direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Vinkelsestraat 86, Vinkel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002527-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het kader van het voornemen van de familie Swinkels (initiatiefnemer) voor het wijzigen van de bestemming 'Bedrijf' naar 'Wonen' en tegelijkertijd het splitsen van het pand aan de Vinkelsestraat 86 in Vinkel in twee woningen, is een principeverzoek ingediend bij de gemeente 's-Hertogenbosch.

Het voornemen dat door de initiatiefnemer aan de gemeente is voorgelegd past niet in het vigerende bestemmingsplan. De gemeente heeft daarom aangegeven dat een bestemmingsplan vastgesteld dient te worden om de ontwikkeling mogelijk te maken.

Bij mail van 10 januari 2019 heeft de gemeente principemedewerking toegezegd aan het plan van initiatiefnemer. Initiatiefnemer verzorgt de verbeelding, de regels en de ruimtelijke onderbouwing (toelichting) van het op te stellen (concept)bestemmingsplan.

Met de partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan wordt de planologische en juridische ruimte gecreëerd om het plan te realiseren. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld door RO Connect en BRO.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft het perceel gelegen aan de Vinkelsestraat 86 te Vinkel, kadastraal bekend als Nuland, sectie E, nummer 2020 (deels), met een oppervlakte van circa 2.140 m². Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente 's-Hertogenbosch. De omgeving van het plangebied be-staat hoofdzakelijk uit agrarische gronden. Het plangebied wordt aan de zuidzijde omsloten door de Vinkelsestraat, aan de westzijde door Het Staal, aan de oostzijde door bebouwing en aan de noordzijde door agrarische grond.

De locatie van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit een gebouw met daaromheen bedrijfsbebouwing waar voornamelijk opslag plaatsvindt van het afbouwbedrijf. De bedrijfsbebouwing van het afbouwbedrijf bestaat uit de bijgebouwen in het noorden en oosten van het plangebied. Het bijgebouw in het westen van het plangebied behoort bij de huidige bedrijfswoning. De omliggende bebouwing bestaat uit grondgebonden woningen van één bouwlaag met een kap. Aan de randen van het plangebied staan bomen en aan de voorzijde van de huidige bedrijfswoning is een fietspad gelegen.

De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0001.png"  
Figuur Ligging plangebied  
afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0002.png"  
Figuur 2 Sfeerimpressies plangebied  

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Maasdonk 2012' vigerend. Dit plan is door de gemeenteraad vastgesteld op 23 april 2014 en deels in werking getreden.

Op basis van dit bestemmingsplan heeft het onderhavige perceel de bestemming 'Bedrijf'.

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch technische bedrijven en agrarisch verwante bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch technisch en agrarisch verwant bedrijf' (sb-b1) zoals zijn weergegeven in Bijlage 1 Bedrijvenlijst;
  • b. niet - agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - niet-agrarisch-technisch en niet-agrarisch verwant bedrijf' (sb-b2) zoals zijn weergegeven in Bijlage 1 Bedrijvenlijst;
  • c. verkooppunt motorbrandstoffen met lpg en ondergeschikte detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg';
  • d. verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg';
  • e. groenvoorzieningen ter afscherming van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'groen';
  • f. behoud en herstel van cultuurhistorische waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.


en tevens voor:

  • g. aan huis gebonden beroepen en bed & breakfast in de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen, mits:
    • 1. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft;
    • 2. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen;
    • 3. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden beroep, mits de te koop aangeboden goederen en/ of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden beroep;
    • 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

met de daarbijbehorende:

  • h. verkeersvoorzieningen;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.

Het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 1 per bestemmingsvlak, tenzij anders is aangegeven door middel van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan.

Daarnaast is het plangebied gelegen op de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting.

Het is niet toegestaan om, zonder omgevingsvergunning, een bijgebouw of de uitbreiding van een hoofdgebouw met een oppervlak van meer dan 200 m² of bij grondwerkzaamheden dieper 0,3 m-mv te realiseren. Voor bijgebouwen en uitbreidingen van het hoofdgebouwen met oppervlaktes groter dan 200 m² of waarbij de grondwerkzaamheden dieper gaan dan 0,3 m-mv dient een archeologisch onderzoek overlegd te worden. Er dient in voldoende mate gegarandeerd te zijn dat de middels archeologisch onderzoek vastgestelde waarden worden veiliggesteld door technische maatregelen of een archeologische opgraving of archeologische begeleiding. De te nemen maatregel dient uitgevoerd te worden op basis van een door een senior KNA archeoloog goedgekeurd programma.

Op grond van deze bestemming is het niet toegestaan om een burgerwoning op te richten. Hierdoor dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen om onderhavig initiatief juridisch-planologisch te verankeren.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weer. Het plangebied is hierin met rood omlijnd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0003.png"  
Figuur 3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan  

1.4 Leeswijzer

Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk dient als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

De voorgestelde ontwikkeling vindt plaats op de locatie Vinkelsestraat 86 te Vinkel. De planlocatie bestaat momenteel uit een bedrijfsbestemming. Op onderstaande figuur is de bestaande situatie weergegeven. Er is hierbij ingezoomd op de bedrijfsbestemming.

Binnen de bedrijfsbestemming is een bedrijfswoning met schuur gelegen. De bedrijfswoning en schuur maken onderdeel uit van één bouwmassa en vormen samen het bestaande hoofdgebouw. Het oppervlak van dit hoofdgebouw is 330 m² en de inhoud van de huidige bestaande bedrijfswoning bedraagt 871 m³ en de inhoud van de huidige schuur bedraagt 827 m³. In totaal heeft het hoofdgebouw een inhoud van 1.698 m³. Aan de westzijde hiervan zijn een tuinhuisje en overdekt terras gesitueerd (gezamenlijk circa 35 m2). Ten oosten is bebouwing ten behoeve van de bedrijfsvoering aanwezig. Het gaat hierbij om meerdere houthokken, een overkapping voor de tractor, een opslagloods (van 80 m2) en een overkapping grenzend aan deze loods. Het hoofdgebouw wordt niet gebruikt voor activiteiten gerelateerd aan de bedrijfsfunctie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0004.png"  
Figuur 4 Bestaande situatie  

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer is voornemens om de bestemming te wijzigen van 'Bedrijf naar 'Wonen' en om de bestaande bebouwing (het huidige pand) te splitsen in twee wooneenheden. Het pand behoudt in belangrijke mate de huidige verschijningsvorm. Daarnaast zal aan de westzijde van het plangebied een nieuwe garage/berging worden gerealiseerd. Hiertoe dient een bestaand tuinhuisje en overdekt terras (gezamenlijk circa 35 m2) gesloopt te worden. De te realiseren garage zal een oppervlak van circa 67,5 m2 beslaan. De overkapping van de tractor en de twee houthokken zal eveneens worden geamoveerd (circa 29,5 m²). Aan de zijde van de nieuwe woning (oostzijde) zal de bestaande loods gehandhaafd blijven ten behoeve van het uitoefenen van hobbymatige activiteiten en de opslag van bijvoorbeeld een grasmaaier, etc.. Beide woningen zullen worden voorzien van een eigen inrit en kennen een totaal oppervlak van 345 m² en een inhoud van 871 m³ voor de huidige bestaande woning en 827 m³ voor de nieuwe woning in de bestaande schuur waar de nieuwe woning is voorzien. In totaal heeft het hoofdgebouw een inhoud van 1.698 m³. Onderstaande figuur geeft een schets van de toekomstige situatie van het plangebied weer. Voor het schetsontwerp van de toekomstige situatie wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0005.png"  
Figuur 5 Toekomstige situatie Vinkelsestraat 86  

Navolgende tabel geeft het verschil in verhard oppervlak weer tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie.

Verharding   Huidige situatie in m²   Toekomstige situatie in m²  
Woning   345   345  
Inritten en parkeerplaats   683   835  
Bijgebouwen   170   200  
Totale verharding   1.198   1.380  

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader, dat relevant is voor het plan, toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden. In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • duurzaam economisch groeipotentieel;
  • sterke en gezonde steden en regio's;
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Doorwerking plangebied
In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR, die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

Doorwerking plangebied
Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavige ruimtelijk initiatief is daarmee in overeenstemming met het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1.

Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

Doorwerking plangebied
Met onderhavige ontwikkeling wordt de splitsing van een gebouw ten behoeve van het realiseren van een tweede woning mogelijk gemaakt. Bij een ontwikkeling van 12 of meer woningen is de ladder verplicht. Gezien het in dit initiatief om de toevoeging van slechts één woningen gaat, is een toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' vastgesteld. De visie bevat ambities voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn?

Doorwerking plangebied
De beoogde herbestemming en splitsing van het pand heeft geen invloed op de opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling aan deze aspecten voldoet. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

3.2.2 Uitwerking gebiedspaspoort

In de Uitwerking gebiedspaspoorten beschrijft de provincie wat het landschap van Brabant zo bijzonder en divers maakt. Ook de kenmerken van de verschillende streken worden beschreven en hoe een nieuwe ontwikkeling deze landschapskenmerken kan versterken?

In de structuurvisie worden de kernkwaliteiten van Brabant beschreven: de natuurlijke basis, het ontginningslandschap en het moderne landschap. Deze kernkwaliteiten komen terug in elk gebiedspaspoort.

Het landschap van Brabant verschilt van streek tot streek. Denk bijvoorbeeld aan de open kleipolders in het westen, het coulisselandschap van de Meierij of de prachtige lanenstructuur van de Peel. Ieder landschapstype heeft zijn eigen kenmerkende kwaliteiten en is op een andere manier ontstaan.

In de Uitwerking Gebiedspaspoorten beschrijft de provincie 12 Brabantse landschapstypen. Voor elk geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend maar biedt een handreiking. Het plangebied aan de Vinkelsestraat in Vinkel is gelegen in het landschapstype 'Meierij' (zie figuur 5). In de Meierij is een kleinschalig mozaïek ontstaan van oude en jonge ontginningslandschappen, afgewisseld met woeste gronden. De oude ontginningen bestaan uit dorpen met oude akkercomplexen en broekgebieden in de laagten met waterlopen en de beken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0006.png"  
Figuur 6 Uitsnede gebiedspaspoort  


Op de hogere gronden langs beken zoals de Dommel en de Aa met hun zijlopen is bebouwing ontstaan in de vorm van linten, dorpen en gehuchten. Vanuit deze bebouwing is de ontginning van de omliggende gronden min of meer organisch gegroeid.

Belangrijke identiteitsdragers van het agrarische cultuurlandschap van de Meierij zijn de akkercomplexen met aanliggende buurtschappen en groenstructuren, de langgevelboerderijen, de landgoederen, de plantages met populieren en kloostercomplexen.

De provincie heeft in de uitwerking gebiedspaspoorten een aantal ambities geformuleerd voor het landschapstype van de Meijerij:
''De provincie wil in ieder geval het karakter van de Meierij als groen hart van Brabant versterken, door mogelijkheden te bieden voor menging van functies in buitengebied en verbreding van de landbouw. De ontwikkeling van dorpen, steden en de intensieve landbouw (o.a. boomteelt en intensieve veehouderij) vindt plaats in samenhang met het versterken van landschapselementen die bijdragen aan de biodiversiteit en het groene, kleinschalige karakter van de Meierij, zoals poelen, houtwallen, open graslanden, bomenlanen en onverharde wegen".

Doorwerking plangebied
De voorgestelde ontwikkeling op het perceel gelegen aan de Vinkelsestraat 86 in Vinkel sluit aan op de geformuleerde ambities van de provincie Noord-Brabant. Door onderhavig initiatief wordt een functie gewijzigd in het buitengebied waardoor de functiemenging in het buitengebied wordt gehandhaafd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling gaat samen met een versterking van het landschap doordat bestaande bebouwingen en hekwerken worden verwijderd waardoor er nieuwe zichtlijnen naar het achterland ontstaan en nieuwe bebouwing op strategische plekken wordt gerealiseerd. Er treedt geen vergroting op van het oppervlak aan bijgebouwen. Daarnaast zullen er enkel minimale veranderingen optreden aan het uiterlijk van het gebouw. De landschappelijke inrichting is zo opgesteld dat het plangebied de landschapselementen die bijdragen aan het kleinschalige karakter van de Meierij behoudt en waar mogelijk verbeteren.

3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen (Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen).

In de verordening staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening stelt daarbij de provinciale belangen veilig. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren.

Zorgvuldig ruimtegebruik is als basisprincipe opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit en is uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen stedelijk gebied en dat de ruimte binnen stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut. Hierbij past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera.

In de Interim Omgevingsverordening is het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning toegestaan, als is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt (art. 3.69, sub c).

In de Interim Omgevingsverordening is de vestiging of splitsing van een of meer woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (waaronder karakteristieke boerderijen) toegestaan als dit bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing (art. 3.69, sub b).

Doorwerking plangebied
Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening opgenomen als landelijk gebied.

Het ruimtelijk initiatief voorziet in de splitsing van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning. Dit is in principe in strijd met art. 3.69 sub c. Echter betreft het pand waarvoor de splitsing is voorzien een karakteristieke boerderij (zie hoofdstuk 11 Archeologie en Cultuurhistorie) waarvoor het is toegestaan om het pand te splitsen voor de realisatie van een tweede woning indien het ruimtelijk initiatief bijdraagt aan het behoud of herstel van de bebouwing. Het initiatief is in overeenstemming met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Volkshuisvesting

Om het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid uit te kunnen voeren, is een meerjarenprogramma woningbouw opgesteld. Gelet op de bestaande woningvoorraad en de vergrijzing zullen veel woningen nodig zijn voor het huisvesten van senioren. Bij voorkeur worden deze woningen in het centrumgebied van de kernen gesitueerd. De plannen mogen niet concurreren met gemeentelijke plannen. De notitie gaat in op het realiseren van nieuwe/extra woningen voor de huisvesting van de bevolking. In onderhavig plan is sprake van een toename van één woning. Het betreft het splitsen van een bestaande (voormalige) boerderij. Hiermee wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van concurrentie met gemeentelijke plannen. Met het oog op het woningbouwprogramma wordt geconcludeerd dat er geen belemmering bestaat onderhavig plan vast te stellen.

3.3.2 Welstandnota Maasdonk 2004 en Afsprakenkader kwaliteitsverbetering

De voormalige gemeente Maasdonk heeft om een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving te creëren waarbij bovendien de waarde van het onroerend goed en vestigingsklimaat wordt versterkt, een welstandsnota opgesteld. De welstandsnota heeft dan ook als doel de burger vooraf in alle openheid te informeren en inzicht te geven in de betreffende welstandsaspecten. De criteria zijn middels de welstandsnota meer geobjectiveerd en gemotiveerd. Hierbij is voor alle gebieden een ruimtelijk ambitieniveau vastgesteld. Dit ambitieniveau bepaalt de aard en de intensiteit waarmee de bouwplannen aan de diverse criteria zullen worden getoetst. Afhankelijk van de waarde en gevoeligheid van het gebied en de betekenis voor het aanzien van de openbare ruimte kan voor dat gebied een hoog (niveau 1), normaal (niveau 2), laag (niveau 3) welstandsniveau vastgesteld worden. Afhankelijk van het niveau worden de beoordelingsaspecten streng, kritisch, licht of niet gehanteerd. Een vierde niveau wordt gevormd door het aanwijzen van welstandsvrije gebieden. In dergelijke gebieden wordt dan geen welstandstoets uitgevoerd. In het algemeen geldt: hoe waardevoller de gebiedskarakteristiek, hoe hoger het welstandsniveau. De begrenzingen van de gebieden met een verschillend welstandsniveau staan overigens los van de deelgebiedenindeling. Binnen een deelgebied kunnen verschillende welstandsniveaus voorkomen.

Van elk gebied is op basis van de aanwezige kwaliteit het gewenste welstandsniveau vastgesteld en op de kaart aangegeven. Alle plannen in dat gebied zullen op het vastgestelde niveau aan de gebiedsgerichte criteria worden getoetst. Ontwerpen die doelbewust of noodzakelijkerwijs van de gebiedsgerichte criteria afwijken, zullen met behulp van de algemene criteria beoordeeld worden als lagen zij in een gebied met welstandsniveau 1 (zie ook 2.1.5.: afwijken van criteria).

In de volgende gevallen zal altijd op welstandsniveau 1 worden getoetst:

  • verbouwingen en uitbreidingen aan monumenten en beeldbepalende panden (omschreven in bestemmingsplan of cultuurhistorische waardenkaart van de provincie en opgenomen als bijlage bij de welstandsnota);
  • bouwen of verbouwen in de onmiddellijke nabijheid van monumenten en beeldbepalende panden (belendende percelen);
  • bouwen in een beschermd stads- of dorpsgezicht;
  • plannen die passen in het bestemmingsplan, maar sterk afwijken van de omgevingskarakteristiek;
  • plannen die een uniciteit hebben voor de gemeente (winkelcentra, schouw burgen e.d.).

De locatie van de Vinkelsestraat 86 te Vinkel valt binnen niveau 1 van de Welstandsniveaus. Dit zijn gebieden die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de kernen en het landschap. Hierbij valt met name te denken aan bebouwing direct grenzend aan belangrijke doorgaande routes, historische linten en zichtlocaties. Verder is niveau 1 toegekend aan gebieden met hoge cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige waarde. In een beschermd dorpsgezicht met niveau 1 zal de welstandscommissie op meer beoordelingsaspecten adviseren en de criteria bij deze beoordelingsaspecten ook nauwgezetter toepassen. Voor individuele monumenten en de directe belendingen wordt altijd niveau 1 gehanteerd, ongeacht het niveau van het gebied waarin ze liggen. Niveau 1 wordt ook toegekend aan nieuw te ontwikkelen gebieden waarvoor een hoog ambitieniveau is vastgelegd in het stedenbouwkundig plan of het beeldkwaliteitplan.

Doorwerking plangebied
Op basis van de welstandsniveaukaart kan geconcludeerd worden dat het ruimtelijk initiatief voorgelegd dient te worden aan de Welstandscommissie. Uit het gevoerde Welstandsoverleg is gebleken dat de commissie in principe positief adviseert over het plan, maar bezwaar heeft op een aantal elementen van het ontwerp, zoals de hoogte van de nieuwe omkadering ter plaatse van de entree en de bevestigingsmethode van de beplating. Deze aandachtspunten worden meegenomen in het uiteindelijke ontwerp.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0007.png"  
Figuur 7 Uitsnede Welstandsniveaukaart Maasdonk (plangebied rood omcirkeld)  
3.3.3 Structuurvisie buitengebied Maasdonk

De structuurvisie Buitengebied Maasdonk is vastgesteld op 16 december 2009. De structuurvisie is een onderdeel van de totstandkoming van de integrale herziening van het bestemmingsplan Buitengebied.

De structuurvisie biedt het kader om de veranderingen en de ontwikkelingen in het buitengebied te sturen. Duidelijk moet zijn waar welke ontwikkelingen acceptabel, danwel wenselijk zijn.

Functieverandering
Vanuit de structuurvisie Buitengebied Maasdonk wordt onder ander ingegaan op een functieverandering in het buitengebied. Hierbij wordt aangegeven dat de verwachting is dat er een groot aantal agrarische bedrijven is stopgezet. Deze trend zal in de toekomst doorzetten. Bij een functieverandering is het minder van belang welke functie wordt toegestaan, maar meer van belang is welk effect de functieverandering met zich mee brengt.

De functieverandering moet niet alleen een verbetering opleveren voor de initiatiefnemer, maar ook voor de omgeving. De ontwikkeling dient geen of weinig belemmering te vormen voor omliggende agrarische bedrijven. In grote lijnen moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vrijgekomen (en ook vrijkomende) voormalige bedrijfsgebouwen die zijn gelegen in het buitengebied;
  • met functieverandering van vrijkomende gebouwen in het buitengebied wordt de bedrijfsontwikkeling van agrarische bedrijven in de omgeving niet onevenredig aangetast;
  • uitgangspunt is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door sloop van overtollige bebouwing, met uitzondering van monumentale en karakteristieke gebouwen. Uitbreiding van de oppervlakte van gebouwen is in principe niet toegestaan;
  • uit een erfinrichtingsplan moet blijken dat een kwalitatief hoogwaardige invulling wordt gegeven aan de architectuur van het hoofdgebouw en de inrichting van omliggende terreinen in hun ruimtelijke samenhang. Hiervoor zijn ontwerprichtlijnen opgesteld waaraan voldaan dient te worden;
  • functieverandering mag niet leiden tot een onevenredige toename van de verkeersbelasting. Het aantal verkeersbewegingen mag in beginsel niet meer toenemen dan door het gebied zonder structurele aanpassingen kan worden verwerkt;
  • opslag van goederenbuiten gebouwen wordt niet toegestaan;
  • detailhandel wordt niet toegestaan, tenzij het detailhandel betreft in ter plaatse geproduceerde of streekeigen producten;
  • de functieverandering mag niet leiden tot onevenredige milieuhinder voor de omgeving. Alleen bedrijvigheid in de milieucategorie 1 en 2 (of daarmee vergelijkbaar) is toelaatbaar (overeenkomstig de Staat van Bedrijfsactiviteiten van de VNG);
  • in geval van vrijkomende gebouwen van een agrarisch bedrijf, dat is gestopt, dient de milieuvergunning te zijn ingetrokken.


Wonen
De aanwezigheid van diverse burgerwoningen in het buitengebied wordt als een gegeven aanvaard. Deze zullen als zodanig in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Woningsplitsing (verbouw tot twee afzonderlijke, zelfstandige woningen, met eigen voordeuren, eigen huisnummers) wordt niet toegestaan. Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin door splitsing een voormalig boerderijgebouw (woning met aangebouwd deel) kan worden behouden en de overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Niet-agrarische bedrijvigheid
In het buitengebied komen verspreid diverse niet-agrarische bedrijven voor. Niet agrarische bedrijvigheid hoort in beginsel niet thuis in het buitengebied. Bestaande (en legaal aanwezige) niet agrarische bedrijvigheid in het buitengebied blijft gehandhaafd. Deze worden naar aard en omvang strak vastgelegd in het bestemmingsplan. Er worden geen nieuwe niet-agrarische bedrijven toegestaan in het buitengebied.

Doorwerking plangebied
Het ruimtelijk initiatief voorziet in de splitsing van een voormalige bedrijfswoning en voorziet daarmee in een functieverandering in het buitengebied van de kern Vinkel. Door de splitsing wordt een voormalig boerderijgebouw (woning met aangebouwd deel) behouden. Met de functieverandering wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden doordat agrarische bedrijven in de omgeving niet onevenredig worden aangetast, de functieverandering is van toepassing op fysiek bestaande bedrijfsbebouwing, leidt niet tot onevenredige toename in de verkeersbelasting, leidt niet tot een onevenredige milieuhinder, voorziet niet in de oprichting van detailhandel en er is daarnaast een erfinrichtingsplan (landschappelijke inrichting) opgesteld. Met het omzetten van de bestemming 'Bedrijf' naar 'Wonen' zal eveneens de overtollige bebouwing (het tuinhuisje en de overkappingen) worden geamoveerd om ruimte te maken voor de realisatie van een nieuwe garage. Het oppervlak aan bijgebouwen neemt hierdoor in werkelijkheid niet toe. Doordat er slechts sprake is van het splitsen van de huidige boerderijwoning en een inpandige verbouwing zal er geen verhard oppervlak worden toegevoegd aan het plangebied. Daarnaast past de ontwikkeling in de transformatie van de Vinkelsestraat doordat er door de splitsing voorzien wordt in het stopzetten van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied. Hiermee voldoet het ruimtelijk initiatief aan de gestelde eisen uit de structuurvisie Buitengebied Maasdonk.

3.3.4 Vigerend bestemmingsplan “Bestemmingsplan Maasdonk 2012''

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Maasdonk 2012' vigerend. Dit plan is door de gemeenteraad vastgesteld op 23 april 2014 en deels in werking getreden.

Op basis van dit bestemmingsplan heeft het onderhavige perceel de bestemming 'Bedrijf'.

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • agrarisch technische bedrijven en agrarisch verwante bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch technisch en agrarisch verwant bedrijf' (sb-b1) zoals zijn weergegeven in Bijlage 1 Bedrijvenlijst;
  • niet - agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - niet-agrarisch-technisch en niet-agrarisch verwant bedrijf' (sb-b2) zoals zijn weergegeven in Bijlage 1 Bedrijvenlijst;
  • verkooppunt motorbrandstoffen met lpg en ondergeschikte detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg';
  • verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg';
  • groenvoorzieningen ter afscherming van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'groen';
  • behoud en herstel van cultuurhistorische waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.


en tevens voor:

  • aan huis gebonden beroepen en bed & breakfast in de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen, mits:
    • 1. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft;
    • 2. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen;
    • 3. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden beroep, mits de te koop aangeboden goederen en/ of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden beroep;
    • 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

met de daarbijbehorende:

  • verkeersvoorzieningen;
  • nutsvoorzieningen;
  • voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.

Het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 1 per bestemmingsvlak, tenzij anders is aangegeven door middel van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden'. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan.

Daarnaast is het plangebied gelegen op de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie hoge verwachting.

Het is niet toegestaan om, zonder omgevingsvergunning, een bijgebouw of de uitbreiding van een hoofdgebouw met een oppervlak van meer dan 200 m² of bij grondwerkzaamheden dieper 0,3 m-mv te realiseren. Voor bijgebouwen en uitbreidingen van het hoofdgebouwen met oppervlaktes groter dan 200 m² of waarbij de grondwerkzaamheden dieper gaan dan 0,3 m-mv dient een archeologisch onderzoek overlegt te worden. Er dient in voldoende mate gegarandeerd te zijn dat de middels archeologisch onderzoek vastgestelde waarden worden veiliggesteld door technische maatregelen of een archeologische opgraving of archeologische begeleiding. De te nemen maatregel dient uitgevoerd te worden op basis van een door een senior KNA archeoloog goedgekeurd programma.

Op grond van deze bestemming is het niet toegestaan om een burgerwoning op te richten en ook niet om de bestaande bedrijfswoning te splitsen in twee woningen. Hierdoor dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen om onderhavig initiatief juridisch-planologisch te verankeren.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weer (rood omkaderd).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0008.png"  
Figuur 8 Uitsnede vigerend bestemmingsplan  
3.3.5 Afsprakenkader voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap

In 2010 is de regeling 'Kwaliteitsverbetering van het landschap' uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.9) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld.

In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Het bijgestelde afsprakenkader is in het RRO van 2 december 2015 vastgesteld.

In het afsprakenkader zijn categorieën opgenomen voor niet planmatige ontwikkelingen. Binnen de categorieën is een tegenprestatie gelinkt aan de impact van het ruimtelijk initiatief.

De volgende categorieën zijn opgenomen in het Afsprakenkader kwaliteitsverbetering Maasdonk voor niet-planmatige ontwikkelingen in het buitengebied:

  • Categorie 1: geen inspanning;
  • Categorie 2: een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer;
  • Categorie 3: de beschreven forfaitaire methode, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering.

Tot categorie 1 behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen:

  • vergroten inhoud van een burgerwoning tot 750 m3;
  • vergroten inhoud van een bedrijfswoning tot 750 m3;
  • vergroten aantal m2 bij gebouwen bij woning tot 100 m2 in totaal;
  • realisatie Ruimte voor ruimte woning(en);
  • ontwikkeling ter realisatie van EHS compensatie;
  • wijzigen bestemming naar Bos/Natuur en treffen bestemmingsregeling/aanleg voorzieningen die een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden tot gevolg hebben;
  • vestiging van of de splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/ karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;
  • uitbreiding bestemmingsvlak wonen tot 1500 m2;
  • herbouw woning binnen geldend bestemmingsvlak;
  • wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch
  • technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 1 ha,
  • in bestemming wonen mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 1500m2,
  • overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 200m2 aan bijgebouwen
  • / voormalige bedrijfsbebouwing resteert;
  • bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet-agrarisch bedrijf tot een maximum van 200 m2;
  • nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf of Wonen;
  • VAB binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden tot een maximum van 200 m2;
  • aan huis gebonden beroep/bedrijf in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen);
  • ontheffing mantelzorg in/bij woning binnen geldende bouwregeling (oppervlakte
  • bijgebouwen);
  • ontheffing tijdelijke huisvesting seizoenarbeiders binnen geldende, bestaande bebouwing (dit mag niet leiden tot het ontstaan van een zelfstandige woonruimte);
  • huisvesting reclasseringsjongeren op (agrarisch) bedrijf binnen geldende, bestaande bebouwing;
  • toestaan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  • verkoop van op het eigen (agrarisch) bedrijf vervaardigde producten (inclusief de verkoop van streekeigen producten) tot een maximum van 200 m2 binnen geldende bouwregeling bedrijfsbebouwing;
  • omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfswoning naar plattelandswoning;
  • bouw van ooievaarsnesten;
  • toestaan Bosmanmolens tot 5 m.

Voor het overige behoren tot deze categorie:

  • ontwikkelingen onder toepassing van de directe bouwmogelijkheden/bouwregels en gebruiksregels van een geldend bestemmingsplan;
  • binnenplanse 10%-afwijking: kleine afwijkingen ten behoeve van hoogte en situering.


Tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie.
In het voormalige provinciale ruimtelijke beleid (Streekplan, Paraplunota ruimtelijke ordening) waren de hiervoor genoemde oppervlakte- en inhoudsmaten opgenomen als gangbare bovenmaten tot waar gemeenten de mogelijkheid kregen deze ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren. Het zou niet juist zijn voor deze mogelijkheden nu opeens een extra inspanning te eisen.

Tot categorie 2 behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen:

  • minicampings met kleinschalige kampeergelegenheden tot een maximum van 25 mobiele kampeermiddelen;
  • bed & breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in/bij (bedrijfs)woning binnen vigerende bouwregeling (oppervlakte bijgebouwen) en binnen geldend bestemmingsvlak wonen of niet agrarisch bedrijf vanaf een oppervlakte van 200 m2;
  • nevenactiviteiten en verbrede landbouwactiviteiten bij een agrarisch bedrijf binnen bestaande bebouwingsmogelijkheden vanaf 200 m2;
  • vormverandering van een agrarisch bouwvlak of een bestemmingsvlak;
  • paardenbakken aansluitend aan het bouwvlak;
  • omschakeling van agrarische bedrijfsvoering (grondgebonden, intensief, overig niet-grondgebonden) zonder vergroting van het bouwvlak;
  • voor zover de locatie is gelegen in het agrarisch gebied, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer;
  • voor zover de locatie is gelegen in de groenblauwe mantel, als bedoeld in de Verordening ruimte: vergroten agrarisch bouwvlak tot 1 ha, of vergroting met differentiatievlak van maximaal 0,5 ha specifiek ten behoeve van opslag van ruwvoer;
  • wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert.

Tot categorie 3 behoren in ieder geval de volgende concreet benoemde ontwikkelingen:

  • omschakeling zonder vergroting van het bouwvlak, van agrarisch bouwvlak of Wonen-vab naar Bedrijf, Recreatie, Agrarisch gerelateerd etc;
  • uitbreiding bestemmingsvlak Bedrijf, Wonen (>1500 m2), Horeca, Recreatie etc.;
  • vergroten aantal m2 bebouwing binnen Bedrijf, Recreatie, Horeca etc.;
  • vergroten inhoud van een (agrarische) Bedrijfswoning boven 750 m3;
  • vergroten inhoud van een burgerwoning boven 750m3;
  • omschakelen van een niet agrarische bestemming met bouwvlak naar agrarisch grondgebonden of niet-grondgebonden;
  • vergroten aantal m2 bijgebouwen bij een woning groter dan 100 m2;
  • nieuwbouw (eerste) bedrijfswoning.


Doorwerking plangebied
Doordat het ruimtelijk initiatief voorziet in het omzetten van de bedrijfsbestemming naar wonen en het splitsen van de huidige woning, kan op basis van het Afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap worden geconcludeerd dat het ruimtelijk initiatief onderdelen bevat welke vallen onder categorie 1 en 2. Onder categorie 1 vallen zowel de boerderijsplitsing als het onderdeel bijgebouwen (tot maximaal 100 m² per woning). Voor deze categorie is het niet noodzakelijk om een landschappelijke inpassing of tegenprestatie te voorzien in het ruimtelijk initiatief.

De omzetting van de bestemming niet-agrarisch naar wonen betreft een categorie 2 ontwikkeling en derhalve dient er voor het gehele plan te worden voorzien in een landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan.

De landschappelijke inpassing is toegevoegd aan de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. De nieuwe inrit (van het Staal naar de westelijk gelegen woning) zal worden versmald zodat de breedte hiervan overeenkomt met de breedte van het nieuwe bijgebouw.

De bestaande groenstructuren vormen al een goede basis voor de landschappelijke inpassing. Dit betekent dat er geen verdere maatregelen genomen dienen te worden om de beoogde ontwikkeling in te passen. In de huidige situatie bestaat er al een doorkijk naar het achterliggende grasland. Doordat er drie bijgebouwen worden geamoveerd (o.a. de overkapping van de tractor en het houthok) worden de zichtlijnen naar het achterland versterkt waardoor er sprake is van een verbetering van het landschap.
Vooralsnog wordt er van uit gegaan dat het oppervlak aan bijgebouwen niet toeneemt. Eventueel zal het oppervlak van de bijgebouwen worden vergroot tot maximaal 100 m² per woning, maar dit zal geen onderdeel uitmaken van voorliggend bestemmingsplan doordat dit te zijner tijd al dan niet vergunningsvrij geregeld zal worden.

Conclusie
Op basis van hiervoor aangehaald beleid, kan worden geconcludeerd dat er enerzijds geen belemmeringen bestaan vanuit dit beleid en dat er anderzijds voldaan wordt aan eventuele voorwaarden tot de realisatie voor voorgenomen herontwikkeling. Er is sprake van een categorie 2 ontwikkeling, waarvoor een landschappelijke inpassing opgesteld wordt waarin beknopt is beschreven dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan een goede landschappelijke inpassing. Wel dient er rekening gehouden te worden met het feit dat er een vergunning aangevraagd dient te worden voor de inpandige verbouwing voor de boerderijsplitsing (categorie 1 ontwikkeling). In de toekomst bestaat tevens de mogelijkheid om het oppervlak van de bijgebouwen uit te breiden naar maximaal 100 m² per woning (eveneens een categorie 1 ontwikkeling). De bouw van de bijgebouwen zal t.z.t. al dan niet vergunningsvrij worden geregeld.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren

Met de realisatie van de woningbouw neemt de verkeersintensiteit toe en dienen voldoende parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarbij dient te worden voldaan aan de norm als gesteld in de gemeentelijke parkeernormen.

4.1.1 Verkeersgeneratie

De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' met de ligging 'buitengebied'. Voor de berekening van het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal is er uitgegaan van de maximale norm. Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan 17 motorvoertuigen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag (zie onderstaande tabel).

Tabel 4.1: Berekening verkeersgeneratie toekomstige situatie

Woningtype   Aantal   Verkeersgeneratie per woning   Verkeersgeneratie  
Koop, huis, Twee-onder-een-kap   2   8,2   16,4  
Totaal   2     16,4 (afgerond 17)  

In de huidige situatie heeft het plangebied deels een bedrijfsbestemming. Het huidige pand is momenteel in gebruik als zijnde een bedrijfswoning met schuur waar momenteel slechts één huishouden woonachtig is in een bedrijfswoning. Daarnaast is er een bedrijf gevestigd op de locatie van het plangebied. In de werkelijke situatie zal er dus slechts één woning worden toegevoegd waardoor het aantal verkeersbewegingen op de locatie van de Vinkelsestraat dus met maximaal 9 (8,2 afgerond naar boven) verkeersbewegingen toeneemt. Echter is er in de huidige situatie een bedrijf gevestigd op de locatie. Door dit bedrijf worden slechts twee verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd. Deze mogen dus worden afgetrokken van de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie waardoor er in werkelijkheid slechts 6,2 (afgerond 7) extra verkeersbewegingen per etmaal worden gegenereerd. De verwachting is dat deze extra verkeersbewegingen goed verwerkt kunnen worden door de Vinkelsestraat.

4.1.2 Parkeren

Op basis van de parkeernormen, zoals vervat in de 'Nota parkeernormering 2016', is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het plangebied bepaald. Het plangebied ligt in het gebiedstype 'Buitengebied'. De kengetallen voor de berekening van de parkeerbehoefte zijn onderstaand weergegeven:

  • woning 80 – 150 m², 1,9

In de berekening van de parkeerbehoefte zijn de bestaande parkeerplaatsen op eigen terrein niet meegenomen. Dit omdat inzichtelijk dient te worden gemaakt hoe veel parkeerplaatsen er maximaal benodigd zijn voor de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling. Op basis hiervan zijn 4 parkeerplaatsen nodig (zie onderstaande tabel). In het stedenbouwkundig schetsontwerp is ruim voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.

Tabel 4.2: Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen

Woningtype   Aantal   Parkeernorm   Benodigd aantal parkeerplaatsen  
Woning 80 – 150 m²   2   1,9   3,8  
Totaal       3,8 (afgerond 4)  

Vanuit het aspect parkeren worden daarom geen belemmeringen verwacht.

4.2 Geluid

4.2.1 Toetsingskader

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden gegeven in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader zijn de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Navolgend wordt uitsluitend ingegaan het aspect wegverkeerlawaai doordat het plangebied niet is gelegen binnen de richtafstanden van omliggende bedrijven met betrekking tot het aspect geluid (zie hoofdstuk 4.4 Bedrijven en Milieuzonering).

Wegverkeerslawaai
Voor woningbouw binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone van een weg in stedelijk gebied, bestaande uit 1 of 2 rijstroken bepaald op 200 meter. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hebben geen geluidszone.

4.2.2 Onderzoek

Op 22 maart 2021 heeft K+ Adviesgroep bv een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen ter plaatse van het ruimtelijk initiatief aan de Vinkelsestraat 86 te Vinkel in het kader van de Wet geluidhinder.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat vanwege wegverkeerslawaai van de Vinkelsestraat 86 de gevelbelasting hoger zal zijn dan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB. De gevelbelasting bedraagt maximaal 50 dB. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt derhalve niet overschreden. Ter plaatse van de zij- en achtergevel wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting te verlagen voor één woning stuit op bezwaren van verkeerskundige, landschappelijke, stedenbouwkundige en financiële aard. Bij de gemeente 's-Hertogenbosch dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend.

Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient ermee rekening te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s).

Conclusie
Het is noodzakelijk een verzoek tot vaststelling hogere toelaatbare waarde in te dienen ten aanzien van de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het verzoek voor hogere waarde is reeds in gang gezet.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).
4.3.2 Onderzoek

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden ter vervanging van het Besluit luchtkwaliteit 2005. De nieuwe Wet luchtkwaliteit ziet op een actualisatie van de luchtkwaliteitseisen, zoals opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer.

In de ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) van 31 oktober 2007 worden enkele concrete projecten of activiteiten genoemd waarbij het voorgaande in ieder geval van toepassing is en waarvoor dus geen specifieke luchtkwaliteit toets hoeft te worden uitgevoerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van minder dan 100.000 m² of woningbouwprojecten van niet meer dan 1500 woningen.

Het project zelf biedt geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het project het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. Voor projecten van geringe omvang geldt bovendien op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en op grond van het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) dat hiervoor geen afzonderlijke luchtkwaliteit toets nodig is.

Dit is het geval als aannemelijk is dat een project een toename van de concentratie van fijnstof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Uit de landelijke monitoringstool blijkt (op basis van de dichtstbij gelegen rekenpunten, namelijk locatie Weerscheut, jaar 2020) dat de concentraties van de luchtrelevante stoffen NO2, PM10 en PM2,5 onder/rond de jaargemiddelde concentraties liggen van respectievelijk 16, 19 en 12 microgram/m3. De concentraties van deze stoffen liggen daarmee ver beneden de geldende grenswaarden van respectievelijk 40, 40 en 25 microgram/m3 jaargemiddeld. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied kan als goed worden benoemd.

Conclusie
Onderhavig plan voorziet in de splitsing van een bestaande woning in twee wooneenheden. Gezien de beperkte omvang hiervan draagt dit “niet in betekenende mate” bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een Luchtkwaliteit onderzoek is derhalve niet nodig. Het plan is niet in strijd met de Wet luchtkwaliteitseisen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Indien door middel van een plan of project nieuwe milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, zoals woningen, moet worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven.

Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in en in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.

Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies is de VNG-publicatie als leidraad voor milieuzonering gebruikt1. In de VNG- publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

In de VNG-publicatie zijn voor het bepalen van de richtafstanden de volgende uitgangpunten gehanteerd:

  • het betreft 'gemiddeld' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' kan worden uitgegaan van kortere afstanden (verlaging met één afstandsstap);
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;
  • bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.


De richtafstanden lopen op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere milieucategorie. Zoals bij de uitgangspunten voor de richtafstanden is gesteld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd (dus van bijvoorbeeld 50 naar 30 meter voor milieucategorie 3.1). Verdere reducties zijn blijkens de toelichting in de VNG-publicatie niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht.

Tabel Richtafstanden en omgevingstype (Bron: VNG, 2009)  
afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0009.png"  

De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Onderstaande tabel maakt inzichtelijk wat de richtafstanden zijn voor de verschillende milieucategorieën, zowel voor 'rustige woonwijken' of 'rustige buitengebieden' als voor 'gemengde gebieden'.

Situatie ontwikkelingslocatie
De VNG-brochure hanteert een tweetal omgevingstypen die gebaseerd zijn op de omgevingskwaliteit. Het eerste omgevingstype is een 'rustige woonwijk' of 'rustig buitengebied'.

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.

Het tweede omgevingstype wat de VNG onderscheidt, is een 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0010.png"  
Figuur 9 Richtafstanden uitgezet vanuit de woningen  


Het gebied rondom het plangebied kan worden beschouwd als zijnde een rustig gebied. Voorheen is deze locatie bestemd geweest als een niet agrarisch bedrijf met als aard, een afbouwbedrijf. Dit bedrijf wordt beëindigd en de hindercontour komt te vervallen. In de directe omgeving, ten oosten van het plangebied, zijn een paar bedrijven gevestigd. Gesproken kan daarom worden van een rustig buitengebied. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering de richtafstanden uit de VNG- procedure geen afstandsstap kan worden verlaagd.

Hinder als gevolg van bestaande planologische mogelijkheden
Onderhavig plan betreft het planologisch-juridisch mogelijk maken van een gevoelige functies. Daarbij is het de vraag of deze nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt van de bestaande functies in de omgeving (externe werking). In onderstaande figuur zijn de richtafstanden vanuit de bouwvlak van de woning uitgezet naar de omgeving.

Op korte afstand is een bedrijf gevestigd, namelijk timmerwerkplaats aan de Vinkelsestraat 82a. Op de locatie van de Vinkelsestraat 84 was het tot voorkort een veehouderij gevestigd, echter zijn de bedrijfsactiviteiten en de veehouderij stopgezet. Voor de volledigheid wordt de voormalige veehouderij meegenomen in de onderbouwing van het aspect 'Bedrijven en milieuzonering'.

Vinkelsestraat 84
Op de Vinkelsestraat 84 was voorheen een intensieve veehouderij (varkenshouderij) aanwezig met een theeterras. Een intensieve veehouderij is ingedeeld als een 4.1 bedrijf, met een richtafstand van 200 meter voor het aspect geur en 50 meter voor het aspect geluid. Er bestaat dus een overlap met de richtafstand van de veehouderij met het plangebied. Op 5 februari 2021 is echter een uitspraak gedaan over een verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning voor de varkensveehouderij. Dit verzoek is goedgekeurd waardoor de omgevingsvergunning voor het intrekken van de omgevingsvergunning voor het houden en exploiteren van een varkensveehouderij is opgeheven. De omgevingsvergunning is direct in werking getreden. Momenteel vindt er op de locatie van de Vinkelsestraat 84 nog enkel akkerbouw plaats. Voorheen was er op de locatie een intensieve veehouderij gevestigd. Dit betreft een bedrijf in milieucategorie 4.1 waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt voor het aspect geluid. Aan deze richtafstand word niet voldaan. In de huidige situatie vindt akkerbouw plaats op de locatie. Akkerbouw is ingedeeld in milieucategorie 2 waarvoor een maximale richtafstand voor geluid geldt van 30 meter. Deze richtafstand wordt niet behaald. De maximale milieucategorie op de locatie aan de Vinkelsestraat 84 gaat door het stopzetten van de intensieve veehouderij dus twee traptreden naar beneden, waardoor de situatie ter plaatse van de Vinkelsestraat 86 zal verbeteren ten opzichte van de situatie waarbij de veehouderij nog gevestigd was op de locatie van de Vinkelsestraat 84.

Echter is het planologisch nog mogelijk om een veehouderij te vestigen op de locatie van de Vinkelsestraat 84. Vanuit de gemeente 's-Hertogenbosch is aangegeven dat er een principeverzoek is ingediend voor een herbestemming van de locatie aan de Vinkelsestraat 84. De herbestemming zal de functieaanduiding 'Intensieve veehouderij' wegbestemmen en een combinatie van functies mogelijk maken: 'horeca (zie navolgende alinea) en 'kleinschalige bedrijvigheid en dagbesteding'. Deze functies vallen onder milieucategorie 1, waarvoor een maximale richtafstand van 10 meter geldt ten aanzien van het aspect geluid. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan.

Op het perceel is een theetuin aanwezig. Een dergelijk bedrijf is een categorie 1- bedrijf en heeft een richtafstand van 10 meter voor geluid en gevaar. De kavel ligt minimaal 18 meter van de te splitsen woning. Geconcludeerd wordt dat er geen overlap bestaat met de richtafstand en de te splitsen woning. Er hoeft geen nader onderzoek te worden verricht.

Vinkelsestraat 82a
Op de Vinkelsestraat 82a is een timmerwerkplaats gevestigd met een bedrijfsvloeroppervlakte van 460 m². Conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering heeft een dergelijk bedrijf een milieucategorie 3.2 bedrijf met een richtafstand van 100 meter voor het aspect geluid. De te splitsen woning ligt op 106 meter afstand. Geconcludeerd wordt dat er geen overlap bestaat met de richtafstand en de te splitsen woning. Er hoeft geen nader onderzoek te worden verricht.

Conclusie
De (voormalige) veehouderij aan de Vinkelsestraat 84 kende met de richtafstand een overlap met de te splitsen woning. Doordat de veehouderij is stopgezet en de functieaanduiding 'Intensieve veehouderij' wegbestemd gaat worden ten behoeve van kleinschalige bedrijvigheid en dagbesteding, wordt er voldaan aan de richtafstanden met betrekking tot de aspecten geur, stof en geluid en vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief. De theetuin kent met de richtafstand geen overlap met de te splitsen woning. De timmerwerkplaats aan de Vinkelsestraat 82a kent met de richtafstand geen overlap met de te splitsen woning. Geconcludeerd kan worden ter dat plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en andersom de nieuwe woning geen belemmering vormt voor omliggende bedrijven.

4.5 Geur

De veehouderij aan de Vinkelsestraat 84 kent met de richtafstand een overlap met de te splitsen woning. In hoofdstuk 4.4 is beschreven dat de veehouderij op 5 februari 2021 is opgeheven. Het is echter nog wel mogelijk om op de locatie een veehouderij op te richten waardoor het aspect geur mogelijk een belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

Figuur 10 toont de achtergrondbelasting ter plaatse van de Vinkelsestraat 86. Hieruit valt op te maken dat het plangebied (de woningen) gelegen zijn in een lichtgroene kleur, waarvoor een goede geursituatie geldt. Een geel vierkant betreft een veehouderij welke na 2000 is stopgezet. Ten oosten van het plangebied (Vinkelsestraat 84) is een geel vierkant gelegen. Tot begin 2021 is hier een varkenshouderij gevestigd geweest. Op 5 februari 2021 is de omgevingsvergunning verleend voor het stopzetten van de activiteiten ten behoeve van de varkenshouderij. Deze omgevingsvergunning is direct in werking getreden waardoor de veehouderij is opgeheven. De varkens zijn reeds verwijderd van de locatie. Op de locatie van de Vinkelsestraat 84 is het volgens het vigerende bestemmingsplan echter nog steeds toegestaan om een intensieve veehouderij op te richten. Hierdoor kan de contour van de geurhinder van de voormalige veehouderij niet worden weggestreept. Er ligt op het moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan nog wel een bestemming agrarisch (intensief) bedrijf op de locatie van de Vinkelsestraat 84.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0011.png"  
Figuur 10 Achtergrondbelasting geur (Bron: Omgevingsdienst Brabant-Noord 2021)  


Daarvoor is wel een verzoek gedaan om die bestemming van de locatie af te halen. Wat de nieuwe bestemming zal worden is echter nog niet geheel duidelijk. Er zullen naar verwachting nog beperkte akkerbouwactiviteiten plaats blijven vinden en mogelijk houtbewerking. Er zal als zodanig sprake blijven van een inrichting zodat de afstandsnormen van de VNG-brochure van toepassing zijn. De geurbelasting van beperkte akkerbouwactiviteiten en fruitteelt betreft een activiteit in milieucategorie 2 waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Een bedrijf in de houtbewerking wordt eveneens gezien als een activiteit in milieucategorie 3.2 (bijvoorbeeld timmerwerkfabriek) maar hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter voor geur. Aan deze richtafstand wordt vanzelfsprekend voldaan.

Conclusie
Uit bovenstaand blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied waarvoor de milieukwaliteit als redelijk goed kan worden aangeduid. Hierdoor kan worden gesteld dat er ter plaatse van de Vinkelsestraat 86 een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is. Doordat het intrekkingsverzoek voor de veehouderij aan de Vinkelsestraat 84 is goedgekeurd, en daarmee een omgevingsvergunning voor het beëindigen van de varkensveehouderij officieel is vastgesteld, is de varkensveehouderij gestopt. Door het indienen van een principeverzoek voor het herbestemmen van de locatie aan de Vinkelsestraat zal het niet meer mogelijk zijn om een intensieve veehouderij te vestigen op de locatie van de Vinkelsestraat 84. Er zal enkel nog kleinschalige bedrijvigheid, dagbesteding en horeca plaatsvinden op de locatie. Het aspect geur vormt hierdoor geen belemmering meer voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.6 Kabels en leidingen

In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Toetsingskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.


Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.

De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.  
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.  
4.7.2 Onderzoek

Met behulp van de provinciale risicokaart kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. In onderstaande figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0012.png"  
Figuur 11 Uitsnede provinciale risicokaart  


Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat er nabij de locatie (op circa 180 meter afstand) een (landelijke) hogedruk aardgastransportleidingen is gelegen: A-527. Door de ligging van de aardgastransportleiding is er door Kragten op 11 maart 2021 een Carola-berekening uitgevoerd ten aanzien van de ligging van de buisleiding. Het plangebied is zowel binnen de 100%-letaliteitsafstand als de 1%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van buisleiding A-527-deel-1 gelegen zodat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding dient te worden bepaald.

Uit de berekening volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6-risicocontour van een buisleiding. Het plangebied ligt zowel binnen de 100% letaliteitsafstand als de 1%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van buisleiding A-527-deel-1, waardoor de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding is bepaald.

Voor de buisleiding is de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie berekend. Uit deze berekeningen blijkt dat zowel in de huidige situatie als de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde als gevolg van buisleiding A-527-deel-1 niet wordt overschreden, en tevens lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De planrealisatie leidt niet tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico voor de buisleiding A-527-deel-1.

In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie kan volstaan kunnen worden met een beperkte verantwoording voor buisleiding A-527-deel-1. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio.

De beperkte verantwoording van het groepsrisico is als bijlage 4 bijgevoegd bij voorliggende toelichting.

Daarnaast is er advies ingewonnen van de Brandweer Brabant-Noord. De Brandweer Brabant-Noord adviseert dat de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief worden geïnformeerd over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.

Conclusie
De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de kaders die hiervoor zijn vastgelegd. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van hoge druk aardgasleidingen. Het groepsrisico is verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol:

  • het geringe groepsrisico, en
  • de goede mogelijkheden binnen het plangebied voor de zelfredzaamheid van personen.

Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

4.8 Ecologie

4.8.1 Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid  
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Bescherende houtopstanden
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Soortenbescherming
De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

4.8.2 Onderzoek

Er is door BRO een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Voor het aspect stikstofdepositie wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0013.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0014.png"  

Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 118 meter ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

Daarnaast wordt er maximaal 182 m² verhard oppervlak toegevoegd waardoor de groennorm uit de “Verordening bomen, water en groen 2021” niet van toepassing is.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:

  • Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid of opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
  • In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Stikstofdepositie
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, bevindt zich op circa 12,1 kilometer afstand ten noordwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.

Daar de voorgenomen ontwikkeling een interne verbouwing betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Hierdoor is er een stikstofberekening opgesteld voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

Uit het vervolgonderzoek met een AERIUS-berekening zijn bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

Conclusie
Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.9 Bodem

4.9.1 Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.

4.9.2 Onderzoek

Het initiatief betreft de interne splitsing van een bestaand pand. Er vinden geen grondwerkzaamheden plaats. Daarnaast is wonen (in een bedrijfswoning) reeds toegestaan. Echter: bij een wijziging van een bestemming voor gebruik in afwijking van de bestaande bestemming, dient de haalbaarheid van het plan te worden onderzocht. Onderdeel hiervan is een toets voor wat betreft de bodemkwaliteit. Vanwege de beperkte omvang van het initiatief, kan volstaan worden met een 'historische toets'.

In de Nota Bodembeheer 2019-2024 van de Omgevingsdienst Brabant Noord wordt in hoofdstuk 7 de mogelijkheid geboden om “ontheffing van bodemonderzoeksplicht” aan te vragen. De verwachting is dat er geen ernstig verontreinigde stoffen gebruikt zijn en er bestaat geen vermoeden van (ernstige) bodemverontreiniging ter plaatse. De aanvrager kan dan vrijstelling krijgen voor het uitvoeren van een bodemonderzoek, mits er geen grondverzet van de locatie zal plaats gaan vinden of er tijdens bouwwerkzaamheden geen (asbest) verontreinigen worden geconstateerd. Het formulier 'Historische Toets' is toegevoegd aan de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan (zie bijlage 6) en zal door de gemeente worden beoordeeld om vast te stellen of er al dan niet een bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.10 Water

4.10.1 Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt.

Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het rijksbeleid. Dit om door samenwerking van organen met de verschillende bevoegdheden tot een duurzaam watersysteem te komen.

Naast dit beleidskader is in het provinciaal Milieu- en waterplan Noord-Brabant 2016-2021 (PNWP) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen.
Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen.

Waterschap Aa en Maas
In het Waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:

  • 1. Waterveiligheid;
    Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
  • 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem;
    Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
  • 3. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.


Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:

  • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;
  • de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;
  • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;
  • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Gemeente 's-Hertogenbosch
Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente 's-Hertogenbosch kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2021 is de Visie Groen en Klimaatbestendig vastgesteld waarin staat dat we in 's-Hertogenbosch een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en vergroenen zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Bomen, Water en Groen 's-Hertogenbosch 2021. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

4.10.2 Onderzoek

Voor onderhavig ruimtelijk initiatief is een waterparagraaf opgesteld. Navolgend worden de belangrijkste aspecten uit de waterparagraaf weergegeven. Voor de volledige waterparagraaf wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan.

Hemelwater
Het hemelwater wordt geïnfiltreerd binnen het plangebied middels oppervlakkige infiltratie. Uit gegevens van DINOloket, de PDOK viewer en de Bodematlas Brabant blijkt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand is gelegen tussen de 60 en 80 cm-mv. Dit is voldoende diep om hemelwater te verwerken. Doordat het ruimtelijk initiatief slechts een inpandige verbouwing betreft en er slecht een zeer beperkt oppervlak aan bijgebouwen wordt toegevoegd is het niet de verwachting dat de ontwikkeling een belemmering zal vormen voor de berging van het hemelwater. In de huidige situatie zijn er geen gevallen bekend waarbij er sprake is geweest van wateroverlast door overtollig hemelwater.

Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om het hemelwater vertraagd af te voeren naar de naastgelegen sloot. Vanuit deze sloot vindt vertraagde afvoer plaats naar een B-watergang ten noorden van het plangebied. In de 'Verordening bomen, water en groen 's-Hertogenbosch 2021' is in artikel 4.15 lid 2 onder a opgenomen dat voor gevallen waarbij meer dan 500 m² verhard oppervlak wordt toegevoegd of vernieuwd er een hemelwatervoorziening gerealiseerd dient te worden die minimaal 60 mm hemelwater per m² kan verwerken. In artikel 4.15 lid 2 onder b is opgenomen dat voor gevallen waarbij minder dan 500 m² verhard oppervlak wordt toegevoegd of vernieuwd er een hemelwatervoorziening gerealiseerd dient te worden die minimaal 10 mm hemelwater per m² kan verwerken. Het plangebied zorgt niet voor een toename van meer dan 500 m² aan verhard oppervlak waardoor artikel 4.15 lid 2 onder b geldt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Overtollig hemelwater wat op de daken valt wordt opgevangen middels regentonnen. Daarnaast worden er infiltratiekratten voorzien binnen het plangebied en zal de nieuwe/aangepaste inrit worden voorzien van grasstenen waardoor hemelwater direct kan infiltreren in de grond. Het opgevangen regenwater zal worden gebruikt om de tuin te bewateren in tijden van droogte.

Oppervlaktewater
Er zijn geen oppervlaktewateren gelegen binnen het plangebied.
Aan de oostzijde van het plangebied is echter een sloot gelegen. Deze is niet aangemerkt als zijnde een A- of B-watergang. Aan de overzijde van de Vinkelsestraat is wel een leggerwatergang gelegen, namelijk een B-watergang. Deze watergang is echter gelegen buiten het plangebied en aangezien de ruimtelijke ontwikkeling slechts een inpandige verbouwing betreft, zullen er geen negatieve effecten optreden in of naast de B-watergang.

Grondwater
Er treedt geen wijziging op ten aanzien van het grondwater en de hoogte van het maaiveld. Het initiatief betreft slechts een inpandige verbouwing van een bestaand pand. Voor de nieuwe garage en de terrasoverkapping zal eveneens geen verhoging of verlaging van het maaiveld aan de orde zijn.

Riolering
Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een zeer geringe toename in het aanbod van vuilwater op het riool. In overleg met de gemeente 's-Hertogenbosch zal tijdens de verdere planvorming de mogelijkheden omtrent en de wijze waarop en hoe aangesloten kan worden op de riolering nader besproken moeten worden.

Conclusie
Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.11 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden.

Het onderhavige initiatief betreft slecht de interne splitsing van een bestaand pand en het toevoegen van een garage waardoor onderhavig initiatief ruimschoots onder de grenswaarde voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor initiatieven met een oppervlak groter dan 200 m². Er worden geen grondwerkzaamheden verricht die dieper reiken dan 0,3 m-mv. Om die reden is geen nader archeologisch onderzoek nodig.

Cultuurhistorie
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening.
Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 in het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen.

Doorwerking plangebied
Provinciaal beleid
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle en cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen.

Onderstaand een afbeelding van de Cultuurhistorische waardenkaart:

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0015.png"  
Figuur 12 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart  


Uit deze kaart blijkt, dat binnen het plangebied – met uitzondering van het pand zelf (zie hiervoor paragraaf 3.2.3) - geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn gelegen, noch sprake is van een cultuurhistorisch waardevol landschap.

Het pand (boerderij) is gelegen aan de noordzijde van de Vinkelsestraat, ten oosten van de dorpskern van Vinkel. De boerderij is omstreeks 1934 gebouwd ter vervanging van de boerderij en schuur, die
haaks op de straat gesitueerd waren.

Op het kadastrale minuutplan van omstreeks 1832 is de vorige boerderij ingetekend. Op een hulpkaart uit 1879 wordt deze boerderij ook aangegeven en aangevuld met een schuur met een klein bouwwerk erachter (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0016.png"  
Figuur 3 uitsnede hulpkaart uit 1879  

Op een hulpkaart uit 1934 (gemeente Heesch) wordt de nieuwgebouwde boerderij aangegeven met een situering evenwijdig aan de straat (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002527-1401_0017.png"  
Figuur 14 Uitsnede hulpkaart 1934  

Thans zijn naast de boerderij nog enkele ondergeschikte opstallen op het erf aanwezig, waaronder een tegen de rechter perceelsgrens gelegen, in 1993, fors verbouwde garage.

Karakteristiek
De boerderij, op een L-vormig grondplan (circa 27x14 meter) is een langgevel boerderij onder een mansardedak, gedekt met rode dakpannen. De boerderij is omstreeks 1934 gebouwd, ter vervanging van oudere bebouwing met een afwijkende situering en oriëntering op het erf. De zuidelijk georiënteerde voorgevel is naar de straat gericht met aan de westzijde van de boerderij het woongedeelte. Het woongedeelte springt aan de achterzijde in, waardoor een L-vormig grondplan is ontstaan. Het dak heeft aan beide uiteinden een wolfseind met boven het woongedeelte in de nok een tweetal schoorstenen.

De zuidelijk georiënteerde voorgevel bezit, ter plaatse van het woongedeelte, twee T- vensters met daartussen de voordeur met bovenlicht. Rechts naast het venster zit een staldeur en twee vierruits stalvensters met getoogde bovenzijden, met daar tussen een later aangebrachte inrijpoort. Onder de goot is een dichtgezet hooiluik herkenbaar. In het voordakvlak is een viertal dakvensters aangebracht. In de rechter kopgevel zit een drietal staldeuren een tweetal vierruit stalvensters met daarboven een hooiluik geflankeerd door twee kleine halfronde vensters. In de westelijk georiënteerde linker kopgevel, zitten op de begane grond drie T-vensters en op de verdieping twee kleinere T-vensters. De bovenlichten van de T-vensters worden door verticale roeden gedeeld.

In het inspringende gedeelte van de achtergevel, waar het woongedeelte is gelegen, zit een venster. Op het dakvlak staat een dakkapel die aansluit op de uitspringende gevel. Het lagere geveldeel behorende bij het bedrijfsgedeelte bezit een aantal staldeurtjes en stalvensters. In het dakvlak ligt een tweetal dakvensters.

Conclusie
Op basis van de beschikbare informatie, kan geconcludeerd worden, dat de boerderij (uit 1934) in een redelijke staat bewaard gebleven. Aan het woon- en bedrijfsgedeelte hebben na 1934 wel de nodige aanvullingen en wijzigingen plaats gevonden, maar de oorspronkelijke hoofdopzet is daarbij intact gebleven.

Daarnaast is de boerderij markant gesitueerd in het agrarisch landschap ten oosten van de Vinkelse dorpskern en in de nabijheid van de Grote Wetering. Op deze locatie is in ieder geval vanaf de vroege 19e eeuw een boerderij aanwezig geweest, waarbij de huidige boerderij deze voorganger heeft vervangen.

De langgevel boerderij staat niet aangemerkt als een beschermd monument, maar bezit vanwege zijn verschijningsvorm, situering en het oorspronkelijke karakter wel bouw- en cultuurhistorische waarden. Splitsing van de woning is slechts mogelijk indien dit door afdeling erfgoed van de gemeente 's-Hertogenbosch als zodanig is herkend.

Splitsing is vanuit bouw- en cultuurhistorisch oogpunt (volgens de gemeente) mogelijk, waarbij geadviseerd wordt rekening te houden met behoud van de hoofdkenmerken:

  • Hoofdstructuur, maat en schaal;
  • Hoofdindeling en herkenbaarheid woon- en bedrijfsgedeelte (onder meer gevel- en vensterindeling);
  • Kenmerkend sober materiaalgebruik
  • Behoud open karakter van het erf en voorkomen van een visuele opdeling van het erf

Uit Bijlage 9 blijkt dat het planvoornemen voldoet aan de bovengenoemde kenmerken. Bij de verbouwplannen zullen deze kenmerken in acht worden genomen.
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.12 Energie en duurzaamheid

Nederland staat voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten er steeds meer mensen gehuisvest worden, ook moet er rekening gehouden worden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte.
Op dit moment wordt intensief gewerkt aan het verduurzamen van de gemeente 's-Hertogenbosch. Hierbij is 'energie' een belangrijk speerpunt binnen de gemeente. Enerzijds door het realiseren van duurzame energievormen (zoals windturbines, zonnepanelen, warmtepompen) en anderzijds door het energiezuinig (neutraal) laten bouwen. Ook oplossingen voor waterbeheer dragen bij aan de ontwikkeling van een duurzame (toekomstbestendige) gemeente.

Klimaatverandering
Het klimaat verandert. Nederland krijgt volgens de meest recente KNMI-modellen in de toekomst te maken met meer extreme weersomstandigheden zoals langere droge periodes, heftigere buien (met mogelijk meer onweer, neerslag, hagel en wind) en gemiddeld zal de temperatuur stijgen. Door hierop tijdig te anticiperen en aanpassingen door te voeren aan de fysieke leefomgeving van de stad en adaptief gedrag van haar inwoners te ondersteunen, blijft de stad van de toekomst veilig en leefbaar.

Energie
Zoals gezegd is energiebeheer een belangrijk speerpunt binnen duurzaamheids-ambities van de gemeente 's-Hertogenbosch. De gemeente heeft doelen gesteld waaraan wordt gewerkt om te komen tot een klimaat neutrale gemeentelijke organisatie in 2020, een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2035 en 's-Hertogenbosch volledig klimaatneutraal in 2050. Deze ambities zijn fors te noemen, waarbij 'alles uit de kast' moet worden gehaald. Deze doelstelling betekent dat niet alleen de gemeente veel doet, maar ook de Bossche bedrijven, inwoners, ontwikkelaars, maatschappelijke groepen, woningcorporaties zullen hierin moeten investeren, samenwerken, creatief zijn en vooruitdenken. De gemeentelijke energie-ambitie en -doelstellingen zijn vastgelegd in het "Energie-transitieprogramma 's-Hertogenbosch 2016-2020", vastgesteld door de gemeenteraad op 31 januari 2017. Ook het recente bestuursakkoord (2018-2022) stelt dat de gemeente een serieuze bijdrage moet leveren om de klimaatverandering tegen te gaan, bijvoorbeeld via het opwekken van duurzame energie en het energiezuinig laten bouwen in onze gemeente. De gemeente zet forse stappen met betrekking tot het aspect duurzaamheid en iedere ontwikkeling (hoe klein ook) dient een bijdrage te leveren aan het verduurzamen van de gemeente. Hiervoor heeft de gemeente in mei 2019 een visie vast gesteld, namelijk 'samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch'. In deze visie zijn vier ambities opgesteld:

  • 1. Gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving;
  • 2. CO2-neutrale gemeente;
  • 3. Waardebehoud van grondstoffen;
  • 4. Duurzame mobiliteit.


Doorwerking plangebied
Onderstaand wordt per thema toegelicht hoe het ruimtelijk initiatief omgaat met de gestelde ambities uit de visie 'samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch'.

Ambitie 1: Gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente 's-Hertogenbosch. In het buitengebied vinden voornamelijk activiteiten plaats ten behoeve van de landbouw. Dit gebied kan dan ook omschreven worden als een gezonde, groene en klimaatbestendige leefomgeving. Door de inpandige verbouwing zal er geen significante toename in het verhard oppervlak optreden. Er zal een bestaande overkapping worden geamoveerd, evenals een tuinhuis en een overdekt terras. Wel zal er een nieuwe garage worden gerealiseerd. Navolgende tabel geeft het oppervlak te slopen bebouwing en nieuw te realiseren bebouwing weer.

Type   Salderen huidige bijgebouwen in m²   Nieuw te realiseren bijgebouw(en) in m²  
Overkapping   31   0  
Houthok   7   0  
Overige bebouwing (garage, opslag, etc.)   29,5   67,5  
Totaal   67,5   67,5  


Daarnaast zal er een nieuwe inrit worden gerealiseerd aan de westzijde van het perceel. Deze inrit zal echter worden gerealiseerd met zogenaamde grasstenen. Hierdoor zal het hemelwater ter plaatse van de nieuwe inrit direct infiltreren in de bodem. De omgeving van het plangebied en de aangrenzende agrarische gronden/grasland blijven onverhard. Enkele bomen zullen op strategische plekken worden geplaatst om een eventueel hitteeilandeffect in het plangebied te voorkomen.

Ambitie 2: CO2-neutrale gemeente
Door de interne verbouwing zullen er twee woningen worden gerealiseerd (inclusief de reeds bestaande bedrijfswoning). Beide woningen zullen echter niet gasloos worden gerealiseerd. Wel wordt er geïnvesteerd in het aanleggen van zonnepanelen, worden nieuwe kozijnen met Hr++ glas geplaatst. De woning in het achterhuis wordt opgebouwd met cellenbeton wat zorgt voor een uitstekende isolatie. Het voornemen bestaat om eveneens de nieuw te bouwen schuur volledig met cellenbeton op te bouwen. Daarnaast zullen de vloeren eveneens geïsoleerd worden en wordt er bekeken of een warmtepomp een mogelijkheid is voor het verwarmen van de woningen.

Ambitie 3: Waardebehoud van grondstoffen
Circulariteit is tegenwoordig een hot topic. Het gaat hierbij om hergebruik van materialen. De materialen behouden hierdoor hun waarde. Het ruimtelijk initiatief voorziet in een inpandige verbouwing van de huidige bedrijfswoning. Dit kan worden aangemerkt als behoud van waarde en daarmee een vorm van circulariteit. Initiatiefnemer is voornemens om bij het achterhuis de muren te slopen, de stenen schoon te maken en opnieuw te gebruiken om de muren opnieuw mee op te richten. Ook de voegen van het voorhuis zullen worden uitgehakt en opnieuw worden geïmpregneerd. Hierdoor zullen bestaande materialen van de huidige bebouwing opnieuw worden gebruikt in de nieuwe woningen.

Ambitie 4: Duurzame mobiliteit
De gemeente werkt aan een gezondere leefomgeving door minder uitstoot van luchtvervuilende stoffen als stikstof en fijnstof, en minder geluidsoverlast. Dit kan de gemeente echter niet volledig zelfstandig. Inwoners van de gemeente 's-Hertogenbosch dienen een steentje bij te dragen aan het verminderen van de uitstoot van luchtvervuilende stoffen. Dit kan bereikt worden door het gebruik van elektrische vervoersmiddelen en het investeren in laadpalen voor elektrische voertuigen en elektrische fietsen.

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente 's-Hertogenbosch, nabij de kern Vinkel. Duurzame mobiliteit met betrekking tot het gebruik van het openbaar vervoer is niet realistisch, daar er in de omgeving van het plangebied geen mogelijkheden zijn om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Momenteel bezit initiatiefnemer niet over elektrische vervoersmiddelen. In de toekomst zal er naar verwachting wel een elektrisch vervoersmiddel worden aangeschaft en zal er tegen die tijd ook een laadpaal worden geïnstalleerd op de locatie van het plangebied.

Conclusie
Onderhavig ruimtelijk initiatief voldoet aan de gestelde ambities van de gemeente 's-Hertogenbosch en is daarmee in lijn met de visie 'samenwerken aan een duurzaam 's-Hertogenbosch'. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.13.1 Toetsingskader

Bij besluit van 21 februari 2011 zijn het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten, die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang.

Op 16 mei 2017 is een herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt.

4.13.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r.

Het ruimtelijk initiatief betreft slechts een interne verbouwing van een bestaande langgevelboerderij, het amoveren van overtollige bebouwing en het realiseren van bijbehorende bouwwerken. Daarnaast treden er geen significante wijzigingen op in het plangebied ten opzichte van de huidige situatie. Ook betreft het ruimtelijk initiatief een ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde zoals is aangegeven in kolom twee van Bijlage D. Echter moeten gemeenten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte is dat in bepaalde gevallen een activiteit met een kleinere omvang dan de drempel ook belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, bijvoorbeeld doordat die activiteit in of vlakbij een kwetsbaar gebied is gepland. Op basis van de beschouwing van de voorgaand beschreven relevante paragrafen kan geconcludeerd worden dat het ruimtelijk initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Hierdoor wordt het opstellen van een aanmeldingsnotitie m.e.r. niet noodzakelijk geacht. Het advies aan de gemeente is dan ook om dit advies over te nemen.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding

Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels.

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek

Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.

De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht.

De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

Hoofdstuk 1: Inleidende regels
In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan:

  • Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.
  • Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie.
  • Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).
  • Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
  • Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden.

Hoofdstuk 3: Algemene regels
In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.

  • Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
  • Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid.
  • Algemene afwijkingsregels: in deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.


Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s)
In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen:

  • Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik.
  • Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald (de naam van het bestemmingsplan).

5.3 Toelichting op de bestemmingen

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen.

Wonen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. Wonen - aaneengebouwd;
  • b. Behoud en herstel van cultuurhistorische waardevolle bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
  • c. één paardenbak per bestemmingsvlak waarvan de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 800 m2, met daarbij behorende lichtmasten.

en tevens voor:

  • d. aan huis gebonden beroepen en bed & breakfast in de woning en/of bijgebouw, mits:
    • 1. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft;
    • 2. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen;
    • 3. geen horeca en geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden beroep, mits de te koop aangeboden goederen en/ of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden beroep;
    • 4. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • e. aan huis gebonden bedrijf in een bijgebouw van de woning, mits:
    • 1. de (mede) daarvoor in gebruik te nemen vloeroppervlakte van het bijgebouw niet meer bedraagt dan 80 m2;
    • 2. het een activiteit betreft uit maximaal categorie 2 van de in Bijlage 5 Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen activiteiten;
    • 3. de woonfunctie als hoofdfunctie gehandhaafd blijft;
    • 4. de goede verkeersafwikkeling gewaarborgd blijft en op eigen terrein in de parkeerbehoefte wordt voorzien;
    • 5. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte detailhandel ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden bedrijf, mits de te koop aangeboden goederen en/ of producten een relatie hebben met het aan huis gebonden bedrijf;
    • 6. geen buitenopslag plaatsvindt;
    • 7. er geen sprake is van een publieksaantrekkende werking.

met de daarbijbehorende:

  • f. groenvoorzieningen;
  • g. verkeersvoorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.

Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 1 per bestemmingsvlak, tenzij anders aangegeven door middel van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden.

Waarde – Archeologie hoge verwachting

De voor 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten en/of aanwezige archeologische waarden.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De leges zullen de planologische begeleiding dekken.

Gezien het feit dat het vigerende bestemmingsplan realisatie van het planvoornemen niet rechtstreeks toestaat, bestaat de mogelijkheid dat derden een verzoek om planschadevergoeding indienen bij de gemeente 's-Hertogenbosch.

Tussen de initiatiefnemers en de gemeente is daartoe een overeenkomst afgesloten, waarbij de initiatiefnemer de verplichting op zich neemt om eventuele planschadeclaims als gevolg van de planologische wijziging voor zijn rekening te nemen.

Ook is vooraf een overeenkomst tot verhaal van kosten tegemoetkoming planschade aangegaan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het gewenst dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven.

Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:

  • Vooroverleg;
  • Inspraak;
  • Vaststellingsprocedure.

6.2.1 Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Na het voeren van vooroverleg zullen de uitkomsten van het overleg voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.

6.2.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken.

Voor voorliggend plan heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. In verband met de corona maatregelen heeft er een fysiek omgevingsdialoog plaatsgevonden met de bewoners aan de Vinkelsestraat 84, 84a en 90 en Het Staal 3. Alle omwonenden hebben aangegeven positief tegenover de voorgenomen ontwikkeling te staan.

6.2.3 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van de ter inzagelegging en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.