hier geen sprake.

Aanduidingen

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende aanduidingen:

  • 1. attentiegebied NNB;
  • 2. reservering waterberging;
  • 3. cultuurhistorisch vlak;
  • 4. beperkingen veehouderij.

Attentiegebied NNB
Conform artikel 12 van de Verordening mogen binnen het 'attentiegebied NNB' geen fysieke ingrepen worden gedaan met een negatief effect op het nabijgelegen Natuurnetwerk Brabant. De Verordening noemt daarbij specifieke ingrepen, waaronder het verzetten van grond onder het huidige maaiveld, de aanleg van drainage, het verlagen van van de grondwaterstand en het buiten het bouwperceel aanleggen van verharde oppervlakken.

Het plan omvat geen van deze ontwikkelingen, behoudens het aanleggen van waterpartijen ten behoeve van de berging van hemelwater. De gezamenlijke oppervlakte van de waterpartijen bedraagt 2.340 m², gemeten vanaf de insteek. Deze oppervlakte is dermate beperkt dat hierdoor naar verwachting geen negatieve hydrologische effecten zullen optreden.

Reservering waterberging
Conform artikel 14 van de Verordening moet het waterbergend vermogen van het gebied met de aanduiding 'reservering waterberging' behouden blijven.

Het plan voorziet in een kleinere oppervlakte aan bebouwing dan het vigerende bestemmingsplan toestaat. Het waterbergend vermogen blijft niet alleen behouden, maar wordt zelfs uitgebreid.

Cultuurhistorisch vlak
Het plangebied is onderdeel van de aanduiding 'cultuurhistorisch vlak', mede gericht op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Zoals uit paragraaf 5.2.2 blijkt, sluit de ontwikkeling aan bij het kenmerkende landschap.

Beperkingen veehouderij
Deze aanduiding ligt op de gronden ten noorden van de voormalige stallen. Ter plaatse van deze aanduiding is conform artikel 25 van de Verordening uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet toegestaan. Het plan leidt tot de planologische beëindiging van een veehouderij en sluit derhalve aan bij deze beleidsdoelstelling.

4.2.2.3 Algemeen geldende regels

Ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de Verordening algemene regels (opgenomen in artikel 3). Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteitsverbetering van het landschap.

Algemeen geldt dat een project moet bijdragen aan de zorg voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en voldoet aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Dit is verkregen door gebruik te maken van een voormalige agrarische bedrijfslocatie.

De vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap is beschreven in paragraaf 3.3.2.

4.2.2.4 Conclusie

Het plan voldoet aan de regels van de Verordening ruimte Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Structuurvisie Gemeente Heusden

De Structuurvisie Gemeente Heusden (2009) geeft de ruimtelijke ambities van de gemeente Heusden voor een periode van 20 jaar, met een accent op de periode 2010-2020. Het geeft een afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen.

De Structuurvisie bevat geen beleid over het agrarisch buitengebied en de ontwikkeling van voormalige agrarische bedrijfslocaties. De ruimtelijke afweging kan niet gemaakt worden op basis van dit beleidsdocument.

4.3.2 Ontwikkelingsvisie buitengebied

De Ontwikkelingsvisie buitengebied (2010) heeft als doel als toetsingskader te fungeren voor initiatieven die zich aandienen in het buitengebied en die niet passen in het bestemmingsplan. De ontwikkelingsvisie onderscheidt daarvoor zeven deelgebieden met elk eigen kenmerken. Het plangebied ligt in het deelgebied 'Overlaat'.

In de ontwikkelingsvisie wordt geconstateerd dat de afgelopen jaren zijn er al meerdere (agrarische) bedrijven gestopt met de bedrijfsvoering en dat het aantal agrarische bedrijven in de komende jaren nog verder zal afnemen. De gemeente wil voor functieverandering van agarrische bedrijven ruime mogelijkheden opnemen uit oogpunt van het behoud van een sterke plattelandseconomie, waarbij rekening dient te worden gehouden met de kwaliteiten per deelgebied.

Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat in gebieden waarin het primaat ligt bij de landbouw - zoals het deelgebied Overlaat - meer terughoudend wordt omgegaan met mogelijkheden voor functieverandering om potentiële beperkingen voor agrarische bedrijven te voorkomen.

In geval van functieverandering hanteert de gemeente de versterking van de ruimtelijke kwaliteit als uitgangspunt, bijvoorbeeld door sloop van overtollige gebouwen. Bij voorkeur is er per saldo sprake van een afname van de oppervlakte gebouwen. Ruimtelijke kwaliteit betekent naar de mening van de gemeente in ieder geval een goede inpassing in het omliggende landschap.

Analyse
De Ontwikkelingsvisie biedt in het deelgebied 'Overlaat' ruimte aan de omschakeling naar agrarisch-technische bedrijven, agrarisch verwante bedrijven en opslag van goederen. Overige vormen van bedrijvigheid zijn in beginsel uitgesloten.

Onderhavig plan betekent een afwijking van de Ontwikkelingsvisie, omdat het de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf betreft dat niet tot de genoemde categorieën behoort. Deze afwijking wordt als volgt gemotiveerd:

  • 1. Het plan geeft invulling aan een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie. Hergebruik van deze locatie ten behoeve van een melkveehouderij of akkerbouwbedrijf is niet meer mogelijk, omdat de omliggende weiden niet meer in eigendom zijn. Hoewel de locatie fysiek ruimte biedt aan een intensieve veehouderij is een dergelijk bedrijf vanuit milieutechnisch oogpunt (geurhinder en stikstofdepositie) ongewenst. Hervestiging zou voorts een flinke investering vragen, omdat de oude stallen bouwkundig onbruikbaar waren.
  • 2. De aard van een grondveredelingsbedrijf maakt dat het aan het buitengebied gebonden is.
  • 3. Er is sprake van een afname van gebouwen en een ruime landschappelijke inpassing.
  • 4. De ontwikkeling is bovendien mogelijk op basis van de provinciale Verordening ruimte.

Conclusie
Met het plan wordt gemotiveerd afgeweken van de Ontwikkelingsvisie buitengebied.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Om de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden. De voor voorliggend bestemmingsplan relevante onderzoeken betreffen:

  • Verkennen bodemonderzoek, SGC Environmental Services, 15 juni 2005
    Uit dit onderzoek volgen enkele verdachte locaties met olievervuiling, die geen ernstige bodemverontreiniging betreffen.
  • Bodemonderzoek asbest, Geofoxx, 24 september 2015
    Uit dit onderzoek volgt een asbestvervuiling in de bodem en de dakbedekking van de agrarische gebouwen.

De afgelopen periode heeft een flinke sanering plaatsgevonden, waarbij de voormalige agrarische gebouwen geheel zijn verwijderd en ook de olie- en asbestverontreinigingen zijn weggenomen. Daarvan zijn saneringsverslagen gemaakt. Hieruit volgt dat de bodem voldoende schoon is voor de bestemmingsplanherziening.

In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen zal te zijner tijde een recent verkennend bodemonderzoek worden overgelegd.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Toekenning milieucategorie
In de genoemde VNG-handreiking zijn diverse bedrijfstypen opgenomen, met hun richtafstand en milieucategorie. Een grondveredelingsbedrijf is dermate nieuw van aard én specialistisch dat deze niet in de lijst voorkomt. Een specifieke analyse van de bedrijfsaspecten is derhalve noodzakelijk om de milieucategorie te bepalen.

De categorie-indeling van een bedrijf wordt bepaald aan de richtafstanden van de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de categorie-indeling. Voor een categorie 2-bedrijf mag de richtafstand van de afzonderlijke aspecten niet meer dan 30 meter bedragen. Hierna worden de vier milieuaspecten van het grondveredelingsbedrijf beoordeeld.

Geur
Bij de grondveredeling wordt droge mest verwerkt. De droge mest wordt van elders aangevoerd en opgeslagen in een depot. De feitelijke verwerking van de droge mest (door vermenging met zand of grond) vindt inpandig plaats.
Er komt een beperkt hoeveelheid geur vrij bij het lossen van de droge mest in het depot en bij de verplaatsing van de mest naar het gebouw. De geurbelasting op de omgeving is beperkt en vergelijkbaar met de aanvoer van droge mest bij een champignonkwekerij (SBI-code 0113.4), waarvan de richtafstand voor geur 30 meter bedraagt. De richtafstand voor het aspect geur bedraagt maximaal 30 meter.

Stof
Grond en zand vormen de voornaamste grondstoffen in het grondveredelingsproces. Deze grondstoffen en het gerede product worden opgeslagen in het depot op het terrein. In het kader van het bedrijfsproces is het van belang te voorkomen dat de grondstoffen en de gemengde grond verontreinigd worden met zaden en afvallend blad. De in het depot opgeslagen stoffen worden daartoe afgedekt met een zeil. Dit zeil voorkomt bovendien dat er verstuiving plaatsvindt als gevolg van de wind.
Gesteld kan worden dat de richtafstand voor het aspect stof maximaal 30 meter bedraagt.

Geluid
Om te bepalen of het grondveredelingsbedrijf zich ook qua geluid gedraagt als een categorie 2-bedrijf heeft BOR Advies uit Nuenen een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij de geluidbelasting op een afstand van 30 meter uit het bedrijf is bepaald. Het onderzoek is opgenomen in het rapport "Akoestisch onderzoek ten behoeve van ruimtelijke onderbouwing en aanvraag omgevingsvergunning Peter Dekkers Grondwerken VOF Vendreef 2 Vlijmen" (8 maart 2019, nr. 1807A-3.0), dat als bijlage 2 is bijgevoegd.
Uit het onderzoek volgt dat de berekende langtijdgemiddelden (LAr,LT) op 30 meter afstand van het bedrijf voldoen aan de richtwaarden voor woningen van derden.

In het kader van het bepalen van de categorie-indeling van het bedrijf is het maximale geluidniveau (LAmax) niet maatgevend. Het maximale geluidniveau wordt namelijk veroorzaakt door een wegrijdende tractor. Hoe vaak er een individuele tractor wegrijdt gedurende een etmaal heeft hierop geen invloed. Het maximale geluidniveau is derhalve gelijk, ongeacht de milieucatgeorie.
Het aantal wegrijdende tractoren per tijdsperiode heeft wel invloed op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, hetgeen is berekend in het akoestisch onderzoek.


De geluiduitstraling is dermate beperkt dat het grondveredelingsbedrijf als een categorie 2-bedrijf voor het aspect geluid kan worden beschouwd.

Gevaar
Binnen het plangebied worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen of verwerkt. De richtafstand voor het aspect gevaar bedraagt 0 meter.

Samengevat kan worden geconcludeerd dat de maximale richtafstand van de individuele milieuaspecten 30 meter bedraagt. Het grondveredelingsbedrijf is derhalve als een categorie 2-bedrijf aan te merken.

Invloed plan op de omgeving
De invloed van het plan op de omgeving is zowel door toepassing van de richtafstand als met een akoestisch onderzoek bepaald.

Een milieucategorie 2-bedrijf heeft een richtafstand van 30 meter. De omliggende woningen liggen op 266 meter (Vendreef 1), 64 meter (Vendreef 3) en 85 meter (Vendreef 4) van de bedrijfsbestemming (inclusief zone parkeren, rangeren, opslag en exclusief locatie bedrijfswoning) en daarmee buiten de richtafstand van het bedrijf.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening en ter voorbereiding op de aanvraag om omgevingsvergunning heeft BOR Advies uit Nuenen een akoestisch onderzoek uitgevoerd, eveneens opgenomen in het rapport "Akoestisch onderzoek ten behoeve van ruimtelijke onderbouwing en aanvraag omgevingsvergunning, Peter Dekkers Grondwerken VOF Vendreef 2 Vlijmen" (bijlage 2).
"Het onderzoek heeft uitgewezen dat:

  • voor wat betreft de planologische inpassing van de onderhavige inrichting de werkelijke afstanden tot de dichtstbij gelegen woningen in de omgeving groter zijn dan de voor een dergelijke inrichting gestelde richtafstanden;
  • met betrekking tot het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van het bedrijf ter plaatse van (bedrijfs)woningen van derden voldaan wordt aan de richtwaarden;
  • met betrekking tot het maximaal geluidniveau ten gevolge van het bedrijf ter plaatse van (bedrijfs)woningen van derden onaanvaardbare hinder wordt voorkomen;
  • met betrekking tot het equivalent geluidniveau ten gevolge van het wegverkeer van en naar het bedrijf ter plaatse van (bedrijfs)woningen van derden voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden, zelfs in de incidentele bedrijfssituatie."

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Een nadere beoordeling van de invloed van omliggende inrichtingen op het plan is niet nodig.

5.1.2.3 Conclusie

Het bedrijf Peter Dekkers Grondwerken betreft een milieucategorie 2-bedrijf. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

5.1.3.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe kwetsbare objecten. Het plan omvat voorts niet de ontwikkeling van een bedrijf dat onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen valt. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet nodig.

5.1.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

De nieuwe bedrijfsgebouwen binnen het plangebied betreffen nieuwe geurgevoelige objecten. De bestaande bedrijfswoning wordt niet als nieuw geurgevoelig object aangemerkt.

In de omgeving van het plangebied liggen twee agrarische bedrijven die relevant zijn. Op het adres Vendreef 3 is een paardenhoudeij gevestigd en op Vendreef 4 een melkveehouderij. Zowel paarden als melkkoeien behoren tot de diercategorieën waarvoor in de Wet geurhinder en veehouderij geen geuremissiefactor is vastgesteld. Er geldt derhalve een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Heusden 2012 is opgenomen dat de vaste afstand tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom 25 meter bedraagt. Op onderstaande afbeelding is deze afstand uitgezet vanaf de agrarische bouwvlakken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0008.jpg"

GEURAFSTANDEN VEEHOUDERIJEN

Uit de afbeelding volgt dat de nieuwe bedrijfsgebouwen op meer dan 25 meter van de omliggende agrarische bedrijven staan en daarmee wordt voldaan aan het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder, anders dan in paragraaf 5.1.2 aan de orde is gekomen, is niet nodig.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
De (negatieve) effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van de NIBM-rekentool (www.infomil.nl). Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het plan al of niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht.

Op onderstaande afbeelding is het resultaat van de rekentool weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0797.vendreef2-VG01_0009.jpg"

Uit de berekening volgt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van stoffen in de lucht.

Goed woon- en leefklimaat
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:

  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2;
  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10;
  • 25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5;
  • 35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10.

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen, drukke vaarwegen, en auto(snel)wegen. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er geen nadere berekening nodig is. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor bij de uitbreiding van veehouderijen of een ontwikkeling van milieugevoelige functies in de omgeving van veehouderijen. Het betreft specifiek de aspecten endotoxinen en geitenhouderijen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.1.7.2 Endotoxinen

Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor i fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 EU/m³ voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode.
Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de agrarische bedrijven op een afstand van minder dan 600 meter van het plangebied.

veehouderij   diersoort   fijnstofemissie   adviesafstand
30 EU/m³ *)  
werkelijke afstand  
Vendreef 1   melkvee   n.v.t.   -   340 m  
Vendreef 3   paarden   n.v.t.   -   120 m  
Vendreef 4   melkvee   n.v.t.   -   85 m  
Vendreef 8   melkvee   n.v.t.   -   475 m  
Vendreef 10   paarden   n.v.t.   -   565 m  
*) conform afstandsgrafiek in bijlage 1 van de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0"  

De werkelijke afstand tot de relevante intensieve veehouderijen bedraagt meer dan de afstand bijhorende bij de advieswaarde van 30 EU/m³. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.

5.1.7.3 Geitenhouderijen

Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.

5.1.7.4 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

5.1.8.2 Analyse

De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.

Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

5.1.8.3 Conclusie

Er is een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen waaruit volgt dat het plan niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig is.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

De gemeente Heusden beschikt over een beleidsadvieskaart, waarop archeologische verwachtingswaarden zijn opgenomen. Het plangebied ligt in de zone 'Archeologisch waardevol gebied 7: Verwachtingswaarde archeologie laag'. Vanwege de lage verwachting is het niet nodig om voorafgaand aan werkzaamheden in de bodem een archeologisch onderzoek uit te voeren.

Een lage verwachtingswaarde sluit niet uit dat bij bodemwerkzaamheden op een archeologische vondst wordt gestuit. Een dergelijke toevalsvondst moet conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet worden gemeld bij het bevoegd gezag.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

Het plangebied is onderdeel van het gebied de Baardwijkse Overlaat, dat een cultuurhistorische landschap van provinciaal belang is. Ter plaatse van het plangebied en directe omgeving wordt het landschap voornamelijk gevormd door het open landschap. Het Drongelens Kanaal ligt op enige afstand.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het wenselijk om het open landschap te behouden en de cultuurhistorische waardering te verhogen door vergroting van de beleving.

Het plan omvat de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De omvang van het het nieuwe bedrijf is compacter waardoor het open landschap niet verder wordt verstoord. De landschappelijke inpassing volgt de oorspronkelijke ontginningsrichting, haaks op de Vendreef. Door geen houtsingels evenwijdig aan de Vendreef te planten, blijft er zicht op het achterliggende open landschap.

De inrichting van het perceel sluit derhalve aan bij de kenmerken van het gebied.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse

Staro Natuur en buitengebied uit Gemert heeft een quickscan uitgevoerd om de effecten van het plan te toetsen op beschermde gebieden en beschermde soorten: rapport "Quickscan flora en fauna en voortoets Vendreef 2 te Vlijmen" (november 2018, nr. 18-0184). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd.

Gebiedsbescherming
Staro concludeert dat het optreden van negatieve effecten als gevolg van het plan op het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek niet op voorhand kan worden uitgesloten. Staro adviseert dan ook een aanvullende voortoets uit te voeren om te bepalen of er sprake is van een (significant) negatief effect.

Staro heeft een aanvullende voortoets uitgevoerd om de effecten van geluid, trilling en stikstofuitstoot van het bedrijf op het Natura 2000-gebied te bepalen: rapport "Aanvullende voortoets Natura 2000 Grondveredelingsbedrijf Vendreef 2 te Vlijmen" (februari 2019, nr. 18-0324). Het onderzoeksrapport is als bijlage 4 opgenomen.
Staro concludeert dat er geen sprake is van een negatief effect door trilling en geluid op de aangewezen habitatsoorten, en dat ook de toename in stikstofuitstoot geen effect heeft op de aangewezen stikstofgevoelige habitattypen en habitatsoorten met een stikstofgevoelig leefgebied.

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan waardoor de door het Rijk gehanteerde Programmatische Aanpak Stikstof niet meer mag worden gehanteerd. Dat betekent dat de conclusies uit de voortoets ten aanzien van stikstofgevoelige gebieden nader onderbouwd moeten worden. In dat kader is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 5 is bijgevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat het plan, met toepassing van interne saldering, voldoet aan de grenswaarde voor de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en dat er zelfs sprake is van een verbetering. Hiermee worden de conclusies uit de voortoets bevestigd.

Met de uitgevoerde voortoets en het stikstofdepositie-onderzoek is de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan in voldoende mate aangetoond. Omdat interne saldering wordt toegepast is in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een vergunning Wet natuurbescherming nodig.

Soortenbescherming
In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming - onder meer diverse vogelsoorten waaronder huismus en huiszwaluw, poelkikker en algemene amfibieën, en gebouwbewonende vleermuissoorten. Staro adviseert daaromtrent de volgende maatregelen te nemen c.q. vervolgonderzoeken uit te voeren:

  • 1. Het verwijderen van takkenhopen en stenen materialen in het plangebied wordt (indien nodig) uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.
  • 2. Om effecten te voorkomen op overwinterende poelkikkers en algemene amfibieën is het noodzakelijk om het tijdelijk opgeslagen materiaal in het plangebied buiten de winterperiode van amfibieën, te verwijderen. De steen- en takkenhopen kunnen tussen 1 april en 1 oktober worden verwijderd.
  • 3. Het verbreden van de sloot dient in verband met het mogelijk voorkomen van poelkikkers te worden uitgevoerd in de periode half september t/m half maart. En buiten vorstperiodes in verband met mogelijk voorkomende vissen.
  • 4. De werkzaamheden aan het grasland kunnen in verband met de mogelijke aanwezigheid van poelkikker worden uitgevoerd in de periode 1 oktober tot 1 april.
  • 5. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van huismussen wordt uitgevoerd om het eventueel aantasten van verblijfplaatsen te kunnen uitsluiten. Indien een verblijfplaats aanwezig is, is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen en mitigerende maatregelen te treffen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode half april tot en met augustus.
  • 6. Verplaatsen van de beukenhaag buiten de voortplantingsperiode van huismussen. Deze voortplantingsperiode loopt van eind maart tot half augustus.
  • 7. Er dienen mitigerende maatregelen te worden genomen ten aanzien van de aanwezige zwaluwnesten tegen de te verbouwen woning. Naast het uitvoeren van de werkzaamheden aan de woning buiten de voortplantingsperiode (die loopt van mei tot september) van huiszwaluwen is het noodzakelijk om de onderkant van het dakoverstek wit en daarmee geschikt te laten voor huiszwaluwen en 6 vervangende nestplekken terug te plaatsen in de vorm van nestkasten voor huiszwaluw.
  • 8. Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuissoorten wordt uitgevoerd gedurende de periode 15 mei t/m 30 september om het eventueel aantasten van verblijfplaatsen te kunnen uitsluiten. Indien een verblijfplaats aanwezig is, is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen en mitigerende maatregelen te treffen.

De geadviseerde onderzoeken worden uitgevoerd voorafgaand aan de omgevingsvergunning voor het verbouwen van de bedrijfswoning.

De soortenbescherming vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas.

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
  • Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschapsniveau

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2016-2021
    Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede of mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.

  • Brabant Keur
    Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water.
    Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen:
    • 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2.000 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
    • 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2.000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:
      benodigde compensatie (in m³) =
      toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)  
    • 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
  • De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’
    De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die alle zijn gehanteerd bij het opstellen van voorliggend plan:
    • 1. Wateroverlastvrij bestemmen
    • 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen
    • 3. Voorkomen van vervuiling
    • 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water
    • 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer"
    • 6. Meervoudig ruimtegebruik
    • 7. Water als kans
    • 8. Waterschapsbelangen
5.3.2.4 Gemeentelijk niveau
  • Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Heusden
    Dit plan beschrijft het waterbeleid van de gemeente in het kader van de zorgplicht voor afval-, hemel- en grondwater. Het plan bevat zowel een visie als een uitvoeringsprogramma.
  • Randvoorwaarden water bij bouwen in de gemeente Heusden
    Dit document bevat de randvoorwaarden ten aanzien van riolering en hemelwaterberging. Voor verwerking van hemelwater geldt de voorkeursvolgorde:
    • 1. hergebruik van hemelwater;
    • 2. bovengrondse berging en infiltratie;
    • 3. ondergrondse infiltratie;
    • 4. afvoer naar oppervlaktewater.
5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit de kaart met gevoeligheidsfactoren van het waterschap volgt dat sprake is van een gemiddeld redelijk goede infiltratiecapaciteit (gevoeligheidsfactor 1).

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Op de grens tussen de percelen Vendreef 2 en 4 ligt een B-watergang. Voorts is er binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt minder dan 40 cm onder maaiveld. Er is daarmee sprake van een relatief hoge grondwaterstand.

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen. Het betreft de volgende belangen:

  • Attentiegebied
    Dit belang is tevens vastgelegd in de provinciale Verordening ruimte. Paragraaf 4.2.2.2 bevat een toetsing van het plan aan dit belang.
  • Invloedsgebied Natura 2000
    Verdroging (of vernatting) van de bodem, die als gevolg van een plan optreedt, kan effect hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
    Onderhavig plan leidt tot een toename van het verhard oppervlak van 4600 m² naar 8575 m², per saldo 3975 m². Doordat al het hemelwater vanaf de verharde oppervlakken binnen het plangebied wordt geïnfiltreerd en er geen versnelde afvoer plaatsvindt, is er geen effect op de grondwaterstand en heeft het plan geen (negatief) effect op het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek".
  • Reserveringsgebied waterberging
    Ook dit waterschapsbelang is geborgd in de Verordening ruimte. Een toetsing van het plan aan dit belang is opgenomen in paragraaf 4.2.2.2.
5.3.4 Hemelwater

Het plan omvat circa 8.575 m² bebouwing en verharding. Toepassing van de eerder genoemd rekenregel geeft een benodigde compensatie van (8575 x 1 x 0,06 =) 515 m³.

Ten behoeve van de benodigde waterberging wordt een waterpartij aangelegd met een voldoende grote inhoud. De GHG bedraagt zoals vermeld 40 cm onder maaiveld. Voor de waterberging is uitgegaan van een waterbergende schijf van 30 cm, zodat er enige marge overblijft bij een zeer extreme regenbui.
De waterpartij heeft een leegloopvoorziening naar de nabijgelegen B-watergang met een diameter van maximaal 4 cm.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater zal op de bestaande riolering in de Vendreef geloosd worden. Dit afvalwater bestaat uit het afvalwater vanuit de woning en de toiletten en voorzieningen in de bedrijfsgebouwen.

Bedrijfsafvalwater
Het water dat gebruikt wordt in het bedrijfsprocees wordt via een slibopvang en olie- en vetafscheider op de nieuwe waterpartij geloosd. Eventueel vindt hergebruik van het water plaats. Er wordt geen bedrijfsafvalwater op de riolering geloosd.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.

6.1 Behoefte

Voorliggend bestemmingsplan geeft planologische medewerking aan het concrete initiatief van de vestiging van een grondveredelingsbedrijf op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Gezien de omvang en de milieu-uitstraling is vestiging van het bedrijf op een regulier bedrijventerrein niet mogelijk.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.

Gemeentelijke grondexploitatie
De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

6.3 Conclusie

Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1 )
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2 )
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Agrarisch (artikel 3)
De bestemming 'Agrarisch' heeft een tweeledige functie. De gronden aansluitend op de bedrijfsbestemming mogen worden verhard als parkeer-, rangeer- en opslagruimte ten behoeve van het grondveredelingsbedrijf.

Bedrijf (artikel 4)
Het grondveredelingsbedrijf in de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. Binnen deze bestemming is 2.000 m² bebouwing toegestaan. Voorwaarde voor het bouwen en gebruiken van het perceel is het uitvoeren van de als bijlage opgenomen landschapsmaatregelen. Deze bestemming kan worden gewijzigd voor een andere niet-agrarische functie, waarbij het verwijderen van de hiervoor genoemde parkeer-, rangeer- en opslagruimte een van de voorwaarden is.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 5 )
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 6 )
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument.

Algemene gebruiksregels (artikel 7 )
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.

Algemene aanduidingsregels (artikel 8)
Ter bescherming van de in het gebied voorkomende waarden is een aantal gebiedsaanduidingen opgenomen.

Algemene afwijkingsregels (artikel 9 )
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.

Algemene procedureregels (artikel 10)
Dit artikel bevat de procedure voor het toepassen van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsregels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 12 )
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 13 )
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
  • 2. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 3. Vaststelling door gemeenteraad
  • 4. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

8.1 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Op grond van artikel 3.8 Wro heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 16 april 2019 tot en met 27 mei 2019 ter inzage gelegen. De nota met beantwoording van zienswijzen is opgenomen als bijlage 6.

8.2 Vaststelling door de gemeenteraad

In de periode tussen terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake de Programmatische Aanpak Stikstof. Deze uitspraak heeft invloed op voorliggend bestemmingsplan, wat is beschreven in een raadsinformatiebrief dia als bijlage 7 is bijgevoegd. De raadsinformatiebrief heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van paragraaf 5.2.3.